Wikisource nlwikisource https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina MediaWiki 1.47.0-wmf.11 first-letter Media Speciaal Overleg Gebruiker Overleg gebruiker Wikisource Overleg Wikisource Bestand Overleg bestand MediaWiki Overleg MediaWiki Sjabloon Overleg sjabloon Help Overleg help Categorie Overleg categorie Hoofdportaal Overleg hoofdportaal Auteur Overleg auteur Pagina Overleg pagina Index Overleg index TimedText TimedText talk Module Overleg module Event Event talk Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/262 104 87305 224049 2026-07-15T06:09:42Z WeeJeeVee 2844 /* Niet proefgelezen */ 224049 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||TOT ONS ZONNESTELSEL BEHOORENDE.|229}}</noinclude>Reeds {{sc|herschel}}, die het eerst in 1781 de planeet Uranus ontdekte, merkte in 1787, dat zij van eenige zeer kleine lichtpuntjes omgeven wâs, die hij al spoedig als Uranus-manen erkende. Door zijne magtige teleskopen doorvorschte hij met onvermoeide vlijt het Uranusgebied en bragt het na ontzaggelijk veel moeite zoo ver, dat hij de afstanden en omlooptijden van zes zulke Uranus-manen berekende. In 1851 ontdekte {sc|lasseLL}} nog twee nieuwe Uranus-trawanten, die nog nader aan de planeet geplaatst zijn dan de vroeger door {{sc|herschel}} ontdekte. Maar deze acht Uranus-manen zijn door haren verren afstand van de aarde zoo moeijelijk, zelfs met teleskopen van de grootste kracht, waar te nemen, dat van hare natuurlijke gesteldheid volstrekt niets met zekerheid kan gezegd worden. Alleen dit ééne mag hier als eene merkwaardige bijzonderheid nog opgemerkt worden, dat zij hare banen rondom de planeet volbrengen, in eene teruggaande beweging van het oosten naar het westen, dus in eene rigting, die geheel tegengesteld is aan de rigting van alle bekende hemelligchamen, zoo wij alleen sommige kometen uitzonderen. Deze teruggaande beweging is echter een natuurlijk gevolg van den stand van hare omwentelingsas op hare loopbaan. Eigenlijk wentelt Uranus zich even als andere planeten om hare as van het westen naar het oosten. Maar toen deze planeet hare manen van zich afscheidde, stond zij zoo op hare baan, dat hare noordpool, die bij alle andere planeten boven de ecliptica staat, iets beneden deze vlakte lag. Een gevolg van dezen stand is, dat hare omwenteling en de baan harer satellieten ons niet anders dan eene terugloopende kan toeschijnen. Om dit aanschouwelijk voor te stellen, hebben wij in nevensgaande figuur den verschillenden stand der drie planeten Jupiter, Venus en Uranus op hare banen afgebeeld. Stellen wij ons nu voor, dat de lijn W O de baan is, waarop deze planeten zich van het westen naar het oosten bewegen, dan geeft N Z de as te kennen, rondom welke zij zich in deze rigting omwentelen. A B stelt dus den evenaar en de lijn C D E de elliptische baan voor, in welke de satellieten dezer planeten zich om hun centraalligchaam bewegen. Ofschoon nu de manen van Uranus, met opzigt tot hare planeet, dezelfde rigting volgen, namelijk van het westen<noinclude></noinclude> 3ufg8sqgrsvegidsaaz30ol61a53pup Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/263 104 87306 224050 2026-07-15T06:16:45Z WeeJeeVee 2844 /* Problematisch */ 224050 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh|230|OVER DE NATUURLIJKE GESTELDHEID DER LIGCHAMEN,|}}</noinclude>naar het oosten, zal deze beweging ons toeschijnen in eene tegengestelde rigting te geschieden, omdat haar aequator en de baan harer {{image missing}} JUPITER. VENUS, URANUS. Fig. 2, satellieten van het oosten naar het westen neigt. Hare manen zich in de rigting C D E voortbewegende, zullen dus ons voorkomen zich in eene tegengestelde rigting te bewegen, als die van Jupiter. Had Venus eene maan, dan zoude hare beweging het naaste overeenkomen met die der Uranus-manen. {{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}} {{c|{{larger|NEPTUNUS.}}}} {{dhr}} De planeet Neptunus werd den 23 September 1846 het eerst gezien door GALLE te Berlijn, nagenoeg op dezelfde plaats, die {{sc|le verrier}} bij berekening vooraf had aangewezen. Zij is voor het bloote oog onzigtbaar en heeft het aanzien van eene ster van de achtste grootte. Zij is meer dan 80 maal verder dan onze aarde van de zon verwijderd. Haar afstand bedraagt, zoo wij dien der aarde als eenheid aannemen, gemiddeld 30.04, dat is 621.240.100 geogr. mijlen. Haar loopbaan wijkt slechts weinig van den cirkelvorm af. Als zij de zon het naaste staat, is zij daarvan 29.78 en op den versten afstand 30.30 van haar verwijderd, als wij den afstand der aarde van de zon = 1 stellen. Bij dezen verren afstand is de hoeveelheid licht en warmte, die de zon haar geeft, slechts 0.001 van die wij op onze aarde waarnemen. Zij doorloopt de ontzaggelijke baan, die zij op dien afstand om de zon<noinclude></noinclude> 7fyhe7mcwihcq5r5i91q7u20llt9q0e Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/264 104 87307 224051 2026-07-15T06:20:26Z WeeJeeVee 2844 /* Niet proefgelezen */ 224051 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||TOT ONS ZONNESTELSEL BEHOORENDE.|231}}</noinclude>heeft af te leggen, in 164 jaren, 8 maanden en 26 dagen (volgens {{sc|arago}}). Daar noch de tijd van hare omwenteling om hare as, noch de stand harer as op hare loopbaan bekend is, kan van het verloop van hare dagen en jaargetijden niets met zekerheid worden gezegd. Zij vertoont zich aan ons op haren gemiddelden afstand als een klein schijfje met een middellijn van slechts 2'.7, Haar werkelijke middellijn zou dus 48 malen zoo groot zijn als die onzer aarde en dus 8.251 geogr. mijlen bedragen, Haar volume moet bij gevolg 110 malen den inhoud onzer aarde bevatten. De bepaling van hare massa is op zeer verschillende wijze aangegeven. {{sc|Struve}} heeft ze berekend op een 14446ste gedeelte van die der zon, dus bijna 25 maal zwaarder dan onze aarde. Daaruit zou volgen, dat de digtheid der stof, waaruit zij is zamengesteld 0.230 bedraagt, als wij die van onze aarde = 1 stellen. Het gewigt, waarmede ligchamen op hare oppervlakte drukken, zoude bij gevolg = 1.10 zijn, als wij die op onze aarde als eenheid aannemen. Vallende ligchamen doorloopen dus op hare oppervlakte eene ruimte van 16.6 voeten, dus slechts een weinig meer dan op onze aarde. Het is zeer te betwijfelen, of door regtstreeksche waarneming ooit iets aangaande de natuurlijke gesteldheid van de planeet Neptunus en hare twee manen, door {{sc|lassell}} in 1847 en 1850 ontdekt, zal worden aan het licht gebragt, zoodat wij ons zullen moeten vergenoegen met het weinige, dat als gevolgtrekking kan worden afgeleid uit de berekening der sterrekundigen. {{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}} {{c|{{larger|DE KOMETEN.}}}} {{dhr}} Behalve de planeten en hare wachters zijn er nog eene menigte andere ligchamen, die het gebied van ons zonnestelsel in alle rigtingen doorkruisen. Het zijn die zonderlinge en geheimzinnige wezens, die meestal geheel onverwacht aan den hemel verschijnen, door hunne vreemde gestalte de verbazing der aardbewoners wekken en dan weder na verloop van eenige weken of maanden uit het gezigt verdwijnen. Wij noemen ze kometen of staartsterren, omdat zij in een wolkachtig<noinclude></noinclude> 74rbscrvut0e32k9c6gco2ikbq131cc