Wikisource
nlwikisource
https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina
MediaWiki 1.47.0-wmf.4
first-letter
Media
Speciaal
Overleg
Gebruiker
Overleg gebruiker
Wikisource
Overleg Wikisource
Bestand
Overleg bestand
MediaWiki
Overleg MediaWiki
Sjabloon
Overleg sjabloon
Help
Overleg help
Categorie
Overleg categorie
Hoofdportaal
Overleg hoofdportaal
Auteur
Overleg auteur
Pagina
Overleg pagina
Index
Overleg index
TimedText
TimedText talk
Module
Overleg module
Event
Event talk
Overleg gebruiker:Vincent Steenberg
3
5958
222265
220907
2026-05-31T15:24:28Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Paginalijst */ nieuwe subkop
222265
wikitext
text/x-wiki
[[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg/archief1]]
== Zo zou ik het doen ==
Dag Vincent, zo zou ik het doen: [https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Index%3ACourante_uyt_Italien%2C_Duytslandt%2C_%26c._1651_no_008.djvu&diff=186246&oldid=121035 alles in de index] en [https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Courante_uyt_Italien%2C_Duytslandt%2C_%26c.%2F1651%2FNummer_8&diff=186245&oldid=121060 pages index met header] haalt info op uit de index. Je mag het uiteraard terugdraaien. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 16 aug 2024 13:49 (CEST)
:Dat kan in de toekomst, maar eerst wacht ik de header kranten- en tijdschriftartikel af. Dan wordt o.a. de datum automatisch gegenereerd. Alleen jaar van uitgifte werkt niet voor kranten. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 16 aug 2024 14:03 (CEST)
::::Je hebt de [[Index:Courante uyt Italien, Duytslandt, &c. 1651 no 008.djvu|index]] niet teruggedraaid. Het grappige is dat dan ook [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1651/Nummer 8|het overzicht(sartikel)]] niet teruggedraaid had hoeven te worden: de ''getoonde header'' boven die pagina reageert op de Indexpagina, en past zich bij latere wijziging van de headerinstructie of de indexpagina spontaan aan! Er kan dus al veel werk nu gedaan worden, vooruitlopend op de wijzigingen door @[[Gebruiker:Raketsla]] in 't ''headersjabloon''. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 16 aug 2024 17:07 (CEST)
== Controle ==
Dag Vincent , het was een hele puzzel om alle bestaande artikelen van P.C. Hooft te koppelen aan de bron die van Busken Huet bleek te zijn: [[Index:Busken Huet, Litterarische fantasiën en kritieken Deel 1 (1868).pdf]] kun je kijken of dat goed gedaan is. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 20 aug 2024 12:03 (CEST)
:Zie ook [[Busken Huet]]; moet ik ook [[Auteur:Pieter Cornelisz. Hooft]] aanpassen? [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 20 aug 2024 12:23 (CEST)
::Je bedoelt dat je het segment {{tt|P.C. Hooft/...}} vervangt door {{tt|Litterarische fantasiën en kritieken/Deel 1/...}}. Ja, dat kan. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 20 aug 2024 15:10 (CEST)
::::::Ik bedoel:zal ik de artikelen (op één na alle) op de pagina [[Auteur:Pieter Cornelisz. Hooft]] ook groeperen onder
:::* Teksten van P. C. Hooft in Busken Huet, ''[[Litterarische fantasiën en kritieken/Deel 1]]'' (1868), p.1-29 :
:::#...
:::#...
:::[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 20 aug 2024 19:35 (CEST)
::::Wacht, nu zie ik het. Het zijn gedichten die her en der in een hoofdstuk van dat boek staan en ook nog zonder titel. Dat maakt het inderdaad ingewikkeld. Misschien kun je beter met ankers werken i.p.v. losse pagina's? [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 20 aug 2024 20:04 (CEST)
:::::Alle artikelen waren al aangemaakt (!) en stonden onder P.C. Hooft. Maar het waren geen werken, slechts stukjes tekst. Het was een hele puzzel met al die losse pagina's zonder bron. Met de bron erbij is de samenhang duidelijker. Zou je het geheel naar jouw inzicht willen ombouwen met behoud/versterken van de samenhang? (''Nydighe Tijt waerom ist'' hoort er niet bij, apart te houden, staat in de canon van 2015)--[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 20 aug 2024 20:31 (CEST)
== Onnodige " " ==
Dag Vincent, '''" "''' zijn slechts nodig als het aangehaalde een spatie bevat. Dus in de index '''"franse pagina"''' met, en '''titelpagina''' zonder '''" "''', terwijl in de page tag '''from="1" to="1"''' gewoon '''from=1 to=1''' mag zijn. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 25 aug 2024 20:39 (CEST)
== Nieuwe gebruiker ==
Eerste bijdragen van [[Gebruiker:Ben the Bear09]], Ben the Bear is [[m:en:Bruno (bear actor)]]. Ik heb de artikelen teruggezet naar de versies vóór diens bijdragen. Het blijken een serie onvertaalde engelstalige volksliedjes te zijn, die ik meteen maar voorgedragen heb ter verwijdering. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 30 aug 2024 23:11 (CEST)
Dag Vincent, @[[Gebruiker:Ben the Bear09]] is aan zijn eerste boek begonnen, ziet er goed uit. maar de filenaam op commons moest aangepast worden (is gedaan). Kun je de serie reeds aangemaakte pagina's (2 t/m 17) Pagina:LMge022niel02 01.pdf/.. hernoemen zonder redict in Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/.. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 31 aug 2024 11:10 (CEST)
:Dat wil ik wel doen, maar [[w:Wikipedia:Ga uit van goede wil|ga ook een beetje uit van goede wil]]. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 31 aug 2024 15:14 (CEST)
:Ja, hij doet god werk, maar de eerste bijdragen waren wat vreemd.--[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 31 aug 2024 17:35 (CEST)
== Nederlands schilderkunst ==
Dag Vincent, Kun je voor [[Johannes van Vloten/Nederlands schilderkunst]] naar de titels kijken en eventueel hernoemen: de gebruikte titel is ''Johannes van Vloten/Nederlands schilderkunst'', en voor de hoofdstukken ''Nederlands schilderkunst/...''; de eigenlijke titel is [[Nederlands schilderkunst van de 14e tot de 18e eeuw]]. Je zou de titels uniform kunnen maken. Ik heb alle bestaande tekst geconsolideerd onder index-pagina's. Maar de helft van de pagina's was nog ongedaan. Misschien heb je zin je werk daar af te maken. Groet [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 10 sep 2024 20:52 (CEST)
== Hernoeming zonder redirect ==
Dag Vincent, kun je de items in [[:Categorie:Vergeten liedjes]] hernoemen zonder redirect door de auteursnaam ''Boutens/'' te vervangen dooir de bundeltitel ''Vergeten liedjes/''. Mijn dank. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 15 sep 2024 10:46 (CEST)
:Lukjt het niet in één keer met de categorie? Helpt het, als je uitgaat van de old-edit https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Vergeten_liedjes&action=edit&oldid=189736 ? --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 15 sep 2024 13:24 (CEST)
::Ja, dat is inderdaad handiger. Moment. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 15 sep 2024 13:34 (CEST)
== minder dan 5000 ==
Dag Vincent, we hebben intussen minder dan 5000 artikelen zonder scan! Een vraag: wikisource is gedefinieerd als internet e-bibliotheek, maar met al die krantenstukjes lijkt het een knipselbibliotheek. ''bron'' is een dubbelzinnig woord: op wikipedia betreft het de referentie naar de ''bron'' waar het feit vermeld staat, op wikisource betreft het 't brondocument dat in de e-bibliotheek is opgenomen als getranscludeerd e-document. Kunnen we ons op wikisource niet veel beter concentreren op boeken en originele teksten, in plaats van op al die feiten in referentie-bronnen. De bron waar het feit staat, is al voldoende ''bewaard'' wanneer de krant op commons is opgeslagen. ----[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 23 sep 2024 10:04 (CEST)
:Op [[Wikisource:Over Wikisource]] staat dat Wikisource bedoeld is voor "Originele teksten, vrij van rechten, en die reeds gepubliceerd zijn". Ik zie geen reden om dit verder in te perken. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 23 sep 2024 11:09 (CEST)
::Het is maar hoe men interpeteert, welk soort teksten relevanter zijn voor een bibliotheek, en of we ons daar op ''concentreren''. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 23 sep 2024 11:16 (CEST)
:::ok, maar je doelt neem ik aan op alle krantenartikelen zonder scan. Dat zijn er als ik het goed heb ten minste 1846. Ik wil daar wel naar kijken als je wil. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 23 sep 2024 20:06 (CEST)
::::Nee, daar doel ik niet zozeer op. Zonder scan betreft achterstallig onderhoud. Relevant is: wat lezers hopen te vinden in wikisource... Zo was ik vorig jaar verbaasd er niets in te vinden van Vondel. Toch is er in ruim een jaar veel gedaan: 3000 oude teksten voorzien van scan (zonder scan van 8000 naar 5000) en ruim 3000 nieuwe teksten (van minder dan 14.000 naar meer dan 17.000); tegenover in de 18 jaar ervoor gemiddeld nog geen 1000 artikelen per jaar. Hoe kunnen we meer leven in wikisource krijgen?
== rode links ==
Dag Vincent, kun je nakijken wat er met deze rode links en hun koppelingen aan de hand is... Vergeten aan te maken, of moeten de link-haken verwijderd worden?
*[[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Allegrezza (1)]] (2 koppelingen)
*[[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/De vier tijden van ’t Jaer (1)]] (2 koppelingen)
*[[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Democratia (2)]] (2 koppelingen)
*[[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Ethica (1)]] (2 koppelingen)
*[[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Fama (2)]] (2 koppelingen)
*[[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Furore Poetico (1)]] (2 koppelingen)
*[[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Musen]] (2 koppelingen)
*[[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Ontschuldinge]] (2 koppelingen)
*[[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Opdracht]] (2 koppelingen)
*[[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Rivalita (2)]] (2 koppelingen)
Misschien weet je wat te doen met [[Speciaal:GevraagdePaginas|Niet-bestaande pagina's met koppelingen]]. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 24 sep 2024 22:24 (CEST)
:Oops. Nee, die moeten allemaal nog aangemaakt worden. Er wordt aan gewerkt. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 25 sep 2024 09:05 (CEST)
== copyrightprobleem ==
Dag Vincent, er is een mogelijk copyrightprobleem: [https://www.monarchie.be/nl/algemene-gebruiksvoorwaarden-website Monarchie] staat niet-commercieel gebruik, dit slaat op alle [[Toespraken van koning Filip van België]] ... allemaal verwijderen? «Reproductie van de teksten: voor privé- of niet-commercieel gebruik, met volgende bronvermelding:
© Koninklijk Paleis, Brussel, België.» [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 26 sep 2024 12:18 (CEST)
:Ja, dat is inderdaad niet helemaal in de geest van Wikisource. Teksten moeten rechtenvrij zijn, maar ze moeten ook vanuit Wikisource zonder hobbels verspreid kunnen worden. Dus zo'n toevoeging zoals het Belgische koninklijk huis eist lijkt me niet wenselijk. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 27 sep 2024 20:15 (CEST)
::Dus die toespraken verwijderen? [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 27 sep 2024 20:48 (CEST)
:::Ik zal binnenkort gebruiker Geschiedschrijver een berichtje schrijven. Eerst even kijken wat hij of zij ervan vindt. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 27 sep 2024 21:25 (CEST)
== Lintfouten ==
Dag Vincent, ik ben begonnen met corrigeren ''[[Speciaal:Linterrors]]''. Gemakkelijk was ''Lintfouten: Oud gedrag van font-tags die een link omgeven'' ({{done}}). Kun jij eens kijken naar : ''Lintfouten: Verkeerd geneste tag met andere weergave in HTML5 dan in HTML4'', dan ga ik me verdiepen in Lintfouten: Overige problemen -> ik heb systematische fouten in sjabloon:gedicht gemaakt. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 27 sep 2024 15:06 (CEST)
:Daar kijk ik ook af en toe op, en het is inderdaad soms lastig om er achter te komen wat het probleem precies is. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 27 sep 2024 20:07 (CEST)
::IK heb er nu ruim 150 opgelost: ''smaller'' of ''larger'' van vóór naar achter ''c'' of ''r'' gezet. <nowiki>{{blockcenter|{{smaller|<poem>... </poem>}}}}</nowiki> vervangen door <nowiki>{{smaller|{{gedicht|...}}}}</nowiki> scoorde ook. ''gedicht'' moet beginnen met stanza en eindigen met stanza, ertussenin alles follow. Ik heb helaas de beginstanza systematisch weggelaten. Binnen gedicht geeft ''alinea'' problemen, en misschien ''c'' ook. Wat ''grijs'' fout doet, heb ik nog niet ontdekt. Na het verwijderen van de fouten in de ''indexpagina'' moet een nul-edit gedaan worden met het hoofdnaamruimteartikel. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 27 sep 2024 20:47 (CEST)
===Leerzaam===
Van mijn fouten leer ik veel. Jij hebt één systematische lintfout: onterechte lijnspaties in vroege tag ''font'' en in latere sjabloon ''grijs.'', zie [[Speciaal:LintErrors/html5-misnesting]] Je kunt dat voorkomen door i.p.v. lijnspatie tag ''br'' te gebruiken, zie [https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=De_Opmerker%2FJaargang_33%2FNummer_19%2FEdam%27s_museum&diff=193286&oldid=62755 dit verschil].
:Het is leuk puzzelen. Ik probeer nu te kijken hoe het uitpakt om de oude bestanden op te schonen, met name die vier manieren van <br>
Inspringing<br>
{{idt}}Inspringing<br>
{{gap|1.6em}}Inspringing<br>
:Inspringing<br>
Ik bots zelf op problemen met ''sjabloon:gedicht'' bij doorlopen over pagina's en bij insluiten van andere sjablonen (ook misnesting).
--[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 1 okt 2024 21:32 (CEST)
:Officieel moet je dan geloof ik sjabloon alinea gebruiken, maar zelf vind ik sjabloon gap handiger. Dubbele punt om in te springen zou ik niet gebruiken. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 1 okt 2024 21:46 (CEST)
::Hoe moeten we aankijken tegen de gewoonte om die inspringingen te laten vervallen in de transcriptie, zoals je in veel artikelen ziet. (We hoeven niet het niveau van een fac-similé te bereiken). Overigens krijgen die oude artikelen (ook die met jouw sjabloon:grijs) vanzelf modernere opmaakcodes op het moment dat ze aan een scan gekoppeld worden. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 1 okt 2024 22:52 (CEST)
:::Precies ja. Het gebruik van sjabloon grijs zal in de toekomst minder worden denk ik. En sjabloon idt zou eventueel vervangen kunnen worden met sjabloon gap. Iedereen doet het net even anders en daar is niks mis mee. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 2 okt 2024 08:43 (CEST)
::Het valt op dat @[[Gebruiker:Raketsla]] in de codes veel vereenvoudigingen heeft gerealiseerd, maar dat die nog niet allemaal zijn toegepast, vooral in de oude niet-scanned teksten. Dank zij bestudering lintfouten heb ik leren omgaan met sjabloon:gedicht: aan het begin '''geen start=stanza|'''; van pagina naar pagina end=follow|, start=follow|end=follow, en aan eind start=follow|end=stanza| ; verder geen insluitingen van ''c'', ''r'' of ''alinea'' , die vervang ik nu door '''gap|...em'''. Dus nu kan ik verder met (onderhoud aan lintfouten en) Da Costa en Cats, twee lange taaie teksten. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 3 okt 2024 21:15 (CEST)
== Botwerk? ==
Dag Vincent, sjabloon:idt vervangen door sjabloon:gap lijkt me botwerk: het gaat om enkele duizenden vervangingen. Kun jij iemands bot inschakelen (Romaine?)? [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 3 okt 2024 21:23 (CEST)
:Je kan toch gewoon van sjabloon idt een doorverwijzing maken naar sjabloon gap. Dit zal vast hier en daar ongewenste effecten hebben, maar idt komt vrijwel alleen op naakte teksten voor. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 3 okt 2024 21:35 (CEST)
::Nee, dat is computertechnisch een inefficiente omweg, doorverwijzingen vervangen door doel-item is altijd wenselijk. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 3 okt 2024 22:18 (CEST)
:::ok, een bot kan ze allemaal in één keer vervangen. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 4 okt 2024 16:27 (CEST)
::::Zoiets laat ik aan aministrateurs over. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 4 okt 2024 18:51 (CEST)
== verouderde tag ==
Dag Vincent, tt en /tt zijn verouderd. Op [[Pagina:Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren 1654 no 008.djvu/2]] heb je er een hele serie staan. Die hebben toch geen nut meer? Kunnen die weg? [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 5 okt 2024 21:00 (CEST)
:Inderdaad, ik zie nu ook allerlei waarschuwingen bij dit element. Ik zal ter vervanging proberen het sjabloon [[en:Template:Monospace]] naar hier te kopiëren. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 6 okt 2024 12:29 (CEST)
::De tt tag schijnt vervangen te kunnen worden door de kbd tag (keybord-tag). Test: sjabloon monospace {{Monospace|t’Amsterdam}} vergeleken met kbd-tag <kbd>t’Amsterdam</kbd> --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 20 okt 2024 18:27 (CEST)
:::Dat ziet er in de mobiele weergave een beetje raar uit met een kader om de tekst. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 20 okt 2024 18:57 (CEST)
::::Op mijn computer zien ze er identiek uit. Vanwaar dat verschil computer/mobiel? --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 20 okt 2024 19:24 (CEST)
:::::Het kader schijnt te voorschijn te komen als de kbd-tag binnen een CSS-style opmaak gebruikt wordt. Maar het is me nog niet duidelijk welke gevallen dat zijn. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 20 okt 2024 20:02 (CEST)
We kunnen net als in ws:en een sjabloon:tt als redirect naar sjabloon:monospace maken, zodat het gemakkelijk te onthouden is om i.p.v.tag tt sjaboon tt te gebruiken. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 20 okt 2024 22:20 (CEST)
:ja, dat is een goed idee. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 20 okt 2024 23:06 (CEST)
== Doorzoekbaar? ==
Dag Vincent, ik vind nooit een (hoofd)portaal als ik een item zoek via het "doorzoek wikisource" venster, maar ook nooit via gooigle search. Nemen zoekprogramma's geen wikisource (hoofd)portalen op in hun zoekresultaten? [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 10 okt 2024 22:42 (CEST)
:Dat is een goede vraag. Het lijkt erop dat de zoekfunctie van nl.wikisource op de Hoofdnaamruimte is gericht en alle andere naamruimten lagere prioriteit geeft. Op en.wikisource is dat anders opgelost. Als je daar bijvoorbeeld [https://en.wikisource.org/w/index.php?go=Go&search=Architecture op "Architecture" zoekt], verschijnt het bijbehorende portal bovenaan. Dat is wel een opvallend verschil. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 11 okt 2024 10:13 (CEST)
::Jouw voorbeeld uit ws:en helpt me verder: Op ws:en staan in de keuze balk '''search in:''' de standaardrubrieken: Main, portal, auteur, index, translation, op ws:nl heb ik in mijn keuzebalk '''zoeken in''' na aanklikken: '''naamruimtes toevoegen''' ''hoofdportaal'' toegevoegd aan het standaardzoeken. Kan iemand de standaard ''zoeken in'' voor alle gebruikers uitbreiden met "hoofdportaal" en "auteur", zoals in ws:en? --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 11 okt 2024 12:03 (CEST)
:::Wacht, ik kijk weer niet verder dan mijn neus lang is. Bij een standaard zoekopdracht op het woord "architectuur" op nl.ws krijg je [https://nl.wikisource.org/w/index.php?search=Architectuur&title=Speciaal:Zoeken&profile=advanced&fulltext=1&ns0=1&ns1=1&ns2=1&ns3=1&ns4=1&ns5=1&ns7=1&ns8=1&ns9=1&ns10=1&ns11=1&ns12=1&ns13=1&ns100=1&ns102=1 dit]. Het hoofdportaal komt dan als tweede resultaat. Dat verschilt dus niet zo heel veel van en.wikisource.
:::En in de mobiele versie wordt van dezelfde standaard zoekfunctie gebruik gemaakt. Dus de zoekresultaten daar zijn hetzelfde als die van de desktop versie, zolang je in die laatste maar een standaard zoekopdracht uitvoert. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 11 okt 2024 19:03 (CEST)
::::Bij mij stond alleen bibliotheek en gebruiker geactiveerd, ik heb nu enkele andere eraantoegevoegd. Jij hebt alle zoekruimtes geactiveerd. Overigens, ik wist niet dat er op wikisource zoveel portalen zijn. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 11 okt 2024 20:48 (CEST)
:::::ja, die knopjes heb ik altijd aanstaan bij het zoeken. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 11 okt 2024 21:01 (CEST)
== Hoe maak je een sjabloon? ==
Dag Vincent, zie [[Overleg Wikisource:Lijst van gedigitaliseerde Middelnederlandse handschriften en drukken in binnen- en buitenlandse bibliotheken#Korte url mogelijk voor MMDC ?]]. IK denk dat er een interessante korte sjabloon mogelijk is, die de pagina aanzienlijk lichter zou maken. Maar hoe maak je zo'n sjabloon? [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 15 okt 2024 14:18 (CEST)
== Portalen opschonen ==
Dag Vincent, er bestaan geen ws portalen meer, alleen hoofdportalen. Dus de portaalsjablonen zijn obsoleet en [[:Categorie:Wikisource:Sjablonen portaal]] bevat meerdere elementen die verwijderd kunnen worden, of sommige eventueel hernoemd. Dat kan beter rechtstreeks door jou als expert hoofdportalen en als administrateur gedaan worden. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 22 okt 2024 17:37 (CEST)
:Dat is prima. Een aantal van deze sjablonen is niet eens meer in gebruik. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 22 okt 2024 18:49 (CEST)
== Nieuwe Tijdingen ==
Dag Vincent,
* [[Nieuwe Tijdinghen/1620/ca. 20 februari]] zou als boekje B opgenomen moeten worden in de ''inputbox'' van de zoeklijst Nieuwe Tijdinghen/1620, maar het staat naast die zoeklijst in [[Nieuwe Tijdinghen]]. Hoe werkt zo'n inputbox? Kun jij dat voor boekje B in orde maken?
*@[[Gebruiker:OudeKranten]] vult de tekst van nummers van ''Nieuwe Tijdingen'' aan, waar nog geen index voor gemaakt is. Eerst een index maken en dan de tekst op de betreffende pagina setten, heeft voorkeur en spaart werk. Ik heb geprobeerd twee ''Nieuwe tijdingen'' te uploaden, [[:File:Nieuwe Tijdinghen 1622-019.pdf]] vanaf google books en [[:File:Nieuwe tydinghen 1622-019.pdf]] vanaf uurl.kbr.be maar dat gaat allebei gebrekkig. De bijbehorende ws-artikelen zijn nu wel aan een bron gekoppeld, maar dat doe jij beter: Ik zie dat het jou wel lukt om vanaf ''Samengesteld asset | DAMS Antwerpen'' files op commons te plaatsen. Ik laat dat dus verder aan jou over, je mag mijn inbreng daarbij vervangen door jouw betere inbreng. Probeer eventueel met @[[Gebruiker:OudeKranten]] af te stemmen, dat jij eerst de indexen kunt maken van de nummers waar hij tranbscriptie-teksten voor wil invoegen.
[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 31 okt 2024 12:54 (CET)
:Geen probleem. Ik zal er na mijn vakantie zeker naar kijken. @[[Gebruiker:OudeKranten|OudeKranten]], bedankt voor uw bijdrage. De proofread extensie kan afschrikwekkend zijn, maar uw transcriptie scheelt al het nodige werk. Bedankt ook dat u dit boekje gevonden hebt. Ik heb hem duidelijk over het hoofd gezien. Groeten, [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 31 okt 2024 20:28 (CET)
::Er zijn nog 60 N.T. artikelen zonder scan... 1620 boekje B en nog 59 van de jaren daarna; die staan wel in de Inhoud onder [[Nieuwe Tijdinghen]], maar schijnen nog geen eigen categorie (per jaar) te hebben.
::Als de bronnen eenmaal op commons staan, kunnen de teksten snel op de betreffende pagina's overgebracht worden.
::Een mooi project voor de maanden nov-dec misschien? 60 uploads, 60 indexes (en circa 800 pagina's, schat ik) [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 31 okt 2024 21:17 (CET)
== Kamerjet.nl ==
Kamerjet.nl Verwijderen en maker blokkeren. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 31 dec 2024 12:56 (CET)
== Betiteling ==
Dag Vincent,
Binnenkort begin ik aan [[Index:Hamel, Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer (Hoetink, 1920).pdf]]. De bestaande betiteling gebruikt voor het ''overzicht'' de titel [[Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer]] maar de hoofdstukken hebben subartikeltitel [[Hendrik Hamel/...]]. Dit breekt het verband ertussen.
In de voorlopige inhoudspagina heb ik ''Hendrik Hamel/...'' aangehouden. Ook vallen de bestaande subartikelen niet samen met de inhoudsindeling van het boek. Zal ik alles omzetten naar ''Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer/...'' en voor de sub-artikelen de boekinhoud volgen? Dat maakt wel hernoemingen en verwijderingen nodig. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 14 jan 2025 19:43 (CET)
:Dat is geen probleem. Ik kan het segment {{tt|Hendrik Hamel/...}} gewoon vervangen door {{tt|Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer/...}} met of zonder een redirect achter te laten. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 14 jan 2025 19:48 (CET)
Dat is goeed, doe maar. Andere titel-correcties kunnen later. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 14 jan 2025 22:16 (CET)
== Correctie nodig ==
Dag Vincent, In ''Wetboek van Strafregt. Code Pénal (1867)'' is ''Code Pénal'' een subtitel die op de titelpagina tussen haken staat. Ter behoud van de geschiedenis wilde ik de eerdere titel [[Wetboek van Strafregt. Code Pénal (1867)]] hernoemen naar het reeds aangemaakte ''Wetboek van Strafregt (1867)'', (de hoofdstukken/subartikelen zijn ook zonder punt). Maar per vergissing liet ik de punt staan: ''Wetboek van Strafregt. (1867)''. Ik heb nu voorlopig [[Wetboek van Strafregt (1867)]] zonder punt geredirigeerd naar [[Wetboek van Strafregt. (1867)]] met punt. Kun je die twee fuseren? of de redirect omdraaien zodat de lange geschiedenis komt bij het artikel zonder punt. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 8 feb 2025 12:44 (CET)
:Hallo, Bedoel je zo? [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 8 feb 2025 19:11 (CET)
::Ja, prima. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 8 feb 2025 20:23 (CET)
== vandalisme ==
Te verwijderen [[Uhuis.nl]], [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 20 feb 2025 09:47 (CET)
:Nu te verwijderen [[Uhuis]] --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 21 feb 2025 09:09 (CET)
::Te verewijderen: [[Hoe wonen de mensen in de eigen tijd]] --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 14 mrt 2025 15:09 (CET)
:::Ook te verwijderen : [[Staatsregeling voor het Bataafse Volk 1798]] --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 19 mrt 2025 17:50 (CET)
== Index probleem ==
Dag Vincent, na re-upload van gewijzigde [[:File:Van Maerlant, Rijmbijbel (Hs 10B21, 1332).pdf]] werkt de Index niet meer op s:nl. Maar op s:fr kan [https://fr.wikisource.org/w/index.php?title=Livre:Van_Maerlant,_Rijmbijbel_(Hs_10B21,_1332).pdf&action=submit LIVRE:Van Maerlant, Rijmbijbel (Hs 10B21, 1332).pdf] gewoon op test geopend worden (=prévisualiser) met pagina's zichtbaar. Kun je testen of verwijderen van [[Index:Van Maerlant, Rijmbijbel (Hs 10B21, 1332).pdf]] en daarna opnieuw creeren het probleem misschien verhelpt? [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 13 mei 2025 13:12 (CEST)
:Ik kan het proberen, maar zo te zien is er wat mis met de pdf. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 13 mei 2025 19:52 (CEST)
::Nee, dat had dus weinig nut. Ik krijg de foutmelding "Kan Open[[:w:en:Seadragon Software|Seadragon]] niet initialiseren; geen afbeelding gevonden". Dit heb ik zelf ook nog nooit meegemaakt. Ik zou de pdf opnieuw aanmaken en als dat niet werkt een image-only pdf uploaden? [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 13 mei 2025 20:03 (CEST)
:::Wacht even. Ik heb vandaag [[commons:File:De Tijd 1889 no 2688.pdf|deze pdf]] geupload en die wordt ook niet goed weergegeven. Dus misschien ligt het aan commons. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 13 mei 2025 20:51 (CEST)
:::''Jouw'' pdf doet het nadat ik ?action=purge achter het adres in de adresbalk geplaatst heb en purge toegepast heb. ''Mijn'' pdf doet het op andere wikisources wel, maar op nl-wikisource niet. Daar heb ik nog geen oplossing voor gevonden. Groet.
::::Het probleem is opgelost door een geb ruikster van wikisource fr. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 16 mei 2025 14:15 (CEST)
::::Superb! 🤩[[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 16 mei 2025 20:44 (CEST)
== Een nagelaten bekentenis. ==
Dag Vincent, ik kom nog eens terug op Emants ''Een nagelaten bekentenis''. De versie op wikisource, [[Marcellus Emants - Een nagelaten bekentenis (1894)]], vermeldt: uitgegeven door Van Oorschot in 1894. Maar in 1894 bestond van Oorschot nog niet, de uitgeverij is van na de oorlog. Het betreft waarschijnlijk de derde druk van 1951, herziene spelling. Maar dan zit er toch nog copyright op voor de uitgeverij? De andere versie op wikisource [[Emants/Een nagelaten bekentenis]] vermeldt: eerste druk, en is van 1894, maar die is nog niet aan een bron gekoppeld. Wel zijn er [https://books.google.nl/books?id=oJNVAAAAcAAJ scans] beschikbaar. Wat nu? De scan aan de eerste druk-versie toevoegen? En de Van Oorschotversie uit 1951 maskeren tot datum... ? --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 18 mei 2025 17:21 (CEST)
:Die datum klopt inderdaad niet. Dat moet inderdaad de derde druk uit 1951 zijn. Maar volgens mij zijn beide versies auteursrechtenvrij. D.w.z. dat de hertaling inmiddels ook rechtenvrij is. De afbeelding op de voorkant is dat misschien niet, maar ik kan niet 1,2,3 achterhalen wie die gemaakt heeft, dus die kunnen we als anoniem beschouwen. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 18 mei 2025 17:41 (CEST)
[https://www.dbnl.org/tekst/_nie017195101_01/_nie017195101_01_0024.php HIER] staat vermeld :derde drukj 1951 van Oorschot. Boekomslagen hebben een eigen copyright los van de boekinhoud. Er geldt toch: <Voor anonieme werken, pseudonieme werken of werken die in opdracht zijn gemaakt, bedraagt de auteursrechttermijn 95 jaar vanaf het jaar van de eerste publicatie of 120 jaar vanaf de creatie, afhankelijk van wat het eerst komt> ? --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 18 mei 2025 21:04 (CEST)
:Dat klopt. Voor commons geldt inderdaad een periode van 95 jaar voor anonieme werken, maar je kunt dan zeggen dat je het voor "lokaal gebruik" bestemd is. In Nederland geldt immers een periode van 70 jaar. Ik heb ooit eens ergens gelezen dat dat toegestaan is. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 19 mei 2025 09:39 (CEST)
::Lokaal gebruik botst met de ws licentie ''commercieel gebruik toegestaan''. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 19 mei 2025 12:30 (CEST)
:::Ja, auteursrechten is vaak een eindeloos iets. In Nederland zou het ook commercieel gebruikt kunnen worden. Tenminste, dat neem ik aan. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 19 mei 2025 15:27 (CEST)
== Opheffen beveiliging ==
Dag Vincent, nu [[De Sonnetten van Shakespeare]] gekoppeld is aan de bron, is beveiliging niet meer nodig. Kun je die opheffen? --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 25 mei 2025 19:18 (CEST)
== Sjabloon Welkom ==
Dag Vincent, [[Sjabloon:Welkom]] verdient aanpassing: met name niet meer van toepassing is de alinea < ''Wie voorzichtig wil beginnen met bewerken, kan eens kijken bij de Beginnetjes of de Nog te vertalen-bronnen. Wellicht kun je een artikel daar met je expertise uitbreiden.'' > Misschien is er meer te verbeteren, o.a. te vermijden links naar buiten wikisource (die naar wikipedia, dat kan verwarrend zijn voor beginners). [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 6 jun 2025 21:38 (CEST)
:Sorry voor de late reactie. Privézaken. Ik zie dat je het al hebt aangepast. Bedankt daarvoor. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 13 jun 2025 20:14 (CEST)
== Nakijken ==
Dag Vincent, ik heb een poging gewaagd om [[Sanders & Berlage/Bij de plaat]] aan de bron te koppelen. Kun je dit nakijken en veranderen wat je wenst. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 8 sep 2025 11:27 (CEST)
:Dankjewel. Prima. Zal ik doen. Groet, [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 8 sep 2025 11:49 (CEST)
== Schouburgh ==
Dag Vincent,
Ik ben begonnen met [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1]] van 3 delen. Ik gebruik lange artikeltitels conform de paar titels die jij ooit aangemaakt had.
Vraag:<s> Kun je de djvu's maken en uploaden van [https://www.google.nl/books/edition/De_groote_schouburgh_der_Nederlantsche_k/Z55ZAAAAcAAJ?hl=nl&gbpv=1&dq=inauthor:%22Arnold+Houbraken%22&printsec=frontcover| Deel II]</s> (is al Index aangemaakt) <s>en [https://www.google.nl/books/edition/De_groote_schouburgh_der_Nederlantsche_k/Y9g9AAAAcAAJ?hl=nl&gbpv=1&dq=inauthor:%22Arnold+Houbraken%22&printsec=frontcover| Deel III.]</s> (pdf staat al op commons).?
Ik wil later ''Schouburg'' (Zie [[:Categorie:Schouburg]]) in alle artikeltitels vervangen door de lange naam. Ik vind ''naamrol'' niet zo'n geschikte titel, waarschijnlijk kunnen te zijner tijd die titels verwijderd worden. Maar eerst moet ik dan titels met de namen van de schilders maken, dat betekent vele honderden artikeltjes... Laat je gedachten er maar vast over gaan, of dat goed is, dan wel of je anders voorstelt. Groet [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 7 okt 2025 21:55 (CEST)
:Ja, dat ziet er goed uit. Bedankt daarvoor. Ik kan alvast kijken naar deel 2. Dan lopen we elkaar niet voor de voeten. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 8 okt 2025 09:52 (CEST)
::Jij werkt met [[sjabloon:ls]], Ik heb de gewone s gebruikt, dat gaat veel sneller en heeft geen invloed op de ''transclusie'' naar de hoofdnaamruimte. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 8 okt 2025 22:39 (CEST)
:::ok, prima. Lange s is geen halszaak. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 9 okt 2025 19:52 (CEST)
::::IK heb deel 2 gekoppeld aan de bron, met het vorderen van het proeflezen kunnen de oude delen stapsgewijs verwijderd worden, als eerste kan nu weg [[Schouburg/Deel II/Naamrol 1-18]]. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 28 okt 2025 10:46 (CET)
Dag Vincent, ik heb voor de drie delen de ''Naamlyst der schilders en Schilderessen'' gedaan, kun je nakijken of gebruikte tabelvorm goed is. Gr. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 16 nov 2025 16:37 (CET)
== Tussenstuk ==
Dag Vincen5t, er zijn veel ''tussenstukken'' per deel, in deel 1 noemt de auteur ze ''Tusschenrede'', en er past een bekonpte titel (omschrijving) bij. Voor de uniformiteit had ik het ''tussenstuk'' in deel 2 oook hernoemd naar Tusschenrede. Zie maar hoe je recht kunt doen aan uniformiteit voor de tussenstukken. ==[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 8 dec 2025 21:34 (CET)
== Te repareren ==
Dag Vincent, ik heb Schouburg/Deel II/LYST 131
hernoemd naar Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/158, maar dat is fout. Kun jij dit repareren, waarschijnlijk door de hernoeming ongedaan te maken, zonder redirect achter te laten. Daarna moet pag. 158 correct aangemaakt worden als indexpagina. Sorry voor het ongemak. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 9 dec 2025 17:02 (CET)
:Hallo, als het goed is, is het nu teruggedraaid.
:En dat tussenstuk zal ik ook binnenkort fixen.
:Groeten, [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 9 dec 2025 20:17 (CET)
== De enige ==
Dag Vincent,
Roimaine en Raketsla zijn hun moderatorrechten kwijt. Jij ben de enige overgeblevene. Kun je [[:Categorie:Wikisource:Nuweg]] leegmaken? [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 13 dec 2025 13:03 (CET)
:prima. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 13 dec 2025 19:30 (CET)
::Doorverwijzing subpagina deel II resp. III naar deel 2 resp. 3 is overbodig, zodra alles met ''schouburg'' opgeschoond is. Ook de categorie kan hernoemd worden. ~~----
:::Beide pagina's zijn 15 jaar oud. Dus de mogelijkheid bestaat dat er extern naar gelinkt wordt. Vandaar dat ik de doorverwijzing voor beide weer hersteld heb. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 14 dec 2025 10:51 (CET)
== Nuweg ==
Dag Vincent, op nuweg zijn twee artikelen snel te verwijderen. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 9 feb 2026 17:09 (CET)
:OK. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 9 feb 2026 17:55 (CET)
==Spam==
Dag Vincent, de [[Gebruiker:MarkTrevino81]] heeft zijn pagina met spamreclame aangemaakt. Kun je de geschiedenis wissen, zodat er geen spam meer zichtbaar is, en als dat mag, de gebruikerspagina verwijderen. En kun je ook ''nuweg'' legen? --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 30 mrt 2026 17:22 (CEST)
:ok. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 30 mrt 2026 18:41 (CEST)
== You may be an eligible candidate for the U4C election ==
<div lang="en" dir="ltr" class="mw-content-ltr">
Greetings,
The [[m:Special:MyLanguage/Universal_Code_of_Conduct/Coordinating_Committee|Universal Code of Conduct Coordinating Committee (U4C)]] seeks candidates for the 2026 election. The U4C is the global committee responsible for overseeing enforcement of the [[foundation:Special:MyLanguage/Policy:Universal Code of Conduct|Universal Code of Conduct]]. Elections are held annually, if elected a committee member serves for two years.
This year the U4C requires candidates to hold administrator rights on at least one wiki, which is why you are being contacted as you appear to hold this right. There are other requirements, such as candidates must be at least 18 years old and may not be employed by the Wikimedia Foundation or other related chapters and affiliates. You can find more information in the [[m:Special:MyLanguage/Universal_Code_of_Conduct/Coordinating_Committee/Election/2026#Call_for_Candidates|call for candidates on Meta-wiki]]. Additionally, the committee's working language is English; some ability to communicate in English is required.
The election opens on 18 May, if you are eligible and interested you have until 10 May to submit your candidacy. There will be a week in between for candidates to answer questions from the community. Voting takes place privately in [[m:Special:MyLanguage/SecurePoll|SecurePoll]], successful candidates must receive at least 60% support. More information is available on [[m:Special:MyLanguage/Universal_Code_of_Conduct/Coordinating_Committee/Election/2026|the 2026 Elections page]], including timelines and other candidacy information. If you read over the material and consider yourself qualified, please consider submitting your name to run for the committee. If you think someone else in your community might be interested and qualified, please encourage them to run.
In partnership with the U4C -- [[m:User:Keegan (WMF)|Keegan (WMF)]] ([[m:User_talk:Keegan (WMF)|talk]]) 28 apr 2026 22:06 (CEST) </div>
<!-- Bericht verzonden door User:Keegan (WMF)@metawiki via de lijst op de pagina https://meta.wikimedia.org/w/index.php?title=User:Keegan_(WMF)/test&oldid=30472432 -->
== Pagina in eigen gebruikersruimte verwijderen ==
Beste Vincent Steenberg,
Kan u als beheerder deze pagina in eigen gebruikersruimte verwijderen: [[Gebruiker:NovaSerenQuest/Kladblok]]?
Mvg, [[Gebruiker:NovaSerenQuest|NovaSerenQuest]] ([[Overleg gebruiker:NovaSerenQuest|overleg]]) 5 mei 2026 16:56 (CEST)
:geen probleem. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 5 mei 2026 17:48 (CEST)
== Paginalijst ==
Beste Vincent,
Zou je mij kunnen helpen met de Paginalijst van [[:Index:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf]]? Blijkbaar doe ik iets niet goed, hij zegt "Fout: er is een ongeldige interval opgegeven".
Mvg, [[Gebruiker:Nederlandse Leeuw|Nederlandse Leeuw]] ([[Overleg gebruiker:Nederlandse Leeuw|overleg]]) 31 mei 2026 17:24 (CEST)
77fun2gw5qab2jyz0vxd5p35c8q0ore
222268
222265
2026-05-31T15:46:55Z
Vincent Steenberg
280
/* Paginalijst */ Reactie
222268
wikitext
text/x-wiki
[[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg/archief1]]
== Zo zou ik het doen ==
Dag Vincent, zo zou ik het doen: [https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Index%3ACourante_uyt_Italien%2C_Duytslandt%2C_%26c._1651_no_008.djvu&diff=186246&oldid=121035 alles in de index] en [https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Courante_uyt_Italien%2C_Duytslandt%2C_%26c.%2F1651%2FNummer_8&diff=186245&oldid=121060 pages index met header] haalt info op uit de index. Je mag het uiteraard terugdraaien. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 16 aug 2024 13:49 (CEST)
:Dat kan in de toekomst, maar eerst wacht ik de header kranten- en tijdschriftartikel af. Dan wordt o.a. de datum automatisch gegenereerd. Alleen jaar van uitgifte werkt niet voor kranten. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 16 aug 2024 14:03 (CEST)
::::Je hebt de [[Index:Courante uyt Italien, Duytslandt, &c. 1651 no 008.djvu|index]] niet teruggedraaid. Het grappige is dat dan ook [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1651/Nummer 8|het overzicht(sartikel)]] niet teruggedraaid had hoeven te worden: de ''getoonde header'' boven die pagina reageert op de Indexpagina, en past zich bij latere wijziging van de headerinstructie of de indexpagina spontaan aan! Er kan dus al veel werk nu gedaan worden, vooruitlopend op de wijzigingen door @[[Gebruiker:Raketsla]] in 't ''headersjabloon''. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 16 aug 2024 17:07 (CEST)
== Controle ==
Dag Vincent , het was een hele puzzel om alle bestaande artikelen van P.C. Hooft te koppelen aan de bron die van Busken Huet bleek te zijn: [[Index:Busken Huet, Litterarische fantasiën en kritieken Deel 1 (1868).pdf]] kun je kijken of dat goed gedaan is. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 20 aug 2024 12:03 (CEST)
:Zie ook [[Busken Huet]]; moet ik ook [[Auteur:Pieter Cornelisz. Hooft]] aanpassen? [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 20 aug 2024 12:23 (CEST)
::Je bedoelt dat je het segment {{tt|P.C. Hooft/...}} vervangt door {{tt|Litterarische fantasiën en kritieken/Deel 1/...}}. Ja, dat kan. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 20 aug 2024 15:10 (CEST)
::::::Ik bedoel:zal ik de artikelen (op één na alle) op de pagina [[Auteur:Pieter Cornelisz. Hooft]] ook groeperen onder
:::* Teksten van P. C. Hooft in Busken Huet, ''[[Litterarische fantasiën en kritieken/Deel 1]]'' (1868), p.1-29 :
:::#...
:::#...
:::[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 20 aug 2024 19:35 (CEST)
::::Wacht, nu zie ik het. Het zijn gedichten die her en der in een hoofdstuk van dat boek staan en ook nog zonder titel. Dat maakt het inderdaad ingewikkeld. Misschien kun je beter met ankers werken i.p.v. losse pagina's? [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 20 aug 2024 20:04 (CEST)
:::::Alle artikelen waren al aangemaakt (!) en stonden onder P.C. Hooft. Maar het waren geen werken, slechts stukjes tekst. Het was een hele puzzel met al die losse pagina's zonder bron. Met de bron erbij is de samenhang duidelijker. Zou je het geheel naar jouw inzicht willen ombouwen met behoud/versterken van de samenhang? (''Nydighe Tijt waerom ist'' hoort er niet bij, apart te houden, staat in de canon van 2015)--[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 20 aug 2024 20:31 (CEST)
== Onnodige " " ==
Dag Vincent, '''" "''' zijn slechts nodig als het aangehaalde een spatie bevat. Dus in de index '''"franse pagina"''' met, en '''titelpagina''' zonder '''" "''', terwijl in de page tag '''from="1" to="1"''' gewoon '''from=1 to=1''' mag zijn. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 25 aug 2024 20:39 (CEST)
== Nieuwe gebruiker ==
Eerste bijdragen van [[Gebruiker:Ben the Bear09]], Ben the Bear is [[m:en:Bruno (bear actor)]]. Ik heb de artikelen teruggezet naar de versies vóór diens bijdragen. Het blijken een serie onvertaalde engelstalige volksliedjes te zijn, die ik meteen maar voorgedragen heb ter verwijdering. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 30 aug 2024 23:11 (CEST)
Dag Vincent, @[[Gebruiker:Ben the Bear09]] is aan zijn eerste boek begonnen, ziet er goed uit. maar de filenaam op commons moest aangepast worden (is gedaan). Kun je de serie reeds aangemaakte pagina's (2 t/m 17) Pagina:LMge022niel02 01.pdf/.. hernoemen zonder redict in Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/.. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 31 aug 2024 11:10 (CEST)
:Dat wil ik wel doen, maar [[w:Wikipedia:Ga uit van goede wil|ga ook een beetje uit van goede wil]]. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 31 aug 2024 15:14 (CEST)
:Ja, hij doet god werk, maar de eerste bijdragen waren wat vreemd.--[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 31 aug 2024 17:35 (CEST)
== Nederlands schilderkunst ==
Dag Vincent, Kun je voor [[Johannes van Vloten/Nederlands schilderkunst]] naar de titels kijken en eventueel hernoemen: de gebruikte titel is ''Johannes van Vloten/Nederlands schilderkunst'', en voor de hoofdstukken ''Nederlands schilderkunst/...''; de eigenlijke titel is [[Nederlands schilderkunst van de 14e tot de 18e eeuw]]. Je zou de titels uniform kunnen maken. Ik heb alle bestaande tekst geconsolideerd onder index-pagina's. Maar de helft van de pagina's was nog ongedaan. Misschien heb je zin je werk daar af te maken. Groet [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 10 sep 2024 20:52 (CEST)
== Hernoeming zonder redirect ==
Dag Vincent, kun je de items in [[:Categorie:Vergeten liedjes]] hernoemen zonder redirect door de auteursnaam ''Boutens/'' te vervangen dooir de bundeltitel ''Vergeten liedjes/''. Mijn dank. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 15 sep 2024 10:46 (CEST)
:Lukjt het niet in één keer met de categorie? Helpt het, als je uitgaat van de old-edit https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Vergeten_liedjes&action=edit&oldid=189736 ? --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 15 sep 2024 13:24 (CEST)
::Ja, dat is inderdaad handiger. Moment. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 15 sep 2024 13:34 (CEST)
== minder dan 5000 ==
Dag Vincent, we hebben intussen minder dan 5000 artikelen zonder scan! Een vraag: wikisource is gedefinieerd als internet e-bibliotheek, maar met al die krantenstukjes lijkt het een knipselbibliotheek. ''bron'' is een dubbelzinnig woord: op wikipedia betreft het de referentie naar de ''bron'' waar het feit vermeld staat, op wikisource betreft het 't brondocument dat in de e-bibliotheek is opgenomen als getranscludeerd e-document. Kunnen we ons op wikisource niet veel beter concentreren op boeken en originele teksten, in plaats van op al die feiten in referentie-bronnen. De bron waar het feit staat, is al voldoende ''bewaard'' wanneer de krant op commons is opgeslagen. ----[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 23 sep 2024 10:04 (CEST)
:Op [[Wikisource:Over Wikisource]] staat dat Wikisource bedoeld is voor "Originele teksten, vrij van rechten, en die reeds gepubliceerd zijn". Ik zie geen reden om dit verder in te perken. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 23 sep 2024 11:09 (CEST)
::Het is maar hoe men interpeteert, welk soort teksten relevanter zijn voor een bibliotheek, en of we ons daar op ''concentreren''. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 23 sep 2024 11:16 (CEST)
:::ok, maar je doelt neem ik aan op alle krantenartikelen zonder scan. Dat zijn er als ik het goed heb ten minste 1846. Ik wil daar wel naar kijken als je wil. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 23 sep 2024 20:06 (CEST)
::::Nee, daar doel ik niet zozeer op. Zonder scan betreft achterstallig onderhoud. Relevant is: wat lezers hopen te vinden in wikisource... Zo was ik vorig jaar verbaasd er niets in te vinden van Vondel. Toch is er in ruim een jaar veel gedaan: 3000 oude teksten voorzien van scan (zonder scan van 8000 naar 5000) en ruim 3000 nieuwe teksten (van minder dan 14.000 naar meer dan 17.000); tegenover in de 18 jaar ervoor gemiddeld nog geen 1000 artikelen per jaar. Hoe kunnen we meer leven in wikisource krijgen?
== rode links ==
Dag Vincent, kun je nakijken wat er met deze rode links en hun koppelingen aan de hand is... Vergeten aan te maken, of moeten de link-haken verwijderd worden?
*[[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Allegrezza (1)]] (2 koppelingen)
*[[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/De vier tijden van ’t Jaer (1)]] (2 koppelingen)
*[[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Democratia (2)]] (2 koppelingen)
*[[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Ethica (1)]] (2 koppelingen)
*[[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Fama (2)]] (2 koppelingen)
*[[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Furore Poetico (1)]] (2 koppelingen)
*[[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Musen]] (2 koppelingen)
*[[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Ontschuldinge]] (2 koppelingen)
*[[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Opdracht]] (2 koppelingen)
*[[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Rivalita (2)]] (2 koppelingen)
Misschien weet je wat te doen met [[Speciaal:GevraagdePaginas|Niet-bestaande pagina's met koppelingen]]. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 24 sep 2024 22:24 (CEST)
:Oops. Nee, die moeten allemaal nog aangemaakt worden. Er wordt aan gewerkt. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 25 sep 2024 09:05 (CEST)
== copyrightprobleem ==
Dag Vincent, er is een mogelijk copyrightprobleem: [https://www.monarchie.be/nl/algemene-gebruiksvoorwaarden-website Monarchie] staat niet-commercieel gebruik, dit slaat op alle [[Toespraken van koning Filip van België]] ... allemaal verwijderen? «Reproductie van de teksten: voor privé- of niet-commercieel gebruik, met volgende bronvermelding:
© Koninklijk Paleis, Brussel, België.» [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 26 sep 2024 12:18 (CEST)
:Ja, dat is inderdaad niet helemaal in de geest van Wikisource. Teksten moeten rechtenvrij zijn, maar ze moeten ook vanuit Wikisource zonder hobbels verspreid kunnen worden. Dus zo'n toevoeging zoals het Belgische koninklijk huis eist lijkt me niet wenselijk. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 27 sep 2024 20:15 (CEST)
::Dus die toespraken verwijderen? [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 27 sep 2024 20:48 (CEST)
:::Ik zal binnenkort gebruiker Geschiedschrijver een berichtje schrijven. Eerst even kijken wat hij of zij ervan vindt. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 27 sep 2024 21:25 (CEST)
== Lintfouten ==
Dag Vincent, ik ben begonnen met corrigeren ''[[Speciaal:Linterrors]]''. Gemakkelijk was ''Lintfouten: Oud gedrag van font-tags die een link omgeven'' ({{done}}). Kun jij eens kijken naar : ''Lintfouten: Verkeerd geneste tag met andere weergave in HTML5 dan in HTML4'', dan ga ik me verdiepen in Lintfouten: Overige problemen -> ik heb systematische fouten in sjabloon:gedicht gemaakt. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 27 sep 2024 15:06 (CEST)
:Daar kijk ik ook af en toe op, en het is inderdaad soms lastig om er achter te komen wat het probleem precies is. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 27 sep 2024 20:07 (CEST)
::IK heb er nu ruim 150 opgelost: ''smaller'' of ''larger'' van vóór naar achter ''c'' of ''r'' gezet. <nowiki>{{blockcenter|{{smaller|<poem>... </poem>}}}}</nowiki> vervangen door <nowiki>{{smaller|{{gedicht|...}}}}</nowiki> scoorde ook. ''gedicht'' moet beginnen met stanza en eindigen met stanza, ertussenin alles follow. Ik heb helaas de beginstanza systematisch weggelaten. Binnen gedicht geeft ''alinea'' problemen, en misschien ''c'' ook. Wat ''grijs'' fout doet, heb ik nog niet ontdekt. Na het verwijderen van de fouten in de ''indexpagina'' moet een nul-edit gedaan worden met het hoofdnaamruimteartikel. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 27 sep 2024 20:47 (CEST)
===Leerzaam===
Van mijn fouten leer ik veel. Jij hebt één systematische lintfout: onterechte lijnspaties in vroege tag ''font'' en in latere sjabloon ''grijs.'', zie [[Speciaal:LintErrors/html5-misnesting]] Je kunt dat voorkomen door i.p.v. lijnspatie tag ''br'' te gebruiken, zie [https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=De_Opmerker%2FJaargang_33%2FNummer_19%2FEdam%27s_museum&diff=193286&oldid=62755 dit verschil].
:Het is leuk puzzelen. Ik probeer nu te kijken hoe het uitpakt om de oude bestanden op te schonen, met name die vier manieren van <br>
Inspringing<br>
{{idt}}Inspringing<br>
{{gap|1.6em}}Inspringing<br>
:Inspringing<br>
Ik bots zelf op problemen met ''sjabloon:gedicht'' bij doorlopen over pagina's en bij insluiten van andere sjablonen (ook misnesting).
--[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 1 okt 2024 21:32 (CEST)
:Officieel moet je dan geloof ik sjabloon alinea gebruiken, maar zelf vind ik sjabloon gap handiger. Dubbele punt om in te springen zou ik niet gebruiken. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 1 okt 2024 21:46 (CEST)
::Hoe moeten we aankijken tegen de gewoonte om die inspringingen te laten vervallen in de transcriptie, zoals je in veel artikelen ziet. (We hoeven niet het niveau van een fac-similé te bereiken). Overigens krijgen die oude artikelen (ook die met jouw sjabloon:grijs) vanzelf modernere opmaakcodes op het moment dat ze aan een scan gekoppeld worden. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 1 okt 2024 22:52 (CEST)
:::Precies ja. Het gebruik van sjabloon grijs zal in de toekomst minder worden denk ik. En sjabloon idt zou eventueel vervangen kunnen worden met sjabloon gap. Iedereen doet het net even anders en daar is niks mis mee. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 2 okt 2024 08:43 (CEST)
::Het valt op dat @[[Gebruiker:Raketsla]] in de codes veel vereenvoudigingen heeft gerealiseerd, maar dat die nog niet allemaal zijn toegepast, vooral in de oude niet-scanned teksten. Dank zij bestudering lintfouten heb ik leren omgaan met sjabloon:gedicht: aan het begin '''geen start=stanza|'''; van pagina naar pagina end=follow|, start=follow|end=follow, en aan eind start=follow|end=stanza| ; verder geen insluitingen van ''c'', ''r'' of ''alinea'' , die vervang ik nu door '''gap|...em'''. Dus nu kan ik verder met (onderhoud aan lintfouten en) Da Costa en Cats, twee lange taaie teksten. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 3 okt 2024 21:15 (CEST)
== Botwerk? ==
Dag Vincent, sjabloon:idt vervangen door sjabloon:gap lijkt me botwerk: het gaat om enkele duizenden vervangingen. Kun jij iemands bot inschakelen (Romaine?)? [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 3 okt 2024 21:23 (CEST)
:Je kan toch gewoon van sjabloon idt een doorverwijzing maken naar sjabloon gap. Dit zal vast hier en daar ongewenste effecten hebben, maar idt komt vrijwel alleen op naakte teksten voor. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 3 okt 2024 21:35 (CEST)
::Nee, dat is computertechnisch een inefficiente omweg, doorverwijzingen vervangen door doel-item is altijd wenselijk. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 3 okt 2024 22:18 (CEST)
:::ok, een bot kan ze allemaal in één keer vervangen. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 4 okt 2024 16:27 (CEST)
::::Zoiets laat ik aan aministrateurs over. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 4 okt 2024 18:51 (CEST)
== verouderde tag ==
Dag Vincent, tt en /tt zijn verouderd. Op [[Pagina:Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren 1654 no 008.djvu/2]] heb je er een hele serie staan. Die hebben toch geen nut meer? Kunnen die weg? [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 5 okt 2024 21:00 (CEST)
:Inderdaad, ik zie nu ook allerlei waarschuwingen bij dit element. Ik zal ter vervanging proberen het sjabloon [[en:Template:Monospace]] naar hier te kopiëren. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 6 okt 2024 12:29 (CEST)
::De tt tag schijnt vervangen te kunnen worden door de kbd tag (keybord-tag). Test: sjabloon monospace {{Monospace|t’Amsterdam}} vergeleken met kbd-tag <kbd>t’Amsterdam</kbd> --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 20 okt 2024 18:27 (CEST)
:::Dat ziet er in de mobiele weergave een beetje raar uit met een kader om de tekst. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 20 okt 2024 18:57 (CEST)
::::Op mijn computer zien ze er identiek uit. Vanwaar dat verschil computer/mobiel? --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 20 okt 2024 19:24 (CEST)
:::::Het kader schijnt te voorschijn te komen als de kbd-tag binnen een CSS-style opmaak gebruikt wordt. Maar het is me nog niet duidelijk welke gevallen dat zijn. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 20 okt 2024 20:02 (CEST)
We kunnen net als in ws:en een sjabloon:tt als redirect naar sjabloon:monospace maken, zodat het gemakkelijk te onthouden is om i.p.v.tag tt sjaboon tt te gebruiken. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 20 okt 2024 22:20 (CEST)
:ja, dat is een goed idee. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 20 okt 2024 23:06 (CEST)
== Doorzoekbaar? ==
Dag Vincent, ik vind nooit een (hoofd)portaal als ik een item zoek via het "doorzoek wikisource" venster, maar ook nooit via gooigle search. Nemen zoekprogramma's geen wikisource (hoofd)portalen op in hun zoekresultaten? [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 10 okt 2024 22:42 (CEST)
:Dat is een goede vraag. Het lijkt erop dat de zoekfunctie van nl.wikisource op de Hoofdnaamruimte is gericht en alle andere naamruimten lagere prioriteit geeft. Op en.wikisource is dat anders opgelost. Als je daar bijvoorbeeld [https://en.wikisource.org/w/index.php?go=Go&search=Architecture op "Architecture" zoekt], verschijnt het bijbehorende portal bovenaan. Dat is wel een opvallend verschil. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 11 okt 2024 10:13 (CEST)
::Jouw voorbeeld uit ws:en helpt me verder: Op ws:en staan in de keuze balk '''search in:''' de standaardrubrieken: Main, portal, auteur, index, translation, op ws:nl heb ik in mijn keuzebalk '''zoeken in''' na aanklikken: '''naamruimtes toevoegen''' ''hoofdportaal'' toegevoegd aan het standaardzoeken. Kan iemand de standaard ''zoeken in'' voor alle gebruikers uitbreiden met "hoofdportaal" en "auteur", zoals in ws:en? --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 11 okt 2024 12:03 (CEST)
:::Wacht, ik kijk weer niet verder dan mijn neus lang is. Bij een standaard zoekopdracht op het woord "architectuur" op nl.ws krijg je [https://nl.wikisource.org/w/index.php?search=Architectuur&title=Speciaal:Zoeken&profile=advanced&fulltext=1&ns0=1&ns1=1&ns2=1&ns3=1&ns4=1&ns5=1&ns7=1&ns8=1&ns9=1&ns10=1&ns11=1&ns12=1&ns13=1&ns100=1&ns102=1 dit]. Het hoofdportaal komt dan als tweede resultaat. Dat verschilt dus niet zo heel veel van en.wikisource.
:::En in de mobiele versie wordt van dezelfde standaard zoekfunctie gebruik gemaakt. Dus de zoekresultaten daar zijn hetzelfde als die van de desktop versie, zolang je in die laatste maar een standaard zoekopdracht uitvoert. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 11 okt 2024 19:03 (CEST)
::::Bij mij stond alleen bibliotheek en gebruiker geactiveerd, ik heb nu enkele andere eraantoegevoegd. Jij hebt alle zoekruimtes geactiveerd. Overigens, ik wist niet dat er op wikisource zoveel portalen zijn. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 11 okt 2024 20:48 (CEST)
:::::ja, die knopjes heb ik altijd aanstaan bij het zoeken. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 11 okt 2024 21:01 (CEST)
== Hoe maak je een sjabloon? ==
Dag Vincent, zie [[Overleg Wikisource:Lijst van gedigitaliseerde Middelnederlandse handschriften en drukken in binnen- en buitenlandse bibliotheken#Korte url mogelijk voor MMDC ?]]. IK denk dat er een interessante korte sjabloon mogelijk is, die de pagina aanzienlijk lichter zou maken. Maar hoe maak je zo'n sjabloon? [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 15 okt 2024 14:18 (CEST)
== Portalen opschonen ==
Dag Vincent, er bestaan geen ws portalen meer, alleen hoofdportalen. Dus de portaalsjablonen zijn obsoleet en [[:Categorie:Wikisource:Sjablonen portaal]] bevat meerdere elementen die verwijderd kunnen worden, of sommige eventueel hernoemd. Dat kan beter rechtstreeks door jou als expert hoofdportalen en als administrateur gedaan worden. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 22 okt 2024 17:37 (CEST)
:Dat is prima. Een aantal van deze sjablonen is niet eens meer in gebruik. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 22 okt 2024 18:49 (CEST)
== Nieuwe Tijdingen ==
Dag Vincent,
* [[Nieuwe Tijdinghen/1620/ca. 20 februari]] zou als boekje B opgenomen moeten worden in de ''inputbox'' van de zoeklijst Nieuwe Tijdinghen/1620, maar het staat naast die zoeklijst in [[Nieuwe Tijdinghen]]. Hoe werkt zo'n inputbox? Kun jij dat voor boekje B in orde maken?
*@[[Gebruiker:OudeKranten]] vult de tekst van nummers van ''Nieuwe Tijdingen'' aan, waar nog geen index voor gemaakt is. Eerst een index maken en dan de tekst op de betreffende pagina setten, heeft voorkeur en spaart werk. Ik heb geprobeerd twee ''Nieuwe tijdingen'' te uploaden, [[:File:Nieuwe Tijdinghen 1622-019.pdf]] vanaf google books en [[:File:Nieuwe tydinghen 1622-019.pdf]] vanaf uurl.kbr.be maar dat gaat allebei gebrekkig. De bijbehorende ws-artikelen zijn nu wel aan een bron gekoppeld, maar dat doe jij beter: Ik zie dat het jou wel lukt om vanaf ''Samengesteld asset | DAMS Antwerpen'' files op commons te plaatsen. Ik laat dat dus verder aan jou over, je mag mijn inbreng daarbij vervangen door jouw betere inbreng. Probeer eventueel met @[[Gebruiker:OudeKranten]] af te stemmen, dat jij eerst de indexen kunt maken van de nummers waar hij tranbscriptie-teksten voor wil invoegen.
[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 31 okt 2024 12:54 (CET)
:Geen probleem. Ik zal er na mijn vakantie zeker naar kijken. @[[Gebruiker:OudeKranten|OudeKranten]], bedankt voor uw bijdrage. De proofread extensie kan afschrikwekkend zijn, maar uw transcriptie scheelt al het nodige werk. Bedankt ook dat u dit boekje gevonden hebt. Ik heb hem duidelijk over het hoofd gezien. Groeten, [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 31 okt 2024 20:28 (CET)
::Er zijn nog 60 N.T. artikelen zonder scan... 1620 boekje B en nog 59 van de jaren daarna; die staan wel in de Inhoud onder [[Nieuwe Tijdinghen]], maar schijnen nog geen eigen categorie (per jaar) te hebben.
::Als de bronnen eenmaal op commons staan, kunnen de teksten snel op de betreffende pagina's overgebracht worden.
::Een mooi project voor de maanden nov-dec misschien? 60 uploads, 60 indexes (en circa 800 pagina's, schat ik) [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 31 okt 2024 21:17 (CET)
== Kamerjet.nl ==
Kamerjet.nl Verwijderen en maker blokkeren. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 31 dec 2024 12:56 (CET)
== Betiteling ==
Dag Vincent,
Binnenkort begin ik aan [[Index:Hamel, Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer (Hoetink, 1920).pdf]]. De bestaande betiteling gebruikt voor het ''overzicht'' de titel [[Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer]] maar de hoofdstukken hebben subartikeltitel [[Hendrik Hamel/...]]. Dit breekt het verband ertussen.
In de voorlopige inhoudspagina heb ik ''Hendrik Hamel/...'' aangehouden. Ook vallen de bestaande subartikelen niet samen met de inhoudsindeling van het boek. Zal ik alles omzetten naar ''Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer/...'' en voor de sub-artikelen de boekinhoud volgen? Dat maakt wel hernoemingen en verwijderingen nodig. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 14 jan 2025 19:43 (CET)
:Dat is geen probleem. Ik kan het segment {{tt|Hendrik Hamel/...}} gewoon vervangen door {{tt|Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer/...}} met of zonder een redirect achter te laten. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 14 jan 2025 19:48 (CET)
Dat is goeed, doe maar. Andere titel-correcties kunnen later. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 14 jan 2025 22:16 (CET)
== Correctie nodig ==
Dag Vincent, In ''Wetboek van Strafregt. Code Pénal (1867)'' is ''Code Pénal'' een subtitel die op de titelpagina tussen haken staat. Ter behoud van de geschiedenis wilde ik de eerdere titel [[Wetboek van Strafregt. Code Pénal (1867)]] hernoemen naar het reeds aangemaakte ''Wetboek van Strafregt (1867)'', (de hoofdstukken/subartikelen zijn ook zonder punt). Maar per vergissing liet ik de punt staan: ''Wetboek van Strafregt. (1867)''. Ik heb nu voorlopig [[Wetboek van Strafregt (1867)]] zonder punt geredirigeerd naar [[Wetboek van Strafregt. (1867)]] met punt. Kun je die twee fuseren? of de redirect omdraaien zodat de lange geschiedenis komt bij het artikel zonder punt. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 8 feb 2025 12:44 (CET)
:Hallo, Bedoel je zo? [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 8 feb 2025 19:11 (CET)
::Ja, prima. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 8 feb 2025 20:23 (CET)
== vandalisme ==
Te verwijderen [[Uhuis.nl]], [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 20 feb 2025 09:47 (CET)
:Nu te verwijderen [[Uhuis]] --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 21 feb 2025 09:09 (CET)
::Te verewijderen: [[Hoe wonen de mensen in de eigen tijd]] --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 14 mrt 2025 15:09 (CET)
:::Ook te verwijderen : [[Staatsregeling voor het Bataafse Volk 1798]] --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 19 mrt 2025 17:50 (CET)
== Index probleem ==
Dag Vincent, na re-upload van gewijzigde [[:File:Van Maerlant, Rijmbijbel (Hs 10B21, 1332).pdf]] werkt de Index niet meer op s:nl. Maar op s:fr kan [https://fr.wikisource.org/w/index.php?title=Livre:Van_Maerlant,_Rijmbijbel_(Hs_10B21,_1332).pdf&action=submit LIVRE:Van Maerlant, Rijmbijbel (Hs 10B21, 1332).pdf] gewoon op test geopend worden (=prévisualiser) met pagina's zichtbaar. Kun je testen of verwijderen van [[Index:Van Maerlant, Rijmbijbel (Hs 10B21, 1332).pdf]] en daarna opnieuw creeren het probleem misschien verhelpt? [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 13 mei 2025 13:12 (CEST)
:Ik kan het proberen, maar zo te zien is er wat mis met de pdf. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 13 mei 2025 19:52 (CEST)
::Nee, dat had dus weinig nut. Ik krijg de foutmelding "Kan Open[[:w:en:Seadragon Software|Seadragon]] niet initialiseren; geen afbeelding gevonden". Dit heb ik zelf ook nog nooit meegemaakt. Ik zou de pdf opnieuw aanmaken en als dat niet werkt een image-only pdf uploaden? [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 13 mei 2025 20:03 (CEST)
:::Wacht even. Ik heb vandaag [[commons:File:De Tijd 1889 no 2688.pdf|deze pdf]] geupload en die wordt ook niet goed weergegeven. Dus misschien ligt het aan commons. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 13 mei 2025 20:51 (CEST)
:::''Jouw'' pdf doet het nadat ik ?action=purge achter het adres in de adresbalk geplaatst heb en purge toegepast heb. ''Mijn'' pdf doet het op andere wikisources wel, maar op nl-wikisource niet. Daar heb ik nog geen oplossing voor gevonden. Groet.
::::Het probleem is opgelost door een geb ruikster van wikisource fr. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 16 mei 2025 14:15 (CEST)
::::Superb! 🤩[[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 16 mei 2025 20:44 (CEST)
== Een nagelaten bekentenis. ==
Dag Vincent, ik kom nog eens terug op Emants ''Een nagelaten bekentenis''. De versie op wikisource, [[Marcellus Emants - Een nagelaten bekentenis (1894)]], vermeldt: uitgegeven door Van Oorschot in 1894. Maar in 1894 bestond van Oorschot nog niet, de uitgeverij is van na de oorlog. Het betreft waarschijnlijk de derde druk van 1951, herziene spelling. Maar dan zit er toch nog copyright op voor de uitgeverij? De andere versie op wikisource [[Emants/Een nagelaten bekentenis]] vermeldt: eerste druk, en is van 1894, maar die is nog niet aan een bron gekoppeld. Wel zijn er [https://books.google.nl/books?id=oJNVAAAAcAAJ scans] beschikbaar. Wat nu? De scan aan de eerste druk-versie toevoegen? En de Van Oorschotversie uit 1951 maskeren tot datum... ? --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 18 mei 2025 17:21 (CEST)
:Die datum klopt inderdaad niet. Dat moet inderdaad de derde druk uit 1951 zijn. Maar volgens mij zijn beide versies auteursrechtenvrij. D.w.z. dat de hertaling inmiddels ook rechtenvrij is. De afbeelding op de voorkant is dat misschien niet, maar ik kan niet 1,2,3 achterhalen wie die gemaakt heeft, dus die kunnen we als anoniem beschouwen. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 18 mei 2025 17:41 (CEST)
[https://www.dbnl.org/tekst/_nie017195101_01/_nie017195101_01_0024.php HIER] staat vermeld :derde drukj 1951 van Oorschot. Boekomslagen hebben een eigen copyright los van de boekinhoud. Er geldt toch: <Voor anonieme werken, pseudonieme werken of werken die in opdracht zijn gemaakt, bedraagt de auteursrechttermijn 95 jaar vanaf het jaar van de eerste publicatie of 120 jaar vanaf de creatie, afhankelijk van wat het eerst komt> ? --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 18 mei 2025 21:04 (CEST)
:Dat klopt. Voor commons geldt inderdaad een periode van 95 jaar voor anonieme werken, maar je kunt dan zeggen dat je het voor "lokaal gebruik" bestemd is. In Nederland geldt immers een periode van 70 jaar. Ik heb ooit eens ergens gelezen dat dat toegestaan is. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 19 mei 2025 09:39 (CEST)
::Lokaal gebruik botst met de ws licentie ''commercieel gebruik toegestaan''. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 19 mei 2025 12:30 (CEST)
:::Ja, auteursrechten is vaak een eindeloos iets. In Nederland zou het ook commercieel gebruikt kunnen worden. Tenminste, dat neem ik aan. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 19 mei 2025 15:27 (CEST)
== Opheffen beveiliging ==
Dag Vincent, nu [[De Sonnetten van Shakespeare]] gekoppeld is aan de bron, is beveiliging niet meer nodig. Kun je die opheffen? --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 25 mei 2025 19:18 (CEST)
== Sjabloon Welkom ==
Dag Vincent, [[Sjabloon:Welkom]] verdient aanpassing: met name niet meer van toepassing is de alinea < ''Wie voorzichtig wil beginnen met bewerken, kan eens kijken bij de Beginnetjes of de Nog te vertalen-bronnen. Wellicht kun je een artikel daar met je expertise uitbreiden.'' > Misschien is er meer te verbeteren, o.a. te vermijden links naar buiten wikisource (die naar wikipedia, dat kan verwarrend zijn voor beginners). [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 6 jun 2025 21:38 (CEST)
:Sorry voor de late reactie. Privézaken. Ik zie dat je het al hebt aangepast. Bedankt daarvoor. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 13 jun 2025 20:14 (CEST)
== Nakijken ==
Dag Vincent, ik heb een poging gewaagd om [[Sanders & Berlage/Bij de plaat]] aan de bron te koppelen. Kun je dit nakijken en veranderen wat je wenst. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 8 sep 2025 11:27 (CEST)
:Dankjewel. Prima. Zal ik doen. Groet, [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 8 sep 2025 11:49 (CEST)
== Schouburgh ==
Dag Vincent,
Ik ben begonnen met [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1]] van 3 delen. Ik gebruik lange artikeltitels conform de paar titels die jij ooit aangemaakt had.
Vraag:<s> Kun je de djvu's maken en uploaden van [https://www.google.nl/books/edition/De_groote_schouburgh_der_Nederlantsche_k/Z55ZAAAAcAAJ?hl=nl&gbpv=1&dq=inauthor:%22Arnold+Houbraken%22&printsec=frontcover| Deel II]</s> (is al Index aangemaakt) <s>en [https://www.google.nl/books/edition/De_groote_schouburgh_der_Nederlantsche_k/Y9g9AAAAcAAJ?hl=nl&gbpv=1&dq=inauthor:%22Arnold+Houbraken%22&printsec=frontcover| Deel III.]</s> (pdf staat al op commons).?
Ik wil later ''Schouburg'' (Zie [[:Categorie:Schouburg]]) in alle artikeltitels vervangen door de lange naam. Ik vind ''naamrol'' niet zo'n geschikte titel, waarschijnlijk kunnen te zijner tijd die titels verwijderd worden. Maar eerst moet ik dan titels met de namen van de schilders maken, dat betekent vele honderden artikeltjes... Laat je gedachten er maar vast over gaan, of dat goed is, dan wel of je anders voorstelt. Groet [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 7 okt 2025 21:55 (CEST)
:Ja, dat ziet er goed uit. Bedankt daarvoor. Ik kan alvast kijken naar deel 2. Dan lopen we elkaar niet voor de voeten. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 8 okt 2025 09:52 (CEST)
::Jij werkt met [[sjabloon:ls]], Ik heb de gewone s gebruikt, dat gaat veel sneller en heeft geen invloed op de ''transclusie'' naar de hoofdnaamruimte. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 8 okt 2025 22:39 (CEST)
:::ok, prima. Lange s is geen halszaak. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 9 okt 2025 19:52 (CEST)
::::IK heb deel 2 gekoppeld aan de bron, met het vorderen van het proeflezen kunnen de oude delen stapsgewijs verwijderd worden, als eerste kan nu weg [[Schouburg/Deel II/Naamrol 1-18]]. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 28 okt 2025 10:46 (CET)
Dag Vincent, ik heb voor de drie delen de ''Naamlyst der schilders en Schilderessen'' gedaan, kun je nakijken of gebruikte tabelvorm goed is. Gr. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 16 nov 2025 16:37 (CET)
== Tussenstuk ==
Dag Vincen5t, er zijn veel ''tussenstukken'' per deel, in deel 1 noemt de auteur ze ''Tusschenrede'', en er past een bekonpte titel (omschrijving) bij. Voor de uniformiteit had ik het ''tussenstuk'' in deel 2 oook hernoemd naar Tusschenrede. Zie maar hoe je recht kunt doen aan uniformiteit voor de tussenstukken. ==[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 8 dec 2025 21:34 (CET)
== Te repareren ==
Dag Vincent, ik heb Schouburg/Deel II/LYST 131
hernoemd naar Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/158, maar dat is fout. Kun jij dit repareren, waarschijnlijk door de hernoeming ongedaan te maken, zonder redirect achter te laten. Daarna moet pag. 158 correct aangemaakt worden als indexpagina. Sorry voor het ongemak. --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 9 dec 2025 17:02 (CET)
:Hallo, als het goed is, is het nu teruggedraaid.
:En dat tussenstuk zal ik ook binnenkort fixen.
:Groeten, [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 9 dec 2025 20:17 (CET)
== De enige ==
Dag Vincent,
Roimaine en Raketsla zijn hun moderatorrechten kwijt. Jij ben de enige overgeblevene. Kun je [[:Categorie:Wikisource:Nuweg]] leegmaken? [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 13 dec 2025 13:03 (CET)
:prima. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 13 dec 2025 19:30 (CET)
::Doorverwijzing subpagina deel II resp. III naar deel 2 resp. 3 is overbodig, zodra alles met ''schouburg'' opgeschoond is. Ook de categorie kan hernoemd worden. ~~----
:::Beide pagina's zijn 15 jaar oud. Dus de mogelijkheid bestaat dat er extern naar gelinkt wordt. Vandaar dat ik de doorverwijzing voor beide weer hersteld heb. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 14 dec 2025 10:51 (CET)
== Nuweg ==
Dag Vincent, op nuweg zijn twee artikelen snel te verwijderen. [[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 9 feb 2026 17:09 (CET)
:OK. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 9 feb 2026 17:55 (CET)
==Spam==
Dag Vincent, de [[Gebruiker:MarkTrevino81]] heeft zijn pagina met spamreclame aangemaakt. Kun je de geschiedenis wissen, zodat er geen spam meer zichtbaar is, en als dat mag, de gebruikerspagina verwijderen. En kun je ook ''nuweg'' legen? --[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 30 mrt 2026 17:22 (CEST)
:ok. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 30 mrt 2026 18:41 (CEST)
== You may be an eligible candidate for the U4C election ==
<div lang="en" dir="ltr" class="mw-content-ltr">
Greetings,
The [[m:Special:MyLanguage/Universal_Code_of_Conduct/Coordinating_Committee|Universal Code of Conduct Coordinating Committee (U4C)]] seeks candidates for the 2026 election. The U4C is the global committee responsible for overseeing enforcement of the [[foundation:Special:MyLanguage/Policy:Universal Code of Conduct|Universal Code of Conduct]]. Elections are held annually, if elected a committee member serves for two years.
This year the U4C requires candidates to hold administrator rights on at least one wiki, which is why you are being contacted as you appear to hold this right. There are other requirements, such as candidates must be at least 18 years old and may not be employed by the Wikimedia Foundation or other related chapters and affiliates. You can find more information in the [[m:Special:MyLanguage/Universal_Code_of_Conduct/Coordinating_Committee/Election/2026#Call_for_Candidates|call for candidates on Meta-wiki]]. Additionally, the committee's working language is English; some ability to communicate in English is required.
The election opens on 18 May, if you are eligible and interested you have until 10 May to submit your candidacy. There will be a week in between for candidates to answer questions from the community. Voting takes place privately in [[m:Special:MyLanguage/SecurePoll|SecurePoll]], successful candidates must receive at least 60% support. More information is available on [[m:Special:MyLanguage/Universal_Code_of_Conduct/Coordinating_Committee/Election/2026|the 2026 Elections page]], including timelines and other candidacy information. If you read over the material and consider yourself qualified, please consider submitting your name to run for the committee. If you think someone else in your community might be interested and qualified, please encourage them to run.
In partnership with the U4C -- [[m:User:Keegan (WMF)|Keegan (WMF)]] ([[m:User_talk:Keegan (WMF)|talk]]) 28 apr 2026 22:06 (CEST) </div>
<!-- Bericht verzonden door User:Keegan (WMF)@metawiki via de lijst op de pagina https://meta.wikimedia.org/w/index.php?title=User:Keegan_(WMF)/test&oldid=30472432 -->
== Pagina in eigen gebruikersruimte verwijderen ==
Beste Vincent Steenberg,
Kan u als beheerder deze pagina in eigen gebruikersruimte verwijderen: [[Gebruiker:NovaSerenQuest/Kladblok]]?
Mvg, [[Gebruiker:NovaSerenQuest|NovaSerenQuest]] ([[Overleg gebruiker:NovaSerenQuest|overleg]]) 5 mei 2026 16:56 (CEST)
:geen probleem. [[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 5 mei 2026 17:48 (CEST)
== Paginalijst ==
Beste Vincent,
Zou je mij kunnen helpen met de Paginalijst van [[:Index:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf]]? Blijkbaar doe ik iets niet goed, hij zegt "Fout: er is een ongeldige interval opgegeven".
Mvg, [[Gebruiker:Nederlandse Leeuw|Nederlandse Leeuw]] ([[Overleg gebruiker:Nederlandse Leeuw|overleg]]) 31 mei 2026 17:24 (CEST)
:Hallo @[[Gebruiker:Nederlandse Leeuw|Nederlandse Leeuw]]
:Ja, dat is een terugkerende hapering. Dit kun je oplossen door:
:1. naar [[Index:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf]] te gaan en op het icoontje [[Bestand:View-refresh.svg|20px]] te klikken. Dit purget het bestand op commons.
:2. opnieuw naar [[Index:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf]] te gaan en op bewerken te klikken en de pagina vervolgens zonder wijziging op te slaan.
:[[Gebruiker:Vincent Steenberg|Vincent Steenberg]] ([[Overleg gebruiker:Vincent Steenberg|overleg]]) 31 mei 2026 17:46 (CEST)
mkaudmoyzbkvw6j4zpr9jke0gwkystu
Index:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu
106
37796
222299
216406
2026-05-31T18:00:14Z
Vincent Steenberg
280
vereenvoudiging
222299
proofread-index
text/x-wiki
{{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template
|Type=boek
|Taal=nl
|wikidata=
|Titel=[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2|De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 2]]
|Ondertitel=
|Deel=[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2|Deel 2]]
|Auteur=[[Auteur:Arnold Houbraken|Arnold Houbraken]]
|Vertaler=
|Redacteur=
|Illustrator=
|Stroming=
|Jaar=1719
|Uitgever=
|Plaats=
|Druk=
|OorspronkelijkeUitgave=
|Key=
|doe_wikidata=
|ISBN=
|OCLC=
|LCCN=
|BNF_ARK=
|DBNL=
|Bron=djvu
|Afbeelding=10
|Voortgang=C
|Delen='''[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1|Deel 1]]'''<br>
'''[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2|Deel 2]]'''<br>
'''[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 3|Deel 3]]'''
|Pagina's=<pagelist
1=- 2=Omslag 3to9=- 10=Titelpagina 11=- 12=Opdracht 13to14=-
15="Plaat A" 16=1 34=- 35="Plaat B" 36=19 82=- 83="Plaat" 84=65
98="Plaat C" 99=- 100=79 118="Plaat D" 119=- 120=97 126=-
127="Plaat E" 128=103 152=- 153="Plaat F" 154=127
198="Plaat G" 199=- 200=171 206="Plaat" 207=- 208=177
214="Plaat" 215=- 216=183 230=- 231="Plaat H" 232=197 280=- 281="Plaat I" 282=245 314=- 315="Plaat K" 316=277 408=Inhoud 409to416=-/>
|Opmerkingen={{Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/408}}
|NestedInhoud=
|Breedte=
|Css=
|Header=
|Footer=
}}
qka0iu7yo9tfcfd846klcn8wty2shgt
Pagina:De Standaard vol 010 no 2697.pdf/1
104
38102
222269
221983
2026-05-31T16:02:12Z
Vincent Steenberg
280
222269
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" /></noinclude>{{lijn|height=5px}}{{lijn}}
{{RH|{{x-larger|'''A{{sup|o}}. 1881'''}}|{{larger|{{sp|TIENDE JAARGAN}}G.}}|{{x-larger|'''N{{sup|o}}. 2697'''}}}}
{{center|{{xxxx-larger|'''DE STANDAARD.'''}}}}
{{lijn|10em}}{{lijn|12em}}
{{center|<big>'''Donderdag 6 Januari.'''</big>}}
{{lijn}}{{lijn}}
{| width="100%"
| width="33%" align="center" | {{sp|Abonnementsprijs per 3 maande}}n:<br>Voor Amsterdam ƒ'''2,50.'''– Buiten Amsterdam, franco ƒ'''2,90.'''<br>Enkele Nummers 5 Cents aan het Bureel
| width="34%" align="center" | '''BUREEL: Warmoesstraat 106, Amsterdam.'''<br>Directeur-Uitgever J. H. KRUYT.
| width="33%" align="center" | Advertentiën, van 1 tot 6 regels 90 Cents,<br>iedere regel daarenboven 15 Cent. Aanvragen of vermelding<br>van liefdegaven 10 Cents per regel.
|}
{{lijn|height=5px}}{{lijn}}
<section begin="mededeling"/>''{{gap}}Geabonneerden op'' de Standaard ''wordt beleefdelijk verzocht, de abonnementsgelden over het afgeloopen kwartaal, ten bedrage van ƒ'' 2.90 ''per postwissel over te maken.<br>{{gap}}Zij, die met'' de Standaard ''tevens'' de Heraut ''ontvangen, zullen ons zeer verplichten door ons tegelijkertijd ook het daarvoor verschuldigde bedrag, zijnde ƒ'' 0.95 ''toe te zenden; dus te zamen ƒ'' 3.85.<br>{{gap}}''Op ontvangst van den postwissel wordt den afzender daarvan bericht gezonden, dat tevens tot kwitantie strekt''.
{{Rechts|J. H. KRUYT,{{gap}}<br>''Directeur-Uitgever''.}}
{{gap}}''Amsterdam'', 1 ''Januari'' 1881.
<section end="mededeling"/>
<section begin="buitenland"/>{{lijn|height=5px}}{{lijn}}
{{center|<big><big>'''Buitenland.'''</big></big>}}
{{lijn|5em}}
<section end="buitenland"/>
<section begin="hetblijkt"/>{{gap}}Het blijkt meer en meer, dat de gebeurtenissen in Transvaal een gisting in heel Z.-Afrika verwekken. Reeds weet men, dat de president van den aangrenzenden Oranje-vrijstaat zijn ambt wil neêrleggen, geen kans ziende om de Boeren in zijn gebied van deelneming aan den oorlog af te houden. Ook onder de thans tegen de Britten strijdende zwarte bevolking heeft de nederlaag der Engelschen grooten indruk gemaakt. In ’t kort, de vrees voor een algemeenen oorlog der verschillende rassen in Z.-Afrika wordt reeds hier en daar, o. a. in de ''Standard'', uitgesproken.
<br>{{gap}}De zaak der Boeren wekt, als vroeger reeds gezegd, bijna overal sympathie zelfs naar men die allerminst zou verwachten. In een dagorder aan het Engelsch koloniale leger is de bevelhebber, Sir G. Colley, zelf verplicht hulde te brengen aan de gevoelens, die de Boeren noopten naar de wapenen te grijpen. Juist niet het beste middel zou men zeggen om den ijver der troepen aan te vuren, veeleer die der Transvalers. Deze echter hebben dat minder noodig, daar zij, blijkbaar vol vertrouwen, reeds van hun onafhankelijkheid spreken, als ware die al verworven. De Natalsche bevelhebber vermaant zijn troepen tot het spoedig uitwisschen van den smet op de Britsche wapenen, doch tevens om dapperheid niet te doen ontaarden in wraakoefening, aangezien de Boeren, hoe ook misleid en bedrogen, over het geheel een kloek en moedig volk zijn.
<br>{{gap}}De troepen, thans tegen de Boeren op weg, zijn 1500 man sterk, met twee kanonnen en een Gatling batterij. Naar men weet hebben de Transvalers volstrekt geen geschut.
<br>{{gap}}De ''Pall Mall Gazette'', die de inlijving wil zien te niet gedaan, verklaart dat de inlijving van de Transvaal thans door de geheele Engelsche pers, op een paar uitzonderingen na, wordt afgekeurd. Die verklaring wordt door haar gestaafd met een reeks van aanhalingen. Hierbij dient echter opgemerkt, hoe door de ''Observer'' b. v. er op wordt gewezen, dat eerst »de opstand” dient gedempt.
<section end="hetblijkt"/>
<section begin="welwordt"/>{{gap}}Wel wordt het gerucht betreffende de poging, door Iersche Fenians gedaan, om den monitor ''Lord Warren'' op de Schotsche Oostkust te vernielen met een torpedo, (''zie vorig tel''.) officieel gelogenstraft, maar toch broeit er blijkbaar iets ook buiten Ierland in het Vereenigd Koninkrijk.
<br>{{gap}}Men vernam reeds gisteren, hoe de wapenmagazijnen te Birmingham en Liverpool door de politie worden bewaakt, omdat men aldaar het bestaan van geheime Iersche genootschappen vermoedt. Sedert verscheidene dagen toch bezit de regeering inlichtingen, die doen gelooven dat de Fenians een plan beramen om de hand te leggen op de wapenen, toebehoorende aan de Londensche regimenten vrijwilligers. Tot voorzorg worden de bergplaatsen dier wapenen dag en nacht bewaakt.
<br>{{gap}}Het geding tegen Parnell c. s. wordt voortgezet. De rechtbank hoorde gisteren de snelschrijvers, die verslag gaven van de redevoeringen bij de vergaderingen van ’t Landverbond. De beschuldigden lazen Maandag zelf hun verdediging voor.
<br>{{gap}}De Kabinetsraad van gisteren werd door al de ministers bijgewoond. Forster had met Gladstone vóór den raad een lang gesprek.
<section end="welwordt"/>
<section begin="allepogingen"/>{{gap}}Alle pogingen worden nog door de Europeesche diplomatie aangewend om zoo mogelijk een oorlog in het Oosten te voorkomen, door de twee partijen, Griekenland en Turkije, over te halen om te bewilligen in een scheidsgerecht, dat de hangende quaestie uit zou maken.
<br>{{gap}}Oostenrijk, dat nu ook het afwijzend antwoord der Porte heeft ontvangen, zal krachtig aandringen op het aannemen van de {{SIC|tusschenkomtt|tusschenkomst}} der Mogendheden. De Duitsche Keizer, die op do Nieuwjaaraudientie ’t uitsprak hoezeer bij het behoud van den vrede wenschte, zal denkelijk op nieuw graaf Hatzfeld naar Konstantinopel zenden. Maandag nog deden do Engelsche, Duitsche, Fransche en Italiaansche gezanten in een langdurig onderhoud met den Griekschen Minister Comoendouros bij de Grieksche regering een nieuwe poging om haar tot aanneming van het scheidsgerecht over te halen. Doch gelijk de Porte het denkbeeld verwerpt en iets anders wil (''Zie vorig No''.) zoo is ook in Griekenland de openbare meening nog steeds tegen dat voorstel, en vóór den oorlog.
<br>{{gap}}Binnenkort zullen dan ook in Griekenland 32,000 man der reserve onder de wapenen geroepen worden. De Turken van hun zijde zullen 100,000 man naar de grens zenden. In een woord, terwijl men in Europa, en met reden, een oorlog met zijn gevolgen ducht, maken de {{SIC|belanghenbbenden|belanghebbenden}} zelfs blijkbaar minder bezwaar: de een om het toegewezene met geweld te nemen, de ander om wat hij niet geven wil mat kracht te verdedigen.
<br>{{gap}}(Een laatste bericht uit Parijs meldt dat Turkije noch Griekenland ’t scheidsgerecht hebben afgeslagen, maar dat de Porte bezwaar maakt).
<section end="allepogingen"/>
<section begin="dejodenquaestie"/>{{gap}}De Joden-quaestie beheerscht ontegenzeggelijk thans in Duitschland elk ander vraagstuk, en houdt de gemoederen levendiger dan ooit bezig. Men herinnert zich wat we een paar dagen <ref>''Zie Nr. van 2 Jan. Gem. nieuws''</ref> geleden mededeelden, omtrent de anti joodsche vergaderingen te Berlijn gehouden, en waarbij letterlijk het volk elkaâr verdrong. Ook de andere partij laat zich echter niet onbetuigd. Zoo had Maandag een groote vergadering plaats van hen, die tegen de anti-semitenbeweging optreden. Onder voorzitterschap van den afgevaardigde Löwe liep deze vergadering zonder eenige stoornis af.
<br>{{gap}}Op Nieuwjaarsdag is het te Berlijn zelfs tot vrij ernstige ongeregeldheden gekomen, voor zoover uit onvolledige berichten blijkt, tot kloppartijen en straat rumoer tusschen Joden en anti-Semieten <ref>Uit later bericht blijkt, dat door de liberale ''Börsen Cour.'' de zaak zeer is overdreven. ’t Was te Berlijn – en elders {{grijs|[–]}} in den Nieuwjaarsnacht vrij druk. Een hoop volk schaarde zich voor een koffiehuis, met het geroep: „Juden heraus!” De politie echter maakte hieraan dadelijk een eind.</ref>. In alle geval achtte, in een Maandag gehouden vergadering, de hofprediker Stöcker het noodig te verklaren, dat hij met dergelijke afkeurenswaardige handelingen niets te maken had. Zijn streven beoogde een geheel ander doel dan een persoonlijke beleediging der Israelieten.
<br>{{gap}}’t Ontbreekt natuurlijk niet aan hen, die het oude praatje weer opdisschen, dat Stöcker, wijl zijn houding in de hofkringen misnoegen verwekt, een middel zoekt om zich uit de beweging terug te trekken, en zijn naam los te maken van de anti-Semieten-zaak. ’t Werd reeds vaak gezegd, maar nooit bewezen. De waarheid is, dat men thans ook in die beweging twee stroomingen begint waar te nemen; duidelijk onderscheidt men een rechter- en een linkervleugel. De laatste wordt vertegenwoordigd door Henrici <ref>''Zie Nr. v. Dinsdag''.</ref>, welke door Stöcker en zijn aanhang, wegens zijn minachting van het Oude Testament, thans beslist verloochend wordt.
<br>{{gap}}Er zijn in dezen anti-Joodschen strijd zeer verschillende elementen werkzaam, van beslist ongeloovigen af tot even besliste Christenen. Juist dit toont, hoe uitgebreid de beweging, hoe gewichtig het vraagstuk is. Doch elke richting gebruikt haar eigen middelen voor het gemeenschappelijk doel, en het gaat niet aan de eene verantwoordelijk te stellen voor wat de andere doet.
{{lijn|6em|align=left}}
{{References}}
<section end="dejodenquaestie"/>
<section begin="deitaliaansche"/>{{gap}}De Italiaansche ''Diritto'' bevat een uitvoerig opstel over het Tunesische vraagstuk. Het blad ontkent dat Italië {{SIC|eerznchtige|eerzuchtige}} plannen koestert. Het geloofde steeds en gelooft nog, dat Tunis een onafhankelijke staat moet zijn.
<section end="deitaliaansche"/>
<section begin="tebrussel"/>{{gap}}Te Brussel zal een nieuw blad verschijnen getiteld ''la Belgique athée'' (het godloochenend België) De ''Flandre libérale'', de ''Chronique'' en andere liberale bladen zijn hierover uiterst verheugd. „De Kerk”, zegt de ''Chronique'' „is de wreedste vijandin der vrijheid en der menschelijke rede, en wij juichen met beide handen de pogingen van het blad (''la Belgique athée''), van harte toe.”
{{lijn|3em}}
<section end="tebrussel"/>
<section begin="teparijs"/>{{gap}}Te Parijs is een vermogend grijsaard in een krankzinnigengesticht geplaatst, die het verstand verloren heeft, ten gevolge van het lezen van allerlei berichten van misdaden. Een zonderlinge gril dreef hem om zich steeds te verdiepen in de verslagen van criminele rechtsgedingen, waarvan hij een groote verzameling bezat, of in romans vol afgrijselijkheden. Zelden ging hij uit, tenzij om de zittingen der rechtbank of die van het Hof bij te wonen. In den laatsten tijd begon hij gevaarlijk te worden, daar hij zich allerlei wapentuig aanschafte, den mond vol had van de schrikkelijkste wandaden, die hij bedreven beweerde te hebben, ieder dreigde, die hem naderde, enz.
{{lijn|3em}}
<section end="teparijs"/>
<section begin="eennieuwe"/>{{gap}}
{{gap}}Een nieuwe weddenschap van „pedestrianistischen” (!) aard is Zaterdag te Londen verloren. Zekere Gale had aangenomen, dat hij in 2000 op elkander volgende halve uren 2500 Engelsche mijlen te voet zou afleggen. Hij mocht dus nooit, nacht noch dag, langer dan hoogstens tien à twaalf minuten rusten{{grijs|[.]}} Een groot kwartier à twintig minuten van het half uur had hij immers natuurlijk wel noodig om 11¼ Engelsche mijl af te leggen{{grijs|[.]}} Hij heeft het tot 2405½ mijl gebracht. De Engelsche bladen spreken met veel afkeuring van deze nuttelooze en onmenschelijke weddenschap.
<section end="eennieuwe"/>
<section begin="dekoning"/>{{gap}}De Koning van Engeland – volgens de Engelsche Legitimisten, als die er nog zijn – is op Kerstavond overleden. ’t Was ''Charles Edward Stuart'', graaf van Albanië. Hij moet de kleinzoon wezen van Charles Edward, den „jongen ridder” (geb. in 172{{grijs|[0]}}), die zulk een stoute poging waagde om den troon van Engeland, waarop hij meende recht te hebben, te herwinnen. Diens vader was de zoogenaamde «oude pretendent”. Voegen we er nog bij, dat de afstamming des nu overledenen van Charles Edward ver van zeker is.
{{center|——}}
<section end="dekoning"/>
<section begin="vooruitgangofachteruitgang"/>{{gap}}''Vooruitgang of achteruitgang?'' In Engeland zal dit jaar een nieuw maandblad verschijnen, ''Light'' (het Licht) geheeten. Het zal zich vooral bezig houden met wat de pers gewoonlijk niet behandelt. Allereerst met de „''Occult Sciences''” d.i. tooverij, zwarte kunst, sterrewichelarij enz. En dat in onze verlichte eeuw!
{{center|——}}
<section end="vooruitgangofachteruitgang"/>
<section begin="eenduitschblad"/>{{gap}}Een Duitsch blad merkt op, dat het jaartal 1881 zich even goed naar voren als naar achteren laat lezen, ja zelfs ’t onderstboven gekeerd toch 1881 blijft.
<section end="eenduitschblad"/>
<section begin="1880"/>{{center|<big><big>{{sp|188}}0.</big></big>
{{lijn|4em}}
IV.}}
{{gap}}Zooveel is zeker, dat Griekenland herhaaldelijk verklaard heeft na de gemaakte kosten voor de oproeping van het leger niet te kunnen terug gaan. Men heeft, toen Griekenland voor 50 jaar een zelfstandig rijk werd, do fout begaan het te zeer in te perken. Sinds ging het ontzaglijk vooruit in elk opzicht, zoodat het minstens Thessalië behoeft, om voor zijn handel de noodige aansluiting bij den spoorweg over Salonika te verkrijgen.
<br>{{gap}}Even zeker als Griekenland al het mogelijke hiervoor zal doen, kan men echter aannemen, dat de Porte de gewesten en steden, die van haar geëischt worden, niet dan in het uiterste geval zal afstaan. Dat zag men aan de eindelooze quaestie over een onbeduidend stedeke als Dulcigno. Wordt de Grieksche quaestie naar denzelfden maatstaf van tijd behandeld, dan kan ze gerust ''ad Kalendas Graecas'' verschoven heeten.
<br>{{gap}}De mogendheden, Duitschland allereerst, trachten op diplomatieken weg de oplossing van ’t vraagstuk te vinden, wat geen gemakkelijke taak is. Wel is dezen winter een ernstige verwikkeling tusschen Griekenland en Turkije nog minder te vreezen, wijl het jaargetijde dit verbiedt, maar met dit al blijft de Oosterhemel donker, en is het Grieksche vraagstuk de zwarte wolk, waaruit een onweer kan losbarsten. Op voorstel van Frankrijk is in de laatste dagen van een scheidsgericht der mogendheden in dit vraagstuk gesproken. Verder dan een voorstel kwam men echter nog niet.
<br>{{gap}}Een derde quaestie, de Armenische, is evenmin iets verder gekomen in 1880. De Christelijke bevolking van dit ongelukkig land, aan Turkije’s oostergrens, heeft weder ontzettend geleden door hongersnood. Het Turksch wanbestuur doet alle voorziening in den nood ontbreken, ja, maakt vreemde hulp vaak onmogelijk. Daarbij komen de gestadige roof- en moordtochten der Kurden. In ’t laatst des jaars toonde zich deze stam bijzonder roerig, en deed zelfs een zorgwekkenden inval in Perzië, waarbij op schrikwekkende wijs werd huisgehouden.
<br>{{gap}}Van Oost-Rumelië hoorde men dit jaar weinig, maar genoeg om te bewijzen, dat men er de gedachte niet laat varen, om zich aan de heerschappij der Porte te onttrekken, en een deel te worden van het Bulgaarsche rijk, dat pas is gevestigd.
<br>{{gap}}Alles saamvattend, komt men tot de slotsom, dat Turkije in gestadigen achteruitgang, zoowel wat macht als geldmiddelen en gebied betreft, verkeert. In het Europeesche gedeelte heerschen wanorde, roof, nood en armoe. Van de voorgestelde schuldregeling zal wel niemand veel heils verwachten. Zeker zouden de Duitsche ambtenaren, waarvan de Porte is beginnen zich te bedienen, iets kunnen doen, maar men is in Turkije gewoon goede plannen aan te hooren, maar wel te zorgen dat ze niet worden uitgevoerd. Wellicht nog jaren zal het Turksche rijk, bij de gratie der mogendheden en huns naijvers, voortsukkelen, maar aan de verjonging van het rijk en zijn wederopstanding tot duurzaam leven gelooft niemand meer.
<br>{{gap}}Van het Balkan schiereiland tot Oostonrijk is de overgang geleidelijk. Verblijdend is de toestand van dit groot en veelomvattend rgk niet, wanneer men op den binnenlandschen staatkundigen toestand in het afgeloopen jaar het oog richt.
<br>{{gap}}Graaf Taaffe is nu bijna anderhalf jaar hoofd van het ministerie in het Cisleithaansche deel der monarchie, doch overigens was sinds Aug. 1879 aan wisseling van ministers geen gebrek. De partijen stonden dit jaar scherper dan ooit tegenover elkander. Centralisten en Autonomisten bepleitten in vergaderingen en ’s lands raadzaal hun bedoelen en belangen. In den laatsten tijd vooral is de verhouding meer en meer gespannen geworden. Maakte graaf Taaffe bij de benoeming der nieuwe ministers in Juli l.l. een verdere zwenking rechts, de liberale Centralistische partij, die een eenig Oostenrijk wil, blijft alle kracht inspannen, om het streven der Autonomisten te verijdelen, die elk der vele nationaliteiten waaruit Oostenrijk bestaat, tot haar recht willen laten komen. De zelfstandigheid voor zich te winnen, die Hongarije voor jaren veroverde, blijft het streven dezer laatste, conservatieve partij, tegelijk die der regeering, en de meerderheid vormend in de Kamer, schoon niet in het Heerenhuis. Hoe bitter de strijd der partijen en nationaliteiten was, herinnert men zich uit de quaestiën over de taal, de hoogescholen enz. enz.
<br>{{gap}}Toch is graaf Taaffe gebleven bij zijn oude denkbeeld van een regeering staande boven de partijen, die liever aftreedt dan zich beslist voor eene of andere te verklaren. De krasse handeling der linkerzijde, die dezer dagen weigerde de voorloopige begrooting goed te keuren, de scherpe redevoering waarin het hoofd der liberale partij, Von Schmerling, ten leste van haar instemming kennis gaf (eigenlijk een verklaring in naam van al wat niet autonomistisch is) hebben den eersten minister niet tot heengaan bewogen. Zeker is echter, dat het parlementaire jaar voor Oostenrijk in tamelijk kritieken toestand sluit.
<br>{{gap}}Een geluk is het dat, wat de buitenlandsche betrekkingen aangaat, de Oostenrijksch Hongaarsche monarchie, onder de leiding van Von Haymerle, dit jaar meer tevreden zijn kan. Da verbintenis met Duitschland behield haar kracht, en de verhouding tot de Balkan-staten werd gunstiger. De rondreis des keizers in de Oostelijke deelen des rijks bewees, hoe zeer het Huis van Habsburg nog steeds het groote aantrekkingspunt blijft, waarom de vele en elkaar vaak hatende volkeren der monarchie zich scharen. De erfgenaam des rijks, prins Rudolf, verloofde zich dit jaar met de nog zeer jeugdige prinses Stéphanie van België.
<section end="1880"/>
<section begin="binnenland"/>{{lijn|height=5px}}{{lijn}}
{{center|<big><big>'''Binnenland.'''</big></big>}}
<section end="binnenland"/>
<section begin="amsterdam5januari1881"/>{{center|AMSTERDAM, 5 Januari 1881.}}
{{gap}}Bij de behandeling der Indische begrooting heeft zich een quaestie voorgedaan over een beperking van de vergunning om stukken van wetenschappelijken aard, tot de gouvernements archieven behoorende, openbaar te maken. In de memorie van antwoord verklaarde de Minister, dat die beperking haar aanleiding heeft gevonden in het feit, dat een ondergeschikt ambtenaar van den geografischen dienst in een vreemd tijdschrift mededeelingen heeft gedaan omtrent de resultaten der triangulatie op Java in anticipatie op een van regeeringswege uit te geven verslag, en met het oogmerk om zich zelven te verheffen en den arbeid van zijn chef in een ongunstig daglicht te stellen.
<br>{{gap}}De bedoelde ambtenaar, de heer C. A. E. Metzger, thans gepensioneerd en te Stuttgard woonachtig, komt in een adres aan de Tweede Kamer tegen deze voorstelling op. Hij drukt over het door hem geplaatste artikel in de ''Astronomische Nachrichten'' ten bewijze, dat er in dit beknopte en zakelijke bericht, waarin zijn naam in ’t geheel niet, die van anderen zeer ter loops genoemd is, niets te vinden is, waaruit het oogmerk zou spreken zich zelf te verheffen, en den arbeid van zijn chef – Dr. J. A. C. Oudemans: dien althans bedoelde de Minister blijkbaar – in een ongunstig daglicht te stellen.
<br>{{gap}}Op dat artikel volgde het Indisch besluit, waarbij ingetrokken werd de vergunning om in het archief aanwezige stukken te publiceeren, en ’s Ministers verzoek aan adressant, om zich te onthouden van alle publicatiën, die vooruitliepen op de van regeeringswege uit te geven verslagen. Dit laatste verzoek, waaraan adressant als ambtenaar wel moest voldoen, komt hem voor te zijn hard en overdreven. Op die wijze toch moet een ondergeschikt ambtenaar zich onthouden van elken persoonlijken arbeid, wetenschappelijk als anderszins, op zijn gebied, en wordt elke opinie, afwijkende van de officieele, onderdrukt.
{{lijn|4em}}
<section end="amsterdam5januari1881"/>
<section begin="uitutrecht"/>{{gap}}Uit Utrecht schrijft men ons:
<br>{{gap}}Den 7en Februari zal Prof. van Oosterzee den dag herdenken, waarop hij zich vóór 40 jaren aan kerk en theologie wijdde door zijne optreding als predikant te Eemnes.
{{lijn|4em}}
<section end="uitutrecht"/>
<section begin="maandag"/>{{gap}}Maandag heeft zich ter beurze te Parijs een comité van Nederlanders gevormd, die gelden inzamelen ten behoeve der overstroomden in het Vaderland. Het comité bestaat uit de heeren Buisman, Rozenraad, Pinner en Jordaan. Men had, dank de zes- en-dertig handteekeningen, reeds dadelijk een som van vier duizend frank bijeen, welk bedrag zeker nog aanzienlijk stijgen zal, wanneer aan de zaak meer openbaarheid zal zijn gegeven.
{{lijn|4em}}
<section end="maandag"/>
<section begin="opden1januari1880"/>{{gap}}Op den 1 Januari 1880 waren in het Rijk gevestigd: medicinae doctores met algemeene bevoegdheid 362, idem met beperkte bevoegdheid 446, artsen 222, plattelands- en stedelijke heelmeesters 838, eervol ontslagen officieren van gezondheid 1e of 2e klasse 49, tandmeesters 63, vroedvrouwen 726, apothekers 692, drogistwinkels 120. Het getal personen, die, volgens opgaaf der visiteerende, commissiën, in apotheken hulp verleenen: was: geëxamineerde apothekers, als bedienden bij anderen werkzaam, 47; apothekersbedienden volgens art. 34 der wet van 1 Juni 1865 (''Staatsblad'' no. 61) 257; hulp-apothekers 108; leerling-apothekers 305 (hieronder 145 vrouwen); apothekersbedienden volgens art. 17 der wet van 25 Dec. 1878 (''Staatsblad'' no. 222) 6 (hieronder 1 vrouw).
{{lijn|4em}}
<section end="opden1januari1880"/>
<section begin="eenmunchener"/>{{gap}}Een Munchener correspondent der ''Kölnische Zeitung'' meldt per telegraaf aan dat blad, dat het Vaticaan voornemens is, den tegenwoordigen internuntius te ’s-Hage, Panici, als opvolgor van Roncetti naar Munchen te zenden, maar dat dit plan, wegens het karakter van Monsgr. Panici, gelijkt op eene poging om het Jezuïetisme in Beieren weder invloed te geven, zoodat het twijfelachtig is, of de Beiersche Regeering zich met die keuze zou kunnen vereenigen.
{{lijn|4em}}
<section end="eenmunchener"/>
<section begin="hetbevel"/>{{gap}}Het bevel over het detachement van 100 schepelingen, dat half Februari aanstaande per stoomschip ''Celebes'' naar Oost-Indië zal worden overgevoerd, wordt opgedragen aan den luitenant ter zee van de 1e klasse H. van den Pauwert.
{{lijn|4em}}
<section end="hetbevel"/>
<section begin="menleestindetyd"/>{{gap}}Men leest in ''de Tyd:''
<br>{{gap}}In de algemeene vergadering, onlangs te Haarlem door de Vereeniging der R. K. Bijzondere Onderwijzers gohouden, werd door een der leden het denkbeeld geopperd, een adres te zenden aan den minister, om betaling voor de uitgebreide administratieve werkzaamheden, die ook den bijzonderen onderwijzers door de wet worden opgelegd.
<br>{{gap}}De hoofden der scholen namelijk zijn vorplicht, vóór Februari van elk jaar een lijst op te maken, waarin van elken leerling ''de naam, voornaam, dag, maand en jaar van geboorte'', alsmede de ''woonplaats'' vermeld staan.
<br>{{gap}}Wanneer men nu in aanmerking neemt, dat er bijv. in Amsterdam bijzondere scholen zijn met een bevolking van 500 à 600 leerlingen; dat bovendien die scholen aan allerlei wettelijke chicanes blootstaan; dat het onderwijzend personeel er in den regel minder talrijk is dan op de openbare, duur betaalde scholen, dan kan men gemakkelijk begrijpen, dat de last, den bijzonderen hoofdonderwijzer zonder eenige vergoeding opgelegd, als een tirannie wordt beschouwd.
<br>{{gap}}De openbare onderwijzers worden goed betaald; zij zijn ambtenaren en loontrekkende dienaars; maar de bijzondere onderwijzers zijn vrije burgers, die een eerlijk bedrijf uitoefenen en in die uitoefening evenmin mogen worden belemmerd als ieder ander burger. Geen handelaar, geen winkelier wordt de last opgelegd, de lijst zijner begunstigers met hunne voornamen, leeftijd en woonplaats aan het gemeentebestuur op te zenden. Zulke plagerijen veroorlooft men zich alleen ten opzichte
<section end="menleestindetyd"/><noinclude></noinclude>
8gw4d468gxolze7dtfcu3ueeuomoqh8
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/441
104
68498
222180
188396
2026-05-31T13:10:46Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222180
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><section begin="s1"/>met dat enige, enige korreltje... en niet te verlangen meer naar... de grote, de grote droom!
— En er toch dankbaar om te blijven...
— Dat de droom tot ons... heeft willen schijnen... en glimlachen...
— Maar tante... als het geen droom was... maar het enige brood... om te leven!
— Mijn kind... Wie zal je nu zeggen... wat het enige brood is... om leven... Je hebt nu alleen honger naar je droom... en later... veel later...
— Heb ik dan honger gehad... om niets...?
— Misschien...
— Om niets? O, neen...
— Wie weet het...
— Tante... is dan ieder sprookje van het leven zo wereldwijs bitter... dat de grote droom niets is... en de korrel, later, alles...?
— Ik vrees van wel, kind...
— Ach tante... het zijn alles woorden. Zachte, lieve woorden... Ik begrijp u wel... het is uw sprookje... Maar tot nog toe is het mijne... niets dan de stroom... en het blad...
— En later wordt het misschien... de kleine schat, de korrel...
Toen zwegen zij, en Constance dacht:
— Iedere ziel moet eerst door alles heen... door alles heen... wat droom is... Pas heel laat... vindt ze de korrel... zelf... Wat een ander haar meedeelt van haar korrel... stilt nooit de honger zo... als de eigen korrel stilt... zelf gevonden...
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''VI'''}}}}
Addy was bijna zestien jaar. Hij groeide niet veel in de lengte, hij zou zeer zeker de bouw van zijn vader krijgen, want hij had iets breeds, en fijns, iets stevigs en toch iets zachts; kracht en ras tegelijkertijd. Hij bleef er altijd ouder uitzien dan hij was, als kon hij zichzelf nooit inhalen: zijn gezicht, breed en toch fijn gesneden, had een kalme sereniteit, die niet van zijn jaren was; zijn wangen waren blond van dons, en zijn moeder wenste, dat hij zich al scheren zou, wat hij echter nog niet wilde doen: en de vage streep van blond fluweel boven zijn lip was beslist al een snor geworden. Zijn haar kroesde zacht, bruin, kon, geheel het haar van zijn vader, en ook zijn ogen waren die van zijn vader, maar zij waren, zo mogelijk, nog ernstiger geworden, zacht kalm, diep, glimlachend weemoedig en vooral sereen blauw — zonder de kinderlijkheid van zijn vaders blik; zijn ogen waren noordelijke ogen, als zijn moeder zeide; Hollandse ogen, noemde zij ze, in tegenstelling van hun aller Van Lowe kreolen-ogen.<section end="s2"/><noinclude></noinclude>
l9ddd7mlp9idx5lgumyguoxu4ob3hnv
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/442
104
68499
222181
188399
2026-05-31T13:11:49Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222181
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Addy, wat ben jij Hollands! placht zijn moeder te zeggen, en zij meende daarmee, dat zij allen, de Van Lowe's vertoonden de meer geënerveerde typen van Indische familie, en dat zijn vader door lang buitenlands verblijf ook iets niet-Hollands had gekregen. Addy, wat ben jij Hollands! Een kind, geboren aan de Rivièra... opgevoed in Brussel... vóór zijn dertiende jaar nooit in Holland geweest... Hoe is het mogelijk, Addy, dat jij de Hollandste bent van ons allen... Je hebt niets van een cosmopoliet!
Zo plaagde hem zijn moeder, vooral als zij zag in zijn ogen, in zijn Hollandse, heldere, kalme ogen, als in twee blauwe spiegels: een glimlach erin als een weerschijn... en onder die glimlach een weemoed als een schaduw. En dan knikte hij haar rustig, lachend, bezadigd toe, als wilde hij haar zeggen, dat zij wel gelijk had, dat hij zich geheel Hollands voelde — en noch Indisch-geënerveerd — en noch verbasterd-cosmopoliet. Voelde hij zich niet Hollands — een Hollandse jongen, wel altijd, — maar meer dan in Den Haag nog in dit kleine dorp — Nunspeet — nu hij uit zijn hôtelkamer zag over de blinkende witte duinen, die golfden weg naar de grote, grote luchten, de massa's van reuzewolken, de enormiteiten van grauw-blauw krullende zomerwolken, die machtig en majesteitelijk dreven; de grootsheden van het kleine land: dat wat grootse majesteit is en macht boven de kleine lage landen, die nederig neerduiken onder zo veel ontzaglijkheden... De wolken, de Hollandse wolken... Addy had ze lief, de ontzaglijke machten boven de maar even duinende en deinende landen... en had mama, die hem dan zo plaagde, ze ook niet lief: haar Hollandse wolken... o zo reusachtig, o zo reusachtig, als waren zij eilanden en landouwen, groter nog dan de Hollandse zelf...
Het was vroeg, zes uur, en hij zag uit zijn raam in de parel-zuivere morgen, en, even, met een gebaar van enthousiasme voor zich, breidde hij zijn armen uit, naar de wolken... Toen lachte hij om zichzelf, hoopte, dat niemand op de weg hem gezien had... Neen, de boeren, die er gingen, zagen niet op naar zijn raam... en nu, nu kleedde hij zich gauw, ontbeet beneden vlug met een glas melk, een boterham, en liep de grote weg langs, een kleine weg in, naar de villa van dokter Van Heuvel. Het huis lag van de weg af in een grote tuin van rustige schaduw, en, daar het hoog lag, het huis, zag het over de duinende golvingen van blinkende zandblankheid langs zwarte, groene sparrenmassa's verder uit naar de heide, die paarsig opwaasde al in de vroege zonneschijn tot lage horizonnen van even een lijn van laag groen, met de naaldspitse van een toren: niet dan een streepje onder de ontzaglijke majesteiten der reusachtige wolken, die rustig dreven, gevolgd door andere, eeuwig door, eeuwig reusachtig en majesteitelijk...
De dokter kwam Addy tegemoet.<noinclude></noinclude>
n1fawfkjjqqsurkcg0plvomrrxjuxl9
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/443
104
68500
222182
188400
2026-05-31T13:12:53Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222182
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Daar ben ik, dokter...
— Zo Van der Welcke, ben je daar al... En zie je niet op straks te wandelen met je oom...
— Neen...
— Want ik kan vandaag niet meegaan.
— Het is niet nodig, dokter.
— Het is de eerste keer, dat je alleen met hem gaat... Wanneer komt mama terug?
— Vanmiddag.
— Ik kan je natuurlijk de verpleger meegeven ... Maar het is beter, dat oom die niet meer ziet dan nodig is.
— Wees maar gerust, dokter; het zal wel gaan...
— Ga niet te ver, hè...
— Neen... vlak bij, de duinen in.
— Ik kan op aan...
— Ja, ja dokter...
— Daar heb je hem al...
Ernst, uit de veranda, slenterde in de tuin; hij herkende Addy, glimlachte, vroeg:
— Waar is mama?
— Die komt vanmiddag terug, oom... Gaat u wat wandelen, met me...
— Neen, ik wacht mama, zeide Ernst achterdochtig en keek naar de dokter. Toch wist Addy hem mee te tronen naar buiten, de weg op...
Daar nam Ernst de arm van Addy en zei:
— Weet je wat zo beroerd is... Die vent heeft mama verstopt.
— Neen oom, neen.
— Jawel kerel, heus. Die vent heeft mama begraven... ergens in de duinen. Willen we haar zoeken...
— Oom, ik wil wel wandelen, maar mama is niet verstopt of begraven: mama is naar Baarn, om tante Bertha te zien... en mama komt vanmiddag hier.
Ernst schudde het hoofd, en had een minachtende grinnik.
— Jullie zijn altijd eigenzinnig. Hoor je mama dan niet? Hoor je haar dan niet kermen? Ze heeft de hele nacht gekermd. Die vent heeft haar begraven.
— Ik geloof het niet, oom, maar we kunnen in alle geval wel wandelen...
— Ja, we zullen haar zoeken...
Zij gingen door een sparrenbos: het was er koel en donker als in een kerk. Ernst spitte telkens met zijn stok in de grond, luisterde naar de grond toe.
— Ze is verder, zei hij. In de duinen. Haar stem komt van verder Hoor je het niet?
— Neen, oom.
Ernst haalde de schouders op.<nowiki />
— Jullie hebben geen zinnen... En geen ziel, zei hij ruw.
En hij voegde er ineens aan toe, als was hij bang pijn te hebben gedaan, als wilde hij troosten, dadelijk:
— Mama is lief... Jij ook, je bent een goede jongen... Ik kan misschien nog wel wat van je maken.
Zij liepen, klommen, daalden, terwijl Ernst telkens stil bleef staan, terwijl Addy hem telkens verder dwong. Eindelijk, geknield, met beide handen groef Ernst een diepe kuil.
— Hier is het, zei hij. Ik hoor mama's stem klagen... O, God, o God, hoe kreunt ze... Ze zal stikken, ze zal stikken... Haar mond, haar keel, haar ogen... ze zijn vol zand... Wreed, ellendig zijn de mensen... Wat heeft arme mama hun nu gedaan... Ellendelingen, wreedaards... Hier is het, hier is het: ja wacht maar, Constance, wacht maar... Ik graaf je uit, ik graaf je uit!
Hij groef, met zijn stok, met zijn handen; hij groef, dat het zand stoof om hem rond, hem wit poeierde de kleren. Addy had zich uitgestrekt, liet hem rustig begaan, keek rustig toe, met zijn sereen blauwe ogen, die iedere beweging van Ernst als bestudeerden... Hij zei niets meer, geen woorden vindend om de zinsbegoochelde te overtuigen... Op dit ogenblik waren alle woorden ijdel... De hallucinatie was zo intens dat door het zand Ernst Constance zàg liggen, een vier, vijf meter onder de grond, roerloos, vast in het zand, de korrels zo dicht en duizenden om haar rond, dat zij zich niet bewegen kon, en dat alleen haar steunen en klagen haar kon dwingen de mond te openen, waar Ernst het zand zag binnenzweven, zijn zuster vol vullende met zand... Hij zag haar lichaam, als in een zwart kleed, dat om haar leden nauw plakte, roerloos verstijfd in die begrafenis, in het dringen en dwingen der zandkorrels, die dichter en dichter tegen haar dwongen en drongen, zodat zij dreigde te stikken, vooral nu de mond vol zand was... Haar zwarte ogen zag Ernst nog even schemeren ook door een zeven van zand heen; in haar oren zeefde zand, en het zand, hoewel het daarbinnen geen ruimte had, zeefde al sneller en sneller, als een duizelingwekkendheid van zandgezeef. Nu draaiden de zevende korrels zand woest rond, als éen trilling om Constance... en Ernst groef, groef uit met razende handen... Hij dorst de stok niet gebruiken, om Constance geen pijn te doen... Hij groef, als een beest, met ijlende, ijlende handen... Hij groef: een gehele kuil had hij uitgegraven en het zand werd vochter en vochter; klompen zand wierp hij nu uit... Toen, naar mate hij groef, zag hij het zwartige lichaam zinken, telkens een meter dieper: hij kon zijn zuster niet bereiken ... Het lichaam zonk en zonk en hij bedacht, dat hoe diep hij ook zijn kuil zou graven... hij Constance nooit zou bereiken...
— Addy, Addy! riep hij; help me dan... help me dan...
Addy, uitgestrekt, zijn kin in zijn hand, zag rustig zijn oom aan, met de sereniteit van zijn blauwe doorzoekende ogen. Plotseling staakte Ernst zijn graven, wendde met een snelle kwartcirkel zijn hoofd om naar Addy, en zijn dwalende ogen zagen in de ogen van Addy... Toen schudde de jongen zachtjes, als ontkennend, het hoofd... als wilde hij, woordenloos, zijn oom beduiden... dat het niet was, als zijn oom dacht: dat er geen lichaam lag, onder het zand...
Zo aanzagen ze elkaar enkele minuten... Ernst op zijn knieën, lag bij de kuil, zijn vingers krampten nog, na die poging om diep te graven... Plotseling scheen zijn koortsige energie te zakken, hij rilde en hij riep:
— O God... o God... o God!!
Toen boog hij zich over in die kuil, en zag er door heen... Hij zag niets meer: het lichaam was er niet: er was niets dan de ondoordringbaarheid van de binnenaarde. Toen luisterde hij, schuin het hoofd, naar de klagelijke stem... Er was geen stem: er was het grote zwijgen van geheel het onderaardse... Er was niets meer: geen lichaam, geen stem... Hij zag om zich rond: om hem heen lag het opgewoelde zand, doelloos...
— O God... o God... o God!! riep Ernst.
Addy zag hem aan, heel rustig, en onder de blauwe sereniteit van die blik van meewarige studie, rilde Ernst. Toen ontspande hij zich en zijn lichaam scheen los te zakken ineen, als met een knak in het beenderenstelsel... Met zijn hand echter nog verzamelde hij wat zand, vulde zorgvuldig de kuil wat bij, zodat het vochtige zand blank was overpoeierd met droog zand... Toen strekte hij zich uit, lang, de benen recht, de armen onder het hoofd... Hij was heel moe, vooral in zijn hoofd... Hij had geen woord kunnen zeggen. En met een heel diepe zucht na, lag hij te staren, naar boven, naar de grote, ontzaglijke wolken. Ze dreven als bovenwereldlijk immens, heel, heel langzaam heen, voor zijn naar boven zoekende blikken...
Toen sloot hij de ogen, als werd hij bang, als was het hem te groot, te ontzaglijk, te bovenwereldlijk. Een melancholie om kleinte duisterde in hem op als een binnennacht... En het was sterker dan hemzelf: dichte ogen, schokte een snik hem, en lag hij te wenen nu — altijd gestrekt, altijd de ogen dicht... Een lange traan liep over zijn wang...
Addy steeds zag hem aan... Nu stond hij op, naderde, en streek langzaam over de verwarde lange zwarte haren van Ernst...
En Ernst, even, hief de oogleden, zag hem, gebogen over zich, aan: zwarte in blauwe ogen... Toen sloot hij de zijne weer, ademde diep, liet zich strelen de haren. De lange tranen liepen...
Het was niet nodig, dacht Addy, tot de moede man te spreken...
De hallucinatie, nu, was geweken; een doodmoeheid moest hem doorvloeien. Om beiden, man en jongen, dreef de zomermorgen, suizend van zwoele geluiden... Boven, eeuwig, oneindig, dreven, heel langzaam nog. Wolken, wolken na wolken, altijd, altijd door...<noinclude></noinclude>
k0eayoqj7lstbdcmip3swbopxrtuwbj
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/444
104
68501
222183
188401
2026-05-31T13:13:42Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222183
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Jullie hebben geen zinnen... En geen ziel, zei hij ruw.
En hij voegde er ineens aan toe, als was hij bang pijn te hebben gedaan, als wilde hij troosten, dadelijk:
— Mama is lief... Jij ook, je bent een goede jongen... Ik kan misschien nog wel wat van je maken.
Zij liepen, klommen, daalden, terwijl Ernst telkens stil bleef staan, terwijl Addy hem telkens verder dwong. Eindelijk, geknield, met beide handen groef Ernst een diepe kuil.
— Hier is het, zei hij. Ik hoor mama's stem klagen... O, God, o God, hoe kreunt ze... Ze zal stikken, ze zal stikken... Haar mond, haar keel, haar ogen... ze zijn vol zand... Wreed, ellendig zijn de mensen... Wat heeft arme mama hun nu gedaan... Ellendelingen, wreedaards... Hier is het, hier is het: ja waeht maar, Constance, wacht maar... Ik graaf je uit, ik graaf je uit!
Hij groef, met zijn stok, met zijn handen; hij groef, dat het zand stoof om hem rond, hem wit poeierde de kleren. Addy had zich uitgestrekt, liet hem rustig begaan, keek rustig toe, met zijn sereen blauwe ogen, die iedere beweging van Ernst als bestudeerden... Hij zei niets meer, geen woorden vindend om de zinsbegoochelde te overtuigen... Op dit ogenblik waren alle woorden ijdel... De hallucinatie was zo intens dat door het zand Ernst Constance zàg liggen, een vier, vijf meter onder de grond, roerloos, vast in het zand, de korrels zo dicht en duizenden om haar rond, dat zij zich niet bewegen kon, en dat alleen haar steunen en klagen haar kon dwingen de mond te openen, waar Ernst het zand zag binnenzweven, zijn zuster vol vullende met zand... Hij zag haar lichaam, als in een zwart kleed, dat om haar leden nauw plakte, roerloos verstijfd in die begrafenis, in het dringen en dwingen der zandkorrels, die dichter en dichter tegen haar dwongen en drongen, zodat zij dreigde te stikken, vooral nu de mond vol zand was... Haar zwarte ogen zag Ernst nog even schemeren ook door een zeven van zand heen; in haar oren zeefde zand, en het zand, hoewel het daarbinnen geen ruimte had, zeefde al sneller en sneller, als een duizelingwekkendheid van zandgezeef. Nu draaiden de zevende korrels zand woest rond, als éen trilling om Constance... en Ernst groef, groef uit met razende handen... Hij dorst de stok niet gebruiken, om Constance geen pijn te doen... Hij groef, als een beest, met ijlende, ijlende handen... Hij groef: een gehele kuil had hij uitgegraven en het zand werd vochter en vochter; klompen zand wierp hij nu uit... Toen, naar mate hij groef, zag hij het zwartige lichaam zinken, telkens een meter dieper: hij kon zijn zuster niet bereiken ... Het lichaam zonk en zonk en hij bedacht, dat hoe diep hij ook zijn kuil zou graven... hij Constance nooit zou bereiken...
— Addy, Addy! riep hij; help me dan... help me dan...
Addy, uitgestrekt, zijn kin in zijn hand, zag rustig zijn oom<noinclude></noinclude>
6tnws4xexe2089s05hh3b6p497yxz3l
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/445
104
68502
222184
188402
2026-05-31T13:14:50Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222184
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>aan, met de sereniteit van zijn blauwe doorzoekende ogen. Plotseling staakte Ernst zijn graven, wendde met een snelle kwartcirkel zijn hoofd om naar Addy, en zijn dwalende ogen zagen in de ogen van Addy... Toen schudde de jongen zachtjes, als ontkennend, het hoofd... als wilde hij, woordenloos, zijn oom beduiden... dat het niet was, als zijn oom dacht: dat er geen lichaam lag, onder het zand...
Zo aanzagen ze elkaar enkele minuten... Ernst op zijn knieën, lag bij de kuil, zijn vingers krampten nog, na die poging om diep te graven... Plotseling scheen zijn koortsige energie te zakken, hij rilde en hij riep:
— O God... o God... o God!!
Toen boog hij zich over in die kuil, en zag er door heen... Hij zag niets meer: het lichaam was er niet: er was niets dan de ondoordringbaarheid van de binnenaarde. Toen luisterde hij, schuin het hoofd, naar de klagelijke stem... Er was geen stem: er was het grote zwijgen van geheel het onderaardse... Er was niets meer: geen lichaam, geen stem... Hij zag om zich rond: om hem heen lag het opgewoelde zand, doelloos...
— O God... o God... o God!! riep Ernst.
Addy zag hem aan, heel rustig, en onder de blauwe sereniteit van die blik van meewarige studie, rilde Ernst. Toen ontspande hij zich en zijn lichaam scheen los te zakken ineen, als met een knak in het beenderenstelsel... Met zijn hand echter nog verzamelde hij wat zand, vulde zorgvuldig de kuil wat bij, zodat het vochtige zand blank was overpoeierd met droog zand... Toen strekte hij zich uit, lang, de benen recht, de armen onder het hoofd... Hij was heel moe, vooral in zijn hoofd... Hij had geen woord kunnen zeggen. En met een heel diepe zucht na, lag hij te staren, naar boven, naar de grote, ontzaglijke wolken. Ze dreven als bovenwereldlijk immens, heel, heel langzaam heen, voor zijn naar boven zoekende blikken...
Toen sloot hij de ogen, als werd hij bang, als was het hem te groot, te ontzaglijk, te bovenwereldlijk. Een melancholie om kleinte duisterde in hem op als een binnennacht... En het was sterker dan hemzelf: dichte ogen, schokte een snik hem, en lag hij te wenen nu — altijd gestrekt, altijd de ogen dicht... Een lange traan liep over zijn wang...
Addy steeds zag hem aan... Nu stond hij op, naderde, en streek langzaam over de verwarde lange zwarte haren van Ernst...
En Ernst, even, hief de oogleden, zag hem, gebogen over zich, aan: zwarte in blauwe ogen... Toen sloot hij de zijne weer, ademde diep, liet zich strelen de haren. De lange tranen liepen...
Het was niet nodig, dacht Addy, tot de moede man te spreken... De hallucinatie, nu, was geweken; een doodmoeheid moest hem doorvloeien. Om beiden, man en jongen, dreef de zomermorgen, suizend van zwoele geluiden... Boven, eeuwig,<noinclude></noinclude>
mro6qhjv3ouw0mwowr6zu829vii0eel
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/446
104
68503
222185
188403
2026-05-31T13:15:17Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222185
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><section begin="s1"/>oneindig, dreven, heel langzaam nog, wolken, wolken na wolken, altijd, altijd door...
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''VII'''}}}}
Toen werd het heel, heel kalm. De moede man was ingesluimerd; het was of zijn anders zenuw-krampende ledematen zich hadden ontspannen, en los-slap geknakt lagen, de magere benen in de plooierig wijde, broek, de borst ingezonken onder het verkreukeld bonte hemd; de smalle schouders, de dunne armen in de jas, die moe plooide, lang gedragen. En de trekken van het gezicht hingen ook neer, nu de zenuwen waren tot rust gekomen; zij hingen als van een oude man: vreemde rimpels groefden het voorhoofd, en etsten onder de ogen, en etsten om de neus en de mond; om de lange kin stoppelde het dunne baardje, en ook het haar stoppelde dun, kalende achter de oren. En Addy zag naar de handen: lange, magere vingers, die alleen nog de zenuwtrilling behouden hadden, zo licht, als liepen er huiveringen onder het vel, over de aderen... De jongen zag nieuwsgierig naar de handen, altijd in handen stellend belang, studerende de mens uit zijn handen, meer uit handen dan uit iets anders: waarom precies wist hij niet en kon hij zich niet analyseren. En in de lange, magere handen zag hij nu niet alleen iets van machteloos reiken naar kunst, maar ook iets zekerders van grijpen naar boeken, en ze omslaan blad voor blad: in de lange, magere handen zag hij een beving van medelijden om de spitse toppen, die niet als aanraken durfden, en hem troffen die toppen vooral met de korte nagels, maar toch nagels van ras, om de langwerpige schulpevorm, om het maantje, dat er onder sikkelde; — alleen afgebeten waren de nagels, als in vlagen van zenuwlijden... Toen, werktuigelijk, als hij altijd deed, wanneer hij handen studeerde, zag hij naar zijn eigene — die van zijn vader, maar nog jongenshanden, al vermannelijkten zij zich al, breed en kort, blank en sterk, als met een korte, voorzichtige greep: de nagels beet hij niet meer af, maar hij sneed ze met zijn pennemes vlug weg, zodra zij hem hinderden. En van de zijne weer keek hij naar die van zijn oom, Ernst, en hij dacht uit ze te lezen een ziel, vatbaar voor veel van kunst en gevoel; een ziel, wijd om veel op te nemen van al wat in boeken geschreven is; een ziel van eenzaamheid, van eenzaam leven, en van eenzaam weten en vooral van héel eenzaam gevoel, zo eenzaam en kruipende weg in zichzelf, dat zij er ziek van geworden was en had menen te zien en te horen in werkelijkheid de duizenden weerschijningen van alles wat ze gelezen in boeken, gezien had in kunst, en had gevoeld in het eenzame overgevoel...
De moede man, altijd, sliep... En Addy strekte zich langer uit, terwijl om hem heen de witte duinen wegdeinden in de <section end="s2"/><noinclude></noinclude>
1fbsoa481w98fimj5rvwyipq9vluf6r
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/447
104
68504
222186
188405
2026-05-31T13:15:38Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222186
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>hitte-trillende verzomering onder de bovenwereldlijk grote luchten... Het was in hem goed en zacht, met een streep van weemoed maar, heen door zijn peinzen, er zo doorheen getrokken, omdat de mensen en dingen zo waren... Het was in hem een zacht goed peinzen, in zijn meditatie een grijpen-willen, als met de korte, voorzichtige greep van zijn eigen handen: de korte, voorzichtige greep — vast en toch zacht — waarmee hij het alles zou grijpen, in het wankel vlottende leven... met ernst, en met liefde, en vooral met heel heilig weten willen voor anderen en voor zich... En omdat hij gegrepen had, peinsde hij niet meer, maar hij dacht, en hij bedacht hoè het aan zijn ouders te zeggen dat wat hij nu al zo heel goed wist voor zich... Met zoveel ernstige liefde had hij hen lief gehad van klein kind af, dat hij hen heel goed begreep, zij beiden: dat hij hen kende, als kennen maar mogelijk is, de ene mens de andere... Zijn vader, jong gebleven altijd; trots wat hij de verknoeiing van zijn leven noemde, trots wat hem wel een groot verdriet was geweest, de laatste tijd... Zijn moeder, ouder geworden, maar ernstiger, en, als zij met hem, Addy, sprak, de laatste tijd, een blik op allerlei dingen, die hij vroeger meende, dat... Of was het omdat hijzelf werd ouder en meer begreep, en meer inzag, diepten van het diepe leven in? Was mama zo altijd geweest? Waren zijn kinderherinneringen onzuiver en was zij altijd geweest die ernstige vrouw van nu... Neen, dat kón niet, meende hij, maar dat was toch meer intuïtief voelen, dan zich zeker en onbetwijfelbaar verklaren kunnen... En nu dacht hij — hij had het zichzelf bekend — voor zover zijn liefde sterker sprak voor de een dan voor de ander, sprak ze voor zijn vader sterker — hoe gaarne hij ook had gewild, dat ze voor beiden even sterk gesproken had... Toch, nu, zou hij niet met zijn vader spreken: nu zou hij spreken met zijn moeder... Zij zou hem eerder begrijpen, dan papa, en wat hij haar mee zou delen, zou papa meer verdriet doen dan mama... Met mama het eerst zou hij spreken... Wel scheen het hem moeilijk toe, te spreken daarover en bij hen een gedachte te vernietigen, een verwachting — een hoop die zij altijd gekoesterd hadden. Maar toch was zijn idee uit het diepst van hemzelf zo krachtig opgeschoten, dat hij begreep niet anders te kunnen... Te zullen moeten spreken en hun te zeggen, wat hij had besloten, voor zijn leven, waarvan hij iedere dag meer en meer de ondoordringbare toekomsten als met wijde deuren zag opensluiten, zodat hij zàg hoe het zijn zou, en waarheen het gaan zou, heel ver...
Hij zou het haar zeggen, die middag, aan zijn moeder het eerst... En terwijl hij dit besloot, voelde hij, dat het zijn zou een roeping, zo beslist van stem, als riep zij hem, met een gebaar van wenken tot haar, door de wijde deuren, die waren opengesloten. Wat zo beslist riep, zou hij antwoorden...
Maar Ernst bewoog, werd wakker.<noinclude></noinclude>
aybj1fjapoxla06zy7zti5yjgpldkrb
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/448
104
68505
222187
188406
2026-05-31T13:15:56Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222187
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Ben je uitgerust, oom?
Ernst knikte weemoedig van ja.
— Willen we dan niet wat lopen? Anders is de dokter niet tevreden, oom.
Zij stonden op, en liepen voort, de duinen op, af, op, af, zwijgend. Ernst was heel somber en eindelijk zei hij:
— Zie je, het is me te zwaar jullie allen... jullie allen te helpen... Zie je, jullie zijn zo velen, dat ik je niet alleen beschermen kan... hoe gaarne ik het ook al zou willen. Ook moet je niet vergeten, dat het al van duizenden krioelt om me heen... Die zijn wel niet levend meer... maar die voelen toch... Dat zijn de zielen... Die laten me nooit met rust... En nu nog te zorgen voor jullie allen, die leven... het wordt me te zwaar, het wordt me te zwaar soms... Daar heb je mama, arme vrouw... De hele wereld is achter haar aan, en als ik er niet telkens voor zorgde, dan zouden ze haar verstoppen, begraven... Dan heb ik te zorgen voor papa en voor jou, voor oom Gerrit, voor oom Paul en voor wie al meer niet... Ik moet voor jullie allen zorgen... Jullie zien nooit en weten niets, jullie leven in een droom, jullie lopen blind... in je aller verderf... Als ik er niet was... wie zou voor jullie zorgen! Als ik morgen dood ga, wie zorgt er dan voor jullie...! Als ik er over tobde en niet rustig mijn plicht deed, dan werd ik gèk met er aan te denken... En nooit blijven jullie om mij heen... Altijd dwarrelen jullie rond, en zijn de ellendelingen achter jullie, om je te verstoppen en te begraven... Hadden ze verleden niet oom Gerrit beet, in kettings, onder mijn kamer... Ik heb hem de hele nacht gehoord, en ik heb hem niet kunnen verlossen... voor... voor...
Hij zocht, streek met de hand over zijn haar, zei meewarig:
— Addy, beste jongen, je moet niet meer bij me komen... Heus, oom is in een gemeen huis. Het is een gemeen huis bij die dokter... Er gebeuren verschrikkelijke dingen 's nachts... Je bent te jong, Addy, om in zo een gemeen huis te komen... Beloof me, dat je er niet meer komt...
— Oom, het is bij de dokter geen gemeen huis...
— Wil je weer beter weten? Je bent jong en je weet niet en ziet niet... Er gebeuren 's nachts schandalen, schandalen, in alle kamers... Ik zal mama zeggen, dat ze je weg brengt: ik kàn niet voor jullie allen zorgen...
— Oom, u moest nu eens niet denken aan al die dingen, en genieten van te wandelen, van de lucht, van de bossen, de duinen, de wolken...
— Ja, dat zeg je, niet denken... en genieten... genieten...
— Van de natuur...
— Van de natuur...
Zijn zwarte dwaalogen ontmoetten Addy's klare blik. En plotseling hield hij stil, zei:<noinclude></noinclude>
t1bm58ppu0fe3wqzmd8do08m89fvpxm
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/449
104
68506
222188
188407
2026-05-31T13:16:25Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222188
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Zeg, in mijn kamer, op de Nieuwe Uitleg... laten ze ze daar met rust?
— Oom... er is daar niets en voor al uw boeken en porcelein wordt gezorgd...
— Er is daar niets?
— Neen, oom, niet wat u denkt.
— En in het huis bij de dokter?
— Ook niet oom...
— Hier, hier om ons?
— Er is niets oom...
— Dus wat ik hoor...
— Dat is een zinsbegoocheling, oom.
— Wat ik zie ...
— Ook.
— Waarom zeg je dat?
— Omdat het de waarheid is, oom.
— Hoe weet jij de waarheid?
— Door mijn zinnen, oom. Door mijn verstand.
— Zijn die gezond? En onfeilbaar?
— Misschien niet onfeilbaar, maar gezond. En de uwe zijn ziek.
— Zijn de mijne ziek?
— Ja, oom.
— Mijn zinnen?
— Ja. En uw verstand ook.
— Dat weet jij?
— Ja, dat weet ik. Zeker.
Het was als twijfelde de zieke éen ogenblik aan zichzelf, terwijl hij lezen bleef een vreemde klaarheid in de vast blauwe blik van de jongen. Maar er was een machteloosheid in hem, of een onwil, een zekere grens te overschrijden, die in zijn zieke geest was als een pijnlijke streep, een smartelijke horizon, te dicht bij, en perspectiefloos en waarachter zwom geen licht en geen duister, maar vaagte.
— En dit dan? vroeg hij, en wees met zijn stok op het duin.
— Wat, oom?
— Dit, dit onder ons... Dat steunen, dat klagen, dat smeken om hulp!!
Hij gooide zich plat in het zand: hij groef als een razende.
— Ja! riep hij. Wacht! Wacht dan! Ik kom, ik kom!!!
En met zijn handen, als een dier, stoof hij het zand om zich rond.
— O! dacht Addy. Als hij nog éen poging verder deed, om ineens te voelen, te zien, te horen, dat hij droomde... dat hij droomde...! O, hem te genezen.. hem te zien genezen... ineens, als met een helderheid in zijn ogen... als met een klaarte op zijn voorhoofd...!
Toen legde hij op Ernsts schouder zijn hand... De zieke zag op, zag hem aan... De zieke stond op, liep voort...
— Kom mee, wenkte hij Addy.<noinclude></noinclude>
l5w7e0onmfpzg2wqb18pmh2i8cdqxwx
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/450
104
68507
222189
188415
2026-05-31T13:16:49Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222189
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
{{c|{{larger|'''VIII'''}}}}
Die avond, in de laan voor het kleine hôtel, wandelde Addy, de arm in de arm van zijn moeder. De schaduwduisteringen pakten om hen heen, schel doorgloeid door de lantaren voor het huis.
— Mamaatje, ik moet eens met je spreken...
Zij gingen langzaam op en neer en de druk van zijn hand nu drong haar zachtjes vooruit, de duisteringen van schaduw door, uit de grelle gloed van het lantarenoog, en de weg op verder, waar, onder de grote starreluchten, de weilanden heel ver weg vluchtten naar de avondstreep heen van de horizon.
— En waarover, mijn jongen ...
Wat was hij oud voor zijn jaren, en ernstig! Zij voelde zijn hand op haar arm zwaar liggen als de hand van een man; zij hoorde zijn stem vol geluid, diep, een beetje liefkozender nu dan anders, klinken aan haar oor. Hij was nog een jongen, een gymnasiast, maar dat was om zijn jaren: om zijn ziel voelde zij hem een man en haar grote zoon, en, maakte het haar heel oud, het maakte haar ook heel gelukkig, rustig en veilig in zijn bezit — zolang zij hem nog niet had verloren... En nu, waarover wilde hij haar spreken? Want hij sprak nog niet, liep door, zwijgend... En vlug, nieuwsgierig, raadde zij wat het toch zijn kon, dat hij haar met die plotseling liefkozende stem wilde mededelen... wilde verkrijgen van haar... Want zij voelde in hem iets, dat hij haar vragen zou, een gunst bijna, een geschenk... Omdat hij zo leunde op haar, voelde zij, dat hij een zwaarte in zich had, een gedachte van zwaarte, die hij haar zeggen ging, om het lichter te hebben... Wat kon hij hebben, wat zou het zijn... Het was toch geen geld; hij was zo verstandig... hij wist zo precies wat zij missen kon... Was hij verliefd: een jongensverliefdheid...? Ja, zij besloot, dat het dat was... Had zij niet altijd gezegd: als Addy verliefd wordt, is het voor altijd, en zij was een beetje bang geworden voor dat ernstige hart van haar grote zoon...
— Wat is er dan? vroeg zij en zij voegde er aan toe, wat schertsend:
— Ben je verliefd?
Hij lachte even.
— Neen. Ik ben niet verliefd. Maar toch wil ik je iets heel ernstigs zeggen. Iets, dat je misschien verdriet zal doen, omdat je het altijd anders gedacht had...
— En wat is dat dan, Addy, zei zij, een beetje bang en tevergeefs zoekende.
— Het is dit, mama, zei hij kalm en heel rustig. Ik kan niet in de diplomatie gaan, — omdat ik dokter wil worden.
Zij zweeg, liep door, zijn arm op de hare en het was of grote,<noinclude></noinclude>
a1x0xvctu3qaimaz3b1ddoobsjf2bwm
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/451
104
68508
222190
188410
2026-05-31T13:17:05Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222190
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>nieuwe dingen plotseling voor haar openweken. Neen... zij had nooit gedacht, dat hij haar over carrière spreken zou. Het was altijd zo vastgesteld, van den beginne af, van zijn kinderjaren af — dat haar zoon vervolgen zou het leven en de loopbaan, die zij voor zijn vader geknakt had. Het was haar altijd geweest enigszins een vaag idee van vergoeding, die Addy, haar zoon, terug zou betalen haar man en zijn vader. Zij had nooit anders gedacht of zó zou het worden... Het kon, hij droeg een naam, geld zou hij later hebben, en eenmaal in die loopbaan, die zij altijd zo hoog en zo eervol en zo schitterend hadden gesteld — de hoogste, de eervolste, de schitterendste loopbaan in hun kringen — zou hij zijn vader troosten voor de verknoeiing van diens eigen carrière, en hij zou iets van rehabilitatie oproepen voor zijn moeder... Bijna onbewust had zij het zo, altijd, gedacht. En daarbij was dan nog in haar de atoom van ijdelheid, wel sluimerend, de laatste tijd, maar toch onuitroeibare kiem eeuwig: de ijdelheid in haar bloed — de ijdelheid, dat haar zoon die hoogste, eervolste, schitterendste loopbaan zou gaan. Nu woelde, warrelde het voor haar uit... een schrik, een verwondering, een teleurstelling... alles heel snel door elkaar; een plotse opwelling hem te zeggen van neen, van neen en dat het onmogelijk was, dat het papa te veel verdriet zou doen, haarzelf, oude arme grootmama, zijn grootouders zeer zeker ook, — en als hij bleef volhouden, hoog hem zeggen, bevelen bijna, dat het niet kon — dat het niet kon... Maar zij zeide nog niets en ook hij zeide niets, en zij liepen verder door, het grauwe lint af van de weg, die voortschoot tussen de links en rechts naar de avondstreep van de horizon wegvliedende weilanden, onder de grote starreluchten... Hij zei niets, al had hij, eenvoudig en rustig, haar alles al gezegd. En zij voelde te veel haar warreling van schrik, verwondering, teleurstelling...
— Doet het je verdriet, mama? vroeg hij eindelijk.
— Het overvalt me, Addy... Ik had dat zo nooit gedacht...
— Kan je het niet in mij begrijpen...
— Begrijpen... ik weet niet, Addy. Wij hadden altijd gedacht...
— Ja, ik weet het: u heeft... papa en u... u heeft het altijd anders gedacht. Ik begrijp, dat ik u verdriet moet doen, en dat het een teleurstelling voor u is...
— Je moet maar eens spreken, met papa...
— Neen, zei hij rustig, kalm. Ik wil eerst spreken met u, mama. U weet, hoe ik hou van mijn vader, hoe hij is als een kameraad, als een vriend. Maar ik kan niet het éerst met hem spreken, omdat hij niet begrijpen zou. En ik wil het eerst met u spreken, mama, omdat u begrijpen zal.
Er was een dankbare vleiing voor haar ijdelheid in zijn woorden, maar ook iets intensers, nog haar niet dadelijk duidelijk<noinclude></noinclude>
hjhglwa2535ge28jyi0xnoh37gzvcw2
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/452
104
68509
222191
188411
2026-05-31T13:17:22Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222191
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>— en het was omdat zij wist, dat hij zijn vader meer liefhad dan haar, en toch met haar het eerst wilde spreken...
— U zal het begrijpen, mama, als ik het u zeg. Ik voel niets geen roeping, om een carrière te volgen, waarin men zeker veel worden kan, als men zou behoren tot de vier, vijf grote mannen, die er in uitblinken... En dan nog... Al behoorde ik tot... tot die vier, vijf... al behoorde ik tot ze in talent, in genie — wat ik nooit doen zal — dan zou er nog iets in mij zijn, dat mij verhinderen zou mijn doel te vinden in een leven en een werkkring, die beide geheel in strijd zijn met mijn natuur... Ik zou er altijd, mama, te eenvoudig voor zijn en te natuurlijk, je Hollandse jongen...
Hij boog zich een beetje lachende naar haar over, en zij zag hem eensklaps, heel correct in een rok, tussen de jonge diplomaten, die zij zich herinnerde van vroeger, uit Rome... Neen, zó leek hij niet op zijn vader...
— Terwijl dat andere, dokter te zijn, dat voel ik, heel duidelijk, als het enige, dat mij roept en waarin ik goed zal zijn. Mag ik er eens over praten, hoe ik dat voel? Er is voor mij niets, dat me meer interesseert, dan de mens zelf... en hem te bestuderen, uiterlijk, innerlijk. Dat is voor mijn verstand. En dan, mama, is er ook een kwestie van gevoel. Er is niets, waarvoor ik zo voel, als voor een mens, die lijdt, lichamelijk, of moreel. Er is dan een natuurlijke drang in me, zo doodeenvoudig weg, als zitten of lopen of praten — om te helpen, zoveel ik kan. Zo voel ik het en zo heb ik het u gezegd. Met meer woorden kan ik het u niet zeggen. Het zouden, ongeveer, altijd dezelfde woorden zijn. Maar zo, als ik het u zeg, heb ik hoop, dat u het begrijpt, en het meevoelt met mij, mama. En dan, moedertje... is er nog iets, en dat ik bijna niet durf zeggen, omdat je misschien zal denken, dat ik het me verbeeld...
— Zeg het, mijn jongen.
— Het is dit, mama; ik voel in mij een kracht om te genezen... En ik voel, dat die kracht groeit.
Zijn grote ernst verschrikte haar
— Maar dit, mama, zeg ik alleen aan u, en wil ik aan niemand anders zeggen... Ook niet aan papa, omdat ik voel, dat hij het niet zou begrijpen. Ik zeg het alleen aan u, en ik zal het nooit aan iemand meer zeggen... Ik zeg het aan u als een rechtvaardiging voor wat ik doen zal... En is het niet, wordt het niet als ik denk, dan zal u mij vergeven, niet waar, want ik ben nu te goeder trouw.
— Mijn kind...
— Wie zal mij zeker zeggen, dat ik mij niet vergis, mama en dat ik het nu niet heilig, heilig weet, voor mij... Het is iets heel huiverigs het heilig te weten, voor zich... Ik zou bijna zeggen: het heilig te weten voor anderen... is niet zo huiverig als het te doen voor zich ... Maar toch... dit...<noinclude></noinclude>
hnar9lg4jdrkherup9f7b3mf4bci6ug
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/453
104
68510
222192
188412
2026-05-31T13:17:37Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222192
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>mijn roeping... die voel ik... Wie zal mij tegenspreken, wat ik zo duidelijk in mij voel, ook al ben ik soms verbaasd om mijn eigen waarneming... Ik weet het, mama, mijn woorden klinken vreemd en ze zijn zeker niet van een jongen van mijn jaren... Maar dat komt, omdat ik van het allergeheimste van mij tot u laat spreken, in een grote, grote vertrouwelijkheid... Het is nu zo stil en zo kalm hier, mama, in de avond, en de sterren zien er zo helder uit alsof zij alles heel zeker weten... Ik, ik weet niet zeker... ik voel alleen... en ik verlang. En ik laat dat allergeheimste maar vrij en vertrouwelijk tot u spreken... om u vooral geen verdriet te laten hebben.
Een zachte ontroering kwam in haar op.
— Mijn kind, ik heb geen verdriet.
— Wat ik u zeg... is u een teleurstelling.
— Een teleurstelling... is het een teleurstelling? Ik geloof dat nu niet, mijn kind. Nu al niet meer... Na de eerste schok, die je woorden me hebben gegeven. Nu al niet meer. Als er iets duidelijk in je is, dat je voelt en dat je roept... o waarom zou je het dan niet volgen... In hoe weinigen van ons is er zo iets duidelijk... Laten wij hier gaan zitten, op die zandplek, onder die bomen... In hoe weinigen is er iets duidelijk... Was er in mij niet alles vaag... tot heel laat toe, mijn kind... Hangen wij niet allen aan kleine dingen... aan kleine belangen... voor onszelf, of die zo klein om ons zijn... Herinner je je nog goed... onze vriend voor wie mama veel gevoeld heeft... Het was in hem niet duidelijk... Kind, als het duidelijk in je is... nu al... en als je al bijna zeker bent, dat je je niet vergist... volg dan wat je roept... Niemand heeft recht je tegen te houden... En waarom zou ik je tegenhouden... Om kleine redenen, kind, terwijl misschien veel grotere dingen je drijven... Om kleine redenen... om iets van ijdelheid misschien... Ach zie je, kind, ik ben klein... Ik hàd het gaarne gezien... jou, mijn jongen, in die andere werkkring... Papa zou er om voldaan zijn... en je moeder zou je misschien iets geven van vroeger terug... begrijp je... Ik zou niet eerlijk zijn als ik je niet bekende, dat ik het gaarne zo gezien had... Maar dat komt, omdat ik nog aan hele kleine dingen hang... terwijl grotere dingen je drijven... En àls dat dan zo is, mijn kind... dan ben ik trots op je... trots op je... Zie je, er is altijd dàt in je moeder, mijn jongen: haar kiem van ijdelheid... Ze is zo blij, dat jij haar ijdelheid niet erfde... Dat ze je misschien andere dingen gaf... iets heel weinig, maar wel haar beste... die in jou heel groot zullen uitgroeien... Een atoom, die in jou een wereld wordt... Neen, een teleurstelling is het niet meer...
— Zie je, mama, ik voel het zo duidelijk als ik met oom Ernst samen ben... Niet, dat ik al iets kan, maar wel, dat ik iets zal kunnen... Later... Ik voel, dat als hij een millimeter tot mij ging... en ik de kracht had nog een millimeter tot hem<noinclude></noinclude>
ndwli0e32a5caxj60n0ngbsfod7nupr
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/454
104
68511
222193
188414
2026-05-31T13:17:54Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222193
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><section begin="s1"/>te gaan... wij elkander genaderd zouden hebben, hij mij, en ik hem... Nu gebeurt dat niet, maar hoe duidelijk voel ik niet, dat ik in hem iets zoek, — de geheime plek, van waar ik hem zou kunnen genezen, als... als ik ouder, verder en sterker was...
Maar hij trok zich terug in zichzelf...
— Misschien is het beter, dat ik het niet zeg...
— Waarom niet, mijn kind
— Zulke heel geheime dingen moet je niet zeggen... Maar ik wil helemaal vertrouwelijk met je zijn...
— En je bent het geweest... Dwing niet je woorden, als ze niet komen... Zeg ze kalm, als ze bij je opwellen... Mama zal proberen je te begrijpen... Mama begrijpt je...
— En je vergeeft me... de deceptie...
— Die is er niet meer...
— Wat is er dan...
— Een grote kalmte, mijn kind. Het zal héel goed worden, denk ik. Doe als je denkt, ga tot wat je roept.
Zij leunde tegen hem aan, legde haar hoofd op zijn schouder. Hij kuste haar. Een stroom van weldadigheid scheen te zaligen door haar heen.
— Hij weet het nu, voor zich, dacht zij, opziende naar de welwetende sterren. Hij weet het... heilig, heilig. O God, laat hij het... altijd... heilig voor zich weten...!!
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''IX'''}}}}
De oude mevrouw Van Lowe had te Nunspeet voor enkele weken een kleine villa gemeubileerd gehuurd en er zich geïnstalleerd met Adeline en haar blonde troepje. Zij had dicht bij Ernst willen zijn, en de doktoren hadden er niet op tegen gehad, dat zij te Nunspeet kwam, en zelfs, dat zij hem een enkele keer zag; er was van een isolatie-kuur geen sprake; integendeel was de zieke altijd te eenzaam steeds geweest en een sympathisch werken, tegen zijn mensenschuwte in, zou zelfs weldadig kunnen zijn.
Gerrit, een enkele keer, uit Den Haag, kwam over. Maar er was nauwlijks plaats voor hem in het kleine villaatje, dat de kinderen al helemaal met hun bedjes vulden, en ook deed het hem stil verdriet, dat Ernst van hem een afkeer had. En als hij terug was in Den Haag, alleen in zijn huis, peinsde hij erover, over hun verschil, en over hun overeenkomst: Ernst, behorende tot de donkere Van Lowe's — het bloed van papa; hij, als Constance, Paul, tot de blonde, het bloed van mama — hun ogen alle heel zwart of minstens donkerbruin, met die een beetje harde kralenblik. Maar wat hem heel zonderling werd, was, dat hij wel iets begreep, waarom Ernst zo was geworden — een beetje vreemd noemde hij het: niets meer — terwijl Ernst <section end="s2"/><noinclude></noinclude>
g1ssoi6ffn77iogm15tu9njzml9nwwx
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/455
104
68519
222194
188429
2026-05-31T13:18:08Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222194
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>klaarduidelijk niets van hemzelf zag, hem niet anders zag dan een natuur, geheel antipathiek aan de zijne: zeker zijn blonde spier— en schijnkracht, die antipathiek was aan Ernsts uitgezenuwde ziekelijkheid van schuwe man van eenzaam leven en eenzaam lezen... Maar zag wel iemand hem, Gerrit, werkelijk zoals hij was? En was het zo niet altijd geweest van kind, van jongen, van jonge man af... Het gaf hem een weemoedige veiligheid, dezer dagen, die hij eenzaam leefde; leven alleen gevuld door zijn dienst, nu hij was ritmeester van de week, nu hij al heel vroeg, van zes tot zeven, gedurende de staltijd toezag op het poetsen der paarden, het schoonmaken van de stallen, de paarden meer tellende nog dan de manschappen, en meer gevende, hij de huzaar, om een zuivere, frisse stal, met de zuivere, frisse paljas van strooi voor de beesten, dan of de chambrée wel in orde was... Waren de beesten dan gedrenkt en gevoerd, het uitrukken met zijn escadron — excercities, schijfschieten, of velddienst — na terugkomst, het rapport gehouden en de zaken afgedaan op het escadronsbureau... Zo was zijn morgen geheel gevuld, en hij dacht nauwlijks na, in de oefening van die plichtjes, die dierbaar hem waren, en de officieren van de week zagen hem als zij hem altijd zagen: de grote, blonde, sterke kerel, de Germaan, de beweging brusk, met de karwats tikkende tegen de rijlaarzen, de borst breed in de uniform, door de tressen rood gestriemd, zijn woord luid en brutaal, met een klank van goedigheid onder blague, zijn stap flink haastig als van handelende kracht ... Anders van hem zagen officieren noch manschappen, en hijzelf, gedurende die tijd, was die hij scheen, voor zichzelf ook... Maar dan at hij thuis, alleen nu, vlug zijn boterham, en bereed hij zijn tweede paard, voor hij 's avonds opnieuw naar de kazerne ging, om weer bij het voeren der paarden aanwezig te zijn. En het was gedurende die middagrust, dat hij meestal eenzame wegen zocht, waar hij geen kameraden ontmoette; het was gedurende die middagrust, dat de eenzaamheid geheel om hem heen was, en dat hij zichzelf anders zag en voelde, dan hij scheen voor wie ook die hem kende, — voor zichzelf zelfs ook anders... Hij zag zich terug, kleine jongen in Indië, spelen met zijn zuster, Constance in witte baadje, rode bloemen aan de slapen, op de grote stenen in de rivier achter het paleis te Buitenzorg... Er waren in die herinnering voor hem tederheden gebleven, die hem weemoedig maakten, waarom wist hij niet... Dan zag hij zich ouder, een paar jaren en verliefd, altijd verliefd, met de ernstige verliefdheden van Indische schooljongens voor meisjes van hun leeftijd, vroegrijpe nonna-nufjes, die al zo heel gauw weten, dat zij vrouw en bekoorlijk zijn voor de, onder de brandende zon, al zo heel gauw tot man rijpende jongens. Hij, hij was altijd verliefd geweest, soms verliefd met de poëzie van het sprookje, dat hem verhaalde zijn zusje Constance, maar meer nog verliefd met zijn gretige<noinclude></noinclude>
qm24spdtycwg2r3dhhpecb5y4g1jtks
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/456
104
68520
222195
188430
2026-05-31T13:18:25Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222195
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>mond en zijn gretige handen: verliefd met de gulzige zinnen van zijn groeiend en bloeiend lichaam, lichaam van schooljongen en jonge man tegelijk... O, hij lachte nu nog om de souvenirs, hij zag nu nog de school voor zich en, in het speeluur, het listige spieden tussen het riet aan de stoot naar de karretjes van de schoolmeisjes; de jonge nonna-vrouwtjes, die, in haar witte baadjes, uitgluurden tussen de zeildoeken van het wagentje; de jongens de zoen gegooid naar haar toe met trillende vingers, de meisjes terug de zoen gegooid naar de jongens-minnaars in het riet... En de afspraakjes, in de grote, donkere tuinen; het branden en gloeien op de kinderborst, o hij herinnerde het zich alles... en hij zag, als hij eenzaam reed, hoewel hij nu lachte met de lach van zijn leeftijd — al de meisjes voor zich, op wie hij verliefd was geweest, hij schooljongen, te Buitenzorg...
Een mooi fijn bleek blond meisje, maar daarna al heel gauw de purperen lachlippen van een kind, dat — dertien jaren — al vrouw was, met haar rijpe buste en haar dolle zwarte kroeshaar — en daarna verliefdheid op verliefdheid... Ook herinnerde hij zich in de bergen, op een koffieland, de jonge vrouw van maar even twintig, die hem, jongen van vijftien, in haar armen had genomen, en haar omhelzing niet had gestaakt voor hij man was... Zij had het hem geleerd, het geheim, dat broeide in zijn bloed, dat klopte in zijn aderen, dat bloosde naar zijn wangen, en dat hem de adem benam, zodra hij naderde wat vrouw was: het geheim, dat de jongen wel wist van weten, maar niet van ondervinding. En sedert zij het hem geleerd had, was in hem geweest als een gezonde hysterie, als een grote zinnelijkheid, een grote lijfslust van zijn opkrachtende lichaam; een overmate van krachtigheid, die zich verspillen moest; hij naderde geen vrouw meer, of het was vlug de snelle opname, van haar armen, haar wieggang, haar buste, haar blikken en lachen; als hij haar op straat voorbij ging, even het vlugge omkijken en de gehele silhouet als lichtbeeld gedrukt in zijn zinnelijk verbeelden, tot de volgende vrouw, ontmoet, het vervaagde met haàr laatste afdruk. En, jonge man in Holland, kadet te Breda, had de lustbehoefte zich zo ontwikkeld, dat zij geweest was als eén grote obsessie, of het een dorst was onlesbaar, voor zijn jonge broeiende mannezinnen; jong officier, was het daarna geweest de ene vlugge lustliefde na de andere, het lachende genot genomen met al de zorgeloosheid van een jonge overwinnaar. Zijn sterk gestel, een plegen van hygiëne, had hem straffeloos zo kunnen doen overwinnen, jaren lang, maar toch, toen was het al dikwijls bij hem geweest een zo plotse neerslag in stil geheime moedeloosheid, als werd het alles zwart voor hem, nodeloos, nutteloos en dreigend somber. Niemand van zijn kameraden, die het zag; niemand van broers of zusters. Vertoonde hij zich dezelfde dag, hij was de brusk joviale officier, groot, blond, breed, luidruchtig, de blague in de stem, de vrouwenwaardering in zijn<noinclude></noinclude>
lqf9si71nf2h67blkh1c9y83fs3y8fy
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/457
104
68521
222196
188431
2026-05-31T13:18:37Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222196
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>bruine, zoekende ogen op en neergaande, en doende de opname in een moment. Maar, geheim, was er in hem een zo grote ontevredenheid om zichzelf, dat hij dacht, zodra hij alleen was:
— O God, wat een beroerd, misselijk leven...
Dan gooide hij zich neer op een divan onder de panoplie van zijn wapens, en bedacht of het nu was omdat hij gisteren had champagne gedronken, of dat het was om iets anders... iets anders... vreemde ontevredenheid. Hij wist het niet, maar hij besloot, praktisch, dat hij niet tegen champagne kon en dat verdomde schuim niet meer zou drinken. En ook helemaal niet veel zou drinken, geen bier, geen borrel, want het steeg hem, dadelijk, als met een golf van bloed naar zijn slapen en klopte daar, dol. En zo was het een geheime matigheid, waarover hij nooit sprak, en die hij zo listig berekende, dat zijn vrienden wel wisten, dat hij geen groot drinker was, maar niet wisten, dat hij in het geheel niet kon een borrel verdragen. Soms, ging het woest toe, liet hij zich inschenken, gooide het glas uit onder tafel, of brak het opzettelijk, gooide het om. Dat smerige drinken maakte hem dol; dat andere, integendeel, maakte hem kalm, koel, helder in zijn bloed en in zijn hersenen. Na het drinken vooral voelde hij zich moedeloos, na dat andere voelde hij zich, of hij weer een nieuw leven begon. Zo was hij als jong officier, zo was hij jaren lang in Deventer, Venlo, Den Haag, en zijn plotse ruwe opwellingen — meer van drieste vrolijkheid dan van drift — hadden hem die naam van bruut gegeven: een ruit, ingestompt zonder de minste aanleiding; een twist met een vriend, zonder aanleiding: een duel geprovoceerd, om niets, en dan bijgelegd met heel veel moeite, door de kameraden: een behoefte om soms als een dolle te gaan door huizen en mensen, en er te vernielen en stuk te slaan, meer uit brute opwelling van zich-laten-gaan en vrolijkheid, dan van drift. Was hij driftig, dan zag hij zichzelf in zijn drift: iets van goedigheid weerhield hem werkelijk driftig te worden: alleen zijn dolheid kon hem ver doen gaan, zich laten meeslepen door een vreemde dronkenschap: die zelfde dronkenschap, die hij voelde te paard, als hij meedeed in een gentlemenrace... Iets om maar te razen, te razen, en ver te gaan, en wat onder hem was te vertrappen, niet uit kwaadheid, maar uit dolheid. Ook dat koelde hem, maakt hem kalm en helder; het was alleen dat beroerde drinken: dàt, dat maakte hem dol. Maar wat ouder, werd hij wat kalmer, stilde zijn lijfslust zich zo, dat hem voldeed een kalme betrekking, met een vrouwtje, dat hij geregeld opzocht; en plotseling, in zijn geheime buien van somberheid en zwart, was het tot hem gekomen, dat hij trouwen moest, dat het dat beroerde alleen-op-kamers-wonen was, dat hem zo ontevreden deed zijn met zijn leven, stil voor zichzelf om de kameraden niet te laten merken vreemde dingen, die zij gek zouden vinden, en waarover ook hij, eigenlijk, zich schaamde.<noinclude></noinclude>
gn1cosd3cj07pr9izmyj2if8k7q7lk1
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/458
104
68522
222197
188432
2026-05-31T13:18:53Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222197
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>En als hij dan stil lag, onder de panoplie, dacht hij: ja, trouwen, een lief vrouwtje, en dan kinderen, veel kinderen... je niet zo verspillen voor niets, maar kinderen... God, God, wat was dat lief... een troep kinderen zo om je heen... Wat goedig in hem was, en vriendelijk, en zelfs heel diep poëtisch, zelfs héel diep sentimenteel, deed hem dan dwepen, onder de panoplie, de grote sterke kerel, onder wie kraakte de divan; ja, een lief vrouwtje... en kindertjes, veel kindertjes... God, God, wat is dat lief! Een hele troep: niet twee of drie, maar een troep, een troèp... hij glimlachte er om: het was na zijn woelige jonge jaren een prettig perspectief: een aardig huisje, een interieur, een lief vrouwtje, kinderen... Hij had er met zijn moeder over gesproken en zij, ze was verrukt, omdat zij al lang had gevonden, dat hij had moeten trouwen... Hij was nu al midden dertig; ja, heus, trouwen was goed... En zij had met hem gezocht, en zij had Adeline voor hem gevonden: een goede familie van Franse origine — relaties in Indië, wat altijd sympathiek was — geen geld, maar de Van Lowe's zagen nooit op geld, ook al hadden zij het zelf niet zo heel veel, betrekkelijk, in een lachende minachting voor het slijk der aarde, dat zij toch maar heel goed gebruiken konden; een lief meisje, Adeline, jong — zij scheelde met haar man dertien jaren — blond en placide, een moedertje al als meisje... En Gerrit, hoewel vlug voor hem andere vrouwen, andere meisjes waren voor zijn oog gegaan, had gevonden: nu ja, wel wat een doezeltje, maar voor je vrouw wil je een ander type dan voor je maîtresse, en ze was toch molligjes en rondjes, zo een rond balletje al als meisje, gezellig om te knuffelen, al was ze wat klein en al miste haar figuur sterk de lijnen, die hem troebleerden in zijn bloed. Verliefd was hij geen ogenblik op Adeline geworden, maar hij had in haar juist gezien: zijn vrouw en de moeder van zijn kinderen; het troepje, waarnaar hij verlangde, omdat het zo jammer was, gemeen bijna, je zo te verspillen voor niets, vooral als je wat ouder en kalmer werd... Hij zou een gezond vrouwtje hebben in Adeline; hij zou van haar een gezond troepje hebben... Zij, placide, ze had hem lief gekregen, eenvoudig-weg, omdat hij groot en mooi was, en omdat hij haar — een meisje zonder geld — een eenvoudige positie bood. En zij waren getrouwd en zij woonden nog altijd in hetzelfde huisje, niet groot, maar toch ruim genoeg, om, wat Gerrit dadelijk voorzien had, de ene wereldburger na de andere te bergen.
Nu vond hij het beroerd alleen te zijn, en toen mama Adeline en de kinderen had geïnviteerd in de kleine villa te Nunspeet, had hij gebromd, dat ze hem alleen lieten, maar hij had toegegeven: een paar weken buitenleven zou gezond voor de vrouw en de kinderen zijn, en een enkele Zondag wipte hij over naar Nunspeet. Maar de eenzaamheid deed hem niet goed en zijn plotseling uitgestorven huis deed een stille somberheid op hem<noinclude></noinclude>
ja1kzd9m346aphdo3dejs6kazzoqu7j
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/459
104
68523
222198
188433
2026-05-31T13:19:24Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222198
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>drukken, zo zwaar, dat hij ze maar niet van zich af kon gooien; een beroerd zwaar gewicht, dat drukte op zijn keel... Daarbij kwam, dat, om niet 's avonds alleen te zijn, hij zich door de kameraden, aan wier tafel hij dezer dagen meedineerde, verleiden liet mee te gaan... een borrel met hen te drinken in de Witte... en het waren die verdomde borrels, die hem knakten, hem eenvoudig knakten... Niet later dan eén uur kwam hij thuis, maar hij voelde zich na de borrel, alsof hij een orgie had mee gevierd, — hij kon niet slapen — sliep hij eindelijk in, dan werd hij telkens wakker, zijn hart klopte als dol op naar zijn slapen, hij draaide zich om en draaide zich om, hij waste zijn gezicht en zijn polsen, hij legde zich neer, nam eindelijk helemaal een douche, maakte zich dan klein in zijn bed, de knieën als een kind opgetrokken; hij stopte de dekens in zijn oren, hij verstopte zijn horloge, dat tikte, om het niet op zijn gehoorvlies al luider en luider hameren te horen, en sliep hij eindelijk in, dan ontwaakte hij in de vroege morgen; en gehele landschappen van nevelige bergen drukten op zijn hersenen, als was zijn arme kop, de kop van een Atlas, die hield de aardbol op zijn nek: het waren tergend langzaam rollende rotslawines, die brokkelden langs zijn ruggegraat, en, de benen wijd-uit in zijn bed, voelde hij zich zo door die wakende nachtmerrie neergedrukt, als zou hij tot opstaan geen beweging doen kunnen, als zou hij zijn pink niet verroeren kunnen. Dan, eindelijk, kreunende, stond hij op en al vloekende: verdomde borrel, verdomde borrel, nam hij zijn bad, werkte met zijn halters, vol bewondering en verwondering om zijn machtige armen en denkende naïef: als hij zo sterk was van spieren, waarom kón hij dan niet tegen een borrel... Hij zag naar zijn armen dan met de glimlachende ijdelheid van een vrouw op haar mooie vormen, en hoewel zijn oogleden nog zwaar rond hingen, te moe om op te plooien, week onder het water en de beweging de wakende nachtmerrie weg, en stegen de nevelige bergen al hoger en hoger op in verdwijnende verijling en de rotslawine prikkelde nog maar heel even met een laatste gruizelregen zijn rug. Dan was hij wel weer de oude; zijn ordonnans wachtte hem vóor de deur met zijn paard; in de kazerne was hij de vlijtige ritmeester, die zorgvuldig zijn dienst verrichtte; niemand van de officieren, die iets aan hem zag...
Maar niettegenstaande zijn kameraden was een eenzaamheid om hem en in hem; iets, dat hem drukte; iets, dat hem ontzette... Wat was het nu: was hij ziek of had hij het land? vroeg hij zich af. Bedonderd waren die stemmingen, die jezelf maar niet begreep. Was hij ziek, of had hij het land? Was het de worm, die wroette met poten in zijn body en opat zijn merg, of vond hij het heel beroerd, dat zijn vrouw en zijn kinderen weg waren... Het woelde bij hem dooreen: de beroerdheid en de worm... Soms werd het hem zo een obsessie, dat, op zijn middagrit, hij zijn<noinclude></noinclude>
tquk5gtebgpff4xg3r1ovbpkwmwsmbe
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/460
104
68524
222199
188434
2026-05-31T13:19:42Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222199
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>paard liet hollen in den wilde, en dat hij voor zijn ogen het wemelen zag in den blinde... Dan dacht hij aan Ernst, en hij had medelijden met de arme jongen! Wat was dat toch gek, ziekte van ziel, en zou hij... zou hij zelf niet ziek zijn... in zijn ziel...of minstens in zijn lichaam... Tegen wie hij die twijfel ook geopperd had, niemand, die hem zou hebben geloofd... Hij was uiterlijk zo een stevige kerel, zo een bruut... Als ze maar eens van binnen kijken konden ... De ellendige worm wroette de laatste dagen met poten, met duizenden poten rond in zijn body, liet hem maar niet met rust... Was het nu een raar gevoel... was het een zinsbegoocheling als de hallucinatie van Ernst... of zou het waarachtig een dier zijn... Neen, dat was te gek; een dier was het niet... Toch herinnerde hij zich verhalen van mensen, die altijd hoofdpijn hadden, hoofdpijn, die niets kon genezen, en na hun dood had men in hun hersenen een nest gevonden van oorwurmen, wriemelend... Verbeeld je, dat het een dier was! Maar het was geen dier, het was geen dier: hij noemde het alleen een worm, een duizendpoot, omdat dat tekende het beroerde gevoel... Zou hij eens gaan naar een dokter, een knappe professor in Amsterdam... Maar wat zou hij zeggen... Dokter, ik heb in mijn hody een gevoel als een wriemelende duizendpoot... En de dokter zou hem zich uitkleden laten en zijn body zien, nog jong, fris, niettegenstaande zijn vroegere zware leven, onderhouden de spieren, de gewrichten buigzaam, de borst breed, en de longen ruim, en hij zou hem aanzien en denken... hij zou denken... de professor... dat hij... dat hij gek was...! Hij zou informeren naar broers en zusters... en hij zou willen gaan naar Ernst... en allerlei geleerde gevolgtrekkingen zou hij maken, de knappe professor... Neen, hij vertikte het: hij ging niet naar een dokter; hij zou zich schamen te zeggen: professor, ik heb in mijn body een gevoel als een wriemelende duizendpoot... Hij zou zich schamen, hij zou zich schamen... Of zeggen: dokter, ik kan niet tegen een borrel... Nu, ritmeester, zou de dokter zeggen: dan moet je maar geen borrel drinken... Neen, wat zou het geven, een dokter, of zelfs een professor... Hij deed het niet, hij deed het niet... Het beste was maar matig te zijn; zeker, geen borrel te drinken... en dan flink te zijn tegen het verdomde gevoel in; kom, hij was toch geen meid! en er maar niet aan te denken, er maar niet aan te denken... Wat verstrooiing moest hij hebben: hij leefde dezer dagen zo eenzaam... En in die eenzaamheid — zonder zijn vrouw en zonder zijn kinderen — dacht hij in het diep sentimentele, dat zich verborg in zijn geheimste, aan het vriendelijk troostende, dat in familie zou zijn... De familie... Maar wat verspreidde ze zich! Het troepje van Bertha, geheel gespat uit elkaar... De anderen hield mama toch nog altijd tezamen en de Zondag-avond, dat was maar een goede instelling... van mama... Hij liep dus eens aan bij<noinclude></noinclude>
8npfcwm8orzn5a45yy44y28zzed78h3
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/461
104
68525
222200
188435
2026-05-31T13:20:13Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222200
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>Karel en Cateau, tegen etenstijd, hopende, dat zij hem vragen zouden, en dat hij nu eens niet altijd met de kameraden aan de officierstafel zou behoeven te eten... Maar zij vroegen hem niet, en bij zessen, bijna verlegen, hief Gerrit zijn grote lichaam zwaar op uit zijn stoel en hij ging naar de tafel, en de kameraden, en hij dacht, dat Karel en Cateau langzamerhand geheel en al vreemden waren geworden... En hoewel hij niet dweepte met Adolfine, deed hij laagheden, inviteerde zich er zelf en bleef er de avond hangen en hij moest zich bekennen, dat Adolfine, in haar eigen huis, waarachtig nog het beste was, en dat de avond nog zo heel ongezellig niet was voorbijgegaan. Constance was nu eens te Baarn, dan eens te Nunspeet; Van der Welcke was op reis — maar tante Ruyvenaer was in Den Haag — oom was naar Indië, — en tante Lot was toch maar altijd leuk:
— Ja... Herrit... Ghoede neus heb jij gehad om te komen, ja... Wij hebben nassi... Jij blijft eten, eenvoudigh maar, ja... Herrit.
Hij nam met dankbaarheid aan, voelde zich ineens warm gestreeld van binnen, waar eenzaamheid iets kouds in hem toevroor... Ja, hij bleef eten; hij hield van de Indische rijsttafel, zoals tante en Toetie die klaar maakten, en in stilte was hij blij, dat oom er van door was, want hij hield niet van oom. In het ruime huis van tante was een zekere leukheid, die hem heerlijk streelde en hem bijna week maakte, als dreef er een aroom van Java rond, dat hem herinnerde zijn kinderjaren... Het huis was vol Japans porcelein, er stonden opgezette paradijsvogels, er was onder een grote vierkante stolp een gehele passer — poppetjes als speelgoed: kleine warongs, kleine veestapels — er hingen Indische wapens; in tante's serre lagen matten op de grond, als in Indië — en Alima, al was ze Europees gekleed, vond Gerrit prettig te plagen, en hij betreurde het alleen, dat zij niet latta was, omdat hem dat herinnerde de latta meiden, die hij, kind in Indië plaagde:
— Boeang, baboe; baboe, boeang!
En uit het Japans porcelein, de paradijsvogels en de passer steeg altijd diezelfde aroom, door het hele huis dreef de aroom; iets van akar-wangi en sandelhout, en als tante rijsttafel maakte en Alima liep van de provisiekamer naar de keuken met een mand vol flessen met Indische kruiden, voelde Gerrit het water op zijn lippen komen:
— Tante, gaan we weer smullen!
— Allah dan toch, die Herrit! juichte tante Lot, ontzettend zwaar, met haar cascaderende boezem zonder corset, thuis; in de oren brillanten als kanjers; allah dan tóch, die Herrit, hij vermoordt zijn vader voor nassi!
En tante verheerlijkte: tante, bewegelijk geworden Hindoe-idool, liep van keuken naar kelder en provisie-kamer... Toetie<noinclude></noinclude>
5no1q8ufy5n68yx7157xu7aabew8yxt
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/462
104
68526
222201
188436
2026-05-31T13:20:37Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222201
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>liep ook... Alima ook... De aromatische walm vulde het huis... Er zou zijn petis, zwart en geurig en prikkelend... o, alleen rijst met een droog visje, en petis! dweepte Gerrit en tante lachte zich tranen, blij gelukkig, omdat Gerrit van nassi hield... Maar er zou ook kroepoek zijn, goud greinig: de gedroogde vis, die bij het bakken opzwol tot brosse schulpen: schulpen, die kraakten in de ze brekende vingers en tussen de ze knarsende tanden; en dan zou er zijn lodeh: roomkleurig de saus en drijvende vol groenten en tjabé; en na de rijst had tante djedjonkong gemaakt: de koek van Javaanse suiker, waarboven glaceert de witte maïzena-laag; alleen betreurde tante, dat zij geen santen had, in Gholland, en alleen maar kon werken met room en met melk... En zette men zich dan eindelijk aan tafel, de drie meisjes, en Gerrit, de dweper Gerrit, dan lachten tante en nichtjes:
— Allah, die Herrit!
En zij bedienden hem om strijd, heel netjes, opdat niet de rijst een rommel op zijn bord zou worden.
— Neen, nièt door elkaar doen je eten! smeekte tante Lot. Die Ghollandse manier van totók... om alles door elkaar te doen, kàn ik niet uitstaan... Hou jouw rijst blank, zo blank als moghelijk...
— Ja tante, zo maagdelijk als een jong meisje! riep Gerrit met glinsterend oog.
En tante lachte weer tranen, om die Herrit: te erg toch, seg!
— En nou jouw lodeh in de kleine kommetje... nà ja...... En dan de sambal, netjes op de rand van jouw bord: niet door elkaar doen, Herrit... Jaà, die Herrit... Próef dan eerst.. ieder sambal met hapje rijst... nà ja... so... De kroepoek op de tafel maar... nà ja... so... Kom... àl... Smul nu maar... Allàh toch, die Herrit... hij vermoordt zijn vàder voor nassi... Kassian, Van Lowe!
En tante meende met die laatste uitroep, dat Van Lowe, de vader van Gerrit, al lang dood was en dat Gerrit dus voor nassi zijn vader niet vermoorden kon: hoe dan ook, tante kreeg nu heuse tranen van gevoel en niet meer van lachen in de ogen: kassian, Van Lowe...
Gerrit voelde zich niet eenzaam meer, en dacht aan geen vreemde gevoelens. Hij at zijn rijst met tact; hij at er bedachtzaam van, om er zo veel en zo lang mogelijk van te genieten, maar dat was een inspanning, hoor; nu was het tante, dan Toetie, Dotje en Poppie om strijd:
— Herrit... neem nog wat sambal-tomaat. .. Herrit, vul bij jouw lodeh... Herrit, neem ketimoen, dat is fris, als jij brandt...
En hoewel Gerrits verhemelte was als een gloed, hoewel de sambal opsteeg naar zijn slapen, tot hij er een congestie van kreeg als van een borrel, at Gerrit maar door... nam nog een<noinclude></noinclude>
c2rorjc9hj4bbakwwkm9ja0moiger7j
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/463
104
68527
222202
188437
2026-05-31T13:20:56Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222202
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>lepeltje blanke rijst, nam nog een tikje zwarte petis...
— Herrit, ik heb nog djedjonkong! waarschuwde tante. Jij laat mij niet sitten met mijn djedjonkong, ja, Herrit..
En Gerrit beweerde, dat tante een wissel trok op zijn maag, maar dat hij nog wel een plaatsje zou maken voor de djedjonkong, en hij stampte met de ene vuist op de andere, om te symboliseren, dat hij in zijn maag de nassi bij een zou stampen om plaats voor de koek te maken. Tante glom van voldoening, omdat Gerrit het alles zo lekker vond, en na de djedjonkong, toen Gerrit pufte, stelde zij voor:
— Kom, Herrit, nappas jij nu een oghenblik!
En Gerrit veroorloofde zich zijn uniform wat los te knopen en viel, de benen lang, wijd, in een rieten mailstoel om te nappassen, terwijl tante hem inviteerde om haar vooral niet met de kliekjes, de volgende dag, in de steek te laten.
De rijstlunch bij tante maakte Gerrit voor de hele dag vrolijk. Hij pufte meer voor de aardigheid dan in werkelijkheid; hij verheerlijkte de rijsttafel, die nooit zwaar is; de tjabé, die luchtig maakt in bloed en helder in hoofd, en het was of al de aromatische, heel sterke sambals van tante hem gaven een vrolijkheid om te leven die dag, en een vertedering, omdat hij dacht aan zijn kinderjaren te Buitenzorg. Hij deed zijn middagrit rustig en prettig, goede beweging na het copieuze maal; hij kwam vrolijk aan de officierstafel, en at niet veel, opsnijdende van tante Lots nassi, en 's avonds niet te laat gaande naar huis, dacht hij:
— Als ik toch zulke goede dagen kan hebben, waarom heb ik er dan zulke misselijke... Ik zal aan Lien zeggen iedere dag nassi te geven, maar Lien kan het niet als tante Lot...
Een volgende dag zocht Gerrit Paul op, in zijn sentimenteel verlangen naar de troost, die er is in familie. Hij vond Paul in zijn zitkamer, de kamer keurig geruimd, Paul in een zijden hemd en wit flanellen veston liggende op zijn divan, lezende een moderne roman. En Paul was vriendelijk, duldde zelfs, dat Gerrit een sigaar rookte van zichzelf — want Paul rookte niet; alleen vroeg hij of Gerrit niet met de as zou morsen en de afgestoken lucifer dadelijk in de prullemand zou willen gooien, omdat hij afgebrande lucifers niet uit kon staan.
— Ga jij niet eens op reis van de zomer? vroeg Gerrit.
— O neen, kerel! zei Paul beslist. Ik vind reizen zo vies: sporen ... zwart wordt je vel en worden je nagels... je goed verkreukt in je koffer... je weet niet op wat voor een bed je terecht komt... Neen, voor reizen word ik te oud...
— Maar ga je niet eens naar Nunspeet...
— Ach, Gerrit, smeekte Paul; wat moet ik nu doen in Nunspeet... Mama heeft er Adeline en de kinderen; Constance wijdt zich aan Ernst... Wat moet ik nu doen in Nunspeet... Al dat bewegen is maar lastig en als ik naar Nunspeet reis, word<noinclude></noinclude>
erodu8xri25se8xcind3oc3dwoqeg62
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/464
104
68528
222203
188438
2026-05-31T13:21:14Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222203
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>ik bijna even vies, als dat ik naar Zwitserland ga... Neen, ik blijf thuis. Ik ben hier tevreden. De juffrouw hier is heel netjes, en de meid ook, en al moet ik een massa zelf nakijken om mijn boel schoon te houden... zo is het tóch nog al verzorgd... en niet al te vies.
— Maar Paul! zei Gerrit, met een breed gebaar van schei-er-nu-mee-uit-zeg!:
— Die netheid van je wordt een manie!
— En waarom mag ik niet net zo goed een manie hebben als een ander, vroeg Paul beledigd. Iedereen heeft zijn manie. Jij hebt een manie om kinderen te verwekken. De mijne is sterieler, maar heeft evenveel recht van bestaan als die van jou.
— Maar Paul, je wordt net een oude vrijer, op die manier: als je je nooit eens beweegt, uit vrees van vuil te worden. Je groeit op die manier vast in een egoïst kringetje om je eigen... je stelt in niets belang meer, zo... en je bent toch nog jong, nauwlijks acht-en-dertig...
— Ik heb jaren belang in de wereld gesteld, zei Paul; maar ik vind de wereld zo een vuile, gemene hoop, zo een agglomeratie van menselijke ellende, zo een rotte, schurftige, stinkende, smerige asvaalt...
— Maar Paul, wat een idiote overdrijving...!
— Dat ik me eindelijk terugtrek in mijn eigen kamer, waar het tenminste netjes is! zei Paul even met vuur.
— Maar kerel, je meent dat niet: ik weet niet of je ernstig bent of blageert.
— Ernstig? Ben ik niet ernstig? zei Paul en hij grinnikte van minachting: hij maakte zich werkelijk boos. Ben ik niet ernstig?
— Nou, àls je ernstig bent, vind ik je eenvoudig ziek.
— Ziek?
— Ja, ziek... even goed als ik Ernst ziek vind. Die netheid van je is een manie, die asvaalt-opvatting van de wereld is ziekelijk. Een blagueur ben je altijd geweest, maar vroeger was je tenminste gezellig... een brillant causeur, en tegenwoordig, de laatste tijd, ziet men je nergens... sluit je je op... word je onmogelijk... saai...
— Ik word ouder, zei Paul bezadigd. Een brillant causeur... mogelijk, dat ik het vroeger geweest ben. Maar het is de moeite niet waard. Zodra je een gedachte in woorden cizeleert en die uiten wil, hoort niemand naar je. De mensen praten al even slordig en smerig als zij in alles zijn... Het is niet de moeite waard... En toch... zei hij, met een tint van weemoed: je hebt gelijk: vroeger was ik anders... Maar, kerel, het is zo niet de moeite waard... Jij hebt nog je vrouw en je kinderen — niet, dat ik er naar verlang, naar een vrouw en naar kinderen, vooral niet naar zo een mierennest, als jij hebt verwekt... Maar wat heb ik nu... De soos verveelt me... Iets te doen<noinclude></noinclude>
qy6v9bmmrbs5ibwbmn069pe8qvh19cc
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/465
104
68529
222204
188439
2026-05-31T13:21:26Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222204
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>verveelt me... Voor de oude ideeën van de wereld ben ik te modern, en voor de nieuwe ben ik niet modern genoeg.
Er kwam een glimp in zijn ogen: hij hoorde zichzelf spreken.
— Ja... de oude ideeën, herhaalde hij en zijn stem werd klankrijker en kreeg terug het rhythme, zangerig een beetje, van vroeger, als hij lang zich ontboezemde in allerlei blague en filosofie, heel dikwijls oppervlakkig, maar schitterend altijd. De oude ideeën... Daar heb je adel. Daar heb ik de laatste tijd nu nog wel over nagedacht. Ik hou van adel. Maar weet je hoe. Zoals Ernst van een antieke vaas houdt, zo ben ik soms bekoord door een oude titel. Ik zou gaarne graaf willen zijn of markies. Niet uit ijdelheid: begrijp nu niet, dat ik uit ijdelheid graaf of markies zou willen zijn, want dan snap je me helemaal niet. Maar zoals Ernst een antieke vaas, of een oud boek, of een stuk brokaat mooi vindt, om de antiquiteit, de traditie, het decoratieve ervan — zo vind ik mooi een graven— of markiezentitel, en mijn titel zou daarbij veel schoner zijn dan het stuk brokaat, dat vol bacteriën zit. Maar mijn God, nu ben ik toch zo bang, dat je begrijpen zult, dat ik dit uit ijdelheid wens: graaf of markies te zijn... Neen, niet waar: je snapt me nu: ik zou het wensen om het decoratieve en traditionele ervan... Maar een moderne jonkheer-titel, Gerrit, die dateert van Willem I, die zou ik voor geen geld willen hebben! Ik vind ten eerste het woord lelijk: jonkheer, en dan vind ik, dat zo een titel er uitziet als een uithangbord van moderne kunst, en die art-nouveau reclames, met altijd hun zelfde stijfrechte kronkellijntjes en die nu al banale papaverbloemen zijn me hoogst antipathiek, omdat ze me symboliseren de huichel-blague in onze moderne wereld... Ja, oude ideeën, Gerrit, daar is heel veel poëzie in. Wij, mensen, zitten volgepropt met oude ideeën, we erfden ze over; ze zitten ons in het bloed... En we leven in een maatschappij, waar de nieuwe ideeën al ontbloeien, de heuse nieuwe ideeën, de ware, de mooie, de drie, vier mooie, die er al zijn. Maar ik, voor mij, zit zo vol oude ideeën in mijn bloed, dat ik niet mee kan... De nieuwe ideeën: kijk eens, een nieuw idee, een heus, mooi, nieuw idee in onze tijd, dat is het medelijden... Gerrit, wat is er mooier en heerlijker en nieuwer dan het medelijden... het heuse Medelijden voor al het menselijk-ellendige... Ik, ik voel het ook, al kom ik niet van mijn divan. Ik, ik voel het ook... Maar even als ik het voel en niet van mijn divan kom, zo voelt de hele wereld de nieuwe idee van Medelijden en komt niet van zijn divan... God, kerel, er kleeft bloed aan alles, de wereld is éen gemeen egoïsme en gehuichel... er is oorlog, onrecht en allerlei smerigheid... en wij wéten, dat het er is... en wij veroordelen het... en wij voelen medelijden voor al wat wordt vertrapt en uitgemergeld... en wat doen we? We doen niets. Ik doe evenmin als de grote mogendheden doen. De Czaar doet niets; geen regering, die wat doet, geen individu, die wat<noinclude></noinclude>
1a9qnrwai83jn8exaj3z7vkr122xozg
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/466
104
68530
222205
188440
2026-05-31T13:21:47Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222205
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><section begin="s1"/>doet... Jij doet ook niets. Onderwijl is er oorlog, is er onrecht, niet alleen in Transvaal, maar overal, Gerrit, overal; ga maar op straat en je ontmoet het onrecht in de Hoogstraat; ga maar op reis, word maar zwart van roet en smerigheid... en je komt het onrecht overal tegen... En onderwijl trilt die idee door heel onze vieze wereld, die idee van Medelijden... En evenals ik onmachtig ben, is alles en iedereen onmachtig... Heb ik dus niet gelijk, dat ik me van de hele boel terugtrek in mijn kamer... en dat ik op mijn divan blijf liggen...
Hij sprak door, en eindelijk stond Gerrit op, wel blij, dat hij Paul had opgezocht, en dat Paul, als naar gewoonte, gesproken had, hoe lang hij ook van stof was geweest. Maar nauwlijks was hij weg of Paul, van zijn divan, stond op. Hij gooide de jalouzieën wijd open, om te luchten na dat roken van Gerrit; hij belde, om de as weg te nemen, hij zette de stoelen recht, wiste uit alle sporen van Gerrits bezoek...
— ... Nu heb ik me laten verleiden te praten dacht Paul boos; maar denk je, dat de kerel het een ogenblik heeft gesnapt en gewaardeerd! Noch wat ik van oude noch wat ik van nieuwe ideeën gezegd heb... Het is de moeite niet waard je te vermoeien met... een brillant causeur te zijn... De wereld is vies en dom... en Gerrit is ook dom, met zijn negen kinderen, en vies met zijn sigaren... en daarbij is hij een melancholiek heer, die zijn manieën heeft... net als Ernst... en ik... en iedereen...
En boos gooide hij zich in zijn kussens, en las zijn moderne roman, de gehele dag door, zonder zichzelf maar te bewegen...
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''X'''}}}}
Ook Dorine, bedacht Gerrit, was in Den Haag gebleven, en hij zocht haar op, in haar pension, waar zij twee kleine, ongerieflijke kamers bewoonde. Hij had haar in dagen — of waren het weken — niet gezien. Een paar keren kwam hij tevergeefs, vond haar niet thuis: de meid wist niet waarheen, want de juffrouw was bijna altijd uit. Eindelijk trof Gerrit haar om twaalf uur, terwijl zij, heel haastig, op de rand van de tafel, haar stoel schuin, iets gebruikte voor haar lunch, met nerveuze hapjes, schichtige slokjes.
— Beste Dorine, waar zit je toch? vroeg Gerrit, luidruchtig, joviaal.
Zij was uit haar humeur, dat hij haar kwam overvallen.
— Waar ik zit? Ik zit nooit en nergens... hoor, dat kan ik je verzekeren. Ik heb het altijd zo druk, dat ik nooit een moment vind om te zitten.
— Maar wat heb je dan toch te doen?
— Wat ik te doen heb? De dag vliegt om... ik heb nooit tijd te doen wat ik te doen heb...<section end="s2"/><noinclude></noinclude>
7xtrlcqldc5vcjhzzlmmjott63w3i25
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/467
104
68531
222206
188442
2026-05-31T13:22:03Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222206
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Maar wat heb je dan te doen, Dorine!
— Beste Gerrit, ik zal je niet vervelen, met een opsomming van mijn bezigheden. Laat het je volstaan, dat het leven me soms te druk is, want ik vind nooit een ogenblik rust...
Hij zette zich en keek naar haar lunch.
— Ik was gekomen om een boterham bij je te eten, en om je eens te zien. Maar ik merk, dat je zó een haast hebt en niet heel veel op tafel, zodat ik wel niet welkom zal zijn...
— Denk je, dat ik in mijn eentje hier zit te smullen... Neen, beste broer, daar heb ik geen tijd voor.
— Heb je een boterham voor me...
— Een boterham, jawel. Ik zal om een paar eieren voor je bellen. Zij belde, bestelde de eieren, en Gerrit kreeg een bord, op de rand van de ongedekte tafel.
— Ik ben blij je eens te zien, zusje, zei Gerrit. Ik zie je nooit meer, nu we elkaar bij mama niet meer zien.
— Nu, maar er is aan mij niets te zien.
— Nou, aimabel ben je niet vandaag. Heb je ook een glas bier voor me.
— Neen, bier heb ik niet.
— Wat drink je dan...
— Water, zoals je ziet.
— O, drink je niets dan water. Nu, dan zal ik ook maar een glas water nemen. Ik heb ook niet veel honger... jokte Gerrit, die altijd honger had. En zeg me nu eens, Dorine, ga je niet eens naar Nunspeet kijken.
— Ja, zei Dorine bedenkelijk: ik moet eigenlijk wel naar Nunspeet. mama heeft me geschreven... Adeline ook... maar ik weet het niet te combineren.
— Hoe meen je: te combineren.
— Nu — met wat ik hier te doen heb...
— Maar wat heb je dan toch te doen?
— Ach Gerrit, heus niets, dat jou zou interesseren... De kwestie is, dat ik wel goed genoeg ben om naar Nunspeet te gaan.... maar dat het natuurlijk zou zijn om bonne te zijn voor jouw kinderen.
— Maar Dorine!
— Ja natuurlijk! zei zij boos, bits. Om bonne te zijn voor jouw kinderen.
— Ik geloof, dat je daarvoor niet bang hoeft te zijn. Lien heeft de juffrouw mee...
— Nu, waarom wil dan iedereen me naar Nunspeet hebben: mama, Adeline, jij... Voor Ernst kan ik niets, want Ernst maakt me te zenuwachtig...
— Maar Dorine, voor eens een verandering... omdat je hier zo eenzaam bent.
— Eenzaam... eenzaam... zei Dorine.<noinclude></noinclude>
dfx3mn4rmaakabv4h28idwgin74enkp
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/468
104
68532
222207
188443
2026-05-31T13:22:17Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222207
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
Zij slokte haar laatste teug water binnen, en zei:
— Het kan me niet schelen eenzaam te zijn...
— Ja, dat weet ik nu wel, maar het is toch ongezellig.
— Ik vind het heerlijk eenzaam te zijn. Ik vind het juist gezellig.
— Vind je dat gezellig?
— Ja.
— Hier, in die lege kamer van je?
— Ja, hier in die lege kamer van me.
— Maar Dorine, dat is niet mogelijk.
— Maar, mijn God, als ik je nu toch zeg...
Zij stampte driftig met de voet, zij keek hem aan boos, bits. Hij zag in haar donkere ogen optroebelen geheel een geheime verbittering, als een diepe rancune, die duisterde in haar ziel. En plotseling trof het hem, dat zij heel oud scheen, hoewel hij wist, dat zij nauwlijks negen-en-dertig telde. Haar haar, weggetrokken naar achteren, begon te grijzen; haar voorhoofd groefde zich met diepe rimpeis, nu zij driftig was; in de lijn van haar wangen en kin, in haar bitse mond was iets van een oude vrouw; haar figuur was als verschrompeld en verdroogd. En hij vond haar plotseling zo om te beklagen in haar eenzaam leven van ongehuwde vrouw zonder belangen, over wie het ene jaar na het andere was heengegleden, zonder de weelde der wisselende seizoenen, of zij nooit had gehad een lente, of zij nooit zou hebben een zomer, of het nu alleen maar herfstachtig aanschemeren zou om haar heen, voor haar uit — of er nooit iets voor haar geweest was, of er nooit iets voor haar zijn zou, nooit iets dan het belangeloze glijden der eentonige dagen van eenzaamheid, zo eentonig en zo eenzaam, dat zij zichzelf bedroog van dag op dag, dat zij zich schiep drukte, die niet bestond, belang, dat niet was, bezigheid, die zij zich verbeeldde — lopende winkel in, winkel uit voor een doos papier of een klos garen; daar tussen door, een enkel liefdadigheidsbezoek, omslachtig, onpractisch gedaan — hij vond haar plotseling zo om te beklagen in haar leven zonder liefde en troost, dat hij haar zei:
— Weet je wat nu eens aardig van je zou zijn, Dorine... En verstandig? Als je je rommel nu eens bij elkaar pakte, de juffrouw hier beneden vaarwel zei... en bij {{sp|ons}} in kwam wonen.
Zij staarde hem met boze ogen aan, en de bitse lippen trokken samen.
— Bij {{sp|jullie}} in komen wonen? vroeg zij verbaasd. Hoe meen je.
— Heel eenvoudig. Ons huis is niet groot, maar er is wel wat met de kinderen te schikken; je zou een kabinet hebben — meer kan ik je niet geven — Lien houdt heel veel van je en de kinderen ook — en dan woonde je bij ons in, en je zou het leuk hebben bij ons in huis.
— Bij jou inwonen? herhaalde zij en hij zag een weifeling in<noinclude></noinclude>
t3ld99t6gzweuszmkkn7qc7jt268rf8
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/469
104
68533
222208
188444
2026-05-31T13:22:34Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222208
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>haar ogen: inderdaad was het of een warmte van heerlijkheid plotseling rondvloot om haar heen, en zij voelde haar boze en donkere ogen vochtig worden, waarom wist ze niet.
— Ja... zou je dat nou niet leuk vinden?
— Maar hoe kom je op het idee, Gerrit...
— Omdat ik niet vind, dat je hier leuk zit...
— Jawel... ik ben hier heel tevreden.
— Nu ja... dat weet ik wel, maar bij ons zou je toch gezelliger zijn...?
Zij deed zich geweld om de tranen in haar ogen terug te persen. Dat was ook altijd zo, met die beroerde, nerveuze tranen: ze kwamen om niets, om niets. Het was geen gevoeligheid in haar, het was weeë nervoziteit — meende zijzelf — en ze kon er zich niet om uitstaan, om die tranen, die dadelijk glommen. Maar de woorden van Gerrit hadden haar verrast en maakten haar week, en zo verrast en zo week, dat zij zich schaamde het hem te tonen, en dat zij uitviel, opzettelijk, om zich te verschuilen in haar bitse boosheid en drift:
— Gezelliger? Bij jullie zou ik gezelliger zijn...?? Bij jullie zou ik {{sp|kindermeid}} zijn!!! Neen, ik heb er eindelijk genoeg van te leven voor iedereen, die me nodig heeft en die me kan gebruiken! Ik ga nu eens eindelijk leven, voor mij, voor mij alleen, voor mij alleen...
— Maar Dorine...
Hij voltooide niet. Hij wilde niet wreed haar zeggen, dat zij nooit anders geleefd had dan voor zich alleen, niet omdat zij egoïst was, want zij was dat niet in haar ziel, — maar omdat zij nooit had gevonden de roeping, langs een lijn waarheen zij haar eenzaam leven zou hebben voortgestuwd naar een punt, doel, waarom zij haar kleine kring van klein leven getrokken zou hebben om zich en om wat zij zou hebben liefgehad binnen die kring. Over haar heen was het ene jaar na het andere gegleden, zonder de weelde der wisselende seizoenen: de illuzie der lente had zij nooit gekend, de zwoelte van zomer had zij nooit gekend, weldadige luwte had zij nooit gekend en zelfs van waaiende luchten, van woedende storm had zij nooit geweten: het gevoelige in haar was verschrompeld als bloemen, die nooit zon heeft beschenen; het vrouwelijke in haar verwelkt, als bloemen, die nooit dauw heeft besprenkeld en verbitst en verboosd was het alles in haar tot een bijna onbewuste verbittering, in haar bestaan zonder doel, in haar leven zonder liefde — jaren, jaren lang. Was het nu al herfst voor haar uit, om haar heen, als een schemering in haar ziel, als een schemering om haar ziel... Hij stond op, zij maakte hem treurig. Hij ging weg, en zijn laatste woord was alleen:
— Neen Dorine, kindermeid zou je niet bij ons worden. Wil je er nog over denken, doe het dan en wees verzekerd, Lien en ik zullen het leuk vinden, als je bij ons komt...
En hij deed zijn middagrit, hij zocht zijn eenzame wegen.<noinclude></noinclude>
a0ujhp69dauzmn9yfk868up2voo1fao
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/470
104
68534
222209
188445
2026-05-31T13:23:20Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222209
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>Zo met een paard, dat was als met een vriend... Hij klopte het dier aan de hals, en het trilde, als een vrouw onder een liefkozing... Hij praatte er tegen en het schudde de spitse oren, als begreep het, als antwoordde het met een gracieuze beweging van hals en hoofd. En terwijl hij zijn paard liet stappen, de teugels los in zijn hand, dacht hij hoe eenzaam het toch geworden was, in een meer en meer wordende schemering rondom hen allen heen. In helle schijnsels even dacht hij weer aan zijn kinderjaren... daarginds... Buitenzorg... het witte paleis... de heerlijke tuin, enig en wereldberoemd met zijn kostbare boomsoorten, zijn groepen van palmen, zijn reuzen— varens, zijn vreemde reuzenlianen, dik de stammen als pythons zich slingerend van boom naar boom... En achter de rivier... waar hij speelde met Karel, Constance... O, hoe maakte het hem week, dat even, hel, te bedenken, nu dat het al te schemeren begon om hen heen, nu dat die herinneringen waren als de laatste weerschijning van het zonnige samenzijn der vele kinderen eenszelfden huisgezins... Langzamerhand... langzamerhand was het gaan gebeuren... onherroepelijk... het langzaam zich scheiden en vervloeien weg uit elkaar... de banden ontknoopt tot allen ze los waren... nu, juist nu, in de sombere schemeringen, die naderden... Langzamerhand... langzamerhand... met ieder jaar, dat groter en ouder de broers en de zusters werden, dat zij groeiden van kinderen tot mensen, mensen die zelf dan trokken de cirkel om zich heen, hun eigen cirkel van huwelijk, hun eigen kring van kinderen, zijzelf middelpunt nu, als eens waren geweest zijn vader en zijn moeder in hun cirkel van huisgezin, in hun kinderen— en zelfs kleinkinderenkring... Langzamerhand... langzamerhand... met ieder jaar was het gaan gebeuren... als onmerkbaar eigenlijk... dat al de broers en zusters, die waren geweest éen huisgezin, daar in het witte paleis, dat hem in die tuin, daarginds zo heel ver met mijlen en jaren verwijderd, toescheen als het sprookje van zijn jongenstijd — met het feeënfiguurtje van Constance er zwevend doorheen, bloemen aan de slapen — dat al de broers en zusters zelf kring en cirkel om zich hadden getrokken, van huisgezin of van zichzelf alleen, en hadden de kringen die eerste jaren nog wel eens bewogen door elkaar heen... langzamerhand... langzamerhand waren zij verder en verder geschoven uiteen, en juist nu de sombere schemeringen naderden, weken zij al verder en verder weg... Had mama het altijd zo, stilzwijgend, al voorzien en had zij daarom zo hardnekkig vastgehouden aan die ene wekelijkse dag en avond, die avond, waarom hij vroeger, met de anderen, gelachen had en gespot: altijd die Zondag van mama — het familie-tafereel — dat geregeld komen bij elkaar, met het kaartje en het koekje — dat zij allen wel eens heel vervelend vonden, maar toch nooit verzuimden, ter wille der oude moeder, die de kinderen wilde bij elkaar houden?<noinclude></noinclude>
79nvgk0ofswn83s3z49sij8sbu9yarp
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/471
104
68535
222210
188446
2026-05-31T13:23:51Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222210
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>Had mama het altijd zo voorzien? O, dat bestond nog wel — het familie-tafereel — het kaartje en het koekje iedere Zondag — maar was het eigenlijk al niet meer en meer geworden een avond, die verloor zijn betekenis — omdat de cirkels en kringen zo héel ver geschoven waren uiteen? Het schemerde somber om allen... o zo beklemmend... en hij voelde het somber schemeren zelfs nu hij paard reed in de warme zomerdag...: het schemerde somber... om Dorine... om Paul schemerde het met die eenzaamheid van eenzaam man en eenzame vrouw, die niet gezocht of niet gevonden hadden het warme licht voor hun latere jaren, hun nog wel jonge maar al latere jaren van kleine zielen, die bestaan, en zich bewust, onbewust, zo heel dikwijls afvragen de reden van dat kleine bestaan... Het schemerde zo somber misschien nog niet om Adolfine, want zij had nog haar cirkel, maar toch was die cirkel al zo wijd bewegend — en heel somber, als een nacht, was het geschemerd om arme Bertha — zo plotseling — nu zij zich versoesde in een klein huisje in een dorp, waar zij niemand kende, en waar zij maar keek uit haar venster de tuin in en de donder der treinen haar wiegde de al trage heugenissen... Ook was het of haar kring gespat was uit elkaar, als een holle cirkel eerst, die in vonken spat, vonken, die ver weg versomberen — nu zij alleen nog Marianne — arme meid — maar had bij zich, weggetreurd in haar noodlot, te groot voor kleine ziel. Karel, zijn broer, was die nog wel zijn broer, of had Karel, met zijn vrouw, die nooit in hun familie innig was opgenomen, ook niet zijn cirkel ver, ver weg van hun aller cirkel weggeschoven... en om arme Ernst, had het niet om arme Ernst geschemerd van sombere eenzaamheid, tot hij er ziek van geworden was in zijn ziel en in zijn zinnen? En zou het, nu al die cirkels zo ver weg en wijd uiteen schoven, niet troosteloos worden van schemerende eenzaamheid om mama, juist om mama — die altijd middenpunt had willen blijven in de haar zo nodige liefde en warmte van al de haren?... En vreemd was het hem, toen hij aan Constance dacht, alsof integendeel haar cirkel zich dichter schoof en alsof er voor haar en voor Addy iets op nieuw daagde van licht, en vreemd was het vooral toen hij aan zichzelf dacht, en aan zijn troepje, dat hem nu wel tijdelijk verlaten had, maar dat toch van hem was en om hem rond altijd... altijd... alsof het daar helemaal niet schemerde... alsof het daar daagde met een enkele blonde dageraad van wijd uitzonnende stralen ... O, kinderen, was het niet alles? Had hij niet goed gedaan zijn blonde dageraad te verwekken... Hij dacht niet aan zijn vrouw: hij dacht aan zijn kinderen: hij was meer vader dan echtgenoot... Had hij niet goed gedaan? Was het daar niet... dat lachte de hoop voor hem, voor hen allen, voor arme mama, arme mama, die op dit ogenblik zelf haar eenzame ouderdom koesterde in het jonge licht van die dageraad! Had hij niet goed gedaan?<noinclude></noinclude>
h5o93m710eaobux4dbx8b45lws5q5o8
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/472
104
68536
222211
188447
2026-05-31T13:24:11Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222211
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>Maar waarom, als hij dan goed had gedaan, moest hij dan twijfelen soms en verbaasd en zelfs angstig zijn, om dat jonge, stralende leven, dat hij verwekt had en dat als een warmte en een licht uitstraalde, waarin hij weldadig zich zijn vreemde ziel nu voelde koesteren... lichter en warmer dan de zonnedag, waardoor hij paard-reed... Waarom dan moest hij twijfelen: verbaasd en zelfs angstig zijn... O, hij wist het nu eensklaps, omdat ook later die blonde dageraad stralen zou wijd uit van zijn middelpunt weg en schemeren zou op zijn beurt...! Maar als het dan was een wet der natuur, als het dan niet anders kon, dat wat eerst hing aan elkaar in zonnige liefde en zonnig samenzijn en samenleven — wemelde weg uit elkaar — als het dan niet anders kon dan vercirkelen en verschemeren; als het dan niet anders kon, dat broers en zusters vervreemdden, tot zij schenen als niet geboren uit een zelfde moeder, en verwekt door een zelfde vader! Als het dan niet anders kon!... Waarom dan zo te twijfelen, te verbazen en te angstigen en waarom niet te genieten van de warmte, zo lang de eerste zon nog scheen, na het krieken van de troostende dageraden... O, hoe verlangde hij naar zijn dageraad: hoe verlangde hij naar zijn troepje! Morgen, morgen ging hij er heen! Ze allen te zien om zich heen, ze te omhelzen in éen omhelzing, ze te zwaaien op zijn armen, ze te laten rijden op zijn rug en zijn schouders, ze te laten hossen op zijn knieën, met ze te ravotten tot ze rolden door een, op hun zachte kindervel zijn lippen te drukken, in die reine wellust van loutere liefkozing... Morgen, morgen ging hij er heen...
Ja, hoe het schemerde om hen allen rond, voor hèm daagde het nog uit — zo als het éens had gedaagd — lange jaren geleden — voor zijn vader en zijn moeder — toen zij allen — nog kinderen, zijn broers en zusters — daarginds in Indië in het witte paleis van grootheid, in de tuinen van het sprookje, uitgestraald waren als zijner ouders dageraad... Voor hèm daagde het nog uit... en al zou het later zeer zeker ook van hèm wegcirkelen, al zou het om zijn hoofd — om zijn ziel — schemeren, als het nu te schemeren begon om zijn arme moeder — er was nu nog het heden, en hij mócht niet twijfelen en angstig zijn.
Hij reed terug en langs de bossige wegen duisterde de avond, maar juist voor zijn ogen wemelde het van stofgoud... omdat hij zijn gedachte blij en zonnig gedwongen had: zijn blond troepje, daarginds, wemelend voor zijn blik... Juist voor zijn ogen wemelde het, van licht... Nu, terug in de stad, en gezeten met zijn kameraden, aan de tafel, waar hij dezer dagen at, merkte geen van allen aan hem noch dat hij het had zien schemeren, noch dat hij het had zien dagen, — en was hij alleen een grote blonde officier, een stevige vent, met een ruwe, luide blague-stem, met gebaren, waaronder kraakte zijn stoel en zijn glas telkens dreigde te breken, terwijl zijn mond luidruchtig vloekte, en zijn moppen met hun aller gelach de kamer daveren deden...<noinclude></noinclude>
9lg9dwwd27eq94elvhq68axiydl0uyd
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/473
104
68537
222212
188449
2026-05-31T13:24:45Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222212
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
{{c|{{x-larger|TWEEDE DEEL}}}}
{{lijn|30em}}
{{c|{{larger|'''I'''}}}}
Maanden waren voorbij gesleept, toen Gerrit, uitrukkende met zijn escadron, een ontmoeting had, die hem schokte. Het was op de Koninginnegracht: op een nattige herfstmorgen, zo vroeg somber al, als zou het de hele dag lang niet helder worden; geheel de middenweg besloegen de paarden, wier hoefslag kletterde bij de rhythmische rit over de keien regelmatig: uit de vensters hingen de paarse meiden uit, om te zien naar de mooie huzaren. Een huurcoupé reed het escadron tegemoet, en moest stil houden ter zijde van het trottoir, om de paarden te laten voorbijgaan. En met een snelle blik zag Gerrit door het beslagen glas van het rijtuig het gezicht van een vrouw met lachende ogen — twee bruingouden vonken van lachende kijkers — nauwlijks langer dan twee, drie seconden, die twee opglimpingen van blij goud. Meer dan de lachende ogen had hij niet gezien in de vage vlak van het gelaat, dat geblankt had in de schaduw van het rijtuig, onder de donkere streep van een grote hoed, maar die lachblik had hem zo geschokt, dat hij een kleur kreeg — het bloed naar zijn slapen — en dat zijn slapen klopten, als had hij een borrel gedronken. Hij voelde een prikkeling in zijn nek, en dacht vlug:
— Mijn kop af, als dat niet Pauline ..... Mijn kop af, als dat niet Pauline was... Zou ze terug zijn, in Den Haag!
Maar nu herstelde hij zich, zette zich schrap strak in zijn zaâl en poogde te vergeten zijn schok, en de twee bruingouden vonken van lachende kijkers. Nu, als ze het was... wat was het dan nog? Dat alles was al zo lang geleden, en ontmoette hij zo dikwijls niet de plotseling opdoemende levende herinneringen langs zijn weg, gewoon-weg op straat, en ging hij die niet voorbij, nauwlijks met een laching van herdenken, wegschuilende onder zijn snor en eventjes broeiende in zijn blik? Als ze het was... wat was het dan nog? Hij, die al zijn dolheid geregeld had tot een rijpere gematigdheid, zou hij zich zo schokken laten door een paar lachende ogen van vroeger... Neen, hij voelde zich rustig sterk, in de bezadigdheid zijner latere jaren... Dat zijn<noinclude></noinclude>
eremn60x53hpoiver8mxytk1kq1g057
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/474
104
68538
222213
188450
2026-05-31T13:25:09Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222213
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>bloed zo joeg bij de blik van een vrouw, bij een langs de weg opdoemende herinnering, dat kon hij toch niet helpen... Toch, heel die herfstdag — dag, die somber was opgekomen en somber bleef met zijn zware lucht van wolken — verhelderde hem die twee, drie seconden-lang blij gouden opglimping van ogen... Ja, wat had die Pauline ogen... God, wat had ze een paar ogen... Ogen, die zo lachten, zelfs al lachte haar mond niet, ogen vol gouden voor-de-gek-houderij, ogen van wel-weten, dat zij met hun glimpen hem dol maakten als een razende, als was hij een brand, die haar vonk ontstak! En zij wist het wel, zij wist het wel, dat zij hem dol maakte met haar ogen... Was ze terug in Den Haag? Indertijd was ze plotseling naar Parijs gegaan, en hij had haar sedert jaren niet meer gezien... sedert twaalf jaren zeker... Twaalf jaren nu was hij ouder, twaalf jaren nu was zij ouder... Wat was dat beroerd, dat oud worden, dat aftakelen van je body: dat enige lijf, dat je kreeg op de wereld, en dat mee moest tot je graf, en dat je niet kon verwisselen, zoals je een nieuwe uniform nam... Nu, het zijne deed nog mee, en Pauline... haar ogen lachten als vroeger...
Twaalf jaren? Kom, hij wilde er niet meer aan denken... Als hij alles herdenken wilde, wat er geweest was, jaren en jaren geleden, dan was de dag te kort om zijn herinneringen door te maken...
En in zijn oudere bezadigdheid vergat hij de ontmoeting op de Koninginnegracht en dacht hij zelfs, dat hij best zich had kunnen vergissen, dat het helemaal Pauline niet geweest was... Hij was in zijn huis niet eenzaam meer, nu zijn vrouw en de kinderen het nest weer vulden, en hij voelde, dat het zo om hem zijn moest altijd: de lauwte van het warme nest; dat hij zich anders ongelukkig voelde en vreemd en eenzaam, als die verleden zomermaanden. En de eerste Zondagavond bij mama doordrong hem met een blijde hartelijkheid, en toch was leegte hier en daar in de vroeger propvolle salons... Want de beide oude tantes kwamen niet meer; wel had mama haar niet toe kunnen rekenen de verwarring, die zij op die zo ongelukkige avond, toen arme Constance al zo opgewonden was geweest, hadden veroorzaakt met haar schrille, kindse stemmen; wel had mama zich geweld aangedaan altijd lief tegen haar te blijven — maar langzamerhand waren zij geheel kinds geworden en gingen zij niet meer uit, en in haar kleine villa leefden zij met een verpleegster; zij waren heel ondeugend geworden, zij kibbelden en vochten met elkaar; zij sliepen in één bed en weigerden elkaar de dekens, en eens had tante Tien tante Rien op de trap geduwd, zodat zij gevallen was en zich zeer had bezeerd de oude ribben... Zij kwamen dus niet meer, en het was vreemd, maar Gerrit miste haar beider zonderlinge, oude silhouetten van heel ouderwetse juffrouwen, het grote haakwerk in de benige handen, — zoals zij, gedurende de gehele Zondag-avond, zaten<noinclude></noinclude>
s70bzcsklo3zeoefjx0g5udxc65628t
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/475
104
68539
222214
188451
2026-05-31T13:25:25Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222214
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>ieder aan een zijde van de deuren der serre, nijdig nu en dan bitsende in elkanders oren: opmerkingen, die de kinderen wel verstonden, en waarom ze glimlachen moesten — uitziende met haar begerige oude ogen van snoeplustige oude dames naar het koekje en de limonade, dat zij eindelijk met welbehagen verorberden, om dan, ineens, tegelijkertijd, op te staan en te gaan, voorzichtig door de nichtjes de trap afgeleid, naar de vigilante met de vertrouwde koetsier, die ze altijd veilig thuis reed. De Zondagavond was niet meer dezelfde, vond Gerrit, zonder die twee typische, traditionele figuren, — waarom zij allen veel grappen verkochten — maar die toch zo lang iets hadden behouden van de onveranderlijkheid van het leven, de vertederende eentonigheid ervan — tot plots het veranderd was... en de twee figuren waren verdwenen... Jaren zouden zij misschien nog leven, kibbelende en kissebissende, zich vastklampende aan de wereld — jaren, als zou de dood geen vat op haar hebben — maar nooit zouden zij daar meer zitten, ieder aan een deur van de serre...
Maar een grote leegte, door geheel de beide kamers, had gegeven de uiteenspatting van Bertha's groepje... Want nooit kwam Bertha meer in Den Haag, en allen, die haar wel eens opgezocht hadden in Baarn, waren het eens geweest, dat zij er wel vreemd werd, er wel vreemd zat aan haar raam, bijna onbewegelijk — alsof na al haar drukke leven van wereldvrouw, plots na de dood van haar man een algehele nodeloosheid Voor zichzelf om haar heen was gezonken, als een element, waarin zij versufte: zij sprak bijna niet, zij stelde in niets belang, zij zat maar, zij keek maar, ging nooit uit, en hoewel zij geheel haar verstand had, was het geworden een starend soezen, een over zich heen laten glijden van de jaren, die nodeloos en somber aan zouden schemeren om haar ziel, geheel een schemering van triestige afwachting van àlle zwart zouden om haar ziel rondduisteren.. In die emotie— en woordloze treuring had zij alleen Marianne behouden, ook al zou Marietje later thuiskomen... Van Emilie en Henri wist de familie nu wel, want Emilie, fier op haar nieuwe leven, had niet kunnen zwijgen, had geblageerd op wat zij daar deden en hoe zij geld verdienden in Parijs... en de gehele familie was er door verbaasd en geschokt geweest... Adolfine en Cateau hadden allen doen zweren het toch nooit te zeggen, dat Emilie waaiers schilderde en dat Henri clown in een circus was! En voor mama Van Lowe hadden zij wel niet de waaiers van Emilie kunnen verbergen, omdat zij er zelf een aan haar grootmoeder had geschonken, maar wel dat schandaal van Henri: gelukkig, dat wist de oude vrouw niet: dat zou haar zo een schok kunnen geven, dat het wel haar dood kon zijn... Gerrit wist, dat men over Emilie en Henri onuitputtelijke praatjes vertelde in Den Haag, en hij, liever, had maar ronduit verteld, opdat de mensen zouden de waarheid weten, maar allen,<noinclude></noinclude>
0ou38qtjg43lu2sxwy0ke44ybh7ciea
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/476
104
68540
222215
188452
2026-05-31T13:25:40Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222215
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>zelfs Constance, hadden hem gesmeekt er toch over te zwijgen en hij zou dus zwijgen met de anderen, als betrof het een schandelijk familiegeheim... Op de Zondagavonden was Ernst wel niet geregeld gekomen, maar zijn afwezigheid — daar in Nunspeet — sloeg toch een treurige schaduw altijd: treuriger nog was het, dat tante Lot wel kwam met de meisjes, maar erg, erg klaagde, dat het helemaal niet goed met de suiker ging, en dat het een beroèrrde tijd was... En waarlijk, plotseling, op een Zondag, kwam tante binnen met veel emotie en tranen, de meisjes geresigneerd, als eenvoudige goede zielen, en tante vertelde in een vloed van woorden, dat zij zo goed als geruïneerd waren — oom had uit Java telegram na telegram gezonden — zo goed als geruïneerd: zij verlieten dadelijk hun grote huis; zij hadden op Duinoord al op zicht een klein, klein huisje, en daar zouden zij zich opschieten, tot er betere tijden aankwamen... Het gaf een grote ontsteltenis in de familie, waar geld wel nooit geteld, maar toch altijd heel erg nodig geweest was — maar Gerrit bewonderde, trots al de tragiek van tante, die de gehele avond met een huilende stem jammerde — een acute praktisheid: ook in de meisjes een rustige kalmte, en zonder schijn van vroegere weelde ophouden rustig weg voor de toestand uit te komen, en zich verminderen met eenvoudige zekerheid, die alle valse schaamte uitsloot... Een klein huisje, eén meid... ja, Herrit... maar nassi zou tante toch geven, hoor, want zonder sambal geen leven, Herrit... en Gerrit, met Constance sprekende, bewonderde dit: dat praktische en trots de tragiek der tranen en gebaren en uitroepjes van ja-à, kassian! ogenblikkelijk de tering naar de nering zetten en hij zei:
— Geloof je, dat echt Hollandse mensen dat ooit zo zouden kunnen doen! Neen, ze zouden het ten eerste niet uitbazuinen... dan zouden ze stilletjes naar het buitenland gaan... maar goeie tante Lot: ze bazuint het uit en ze heeft gisteren al praktisch gehandeld — en ze schaamt zich niet in haar kleinere huis te gaan... en ze vraagt mij er waarachtig dadelijk op nassi...
Ja, dat was nog het ouderwetse van het goede Indische: de eenvoudige ziel, de eenvoudige levensopvattingen; het ware, en niet naar de schijn, de hartelijke gastvrijheid nog, zelfs al waren er geen duiten meer; en dat was een sympathie voor Gerrit, ook al sprak tante nog zo Indisch, al zag ze er nog zo Hindoe-idool uit, met de zware plooiboezem en de brillanten als kanjers... En de drie meisjes, — niet jong meer: waarom waren de goeie kinderen toch nooit getrouwd, in Gholland! — zo rustig, zo praktisch, al lachende, om de ene meid: ze zouden zelf haar bed wel opmaken, maar Mima, natuurlijk, die bleef — net een ddàme, je moet sien, corset, ghoed — delende rijkdom en armoede met haar njonja, eenvoudig weg, zonder zelfs<noinclude></noinclude>
7zz7aanwdz6o0ngq77sr3d61v4ivv6j
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/477
104
68541
222216
188453
2026-05-31T13:26:03Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222216
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>een ogenblik er aan te denken, of ze nu niet een voordeliger dienst zou zoeken... Ja, Cony, dat deed toch maar goed, in onze koude Hollandse lucht... zo een glimping van oud-Indische eenvoudige en hartelijke levensopvatting!
En, trots alles, was er nog altijd het kaartje en het koekje des Zondagsavonds, maar al hield mama er aan vast, al was zij nog altijd middelpunt van haar kring, al lieten de kinderen haar zoveel mogelijk buiten kleine twisten en moeilijkheden — het was toch of zij voelde, dat er iets kraakte en scheurde en brak... Neen, zij kon het zich niet meer ontkennen, en haar helder gelaat van opgeruimde oude vrouw, had de rimpels over de mond gekregen, een trek van treurig mopperen... een grandeur déchue was de familie! Het werd er niet beter op, toen Constance, met zoveel vergoelijking, als zij vinden kon in haar woorden, haar over Addy gesproken had, en op een van die Zondagavonden zei de oude vrouw tot Van der Welcke, bitter haar stem, die begon te beven met de klank van barstende snaren:
— Dus Addy... is van idee veranderd: Constance heeft me verteld... Het was voor Van der Welcke ook een grote teleurstelling geweest, zo groot zelfs, dat hij de laatste tijd boudeerde tegen zijn zoon.
En ook hij, bitter, haalde de schouders op, alsof hij er niets aan doen kon:
— Wat zal ik u zeggen, mama, Addy is een heel gedecideerde jongen. In Nunspeet heeft hij met zijn moeder gesproken, en zijn moeder is het met hem eens. Ik niet...
Het hoofd van de oude vrouw zonk op de borst, en knikte zacht schuddend op en neer.
— Hoe ouder men wordt, zuchtte zij; hoe meer teleurstelling maar het leven geeft...
Zij zag op, er was bitterheid in haar ogen. Zij wenkte Addy bij zich, en in haar wenk was dat imperatieve, dat zij soms kon hebben, zelfs tegen haar oudste kinderen.
De jongen kwam.
— Wat is er, grootma...
Zij zag hem aan, en er vertederde dadelijk iets in haar, toen zij hem zag voor zich staan, met zacht ernstige glimlach, zijn blond mannelijk gezicht van grote jongen...
Nu schudde zij het grijze hoofd, als wilde zij wel zeggen, dat zij wel wist en er was verwijt in haar bevende ogen.
— Zo zo, zei zij. Mama heeft met me gesproken, Addy. En mama heeft me gezegd, dat je van idee veranderd bent... dat je in de medicijnen wil studeren.
— Ja oma.
— Zo... en papa en mama en grootma, die zo gaarne hadden gezien... dat je in een diplomatieke werkkring je zou hebben gepousseerd.<noinclude></noinclude>
lz9w6cmrjuemgi797nqbm5gr2q98pig
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/478
104
68542
222217
188454
2026-05-31T13:27:03Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222217
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Oma, heus, ik voel er geen roeping voor...
— En voor dokter?
— Voor dokter wel, oma.
— Ja, dan is er niet veel aan te doen, Addy, zei de oude vrouw, en plotseling begon zij zachtjes te snikken. Van der Welcke zag somber...
Het kind zag op hen neer, waar hij stond voor zijn vader, voor zijn grootmoeder. Hij hield van de oude vrouw, en hij aanbad zijn vader, en leed, dat zijn vader hem de laatste tijd boudeerde. Maar hij kon het niet helpen, dat hij klaar in hun beider ijdelheid zag, en hij kon het niet helpen, dat hij, zonder wreed te willen zijn, zei, heel zacht:
— Oma... Mama heeft het in me begrepen. Ik had zo gaarne, dat u en papa het ook begrepen, oma.
Maar de jaloersheid op Constance stak fel in Van der Welcke's hart; hij stond op, hij naderde de speeltafel...
— Mama heeft het begrepen, Addy? herhaalde bitter de oude vrouw. Ach, mama weet wel, dat ze niet tegen je op kan, niet waar... Papa ook niet, en nu heeft hij verdriet, arme papa... Illuzies, Addy, worden hoe ouder men wordt, al minder en minder, en daarom is het heel treurig, mijn kind, als men zijn allerlaatste illuzie's nog verliezen moet. Wij hadden op jou gebouwd, mijn jongen.
— Maar al ga ik niet in de diplomatie, oma, daarom kan ik toch wel...
De oude vrouw wenkte bitter met de hand tot zwijgen.
— De diplomatie is de mooiste carrière, zei zij bits... Er is niets boven.. — Het zijn al die nieuwe ideeën, kind, waarmee grootma niet mee kan, en die haar zo treurig maken, omdat ze ze niet begrijpt.
— Oma, ik kan u niet zo zien huilen...
Hij zette zich bij haar neer, nam haar hand, zag haar in de ogen. Zij bedroog zich in zijn tederheid.
— Wil je niet nog èens er over nadenken, Addy? vroeg zij zachter en stralend.
— Neen oma, zei hij rustig, beslist. Ik kan niet.
— Je wil niet.
— Ik kan niet. Ik mag niet, oma.
— Je mag niet...?
— Neen, oma. Probeer u er mee eigen te maken, lieve oma, dat ik niet mag.
Het hoofd van de oude vrouw schudde op en neer, met die bittere, verwijtende knikking...
— Oma, mag ik u beloven, mijn best te doen, dat ik u nog eens eer aan doe... ook als dokter...?
Zij lachte minachtend, met een grinnik nu, door haar tranen heen. Hij omhelsde haar met veel tederheid...<noinclude></noinclude>
nj38h9e859xc0n7bn6wmneqzxbzqc3e
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/479
104
68543
222218
188455
2026-05-31T13:27:46Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222218
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
<section begin="s1"/>{{dhr}}
— O God, dacht hij; hoe slepen we mee... wij allen hier... die zwaarte van ijdelheid in onze zielen ... die ons verhindert te leven... te leven!
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''II'''}}}}
Neen, Gerrit had geheel vergeten de gouden glimp van die twee lachende ogen, die hij had menen te herkennen, en vluchtig vaag, had hij nog nagedacht, dat hij zich wel moest vergist hebben. Hoe groot was dus niet zijn verwondering, toen hij een paar dagen later, na den eten gaande naar de Witte, vlak bij de sociëteit, in het halflicht van de avond, tegenkwam een vrouw, die, voorbijgaand, hem priemde de ogen met haar twee goud lachende blikken, hem teer toefluisterde, bijna aan zijn oor:
— Dag Gerrit!
Hij herkende de stem, zoals hij de ogen herkend had, een klank van molligheid, diep uit de keel, een klein beetje brouwende de r. Ja, hij herkende haar, het was waarachtig Pauline, ze was terug in Den Haag. Na twaalf jaren...! Nu, hij nam geen notitie van haar, liep door, sloeg om, en dadelijk was hij de Witte in, Hij liep de trap op, bijna als vluchtte hij van buiten en zijn gezicht was rood, zijn slapen klopten. Hij bleef een uurtje met kennissen, nieuwsgierig om uit te horen of ze misschien ook Pauline hadden herkend. Maar de kameraden — jongere officieren, bedacht hij — kenden haar niet, en hij hoorde niet van haar spreken...
Vroeg ging hij naar huis. Die brutale meid, hem aan te spreken. Vroeg ging hij naar bed, man van geregelde huiselijke gewoonte als hij met de jaren was geworden, en terwijl Adeline al sliep naast hem in het andere bed, zag hij de gouden ogen lachen, hoorde hij de mollige stem hem kwellen met zijn naam, fluisterend, bijna vlak aan zijn oor... Hij sliep in en door zijn dromen zag hij de gouden ogen.
Nu, dacht hij de volgende dag, als hij nu dromen moest, van alle ogen, waarin hij gekeken had, dan zou het in zijn slaap zijn als éen groot firmament van ogen! En opstaande, badende, wierp hij iets uit zich weg, waste zich die ogen weg uit zijn geest... Nu ontbeet hij, vlug, met de kinderen, fris, blond en liefjes om hem heen, en nu reed hij naar de kazerne...
Maar een paar dagen later, van de kazerne komend om zes uur, half zeven, en lopende onder de herfstende bomen langs het Alexanderveld met een paar officieren terug, kwam hij haar tegen, Pauline... Hij had inwendig een beweging van ongeduld, en dacht: is ze gek, vervolgt ze me expres... Maar hij deed zijn kameraden niets merken. Een alleen zeide:
— Een mooie meid... Wie is dàt?<section end="s2"/><noinclude></noinclude>
62leuboi3ry2mosbtfgp2ugwr8j5zjb
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/480
104
68544
222219
188457
2026-05-31T13:28:06Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222219
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
Maar niemand wist, en zij gingen door. Gerrit zag niet om.
Nu werd hij er om nerveus. Die lamme meid, wat deed ze terug in Holland, en waarom moest zij hem aanzien, groeten, waarom moest ze lopen langs de kazerne... Was ze gek, was ze gek... Hij was boos, en hij was onrustig... En een paar dagen later, als had hij een voorgevoel, talmde hij in de kazerne, om alleen, heel laat al, weg te kunnen gaan.
Hij kwam haar tegen, en in het sombere licht, hangende onder de al herfstende bomen, lachten van verre haar ogen als goud hem toe, met die blijde ondeugende opglimping van voor-de-gek-houderij.
— Verdomd nog toe! vloekte hij, en als wilde hij zich schrap zetten, welfde hij zijn borst, maakte zich breed, scheen de gehele laan te willen vullen met zijn alkrachtige mannelijkheid om te gaan door alle lagen en listen. Maar zij hield vlak voor hem stil en zij zeide met haar stem van brouwende molligheid:
— Dag Gerrit...
— Zeg, wil jij wel eens maken, dat je voor de donder doorloopt, en heel gauw ook, zei Gerrit, boos en ruw.
— Ik vind het zo aardig, dat ik je ontmoet heb.
— Nou maar, ik vind er niets aardigs aan, en maak jij maar, dat je weg komt.
En door wilde hij lopen, breed, en alkrachtig mannelijk, trappend over alles wat glimlachend lokkelijk en voor-de-gek-houderig hem zijn weg versperde onder de herfstende bomen.
— Gerrit, ik moet je spreken, smeekte zij.
— Nou maar, ik niet.
— Jawel, jawel, ik moet je spreken, Gerrit, brouwde dweperig-vleiend de mollige stem... Ik moet... ik moet je spreken... Niet hier, maar even even... in de Bosjes.
— Waarover heb je me te spreken.
— Een ogenblikje maar... ik kan het je hier niet zeggen.
— Ach wel neen, hoor! zei Gerrit ruw. Ik heb niets met je te maken...
— Jawel, jawel, Gerrit... Toe Gerrit... een ogenblikje maar...
En hij liep door.
Zij volgde hem.
— Gerrit...
— Zeg eens, als je nou niet voor de bliksem de andere kant ophoepelt...
— Gerrit, laat je me maar even... wat zeggen... drie minuten met je praten... in de Bosjes...
De stem vleide, de ogen lachten en spotten met een heel diepe vonk.
— Drie minuten ..... . en dan val ik je niet meer lastig...
— Nou... vooruit dan! zei Gerrit. Loop dan om... dan volg ik je wel... maar maak voort... ik heb geen tijd...<noinclude></noinclude>
lgvt3cijnzzriy3sq631zzhoi8sjrb0
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/481
104
68545
222220
188458
2026-05-31T13:28:21Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222220
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Waar moet je naar toe...
— Naar mijn huis...
— Ben je getrouwd, Gerrit...
— Ja... Vooruit nou.
— En heb je kindertjes?
— Ja... Ajo...
— Je hebt zeker lieve kindertjes, Gerrit?
Haar diepe ogenvonk van gouden spot priemde Gerrit toe... maar nu keerde zij zich om, liep vlug, sloeg de Timorstraat in en verdween in de Bosjes. Het was er heel donker...
— Nou, wat is er...
— Ik heb je in twaalf jaren niet gezien, Gerrit.
— Heb je me niets anders te vertellen...
— Ja... hoor dan... zeide zij snel, begrijpende, dat zij zuinig moest zijn met dit kostbare ogenblik. Hoor dan... Ik ben twaalf jaar in Parijs geweest Gerrit; ik heb er heel veel verdriet gehad, hoor... Maar heel veel plezier ook. Ik was er erg chic, mijn portret lag tussen de Czaar en de koning van België in voor de winkels en onder het portret van Otero. Nu, dat is wel een bewijs, hè... Maar heel veel verdriet ook, Gerrit. De mannen zijn zwijnen, Gerrit: ze zijn niet allen als jij, zo aardig en zo lief... Ik heb dikwijls aan je gedacht...
— Ja maar, dat kan me allemaal niets schelen...
— Ik heb dikwijls aan je gedacht... Hoe lief je was en hoe goed, Gerrit, ook al dee je nog zo ruw soms, en al zet je nog zo een boze stem op... Nu, Gerrit, en ik moest terug naar Den Haag — zie je, dat is te lang om je te vertellen... en nu Gerrit... nu wil ik je zeggen... nu ben ik heel arm... ik heb geen cent op het ogenblik... Toe Gerrit, kan je me niet vijftig gulden geven.
— Zeg eens, als je denkt, dat ik rijk ben, heb je het mis. Ik kan je niets geven.
— Nou Gerrit, ook geen vijf en twintig gulden maar? Daar zou je me al erg mee helpen.
— Ik heb ze niet.
— Ach toe, Gerrit, kan je me niet iets geven...
Gerrit grabbelde in zijn zak.
— Hier heb je twee rijksdaalders... en een tientje. Meer heb ik niet. Ik ben niet rijk en ik loop niet met stapels bankpapier in mijn zak.
Hij gaf haar het geld.
— O Gerrit, dank je wel. O Gerrit, wat ben je lief...
En voor hij het kon verhoeden, had zij zich om zijn hals gegooid en zoende zij hem dol op zijn mond.
Hij wierp haar bijna van zich.
— Zeg, ben je gek...!!
— Neen Gerrit, maar ik hou van je en je bent zo lief. Dank je wel Gerrit, dank je wel.<noinclude></noinclude>
nu6pyon9ayldapbmr484gtcy41k4i54
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/482
104
68546
222221
188459
2026-05-31T13:28:41Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222221
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
Hij zag de gouden ogen spotten.
— En nu hoepel je op! zei Gerrit, rillend van kwaadheid en het schemerde vonken voor zijn ogen. En je spreekt me nooit meer aan, en je moet niet denken, dat ik je ooit weer geld geef, want ik heb het niet. Het is dus uit, hoor, weet dat wel. Zoek maar een rijke, jonge kerel... en laat mij met rust...
— Ach, Gerrit, het zijn allemaal zwijnen... behalve jij... behalve jij...
— Maar nu, zwijn of geen zwijn, brieste Gerrit; nu ga jij links en ik ga rechts, hoor...
En hij maakte zich vrij, hijgende, briesende, rillende. Hij liep wat hij lopen kon, en toen hij eéns omzag, zag hij haar niet meer: zij moest door de Riouwstraat zijn gegaan. Hij herademde, wist een tram te pakken, ging voorop staan, om wind te vangen, en te koelen zijn kloppende slapen... En onderwijl dacht hij: ze is gek, de meid... om me aan te spreken... om me te zoenen...! Ik had haar ook geen geld moeten geven... Twaalf jaren... Ze is wel ouder geworden, maar ze is nog een mooie meid... Ze is zwaarder geworden, en ze was geverfd... wat ze vroeger nooit was. Maar ze is nog een mooie meid...
Op zijn mond voelde hij nog haar zoen, als een gloeiing en als een druk, als had zij zijn lippen gezegeld met lak: het brandende smeltende lak van haar zoen. En plotseling, moest hij zich bekennen, dat in jaren en jaren... in twaalf jaren... niemand hem zo gezoend had, en die bekentenis joeg het bloed door hem heen en deed allerlei herinnering, als vlugge spiralen, wemelen voor zijn ogen, in kronkelende, golvende lijnen, tussen hem en de natte herfststraat, waarover de paardentram voortsjokte — pijnlijk knerpende in zijn rails. Hij zag de herinnering voor zich, vizioenende, gloeiende voor hem en in hem en om hem rond, tot het was of hij daar vóor, op het platform van de tram, stond in een brand van herinneringen, die eerder wakkerde de wind, dan doofde... Nu reed de tram voor zijn huis en hij sprong af, woest, bijna struikelend over zijn sabel, in zijn uniformjas, die woei tussen zijn benen. Hij rammelde met zijn sleutel tegen de deur, als dronken, kon het sleutelgat niet dadelijk vinden... De deur van de eetkamer stond open, een huiselijkheid schemerde er met de gedekte tafel die hem wachtte: Gerdy, Guy kwamen hem tegemoet... Adeline, van binnen, riep:
— Gerrit, ben je daar? Wat ben je laat ...
— Ik heb de tram gemist, jokte hij, en de twee kinderen hield hij, wat ruw, van zich af.
— Wacht jongens, papa moet eerst naar boven, om zijn handen te wassen...
Hij stormde de trap op, weer struikelde hij bijna. Door het gehele huis dreunde die zware trap-opstorming, de deur van zijn kamer sloeg. Bevend zocht hij lucifers, in zijn zak, vond ze niet; zijn trillende handen tastten rond, — voorwerpen klet-<noinclude></noinclude>
p244ldq1exkawu7nwbfkkuy02jiixhj
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/483
104
68547
222222
188460
2026-05-31T13:28:56Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222222
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><section begin="s1"/>terden tegen elkaar, bijna braken zij — eindelijk vond hij het doosje, stak op het gas, keek in de spiegel. Hij zag zijn gezicht rood van snel heftig bloed, dat gloeide onder zijn wangen, dat klopte op naar zijn slapen. Zijn ogen puilden en waren klein... Hij zag naar zijn mond of zichtbaar de zoen was, die nog brandde op zijn lippen als een warm zegel van purper lak. Zijn uniform benauwde hem en hij kleedde zich uit woest. Hij waste zijn hoofd in een kom vol water; hij wreef zijn mond met een handdoek, tot zijn lippen gloeiden; nog meer: hij wreef ze, als waren ze vuil... Hij knoeide de handdoek in een prop, smeet tot een bal hem op de grond. Toen schoot hij vlug zijn huisjasje aan, en toen... toen ging hij naar beneden...
Om de tafel zaten de kinderen, al, te wachten met Adeline.
— Wat ben je laat! zei Adeline nog eens, heel zacht.
Hij antwoordde niet, hij maakte nu gekheid met de kinderen. Hij liet zich nu, opzettelijk, zoenen door Gerdy, met frisse lipjes, en het was als een frisse bloem, koel platgedrukt op zijn gloeiende wang. Het kalmeerde hem, en plotseling vond hij zich veilig, in die kleine kamer, onder die lichtkring van de hanglamp, het grote stuk vlees voor zich, dat hij nu sneed, met veel kunst, terwijl hij Alex aanried te kijken hoe papa vlees sneed, opdat hij het ook later zo doen zou. Hij wijdde zich nu aan het vlees; hij sneed de regelmatige plakken zuiver... Adeline, de kinderen zagen toe.
Hij at goed, en na het eten viel hij in een zware slaap.
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''III'''}}}}
Neen, niemand, die het aan hem zag. Hij kon het zich nu bekennen met zekerheid. Om hem heen scheen — meer en meer werd hij het zich bewust — om hem heen scheen een opake sfeer te zijn, als een materiële schijn, waardoor niemand binnen hem zag, waardoor niemand doordrong en hem kende als hij zichzelf kende. Nu dat hij op deze avond zat bij Constance, zag Constance het hem niet aan, dat hij gisteren Pauline ontmoet had en mee was geweest naar haar kamer. Ook zijn vrouw zag het hem niet aan, ook Van der Welcke zag het hem niet aan. Er was om hem heen niets dan de gewoonheid van een avondgesprek, in Constance's salon, in het gezellige schemerlicht der kant-omkapte lampen, terwijl de wind buiten van heel ver aankwam, en klagende, huilde rondom het kleine huis... In zijn gemakkelijke stoel, naast zich het grogje, door Constance bereid, was hij, in burgerkleding, een grote zware blonde man, en zijn bewegingen waren brusk, luid klonk zijn commandostem... Zijn vrouw zat daar, stilletjes, en geresigneerd in haar kalme moedertjes-leven: de kinderen, thuis, sliepen... O, zijn kinderen, hoe hij ze liefhad... Zeker, dat was alles zo, schijn <section end="s2"/><noinclude></noinclude>
2w5urcr592wmv9s30yce5dkd9bevupq
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/484
104
68548
222223
188462
2026-05-31T13:29:10Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222223
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>was het niet, zeer zeker was het wel de waarheid, maar achter die waarheid school een andere waarheid, en daarom scheen het als schijn — zijn uiterlijk leven van officier, echtgenoot, vader — en de wàre waarheid: dat was wel alles wat hij altijd verzweeg: zijn vreemde melancholie; de grote wurm, die aan hem knaagde; zijn snel, heftig golvend bloed — zijn ziel van sentimentaliteit en melancholie — die wriemelende angst in zijn merg — die opjeugdigende zinnelijkheid in zijn bloed... De woorden van kalme sympathie vielen in het vertrek zacht rond, als kleine lieve dingen tussen zuster en broer, die elkander nog sympathiek zijn in het onvermijdelijk verder en verder schuiven der familie-sferen, maar hij — ook al sprak hij, al was hij jolig, al maakte hij gekheid — hij zag voor zich Pauline, zoals hij haar gisteren in zijn armen had gehad... God, hij kon het niet helpen, waarom was hij dan ook zo gemaakt. Een mooie vrouw... voor zijn oog... dat maakte hem dol! Nu, jaren, al de jaren van zijn huwelijk had hij zich kalm, bezadigd gehouden, maar gevoeld had hij het langzamerhand, dat de kalme bezadiging op den duur hem niet deugde. Hij had het mooi in zich afkeuren; hij had mooi zich zien een echtgenoot en een vader van lieve kinderen — die aan die dingen niet meer moest denken... die ze laten moest aan zijn jeugd, die hij vaarwel had gezegd... Als woelige spiralen waren de herinneringen voor hem opgekronkeld, en toen hij Pauline weer — bij toeval? — ontmoet had, had hij razende op zichzelf, en vloekende op haar, met een hoop van ruwe woorden — een afspraak met haar gemaakt, voor de volgende avond, op haar kamer... Neen, in jaren had niemand hem zo gezoend! Daarbij was hij sentimenteel. Wist hij het, verdomme, niet zelf dat hij sentimenteel was? Wist hij niet, dat soms, als hij een boek las, een stuk zag, als mama bij hem klaagde, zoals zij klaagde tegenwoordig; als hij Dorine zag en met haar meelijden voelde — wist hij het, verdomme, dan niet zelf, dat hij sentimenteel was, en dat hij zijn zenuwen bij elkaar moest pakken, om geen vochtige ogen te krijgen... En Pauline — of ze het wist of niet, dat hij sentimenteel was, dat kon hij niet doorzien — maar behalve, dat niemand hem zo zoende en hem zo dol wist te maken, werkte ze ook nog op zijn sentimentaliteit. Hield ze hem voor de gek of meende zij het? Hij had nooit die ogen van haar kunnen vertrouwen: er bleef altijd een vonk van spot in, maar als ze hem zei: de mannen... de mannen zijn zwijnen, Gerrit... alleen jij... jij niet... jij bent zo lief en zo zacht — al ben je nog zo een ruwe kerel... dan had ze zijn sentimentaliteit te pakken, en dan wist hij niet, hoe hij los kwam uit haar greep... "Zie Gerrit, en daàrom... toen ik je weer zag... was ik zo blij... was ik o zo blij, Gerrit!"
Hij had gevloekt, hij had haar gevraagd, waarom ze niet liever een jonge rijke kerel achter de broek zat, in plaats<noinclude></noinclude>
j0j5uh2zjkmwfr924n7a41dup22qbwh
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/485
104
68549
222224
188463
2026-05-31T13:29:40Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222224
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>van hem, die noch jong, noch rijk was, maar haar gouden ogen hadden maar geglimpt en ze had maar herhaald: o, de mannen, Gerrit... ze zijn zwijnen... ze zijn zwijnen... allemaal!
En — het was misschien allerstomst van hem — hij had haar geloofd: hij had haar geloofd, dat zij alleen hem geen zwijn vond ... en als een vrouw hem eenmaal beet had èn bij zijn dolheid èn bij zijn sentimentaliteit... dan kon hij niet gemakkelijk los zich wringen... o ja, zoveel kende hij zich wel!
Zie je, dat wist nu niemand van hen, terwijl zij daar zo rustigjes met hem praatten, terwijl hij behagelijk slurpte aan zijn grog, wijd de benen lang uit — en terwijl hij buiten de wind razende hoorde van verre aanhuilen... Ook Paul was nu binnengekomen, wrijvende zich de handen: hij was met een rijtuig gekomen; hij beweerde, dat hij te oud was om door zulk weer, en zulke smerige straten te lopen van de Houtstraat naar de Kerkhoflaan... De tram? Dank je wel... zo een smerige boel, als een tram, en dan nog wel met regen en storm... En hij schitterde uit in boutades, een ogenblik, boutades tegen zijn vies vaderland, waar het altijd en altijd regende; tegen de mensen, de hele wereld, die vies was... Toen hij zitten ging, zag hij om, met een blik, die hem eigen geworden was: of er ook geen pluisjes lagen op zijn stoel... En dadelijk zei hij niets, waren zijn woorden uitgeschitterd, zat hij stil, het niet de moeite waard vindend zich te vermoeien met te praten, omdat niemand waardeerde. Gerrit hoorde Constance, met haar zachte stem, hem zusterlijk maar ernstig brommen. — Dat hij zo oud werd, zich zo eenzaam opsloot, zich zo gaan liet aan zijn manie van zindelijkheid en alles vies vinden... Hij antwoordde met een paar korte boutades... Toen zeide Constance, dat zij ook Dorine had gevraagd, maar dat Dorine niet scheen te komen, en dat tante Ruyvenaer te moe was, omdat zij het nieuwe kleine huis met de meisjes dezer dagen inrichtte... En Gerrit voelde in haar — nu mama oud werd, heel oud — hoe Constance bij elkaar in haar plaats zocht te houden de familie-elementen... Niet zo wijd en alles omvattend als mama had gedaan — nog deed — maar een kleine kern, van sympathie... Ach, het zou haar niet lukken, dacht Gerrit... De cirkels schoven niet in elkaar: ieder was zichzelf: hij ook... Dacht hij hier niet aan Pauline? Had hij niet een stille geheimenis? Had ieder niet misschien zijn stille geheimenis; terwijl zij zo schijnbaar sympathisch bij elkander zaten en spraken...
Addy nu was binnengekomen, nadat hij gewerkt had boven en Gerrit lette op de verzoenende glimlach, waarmee hij dadelijk zijn vader naderde, zijn vader, die hem de laatste tijd boudeerde, omdat zijn jongen een besluit had genomen, waarmee hij het helemaal niet eens was... Maar, tegen de verzoenende glimlach, scheen al sedert weken en weken Van der Welcke niet bestand — had Gerrit wel gezien — lijdende<noinclude></noinclude>
kfnz82slufr9axwty4v5bh3c4voip0o
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/486
104
68550
222225
188464
2026-05-31T13:30:09Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222225
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>hijzelf het meest onder de bouderie, en niet goed wetend hoe hij zijn houding langzamerhand zou veranderen, terwijl die kalme glimlach van Addy beduidde: vadertje moet zich toch wel gewonnen geven, want het is niets dan redelijkheid, die ik wens.
En Gerrit, behagelijk, zag hem aan, hopende, dat zijn jongens ook zo zouden worden, maar Paul, zodra hij Addy zag, schitterde uit in spot, een spot, waaronder school een bestuderende belangstelling, en die de jongen rustig aanhoorde, met zijn ernstige, blauwe blik in zijn jong blond fris gezicht:
— Zo aanstaande heer professor... waarde dokter in spe... hoe gaat het met de patiënten? Heb je er veel, op het moment? Is de mensheid sedert uw hygiënisch optreden toegenomen in vitaliteit en primordiale levenskrachten? Levensinblazer! Op wie ga je het eerst je krachten beproeven, Esculaap? Op leden van je familie zeker? Krijgen we het eeuwige leven van je, Addy? Nu maar, mij hoef je het niet te geven... Kan je niet maken, dat het menselijk lichaam in de toekomst wat zindelijker functionneert? Daar moeten we nu altijd in bewondering voor neerknielen: voor dat kunstwerk van de Schepper: het menselijk lichaam, en wat is er smeriger dan het menselijk lichaam? Vies huis van vlees, waarin kwijnt onze arme, kleine ziel... Addy, als je later nu knap bent, haal er dan eens alles uit: darmen, ingewanden, de hele rommelse boel... en zet er voor in de plaats een zilver machinetje, dat je tenminste poetsen kunt... als er dan een machine zijn moet!
De jongen werd nooit boos, stond voor zijn oom, en legde zijn hand op Pauls schouder, en zag hem aan, en zei:
— Waarom ben je nu niet altijd zo vrolijk, oom?
— Vrolijk? Vind je me vrolijk? Hij vindt me vrolijk, terwijl ik vloek tegen het menselijk smeer! Is dat je diagnose, professor? Nu man, die is al heel mis, hoor! Je krijgt er nooit je tientje voor! Vrolijk, God neen, jongen, dat ben ik helemaal niet... Zolang het leven zó smerig is als het is... ben ik zo melancholiek als ik maar zijn kan... Genees me, maar maak eerst de Augias-stal schoon, kerel... In onze ziel is nog éen rein plekje, maar verder is alles vuil! Nu zeg me, met wie begin je dan? Zou je niet oom Gerrit kunnen genezen...? Hem betere eetlust geven...? En gezondere slaap...? Een frissere kleur...? Hem zijn grote body wat leren bijwerken... Kijk eens, hoe kwijnend hij er uit ziet...
Er was in de blague van Paul iets, dat Gerrit heel onaangenaam aandeed, maar Gerrit lachte luid, als vond hij het een onbetaalbare mop, dat Paul hem toewenste betere eetlust, gezondere slaap... Spotte Paul? Zag Paul iets door zijn schijnkracht heen... En Addy, zou hij later zien? Neen, niemand zag: onzichtbaar voor allen wroette de duizendpoot...
En hij stond op, om zichzelf nog een grogje te bereiden, maar hij bereidde het zo, dat het bijna niets was dan warm water met citroen.<noinclude></noinclude>
jxicw5723cxe69h5s33hnywa7qk9xuf
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/487
104
68554
222226
188473
2026-05-31T13:30:24Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222226
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
{{c|{{larger|'''IV'''}}}}
Hij had haar nooit goed begrepen, vroeger ook niet. Hij had vroeger, jong officier, alleen in haar gezien een mooie meid, een heerlijke meid, op wie hij dol verliefd was geweest. Hij had nooit haar ogen begrepen, en nooit haar ziel, maar hij had vroeger nooit heel lang over die ogen en die ziel nagedacht, omdat hij zichzelf toen ook nog zo weinig kende — helemaal niet zoals hij nu zich kende. Toen had hij alleen vaag, nu en dan, met glimpen, zich in zijn sentimentaliteit gezien: nu wist hij die sentimentaliteit heel stellig in zich, als een blauwe achtergrond in zijn ziel. En hij was zo bang voor die sentimentaliteit — zo bang zich te vergissen in het vlijmend spottend reële van zo een meide-ziel, — zo bang het voor zich toch maar mooier te maken dan het werkelijk was, en liever vooral en weker en teerder — dat hij nooit anders tot haar kon spreken dan of hij vloekte of schold, zijn stem even ruw, alsof hij donderde tegen een van zijn huzaren. Laat ze me niet beet krijgen... en laat ik mezelf niet beetnemen... zo dacht hij altijd, en was op zijn hoede. Daarbij, een rancune, dat hij zich niet los van haar had weten te houden; dat hij haar gevolgd was naar haar kamer; een rancune — omdat hij dacht aan zijn huis aan zijn kinderen — aan alles waarheen hij weer ging, als hij haar kamer verlaten had... En hoe wende je toch aan alles, dacht hij: nu, rustig, zonder hartklopping van nervoziteit, stak hij, na bij haar geweest te zijn, zijn sleutel in zijn huisdeur, — rustig kleedde hij zich uit — kwam de kamer in, waar Adeline al te bed lag... Hoe wende je aan alles, en hoe dee je langzamerhand dingen, die je eerst zelf allerellendigst had gevonden... Dat dee je, omdat je wel niet anders kon... en ook omdat je ideeën, met iedere dag, dat je het deed, wegdoezelden tot een onverantwoordelijkheid, een zich laten gaan aan wat je zo machtig beet hield... Toch, bij haar, altijd, voelde hij scherp de rancune: de rancune doezelde niet weg... Bij Pauline, scherp, voelde hij de vrees zich nog meer beet te laten nemen — haar liefjes en mooi teer te zien, terwijl ze natuurlijk niets dan een meid was, die geld uit hem meende te kloppen. En op haar kleine, bijna armoedige kamer, vroeg hij haar dan, donderde hij tegen haar uit:
— Zeg, waarom kan je me niet met rust laten?
Haar gouden ogen glimpten en een heimelijke spot zag hij er in. Neen, hij zou er wel voor oppassen, hoor, dat zijn sentimentaliteit haar niet zag als een plaatje op een bonbon-doos. Je hoefde maar in die ogen te kijken!
— Maar Gerrit, zei zij en ze zat aan zijn voeten liefjes: ik heb je toch niet achtervolgd... Ik ben je bij toeval tegengekomen... heus, bij toeval, hoor... herinner je: eens in het rijtuig... dat was de eerste maal... toen bij de Alexanderkazerne...<noinclude></noinclude>
lz3nlkpu640ljqhm05cb5k8smz2ckzf
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/488
104
68555
222227
188474
2026-05-31T13:30:41Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222227
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Maar wat dee je bij de kazerne, verdomme?
Zij zag vleierig tegen hem op, haar handen streelden zijn lichaam.
— Nu ja... ik dacht wel...
— Zie je wel...je dacht wel...
— Ja... je zal het niet geloven... Zelfs de laatste tijd... in Parijs, Gerrit...
— Wat?
— Dacht ik wel eens aan jou.
— Ach wat, je liegt... Denk je, dat ik je geloof?
— Neen, je gelooft niet, maar Gerrit... heus ... de mannen zijn zwijnen... en jij...
— Jawel, dat zeg je aan iedereen: denk je, dat ik die aardigheid niet begrijp...
Nu lachte zij heel vrolijk, en ook hij lachte.
— Ik lach, zei zij; omdat je zo ongelovig doet... Zeg Gerrit, waarom doe je zo ongelovig...
— Ik?
— Ja, waarom doe je zo? Je doet het expres, niet?
— Wat expres... Denk je, dat ik me laat paaien door al jouw lieve praatjes... Als je die verkoopt, dan moet je geld hebben, en ik... ik heb je al gezegd... ik heb geen geld...
— Maar Gerrit, ik vraag je geen geld... en ik krijg ook geen geld van je...
Nu kreeg hij een kleur, een gloed over zijn rood verbrand gezicht — zijn hals blank en duidelijk de streep, die zijn uniformkraag op zijn huid had getekend. Het was wel waar wat zij zei: zij vroeg geen geld en hij gaf haar geen geld. Hij had het niet — om het haar te geven.
— Nu zal ik het je eens vertellen, zei zij en nestelde zich dichter tegen zijn benen. Zie je, in Parijs, de laatste tijd, had ik erg het land... Je begrijpt, niet waar Gerrit, dat je er wel eens genoeg van krijgt... en dat zo een bui je niet vrolijk maakt...
— Ach wat, bruskeerde hij; en jij, die altijd lacht...
— Ik lach altijd?
— Ja... jij, met die ogen... die ogen, die altijd lachen...
— Dat zijn mijn ogen, Gerrit... Ik kan het niet helpen, dat ze lachen.
— En jij zou me willen wijs maken, dat je wel eens landerige buien had...
— Nou, kan ik daar geen reden toe hebben...
— Jawel... Maar zó ben je niet...
— Hoe...
— Om lang bij de pakken neer te zitten.
— Dat heb ik ook niet gedaan... Ik ben naar Holland teruggekomen.
— Had je geen succes in Parijs meer...<noinclude></noinclude>
bveyong5sqo3d8hs2y1lw7nxs5ml5d5
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/489
104
68556
222228
188475
2026-05-31T13:31:00Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222228
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Jawel... niet veel meer, aarzelde zij tussen haar ijdelheid en vreemde gevoelens, die zij zelf niet zuiver wist.
— Nou... daarom ben je naar Holland gekomen...
— Ik had naar Londen kunnen gaan.
— Naar Londen...
— En vandaar naar Berlijn.
— Berlijn...?
— Dan St. Petersburg.
— Zeg, ben je gek...
— Dan Constantinopel.
— Hou op, zeg...
— En weet je, waar we eindigen?
— Wat eindigen?
— In Singapore... Je weet toch wel, dat dat het reisje is...
— Ach, nou ja... dat heb ik me wel eens laten vertellen, maar dat is onzin.
— Zoveel maken er zo het reisje... Het is geen rondreisje, Gerrit. Je komt niet terug... in Parijs.
— Wat heb jij toch een dolle manier om die dingen te zeggen, lachte Gerrit, ongemakkelijk. Je bent altijd zo vreemd geweest... Zeg, je vader ... was een kellner...
— Neen... een meneer... Mijn moeder een wasvrouw... in Brussel.
— En je twaalf jaren in Parijs...
— Hebben me Parisienne gemaakt...? Gerrit, ik verlangde naar Holland!
— Dàt geloof ik nooit.
— Ja, Gerrit, ik verlangde naar Holland!
— Jij kan liegen... met je ogen! Ik geloof nooit iets van wat je zegt.
— Gerrit... en naar jou!
— Wat?
— Ik verlangde naar jou.
— Jawel, hoor. Klets maar op.
— Ik herinnerde me van vroeger...
— Nou ja, schei nu maar uit.
— Weet je nog...
— Jawel, ik weet alles. Schei nou maar uit met die herinneringen. Je hebt me al genoeg beet. Waarom zoek je niet een jonge rijke kerel.
— Je bent niet oud, Gerrit.
— Zo, ben ik niet oud.
— Neen, ik wel... ik ben ouder geworden, niet waar, Gerrit?
— Je ogen niet.
— Maar verder?
— Ja... natuurlijk... Je bent ouder geworden...
— Gerrit, ik wil niet oud worden... Ik vind het vreselijk oud te worden... Ben ik nog mooi, en...<noinclude></noinclude>
l0eni7jlx1ahfpfwo2j0g07swd1inue
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/490
104
68557
222229
188476
2026-05-31T13:31:15Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222229
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Ja, ja...ja...
— Maar heel gauw... dan...
— Dan wat...
— Dan ben ik lelijk. Oud.
— Ach, zit niet zo te zaniken...
— Ik hou veel van je, Gerrit. Je bent zo...
— Ja, ik weet al wat je zeggen wilt. Ik ga nu weg, hoor...
— Ga je al weg... Gerrit, zeg, je hebt kinderen, hè. Je hebt zeker lieve kinderen.
Hij zag spot in de glimpende ogen.
— Hou over mijn kinderen nu je bek.
— Mag ik niet naar ze vragen?
— Neen.
— Ik heb ze verleden gezien, wandelen...
— Schei nou uit...
— Ik vond ze zo lief.
Hij vloekte ruw, en bars.
— Schei je nou uit??
— Ja... Ga je weg?
— Ja...
Hij ging al, de deur uit.
— Ben je boos?
— Neen, maar die praatjes vervelen me. Daarom kom ik niet bij je...
— Neen, daarom niet... Maar met jou... Gerrit... mag ik toch wel eens praten...
— Ja, maar niet zulke onzin. En helemaal niet over mijn kinderen.
— Ik zal het niet meer doen. Dag Gerrit.
— Adieu...
Op de corridor zag hij om, knikte haar toe. In de half schemerig verlichte kamer zag hij haar staan in de half geopende deur, in een lijst: zij stond er als een mooie, slank-soepele vrouw, in een doezeling van dof goud: het licht, haar gele peignoir, de tikjes van goud galon om de hals, heel blank — het haar vreemd goud, om haar poeierblanke gezicht, en onder de scherpe streep van de brauwen de ogen, goud, met een gouden glimp. Haar stem had heel vleierig zacht geklonken, heel die avond aan zijn oren, of zij zong klagend... van jeugd, van herinnering, van vroeger, van verlangen naar vaderland... en naar hem... allemaal in haar onnatuurlijke, onmogelijke dingen... die hij er in meende te horen door zijn beroerde sentimentaliteit heen, sentimentaliteit, die, hoe geheim voor iedereen, toch was in hem klaar duidelijk voor hemzelf...
En op straat dacht hij:
— Ik moet oppassen voor die meid... Ze is zo gevaarlijk... als niet éen... Voor {{sp|mij}}.<noinclude></noinclude>
j1irxe1zfnapjzd2fbrfloniar0tzsv
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/491
104
68558
222230
188478
2026-05-31T13:31:32Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222230
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
{{c|{{larger|'''V'''}}}}
Nu, als hij het dan zo opvatte — dacht hij — dan zou hij het gevaar van die liaison tot een minimum weten terug te brengen. Hij had zich nu eenmaal laten inpalmen — nu was het de zaak zich weer los van haar te maken — zachtjes, zachtes aan, en dit zou hem wel degelijk gelukken, want zich laten lijmen voor lang, dat hadden ze hem nooit gekund, en dat zou Pauline zelfs ook niet. Hij had haar getoond, dat al had ze hem nu meegekregen, dat al was hij nu en dan teruggekomen, ze volstrekt geen macht over hem had en hij zijn eigen meester bleef. Zijn stem overbulderde de hare; zo dat hij haar vleierig brouwende stem zelfs niet altijd hoorde — zijn krachtig ongeloof hield sterk tegen zijn sentimentele neigingen — en zo had zij alleen vat op zijn opjeugdigende zinnelijkheid — met de gloeiing der herinneringen diep in zijn bloed — maar dat zou niet langer duren dan het duren zou, en daar hij in de werkelijkheid na twaalf jaren die herinneringen niet meer terug zou vinden, zou mettertijd — en zelfs binnen vrij korte tijd — de bekoring, de betovering slijten. Ja, want ze was oud geworden. Haar twaalf Parijse jaren waren niet straffeloos over haar heen gegaan. Al dat frisse — als een vrucht, waarin hij hapte — van vroeger was weg; hij kon niet uitstaan de muffe lucht van de verf, die ze op haar gezicht smeerde — ruw had hij eens met een doek over haar gezicht gewreven, tot ze boos was geworden — zich had opgesloten — tot hij weg was moeten gaan, en de volgende keer zijn excuzes had moeten maken — en vooral trof hem de schuchterheid haar lichaam te tonen, kunstigjes zelfs in zijn arm te blijven in al die kanten en flebbels, die een illuzie moesten geven van wazigheid om haar heen — wazigheid, door welke hij wel heen zag, dat zij niet meer was de meid van twaalf jaar geleden... En nu, dat hij zijn herinneringen van toen vergeleek, bij wat zij hem nu gaf, begreep hij niet, dat hij zich zo had laten inpakken door haar ogen, die dezelfde waren gebleven, ook al smeerde ze er nu zwart om heen — begreep hij niet, dat hij mee met haar was gegaan in de Bosjes — en begreep hij niet, dat hij bezweken was voor haar aanhouden haar te volgen naar haar kamer.. . Neen, los zou hij zich maken van die vrouw, van die oude meid, die hem een verwarring in zijn leven gebracht had, zijn leven van bezadigd echtgenoot en vader vooral... Los zou hij zich maken... Moeilijk zou het niet zijn, nu het heden zo weinig hem teruggaf, wat in zijn herinneringen gegloeid had... Maar juist daarom — omdat het zo gemakkelijk zou zijn, omdat het heden zo uitgegloeid was viel een zware melancholie als een schemering om heen heen... Grote God, wat was het ellendig... dat aftakelen, dat oud worden, dat zich voortslepen van de dagen, de jaren; wat was het ellendig, dat alles wat je kreeg van het leven, je betalen moest met je jonge dagen eerst, en later met<noinclude></noinclude>
o3y9j56nmy428f16hthz8da04pb0oy4
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/492
104
68559
222231
188479
2026-05-31T13:31:48Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222231
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>je oudere jaren — als was je leven een bank, waarop je wissels trok, als was je bestaan een kapitaal, waarvan je leefde, en nooit spaarde een cent — zodat, als je dood zou zijn, je ook alles en alles verspild had... God, wat was het ellendig... En dood gaan, dat was nu nog niets... maar juist dat aftakelen, dat beroerde uitgeven van je latere jaren... waarvoor je niets meer kreeg in de plaats — want alles... alles was er al geweest... je jeugd, je kracht, je vrolijkheid, en naarmate de jaren sleepten en sleepten, sjokte je maar voort naar het troosteloze einde was er niets meer... moest je maar toekijken, dat je iedere dag weer een dag uitgaf van je kapitaal van latere dagen... en dat je er niets voor in de plaats kreeg... dat alleen nog je herinnering bleef aan de jeugd, die je ook al verspild had... God, God, wat werd het donker om je heen, als je zulke beroerde dingen bedacht... Jawel... jawel... hij wist het wel... hij zag het wel... waar het blondjes daagde: het daagde in zijn eigen huis — het daagde van uit zijn kinderen... van dezen uit kwam nog het enige licht... voor zover schoof hun cirkel nog binnen zijn cirkel, voor zover hun blonde sfeer nog mengde met zijn eigen sfeer... tot later de cirkel tot vele cirkels zou uitkrinkelen, zo als gestoorde waterstilte uitkrinkelt in verdere en verdere cirkels... weg, wijder en wijder — zo als alles wat sfeer is, wegwentelt... wegwentelt van middenpunt... Zo zou het eenmaal worden — als hij heel oud, heel oud was geworden... Nu was het zo nog niet... nu daagde het nog uit het blonde troepje... Ja, ook om hen, zou hij los, los zich willen maken... Wat hem nooit vast had kunnen houden, zou hem dat vast houden op zijn oude dag... Nu, oude dag was het wel niet, ook al was hij midden in de veertig... Maar toch was het niet zoals vroeger... was niets meer zo als vroeger... Pauline. Pauline ook niet...
Neen, Pauline ook niet. Als hij nu bij haar kwam, had hij een leedvermaak, ruw in zijn woorden, om het haar te zeggen, het haar te doen voelen — zowel om zich ruwer voor te doen dan hij was, als uit de rancune, die hem scherp prikkelen bleef, altijd.
— Zeg, op die oude portretten van je, daar lijk je nou helemaal niet meer op!
Het gaf haar een schrik, als hij dit zeide. Er was niets, dat haar zo zwart schrikken kon doen, pikzwart voor haar uit, of de schrik alles donker maakte, somber als dood.
Zij voelde, dat het een wreedheid in hem was haar dat zo te smijten in haar gezicht, en begrijpen deed zij het niet in hem... Maar omdat haar ogen altijd lachten, lachten zij ook nu, goud...
— Ja, jij gelooft het niet... Jij denkt maar, dat jij alleen dezelfde blijft van vroeger... dezelfde mooie jonge meid... Neen meisje, je hebt het mis, hoor!... Maar jij, jij gelooft me niet... Je grinnikt er om als ik het je zeg... Je denkt, dat je je charme voor de eeuwigheid hebt... Alles slijt, kind... Maar<noinclude></noinclude>
bb3ght5o2gmb7a8m965xqsw5kupo5h6
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/493
104
68560
222232
188480
2026-05-31T13:32:08Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222232
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>je gelooft het niet, ik zie je ogen me wel voor de gek houden.
Inderdaad, haar ogen lachten, opglimpende, met een diepe vonk van spot... En omdat hij zo sprak, lachte zij, lachte zij met een luide lach, waarin klonk een schrille klank, die hem ergerde, die hij hoorde als spot... omdat zij tòch — al leek ze niet meer op haar portretten van vroeger, hem maar lelijk gelijmd had.
— Kom eens hier, zei hij ruw.
— Waarom?
— Kom eens hier.
Zij naderde, huiverende...
Hij pakte haar beet, wat ruwer dan hij wilde doen, tussen zijn benen, keek haar aan in haar gezicht.
— Waarom verf je je? vroeg hij haar.
— Ik verf me niet.
— Zo, verf je je niet... Denk je, dat ik dat niet zie.
— Neen, ik verf me niet..
— Wat is dat dan...
Hij wees naar haar wang.
— Dat is niets dan poudre-de riz, en die blijft er op zitten omdat ik me eerst met een crème smeer...
— Zo. En is dat niet verven?
— Neen.
— En wat is dàt dan?
Hij wees naar haar ogen. Zij haalde de schouders op.
— Dat is met een crayon, even een tikje. Dat is niets. Dat is niet verven. Verven — dat is heel anders.
— Zo. Nou, maar ik hou niet van die smeerlapperij. Waarom doe je het...? Zij zag hem aan, verschrikt, en de pikzwarte schrik hoorde voor haar blik een eindeloos verschiet, van dood. Maar hij zag enkel lachen haar gouden ogen.
— Waarom doe je het? herhaalde hij. Vroeger dee je het niet.
— Neen...
— Waarom dan nu...
Zij hield zich in om niet te huilen. Zij lachte, schril en het klonk als een spot, alsof zij spotte: ik verf me, maar toch heb ik je.
— Geef me een handdoek, zeide hij ruw.
— Neen, weerstreefde zij, en maakte zich los uit zijn handen.
— Geef me een handdoek.
— Neen Gerrit, ik wil niet, hoor...
De ogen, even, toomden op, met een donker verwijt. Maar zij lachten en spotten dadelijk na.
Van de wastafel greep hij een handdoek.
— Kom hier, zei hij.
Haar eerste opwelling was een razernij, die opborrelde... een razernij, als verleden keer, toen zij zich had opgesloten... toen hij weg had moeten gaan... Maar hij had zo iets wreeds,<noinclude></noinclude>
itgs76od7dw7206rw6e488q5vuxbrjn
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/494
104
68561
222233
188481
2026-05-31T13:32:30Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222233
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>en van wraak nemen in zijn stem, in zijn blik, in de bruske beweging van zijn grote lichaam, dat zij bang werd en kwam ...
— Gerrit, smeekte zij, zacht, bang.
— Kom hier. Ik hou niet van die smeerlapperij...
Hij had de handdoek nat gemaakt... Hij waste haar over haar gezicht heen, en wat zachter werd hij in zijn beweging, zijn blik en zijn stem — omdat zij, bang, gelaten was... Hij waste geheel haar gelaat...
— Zo, zei hij. Nu ben je tenminste natuurlijk.
Even krampte zich iets in haar als een haat, maar zij kon niet: in haar zenuwen te verslapt voor haat. Integendeel, zij had altijd — altijd — van hem veel gehouden — omdat hij zo ruw en zacht was, vreemd door elkaar. Angstig bleef zij voor hem staan, in zijn handen haar handen.
Zo — zo leek ze tenminste niet meer op een plaatje van een bonbondoos. Zo was hij veilig voor zijn sentimentaliteit... Maar God, wat was ze oud geworden... Wat was haar vel rimpelig, vol sproetjes en vlakjes... Was het mogelijk, dat wat nattigheid uit een flacon en wat poeier dat alles bedekken kon... En de gouden spotogen, hoe keken zij nu spectraal, zonder de schaduw om brauwen en wimpers... Toch hield ze hem nog steeds voor de gek... Maar toen, plotseling, toen voelde hij medelijden — had hij het land, dat hij ruw was geweest, ruwer gedaan had, dan hij was. Zo was hij altijd, zo deed hij altijd maar, zette een stem op, maakte breed zijn brede schouders, sloeg op de tafel met zijn vuist... om niets, om ruw te zijn, en niet sentimenteel. En zoekend om haar iets te zeggen, zei hij, met een stem, die zij dadelijk doorkende — een stem van medelijden — de zachtheid nu door zijn ruwheid: dat wat ze — altijd — lief had gehad in hem:
— Gerust Pauline... zo ben je veel mooier...
Maar zij zag voor zich het pikzwart verschiet boren.
— Zo ben je veel mooier. Zo ben je een mooie, frisse vrouw...
Haar ogen lachten.
— Je hebt helemaal niet nodig die vuiligheid op je gezicht te smeren.
Nu lachten haar lippen.
— Geef me een zoen, kom hier... Kom hier.
Hij greep haar in zijn armen. Hij voelde haar vlees week als greep hij in dons, in kant, als greep hij niet naar een vrouw: zoals hij zich haar vroeger, in de gloeiing zijner herinnering heugde — een vrouw van warm marmer.
Zij, zweepte zich op, in haar verlangen. Zij spande haar spieren, omhelsde hem met kracht, met al de wetenschap van passie, die was aangeleerd in jaren. Zij omhelsden elkander geheel, en in hun omhelzing was voor beiden een wanhoop, als zonken zij beiden met hun opperst geluk in een zwarte afgrond, in plaats van tot de sterren te stijgen...<noinclude></noinclude>
3xbq1csi7z739twc3x0c3npy2tux10w
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/495
104
68562
222234
188482
2026-05-31T13:32:50Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222234
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
Nu lag zij tegen hem, als een lijk. Nooit had hij zich zo vol zware melancholie gevoeld in zijn zware, zware ziel. Nooit had hij zo gedacht — plotseling, in een flits — aan geheel, geheel zijn leven — aan zijn jongensjaren, — Buitenzorg, — de rivier, Constance — aan zijn jonge luitenantsjaren — zijn dolle tijd — de tijd van de onuitputtelijke, vrolijke, brutale jonge liefde... En na die heel jonge tijd, nog lange, lange jaren van jeugd — Pauline, toen ook jong, warm marmer — en toen de bezadiging, zijn huwelijk, o de blonde dageraad van zijn kinderen... Hij was niet oud, hij was niet oud, maar er was alles al geweest... Er zou niets, er zou niets meer komen, dan het aanslepen der eentonige jaren, en, met ieder jaar, zouden verder en verder de blonde cirkels schuiven, zou het meer en meer schemeren om hem heen... Nooit had hij zich zo vol zware melancholie gevoeld in zijn zware, zware ziel.
Zij, tegen hem, lag als een lijk. Hij voelde haar als een pak van dons, van kant, slap week als een kussen, nog in zijn arm. Hij had haar af van zich willen smijten, wee, misselijk van die lauwe weekte. Maar hij hield haar, in zijn arm, deed haar rusten tegen zich aan, duldde het lauwe pak van kant en dons op zijn borst. Haar oogleden hingen dicht als zou zij ze nooit meer heffen. Haar mond hing naar beneden, als zou zij nooit meer lachen. Toch bleef hij haar vasthouden, zo. Het was nu niet om zijn sentimentaliteit, want een bonbonplaatje — o God, was zij helemaal niet; en het was niet om ruw opjeugdigende zinnelijkheid, dat hij nu in zijn arm hield dat slappe pak — neen, het was om een waar, echt, maar zwaar melancholiek gevoel: het was om medelijden. Hij had haar met een handdoek de verf van haar gezicht kunnen wassen, maar hij kon haar nu niet van zich afgooien, voor zij zichzelf zou opheffen uit zijn armen. En zij bleef liggen, als een lijk. O God, wat duurde het lang... Toch, hij kon het niet: hij bleef haar dulden, op zijn hart. Hij zag schuin op haar neer, onbewegelijk, en vochtig werden zijn ogen... Die beroerde ogen, die vochtig werden. Hij kon het niet helpen: ze werden vochtig. Hij kneep ze dicht; met zijn andere hand veegde hij ze af, voor Pauline ze vochtig zou zien. En hij bleef, hoe lang, hoe lang! Eindelijk zuchtte hij diep, haalde zij adem; hij kòn niet meer: niet om haar zwaarte, maar om haar weekte, om dat slappe, dat weke, dat donzige, die verkreukelde kant tegen hem aan. Zijn borst hief zich hoog; en zij ontwaakte uit haar lethargie. Zij hief de zware oogleden, zij trok samen de lippen tot een glimlach. Het was als éen grote wanhoop...
Nu richtte zij zich uit zijn armen, en stilletjes maakte hij zich gereed om weg te gaan.
— Gerrit zeide zij dof.
— Wat is er, kind?
— Gerrit... herhaalde zij. Je weet niet hoe ik gelukkig ben, dat ik je... hier — weer ontmoet heb... Dat we elkaar weer<noinclude></noinclude>
9jm82uh4ng3opwzqnueofy0kubpcjjt
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/496
104
68563
222235
188483
2026-05-31T13:33:12Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222235
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>hebben gezien... In Parijs... zo dikwijls, heb ik aan je gedacht... omdat ik altijd... een beejte van je gehouden heb... omdat je zo zacht en zo ruw tegelijk bent... Zo ben je... en daarom heb ik van je gehouden... O, het was zo lief je weer te ontmoeten... na zo lange, lange jaren... die smerige, smerige jaren... Het was zo gelukkig... zo gelukkig! Ik dank je wel, Gerrit... voor alles... Maar ik wou je zeggen...
— Wat kind?
— Je moet... nu... maar ... niet... meer... terugkomen ... Zie je... je moet nu... maar... niet... meer terugkomen... We hebben elkaar... nu nog eens gezien... dikwijls... dikwijls... wel een tien... een twaalf keer... ik weet het niet meer... Het was... zo een heerlijk... een heerlijk geluk... dat ik het niet heb geteld... Maar je moet nu... maar... niet neer terugkomen...
— En waarom niet, kind? Ben je boos... dat ik je met die handdoek heb afgewassen?
— Neen... Gerrit ... dat is het niet, daarom ben ik niet boos... Ik ben niet boos...
Inderdaad, haar ogen lachten.
— Maar toch... moet je nu maar niet meer terugkomen.
— Zo? Heb je dus genoeg van me...
Zij lachte schril.
— Ja... zei zij.
— O. En heb je een jonge, rijke kerel genomen, zoals ik je heb geraden?
Zij lachte nog schriller en haar gouden ogen spotten.
— Ja... zeide zij.
Door zijn zware melancholie heen, was hij boos en jaloers.
— Dus je hebt mij niet meer nodig?
— Nodig... Ik zou je wel nodig hebben... maar...
— Maar wat?
— Het is... voor alles... beter van niet. Je moet maar niet meer terugkomen, Gerrit.
— Nou, goed dan.
— En niet boos zijn, Gerrit.
— Neen, ik ben niet boos. Dus het is dan vanavond voor het laatst geweest.
— Ja, zei zij.
Zij zagen elkaar aan, en beiden lazen zij in elkanders ogen de herinnering aan hun laatste omhelzing: de opzweping vol wanhoop.
— Goed dan, herhaalde hij zachter.
— Adieu dan, Gerrit.
— Dag kind.
Zij omheisde hem, hij haar. Hij was gereed, om te gaan. Hij bedacht plotseling, dat hij haar nooit iets gegeven had, dan die eerste avond in de Bosjes, een tientje en twee rijksdaalders.<noinclude></noinclude>
exvflr6pgltyh6lcbv0kc5kx4dlcwr1
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/497
104
68564
222236
188484
2026-05-31T13:33:27Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222236
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
<section begin="s1"/>{{dhr}}
— Pauline, zei hij: ik wou je wat geven. Ik wou je wat sturen. Wat mag ik je geven?
— Ik wil wel iets van je hebben .. . Maar dan moet je het me niet weigeren...
— Als het me niet onmogelijk is.
— Als het je niet mogelijk is... wil ik niets van je.
— Wat wil je dan?
— Je hebt zeker nog wel een portret... een groepje... van je kinderen...
— Wou je dat hebben? vroeg hij verbaasd.
— Ja.
— Waarom?
— Dat wil ik nu zo.
— Een portret van mijn kinderen?
— Ja. Als je dat niet hebt... of als je me dat niet geven kunt... dan wil ik niets, Gerrit. Dank je dan wel, Gerrit.
— Ik zal zien, zei hij dof.
Nu omhelsde hij haar nog eens.
— Adieu dus, Pauline.
— Adieu Gerrit...
Zij kuste hem vluchtig, zij dreef hem bijna nu de deur uit. Het was tien uur in de avond.
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''VI'''}}}}
Op straat slaakte Gerrit een ruime zucht van verlichting. Ja, nu was het goed, zo was hij weer los van haar. Heel lang had het niet geduurd en wat heel pleizierig was, was dat niemand van zijn kameraden, van zijn kennissen, van zijn familie een ogenblik die liaison had vermoed, een ogenblik had gemerkt, dat het verleden, de herinnering, zijn jeugd voor hem op had gedoemd, had gespookt, had gespotlacht — in Pauline, in haar lichaam, in haar gouden ogen. Een geheim was het gebleven, en dat wat een grote verveling in zijn leven van vader en echtgenoot had kunnen worden, was niet meer dan, even, een ogenblik geweest, een voor ieder onzichtbare poging terug te dwingen wat al lang voorbij en gedaan was. Nu was het dan voorgoed gedaan en voorbij. O, het was de eerste en laatste keer: nu zou hij zich niet meer laten vangen door wat terugspookte uit vroegere jaren... Maar hoe treurig was het dat zo te bedenken, dat àl dat vroegere wel degelijk voorbij en gedaan was — en dat alles er was geweest. De dagen, de weken, die volgden, liep hij rond met een zware weemoed, zwaar in zijn zware ziel. Niemand zag iets aan hem: in de kazerne bulderde hij als gewoonlijk, thuis ravotte hij met de kinderen, met Adeline ging hij thee drinken bij Constance en hij lachte er om de blague van Paul, die iedere dag meer en meer een oude heer <section end="s2"/><noinclude></noinclude>
0d746y47uwwrce9smd6hi45x6e04uyk
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/498
104
68565
222237
188485
2026-05-31T13:33:44Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222237
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>werd. Niemand zag iets aan hem, en hijzelf vond het heel vreemd, dat zo verborgen was voor het oog van de wereld zijn huiverige ziel diep in hem, als ziekende in zijn grote lichaam van schijnkracht. Ziek... was dan ziek zijn ziel? Neen, misschien niet... Ze kromp alleen in onder de zware, zware weemoed... Schijnkracht... was dan zwak zijn lichaam? Neen, niet zijn spieren... maar de worm krabbelde in zijn ruggegraat, de duizendpoot vrat op zijn merg... En niemand van de hele wereld, die iets zag — van de duizendpoot... van de worm, van geheel zijn huivering van leven — zo als niemand iets had gezien van wat er deze weken tussen hem en zijn verleden geweest was — zijn opjeugdiging — Pauline... Niemand, die iets zag... Het leven zelf scheen blind. Met zijn stap van dag op dag, sjokte het voort... Dat was de kazerne, altijd dezelfde — de paarden — de jongens — zijn officieren. — Dat waren zijn moeder, zijn broers en zusters... Dat waren zijn vrouw en zijn kinderen... Weerspiegeld in de blinde ogen van het voortsjokkende leven zag hij zich alleen als een ruw-goedig heer, — een goed officier, een grote blonde man, al eventjes gegrijsd, een goeie kerel voor zijn vrouw, een goed vader voor zijn kinderen... God, wat was hij goed, weerspiegeld in de blinde ogen van het voortsjokkende leven... Maar er was niets goeds aan hem, en hij was helemaal anders dan hij scheen! Hij was altijd anders geweest, dan hij geschenen had! O, de stomme mensen, o het stomme, blinde leven!
Het was een stille, grauwe regenwinter. Een winter zonder vorst, maar met eeuwige, eeuwige regens, met een hemelwereld van eeuwige wolken, die zo bovenwereldlijk groot en zwaar hingen over de kleine, duisterende stad, over de overstroomde straten, waardoor heen zich haastten de sombere mensen onder de dakjes van hun schermen, dat het dreigde als een langzame aarde-ondergang. Zwart grauw waren de eeuwige wolken, en het was als sloegen zij de schaduw van haar dreiging reeds van den beginne des dags neer, en zo kort waren de dagen, dat het was of het eeuwig nacht was en of de zon, heel ver, zich verloren had, weggewenteld van de kleine mensen-wereld, weggewenteld heel ver achter de onmetelijke wereld der wolken en de oneindige hemelwerelden. En als een eeuwige geseling sloegen de zwepen van de regen neer, gezwaaid door de toornige winden. Het dreigde en huiverde en schemerde over de stad en het schemerde over de zielen der mensen. Er waren weinig dagen van licht om hen heen. Somber zat de oude grootmoeder aan haar raam en knikte welwetend verwijtend het hoofd, omdat de ouderdom niet zo lief rustig was aangekomen, als zij altijd, rustigjes, wel gehoopt had, dat hij zou naderen. Als donker sombere schemering was de ouderdom om haar geschaduwd, schaduwde ze al dichter en dichter om haar heen — omdat ze zag, dat hoe ze ook had gepoogd, ze niet al wat zij liefde, om zich heen had kunnen<noinclude></noinclude>
kcjy5n1exjbhwsgyvtbgf2wssaab3ls
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/499
104
68566
222238
188486
2026-05-31T13:34:01Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222238
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>houden. Naderde het grote Verdriet niet dichter...? Zo als het om haar schaduwde, zo schaduwde het ook al om Bertha, daar ginds ver weg, te ver voor haar, oude vrouw om haar te bereiken en, in een plotse helderziendheid, zag zij — hoewel niemand het ooit haar gezegd had — Bertha zitten aan een raam, dof, in de schoot de handen — zag zij haar zitten en turen, als zij zelf tuurde en zat In een helderziendheid zag zij Karel en Cateau, geheel het troepje van Adolfine weg, ver weg van haar — ook al woonden zij in dezelfde stad, ook al kwamen zij Zondagsavonds geregeld. Ver van zich zag zij Paul, Dorine... Heel ver van zich zag zij haar arme Ernst, van wie zij wist, dat hij was krankzinnig — en haar oude hoofd knikte welwetend verwijtend tegen het wrede leven, dat zo somber haar de ouderdom bracht en die donker, zwart, schaduwen deed om haar eenzaamheid. Ja, er was Constance, er was Gerrit zij voelde die beiden het dichtst... maar al waren ze dichter, zwart werd het om haar heen, zwart onder de zwarte luchten, met er door de glimpen van helderziendheid... Zij zag — al had niemand het haar gezegd — bij Bertha wegtreuren een wit, mager meisje, Marianne... Zij zag — hoewel niemand het wist — in Parijs Emilie en Henri tobben, vechten met het leven, dat met armoede, die zij nooit hadden gekend, op hen afkwam, afgrijselijk, afschuwelijk. Zij zag het zo, dat zij het bijna had willen zeggen... maar omdat ze haar niet geloven zouden, zweeg zij maar, het gehele sombere leven duldende, als de stad duldde de zwarte luchten en de geselingen van regen... En zij zag ginds ver weg, te ver voor haar, een vrouw, oud als zij, sterven. Zij zag haar sterven, en aan haar bed zag zij Constance en zag zij Addy... Zo duidelijk zag zij het, tussen haar blik en de regenstriemen, als geprojecteerd op het gordijn van de regen, dat zij het had willen zeggen, willen uitschreeuwen... Maar omdat ze haar niet geloven zouden, zweeg zij maar, het gehele sombere leven duldende — als de stad duidde de zwarte luchten.
Dan werd het dof om haar heen, dan zag zij niets meer, en op haar borst viel het knikkende hoofd in slaap, en zij zat, slapende, stil zwart beeld, terwijl aan de ruiten van het serre-raam, waarbij zij placht te zitten, de regen tikkelde als met vingers, die haar toch niet wakker konden tikken...
Uren zo zat zij alleen in de schaduw van haar dag en in de schaduw van haar ziel, en als een van de kinderen of de kennissen kwam, vond die haar somber.
— Mama, vindt u het nu niet zo eenzaam...? We zouden gaarne allen hebben, dat u een juffrouw nam, zei op een middag Adolfine.
De oude vrouw schudde boos het hoofd.
— Een juffrouw? Waarom? Neen.
— Of dat Dorine bij u kwam.<noinclude></noinclude>
nev909jkpmzvd2ed2wmzlssyv84r54s
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/500
104
68567
222239
188487
2026-05-31T13:34:21Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222239
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Dorine? Wonen bij me? Neen, neen, niet in huis. Waarom?
— U is zo eenzaam, en al heeft u de meiden lang, zou toch een juffrouw, die bij u zat...
— Bij me, een juffrouw, die hier de hele dag zat. Neen, neen ...
— We zouden het toch gaarne zien, mama.
— Maar het gebeurt niet, hoor. Neen.
En de oude vrouw bleef koppig.
Op een middag zei Adeline:
— Mamaatje, Constance heeft me verzocht u te zeggen, dat ze in een paar dagen niet komen zal.
— En waarom niet, wat is er dan met Constance?
— Met haar niets, mamaatje, maar ze is geroepen naar Driebergen...
— Naar Driebergen.
— Ja, mamaatje. De oude mevrouw Van der Welcke is niet heel wel de laatste tijd
— Is ze al dood?
— Neen, neen, mama.. Ze is alleen maar een beetje ziek...
De oude vrouw, welwetend, knikte op en neer het hoofd. Zij had Constance al aan het ziekbed gezien van de stervende vrouw daar ginds, maar zij zeide het niet — omdat Adeline het niet zou geloven willen.
Op een middag zeide Cateau.
— Mama... het is heèl treurig, maar de {{sp|oude}} mevrouw Friesesteijn...
— O, die heb ik... in lang, in lang niet gezien, en...
— Ja. En het is {{sp|heel}} treurig, mama, omdat het een vriendin van u {{sp|wa}}s. En nu mama... zèggen ze... dat ze ziek is en dàt ze het niet lang maken... {{sp|za}}l.
De oude vrouw, welwetend, knikte...
— Ja, ik wist het... zeide zij.
— Zo?? zei Cateau, ronde ogen. Heeft iemand het u dan gezègd...
— Neen, maar...
De oude mevrouw had haar toch gezien, haar oude vriendin, en zij had zich bijna versproken en het Cateau geopenbaard.
— Wat?? vroeg Cateau.
— Ik dacht het wel, zei de oude mevrouw. De oude mensen sterven... om de oude mensen heen...
— Mama... we hadden heel graag...
— Wat?
— Adolfine had het graag... en Kàrel ook... mama.
— Wat?
— Dat u een juffrouw nam.
— Neen neen, ik wil geen juffrouw.
— Of Dorine. Die is {{sp|oòk}} heel lief...<noinclude></noinclude>
83b1h4vgydt09pmytipzchafncqb5gu
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/501
104
68568
222240
188488
2026-05-31T13:34:52Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222240
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
<section begin="s1"/>{{dhr}}
— Neen, neen. Dorine ook niet, hoor.
En de oude vrouw bleef koppig... De oude mensen stierven om haar heen; telkens hoorde zij van tijdgenoten, die gegaan waren voor altijd. Haar oude huisdokter was gestorven — hij, die in Indië al haar kinderen had geboren zien worden — nu ging een oude vriendin — nu zou gaan de oude moeder van Henri, wie Constance leed had gedaan, en die toch had Constance tot zich geroepen... Wie waren er nog meer gegaan? Zij heugde ze zich niet allen meer; het dampte soms dof in haar brein, en dan vergat zij namen en mensen, evenals de oude zusters altijd vergaten, en verwarden. Zij wilde niet verwarren; maar zij kon niet helpen, dat zij vergat.
— Dus, zeide zij tegen Cateau. Ik zal Constance wel in lang nièt zien...
— Constànce?
— Ja, je zei immers, dat ze naar Driebergen moest.
— Neen, mama, ik heb van Constance niet gesproken...
De oude vrouw knikte, haar altijd welwetende knik. Toch herinnerde zij zich niet meer wie haar dan wel van Constance gesproken had, maar zij wilde het liever niet vragen...
En zij bedacht het zich, uren lang...
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''VII'''}}}}
{{c|— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — }}
Een ijzige huivering viel over Constance neer, toen zij aankwam te Driebergen en buiten het station zag het rijtuig staan, met de koetsier, de palfrenier.
— Hoe gaat het met mevrouw? vroeg zij, en stapte in.
Maar zij hoorde nauwlijks het antwoord, hoewel zij het wel begreep. Zij huiverde, ijzig koud. Zij rilde in haar bonten mantel. Het was over de ernstige, verwinterde bomen een gestadige regen van dagen lang, uit een hemel laag, maar zo ontzettend wijd en zwaar, dat hij drukte als een erbarmingloos duister. Ernstig schoten de verwinterde wegen weg, waarlangs ratelde nu het rijtuig. Ernstig, in hun naakte tuinen, rezen de huizen heel treurig, omdat zij waren verlatene zomerhuizen, in de ijskoude winterregen.
Het was als een zwarte dag. Het was drie uur, maar het was nacht, en de regen, grauw over de weg en grauw over de huizen en tuinen, was zwart over de verschieten, die vaag waasden door de naakte tuinen heen. De ernstige bomen schenen dood en leefden alleen met een wanhoopsgebaar der takken, als een van verre aanhuilende wind door ze heen voer en ze roerde.
De naakte voortuin reed het rijtuig nu in, om de perken der stro-omwondene struiken. Een heel enkele keer maar had Constance zo gereden... altijd met die zelfde juiste bocht<section end="s2"/><noinclude></noinclude>
ctx2uwfni72pocrd5xpbxg44pl76jku
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/502
104
68569
222241
188491
2026-05-31T13:35:10Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222241
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>van de precieze koetsier om de perken heen — de eerste keer, toen zij kwam uit Brussel — nog twee drie keer, nadat de oude vrouw in Den Haag was geweest: op een verjaardag van Henri... En plotseling, vreemd, door de zwarte dag en in haar schoot binnen het voorgevoelen, dat zij nog dikwijls, heel dikwijls — zo vele malen, dat zij ze niet tellen zou kunnen, zou gaan met die bocht om die perken... Zij stapte nu uit, en vreemd, schoot het voorgevoelen in haar, dat zij dikwijls, heel dikwijls... zo staan zou... wachtende, tot die ernstige voordeur van het ernstige, grote, sombere villa-huis zich openen zou voor haar... Zij trad nu binnen... en de lage eiken gang mat voor haar uit als een vreemd perspectief van interieur met aan het einde een donkere deur, die toegang gaf... zij wist niet goed tot wat... En zij dacht, dat zij dikwijls, heel dikwijls nog gaan zou door die gang en zou staren op die donkere deur, dan wel wetende tot wat ze toegang gaf... En nu was het heel vreemd, maar zij verbeeldde zich, dat zij, onbewust, dat al meer had voorgevoeld — eigenlijk, onbewust, zo vaag, dat zij het nog niet voelde, van af de eerste keer, dat zij hier gekomen was, en gewacht had in deze gang, gezeten had op de eiken bank, haar hand op de schouder van haar kind; het kleinkind, dat zij zou voorstellen gaan aan zijn grootouders... O, wat was het een somber huis, met die lange gang, aan het einde die donkere deur, met die portretten, en die antieke gravuren, alleen verlevendigd door de glimp van het Delfts op een oud eiken kabinet... O, wat was het een somber huis en wat was het een vreemd voorgevoel, dat zij hier zo dikwijls zou komen nog — dat zij iets van zich zou mengen moeten met deze sombere Hollandse huis-atmosfeer... Huiverende, rillende, nog in haar bonten mantel, doortrilde haar even een heel snel heimwee, terug naar haar lieve, gezellige huis, in de Bosjes, in Den Haag, en zij wist niet wanneer nu zij terug er zou komen... De oude vrouw was ziek... Henri was eerst gegaan... Addy was hem gevolgd... Toen had zij om Constance gevraagd... En zij had de eerste trein genomen...
Zij had Piet op de gang gevraagd hoe het was met mevrouw, maar ook zijn antwoord had zij niet verstaan. Nu ging zij de trap op, die naar boven wendde, en omdat, zo vreemd, het voorgevoel haar ook op die trap — waar het al nacht was — bedrong, verzette zij er zich tegen, joeg het weg van zich. Wat was het vreemd om haar en in haar! Was dat het naderen van de dood, die aanhuiverde met de wind, die als tikte aan de ramen der zwarte trap, die als klopte in de zware kasten op de gang — was dat het naderen van de dood, de dood, die zij al voelde om zich heen... Of was het alleen omdat zwart was de dag en somber het huis... Nu was het als huiverde zij voor alles ... Een donkere deur, langzaam, was opengegaan, en zij schrikte en toch was het eenvoudig haar kind, haar jongen, die haar tegemoet kwam.<noinclude></noinclude>
s1a8s5dzcgyp0f9bpzftmjtd2a9w1m0
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/503
104
68570
222242
188492
2026-05-31T13:35:27Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222242
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Hoe gaat het met grootmama...
Maar weer verstond zij het antwoord niet en als in een huiverige droom van al voelen de nadering van de dood in het huis, trad zij binnen in een kamer. Daar zat de oude man, en Henri zat naast hem, als een kind, met zijn hand in zijn vaders grote, benige hand. Zij hoorde zelf niet wat zij zeide... tegen de oude man. Alleen voelde zij, dat teder haar stem klonk, als met een nieuwe muziek, in het sombere huis. Alleen begreep zij, dat zij de oude man kuste. Maar zij voelde zich zo vreemd, zo bang, zo huiverig worden, in de donkere kamer, in het sombere huis — buiten de lage, wijde, zware luchten. De zwarte regen ratelde tegen de ramen. De oude man had haar hand, onhandig, gegrepen: hij hield slechts twee vingers vast en ze beefden, gedwongen, in zijn benige greep. Hij voerde haar zo naar een andere kamer, somber van gordijn aan venster en bed, verhelderd alleen met de valse glimp van een ouderwetse spiegelkast. De zwarte regen ratelde tegen de ramen. O, wat voelde zij het, dat aannaderde de bangende dood, die grote zwarte dood, waarvoor huiverden de kleine mensen, zelfs al tellen ze het kleine leven niet. Wat voelde zij die in de regen ruisen tegen de ruiten, wat voelde zij al het vale schuiven van zijn mantel in de schaduwen tussen de onbeweeglijke meubels, wat voelde zij de dood al weerkaatsen in het valse schamplicht van die spiegelkast! Zij rilde, in haar bonten mantel. Maar in de schaduw der bedgordijnen lachten haar zacht toe, uit het lijdende oude gelaat, twee ogen... De oude man was teruggegaan.
— Hier ben ik, mama...
— Ben je daar.
— Ja...
— Ik heb je moeten laten roepen...
— Ik dacht, dat het u te druk zou zijn... daarom heb ik Henri... Addy... alleen laten gaan.
— Zijn wij alleen...
— Ja, mama...
— Zeg me, ben je niet weggebleven... omdat je boos was... omdat je wrokte...
— Neen, neen. Ik was niet boos. Ik dacht, dat het te druk zou zijn.
— En dat is de waarheid?
— De waarheid.
— De eenvoudige waarheid?
— De eenvoudige waarheid.
— Ja, het is zo. Je bent niet boos. Maar je bent wel boos geweest...
— Stil, stil, mama...
— Neen... neen, laat me spreken. Ik heb je geroepen om met je te spreken. Er was een tijd, dat je boos was... En wij<noinclude></noinclude>
3xl033flla7f2qevlx2n9nfc64pznrk
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/504
104
68571
222243
188493
2026-05-31T13:35:58Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222243
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>konden niet praten, met elkaar. Laat ons nu praten, voor het eerst en het laatst.
— Mama...
— Er zijn geweest de lange, lange jaren, kind. De lange jaren, die nu alle dood zijn... Er is geweest het lijden voor je... maar er is geweest ook het lijden voor ons... Voor oude vader... en voor mij.
— Ja...
— Het was een dag als nu, somber, zwart, en het regende. Ik was onrustig, ik had o zo een vreemd voorgevoel... Ik had een voorgevoel... dat Henri gestorven was... mijn kind, mijn zoon... in Rome... Het was een sombere dag... nu zeventien, achttien jaren geleden... En des middags, om déze tijd... het was al heel donker... het licht was nog niet op... kwam er een brief... Een brief uit Rome... van Henri... Ik beefde... ik kon de lucifers niet vinden, om het licht op te steken... en toen ik ze zocht, viel de brief me uit mijn handen... Ik dacht, hij schrijft me, dat hij heel ziek is... Straks hoor ik, dat hij dood is. Ik stak het licht op... ik las. Ik las, niet dat hij ziek was... maar dat hij uit zijn betrekking moest gaan... Hij schreef me over een vrouw... die ik niet kende... hij schreef me over je, kind... Ik herademde, ik dacht: hij is niet dood, ik heb mijn zoon niet verloren... Maar oude vader dacht anders dan ik: hij zeide, Henri is dood, we hebben onze zoon verloren... Toen wist ik, dat mijn voorgevoelen juist was geweest... Dat hij wèl dood was... Hij was dood... en jaren, lange jaren bleef hij dood... O, wat heb ik gewenst, dat hij voor mij zou herleven... O, wat dacht ik altijd, altijd aan mijn kind... Maar het ene jaar volgde het andere, en hij bleef dood... Toen voelde ik langzamerhand, dat het zo niet altijd zou blijven... Dat er iets lichter worden zou in de toekomst — dat hij uit die verre dood terug zou komen. Hij kwam terug; ik had mijn kind terug... Ik zag je... voor het eerst... Lange, lange, dode jaren lagen er tussen ons... en toen ik je wilde omhelzen, voelde ik, dat ik niet kon, dat ik je niet bereikte. Mijn woorden bereikten je niet... ze bleven liggen tussen ons in, ze vielen tussen ons neer als harde, ronde dingen... Ik wist toen, dat je veel geleden had, en ook, dat je jaren, lange jaren had getreurd, en gewrokt... Had getreurd en gewrokt... Je bracht ons je kind; het was wrokkende, dat je hem bracht... Stil, o schrei niet, o schrei niet: het kón niet anders, mijn kind... De wrok was in je, maar het kón niet anders, dan dat er wrok moest zijn... o, ik voelde zo, dat er wrok moest zijn... Zo zijn de mensen altijd... ze begrijpen elkander nooit, zo lang er geen liefde is... en als er geen liefde is, en geen begrip, is er wrok... o en dikwijls haat... Neen, het was nog geen haat, het was wrok: ik weet het wel. Schrei niet: de wrok moest er zijn. Over de wrok bereikten we niet elkander. Ook<noinclude></noinclude>
eelufb0l9m2f99vxoz2vop7hr50w0cw
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/505
104
68572
222244
188494
2026-05-31T13:36:14Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222244
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>was je nog jong, mijn kind, en ik ben het geweest, die tot je heb moeten gaan op een verjaardag van Henri... ik, en toch, geloof ik, was er geen onrecht aan mijn kant... Zeg, was er onrecht aan mijn kant...? Heb ik niet àltijd aan de verzoening gedacht... Was het niet je nog wrokkende jeugd, die niet de verzoening wilde... Stil, schrei niet: eenmaal komt de verzoening toch, vroeg of laat — eenmaal smelt alle wrok toch... Als het niet hier is... dan is het daàr... Maar tussen ons, kind, is het al hier. Tussen ons is het al hier... Ik voel, dat je langzamerhand in je hebt voelen verzachten de boze wrok, omdat je hebt leren begrijpen... leren begrijpen de andere gedachten van andere, oude mensen, mensen van vroegere dagen, ouderwetse mensen, mijn kind. Je hebt ze leren begrijpen, en zachter is je ziel voor ze gestemd geworden... en je hebt je gezegd: ik begrijp ze... ze konden niet anders zijn... Zelfs... mijn kind... zelfs... dàt de oude man... nu... nu nog... niet zo geheel heeft vergeven, vergeten... als ik... het... al lang... al lang heb... vergeven, vergeten... zelfs dàt kan... kan je nu begrijpen, nietwaar... Ben ik daar niet zeker van? Zelfs... dat hij {{sp|nooit}}... kind... dat hij nooit zal vergeven... en vergeten... zelfs dat, kind... stil, schrei niet... zelfs dat zal je moèten leren begrijpen... zelfs dat begrijp jij al... Laten wij dat samen begrijpen... al betreuren wij het ook... maar laten wij het verder niet zeggen... aan niemand... en laten wij het hem beiden... kind... vergeven... voor nu... en voor later... want als hij niet anders kàn... dan... is het {{sp|niet}} zijn schuld... En eenmaal dáar... als wij elkander terugzien... ach... wat zal dan al deze wrok en àl dat lijden van vroeger... te betekenen hebben...! Niets! Daar smelt àlles van vroegere haat en wrok weg in de grote omhelzing. Dan zal oude vader ook niet meer wrokken... Zie je, daarvoor heb ik je geroepen. Om je dat alles te zeggen... Om die woorden, die ik voelde op mijn lippen komen. Om je te zeggen: mijn lief kind... je hebt geleden... maar wij hebben geleden... Mijn lief kind... ik, ik wil je vergeven... hier met mijn laatste zoen... Maar tel mijn vergeving dan dubbel en... jij, mijn lief kind... vergeef... vergeef dan ook — het is mijn laatste verzoek aan je... vergeef dan ook... de oude man... nu... en altijd... altijd...
De kamer was geheel donker, de regen ruiste in de nacht tegen de vensters. Constance was gezonken op haar knieën aan het bed; ze snikte op de hand van de oude vrouw. En er was een lange stilte — alleen met het regenruisen en het stil hikkende snikken. De donkere kamer was vol van het verleden: vol van àl de dingen, die uit de dode jaren opleefden bij de woorden der oude vrouw... Maar door dat verleden heen zag zij, als een schel licht, de naaste toekomst dagen. Zij zag het schel dagen, en zij zei:<noinclude></noinclude>
ouoc9cq0tbo34uv5fhknpmo9bkr9h70
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/506
104
68573
222245
188495
2026-05-31T13:36:34Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222245
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
<section begin="s1"/>{{dhr}}
— Zeg me... dat je hem vergeeft... nu ... en altijd... altijd.
— Ja... ja — mama — nu... nu... en altijd...
— Want hij zal nooit vergeten. Want hij zal nooit vergeven.
— Neen, neen... maar ik vergeef hem, ik vergeef hem...
— Ook als hij nooit vergeeft.
— Ja... ja... ook als hij nooit vergeeft!
— Want hij zal nooit vergeten... Want hij zal nooit vergeven.
— Neen... maar ik vergeef hem ...
— En ik, mijn kind...
— U vergeeft mij... u vergeeft mij!
— Ja, ik vergeef je... alles. Vanaf het eerste af. Tot het laatste toe. Je wrok.
— O, ik wrokte al sedert lang niet meer!
— Neen, ik wist, dat je had leren begrijpen... We hadden elkaar heel lief kunnen krijgen, als...
— Ja, als...
— Maar het heeft niet zo mogen zijn. Laten wij elkaar nu lief krijgen. Heb mij lief Constance, in je herinneren...
— Ja...
— Zoals ik je lief zal blijven hebben. Dáar. Juist, omdat wij door elkaar hebben geleden in dit leven... zullen wij nu elkaar lief gaan hebben.
— Ja... o ja... mama!
— Kus mij, mijn kind... En... en vergeef de oude man.
— Ja...
— Ook als hij...
— Ja, o ja...!
— Nooit vergeeft. Want hij zal nooit, hij zal nooit vergeven...
— Ik vergeef hem, ik vergeef hem!
— Dan... is... alles... goed. Laat hem nu binnenkomen, hem... en mijn kind, mijn zoon... Henri... en... en hèm... het kind... ons kind...
Constance stond op: zij wankelde, snikkende, door de donkere kamer. Zij tastte naar de tussendeur. Zij opende: licht van lampen vlood binnen.
— Mama vraagt of u komt... stamelde zij door haar tranen heen. U... Henri... Addy...
In de kamer kwam de dood met hen mee.
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''VIII'''}}}}
{{c|— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — }}
Een week na de begrafenis van mevrouw Van der Welcke keerden Constance en Henri naar Den Haag terug. Constance ging dadelijk naar haar moeder.<section end="s2"/><noinclude></noinclude>
s1avwm9t3a7btfl1x7l5fmjqhw8vwic
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/507
104
68577
222246
188502
2026-05-31T13:36:51Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222246
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>— Ach, klaagde mevrouw Van Lowe. Je moet me niet meer zo lang alleen laten. Ik kàn je zo lang niet meer missen. Het is zo donker, zo somber, als jij er niet bent, mijn Cony... Jawel, ze zijn allen geregeld aangekomen. Maar ze zijn niet zoals jij... kind. Ze begrijpen me niet meer, schijnt het. En zijn ze dan weg, dan zit ik hier, en ik ben zo alleen, zo alleen... Nu zeuren ze, dat ik een juffrouw moet nemen, of Dorine bij me, in huis... maar ik wil niemand in huis. Het is zo een last. Weer een mens meer in huis geeft last. Ik kan niet alles meer nagaan. Ik zit hier maar, aan mijn raam... En de arme mevrouw daar... is dus gestorven... Iedere dag sterven er mensen... Ik begrijp niet waarom ik moet blijven. Ik ben voor niemand van nut meer. Ik zit hier maar, ik geef jullie last: jullie tobben over me... jullie moeten maar geregeld komen ... om te zien hoe ik het maak. Ik begrijp niet waarom ik moet leven. Het zou veel beter zijn, als ik maar dood ging... Er is voor mij niets meer weggelegd... Ik heb geen illuzies meer. Geen enkele. Zelfs je jongen, Cony... wat een idee van hem... om dokter te willen worden... Hoe weet hij nu of hij daarvoor geschikt is...! Het is gelukkig, dat je terug bent. Ik kón niet meer buiten je. Blijft de oude man daar nu alleen, in het grote huis... net als ik hier alleen ben gebleven?
— Neen, mama, hij blijft niet alleen. Er komt een nicht, u weet wel, de oude freule Van der Welcke...
— Neen, ik herinner me niet. Mensen, namen, dwarrelen me dikwijls.
— Nicht Betsy Van der Welcke...
— Neen, ik herinner me niet...
— Ze komt bij de oude man. Wij hadden liever een goede juffrouw bij hem gehad omdat ze al zo oud is.
— Juffrouw, juffrouw. Jullie willen maar bij iedereen een juffrouw hebben. En de oude man blijft daar dus alleen...
— Neen, mama... er komt de oude nicht.
— Welke oude nicht?
— Nicht Betsy Van der Welcke.
— Wie?
— Nicht Betsy, mama.
— O ja, nicht Betsy. En een juffrouw...?
— Neen, geen juffrouw...
— Nu, dan is hij goed verzorgd... met nicht Betsy en een juffrouw. Beter dan ik, hoor. Ik zit hier maar alleen.
— Maar dat is ook niet goed. U moet iemand nemen.
— Ik dank je voor een juffrouw.
— Of Dorine...
— Zo, jij ook al met Dorine. Neen, ik wil niet Dorine. Ze is me te druk.
— Ze is zo veel uit.
— Neen, ze is druk... Ach kind, het is niet lief, dat ik het<noinclude></noinclude>
9ofinf9bxrmbotmc5634w370f0e3ytz
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/508
104
68578
222247
188503
2026-05-31T13:37:17Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222247
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>zeg... maar heus, Dorine is me te druk... Ach kind... als jezelf nog bij me in huis kon komen.
— Maar mama... dat gaat immers niet.
— Ja... met je man... met je kind.
— Neen mama... dat gaat heus niet.
— Jawel, jawel, dat zou gaan... Met je man, met je kind... Dan zou ik over de drukte nog heenstappen.
— Neen mama, heus, dat gaat niet. Terwijl Dorine...
— Neen, neen ... ik wil niet Dorine. Ik wil jou...
— Waarom?
— Ik wil jou... Ik wil Addy... Ik wil jeugd. Het is alles zo somber... Dus doe je het?
— Mama... heus...
— Je wilt niet. Ik zie wel, dat je niet wilt... Jullie zijn allen egoïst... Zo zijn kinderen altijd... Ach, waarom leef ik nog...
— Lieve mama, wees redelijk. U zou Dorine al te druk vinden, en wij... met ons drieën...
— Ja, met jullie drieën...
— En de broers... de zusters...
— Wat?
— Ze zouden het niet goed vinden.
— Ze hebben niets goed te vinden.
— En mijn man ...
— Wat?
— Mijn man... heus, het gaat niet...
— Ja... ik zie het wel, dat je niet wilt... Jullie zijn allen egoïst... Neen, het was niet mogelijk. Constance zag al te voren al de moeilijkheden: de oude vrouw, die nog altijd des morgens haspelde door het huis, om te zien of alles in orde was... en dan een sigaret van Van der Welcke... een boek van Addy, dat slingerde... honderden kleinigheden... Adolfine, Cateau, Dorine... die zeer zeker niet goed zouden vinden, dat juist zij, Constance, in huis kwam... juist zij... met Van der Welcke... Neen, het was niet mogelijk... om de honderden kleinigheden... en ook... om iets vreemds van kiesheid...: zij wilde niet met haar man, met Van der Welcke — hoe lang dan ook alles geleden was — komen bij mama...
— Nu, dan maar niet, kind, zei bitter de oude vrouw en het hoofd knikte herhaaldelijk, wel wetende al de bitterheden van de eenzame sombere ouderdom... — Ja, ja... zo is het... zo is het altijd... En de oude man... daarginds... blijft... dus alleen...?
Constance's hart kromp toe. Zij zag de glassige ogen van de oude vrouw vaag opslaan naar haar ogen en zij las in de vage blik het zich niet duidelijk meer herinneren van de dingen, die pas waren gezegd. En terwijl de ogen glassig staarden, treurde de klagende stem, met die inwendige wening, gebroken klank<noinclude></noinclude>
l96l6kzapl6pe6ay8tv8xd95ozshbx7
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/509
104
68579
222248
188504
2026-05-31T13:37:32Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222248
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>van gebroken snaren, en met een scherpere bitterheid er door heen, zodat met die stem, met die blik de oude vrouw plotseling zich verouderde tot de gelijkenis van haar oude zusters... tante Tien... tante Rien...
Het was door een donkere, zware regen, dat Constance terug naar huis ging, en zij repte zich onder de parapluie, van wier punten de rechte stralen dropen. Dezer dagen bleef haar een sombere angst van huivering bij, doorglimpt met vreemde voorgedachte en voorgevoelen en sedert zij te Driebergen was geweest, waar de stervende oude vrouw haar geroepen had, kon zij zich niet loswikkelen als ware het alles een toverweb, waarin zij zich verwarde. O, wat zou er toch dreigen, nu de oude vrouw ginds gestorven was! Wat voor verandering zou er met dag na dag, met sombere dag na sombere dag opdoemen in haar kleine leven, in de kleine levens om haar... Voor zich, na haar late naleven, had zij gevonden als een kleine, kostbare korrel, een grein van levenswijsheid — heel weinig, o zo weinig — en zij dacht niet aan háarzelf, omdat zij meende, dat wat er nog komen zou in haar eigen leven, zij met levenswijsheid nu dragen zou kunnen — soms zelfs dacht zij dan zich het ergste, dat haar gebeuren kon: de plotselinge dood van Addy... Dan misschien alleen... zou die korrel niet voldoende zijn om dat met wijsheid te dragen... Maar verder... Zij was verder niet bang meer voor het leven. En toch, wat voor huiveringen omdrongen en hulden haar dezer dagen in dat toverweb van veel denken en vrezen voor toekomst? Zou het dan toch om zich zijn of zou het zijn om anderen? Zou het zijn om ziekte... om ruïne... om ongeval... een catastrofe... zou het zijn om dood... Zou het zijn om Addy... of zou het zijn om haar moeder? O, voorbereid wilde zij zijn, op alles... maar wat... wat zou zijn...? En huiverde het alleen zo somber, als een schemering om haar heen — met alleen die spectrale voorgedachten en voorgevoelens van wat komen zou... omdat het zo somber van dagen was, omdat het altijd regende uit noodlotzware luchten...? Waarom zou het haar met deze dagen somberder zijn om haar ziel dan om andere, misschien honderden, duizenden andere mensen... Was het niet om de weerschijn van die sombere winter om en in haar, en zou die weerschijn niet somberen om alle mensen heen, die nu liepen als zij, onder druipende parapluies, of — als schimmen — met de bleke gezichten voor de vensters uitzagen in de al weer nachtende dag... O, hoe was het àlles groot en reusachtig, en hoe waren zij àllen klein! Te denken, dat als misschien de zon scheen, zij geheel anders zou denken en voelen! Te denken, dat zij wellicht iets huiverends raadde van dagen en dingen, die doemen zouden, en te denken, dat zij wellicht niets raadde... Hoe speelden de mensen soms met hun gevoelens, hun sensitiviteit... Hoe maakten ze soms zich niet wijs, dat zij onzienlijke dingen gezien, dat zij het diepste geheim hebben voorspeld...<noinclude></noinclude>
b2qbpgp2aeu22y53oifb3vj8z4pjwsx
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/510
104
68580
222249
188505
2026-05-31T13:37:51Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222249
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>O neen, zij wist niets te voorspellen, zij zag niets onzienlijks... maar toch, al redeneerde zij nog zo verstandelijk, een huivering bleef om haar, kil, — alsof zij uit Driebergen iets van de dood in zich mee had gevoerd, of zijn schaduw haar volgen bleef, in huizen, en over straten... Was het alleen, omdat het regende...? Nu was zij blij thuis te zijn, zich te kunnen uitkleden, in haar peignoir zich te warmen bij het vuur... Hoor, wat huilde de wind om het huis, door de laan heen, die wind, die van verre aanstreek, en die wegwiekte naar verre wolklanden: naar al wat ver, wijd, geheimzinnig is, en uitspanselwijd — boven huizen klein als dozen — boven mensen, als insecten klein... Hoe reusachtig was de wind... Hoe dikwijls had zij niet zo geluisterd naar de wind, haar reusachtige Hollandse wind, alsof hij allerlei dingen tot haar zou voeren... of, haar kleinte niet achtende, strijken zou over haar heen...! Wat konden er gebeuren voor treurige dingen...! Addy onverwachts thuis gebracht... een ongeluk met zijn fiets... overreden door een automobiel... vermoord... Henri haar zeggende... dat zij geruineerd waren... hij gedwongen te werken voor zijn brood... hij, die nooit, na een gebroken carrière, had werken gekund... Een felle brand... in huis... of bij mama.... Mama... stervende... O, wat waren dat alle gedachten van huivering, en duister ongeluk, en van sterven, van sterven altijd... Iets met een van de broers, de zusters, hun kinderen ... Toch — niettegenstaande alles — hield zij van hen allen — waren zij altijd de broers en zusters. Toch, trots alles wat er geweest was van misverstand, disharmonie, wrok, alles klein en onbeduidend, hield zij van hen allen — voelde zij zich van hun bloed... O, wat was zij alleen...! En misschien... heel gauw zou zij haar leven lang zo alleen moeten zijn... zonder mama, dood; zonder Henri, dood... Addy dood...
Zij staarde in het vuur, en in de rosse gloed rilde zij, hield de angstige huivering haar in scherpe klauwen... Maar een bel rinkelde luid... en zij voelde een schok door haar schudden, nerveus; haar adem was bijna een kreet... Brachten zij Addy dood thuis...??
Truitje opende... gelukkig, zij hoorde zijn stem... Zij zonk terug in haar stoel... open ging de deur... en hij stond op de drempel... lachte.
— Ik durf niet binnen komen, moesje... ik ben kletsnat... ik ga me eerst verkleden... Neen maar... wat een weer...
Zij glimlachte... hij sloot de deur... en het was sterker dan zijzelf: zij snikte... Toen hij na een kwartier binnenkwam, fris, gezond, glim— lachende, vond hij haar, in tranen.
— Wat is er, mamaatje...
— Ik weet het niet, kind...
— Waarom huil je dan... Toch niet om niets...
— Ja... om niets... Om niets... geloof ik...<noinclude></noinclude>
dcete77d3ljxp7payp3vejlw92ku0kc
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/511
104
68581
222250
188506
2026-05-31T13:38:13Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222250
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
Zij klemde hem tegen zich aan... Zij deelde hem mee hoe het huiverde om haar heen... Zij was heel zenuwachtig... en zij zeide hem, ze dacht, dat er iets gebeuren ging... grote treurigheid... onheil... ongeval... zij wist niet wat...
Zij stortte haar angstige ziel bij hem uit, kruipende in zijn armen...
— Het is te gek, Addy... ik zal kalmer zien te worden.
Onder zijn blik werd zij kalmer... O, wat had hij heerlijke ogen... Als zij in ze keek, werd zij kalmer...
— Addy... je ogen...
— Wat moesje...?
— Ze worden helderder van kleur... wel ernstig als altijd... maar ze worden helderder...
— Wat vind je nu weer in mijn ogen...
— Ze zijn grijs geworden...
— Wel neen...
— Ja, ze worden grijs... Blauwgrijs...
Hij lachte haar een beetje uit. Zij bleef met haar hoofd op zijn schouder, zag in zijn ogen. Zij werd heel kalm, in een laatste, diepe zucht...
— Mijn kind... hoor... hoe het waait...
— Ja, mama...
— Soms ben ik bang voor de wind...
— En soms houdt u van de wind.
— Ja...
— Je bent een heel zenuwachtig moedertje...
— Zou het niet zijn ... Addy... dat ik zo vreemd ben... om een voorgevoelen...
— Voorgevoelen...?
— Hecht je er aan...?
— Ik weet niet... Ik heb ze niet...
— Ben je erg positief, Addy... of...
— Ik weet niet, mama...
— Neen, je bent niet positief... Het is zo vreemd: je hebt een fluïde... ie positieve mensen niet hebben kunnen... Je kalmeert... Als ik tegen je aanlig, word ik kalmer... Hoor, hoor, hoe het waait.
— Ja... het stormt... Laten we er samen naar luisteren, mama... Misschien horen wij iets... in de storm.
Zij zag hem in zijn ogen. Zijn ogen lachten. Zij wist niet of hij ernst sprak, schertste.
— Ja ... zei zij, en kroop dichter in zijn arm, voelende, dat zij hem nog had, hem nog niet had verloren. Laten we horen naar de storm... of wij iets horen... in de wind...
En zij bleven stil, zonder woorden. De lampen waren niet op, alleen het haardvuur danste met weerschijn en met schaduw over de wanden der kamer... De wind zwiepte aan van heel ver, uit geheimzinnige wolkenluchten. Hij gierde om het huis, joeg langs<noinclude></noinclude>
a2e2gkxo00k57uz3f9zxwu7jvpaqcw1
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/512
104
68582
222251
188521
2026-05-31T13:39:03Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222251
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><section begin="s1"/>de vensters huilende boven het dak, sloeg-uit zijn vlerken, klapperde verder... Zijn huilschreeuw, als een spoor, liet hij achter door de regenruisende luchten...
Bij de vonk van hun vuur, aanvoelende hun beider zielen klein, luisterden zij aandachtig... Hij glimlachte... Haar ogen staarden groot.
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''IX'''}}}}
De volgende dag — een Zondag — had Constance een vreemde behoefte naar jonge jeugd, naar blonde vrolijkheid. Addy weg, met zijn vader — de fietsen proberende op de verdronken wegen — was zij zo eenzaam, bleef zij zich zo gedrukt voelen, zij wist niet waarom, en zij wist niet waardoor dat zij behoefte had lachen te horen, spelen te zien — om niet telkens uit te barsten van snikken. En zij maakte gebruik van een droog ogenblik om naar Adeline te gaan, in de Bankastraat. Toen zij er in huis kwam, was het als scheen de zon.
In de huiskamer, beneden, zat Adeline, de kinderen om zich heen. Marie was een meisje van even twaalf, en dan volgden al de anderen in leeftijd, als het trapje af, geleidelijkjes weg. Marie was als een moedertje: zij hielp Adeline heel veel met de drie kleinsten, die met de lelijke namen: Jan, Piet en Klaasje — nu toch al zes, vier, twee — een kleine groep in de grote groep, omdat Jan over Klaasje en Piet wilde heersen, ze beschouwde als zijn vazallen, nadoende de stem van papa, paardje rijdende met Piet en Klaasje, heel gehoorzaam, hij tyranniek, terwijl hij bulderen poogde te doen zijn schril stemmetje van klein haantje — zodat Marietje te hulp moest komen — als een opperste gerecht, dat uitspraak deed in allerlei moeilijke kwesties, die oprezen om een haverklap... Adèletje, tussen tien en elf, was ziekelijkjes, zat meestal stilletjes heel dicht bij mama in haar rokken verscholen — een zwak kindje, waarvoor Adeline altijd vreesde, en ook om Klaasje was zij bezorgd, daar het kind héel achterlijkjes bleef en dommetjes: — de familie noemde het idioot... Maar een vrolijk paartje waren Gerdy en Constant, negen en acht, altijd samen, elkaar aanbiddend en lachend tegen elkaar als twee zoete, blonde kindertjes — heel kinderlijkjes voor hun leeftijd, de gelijkenissen van vader en moeder gemengd tot één fusie van blond en blank en roze, bijna als plaatjes en als een poëzietje tussen de ruwheid der oudere jongens. Want was Jan al rumoerig en heersziek, Alex en Guy waren hele heren, ongevoelig meer voor de rechtsuitspraak van Marietje, zelfs niet meer in bedwang gehouden door Adeline — alleen nog maar een beetje ontzag hebbende als de zware stap van Gerrit de trap deed kraken — als hij bulderde — en toch al wetende, stilletjes, met een strakke blik van verstandhouding tussen elkaar, dat <section end="s2"/><noinclude></noinclude>
sx046bt0jx0j8hi2u5nud65kd3t16ya
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/513
104
68583
222252
188510
2026-05-31T13:39:25Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222252
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>papa wel bulderde — maar nooit sloeg — zelfs, als mama straf uitdeelde, in het Frans aan haar iets vertelde, zodat de straf heel weinig werd — en door deze vroege wereldkennis in hun klein speelkamerwereldje twee onhandelbare snuiters, pedant brutaal, doende de grote jongens, — de schrik van kleine Gerdy en Constant, die dan wegvluchtten met elkaar, en zich verscholen en huishoudentje speelden achter de schuine canapé in de salon, stilletjes lachende als mama of Marietje ze zocht en ze niet vinden kon. Maar hoe onhandelbaar ook, Alex en Guy, twee mooie kereltjes, de monden brutaal, maar de ogen lief, de ogen donker, de Van Lowe-ogen, — niet hun harde, maar hun zachte ogen, — en als ze dan brutaal waren en onhandelbaar met vooruitstekende brutale lippen, maar met die ogen vol donker zachte liefheid, onder de al donkerende blonde, al korter geknipte krulkoppen, was Constance op ze verliefd, bedierf ze nog meer dan Gerrit, duldde zij alles van de twee bengels, zelfs, dat de grote jongens aan haar hingen en haar kleren en haren verwarden. Ook nu, dat zij binnen kwam, vielen zij dadelijk aan op Constance, en Constance, gelukkig, dat zij ze stralen zag, gelukkig, dat het helder om haar werd, alsof de zon scheen, opende haar armen, maar Adeline riep:
— Alex... Guy! Pas op... tante haar mooie mantel... Jongens, pas dan toch op...tante haar mooie hoed!
Maar noch Alex noch Guy hadden enig gevoel voor tantes mooie mantel en voor tantes mooie hoed en Constance was zo zwak in hun een beetje brutale omhelzingen, dat zij maar lachte, dat zij maar lachte... O, eindelijk, eindelijk de zonneschijn! Hoe innig zij ook hield van haar grote zoon, dàt had zij dezer dagen van regen en sombere luchten en sombere gevoelens nodig — die bijna overweldigende zonneschijn, die bijna erbarmingloze verblinding van stralende jeugd — die ruwe dartelheid tegen haar aan wat jong en gezond en blond was — alsof de schok haar terug deed komen uit haar sombere bedrukkingen... Waren de jongens — als jonge honden, die haar in het gezicht waren gesprongen — dan eindelijk tevreden, dan zocht zij met wijze Marietje het hele huis door naar Gerdy en Constant, die zich opzettelijk hadden verstopt, en die zij wel wist, dat gekropen waren achter de schuine canapé in de salon, maar die zij nog niet vinden wilde — om ze veel pret te geven, zodat zij in de salon dan riep:
— Maar waar zitten ze dan toch weer... Wáar zouden ze dan toch zitten... Constant! Gerdy...?
Tot eindelijk de proestlach van het broertje en het zusje achter de canapé ze maar deed kijken over de leuning heen:
— Ik heb je gevonden! Ik heb je gevonden!
O, wat waren die kinderen jong! Behalve wijze, deftige Marietje, mama's hulp, behalve misschien stille Adèletje, wat waren ze jong! Die twee bengels, wat waren het kinderen voor hun elf<noinclude></noinclude>
9bq0nt3lm05f3r2ft6e2dm5kutqh5ss
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/514
104
68584
222253
188511
2026-05-31T13:40:27Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222253
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>en hun tien jaren... Dat jonge huishoudentje, Gerdy en Constant, wat waren het een baby's voor hun negen en hun acht... En dan de eigenlijke kinderkamer. Jan, de heerser, over Piet en Klaasje... Wat was het alles blond, roze, jong, fris... Zo, zo waren kinderen, ook al had Klaasje een heel dom lachje... Zo had zij nooit Addy gekend... Zo had Addy geen jeugd gehad... Neen, zijn kinderjaren waren voorbijgegaan tussen de driften van zijn vader en zijn moeder, tussen hun ijverzuchten, tussen scènes en tussen tranen — zodat het kind nooit kind was geweest... En toch... en toch... al was hij vroeg oud... wat had hij toch zichzelf al weten te bewaren... wat goede machten toch hadden hem bewaakt en hem voor hen doen zijn niets dan liefde en niets dan troost...
Maar al schoot even die weemoed door haar heen, om zichzelf, toch was de morgen, die Zondag-morgen nu zonnig begonnen, met al het blond van die haren, al het roze van die kinderwangen, al het overweldigende goud van die vrolijkheid, en Constance vergat haar sombere bedrukkingen — om wat, zij wist het niet — in de stralende kinderhelderheid van die huiskamer. Nu dreunde zwaar een stap de trap af.
— Dat is Gerrit, zei Adeline.
— Wat is hij laat, zei Constance lachend. Gerrit... wat ben je laat! riep zij, nog voor hij de deur had geopend.
En zij verwonderde zich, dat zijn stap zo zwaar en zo loom dreunde, niet als zij gewoon was hem te horen vullen het gehele huis met het bruske geluid van zijn bewegingen. Loom, zwaar naderde door de gang zijn stap, en nu eerst opende hij langzaam de deur van de eet- en huiskamer. Hij bleef staan in de deur.
— Zo... dag Constance.
— Dag Gerrit... Wat ben je laat! herhaalde Constance vrolijk. Nu, jij slaapt ook goed uit, 's Zondags!
Maar zij verschrikte toen zij hem aanzag.
— Wat heb je... broer?
— Ik voel me bedonderd, zei hij somber. Neen, kinderen, laat vader met rust.
En hij weerde af de vrolijk-ruwe handen van de twee brutale rekels: Alex en Guy...
— Gerrit is al een paar dagen niet goed, zei Adeline nu bezorgd.
— Wat is er... broertje? vroeg Constance en zij glimlachte hem toe; haar glimlach nog van zo even, toen de zonnige warmte der kinderen haar had doen glimlachen — door haar eigen sombere drukkingen heen.
— Ik voel me bedonderd, herhaalde hij somber. Neen, dank je... ik heb geen eetlust.
— Ben je al een paar dagen niet wel? vroeg Constance.
Hij keek haar aan, en zijn ogen stonden mat, glassig. Hij had haar willen zeggen, ironisch, dat hij zijn hele leven niet wel<noinclude></noinclude>
1tfh41rk1ukgk5gofsmw7m4kfi3qm9a
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/515
104
68585
222254
188512
2026-05-31T13:40:44Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222254
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>was geweest — maar zij zou hem niet begrijpen, denken, dat hij spotte, dat hij bitter was om wat, zij zou het niet weten. En hij wilde haar ook geen leed doen... zij was zo lief... hij voelde haar altijd als zijn liefste zuster, ook al hadden zij jaren elkander niet gezien... O, wat was het goed, dat zij terug was gekomen... O, drie jaren nu al was zij in Holland, bij hen... Zijn zuster, hij had haar lief... zijn zuster... hij voelde voor haar een gevoel... bijna mystiek... de sympathie uit hetzelfde bloed... de sympathie uit dezelfde ziel... verdeeld in het mysterie der geboorte van broer en zuster uit eenzelfde moeder, door eenzelfde vader... en zo duidelijk voelde hij, dat zij zijn zuster was... dat hij lief haar had als iets van hem... een deel van hem... iets van zijn bloed en zijn vlees en zijn ziel, — dat hij haar naderde, zijn hand legde op haar hoofd — haar hoed had zij afgedaan, haar haar was in de war door de jongens — dat hij haar zeide, met een stem die hij onmogelijk kon bulderen doen, en die in weekte brak: Zo... ben je weer eens gekomen... mijn zusje?... Of ik niet wel ben, kind? Ik heb een paar dagen slecht geslapen, dat is alles...
— Maar je slaapt anders toch goed.
— Ja, anders wel...
— Je eetlust is toch goed.
— Ja, Cony, ik eet anders goed. Maar ik heb nu geen lust... te ontbijten.
— Je gezicht is zo getrokken...
— Het zal wel weer beter gaan... zeide hij, zich opmonterend. En hij sloeg zich met beide handen op de borst:
— Mijn body kan wel tegen een stootje.
— Gerrit is een paar dagen geleden druipnat thuisgekomen, zei Adeline. Hij had voor op de tram gestaan... in een kletsregen... en hij was helemaal doorweekt...
— Maar Gerrit... Waarom doe je dat dan ook...
— Om wind te vangen, zusje.
— En om kou te vatten, broer.
Hij lachte.
— Nou, wees maar niet bezorgd. Mijn body — hij sloeg op de borst zich
— kan wel tegen een stootje.
— Maar je ziet er slecht uit...
— Ach, wat...
— Ja, je ziet er slecht uit.
— Ik heb behoefte aan lucht... het weer gaat nog al... Het regent niet, het waait alleen maar flink er op los... Ben je bang voor de wind, of ga je wat lopen met je broer...
— Dat is goed, Gerrit... maar eet eerst een eitje.
Nu bulderde hij in een lach uit, die de kamer deed daveren. De kinderen ook lachten; zij lachten altijd, als papa zo lachte en de lach maakte Gerdy, die eerst bang had gekeken, weer dap-<noinclude></noinclude>
8an53wdf7piwjs72o3l5t3gh1k6muig
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/516
104
68586
222255
188513
2026-05-31T13:41:24Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222255
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>per. Ze kroop op Gerrits knieën, dolletjes op liefkozing, zij klemde zich aan Gerrit vast, zij zoende hem en Alex en Guy hingen de een aan een arm, de ander aan een been van hun vader, terwijl homerisch zijn brede lachen nog daverde...
En zijn lachen hield niet op. Hij lachte zo, dat de meid even om de deur keek, weer verdween, verlegen. Hij lachte zo, dat al de kinderen, de negen, nu lachten, want zijn lach had de drie, Jan, de heerser, met zijn twee vazalletjes, binnengelokt van de trap, waar zij speelden: hij lachte zo, dat ook Adeline, rustig lief moedertje, een pijnlijke dollach kreeg, die haar stilletjes in zichzelf deed stikken... en hij kon nog niet uitscheiden, zijn lachen bulderde uit, vulde het huis: — zelfs een straatjongen — op de straat, — drukte aan het venster zijn neus plat, om naar binnen te loeren en te weten wie daar binnen zo lachten.
En eindelijk stond Gerrit op, bevrijdde zich van de drie kinderen, zoende Constance, zijn gezicht rood, zijn ogen nat, zijn mond nog vrolijk vertrokken, en hij pakte in zijn grote handen haar bij de beide schouders en hij zei, zijn ogen in de hare:
— Zusje, niet boos zijn... maar ik kón niet meer... Ik kón niet meer... Je laat me me dood lachen als je zo doet... En als je met zo een lief stemmetje beveelt, dat ik een eitje moet eten... voor je met me wilt wandelen. ... Neen... ik kón niet meer... ik ben er kapot van... Nu goed... goed dan om je pleizier te doen... maar... maak jij dan het eitje... klaar... wil je... en zet het me voor... zet me dan mijn eitje... voor!
Constance ook lachte... ook de kinderen lachten nog — dol, eigenlijk niet wetende waarom zij lachten, nu zij maar lachten door elkaar, en Adeline..
— Kijk! zei Gerrit, wijzende naar zijn vrouw. Kijk...
En terwijl Constance het eitje openmaakte, zag zij naar Adeline om. Het moedertje was nog altijd overweldigd door haar stille dollach: de tranen liepen haar over de wangen, de kinderen om haar hadden pret in haar.
— Ik heb Lien nóoit van haar leven... zo zien lachen... zei Gerrit; Cony... dan nu... dan nu om dat eitje van jou...
En hij begon weer... Hij bulderde uit... Zij echter had hem zijn bord voorgezet. Nu deed hij kluchtigjes, nam delicaat het lepeltje, zei met een lief stemmetje, dat komisch klonk uit zijn bulder-orgaan:
— Dank je wel... Constance... voor je eitje... Het is {{sp|héel}} lief van je...
En met kleine, voorzichtige lepeltjes-vol nipte hij aan het eitje, doende of hij heel teer en heel zwak was, en de kinderen, hun grote en zware vader ziende met lieve beweginkjes nippen aan het kleine eitje, waren dol, vonden het o zo leuk van pa...
Nu zou hij gaan wandelen met Constance.<noinclude></noinclude>
3g3221rlm6pdy3qpwu4bifa81f884lb
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/517
104
68587
222256
188514
2026-05-31T13:41:49Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222256
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Pa, mogen we mee? Ja, we gaan mee, niet waar??
— Neen... zei hij brusk. Neen, niet altijd net klissen zijn. Jullie zijn net een troep poliepen, die je maar altijd omkronkelen in hun voelarmen. Neen hoor. Vader wil nu eens alleen met zijn zuster wandelen...
En hij ging alleen met Constance, nadat zij de wanorde van haar haar, onder haar hoed, achter haar voile had weten te verbergen...
— Gerrit, zei zij, op straat; wat is het helder bij je in huis... zonnig... gelukkig...
— Ja, zei hij.
— Je mag wel dankbaar zijn, Gerrit.
— Ja...
— Voel je je nu beter... in de lucht?
— Ja... vooral na je eitje.
— Neen, wees niet flauw, Gerrit. Je ziet er niet uit als gewoonlijk.
— Ik voel me ook... eigenlijk bedonderd.
— Nog altijd
— Ja... maar het zal wel wegtrekken... Ik... ik slaap altijd heel goed... en juist daarom kan ik er niet tegen, als ik een nacht minder goed slaap...
— Maar dat is toch een uitzondering, niet waar...
— Ja zeker, dat is een uitzondering... Wees heus maar niet bezorgd, zusje... Ik heb een huid als een rhinoceros... Ik ben de pachyderm van de familie... Ik heb niet jullie fijne gestelletjes...
— Ik ben zo blij bij jullie te komen... Gerrit... Ik word altijd zo helder... bij je in huis...
— Je bent toch niet somber de laatste tijd.
— Juist wel... de allerlaatste tijd...
— En waarom, Cony.
— Ik weet het niet. Om het weer ...
— Ben je bang? Daar gaat het weer regenen.
— Zolang het niet stort, kunnen we wel wandelen...
— Mij doet het goed, die wind vooral, die zo blaast om je heen. Hou je van de wind?
— Jawel... maar...
— Maar...
— Ik hoor er soms te veel in...
— Mijn sprookjes-zusje, van vroeger! Wat hoor je er in...
— Sombere dingen, weemoedige dingen... maar altijd heel gróte dingen... terwijl wij zelf zo klein, zo heel klein zijn...
— Een mens verandert niet... Zo ben je als het zusje van vroeger... in de rivier... met de sprookjes...
— Maar wat ik hoor in de wind... is geen sprookje...
— Wat dan...
— Het leven ... het hele leven zelf... De dingen van het<noinclude></noinclude>
s4xai5bw9h0o4e3qjvh5n8c5o92it4m
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/518
104
68588
222257
188515
2026-05-31T13:42:37Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222257
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>verleden... de dingen van de toekomst... en alles groot en reusachtig... Als ik hoor naar de wind... wordt het verleden... reusachtig en de toekomst ontzaglijk... en blijf ik klein... klein...
— Je blijft toch altijd een droomster, kind...
— Neen, ik ben het niet gebleven... Ik ben het weer geworden, misschien...
— Ja, je bent het weer geworden... Ik herken je zo helemaal... zo als je was een klein, blond, tenger meisje... net zo een teer vizioentje Wat is dat lang geleden, kind... Wat zinkt alles weg... van ons leven... Wat worden we oud...
— Maar al je kinderen... dat houdt je jong... dat is àlles... alles van toekomst...
— Ja... Als ik zelf...
— Wat...
— Niets ...
— Wat wou je zeggen?
— Ik wou je een bekentenis doen. Ik wou je biechten. Maar waarom. Het is beter van niet. Het zou een heel zwak ogenblik zijn. Het is beter van niet. Het is beter, dat ik niet spreek.
— Gerrit... mijn broer... zeg me... is er... is er...
— Wat...
— Is er iets?...?
— Neen...
— Dreigt er iets...
— Wel neen, kind.
— Ben je niet wel...? Voel je je... ongelukkig... Heb je verdriet... Zeg het me, Gerrit... Zeg het me... Ik ben immers je zuster...
— Ja... je bent mijn zuster... Je bent mijn bloed, mijn vlees... Je bent van éen ziel met mij. Neen, er is niets, Constance. Er dreigt niets.
— Heb je geen verdriet?
— Neen, ik heb geen verdriet.
— Jawel, je hebt verdriet.
— Neen, kind. Ik heb... de laatste nachten alleen slecht geslapen. En ik voel me bedonderd. Dat is alles...
— Maar je bent toch gezond?
— O ja...
— Je hebt toch niet iets serieus... Je bent toch niet serieus ziek?
— Neen... neen... zeker niet.
— Wat is er dan?
— Er is niets.
— Jawel, jawel. O ik voèl, dat je verdriet hebt... Gerrit, ben je niet gelukkig...? Zijn er geheime dingen... Ben je niet gelukkig... met Adeline?
— Jawel, zeker, Cony. Ze is heel lief. Ik ben heel gelukkig met haar.<noinclude></noinclude>
8hzvurcuendcuhvnanptbk0fxhxmpx2
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/519
104
68590
222258
188517
2026-05-31T13:42:58Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222258
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Wat is er dan?
— Er is niets.
— Jawel, Gerrit, jawel. O zeg het mij. Hou het niet in je. Verdriet... dat stikt... in ons.
— Neen, het is geen verdriet... Het is... ik weet niet wat het is.
— Weet je het niet...
— Neen.
— Maar er is dus iets... Wat is het...
— Het is... het is... Constance.
— Wat is het...
— Het is... Constance... een grote melancholie.
— Een grote melancholie!
— Ja...
— Waarom...
— Om... mij.
— Om jou...
— Ja... Omdat ik bedonderd ben...
— Omdat je een paar dagen niet wel bent?
— Omdat ik... nooit wel ben...
Nu meende zij, dat hij overdreef, spotte, zwaartillend was, hypochonder, en zij zei:
— Maar Gerrit ...
Hij begreep, dat zij hem niet geloofde, hem nooit geloven zou. Hij lachte.
— Ja... zei hij. Ik ben hyp, hè.
— Ja... je bent vreeslijk hyp... hoor...
— Het is ook met dat beroerde weer...
— Ja, dat maakt de mensen somber. Gelukkig, de kinderen niet.
— Neen, de kinderen niet...
— Als je ze straks weer ziet... dan... Maar onze wandeling moet je niet somber maken... Gerrit, zal je proberen niet hyp en niet melancholiek te zijn...? Ik wist helemaal niet, dat je zo was!
— Neen kind, maar wat weten wij van elkaar...
— O neen, niet veel.
— De een is voor de ander gesloten... altijd. En toch hou je van mij... ik van jou. Jij weet niets van mij... ik, ik niets van jou.
— Neen...
— Van mijn geheimste weet je niets. En ik niets van jouw geheimste.
— Neen, bekende zij zacht, en zij bloosde en zij dacht aan haar laat opgebloeide leven, lente en zomer — waar niemand van wist.
— Dat kan niet anders. Dat moet zo zijn. Wij voelen elkaar zo weinig aan, in de woorden die we elkaar zeggen. Ik heb<noinclude></noinclude>
bui9r36haj4ex53xpfgalxs3lxjgcqq
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/520
104
68591
222259
188518
2026-05-31T13:43:17Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222259
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><section begin="s1"/>dikwijls verlangd naar een vriend... met wie ik zou aanvoelen... ons altergeheimste. Ik heb nooit zo een vriend gehad.
— Gerrit... ik wist niet... dat je zo... zo gevoelig was, broer.
— Neen... ik zeg je dingen, die ik anders nooit zeg. En ik zeg je ze en voel, dat het nutteloos is ze te zeggen. Toch ben je mijn zuster, niet waar...
— Ja...
— Nu breng ik je naar huis. Ik sleep je maar door de modder, de regen... De wegen zijn doorweekt... We zijn binnen een paar minuten bij je thuis.
Hij bracht haar thuis: zij belde, Truitje deed open...
— Is Van der Welcke thuis, denk je? vroeg Gerrit aan Constance.
— Ja, mevrouw, antwoordde Truitje. Meneer is op de voorkamer.
— Dan ga ik hem even zien...
Gerrit stormde naar boven.
— Mevrouw... ik vergat... Er is een telegram gekomen, zei Truitje.
— Een telegram...
Zij wist niet wat haar beving, maar zij werd doodsbang... Haar bloed scheen stil te staan in haar hart. Zij nam het telegram van Truitje aan, ging er mee in de salon, en voor zij het opende, deed zij de deur toe.
Gerrit was maar even Van der Welcke gaan groeten: hij moest naar huis terug, want het was al twaalf uur en etenstijd... Van der Welcke geleidde hem de trap af.
— Nou... adieu dan, kerel! zei Gerrit joviaal, drukte Van der Welcke de hand. Constance... Constance...! riep hij.
Zij antwoordde niet.
— Constance! riep Gerrit nog eens.
De keukendeur stond open.
— Mevrouw is in de salon, meneer, zei de meid.
— Constance...
Hij opende de deur. Maar de deur bleef stoten, als tegen een lichaam...
— Verdomme nog toe! vloekte Gerrit ontsteld...
Zij stortten door de eetkamer binnen. Van der Welcke, Gerrit, de meid. Constance lag flauw tegen de deur. Het telegram kreukte in haar gekrampte vingers:
„Parijs... Henri dood. Ik ben wanhopig, Emilie.”
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{Larger|'''X'''}}}}
Die Zondag was het een sombere avond bij mevrouw Van Lowe. En toch wist mama van niets — met Dorine had zij <section end="s2"/><noinclude></noinclude>
r5etob9ioqpnblsdcmc5qewia4y7fex
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/521
104
68594
222260
188523
2026-05-31T13:43:47Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222260
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>toegezien, dat de meiden de speeltafels klaar hadden gezet, had zij volgens haar gewoonte toegezien op de boterhammetjes, de koekjes, de wijn, die onveranderlijk stonden klaargezet in het zijkamertje, onder het grote portret van haar man, de oud gouverneur-generaal. Maar de oude mevrouw was niet als gewoonlijk en Dorine — bleek, ontzet — schrikte heel vreemd op, toen zij vroeg:
— Dorine, wie heeft nu weer het portret van papa verhangen...
Brommig en streng vroeg het de oude vrouw.
— Maar mama... het hangt daar al sedert jaren... Na papa's dood... zei u, dat u het niet altijd voor u kon zien in de salon... en is het verhangen.
— Wie... zeg je... heeft het verhangen?
— Maar uzelf, mama.
— Ik...
— Ja, u...
— O... ja... herinnerde zich de oude vrouw. Jawel... jawel... ik herinner het me wel; ik vraag het alleen maar, omdat... het hangt hier zo vreemd... in het kleine kamertje... en het is toch zo een mooi portret...
Dorine zeide niets meer. Zij beefde op haar benen, en toch spreidde zij de kaarten uit.
Nu kwamen Karel en Cateau.
— Wat is {{sp|dát}} vreeslijk! zei Cateau bleek. Wij zijn toch maar gekomen, voor mama... niet waar... Kàrel?
— Mama weet van niets... zei Dorine. Maar we zullen het haar onmogelijk kunnen verzwijgen... Otto is naar Baarn om Bertha voor te bereiden.
Ook de Van Saetzema's kwamen nu binnen.
— Bizonderheden zijn niet bekend? vroeg Adolfine.
— Neen, fluisterde Dorine, schichtig, nu mama naderde.
— Wat zijn jullie allen laat! mopperde de oude vrouw. Waarom zijn oom Herman en tante Lot er nog niet... En waarom zijn tante Tien en tante Rien nog niet gekomen?
Er was een ogenblik pijnlijke stilte.
— Maar ze komen immers niet meer sedert enige tijd, mama, zei Adolfine zacht.
— Wat zeg je... Zijn ze ziek?
— De oude tàntes komen al {{sp|lang}} niet meer 's {{sp|Zondagsavond}}s, zei Cateau met veel meewarige nadruk.
Plotseling scheen mevrouw Van Lowe zich te herinneren... Ja, het was waar: de zusters kwamen al lang niet meer 's Zondagsavonds... Zij schudde het hoofd met die knikkende toestemming en weting der treurige dingen van ouderdom en voor de kinderen nog duistere toekomst...
— Er is iets, dacht zij bij zichzelf, en zij scheen te willen turen voor zich uit.<noinclude></noinclude>
oseoxqnos2sm5vwmtfy45acotdqm2ha
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/522
104
68595
222261
188524
2026-05-31T13:44:12Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222261
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
Maar zij zag het niet voor zich, voor haar vage ogen, — zoals zij gezien had het sterven van de moeder van Henri — daarginds, in een sombere kamer, te Driebergen — in een somber eiken bed tussen somber groene gordijnen. Zij voelde wel, dat er iets was, dat zij haar verzwegen om haar geen pijn te doen, maar zij zag het niet, als zij kort geleden nog gezien had andere dingen, die de kinderen niet zagen en wisten: het was of glassig en vaag haar blik werd... of zij alleen maar raadde... vermoedde. En zij wilde niet vragen wat er was. Als er dan iets was... nu, dan kon het wel niet anders of somber, eenzaam, stil was haar Zondag-familie-avond. De kinderen van Adolfine zaten niet meer aan de allegaartafel in de serre, de oude vrouw begreep niet waarom — zag het niet, dat zij groeiden, dat zij de spelletjes vervelend vonden. Alleen rondkijkende door haar lege kamer, vroeg zij nog, eenmaal:
— Waar is Bertha? En waar is Constance...
En Adolfine en Cateau, deze keer, deden zelfs geen moeite mama te herinneren, dat Bertha in Baarn woonde. Wat tante Lot aanging, zij konden niet zeggen, dat de goede vrouw ziek was geworden, een zenuwtoeval, om die plotselinge dood van Henri, waarvan niemand nog bizonderheid wist — alleen Toetie kwam heel laat, en zei, dat mama wat hoofdpijn had — en wat Constance betrof — had niet éen van de kinderen durven zeggen, dat Constance met Van der Welcke de nachttrein van zes uur naar Parijs had genomen, dadelijk... op het telegram van Emilie. Gerrit had met hen mee willen gaan, maar hij was ziek, en thuis komende van de Kerkhoflaan, had hij nauwelijks aan Adeline een woord van het telegram gezegd — was hij rillende naar bed gekropen, menende, dat hij koorts had, influenza, hij wist niet... Ook dat Gerrit ziek was, wilden de dochters mama liever niet zeggen, en mama vroeg zelfs niet naar Gerrit, hoewel zij hem, Adeline miste — en zij vond haar kamer heel leeg.. Waar waren zij, vroeg de oude vrouw zich af... Van Bertha's troepje niemand... de oude zusters niet... Constance niet... Gerrit niet... tante Lot niet... waar waren zij allen, vroeg telkens zich de oude vrouw af... Hoe groot waren haar kamers geworden, hoe kil deden haar áan, die speeltafels, afwachtende met haar fiches, de in een S uitgespreide kaarten... Nu, als er dan geen kinderen meer waren, zou zij maar niet meer klaar laten zetten de allegaartafel in de serre — tot er opnieuw weer warmte om haar heen kwam, op haar arme Zondag-avonden.... En wat zou zij nog zoveel koekjes bestellen en boterhammetjes laten gereed maken, als zij ze toch niet aten — als er niemand was om ze te eten... En, het was heel vreemd, maar nu vanavond haar kamers zo leeg waren — werd zij heel moe van die er waren — Adolfine, Cateau, Floortje en Dijkerhof... heel moe... Zij voelde haar gezicht trekken van moeheid, haar vallende oogleden knippen over haar glassige ogen heen en haar zwaaraderige<noinclude></noinclude>
130pghisiextyltwot28fvh7c2rp2o4
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/523
104
68596
222262
188525
2026-05-31T13:44:29Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222262
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><section begin="s1"/>handen beven in haar schoot, van grote moeheid. Zij sprak niet meer, zij knikte alleen: de welwetende knik van de ouderdom, dat treurig des ouderdoms dingen zijn... Zij knikte alleen: verlangend, dat zij zouden gaan... Gezellig waren zij niet: zij fluisterden onder elkaar, hun gezichten waren wit — zij zaten en staarden zo spokig vreemd om haar heen — als was er een ongeluk gebeurd — als zou er een ongeluk gebeuren... Hadden de meiden zo slecht gestookt... Was het dan zo bitter koud en kil huiverig in haar kamers, dat het haar zo met rillingen liep over haar oude krommende rug... En toen zij, de kinderen, eindelijk — vroeger dan anders — en altijd met diezelfde blik van spokig staren — in het ongeluk, dat zou gebeuren gaan, afscheid van haar namen, had zij hun allen willen zeggen... dat zij te oud werd — om vol te houden haar Zondagavond.. had zij het op de lippen al het te zeggen tot Floortje... tot Cateau... Adolfine... maar een medelijden met hen allen en vooral met haarzelf weerhield haar en zij zeide het niet, en zij zeide integendeel... heel moe...:
— Nu... ik hoop, dat jullie de volgende Zondag... wat trouwer zullen komen... Allemaal... allemaal... Ik wil jullie allemaal hebben... Allemaal hebben... om mij heen.
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''XI'''}}}}
Toen lieten zij haar alleen, vroeger dan zij gewoon was, en de oude vrouw belde nog niet dadelijk de meiden om het licht uit te doen — om naar bed te gaan -: zij dwaalde alleen haar kamers wat door, haar grote, lege, nog helder verlichte kamers. Wat was er dan toch veranderd met de vele, vele jaren, die heel langzaam aan zich stapelden op elkaar om haar heen, om haar heen, als begroeven zij haar geheel in hun grauwe stapelingen... Soms was het haar of er niets was veranderd; of de Zondagavonden altijd dezelfde bleven, ook al was er wel eens een afwezig — om de een of andere reden... Maar soms was het haar — als heden — of alles, of àlles veranderd was, en met nauwelijks waarneembare veranderingen... Bleef zij alleen dezelfde...? Nu was zij gekomen in het kleine zijkamertje; van de koekjes was deze keer bijna niets gegeten, en daar boven hing het mooie portret van haar man... het gouden kostuum... de ridderorden... Dood was hij... en met hem, al hun grootheid — die zij lief had leren krijgen om hem, uit hem... Zij dwaalde terug naar andere kamers; er hingen portretten, er stonden portretten in lijstjes... Dood de oude huisdokter: zo oud als afgestorven de oude zusters; dood Van Naghel... als afgestorven, zo ver Bertha... Tante Lot... ze was er nog... ze was er nog... dapper, trots haar ruïne... Dan de kinderen ... langzaam hun aller afsterving, of was het niet afsterving ver en <section end="s2"/><noinclude></noinclude>
kf1a8t2qlkepqvs3xne4ubjw1x0y46g
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/524
104
68600
222263
188530
2026-05-31T13:44:54Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222263
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>wijd van haar weg... Karel... Adolfine... Ernst... zelfs Paul... Dorine, haar jongste... Alleen Constance... alleen Gerrit misschien... En de kleinkinderen... Frans... in Indië... Emilie... Henri... God, wat deden zij in Parijs... God, o God — wat was er met hen! Zag zij plotseling de jongen niet neer liggen... bleek als een lijk... met open kleren... een diepe gapende wond, als een wel van bloed boven zijn hart zijn long purper ontstromend... nog zieltogende... Waarom zag zij het... vreemd vizioen van enkele seconden... Het zou zo niet zijn... maar angstig deed het haar aan... En welwetend knikte zij het oude hoofd, glassig de ogen, die plotseling beter zagen de vizioenen dan de werkelijkheid — voor zij niets meer zouden zien, in de verdoving van de langzaam om en op haar gestapelde jaren... Waarom zag zij het...! En in de leegte van haar helder verlichte kamer kwam als een ruising uit de verte aan, uit de verte buiten de kamer, de verte buiten het huis, de verte buiten de nacht — de heel verre verte der eeuwigheid, de eeuwigheid, waaruit worden àlle dingen der toekomst geboren — een ruising zo overstelpend, dat het was als een zee van bovenwereldlijkheid, waarin verdronk de bevende arme oude vrouw, verdronk met al haar ijdelheid en al haar nietsbetekenend verdriet, verdronk haar hele kleine, kleine ziel als een atoom van niets in de ruisende, ruisende golven... een ruising, uit wier stemmen het klonk tot haar, dat het gebeuren ging! dat het gebeuren ging!! het grote Verdriet — dat waarvoor zij bevende bang was, omdat zij het al lang voorgevoelde en omdat het zo zwaar zou zijn te dragen voor haar — nu zij te oud en te moe was, om nog wàt van verdriet meer te dragen! En met een gebaar van onbewustheid stak zij óp haar bevende oude handen, en bad zij werktuigelijk: o God, niet meer... niet meer... Waarom zou het dan zo moeten worden, zo zwaar en zo erbarmingloos verpletterend... Waarom was het dan niet àlles maar vroeger gekomen, ook dat, wat zo ruisende aandreigde, en waaronder zij nu, te moe en te zwak en te oud, bezwijken zou, als het over haar heen zou varen, als het haar bereikt had van uit de aandreigende, aanruisende verre, verre eeuwigheid, waaruit worden alle dingen der toekomst geboren...
Maar niet langer dan een seconde duurde voor haar de ruising van die noodlottigheid en de weting ervan... En, de seconde voorbij, waren het alleen om haar rond de lege, hel verlichte kamers. Nu, elf uur, de kinderen al allen naar huis terug waren, nu belde zij... om de lichten uit te doen, om naar bed te gaan — vroom zich schikkende naar de kleine eisen van het hele kleine leven — wat er dan ook daarboven bovenwereldlijk dreigde uit eeuwigheid...
De meiden bezig in de lege kamer, waar zij uitdraaiden de gaskroon, ging langzaam de oude vrouw nu de trap op, naar<noinclude></noinclude>
6rdjwvsmvzha7cr9k3m2cr5ihqqtsj2
Hoofdportaal:Recht/Publiekrecht/Straf- en strafprocesrecht/Frankrijk
100
68834
222282
188827
2026-05-31T16:38:53Z
Vincent Steenberg
280
+bron
222282
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox thema
| naam = Straf- en strafprocesrecht; Frankrijk
| afbeelding = Palais-de-justice-paris.jpg
| alt = Paleis van Justitie, Parijs
| beschrijving = Dit is een overzicht van alle op [[Wikisource:Over Wikisource|Wikisource]] aanwezige bronnen over [[w:Strafrecht|straf-]] en [[w:Strafprocesrecht|strafprocesrecht]] in Frankrijk.
}}
== Encyclopedische werken enz. ==
*''Gazette des tribunaux. Journal de jurisprudence et des débats judiciaires''.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (11 september 1826) [[Leydse Courant/1826/Nummer 109/Regtsgeleerde courant|‘Regtsgeleerde courant’]], ''Leydsche Courant'', [p. 3].
== Strafprocessen; afzonderlijk ==
;Panama-zaak
*Anoniem (24 december 1892) [[Limburger Koerier/Jaargang 47/Nummer 214-215/Parijs, 24 December|‘Parijs, 24 December’]], ''Limburger Koerier'', tweede blad, [p. 3.
;Strafzaak tegen baron de Castillon
*Anoniem (31 december 1892) [[Limburger Koerier/Jaargang 47/Nummer 217-218/Uit Frankrijk (1)|‘Uit Frankrijk’]], ''Limburger Koerier'', eerste blad, [p. 2].
;Strafzaak tegen Grévy, Renault, Proust en Duqué
*Anoniem (20 december 1892) [[Limburger Koerier/Jaargang 47/Nummer 212/Frankrijk|‘Frankrijk’]], ''Limburger Koerier'', [p. 2].
;Strafzaak tegen Lebourg
*Anoniem (22 december 1892) [[Limburger Koerier/Jaargang 47/Nummer 213/Uit Frankrijk|‘Uit Frankrijk’]], ''Limburger Koerier'', tweede blad, [p. 1].
;Strafzaak tegen Pagot
*Anoniem (19 juni 1884) [[Het Nieuws van den Dag/1884/Nummer 4396/Voor het hof van assises te Parijs|‘Voor het hof van assises te Parijs stond dezer dagen een man, Pagot genaamd, terecht, […]’]], ''Het Nieuws van den Dag'', Tweede Blad, [p. 1].
;Strafzaak tegen Henri Rochefort
*Anoniem (3 februari 1898) [[De Zuid-Limburger/Jaargang 4/Nummer 29/Parijs, 2 Febr. (2)|‘Parijs, 2 Febr. [1]’]], ''De Zuid-Limburger'', [p. 3].
*Anoniem (3 februari 1898) [[De Zuid-Limburger/Jaargang 4/Nummer 29/Parijs, 2 Febr. (3)|‘Parijs, 2 Febr. [2]’]], ''De Zuid-Limburger'', [p. 3].
;Strafzaak tegen Émile Zola
*Anoniem (12 februari 1898) [[De Zuid-Limburger/Jaargang 4/Nummer 39/Frankrijk/Het proces Zola|‘Het proces Zola’]], ''De Zuid-Limburger'', Eerste blad, [p. 2].
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal recht]]
qnful2b6ufnjzjzt8t4jqhtva751h52
Provinciale Noordbrabantsche en 's-Hertogenbossche Courant/1878/Nummer 25/Voor het Louvre is aangekocht
0
86587
222179
2026-05-31T12:00:25Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
222179
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Voor het museum van het Louvre te Parijs, is aangekocht en aldaar geplaatst een buitengewoon merkwaardige Egyptische papyrus […]’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit de ''Provinciale Noordbrabantsche en 's-Hertogenbossche Courant'', zaterdag 2 maart 1878, tweede blad, [p. 1]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Provinciale Noordbrabantsche en 's-Hertogenbossche Courant 1878 no 025.pdf" from="5" to="5" fromsection="s28" tosection="s28"/>
[[Categorie:Provinciale Noordbrabantsche en 's-Hertogenbossche Courant, 1878, Nummer 025]]
lk4n8ax6rqbimbu80ifuttqfm26hhky
Index:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf
106
86588
222264
2026-05-31T15:19:27Z
Nederlandse Leeuw
797
Nieuwe pagina aangemaakt met ''
222264
proofread-index
text/x-wiki
{{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template
|Type=boek
|Taal=nl
|wikidata=
|Titel=Beschrijving van Oekraïne
|Ondertitel=Beschrijving van de Rivier Borysthenes, gemeenelijck genoemt Niepr oft Dniepr; en van de zeden der Zaporovische Cosacken
|Deel=
|Auteur=Guillaume Le Vasseur de Beauplan
|Vertaler=Joan Blaeu, Nederlandse bewerking van het Franstalig origineel uit 1651
|Redacteur=
|Illustrator=Joan Blaeu
|Stroming=
|Jaar=1664
|Uitgever=Joan Blaeu
|Plaats=Amsterdam
|Druk=
|OorspronkelijkeUitgave=
|Key=
|doe_wikidata=
|ISBN=
|OCLC=
|LCCN=
|BNF_ARK=
|DBNL=
|Bron=pdf
|Afbeelding=
|Voortgang=X
|Delen=
|Pagina's=<pagelist 1="29 recto" 2="Kaart 1" 3="29 verso" 4="30 recto" 5="Kaart 2" 6="30 verso" 7="31 recto" 8="Kaart 3" 9="31 verso" 10="32 recto" 11="Kaart 4" 12="32 verso" 13="33 recto" 14="33 verso" 15="34 recto" 16="34 verso" 17="35 recto" 18="35 verso" 19="36 recto" 20="36 verso" 21="37 recto" 22="37 verso" 23="38 recto" 24="38 verso" 25="Taurica Chersonesus 1" 26="Kaart Krimkanaat" 27="Taurica Chersonesus 2" />
|Opmerkingen=
|NestedInhoud=
|Breedte=
|Css=
|Header=
|Footer=
}}
l2okfc9v2fwgz8wr4qqkcw2mzldxlwf
222266
222264
2026-05-31T15:26:04Z
Nederlandse Leeuw
797
222266
proofread-index
text/x-wiki
{{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template
|Type=boek
|Taal=nl
|wikidata=
|Titel=Beschrijving van Oekraïne
|Ondertitel=Beschrijving van de Rivier Borysthenes, gemeenelijck genoemt Niepr oft Dniepr; en van de zeden der Zaporovische Cosacken
|Deel=
|Auteur=Guillaume Le Vasseur de Beauplan
|Vertaler=Joan Blaeu, Nederlandse bewerking van het Franstalig origineel uit 1651
|Redacteur=
|Illustrator=Joan Blaeu
|Stroming=
|Jaar=1664
|Uitgever=Joan Blaeu
|Plaats=Amsterdam
|Druk=
|OorspronkelijkeUitgave=
|Key=
|doe_wikidata=
|ISBN=
|OCLC=
|LCCN=
|BNF_ARK=
|DBNL=
|Bron=pdf
|Afbeelding=
|Voortgang=X
|Delen=
|Pagina's=<pagelist />
|Opmerkingen=
|NestedInhoud=
|Breedte=
|Css=
|Header=
|Footer=
}}
1q0b8uxeuwkavszcxcahcjkijxwvf9r
222267
222266
2026-05-31T15:27:18Z
Nederlandse Leeuw
797
Versie 222266 van [[Speciaal:Contributions/Nederlandse Leeuw|Nederlandse Leeuw]] ongedaan gemaakt. Werkt ook niet...
222267
proofread-index
text/x-wiki
{{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template
|Type=boek
|Taal=nl
|wikidata=
|Titel=Beschrijving van Oekraïne
|Ondertitel=Beschrijving van de Rivier Borysthenes, gemeenelijck genoemt Niepr oft Dniepr; en van de zeden der Zaporovische Cosacken
|Deel=
|Auteur=Guillaume Le Vasseur de Beauplan
|Vertaler=Joan Blaeu, Nederlandse bewerking van het Franstalig origineel uit 1651
|Redacteur=
|Illustrator=Joan Blaeu
|Stroming=
|Jaar=1664
|Uitgever=Joan Blaeu
|Plaats=Amsterdam
|Druk=
|OorspronkelijkeUitgave=
|Key=
|doe_wikidata=
|ISBN=
|OCLC=
|LCCN=
|BNF_ARK=
|DBNL=
|Bron=pdf
|Afbeelding=
|Voortgang=X
|Delen=
|Pagina's=<pagelist 1="29 recto" 2="Kaart 1" 3="29 verso" 4="30 recto" 5="Kaart 2" 6="30 verso" 7="31 recto" 8="Kaart 3" 9="31 verso" 10="32 recto" 11="Kaart 4" 12="32 verso" 13="33 recto" 14="33 verso" 15="34 recto" 16="34 verso" 17="35 recto" 18="35 verso" 19="36 recto" 20="36 verso" 21="37 recto" 22="37 verso" 23="38 recto" 24="38 verso" 25="Taurica Chersonesus 1" 26="Kaart Krimkanaat" 27="Taurica Chersonesus 2" />
|Opmerkingen=
|NestedInhoud=
|Breedte=
|Css=
|Header=
|Footer=
}}
l2okfc9v2fwgz8wr4qqkcw2mzldxlwf
222337
222267
2026-05-31T19:31:51Z
Nederlandse Leeuw
797
222337
proofread-index
text/x-wiki
{{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template
|Type=boek
|Taal=nl
|wikidata=
|Titel=Beschrijving van Oekraïne
|Ondertitel=Beschrijving van de Rivier Borysthenes, gemeenelijck genoemt Niepr oft Dniepr; en van de zeden der Zaporovische Cosacken
|Deel=
|Auteur=Guillaume Le Vasseur de Beauplan
|Vertaler=Joan Blaeu, Nederlandse bewerking van het Franstalig origineel uit 1651
|Redacteur=
|Illustrator=Joan Blaeu
|Stroming=
|Jaar=1664
|Uitgever=Joan Blaeu
|Plaats=Amsterdam
|Druk=
|OorspronkelijkeUitgave=
|Key=
|doe_wikidata=
|ISBN=
|OCLC=
|LCCN=
|BNF_ARK=
|DBNL=
|Bron=pdf
|Afbeelding=
|Voortgang=C
|Delen=
|Pagina's=<pagelist 1="29 recto" 2="Kaart 1" 3="29 verso" 4="30 recto" 5="Kaart 2" 6="30 verso" 7="31 recto" 8="Kaart 3" 9="31 verso" 10="32 recto" 11="Kaart 4" 12="32 verso" 13="33 recto" 14="33 verso" 15="34 recto" 16="34 verso" 17="35 recto" 18="35 verso" 19="36 recto" 20="36 verso" 21="37 recto" 22="37 verso" 23="38 recto" 24="38 verso" 25="Taurica Chersonesus 1" 26="Kaart Krimkanaat" 27="Taurica Chersonesus 2" />
|Opmerkingen=
|NestedInhoud=
|Breedte=
|Css=
|Header=
|Footer=
}}
98ycgc66eb7hd8ux3y1ef9g4696ndaq
222345
222337
2026-05-31T20:37:57Z
Havang(nl)
4330
222345
proofread-index
text/x-wiki
{{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template
|Type=boek
|Taal=nl
|wikidata=
|Titel=Beschrijving van Oekraïne
|Ondertitel=Beschrijving van de Rivier Borysthenes, gemeenelijck genoemt Niepr oft Dniepr; en van de zeden der Zaporovische Cosacken
|Deel=
|Auteur=Guillaume Le Vasseur de Beauplan
|Vertaler=Joan Blaeu, Nederlandse bewerking van het Franstalig origineel uit 1651
|Redacteur=
|Illustrator=Joan Blaeu
|Stroming=
|Jaar=1664
|Uitgever=Joan Blaeu
|Plaats=Amsterdam
|Druk=
|OorspronkelijkeUitgave=
|Key=
|doe_wikidata=
|ISBN=
|OCLC=
|LCCN=
|BNF_ARK=
|DBNL=
|Bron=pdf
|Afbeelding=1
|Voortgang=C
|Delen=
|Pagina's=<pagelist 1="29 recto" 2="Kaart 1" 3="29 verso" 4="30 recto" 5="Kaart 2" 6="30 verso" 7="31 recto" 8="Kaart 3" 9="31 verso" 10="32 recto" 11="Kaart 4" 12="32 verso" 13="33 recto" 14="33 verso" 15="34 recto" 16="34 verso" 17="35 recto" 18="35 verso" 19="36 recto" 20="36 verso" 21="37 recto" 22="37 verso" 23="38 recto" 24="38 verso" 25="Taurica Chersonesus 1" 26="Kaart Krimkanaat" 27="Taurica Chersonesus 2" />
|Opmerkingen=
|NestedInhoud=
|Breedte=
|Css=
|Header=
|Footer=
}}
208ihgmejyakl43gh504133017oom4b
222352
222345
2026-05-31T21:06:37Z
Havang(nl)
4330
222352
proofread-index
text/x-wiki
{{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template
|Type=boek
|Taal=nl
|wikidata=
|Titel=Beschrijving van Oekraïne
|Ondertitel=Beschrijving van de Rivier Borysthenes, gemeenelijck genoemt Niepr oft Dniepr; en van de zeden der Zaporovische Cosacken
|Deel=
|Auteur=Guillaume Le Vasseur de Beauplan
|Vertaler=Joan Blaeu, Nederlandse bewerking van het Franstalig origineel uit 1651
|Redacteur=
|Illustrator=Joan Blaeu
|Stroming=
|Jaar=1664
|Uitgever=Joan Blaeu
|Plaats=Amsterdam
|Druk=
|OorspronkelijkeUitgave=
|Key=
|doe_wikidata=
|ISBN=
|OCLC=
|LCCN=
|BNF_ARK=
|DBNL=
|Bron=pdf
|Afbeelding=1
|Voortgang=C
|Delen=
|Pagina's=Borysthenes (Dniepr)
<pagelist from=1 to=24 1=29r 2="Kaart 1" 3=29v 4=30r 5="Kaart 2" 6=30v 7=31r 8="Kaart 3" 9=31v 10=32r 11="Kaart 4" 12=32v 13=33r 14=33v 15=34r 16=34v 17=35r 18=35v 19=36r 20=36v 21=37r 22=37v 23=38r 24=38v/>
Taurica Chersonesus
<pagelist from=25 to=27 25=92r 26=Kaart 27=92v/>
|Opmerkingen=
|NestedInhoud=
|Breedte=
|Css=
|Header=
|Footer=
}}
lprwyl2zt2j1uqu6ccpffnd4l2sfgpg
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/1
104
86589
222270
2026-05-31T16:04:01Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met 'Beschrijving van de Rivier B O R Y S T H E N E S, gemeenelijck genoemt N I E P R oft D N I E P R; en van de zeden der ZAPOROVISCHE COSACKEN. DE rivier Borysthenes wordt nu gemeenelijck van de Moscoviters, Russen, Littauwers, Po- len, en van alle Sarma- tische volkeren Nieper oft Dnieper genoemt, van seker dorp Dnie- persko , by 't welck sy haer oorsprong heeft. Maer dewijl de hedendaeghsche naem veel van de Latijnsche benaem…
222270
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>Beschrijving van de Rivier
B O R Y S T H E N E S,
gemeenelijck genoemt
N I E P R oft D N I E P R;
en van de zeden der
ZAPOROVISCHE COSACKEN.
DE rivier Borysthenes
wordt nu gemeenelijck
van de Moscoviters,
Russen, Littauwers, Po-
len, en van alle Sarma-
tische volkeren Nieper
oft Dnieper genoemt,
van seker dorp Dnie-
persko , by 't welck sy
haer oorsprong heeft.
Maer dewijl de hedendaeghsche naem veel van
de Latijnsche benaeming verschilt, soo sijn 'er,
die achten dat d'oude naem Borysthenes beter
op de rivier Berezin past, de welcke, het kasteel
Borisou, en meer andere bespoelende, en de
rivieren Prodwin , Zyze, Olhe, Zerdzie, Swie-
ce, en een weynigh boven Rzeczycke, in sich
ontfangen hebbende , sich in de rivier , die te-
genwoordigh Borysthenes genoemt wordt,ont-
last daer sijn andere , die dese rivier Diabory-
sthenes noemen. Doch wat 'er af sy, wy sullen
dit aen 't oordeel van de leser laten; en ick acht
dat men niet langer aen d'ondersoecking van
de naem moet blijven hangen; dewijl de Schrij-
vers , van de namen der rivieren en landen han-
delende, eerder by gissing, dan met versekering
van de waerheyt daer af spreken. Indien men
echter acht dat de rivier Borysthenes de Bere-
zine der Ouden is , soo kan men ten minsten dit
toestaen, dat dese Dnieper, daer af wy nu
spreken , by outs met de selfde naem aengewe-
fen heeft geweest ten minsten aen 't beneden-
deel , daer sy de Berezine in haer gracht ont-
fangt; maer dat, soo veel het bovendeel aen-
gaet, de naem daer af aen d'Ouden onbekent
heeft geweest; oft,indien het eenige naem heeft
gehadt, dat die door verloop van tijdt uytge-
wischt is , en dat dit bovendeel oock de naem
van't benedendeel heeft ontleent gehadt.
't Is seker dat Europa geen grooter rivier
heeft, dan alleen de Donau,- indien iemant de
Wolga boven de Borysthenes stelt , die moet
weten dat die, hoewel in Europa gesproten ,
echter meer onder de rivieren van Asien gereec-
kent moet worden, dewijl sy Europa slechts met
een kleyn gedeelte van hare wateren besproeyt.
De Borysthenes heeft haeren oorsprong in
Moscovien , van 't welck het Hartoghdom van
Polen,<noinclude></noinclude>
sayiip6fpknq6b3at0q27nfgzd5us0c
222271
222270
2026-05-31T16:09:00Z
Nederlandse Leeuw
797
222271
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|Beschrijving van de Rivier}}
{{center|B O R Y S T H E N E S,}}
{{center|gemeenelijck genoemt}}
{{center|N I E P R oft D N I E P R;}}
{{center|en van de zeden der}}
{{center|ZAPOROVISCHE COSACKEN.}}
{|
|-----
|
DE rivier Borysthenes
wordt nu gemeenelijck
van de Moscoviters,
Russen, Littauwers, Po-
len, en van alle Sarma-
tische volkeren Nieper
oft Dnieper genoemt,
van seker dorp Dnie-
persko , by 't welck sy
haer oorsprong heeft.
Maer dewijl de hedendaeghsche naem veel van
de Latijnsche benaeming verschilt, soo sijn 'er,
die achten dat d'oude naem Borysthenes beter
op de rivier Berezin past, de welcke, het kasteel
Borisou, en meer andere bespoelende, en de
rivieren Prodwin , Zyze, Olhe, Zerdzie, Swie-
ce, en een weynigh boven Rzeczycke, in sich
ontfangen hebbende , sich in de rivier , die te-
genwoordigh Borysthenes genoemt wordt,ont-
last daer sijn andere , die dese rivier Diabory-
sthenes noemen. Doch wat 'er af sy, wy sullen
dit aen 't oordeel van de leser laten; en ick acht
dat men niet langer aen d'ondersoecking van
de naem moet blijven hangen; dewijl de Schrij-
vers , van de namen der rivieren en landen han-
delende, eerder by gissing, dan met versekering
van de waerheyt daer af spreken. Indien men
echter acht dat de rivier Borysthenes de Bere-
zine der Ouden is , soo kan men ten minsten dit
toestaen, dat dese Dnieper, daer af wy nu
spreken , by outs met de selfde naem aengewe-
fen heeft geweest ten minsten aen 't beneden-
deel , daer sy de Berezine in haer gracht ont-
fangt; maer dat, soo veel het bovendeel aen-
gaet, de naem daer af aen d'Ouden onbekent
heeft geweest; oft,indien het eenige naem heeft
gehadt, dat die door verloop van tijdt uytge-
wischt is , en dat dit bovendeel oock de naem
van't benedendeel heeft ontleent gehadt.
't Is seker dat Europa geen grooter rivier
heeft, dan alleen de Donau,- indien iemant de
Wolga boven de Borysthenes stelt , die moet
weten dat die, hoewel in Europa gesproten ,
echter meer onder de rivieren van Asien gereec-
kent moet worden, dewijl sy Europa slechts met
een kleyn gedeelte van hare wateren besproeyt.
De Borysthenes heeft haeren oorsprong in
Moscovien , van 't welck het Hartoghdom van
Polen,
|
Russen is,niet verre van de bron der riviere Mos-
kou, by het dorp Dniepersko, van daer sy, west-
waerts loopende , Wiasme bespoelt , en ha-
ren loop zuydwaerts nemende , voorby Do-
rohobusz, Smolensko, de hooftstadt van 't Har-
toghdom van de selfde naem, Dubrowne,Orsse,
Kopyse, Szklowan en Mohitovie stroomt, en,
door d'invloeying van verscheyde beeken groo-
ter geworden , sich naer Rohaczovie streckt,
daer de rivier Druo in sijn gracht komt. Hy
swelght oock, beneden dese stadt, de beeck Bo-
bosne in , en besproeyt de stadt Striestyne , en
ontfangt eyndelijck, een weynigh boven Rzec-
zyze, een gerechts-stadt, de Berezyne, van de
welcke wy hier boven gewagh hebben ge-
maeckt, en die van eenige voor d'oude Bory-
sthenes wordt gehouden, om de gelijcke klanck
van de naem, en overeenkoming van 't woort.
Sy dan , voorby dese plaetsen geloopen , vloeyt
in de stadt Chelmiez , en stroomt van daer naer
Lojowagorde, tegen over de welcke de rivier
Soffze sich in de Borysthenes stort, van daer sy
naer Lubiecze vloeyt, en naer het dorp Nawos,
't welck een adelijck huys heeft, en , door de
wateren van de rivier Perepete, (die op de gren-
sen van Podlachien in Polesie sijn oorsprong
heeft) grooter geworden,neemt eyndelijck haer
loop naer Kiovie,daer sy oock door 't water van
de Dziesne , uyt het Hartoghdom van Severien
vloeyende, vergroot wordt.
Kiovie, van d'inwoonders Kiow genoemt, is
eender oudtste fteden van Europa , gelijck uyt
de merckteeckenen, die haer ouderdom te ken-
nen geven, blijckt namelijck , uyt haer lange
en breede omkring, diepte der grachten , puyn-
hoopen der kercken, en oude graven van veel
Koningen,die daer begraven sijn. Van haer ou-
de kercken sijn niet meer dan twee overgeble-
ven , als tot een geheughteecken van een stadt,
die eertijts soo groot heeft geweest; namelijck
van S. Sophie, en van S. Michaël. D'overigen
konnen niet, dan uyt de puynhoopen , bekent
worden; gelijck van S. Basilius, welcks mu-
ren noch omtrent vijf of ses voeten hoogh
staen , met Griecksche opschriften , over veer-
tien hondert jaren in marmer gesneden , de
welcke door de langen tijdt byna uytgesleten
sijn. In dese puynhoopen ontdeckt men de toe-
|}<noinclude></noinclude>
qqi6ra6ohpeg3cal5bs89uj3amkbtxw
222281
222271
2026-05-31T16:37:28Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Proefgelezen */
222281
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|Beschrijving van de Rivier}}
{{center|B O R Y S T H E N E S,}}
{{center|gemeenelijck genoemt}}
{{center|N I E P R oft D N I E P R;}}
{{center|en van de zeden der}}
{{center|ZAPOROVISCHE COSACKEN.}}
{|
|-----
|
DE rivier Borysthenes
wordt nu gemeenelijck
van de Moscoviters,
Russen, Littauwers, Po-
len, en van alle Sarma-
tische volkeren Nieper
oft Dnieper genoemt,
van seker dorp Dnie-
persko , by 't welck sy
haer oorsprong heeft.
Maer dewijl de hedendaeghsche naem veel van
de Latijnsche benaeming verschilt, soo sijn 'er,
die achten dat d'oude naem Borysthenes beter
op de rivier Berezin past, de welcke, het kasteel
Borisou, en meer andere bespoelende, en de
rivieren Prodwin , Zyze, Olhe, Zerdzie, Swie-
ce, en een weynigh boven Rzeczycke, in sich
ontfangen hebbende , sich in de rivier , die te-
genwoordigh Borysthenes genoemt wordt,ont-
last daer sijn andere , die dese rivier Diabory-
sthenes noemen. Doch wat 'er af sy, wy sullen
dit aen 't oordeel van de leser laten; en ick acht
dat men niet langer aen d'ondersoecking van
de naem moet blijven hangen; dewijl de Schrij-
vers , van de namen der rivieren en landen han-
delende, eerder by gissing, dan met versekering
van de waerheyt daer af spreken. Indien men
echter acht dat de rivier Borysthenes de Bere-
zine der Ouden is , soo kan men ten minsten dit
toestaen, dat dese Dnieper, daer af wy nu
spreken , by outs met de selfde naem aengewe-
fen heeft geweest ten minsten aen 't beneden-
deel , daer sy de Berezine in haer gracht ont-
fangt; maer dat, soo veel het bovendeel aen-
gaet, de naem daer af aen d'Ouden onbekent
heeft geweest; oft,indien het eenige naem heeft
gehadt, dat die door verloop van tijdt uytge-
wischt is , en dat dit bovendeel oock de naem
van't benedendeel heeft ontleent gehadt.
't Is seker dat Europa geen grooter rivier
heeft, dan alleen de Donau,- indien iemant de
Wolga boven de Borysthenes stelt , die moet
weten dat die, hoewel in Europa gesproten ,
echter meer onder de rivieren van Asien gereec-
kent moet worden, dewijl sy Europa slechts met
een kleyn gedeelte van hare wateren besproeyt.
De Borysthenes heeft haeren oorsprong in
Moscovien , van 't welck het Hartoghdom van
Polen,
|
Russen is,niet verre van de bron der riviere Mos-
kou, by het dorp Dniepersko, van daer sy, west-
waerts loopende , Wiasme bespoelt , en ha-
ren loop zuydwaerts nemende , voorby Do-
rohobusz, Smolensko, de hooftstadt van 't Har-
toghdom van de selfde naem, Dubrowne,Orsse,
Kopyse, Szklowan en Mohitovie stroomt, en,
door d'invloeying van verscheyde beeken groo-
ter geworden , sich naer Rohaczovie streckt,
daer de rivier Druo in sijn gracht komt. Hy
swelght oock, beneden dese stadt, de beeck Bo-
bosne in , en besproeyt de stadt Striestyne , en
ontfangt eyndelijck, een weynigh boven Rzec-
zyze, een gerechts-stadt, de Berezyne, van de
welcke wy hier boven gewagh hebben ge-
maeckt, en die van eenige voor d'oude Bory-
sthenes wordt gehouden, om de gelijcke klanck
van de naem, en overeenkoming van 't woort.
Sy dan , voorby dese plaetsen geloopen , vloeyt
in de stadt Chelmiez , en stroomt van daer naer
Lojowagorde, tegen over de welcke de rivier
Soffze sich in de Borysthenes stort, van daer sy
naer Lubiecze vloeyt, en naer het dorp Nawos,
't welck een adelijck huys heeft, en , door de
wateren van de rivier Perepete, (die op de gren-
sen van Podlachien in Polesie sijn oorsprong
heeft) grooter geworden,neemt eyndelijck haer
loop naer Kiovie,daer sy oock door 't water van
de Dziesne , uyt het Hartoghdom van Severien
vloeyende, vergroot wordt.
Kiovie, van d'inwoonders Kiow genoemt, is
eender oudtste fteden van Europa , gelijck uyt
de merckteeckenen, die haer ouderdom te ken-
nen geven, blijckt namelijck , uyt haer lange
en breede omkring, diepte der grachten , puyn-
hoopen der kercken, en oude graven van veel
Koningen,die daer begraven sijn. Van haer ou-
de kercken sijn niet meer dan twee overgeble-
ven , als tot een geheughteecken van een stadt,
die eertijts soo groot heeft geweest; namelijck
van S. Sophie, en van S. Michaël. D'overigen
konnen niet, dan uyt de puynhoopen , bekent
worden; gelijck van S. Basilius, welcks mu-
ren noch omtrent vijf of ses voeten hoogh
staen , met Griecksche opschriften , over veer-
tien hondert jaren in marmer gesneden , de
welcke door de langen tijdt byna uytgesleten
sijn. In dese puynhoopen ontdeckt men de toe-
|}<noinclude></noinclude>
ghtr13ohxj6u8my77z279upa9zwyvug
222348
222281
2026-05-31T20:51:55Z
Havang(nl)
4330
222348
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{c|{{larger|Beschrijving van de Rivier}}<br><br>{{xxx-larger|{{sp|BORYSTHENE}}S,}}<br><br>{{larger|gemeenelijck genoemt}}<br><br>{{xx-larger|{{sp|NIEPR}} oft {{sp|DNIEP}}R;}}<br><br>en van de zeden der<br><br>{{larger|{{sp|ZAPOROVISCHE COSACKE}}N.}}}}
{{Initiaal|D}}E rivier Borysthenes wordt nu gemeenelijck van de Moscoviters, Russen, Littauwers, Polen, en van alle Sarmatische volkeren Nieper oft Dnieper genoemt, van seker dorp Dniepersko, by 't welck sy haer oorsprong heeft. Maer dewijl de hedendaeghsche naem veel van de Latijnsche benaeming verschilt, soo sijn 'er, die achten dat d'oude naem Borysthenes beter op de rivier Berezin past, de welcke, het kasteel Borisou, en meer andere bespoelende, en de rivieren Prodwin. Zyze. Olhe. Zerdzie. Swiece, en een weynigh boven Rzeczycke, in sich ontfangen hebbende, sich in de rivier, die tegenwoordigh Borysthenes genoemt wordt,ontlast daer sijn andere, die dese rivier Diaborysthenes noemen. Doch wat 'er af sy, wy sullen dit aen 't oordeel van de leser laten; en ick acht dat men niet langer aen d'ondersoecking van de naem moet blijven hangen; dewijl de Schrijvers, van de namen der rivieren en landen handelende, eerder by gissing, dan met versekering van de waerheyt daer af spreken. Indien men echter acht dat de rivier Borysthenes de Berezine der Ouden is, soo kan men ten minsten dit toestaen, dat dese Dnieper, daer af wy nu spreken, by outs met de selfde naem aengewefen heeft geweest ten minsten aen 't benedendeel, daer sy de Berezine in haer gracht ontfangt; maer dat, soo veel het bovendeel aengaet, de naem daer af aen d'Ouden onbekent heeft geweest; oft,indien het eenige naem heeft gehadt, dat die door verloop van tijdt uytgewischt is, en dat dit bovendeel oock de naem van't benedendeel heeft ontleent gehadt.
't Is seker dat Europa geen grooter rivier heeft, dan alleen de Donau,- indien iemant de Wolga boven de Borysthenes stelt, die moet weten dat die, hoewel in Europa gesproten, echter meer onder de rivieren van Asien gereeckent moet worden, dewijl sy Europa slechts met een kleyn gedeelte van hare wateren besproeyt.
De Borysthenes heeft haeren oorsprong in Moscovien, van 't welck het Hartoghdom van Russen is,niet verre van de bron der riviere Moskou, by het dorp Dniepersko, van daer sy, westwaerts loopende. Wiasme bespoelt, en haren loop zuydwaerts nemende, voorby Dorohobusz, Smolensko, de hooftstadt van 't Hartoghdom van de selfde naem, Dubrowne, Orsse, Kopyse, Szklowan en Mohitovie stroomt, en, door d'invloeying van verscheyde beeken grooter geworden, sich naer Rohaczovie streckt, daer de rivier Druo in sijn gracht komt. Hy swelght oock, beneden dese stadt, de beeck Bobosne in, en besproeyt de stadt Striestyne, en ontfangt eyndelijck, een weynigh boven Rzeczyze, een gerechts-stadt, de Berezyne, van de welcke wy hier boven gewagh hebben gemaeckt, en die van eenige voor d'oude Borysthenes wordt gehouden, om de gelijcke klanck van de naem, en overeenkoming van 't woort. Sy dan, voorby dese plaetsen geloopen, vloeyt in de stadt Chelmiez, en stroomt van daer naer Lojowagorde, tegen over de welcke de rivier Soffze sich in de Borysthenes stort, van daer sy naer Lubiecze vloeyt, en naer het dorp Nawos, 't welck een adelijck huys heeft, en, door de wateren van de rivier Perepete, (die op de grensen van Podlachien in Polesie sijn oorsprong heeft) grooter geworden,neemt eyndelijck haer loop naer Kiovie,daer sy oock door 't water van de Dziesne, uyt het Hartoghdom van Severien vloeyende, vergroot wordt.
Kiovie, van d'inwoonders Kiow genoemt, is eender oudtste fteden van Europa, gelijck uyt de merckteeckenen, die haer ouderdom te kennen geven, blijckt namelijck, uyt haer lange en breede omkring, diepte der grachten, puynhoopen der kercken, en oude graven van veel Koningen,die daer begraven sijn. Van haer oude kercken sijn niet meer dan twee overgebleven, als tot een geheughteecken van een stadt, die eertijts soo groot heeft geweest; namelijck van S. Sophie, en van S. Michaël. D'overigen konnen niet, dan uyt de puynhoopen, bekent worden; gelijck van S. Basilius, welcks muren noch omtrent vijf of ses voeten hoogh staen, met Griecksche opschriften, over veertien hondert jaren in marmer gesneden, de welcke door de langen tijdt byna uytgesleten sijn. In dese puynhoopen ontdeckt men de toe-<noinclude></noinclude>
pfcc5o7fdcs90he1852dq7bxw6mf2xi
222364
222348
2026-06-01T05:57:39Z
Nederlandse Leeuw
797
222364
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{c|{{larger|Beschrijving van de Rivier}}<br><br>{{xxx-larger|{{sp|BORYSTHENE}}S,}}<br><br>{{larger|gemeenelijck genoemt}}<br><br>{{xx-larger|{{sp|NIEPR}} oft {{sp|DNIEP}}R;}}<br><br>en van de zeden der<br><br>{{larger|{{sp|ZAPOROVISCHE COSACKE}}N.}}}}
{{Initiaal|D}}E rivier Borysthenes wordt nu gemeenelijck van de Moscoviters, Russen, Littauwers, Polen, en van alle Sarmatische volkeren Nieper oft Dnieper genoemt, van seker dorp Dniepersko, by 't welck sy haer oorsprong heeft. Maer dewijl de hedendaeghsche naem veel van de Latijnsche benaeming verschilt, soo sijn 'er, die achten dat d'oude naem Borysthenes beter op de rivier Berezin past, de welcke, het kasteel Borisou, en meer andere bespoelende, en de rivieren Prodwin, Zyze, Olhe, Zerdzie, Swiece, en een weynigh boven Rzeczycke, in sich ontfangen hebbende, sich in de rivier, die tegenwoordigh Borysthenes genoemt wordt,ontlast daer sijn andere, die dese rivier Diaborysthenes noemen. Doch wat 'er af sy, wy sullen dit aen 't oordeel van de leser laten; en ick acht dat men niet langer aen d'ondersoecking van de naem moet blijven hangen; dewijl de Schrijvers, van de namen der rivieren en landen handelende, eerder by gissing, dan met versekering van de waerheyt daer af spreken. Indien men echter acht dat de rivier Borysthenes de Berezine der Ouden is, soo kan men ten minsten dit toestaen, dat dese Dnieper, daer af wy nu spreken, by outs met de selfde naem aengewefen heeft geweest ten minsten aen 't benedendeel, daer sy de Berezine in haer gracht ontfangt; maer dat, soo veel het bovendeel aengaet, de naem daer af aen d'Ouden onbekent heeft geweest; oft,indien het eenige naem heeft gehadt, dat die door verloop van tijdt uytgewischt is, en dat dit bovendeel oock de naem van 't benedendeel heeft ontleent gehadt.
't Is seker dat Europa geen grooter rivier heeft, dan alleen de Donau; indien iemant de Wolga boven de Borysthenes stelt, die moet weten dat die, hoewel in Europa gesproten, echter meer onder de rivieren van Asien gereeckent moet worden, dewijl sy Europa slechts met een kleyn gedeelte van hare wateren besproeyt.
De Borysthenes heeft haeren oorsprong in Moscovien, van 't welck het Hartoghdom van Russen is, niet verre van de bron der riviere Moskou, by het dorp Dniepersko, van daer sy, westwaerts loopende, Wiasme bespoelt, en haren loop zuydwaerts nemende, voorby Dorohobusz, Smolensko, de hooftstadt van 't Hartoghdom van de selfde naem, Dubrowne, Orsse, Kopyse, Szklowan en Mohitovie stroomt, en, door d'invloeying van verscheyde beeken grooter geworden, sich naer Rohaczovie streckt, daer de rivier Druo in sijn gracht komt. Hy swelght oock, beneden dese stadt, de beeck Bobosne in, en besproeyt de stadt Striestyne, en ontfangt eyndelijck, een weynigh boven Rzeczyze, een gerechts-stadt, de Berezyne, van de welcke wy hier boven gewagh hebben gemaeckt, en die van eenige voor d'oude Borysthenes wordt gehouden, om de gelijcke klanck van de naem, en overeenkoming van 't woort. Sy dan, voorby dese plaetsen geloopen, vloeyt in de stadt Chelmiez, en stroomt van daer naer Lojowagorde, tegen over de welcke de rivier Soffze sich in de Borysthenes stort, van daer sy naer Lubiecze vloeyt, en naer het dorp Nawos, 't welck een adelijck huys heeft, en, door de wateren van de rivier Perepete, (die op de grensen van Podlachien in Polesie sijn oorsprong heeft) grooter geworden,neemt eyndelijck haer loop naer Kiovie,daer sy oock door 't water van de Dziesne, uyt het Hartoghdom van Severien vloeyende, vergroot wordt.
Kiovie, van d'inwoonders Kiow genoemt, is eender oudtste steden van Europa, gelijck uyt de merckteeckenen, die haer ouderdom te kennen geven, blijckt namelijck, uyt haer lange en breede omkring, diepte der grachten, puynhoopen der kercken, en oude graven van veel Koningen, die daer begraven sijn. Van haer oude kercken sijn niet meer dan twee overgebleven, als tot een geheughteecken van een stadt, die eertijts soo groot heeft geweest; namelijck van S. Sophie, en van S. Michaël. D'overigen konnen niet, dan uyt de puynhoopen, bekent worden; gelijck van S. Basilius, welcks muren noch omtrent vijf of ses voeten hoogh staen, met Griecksche opschriften, over veertien hondert jaren in marmer gesneden, de welcke door de langen tijdt byna uytgesleten sijn. In dese puynhoopen ontdeckt men de toe-<noinclude></noinclude>
ky5kmgbt2m2eu9mm5bbc65xn2p0m1ry
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/2
104
86590
222272
2026-05-31T16:12:36Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{{center|T R A C T V S}} {{center|B O R Y S T H E N I S}} {{center|''vulgo'' DNIEPR ''et'' NIEPR ''dicti'',}} {{center|''à'' KIOVIA ''usque ad'' BOUZIN.}}'
222272
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|T R A C T V S}}
{{center|B O R Y S T H E N I S}}
{{center|''vulgo'' DNIEPR ''et'' NIEPR ''dicti'',}}
{{center|''à'' KIOVIA ''usque ad'' BOUZIN.}}<noinclude></noinclude>
fa2bmxwg65kb1qghhiott9kgqauu6ct
222280
222272
2026-05-31T16:37:11Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Proefgelezen */
222280
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|T R A C T V S}}
{{center|B O R Y S T H E N I S}}
{{center|''vulgo'' DNIEPR ''et'' NIEPR ''dicti'',}}
{{center|''à'' KIOVIA ''usque ad'' BOUZIN.}}<noinclude></noinclude>
i1cyqhkocc46tjwpxe2tumqgtbnxfwv
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/3
104
86591
222273
2026-05-31T16:20:48Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met ' B O R Y ST H E N E S {| |----- | gang tot de graven van seer veel Vorsten van Ruschlant. De kercken van S. Sophie , en van S. Michaël Sijn op d oude wijse gesticht. Die van S. Sophie is cierlijck om aen te schouwen, van welcke sijde men haer oock besiet : want haer muren sijn met velerley beelden en historien ver- çiert , en dit met kleyne steentjes van verschey- de verwen , gelijck glas blinckende , beset, die soo konstelijck t…
222273
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>
B O R Y ST H E N E S
{|
|-----
|
gang tot de graven van seer veel Vorsten van
Ruschlant.
De kercken van S. Sophie , en van S. Michaël
Sijn op d oude wijse gesticht. Die van S. Sophie
is cierlijck om aen te schouwen, van welcke
sijde men haer oock besiet : want haer muren
sijn met velerley beelden en historien ver-
çiert , en dit met kleyne steentjes van verschey-
de verwen , gelijck glas blinckende , beset, die
soo konstelijck te samen gevoegt sijn , dat men
naeuwelijcks kan sien of het schildery, of tapijt-
werck is. Het gewelfsel is geheel van witte pot-
ten , met kalck bestreecken. In dese kerck vind
men de graven van veel Koningen ; en d'Aerts-
bisschop van Kiow self heeft hier sijn stoel.
De kerck van S. Michaël wordt gemenelijck
het verguld dack genoemt, om dat sy met ver-
gulde platen gedeckt is. Hier word oock het
lighaem van S. Barbara gevonden, het welck,
gelijck men segt, daer gebracht is in d'oorlogh
die tusschen de Russen en Griecken geresen was,
de Nicomedische oorlogh genoemt.
Het oudt Kiow legt op een vlackte van een
hooge bergh , van de welcke men aen d'een
sijde over het lant, en aen d'ander sijde over
de Borysthenes siet , de welck aen de voet
van dese bergh vloeyt. Maer tusschen dese oude
stadt, en de genoemde vloet is de nieuwe stadt
Kiow, die in dese tijt niet wel bewoont, en
naeuwelijcks vijf oft ses duysent inwoonders
begrijpt. Haer langte , aen de Borysthenes te
meten, daer sy aen legt, is van vier duysent
schreden ; en haer breette in de rechte lijn ,
van de Borysthenes tot aen de bergh, is omtrent
drie duysent schreden groot. Sy is van een
slechte graft, omtrent vijf-en-twintigh voeten
breet, omringt ; is driehoeckigh van gestal-
te, met een houte wal besloten, en van to-
rens of bolwercken van de selfde stoffe. Haer ka-
steel leght op de schuynte van de bergh , wel
hooger als de stadt , daer het over gebied ,
maer echter laeger dan d'oude stadt.
De Roomfche Catholijcken besitten daer
vier kercken, naemelijck de hooftkerck, de
kerck der Dominikanen op de marckt , der
Bernardinen op de bergh , en niet verre van
daer de kerck der Iesuyten, die hun wooning
tusschen de Bernardinen en de rivier hebben.
De Griecksche Russen hebben omtrent tien
kercken , die sy Xerkcuils noemen , van de
welcken d'een staet by\'t Stadthuys, daer de Rus-
sen hun Academie hebben , die sy anders Bras-
sra Xerkcuils,of kerck der gebroederschap noe-
men. Daer is noch een ander aen de voet van 't
kasteel, S. Nicolaus kerck genoemt, indien men
my niet bedrieght. D'anderen staen in verschey-
de gewesten van de stadt, van welckers namen
men geen kennis heeft.
Dese stadt heeft niet meer dan drie voortref-
felijcke straten ; d'anderen sijn niet recht, noch
krom, in goede ordening,maer bochtigh gelijck
een doolhof. Zy word in twee deelen gedeelt,
in Bisschoppelijcke, daer de hooftkerck is, en
gemeene stadt,daer drie Roomsche,en d'andere
Griecksche kercken sijn. Hier is een vermaerde
koophandel, voornamelijck van kooren, en<noinclude></noinclude>
71v7fw917wqe69kn9e4q3823j1myach
222277
222273
2026-05-31T16:35:36Z
Nederlandse Leeuw
797
222277
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>
B O R Y ST H E N E S
{|
|-----
|
gang tot de graven van seer veel Vorsten van
Ruschlant.
De kercken van S. Sophie , en van S. Michaël
Sijn op d oude wijse gesticht. Die van S. Sophie
is cierlijck om aen te schouwen, van welcke
sijde men haer oock besiet : want haer muren
sijn met velerley beelden en historien ver-
çiert , en dit met kleyne steentjes van verschey-
de verwen , gelijck glas blinckende , beset, die
soo konstelijck te samen gevoegt sijn , dat men
naeuwelijcks kan sien of het schildery, of tapijt-
werck is. Het gewelfsel is geheel van witte pot-
ten , met kalck bestreecken. In dese kerck vind
men de graven van veel Koningen ; en d'Aerts-
bisschop van Kiow self heeft hier sijn stoel.
De kerck van S. Michaël wordt gemenelijck
het verguld dack genoemt, om dat sy met ver-
gulde platen gedeckt is. Hier word oock het
lighaem van S. Barbara gevonden, het welck,
gelijck men segt, daer gebracht is in d'oorlogh
die tusschen de Russen en Griecken geresen was,
de Nicomedische oorlogh genoemt.
Het oudt Kiow legt op een vlackte van een
hooge bergh , van de welcke men aen d'een
sijde over het lant, en aen d'ander sijde over
de Borysthenes siet , de welck aen de voet
van dese bergh vloeyt. Maer tusschen dese oude
stadt, en de genoemde vloet is de nieuwe stadt
Kiow, die in dese tijt niet wel bewoont, en
naeuwelijcks vijf oft ses duysent inwoonders
begrijpt. Haer langte , aen de Borysthenes te
meten, daer sy aen legt, is van vier duysent
schreden ; en haer breette in de rechte lijn ,
van de Borysthenes tot aen de bergh, is omtrent
drie duysent schreden groot. Sy is van een
slechte graft, omtrent vijf-en-twintigh voeten
breet, omringt ; is driehoeckigh van gestal-
te, met een houte wal besloten, en van to-
rens of bolwercken van de selfde stoffe. Haer ka-
steel leght op de schuynte van de bergh , wel
hooger als de stadt , daer het over gebied ,
maer echter laeger dan d'oude stadt.
De Roomfche Catholijcken besitten daer
vier kercken, naemelijck de hooftkerck, de
kerck der Dominikanen op de marckt , der
Bernardinen op de bergh , en niet verre van
daer de kerck der Iesuyten, die hun wooning
tusschen de Bernardinen en de rivier hebben.
De Griecksche Russen hebben omtrent tien
kercken , die sy Xerkcuils noemen , van de
welcken d'een staet by\'t Stadthuys, daer de Rus-
sen hun Academie hebben , die sy anders Bras-
sra Xerkcuils,of kerck der gebroederschap noe-
men. Daer is noch een ander aen de voet van 't
kasteel, S. Nicolaus kerck genoemt, indien men
my niet bedrieght. D'anderen staen in verschey-
de gewesten van de stadt, van welckers namen
men geen kennis heeft.
Dese stadt heeft niet meer dan drie voortref-
felijcke straten ; d'anderen sijn niet recht, noch
krom, in goede ordening,maer bochtigh gelijck
een doolhof. Zy word in twee deelen gedeelt,
in Bisschoppelijcke, daer de hooftkerck is, en
gemeene stadt,daer drie Roomsche,en d'andere
Griecksche kercken sijn. Hier is een vermaerde
koophandel, voornamelijck van kooren, en
|
erreten, boonen, &c. van was, honigh, smeer
gesoute visch, &c. Sy heeft een Bisschop, Palts-
graef, Kasteleyn , een Overste of Starosta , en
een krijgsrecht: vier Rechtspraken , namelijck
van de Bisschop, van de Paltsgraef, of Overste,
(want de Paltsgraven van Kiow sijn oock Over-
sten oft Starosten) van d'Advocaet, en de leste
van de Burgermeesters van de stadt.
De huysen sijn daer, op de Moskovische wy-
se, slecht en laegh gebouwt, en ten meestendeel
niet meer dan een soldering hoogh. Sy ge-
bruycken kaerssen van splinters gemaeckt, soo
goet koop , dat men , selfs in de langste nachten
des winters , niet dan voor seer weynigh gelt
behoeft. De schoorsteenen worden oock op de
marckt verkocht, 'tVelck yder tot lachen sou
verwecken , gelijck oock hun wijse in de spijs te
bereyden, als mede hun huwelijcken , en andere
plechtelijckheden; van 't welck wy hier na bree-
delijcker sullen spreken. Niet tegenstaende dese
dingen is hier uyt dit soo strijdtbaer volck
voortgekomen , die wy heden Zaporovische
Cosacken noemen, nu soo veel jaeren in ver- ''Cosacken:''
scheyde gewesten van de Borysthenes verspreydt,
gelijck oock in de landen, die daer omtrent
leggen , uyt de welcke men heden , op des Ko-
nings minste wenck, binnen acht dagen tijdts,
hondert en twintigh duysent strijdtbaere man-
nen vergaderen kan. Dit is het volck, 't welck ''hun dap-''
dickwijls, en deurgaens alle jaren op d'Euxinus ''perheyt;''
stroopt,en dit op de Turcken,tot grooten dienst
der Christenen. Dit sijn de gene , die soo
dickwijls het Crimische Tartarien hebben af-
geloopen , kleyn Asia wijt en breet hebben ver-
woest , Trapesunde hebben uytgeplondert ja
soo, dat sy tot aen de mont van de Helles[po]n-
tus, niet veerder dan drie mylen van Ko[n]stan-
tinopolen, sijn gekomen , van daer sy, alles
met vuur en slael verdelgt hebbende, met rijcke
roof weder sijn gekeert, en oock met veel sla-
ven, die, soo sy noch jong van jaren sijn, be-
waert worden , soo tot hun eyge gebruyck,
als tot geschencken aen de Grooten van 't landt;
want sy dragen geen sorge voor de gevangenen ,
die alreê hoogh van jaren sijn, 't en sy van de
rijcksten , van de welcken sy groot losgelt ver-
wachten. Degenen, die dese tocht naer d'Eu-
xinus aennemen, overtreffen niet het getal van
ses of tien duysent. Sy gebruycken slechte en
swacke schuytjes, die sy met hun eyge handen
hebben gemaeckt : invoegen dat het een won-
der schijnt, dat sy soo geluckighlijck over de ge-
heele Pontus konnen geraeken. Wy sullen hier
na de gedaente en bouwing van dese schuytjes
beschrijven.
Na dat wy van de dapperheyt der Cosacken ''en zeden''.
gesproken hebben , soo sal 't oock wel passen
iets van hun zeden en gewoonte van leven te
seggen. Men moet dan weten , dat onder dese
volcken veel lieden gevonden worden, die byna
in alle kunsten, tot het menschelijck leven noot-
saeckelijck sijnde, ervarensijn, gelijck timmer-
lieden, soo van huysen, als van schuyten , wage-
maeckers, smeden, wapenmaeckers, leertouwers
oft leerbereyders,kuypers, kleermakers,schoen-
makers, &c. Sy sijn oock seer behendigh in't
salpeter
|}<noinclude></noinclude>
ocmxuadadkjqqjs792jppinyj2p14sn
222278
222277
2026-05-31T16:36:07Z
Nederlandse Leeuw
797
222278
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>
{{center|B O R Y ST H E N E S}}
{|
|-----
|
gang tot de graven van seer veel Vorsten van
Ruschlant.
De kercken van S. Sophie , en van S. Michaël
Sijn op d oude wijse gesticht. Die van S. Sophie
is cierlijck om aen te schouwen, van welcke
sijde men haer oock besiet : want haer muren
sijn met velerley beelden en historien ver-
çiert , en dit met kleyne steentjes van verschey-
de verwen , gelijck glas blinckende , beset, die
soo konstelijck te samen gevoegt sijn , dat men
naeuwelijcks kan sien of het schildery, of tapijt-
werck is. Het gewelfsel is geheel van witte pot-
ten , met kalck bestreecken. In dese kerck vind
men de graven van veel Koningen ; en d'Aerts-
bisschop van Kiow self heeft hier sijn stoel.
De kerck van S. Michaël wordt gemenelijck
het verguld dack genoemt, om dat sy met ver-
gulde platen gedeckt is. Hier word oock het
lighaem van S. Barbara gevonden, het welck,
gelijck men segt, daer gebracht is in d'oorlogh
die tusschen de Russen en Griecken geresen was,
de Nicomedische oorlogh genoemt.
Het oudt Kiow legt op een vlackte van een
hooge bergh , van de welcke men aen d'een
sijde over het lant, en aen d'ander sijde over
de Borysthenes siet , de welck aen de voet
van dese bergh vloeyt. Maer tusschen dese oude
stadt, en de genoemde vloet is de nieuwe stadt
Kiow, die in dese tijt niet wel bewoont, en
naeuwelijcks vijf oft ses duysent inwoonders
begrijpt. Haer langte , aen de Borysthenes te
meten, daer sy aen legt, is van vier duysent
schreden ; en haer breette in de rechte lijn ,
van de Borysthenes tot aen de bergh, is omtrent
drie duysent schreden groot. Sy is van een
slechte graft, omtrent vijf-en-twintigh voeten
breet, omringt ; is driehoeckigh van gestal-
te, met een houte wal besloten, en van to-
rens of bolwercken van de selfde stoffe. Haer ka-
steel leght op de schuynte van de bergh , wel
hooger als de stadt , daer het over gebied ,
maer echter laeger dan d'oude stadt.
De Roomfche Catholijcken besitten daer
vier kercken, naemelijck de hooftkerck, de
kerck der Dominikanen op de marckt , der
Bernardinen op de bergh , en niet verre van
daer de kerck der Iesuyten, die hun wooning
tusschen de Bernardinen en de rivier hebben.
De Griecksche Russen hebben omtrent tien
kercken , die sy Xerkcuils noemen , van de
welcken d'een staet by\'t Stadthuys, daer de Rus-
sen hun Academie hebben , die sy anders Bras-
sra Xerkcuils,of kerck der gebroederschap noe-
men. Daer is noch een ander aen de voet van 't
kasteel, S. Nicolaus kerck genoemt, indien men
my niet bedrieght. D'anderen staen in verschey-
de gewesten van de stadt, van welckers namen
men geen kennis heeft.
Dese stadt heeft niet meer dan drie voortref-
felijcke straten ; d'anderen sijn niet recht, noch
krom, in goede ordening,maer bochtigh gelijck
een doolhof. Zy word in twee deelen gedeelt,
in Bisschoppelijcke, daer de hooftkerck is, en
gemeene stadt,daer drie Roomsche,en d'andere
Griecksche kercken sijn. Hier is een vermaerde
koophandel, voornamelijck van kooren, en
|
erreten, boonen, &c. van was, honigh, smeer
gesoute visch, &c. Sy heeft een Bisschop, Palts-
graef, Kasteleyn , een Overste of Starosta , en
een krijgsrecht: vier Rechtspraken , namelijck
van de Bisschop, van de Paltsgraef, of Overste,
(want de Paltsgraven van Kiow sijn oock Over-
sten oft Starosten) van d'Advocaet, en de leste
van de Burgermeesters van de stadt.
De huysen sijn daer, op de Moskovische wy-
se, slecht en laegh gebouwt, en ten meestendeel
niet meer dan een soldering hoogh. Sy ge-
bruycken kaerssen van splinters gemaeckt, soo
goet koop , dat men , selfs in de langste nachten
des winters , niet dan voor seer weynigh gelt
behoeft. De schoorsteenen worden oock op de
marckt verkocht, 'tVelck yder tot lachen sou
verwecken , gelijck oock hun wijse in de spijs te
bereyden, als mede hun huwelijcken , en andere
plechtelijckheden; van 't welck wy hier na bree-
delijcker sullen spreken. Niet tegenstaende dese
dingen is hier uyt dit soo strijdtbaer volck
voortgekomen , die wy heden Zaporovische
Cosacken noemen, nu soo veel jaeren in ver- ''Cosacken:''
scheyde gewesten van de Borysthenes verspreydt,
gelijck oock in de landen, die daer omtrent
leggen , uyt de welcke men heden , op des Ko-
nings minste wenck, binnen acht dagen tijdts,
hondert en twintigh duysent strijdtbaere man-
nen vergaderen kan. Dit is het volck, 't welck ''hun dap-''
dickwijls, en deurgaens alle jaren op d'Euxinus ''perheyt;''
stroopt,en dit op de Turcken,tot grooten dienst
der Christenen. Dit sijn de gene , die soo
dickwijls het Crimische Tartarien hebben af-
geloopen , kleyn Asia wijt en breet hebben ver-
woest , Trapesunde hebben uytgeplondert ja
soo, dat sy tot aen de mont van de Helles[po]n-
tus, niet veerder dan drie mylen van Ko[n]stan-
tinopolen, sijn gekomen , van daer sy, alles
met vuur en slael verdelgt hebbende, met rijcke
roof weder sijn gekeert, en oock met veel sla-
ven, die, soo sy noch jong van jaren sijn, be-
waert worden , soo tot hun eyge gebruyck,
als tot geschencken aen de Grooten van 't landt;
want sy dragen geen sorge voor de gevangenen ,
die alreê hoogh van jaren sijn, 't en sy van de
rijcksten , van de welcken sy groot losgelt ver-
wachten. Degenen, die dese tocht naer d'Eu-
xinus aennemen, overtreffen niet het getal van
ses of tien duysent. Sy gebruycken slechte en
swacke schuytjes, die sy met hun eyge handen
hebben gemaeckt : invoegen dat het een won-
der schijnt, dat sy soo geluckighlijck over de ge-
heele Pontus konnen geraeken. Wy sullen hier
na de gedaente en bouwing van dese schuytjes
beschrijven.
Na dat wy van de dapperheyt der Cosacken ''en zeden''.
gesproken hebben , soo sal 't oock wel passen
iets van hun zeden en gewoonte van leven te
seggen. Men moet dan weten , dat onder dese
volcken veel lieden gevonden worden, die byna
in alle kunsten, tot het menschelijck leven noot-
saeckelijck sijnde, ervarensijn, gelijck timmer-
lieden, soo van huysen, als van schuyten , wage-
maeckers, smeden, wapenmaeckers, leertouwers
oft leerbereyders,kuypers, kleermakers,schoen-
makers, &c. Sy sijn oock seer behendigh in't
salpeter
|}<noinclude></noinclude>
jgb6bv04qtdvxpfcz6imf4c8sml284j
222279
222278
2026-05-31T16:36:59Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Proefgelezen */
222279
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>
{{center|B O R Y ST H E N E S}}
{|
|-----
|
gang tot de graven van seer veel Vorsten van
Ruschlant.
De kercken van S. Sophie , en van S. Michaël
Sijn op d oude wijse gesticht. Die van S. Sophie
is cierlijck om aen te schouwen, van welcke
sijde men haer oock besiet : want haer muren
sijn met velerley beelden en historien ver-
çiert , en dit met kleyne steentjes van verschey-
de verwen , gelijck glas blinckende , beset, die
soo konstelijck te samen gevoegt sijn , dat men
naeuwelijcks kan sien of het schildery, of tapijt-
werck is. Het gewelfsel is geheel van witte pot-
ten , met kalck bestreecken. In dese kerck vind
men de graven van veel Koningen ; en d'Aerts-
bisschop van Kiow self heeft hier sijn stoel.
De kerck van S. Michaël wordt gemenelijck
het verguld dack genoemt, om dat sy met ver-
gulde platen gedeckt is. Hier word oock het
lighaem van S. Barbara gevonden, het welck,
gelijck men segt, daer gebracht is in d'oorlogh
die tusschen de Russen en Griecken geresen was,
de Nicomedische oorlogh genoemt.
Het oudt Kiow legt op een vlackte van een
hooge bergh , van de welcke men aen d'een
sijde over het lant, en aen d'ander sijde over
de Borysthenes siet , de welck aen de voet
van dese bergh vloeyt. Maer tusschen dese oude
stadt, en de genoemde vloet is de nieuwe stadt
Kiow, die in dese tijt niet wel bewoont, en
naeuwelijcks vijf oft ses duysent inwoonders
begrijpt. Haer langte , aen de Borysthenes te
meten, daer sy aen legt, is van vier duysent
schreden ; en haer breette in de rechte lijn ,
van de Borysthenes tot aen de bergh, is omtrent
drie duysent schreden groot. Sy is van een
slechte graft, omtrent vijf-en-twintigh voeten
breet, omringt ; is driehoeckigh van gestal-
te, met een houte wal besloten, en van to-
rens of bolwercken van de selfde stoffe. Haer ka-
steel leght op de schuynte van de bergh , wel
hooger als de stadt , daer het over gebied ,
maer echter laeger dan d'oude stadt.
De Roomfche Catholijcken besitten daer
vier kercken, naemelijck de hooftkerck, de
kerck der Dominikanen op de marckt , der
Bernardinen op de bergh , en niet verre van
daer de kerck der Iesuyten, die hun wooning
tusschen de Bernardinen en de rivier hebben.
De Griecksche Russen hebben omtrent tien
kercken , die sy Xerkcuils noemen , van de
welcken d'een staet by\'t Stadthuys, daer de Rus-
sen hun Academie hebben , die sy anders Bras-
sra Xerkcuils,of kerck der gebroederschap noe-
men. Daer is noch een ander aen de voet van 't
kasteel, S. Nicolaus kerck genoemt, indien men
my niet bedrieght. D'anderen staen in verschey-
de gewesten van de stadt, van welckers namen
men geen kennis heeft.
Dese stadt heeft niet meer dan drie voortref-
felijcke straten ; d'anderen sijn niet recht, noch
krom, in goede ordening,maer bochtigh gelijck
een doolhof. Zy word in twee deelen gedeelt,
in Bisschoppelijcke, daer de hooftkerck is, en
gemeene stadt,daer drie Roomsche,en d'andere
Griecksche kercken sijn. Hier is een vermaerde
koophandel, voornamelijck van kooren, en
|
erreten, boonen, &c. van was, honigh, smeer
gesoute visch, &c. Sy heeft een Bisschop, Palts-
graef, Kasteleyn , een Overste of Starosta , en
een krijgsrecht: vier Rechtspraken , namelijck
van de Bisschop, van de Paltsgraef, of Overste,
(want de Paltsgraven van Kiow sijn oock Over-
sten oft Starosten) van d'Advocaet, en de leste
van de Burgermeesters van de stadt.
De huysen sijn daer, op de Moskovische wy-
se, slecht en laegh gebouwt, en ten meestendeel
niet meer dan een soldering hoogh. Sy ge-
bruycken kaerssen van splinters gemaeckt, soo
goet koop , dat men , selfs in de langste nachten
des winters , niet dan voor seer weynigh gelt
behoeft. De schoorsteenen worden oock op de
marckt verkocht, 'tVelck yder tot lachen sou
verwecken , gelijck oock hun wijse in de spijs te
bereyden, als mede hun huwelijcken , en andere
plechtelijckheden; van 't welck wy hier na bree-
delijcker sullen spreken. Niet tegenstaende dese
dingen is hier uyt dit soo strijdtbaer volck
voortgekomen , die wy heden Zaporovische
Cosacken noemen, nu soo veel jaeren in ver- ''Cosacken:''
scheyde gewesten van de Borysthenes verspreydt,
gelijck oock in de landen, die daer omtrent
leggen , uyt de welcke men heden , op des Ko-
nings minste wenck, binnen acht dagen tijdts,
hondert en twintigh duysent strijdtbaere man-
nen vergaderen kan. Dit is het volck, 't welck ''hun dap-''
dickwijls, en deurgaens alle jaren op d'Euxinus ''perheyt;''
stroopt,en dit op de Turcken,tot grooten dienst
der Christenen. Dit sijn de gene , die soo
dickwijls het Crimische Tartarien hebben af-
geloopen , kleyn Asia wijt en breet hebben ver-
woest , Trapesunde hebben uytgeplondert ja
soo, dat sy tot aen de mont van de Helles[po]n-
tus, niet veerder dan drie mylen van Ko[n]stan-
tinopolen, sijn gekomen , van daer sy, alles
met vuur en slael verdelgt hebbende, met rijcke
roof weder sijn gekeert, en oock met veel sla-
ven, die, soo sy noch jong van jaren sijn, be-
waert worden , soo tot hun eyge gebruyck,
als tot geschencken aen de Grooten van 't landt;
want sy dragen geen sorge voor de gevangenen ,
die alreê hoogh van jaren sijn, 't en sy van de
rijcksten , van de welcken sy groot losgelt ver-
wachten. Degenen, die dese tocht naer d'Eu-
xinus aennemen, overtreffen niet het getal van
ses of tien duysent. Sy gebruycken slechte en
swacke schuytjes, die sy met hun eyge handen
hebben gemaeckt : invoegen dat het een won-
der schijnt, dat sy soo geluckighlijck over de ge-
heele Pontus konnen geraeken. Wy sullen hier
na de gedaente en bouwing van dese schuytjes
beschrijven.
Na dat wy van de dapperheyt der Cosacken ''en zeden''.
gesproken hebben , soo sal 't oock wel passen
iets van hun zeden en gewoonte van leven te
seggen. Men moet dan weten , dat onder dese
volcken veel lieden gevonden worden, die byna
in alle kunsten, tot het menschelijck leven noot-
saeckelijck sijnde, ervarensijn, gelijck timmer-
lieden, soo van huysen, als van schuyten , wage-
maeckers, smeden, wapenmaeckers, leertouwers
oft leerbereyders,kuypers, kleermakers,schoen-
makers, &c. Sy sijn oock seer behendigh in't
salpeter
|}<noinclude></noinclude>
h1tuhyik8f6y0yx5b6gepdwr3z559og
222283
222279
2026-05-31T16:38:53Z
Nederlandse Leeuw
797
222283
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>
{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
gang tot de graven van seer veel Vorsten van
Ruschlant.
De kercken van S. Sophie , en van S. Michaël
Sijn op d oude wijse gesticht. Die van S. Sophie
is cierlijck om aen te schouwen, van welcke
sijde men haer oock besiet : want haer muren
sijn met velerley beelden en historien ver-
çiert , en dit met kleyne steentjes van verschey-
de verwen , gelijck glas blinckende , beset, die
soo konstelijck te samen gevoegt sijn , dat men
naeuwelijcks kan sien of het schildery, of tapijt-
werck is. Het gewelfsel is geheel van witte pot-
ten , met kalck bestreecken. In dese kerck vind
men de graven van veel Koningen ; en d'Aerts-
bisschop van Kiow self heeft hier sijn stoel.
De kerck van S. Michaël wordt gemenelijck
het verguld dack genoemt, om dat sy met ver-
gulde platen gedeckt is. Hier word oock het
lighaem van S. Barbara gevonden, het welck,
gelijck men segt, daer gebracht is in d'oorlogh
die tusschen de Russen en Griecken geresen was,
de Nicomedische oorlogh genoemt.
Het oudt Kiow legt op een vlackte van een
hooge bergh , van de welcke men aen d'een
sijde over het lant, en aen d'ander sijde over
de Borysthenes siet , de welck aen de voet
van dese bergh vloeyt. Maer tusschen dese oude
stadt, en de genoemde vloet is de nieuwe stadt
Kiow, die in dese tijt niet wel bewoont, en
naeuwelijcks vijf oft ses duysent inwoonders
begrijpt. Haer langte , aen de Borysthenes te
meten, daer sy aen legt, is van vier duysent
schreden ; en haer breette in de rechte lijn ,
van de Borysthenes tot aen de bergh, is omtrent
drie duysent schreden groot. Sy is van een
slechte graft, omtrent vijf-en-twintigh voeten
breet, omringt ; is driehoeckigh van gestal-
te, met een houte wal besloten, en van to-
rens of bolwercken van de selfde stoffe. Haer ka-
steel leght op de schuynte van de bergh , wel
hooger als de stadt , daer het over gebied ,
maer echter laeger dan d'oude stadt.
De Roomfche Catholijcken besitten daer
vier kercken, naemelijck de hooftkerck, de
kerck der Dominikanen op de marckt , der
Bernardinen op de bergh , en niet verre van
daer de kerck der Iesuyten, die hun wooning
tusschen de Bernardinen en de rivier hebben.
De Griecksche Russen hebben omtrent tien
kercken , die sy Xerkcuils noemen , van de
welcken d'een staet by\'t Stadthuys, daer de Rus-
sen hun Academie hebben , die sy anders Bras-
sra Xerkcuils,of kerck der gebroederschap noe-
men. Daer is noch een ander aen de voet van 't
kasteel, S. Nicolaus kerck genoemt, indien men
my niet bedrieght. D'anderen staen in verschey-
de gewesten van de stadt, van welckers namen
men geen kennis heeft.
Dese stadt heeft niet meer dan drie voortref-
felijcke straten ; d'anderen sijn niet recht, noch
krom, in goede ordening,maer bochtigh gelijck
een doolhof. Zy word in twee deelen gedeelt,
in Bisschoppelijcke, daer de hooftkerck is, en
gemeene stadt,daer drie Roomsche,en d'andere
Griecksche kercken sijn. Hier is een vermaerde
koophandel, voornamelijck van kooren, en
|
erreten, boonen, &c. van was, honigh, smeer
gesoute visch, &c. Sy heeft een Bisschop, Palts-
graef, Kasteleyn , een Overste of Starosta , en
een krijgsrecht: vier Rechtspraken , namelijck
van de Bisschop, van de Paltsgraef, of Overste,
(want de Paltsgraven van Kiow sijn oock Over-
sten oft Starosten) van d'Advocaet, en de leste
van de Burgermeesters van de stadt.
De huysen sijn daer, op de Moskovische wy-
se, slecht en laegh gebouwt, en ten meestendeel
niet meer dan een soldering hoogh. Sy ge-
bruycken kaerssen van splinters gemaeckt, soo
goet koop , dat men , selfs in de langste nachten
des winters , niet dan voor seer weynigh gelt
behoeft. De schoorsteenen worden oock op de
marckt verkocht, 'tVelck yder tot lachen sou
verwecken , gelijck oock hun wijse in de spijs te
bereyden, als mede hun huwelijcken , en andere
plechtelijckheden; van 't welck wy hier na bree-
delijcker sullen spreken. Niet tegenstaende dese
dingen is hier uyt dit soo strijdtbaer volck
voortgekomen , die wy heden Zaporovische
Cosacken noemen, nu soo veel jaeren in ver- ''Cosacken:''
scheyde gewesten van de Borysthenes verspreydt,
gelijck oock in de landen, die daer omtrent
leggen , uyt de welcke men heden , op des Ko-
nings minste wenck, binnen acht dagen tijdts,
hondert en twintigh duysent strijdtbaere man-
nen vergaderen kan. Dit is het volck, 't welck ''hun dap-''
dickwijls, en deurgaens alle jaren op d'Euxinus ''perheyt;''
stroopt,en dit op de Turcken,tot grooten dienst
der Christenen. Dit sijn de gene , die soo
dickwijls het Crimische Tartarien hebben af-
geloopen , kleyn Asia wijt en breet hebben ver-
woest , Trapesunde hebben uytgeplondert ja
soo, dat sy tot aen de mont van de Helles[po]n-
tus, niet veerder dan drie mylen van Ko[n]stan-
tinopolen, sijn gekomen , van daer sy, alles
met vuur en slael verdelgt hebbende, met rijcke
roof weder sijn gekeert, en oock met veel sla-
ven, die, soo sy noch jong van jaren sijn, be-
waert worden , soo tot hun eyge gebruyck,
als tot geschencken aen de Grooten van 't landt;
want sy dragen geen sorge voor de gevangenen ,
die alreê hoogh van jaren sijn, 't en sy van de
rijcksten , van de welcken sy groot losgelt ver-
wachten. Degenen, die dese tocht naer d'Eu-
xinus aennemen, overtreffen niet het getal van
ses of tien duysent. Sy gebruycken slechte en
swacke schuytjes, die sy met hun eyge handen
hebben gemaeckt : invoegen dat het een won-
der schijnt, dat sy soo geluckighlijck over de ge-
heele Pontus konnen geraeken. Wy sullen hier
na de gedaente en bouwing van dese schuytjes
beschrijven.
Na dat wy van de dapperheyt der Cosacken ''en zeden''.
gesproken hebben , soo sal 't oock wel passen
iets van hun zeden en gewoonte van leven te
seggen. Men moet dan weten , dat onder dese
volcken veel lieden gevonden worden, die byna
in alle kunsten, tot het menschelijck leven noot-
saeckelijck sijnde, ervarensijn, gelijck timmer-
lieden, soo van huysen, als van schuyten , wage-
maeckers, smeden, wapenmaeckers, leertouwers
oft leerbereyders,kuypers, kleermakers,schoen-
makers, &c. Sy sijn oock seer behendigh in't
salpeter
|}<noinclude></noinclude>
3v16hscuhva7ftgctoux4t5yuj7nzb8
Index:Leydse Courant 1826 no 109.pdf
106
86592
222274
2026-05-31T16:29:47Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
222274
proofread-index
text/x-wiki
{{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template
|Type=tijdschrift
|Taal=nl
|wikidata=
|Titel=Leydsche Courant
|Ondertitel=
|Deel=
|Auteur=
|Vertaler=
|Redacteur=
|Illustrator=
|Stroming=
|Jaar=1826
|Uitgever=
|Plaats=
|Druk=
|OorspronkelijkeUitgave=
|Key=
|doe_wikidata=
|ISBN=
|OCLC=
|LCCN=
|BNF_ARK=
|DBNL=
|Bron=pdf
|Afbeelding=1
|Voortgang=C
|Delen=
|Pagina's=<pagelist 1=1 />
|Opmerkingen=Zie [[:Categorie:Leydse Courant, 1826, Nummer 109]]
|NestedInhoud=
|Breedte=
|Css=
|Header=
|Footer=
}}
lrdqjlwhog6b936922oyf6llo69moeh
Pagina:Leydse Courant 1826 no 109.pdf/3
104
86593
222275
2026-05-31T16:32:17Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
222275
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" /></noinclude><section begin="s1"/>brengen, als het moeijelijk is eene eenige wel te bevatten, te bewijzen en die bewijzen met voldoende stukken te staven. Men wilde slechts deze ongezochte ontdekking, waarvan schaars een ander voorbeeld bekend is, kenbaar maken, daar nu juist de onderzoekingen over de aloude grafheuvels met den meesten ijver ondernomen, met niet mindere naauwkeurigheid en oplettendheid voortgezet worden. Men wilde slechts deze zeldzame verschijning, van welke schaars een gelijksoortig voorbeeld gevonden wordt, juist daarom bekend maken, omdat men tegenwoordig zoo bijzonder bezig is met het doen van navorschingen wegens grafheuvels.
<br>{{gap}}Een beroemd Duitsch Hoogleeraar heeft aangemerkt, dat bij geenen middeleeuwschen dichter, eenige toespeling op deze gedenkstukken voorkomt; het toeval zal toch wel nu en dan, toen zoo wel als hedendaags, een lijkbus aan den dag gebragt hebben, want zij vergeten geenszins te gedenken aan het ter aarde bestellen van de doodkist. ''Uridano'' zegt:
{{block center|''<poem>
Ein hûes von siben vuezen
Da kan man suhte buezen;
Der vrîthof ist ein saelic wirt
Dem manie gast zeteile wirt.
</poem>''}}
en geheel hiermede overeenkomstig, zoo dat men bemerkt dat het spreekwoordelijk gevonden is, drukt zich een minnezanger uit:
{{c|''Unt entwist mir danne niht wan siben vueze lang''.}}
{{lijn|4em}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{c|{{sp|REGTSGELEERDE COURAN}}T.}}
{{gap}}Sedert eenige maanden is er in Frankrijk een nieuwe Courant uit gekomen, geheel uitsluitend voor de Regtbanken bestemd, onder den titel van ''GAZETTE DES TRIBUNAUX Journal de Jurisprudence et des Débats Judiciaires'', welke een beredeneerd verslag geeft van alle belangrijke zaken, welke voor de Regtbanken in alle instantien voorvallen; en de spoedige goede uitslag, welke deze onderneming geniet, heeft bij de ondernemers van dit tijdschrift het denkbeeld doen opkomen, om ook buitenlandsche Regtzaken, inzonderheid die in Groot-Brittannien voorkomen, aan hunne lezers mede te deelen, en eene zeer ijverige briefwisseling met Engelsche Regtsgeleerden, heeft hen reeds in staat gesteld, om ook de meest belangrijke Regtsgedingen uit dat Rijk mede te deelen.
<br>{{gap}}Alles wat in de Regtszaken dienen kan, om de zeden en den staat der {{SIC|civilasitie|civilisatie}} te doen kenbaar worden, wordt in dit blad opgenomen; maar ook dit alleen, want om aan de wetenschap ingang te verschaften bij de Franschen, achten de schrijvers van dit tijdschrift het noodig hen te vermaken, want zeggen zij, wanneer men de aandacht der Franschen kan opwekken door hunne nieuwsgierigheid te prikkelen en hun iets te lagchen te geven, dan eerst mag men gegronde hoop voeden om vele en bestendige lezers te vinden. De schrijvers van deze Courant te Parijs zijn de Heeren Advokaten Mrs. ''Dupin, Hennequin, Barthe, Berryër, Mérithon, Berville, Isambert'', met een woord, alles wat te Parijs de Balie allermeest tot luister verstrekt, werkt mede om deze onderneming op de beste wijze te doen slagen.
<br>{{gap}}In het nummer van den 23 Augustus l.l. vindt men, onder andere aanmerkelijke gevallen, het verbaal, van een’ moord, gepleegd aan een man, die zes vingers had. Assassinat d’un sexdigitai're''.
<br>{{gap}}Het Hof van Assises te Montpellier, moest den 22 Augustus l.l. zich bezig houden met eene beschuldiging wegens gepleegden moord, welke in de daad van zeer bijzondere omstandigheden is vergezeld gegaan.
<br>{{gap}}Een zeker Heer ''Bonino'', van Piemonteeschen afkomst, had zich, na in de Fransche legers gediend te hebben, met der woon nedergezet te Sussargues bij Montpellier; hij had twee stukken land gekocht, waarvan hij het vruchtgebruik bij zijn huwelijks-contract gegeven had aan de jonge dochter ''Carrat'', met welke hij ia staat van ''Concubinaat'' leefde. Zijn wettig huwelijk met haar was slechts vertraagd, doordien de familie-papieren niet regelmatig waren, met welke hij zich bezig hield om in orde te doen brengen. Plotseling, in het begin van 1823 verliet ''Bonino'' het land. Men meende dat hij naar Spanje, zoo als hij zulks reeds eenigen tijd te voren aangekondigd had, vertrokken was. Men zegt, dat de jonge dochter ''Carrat'' de eerste was, om dit gerucht te verwezenlijken. Men meende, dat de personen, die zij zelve aangaf, diegenen waren, welke met hem gereisd hadden. Twee jaren verliepen, en de ongelukkige ''Bonino'' was verloren. Nogtans de menschen, die, naar het zeggen van de jonge dochter ''Carrat'', hem naar ''Spanje'' hadden vergezeld, terug gekomen zijnde, gaven berigt dat zij hem noch aan deze noch aan geene zijde der ''Pyreneën'' gezien hadden. Men bespeurde toen, dat Juffr. ''Carrat'' in het huwelijk getreden was, zeven maanden nadat haren verloofden verdwenen was, met een’ zekeren Heer ''Baptiste Dimon''. Men verzamelde eenige berigten, die over dezen ''Dimon'' rond liepen, en, die haren oorsprong genomen hadden uit de gesprekken van eenige zijner kinderen. Men zeide dat ''Bonino'', ten dage zijner verdwijning, bij ''Dimon'' gedineerd had; dat na het middagmaal deze ''Dimon'' gezien was, wandelende naar een’ tuin, werwaards hij zich met ''Bonino'' begaf, en dat aldaar ''Dimon'', gebruik makende van den slaap van ''Bonino'', hem met eene spade een’ slag gegeven had op het hoofd, aldus vermoord had, en dat in den volgenden nacht, hij in den tuin zelve had kunnen begraven worden, waartoe de jonge dochter ''Carrat'' behulpzaam was geweest.
<br>{{gap}}Deze geruchten bepaalden de Justitie, om een plaatselijk onderzoek te doen, en deze onderzoekingen werden begunstigd door de ontdekking van een dood ligchaam, of veeleer van een ''Skelet'', begraven in een deel van den tuin, alwaar hij zelfs twee jaren gelegen had. Dit lijk was dadelijk en wezenlijk dat van ''Bonino''. Men twijfelde echter, doch daar hij aan zijn’ linker hand en voet zes vingeren had, zoo werd ''die'' omstandigheid bewaarheid en de waarheid behield gelijk altijd de overhand.
<br>{{gap}}De Franschen, die dit verhaal mededeelen, kennen de woorden niet, maar den zin wel van onzen hoofddichter {{asc|Catz}}:
{{block center|''{{gedicht|Al ligt de waarheid in het stof
Al wat haar dekt, dat moet er of!}}''}}
{{lijn|3em}}
<section end="s2"/>
<section begin="s3"/>{{c|{{sp|EGYPTISCHE PAPYRUS}}
{{smaller|{{sp|OP DE}}}}
{{sp|KONINKLIJKE BOEKERY}}
{{smaller|{{sp|TE}}}}
''{{sp|BERLY}}N.''}}
{{gap}}Te Leipzig, bij ''Ambrosius Barth'', zijn twee zeer belangrijke werken in het licht gekomen van Professor ''Gustaaf Seyfarth'', het eene-in het Latyn geschreven: ''Rudimenta Hieroglyphices'' of ''Grondbeginselen der Beeldschrift'', waarbij nog gevoegd zijn uitleggingen van beeldschriftelijke Proeven, een ''Glossarium'' en een ''Alphabet''. Het andere werk van denzelfden Hoogleeraar: ''Bijdragen tot de kennis der Litteratuur, Kunst, Mythologie en geschiedenis van het oude Egypte, met tafelen in steendruk''. Het eerste bandje van dit laatstgenoemde werk deelt aanmerkingen mede over den Egyptischen ''Papyrus'', op de Koninglijke Bibliotheek te Berlyn thans aanwezig. Deze ''Papyrus'' zijn in het geheel 57, vele van aanmerkelijke lengte; het zwarte kleursel is slechts hier en daar verbleekt, waar de pen des schrijvers niet genoeg gevuld zal geweest zijn; de ''Papyrus'' zelve, over welker toebereiding de Heer ''Seyffarth'' zeer goede aanmerkingen mededeelt, is over het algemeen zeer gaaf bewaard gebleven. Wat de schrift betreft, zoo is deze ten deele ''Hieroglyfisch'', ten deele ''Hieratisch'' en deels ''Demotisch'', van welke klasse er 26 stuks zijn. Wat nu de Heer Professor ''Seyffarth'' van den inhoud der eerste klasse, die uit zeer korte, eenvormige, zich dikwerf herhalende, hymnen of lofzangen bestaat, voordraagt, berust op de, in zijne ''Rudimenta'' opgegevene ontcijferings-methode, welke te weinig populair is, om ''alhier'' te kunnen medegedeeld worden. Gelijksoortige hymnen vindt de Heer ''Seyffarth'' in de hieratische schriften, waarbij hij de ontcijferings-manier van ''Spohn'' volgt, en op het bij herhaling, voorkomen derzelfde plaatsen, bouwt hij de meening, dat alle deze hymnen uit de Hermetische boeken overgenomen zijn, waarvan de eerste, volgens het getuigenis van ''Clemens Alexandrina'', lofgezangen op Goden en Koningen behelsden. Dit is zeker en in het oogloopend, dat dikmaals een merkelijk aantal regels achtervolgens met dezelfde woorden beginnen en met dezelfde woorden en lettergrepen eindigen, waardoor zij zich zeer duidelijk als verzen met eene soort van eindrijm kenbaar maken. De Demotische Papijrus verklaart de Heer ''S''. al te zamen voor ''juridische'' of ''historische'' oorkonden, dit laatste echter misschien alleen daarom, wijl er tijdrekenkundige bepalingen bij gevonden worden; het is zeker, dat zij alle uit de eeuw der ''Ptolemeussen'' afkomstig zijn; met uitzondering van drie, hebben zij alle denzelfden vorm, welke door de Grieksche ''Antigrapha'' en Bijschriften thans genoeg bekend zijn. En gelijk in deze alle vorige vergoodde Koningen, die hunne Priesters te Alexandria hadden, opgeteld werden, zoo komt ook in de ''Demotische'' oorkonden het woord, hetwelk, men voor God erkend heeft, meermalen achter elkander met andere woorden gepaard voor, welke de bijnamen der ''Ptolemeussen'' beteekenen moeten. De vijf eerste namen zijn in talrijke rollen dezelfden, en worden met<noinclude>{{rechts|(''Het vervolg op de kant van deze bladz.'')|2em}}</noinclude>
<section end="s3"/>
<section begin="s4"/>{{gap}}⁂ Wordt bij deze geadverteert, dat ingevolge autorisatie, de passage van de dubbele Valbrug over de Gouwsche sluis, onder Alphen, van den 15de tot den 20 September aanstaande, zal afgesloten zijn, en kunnen verlegd worden over de bruggen te Alphen en te Zwammerdam langs de Noordzijde van den Rijn.
<br>{{gap}}Leyden den 10 September 1826.
<section end="s4"/>
<section begin="s5"/>{{c|⁂ ZETTING ''van den prys van het'' BROOD, ''binnen de Stad Leyden, gebakken overeenkomstig art''. 10. ''van het Reglement, in dato den'' 3. ''Mei'' 1819, ''beginnende Maandag den'' 11 ''September'' 1826.}}
{|
| {{gap}}Het Rogge-brood van ''één pond vier oncen, Nederlandsch gewigt'', van zuivere Rogge gebakken, om
| style="vertical-align:bottom;" | 13½
| style="vertical-align:bottom;" | cent.
|-
| {{gap}}Het Tarwe-brood, van ''zeven oncen'', het ''beste soort'', en het Fransch brood, van ''zes oncen vijf looden'', om
| style="vertical-align:bottom;" | 17
| style="vertical-align:bottom;text-align:center;" | „
|-
| {{gap}}Het Huisbakken-brood, van ''zeven oncen'', om
| style="vertical-align:bottom;" | 16
| style="vertical-align:bottom;text-align:center;" | „
|-
| {{gap}}Het ''minste soort'', of zoogenaamde Krop uit de Zak, van ''zeven oncen'', om
| style="vertical-align:bottom;" | 12
| style="vertical-align:bottom;text-align:center" | „
|-
| colspan=3 | {{gap}}Meerder of minder gedeelte naar evenredigheid.
|}
<section end="s5"/>
<section begin="s6"/>{{gap}}⁂ De ''Ontvanger der Beschrevene Stedelijke Middelen'' alhier, brengt ter kennis van de Eigenaars en Bewoners of Bruikers der Huizen binnen deze Stad, welke nalatig zijn gebleven in het voldoen van hun verschuldigden termijn van de belasting op de Huurwaarde der gebouwde Eigendommen, en Lantaarn- en Brandspuitgelden, voor den eersten Augustus jongstleden, dat hij Ontvanger, als daartoe door Hun Ed. Achtb. H.H. Burgemeester en Wethouders dezer Stad gequalificeerd tot den ontvangst, zoo van den tweeden termijn, als van de beide termijnen, zal vaceeren gedurende deze maand September, op de bepaalde dagen en uren, ten zijnen Kantore, op de Breedestraat naast de Gasthuiskerk; zullende bij Ontvanger genoodzaakt zijn, tegen de achtergeblevenen dadelijk tot de voldoening te procedeeren, als bij de Koninglijke wet van den 29 April 1819, is bepaald.
<br>{{gap}}Leyden den{{float right|''De Ontvanger voornoemd'',{{gap|1em}}}}
<br>7 September 1826.{{float right|{{sc|G. W. van GAASBEEK}}.}}
<section end="s6"/>
<section begin="s7"/>{{c|⁂ Getrouwd:}}
{{rechts|{{sc|J. W. van MUSSCHENBROEK<br>{{sc|en}}{{gap}}<br>{{sc|A.{{sp| de ME}}Y.}}}}{{gap|1em}}}}
{{gap}}LEYDEN den 8 September 1826.
<section end="s7"/>
<section begin="s3"/>gewisheid ''Theoi Sotéres, Adolphoi, Euergetai, Philopatores, Epiphaneis'' overgebragt; in de zesde en zevende plaats wisselen twee namen dikmaals onderling af, hetwelk daar uit voorkomt, dat de regeringen van ''Ptolemaeus Philometor'' en van zijnen broeder ''Physcon'' door elkander geloopen hebben. Het valt gemakkelijk te begrijpen, dat reeds naar de lengte en den aard dezer stukken, en voorts naar den aanvang, waar de regerende Koning meermaals met zijn bijnaam genoemd wordt, de ouderdom van deze ''Papyrus''-rollen bepaald kan worden; dienvolgens rekent de Heer ''Seyffarth'', dat de Demotische Papijrus der Berlijnsche Bibliotheek tot zeer onderscheiden regeringen der ''Ptolemeussen'', van ''Soter'' Lagoszoon af, tot ''Alexander I''. toe, gebragt moeten worden. Des te aanmerkelijker is het, dat bijkans alle tot dezelfde familie schijnen betrekkelijk te zijn, terwijl voorts ook uit andere omstandigheden kennelijk is, dat ook deze Papijrus alle uit de Mumien-Grot te Thebe afkomstig zijn. De Heer ''Seyffarth'' wijdt echter hierbij in het ruime veld der gissingen te breedvoerig uit, en het is te bejammeren dat, zoo wel in dit werk, als in de ''Rudimenta Hieroglyphices'' de voordragt ''dogmatisch en systematisch'' is, daar dezelve veeleer ''kritisch'', dat is ''oordeelkundig onderzoekend'' behoorde te zijn. Want indien men de gedenkstukken der oudheid naar een ''à priori'' ontworpen stelsel wil verklaren, dan kan men daarin zoeken en vinden al wat men wil, en dan zal ieder nieuw gevonden overblijfsel der oudheid kunnen gebezigd en verwrongen worden tot bewijsstuk van al zoodanig stelsel als de uitlegger zich in het hoofd zal gelieven te hangen, waarbij het wetenschappelijke onderzoek veeleer verliezen dan winnen zoude.
<section end="s3"/>
<section begin="s8"/>{{c|{{sp|ZEE-TIJDIN}}G.}}
{{gap}}Sedert onze laatste zijn in Tessel binnengekomen J. Esdahl, ''Ann en Hope'', van Canton, B. Hard, van St. Thomas, P. Bakker, van Smirna; ligt quarantaine.
<br>{{gap}}Kapt. Esdahl bovengemeld, heeft den 5 Augustus l.l. gepraaid op 24° W. lengte 36° N. breedte, J. G. Adrian, ''Marco Bozaris'', van Amsterdam naar Batavia, hebbende 35 dagen reis.
<br>{{gap}}In het Vlie binnengekomen J. F. Zomer, J. Gale, G. Runge, H. Dalwits, en J. A. Engels, van Riga.
<br>{{gap}}Te Terschelling binnengekomen H. M. Gnodde, van Brewig, H. T. Oldenburger, van Ostrisoer.
<br>{{gap}}De Kapt. van het schip ''Sophia'', van Bombay op de rivier van Bordeaux gearriveerd, die St. Helena aangedaan en dat Eiland den 20 Julij verlaten heeft, berigt, dat bij zijn vertrek aldaar binnengeloopen is, het Nederlandsch schip ''Waterloo'', Kapt. N. Hensken, van Batavia naar Amsterdam, aan welks boord alles wel was.
<br>{{gap}}Van de Kaap de Goede Hoop word van den 10 Junij gemeld, dat den 6de dito door een zware N. W. storm, verscheidene schepen in de Tafel-baaij schade bekomen hadden, waaronder ''the Nautilus'', van Londen naar Mauritius, en de schoners ''the Duke of Glocester'', en ''William'', welke op strand gedreven waren.
<br>{{gap}}Arrivementen: Te Padang Kapt. E. Ragers, van Antwerpen; te Suriname G. H. Ahlers, en te Marseille T. Komst, beide van Amsterdam; te Gravesend J. Monden, van Dordrecht, E. Page en J. Power, van Harlingen, J. T. Stomp, van Amsterdam.<section end="s8"/><noinclude></noinclude>
53pck58389ecnkfzfe56rpse7ubjwyr
222290
222275
2026-05-31T16:53:32Z
Vincent Steenberg
280
typo
222290
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" /></noinclude><section begin="s1"/>brengen, als het moeijelijk is eene eenige wel te bevatten, te bewijzen en die bewijzen met voldoende stukken te staven. Men wilde slechts deze ongezochte ontdekking, waarvan schaars een ander voorbeeld bekend is, kenbaar maken, daar nu juist de onderzoekingen over de aloude grafheuvels met den meesten ijver ondernomen, met niet mindere naauwkeurigheid en oplettendheid voortgezet worden. Men wilde slechts deze zeldzame verschijning, van welke schaars een gelijksoortig voorbeeld gevonden wordt, juist daarom bekend maken, omdat men tegenwoordig zoo bijzonder bezig is met het doen van navorschingen wegens grafheuvels.
<br>{{gap}}Een beroemd Duitsch Hoogleeraar heeft aangemerkt, dat bij geenen middeleeuwschen dichter, eenige toespeling op deze gedenkstukken voorkomt; het toeval zal toch wel nu en dan, toen zoo wel als hedendaags, een lijkbus aan den dag gebragt hebben, want zij vergeten geenszins te gedenken aan het ter aarde bestellen van de doodkist. ''Uridano'' zegt:
{{block center|''<poem>
Ein hûes von siben vuezen
Da kan man suhte buezen;
Der vrîthof ist ein saelic wirt
Dem manie gast zeteile wirt.
</poem>''}}
en geheel hiermede overeenkomstig, zoo dat men bemerkt dat het spreekwoordelijk gevonden is, drukt zich een minnezanger uit:
{{c|''Unt entwist mir danne niht wan siben vueze lang''.}}
{{lijn|4em}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{c|{{sp|REGTSGELEERDE COURAN}}T.}}
{{gap}}Sedert eenige maanden is er in Frankrijk een nieuwe Courant uit gekomen, geheel uitsluitend voor de Regtbanken bestemd, onder den titel van ''GAZETTE DES TRIBUNAUX Journal de Jurisprudence et des Débats Judiciaires'', welke een beredeneerd verslag geeft van alle belangrijke zaken, welke voor de Regtbanken in alle instantien voorvallen; en de spoedige goede uitslag, welke deze onderneming geniet, heeft bij de ondernemers van dit tijdschrift het denkbeeld doen opkomen, om ook buitenlandsche Regtzaken, inzonderheid die in Groot-Brittannien voorkomen, aan hunne lezers mede te deelen, en eene zeer ijverige briefwisseling met Engelsche Regtsgeleerden, heeft hen reeds in staat gesteld, om ook de meest belangrijke Regtsgedingen uit dat Rijk mede te deelen.
<br>{{gap}}Alles wat in de Regtszaken dienen kan, om de zeden en den staat der {{SIC|civilasitie|civilisatie}} te doen kenbaar worden, wordt in dit blad opgenomen; maar ook dit alleen, want om aan de wetenschap ingang te verschaften bij de Franschen, achten de schrijvers van dit tijdschrift het noodig hen te vermaken, want zeggen zij, wanneer men de aandacht der Franschen kan opwekken door hunne nieuwsgierigheid te prikkelen en hun iets te lagchen te geven, dan eerst mag men gegronde hoop voeden om vele en bestendige lezers te vinden. De schrijvers van deze Courant te Parijs zijn de Heeren Advokaten Mrs. ''Dupin, Hennequin, Barthe, Berryër, Mérithon, Berville, Isambert'', met een woord, alles wat te Parijs de Balie allermeest tot luister verstrekt, werkt mede om deze onderneming op de beste wijze te doen slagen.
<br>{{gap}}In het nummer van den 23 Augustus l.l. vindt men, onder andere aanmerkelijke gevallen, het verbaal, van een’ moord, gepleegd aan een man, die zes vingers had. Assassinat d’un sexdigitai're''.
<br>{{gap}}Het Hof van Assises te Montpellier, moest den 22 Augustus l.l. zich bezig houden met eene beschuldiging wegens gepleegden moord, welke in de daad van zeer bijzondere omstandigheden is vergezeld gegaan.
<br>{{gap}}Een zeker Heer ''Bonino'', van Piemonteeschen afkomst, had zich, na in de Fransche legers gediend te hebben, met der woon nedergezet te Sussargues bij Montpellier; hij had twee stukken land gekocht, waarvan hij het vruchtgebruik bij zijn huwelijks-contract gegeven had aan de jonge dochter ''Carrat'', met welke hij ia staat van ''Concubinaat'' leefde. Zijn wettig huwelijk met haar was slechts vertraagd, doordien de familie-papieren niet regelmatig waren, met welke hij zich bezig hield om in orde te doen brengen. Plotseling, in het begin van 1823 verliet ''Bonino'' het land. Men meende dat hij naar Spanje, zoo als hij zulks reeds eenigen tijd te voren aangekondigd had, vertrokken was. Men zegt, dat de jonge dochter ''Carrat'' de eerste was, om dit gerucht te verwezenlijken. Men meende, dat de personen, die zij zelve aangaf, diegenen waren, welke met hem gereisd hadden. Twee jaren verliepen, en de ongelukkige ''Bonino'' was verloren. Nogtans de menschen, die, naar het zeggen van de jonge dochter ''Carrat'', hem naar ''Spanje'' hadden vergezeld, terug gekomen zijnde, gaven berigt dat zij hem noch aan deze noch aan geene zijde der ''Pyreneën'' gezien hadden. Men bespeurde toen, dat Juffr. ''Carrat'' in het huwelijk getreden was, zeven maanden nadat haren verloofden verdwenen was, met een’ zekeren Heer ''Baptiste Dimon''. Men verzamelde eenige berigten, die over dezen ''Dimon'' rond liepen, en, die haren oorsprong genomen hadden uit de gesprekken van eenige zijner kinderen. Men zeide dat ''Bonino'', ten dage zijner verdwijning, bij ''Dimon'' gedineerd had; dat na het middagmaal deze ''Dimon'' gezien was, wandelende naar een’ tuin, werwaards hij zich met ''Bonino'' begaf, en dat aldaar ''Dimon'', gebruik makende van den slaap van ''Bonino'', hem met eene spade een’ slag gegeven had op het hoofd, aldus vermoord had, en dat in den volgenden nacht, hij in den tuin zelve had kunnen begraven worden, waartoe de jonge dochter ''Carrat'' behulpzaam was geweest.
<br>{{gap}}Deze geruchten bepaalden de Justitie, om een plaatselijk onderzoek te doen, en deze onderzoekingen werden begunstigd door de ontdekking van een dood ligchaam, of veeleer van een ''Skelet'', begraven in een deel van den tuin, alwaar hij zelfs twee jaren gelegen had. Dit lijk was dadelijk en wezenlijk dat van ''Bonino''. Men twijfelde echter, doch daar hij aan zijn’ linker hand en voet zes vingeren had, zoo werd ''die'' omstandigheid bewaarheid en de waarheid behield gelijk altijd de overhand.
<br>{{gap}}De Franschen, die dit verhaal mededeelen, kennen de woorden niet, maar den zin wel van onzen hoofddichter {{asc|Catz}}:
{{block center|''{{gedicht|Al ligt de waarheid in het stof
Al wat haar dekt, dat moet er of!}}''}}
{{lijn|3em}}
<section end="s2"/>
<section begin="s3"/>{{c|{{sp|EGYPTISCHE PAPYRUS}}
{{smaller|{{sp|OP DE}}}}
{{sp|KONINKLIJKE BOEKERY}}
{{smaller|{{sp|TE}}}}
''{{sp|BERLY}}N.''}}
{{gap}}Te Leipzig, bij ''Ambrosius Barth'', zijn twee zeer belangrijke werken in het licht gekomen van Professor ''Gustaaf Seyffarth'', het eene-in het Latyn geschreven: ''Rudimenta Hieroglyphices'' of ''Grondbeginselen der Beeldschrift'', waarbij nog gevoegd zijn uitleggingen van beeldschriftelijke Proeven, een ''Glossarium'' en een ''Alphabet''. Het andere werk van denzelfden Hoogleeraar: ''Bijdragen tot de kennis der Litteratuur, Kunst, Mythologie en geschiedenis van het oude Egypte, met tafelen in steendruk''. Het eerste bandje van dit laatstgenoemde werk deelt aanmerkingen mede over den Egyptischen ''Papyrus'', op de Koninglijke Bibliotheek te Berlyn thans aanwezig. Deze ''Papyrus'' zijn in het geheel 57, vele van aanmerkelijke lengte; het zwarte kleursel is slechts hier en daar verbleekt, waar de pen des schrijvers niet genoeg gevuld zal geweest zijn; de ''Papyrus'' zelve, over welker toebereiding de Heer ''Seyffarth'' zeer goede aanmerkingen mededeelt, is over het algemeen zeer gaaf bewaard gebleven. Wat de schrift betreft, zoo is deze ten deele ''Hieroglyfisch'', ten deele ''Hieratisch'' en deels ''Demotisch'', van welke klasse er 26 stuks zijn. Wat nu de Heer Professor ''Seyffarth'' van den inhoud der eerste klasse, die uit zeer korte, eenvormige, zich dikwerf herhalende, hymnen of lofzangen bestaat, voordraagt, berust op de, in zijne ''Rudimenta'' opgegevene ontcijferings-methode, welke te weinig populair is, om ''alhier'' te kunnen medegedeeld worden. Gelijksoortige hymnen vindt de Heer ''Seyffarth'' in de hieratische schriften, waarbij hij de ontcijferings-manier van ''Spohn'' volgt, en op het bij herhaling, voorkomen derzelfde plaatsen, bouwt hij de meening, dat alle deze hymnen uit de Hermetische boeken overgenomen zijn, waarvan de eerste, volgens het getuigenis van ''Clemens Alexandrina'', lofgezangen op Goden en Koningen behelsden. Dit is zeker en in het oogloopend, dat dikmaals een merkelijk aantal regels achtervolgens met dezelfde woorden beginnen en met dezelfde woorden en lettergrepen eindigen, waardoor zij zich zeer duidelijk als verzen met eene soort van eindrijm kenbaar maken. De Demotische Papijrus verklaart de Heer ''S''. al te zamen voor ''juridische'' of ''historische'' oorkonden, dit laatste echter misschien alleen daarom, wijl er tijdrekenkundige bepalingen bij gevonden worden; het is zeker, dat zij alle uit de eeuw der ''Ptolemeussen'' afkomstig zijn; met uitzondering van drie, hebben zij alle denzelfden vorm, welke door de Grieksche ''Antigrapha'' en Bijschriften thans genoeg bekend zijn. En gelijk in deze alle vorige vergoodde Koningen, die hunne Priesters te Alexandria hadden, opgeteld werden, zoo komt ook in de ''Demotische'' oorkonden het woord, hetwelk, men voor God erkend heeft, meermalen achter elkander met andere woorden gepaard voor, welke de bijnamen der ''Ptolemeussen'' beteekenen moeten. De vijf eerste namen zijn in talrijke rollen dezelfden, en worden met<noinclude>{{rechts|(''Het vervolg op de kant van deze bladz.'')|2em}}</noinclude>
<section end="s3"/>
<section begin="s4"/>{{gap}}⁂ Wordt bij deze geadverteert, dat ingevolge autorisatie, de passage van de dubbele Valbrug over de Gouwsche sluis, onder Alphen, van den 15de tot den 20 September aanstaande, zal afgesloten zijn, en kunnen verlegd worden over de bruggen te Alphen en te Zwammerdam langs de Noordzijde van den Rijn.
<br>{{gap}}Leyden den 10 September 1826.
<section end="s4"/>
<section begin="s5"/>{{c|⁂ ZETTING ''van den prys van het'' BROOD, ''binnen de Stad Leyden, gebakken overeenkomstig art''. 10. ''van het Reglement, in dato den'' 3. ''Mei'' 1819, ''beginnende Maandag den'' 11 ''September'' 1826.}}
{|
| {{gap}}Het Rogge-brood van ''één pond vier oncen, Nederlandsch gewigt'', van zuivere Rogge gebakken, om
| style="vertical-align:bottom;" | 13½
| style="vertical-align:bottom;" | cent.
|-
| {{gap}}Het Tarwe-brood, van ''zeven oncen'', het ''beste soort'', en het Fransch brood, van ''zes oncen vijf looden'', om
| style="vertical-align:bottom;" | 17
| style="vertical-align:bottom;text-align:center;" | „
|-
| {{gap}}Het Huisbakken-brood, van ''zeven oncen'', om
| style="vertical-align:bottom;" | 16
| style="vertical-align:bottom;text-align:center;" | „
|-
| {{gap}}Het ''minste soort'', of zoogenaamde Krop uit de Zak, van ''zeven oncen'', om
| style="vertical-align:bottom;" | 12
| style="vertical-align:bottom;text-align:center" | „
|-
| colspan=3 | {{gap}}Meerder of minder gedeelte naar evenredigheid.
|}
<section end="s5"/>
<section begin="s6"/>{{gap}}⁂ De ''Ontvanger der Beschrevene Stedelijke Middelen'' alhier, brengt ter kennis van de Eigenaars en Bewoners of Bruikers der Huizen binnen deze Stad, welke nalatig zijn gebleven in het voldoen van hun verschuldigden termijn van de belasting op de Huurwaarde der gebouwde Eigendommen, en Lantaarn- en Brandspuitgelden, voor den eersten Augustus jongstleden, dat hij Ontvanger, als daartoe door Hun Ed. Achtb. H.H. Burgemeester en Wethouders dezer Stad gequalificeerd tot den ontvangst, zoo van den tweeden termijn, als van de beide termijnen, zal vaceeren gedurende deze maand September, op de bepaalde dagen en uren, ten zijnen Kantore, op de Breedestraat naast de Gasthuiskerk; zullende bij Ontvanger genoodzaakt zijn, tegen de achtergeblevenen dadelijk tot de voldoening te procedeeren, als bij de Koninglijke wet van den 29 April 1819, is bepaald.
<br>{{gap}}Leyden den{{float right|''De Ontvanger voornoemd'',{{gap|1em}}}}
<br>7 September 1826.{{float right|{{sc|G. W. van GAASBEEK}}.}}
<section end="s6"/>
<section begin="s7"/>{{c|⁂ Getrouwd:}}
{{rechts|{{sc|J. W. van MUSSCHENBROEK<br>{{sc|en}}{{gap}}<br>{{sc|A.{{sp| de ME}}Y.}}}}{{gap|1em}}}}
{{gap}}LEYDEN den 8 September 1826.
<section end="s7"/>
<section begin="s3"/>gewisheid ''Theoi Sotéres, Adolphoi, Euergetai, Philopatores, Epiphaneis'' overgebragt; in de zesde en zevende plaats wisselen twee namen dikmaals onderling af, hetwelk daar uit voorkomt, dat de regeringen van ''Ptolemaeus Philometor'' en van zijnen broeder ''Physcon'' door elkander geloopen hebben. Het valt gemakkelijk te begrijpen, dat reeds naar de lengte en den aard dezer stukken, en voorts naar den aanvang, waar de regerende Koning meermaals met zijn bijnaam genoemd wordt, de ouderdom van deze ''Papyrus''-rollen bepaald kan worden; dienvolgens rekent de Heer ''Seyffarth'', dat de Demotische Papijrus der Berlijnsche Bibliotheek tot zeer onderscheiden regeringen der ''Ptolemeussen'', van ''Soter'' Lagoszoon af, tot ''Alexander I''. toe, gebragt moeten worden. Des te aanmerkelijker is het, dat bijkans alle tot dezelfde familie schijnen betrekkelijk te zijn, terwijl voorts ook uit andere omstandigheden kennelijk is, dat ook deze Papijrus alle uit de Mumien-Grot te Thebe afkomstig zijn. De Heer ''Seyffarth'' wijdt echter hierbij in het ruime veld der gissingen te breedvoerig uit, en het is te bejammeren dat, zoo wel in dit werk, als in de ''Rudimenta Hieroglyphices'' de voordragt ''dogmatisch en systematisch'' is, daar dezelve veeleer ''kritisch'', dat is ''oordeelkundig onderzoekend'' behoorde te zijn. Want indien men de gedenkstukken der oudheid naar een ''à priori'' ontworpen stelsel wil verklaren, dan kan men daarin zoeken en vinden al wat men wil, en dan zal ieder nieuw gevonden overblijfsel der oudheid kunnen gebezigd en verwrongen worden tot bewijsstuk van al zoodanig stelsel als de uitlegger zich in het hoofd zal gelieven te hangen, waarbij het wetenschappelijke onderzoek veeleer verliezen dan winnen zoude.
<section end="s3"/>
<section begin="s8"/>{{c|{{sp|ZEE-TIJDIN}}G.}}
{{gap}}Sedert onze laatste zijn in Tessel binnengekomen J. Esdahl, ''Ann en Hope'', van Canton, B. Hard, van St. Thomas, P. Bakker, van Smirna; ligt quarantaine.
<br>{{gap}}Kapt. Esdahl bovengemeld, heeft den 5 Augustus l.l. gepraaid op 24° W. lengte 36° N. breedte, J. G. Adrian, ''Marco Bozaris'', van Amsterdam naar Batavia, hebbende 35 dagen reis.
<br>{{gap}}In het Vlie binnengekomen J. F. Zomer, J. Gale, G. Runge, H. Dalwits, en J. A. Engels, van Riga.
<br>{{gap}}Te Terschelling binnengekomen H. M. Gnodde, van Brewig, H. T. Oldenburger, van Ostrisoer.
<br>{{gap}}De Kapt. van het schip ''Sophia'', van Bombay op de rivier van Bordeaux gearriveerd, die St. Helena aangedaan en dat Eiland den 20 Julij verlaten heeft, berigt, dat bij zijn vertrek aldaar binnengeloopen is, het Nederlandsch schip ''Waterloo'', Kapt. N. Hensken, van Batavia naar Amsterdam, aan welks boord alles wel was.
<br>{{gap}}Van de Kaap de Goede Hoop word van den 10 Junij gemeld, dat den 6de dito door een zware N. W. storm, verscheidene schepen in de Tafel-baaij schade bekomen hadden, waaronder ''the Nautilus'', van Londen naar Mauritius, en de schoners ''the Duke of Glocester'', en ''William'', welke op strand gedreven waren.
<br>{{gap}}Arrivementen: Te Padang Kapt. E. Ragers, van Antwerpen; te Suriname G. H. Ahlers, en te Marseille T. Komst, beide van Amsterdam; te Gravesend J. Monden, van Dordrecht, E. Page en J. Power, van Harlingen, J. T. Stomp, van Amsterdam.<section end="s8"/><noinclude></noinclude>
275e1r295v9fox07t91ykd4mhi26z01
Leydse Courant/1826/Nummer 109/Regtsgeleerde courant
0
86594
222276
2026-05-31T16:34:29Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
222276
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Regtsgeleerde courant’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit de ''Leydsche Courant'', maandag 11 september 1826, [p. 3]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Leydse Courant 1826 no 109.pdf" from="3" to="3" fromsection="s2" tosection="s2"/>
[[Categorie:Leydse Courant, 1826, Nummer 109]]
elxg7poy3pq77nbop94rdfvw7ndvsug
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/4
104
86595
222284
2026-05-31T16:41:23Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met ' {{center|B O R Y S T H E N E S}} {| |----- | )eter toe te maken, van \'t welck het landt overvloet heeft, en daer af fèer treffelijck buf- fekruyt gemaeckt word. Hun vrouwen fijn bee- figh met vlas en wol te fpinnen , van\'t welck fy lijnwaet en laken maken, datfy voor hun ge- bruyck houden. Zy fijn alle feer wel geoeffent in\'t landt te bouwen , ente fayen, vruchten te vergaderen, broot te backen, bier, wijn,meede, en brahe te…
222284
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>
{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
)eter toe te maken, van \'t welck het landt
overvloet heeft, en daer af fèer treffelijck buf-
fekruyt gemaeckt word. Hun vrouwen fijn bee-
figh met vlas en wol te fpinnen , van\'t welck fy
lijnwaet en laken maken, datfy voor hun ge-
bruyck houden. Zy fijn alle feer wel geoeffent
in\'t landt te bouwen , ente fayen, vruchten te
vergaderen, broot te backen, bier, wijn,meede,
en brahe te koken, en alderhande fpijfen toe te
maken ja fy konnen byna alle brandewijn toe-
ftellen. Men vind onder hen niemant, \'t iy men
op\'tgeflacht, oft op d\'ouderdom, oft op de
ftaet fiet, die niet d\'ander pooght t\'overtreffen
in de konft van te brafTen en fuypen i ja in mal-
kander tot overloopens toe met dranck op te
vullen : in voegen dat men onder de Chrifte-
nen naeuwelijcks menfchen vindt, die minder
voor den dagh van morgen bekommert fijn,
dan de Cofacken.
Dieshalven, hoewel fy alle in \'t gemeen by-
na alle konften konnen bevatten , foo fijn fy
echter niet alle even vernuftigh , maer d\'een
meer , en d\'ander min in faken kundigh. Sy
hebben wel alle een fchrandere geeft, maer fy
houden fich echter aen \'t gene, dat hen nut is,
en begeven fich voornaemelijck tot de dingen,
die de landtbouw aengaen.
rruck" De vruchtbare aerde brengt foo groot een
hmheÃ. oQgiifi; voort, dat fy dickwijls niet weten wat
fy daer mee fullen doen , om dat fy geen beva-
relijcke rivieren hebben. Want de Boryfthenes,
hoewel anders bevaerelijck, wordt door der-
tien waterfprongen , vijftigh mijlen beneden
Kiow, verhindert, van de welcken de lefte fê-
ven groote mijlen van d\'eerfte af is,\'t welk is een
groote daghreys verre, gelijck men indelant-
befchrijving kan fien. Dit is d\'oorfaeck van dat
fy L^p gewas niet naer Konftantinopelen kon-
nen voeren ,⢠en hier uyt fpruyt hun luyheyt, en
dat hun arbeyt fich niet boven de nootfakelijck-
heyt des levens uytftreckt. En dewijl fy geit,
het aenlockfelderwelluften, derven , foo ftellen
fy liever hun hoop van \'t felve te krijgen in de
geburige Turcken te berooven, dan in hun ey-
gen neerftighey t. Sy bekommeren fich niet met
d\'andere dingen, als fy ftechts t\'eten en te drinc-
ken hebben.
cMkftÃi ^ Sy hebben de Grieckfche Godtsdienft j en
worden in hun tael Rus genoemt: fy houden de
feeftdagen in hooge eer, gelijck oock de vaften-
dagen, die acht oft negen maenden van \'tjaer
wechneemen, doch echter foo , dat fy behoo-
relijck meenen te vaften, foo fy fich van \'t
vleefch-ëeten onthouden : ja dit gevoelen van
te vaften is fbo diep in hun gewortelt, dat fy
fich fèkerlijck inbeelden, dat hun eeuwige fa-
ligheyt in defe onderfcheyding der fpijfe be-
ftaet. Sy overtreffen in \'t gebruyck van te va-
ften, en oock van geduriglijck te fuypen verre
alle d\'andere volckeren ,⢠want fy fwelgen nooyt
foo veel, of fy, een weynigh door de flaep weer
bekomen, keeren fich weer tot de fèlfdekroe-
fen ; \'t welck echter in tijt van vrede toege-
ftaen word: want als fy eens de wapenen aen-
genomen hebben, foo leven fy in gedurige fo-
berheyt. Sy hebben in \'t leger geen heerlijcker
polen.
|
huysgewaed, dan een flechte krijgsrock. Sy fijn
van natuur fchalck, fcherpfinnigh, vernuftigh ,
en milt, fonder eenige vuyie gierigheyt, oft dat
d\'een begeert boven d\'ander rijck te worden.
Sy fijn foo hardtneckigh in vry te fijn, dat fy
meenen dat niemant kan leven, \'ten fyhy vry
is. Hier uyt fpruyten hun gedurige weêrfpan-
nigheden tegen hun Grooten , en eyge Heeren,
als fy fien dat fy gedruckt worden,- ja foo, dat \'er
naeuwelijcks feven oft acht jaren verloopen,
of men fiet hen tegen hun Vorften afvallen en
opffuyven. Voorts, fy fijn lieden , die men niet
vertrouwen magh , verraders, meyn-eedigh ,
ongetrouw , behalven in dingen , die tot hun
beyder welftandt behooren. Sy fijn fterck van
natuur, fbo in hitte , als in koude te verdragen ,
geduldigh in honger en kommer te lijden,
onvermoeyt in d\'oorlogh , ftout, grootmoe-
digh, en ten meeftendeel reuckeloos , by de
welcken voor lof geacht word fich plotfelings
in de doodt te ftorten. Sy toonen voornaeme-
lijck hier in hun naerftigheyt en dapperheyt in
d\'oorlogh , als fy in de flaghordening van hun
wagenen, by hun Tabord genoemt, befloten
fijn , daer uytfy konftelijck hun bufïen , Samo-
palii geheeten , dewelcke hun gewoone wape-
nen fijn , konnen lofïen. Sy fijn dapper, in
plaetfen te befchermen, en niet van de flecht-
ften in zeeroovery. Sy fijn echter geen goede
ruyters. My heught dat ick twee hondert Pool-
fche ruyters twee duyfent van de befte Cofac-
ken te paert heb fien in de vlucht drijven ; hoe-
wel ick niet tegenfpreeck dat niet meer dan
hondert Kofacken, in hun wagenburgh beflo-
ten, niet voor duyfent Polen , oft Tartaren fou-
den vreefèn: ja indien fy foo dapper te paert,
als te voet waren, fbo fouden fy van geen men-
fchen verwonnen konnen worden. Sy fijn van su^i __
goede geftalte, fterck en kloeck vaniighaem,
en hebben vermaeck in heerlijcke kleederen ,
gelijck men fien kan, als fy met rijcke roof van
hungeburenweêrkeeren : want anderfins kiee-
den fyfich met kleederen,die men gemackelijck
kan bekomen. Sy fijn gefont van lighaem, en
vry van die fieckte, de welcke, gelijck een peft,
byna in geheel Polen en Rufchlant gemeen is,
en van de Medecijns Plica, gemenelijck Kol-
tun genoemt wordt, om dat het hair van alle
de gene, die daer af geplaegt fijn , fbo fchric-
kelijck wardt, dat het door geen konft of naer-
ftigheyt ontwart kan worden. Men fiet fèer
weynigh Kofacken van fieckte fterven , dan in
feer hooge ouderdom. Sy fterven ten meeften-
deel op hun eygen bedt, of in d\'oorlogh.
In defe plaetfen is weynigh Adel; doch ech- McU
ter alle Poolfche,en Roomfch Catholijck^ want
het is deurgaens fchande voor een Poolfch
Edelman vaneen andereGodsdienft, dan vati
de Roomfche, te fijn; tot de welcken oock
overal d\'andere Grooten van de Gnekfche Ruf^
fèn fich voegen, fonder aen hun oorfprong,
en aen\'t bloet van de Rufïifche Vorften te ge.
dencken.
De landtlieden van dit geweft fijn deurgaens
alle feer elendigh, dewijl fy verplicht fijn in yderttÃL
weeck drie dagen met hun paerden en eyge
handen
|}<noinclude></noinclude>
0ub4eof9u8hmnupf5t7zq3z1k1x7vae
222355
222284
2026-05-31T21:36:22Z
Nederlandse Leeuw
797
222355
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>
{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
salpeter toe te maken, van 't welck het landt
overvloet heeft, en daer af seer treffelijck bus-
sekruyt gemaeckt word. Hun vrouwen sijn bee-
sigh met vlas en wol te spinnen , van 't welck sy
lijnwaet en laken maken, dat sy voor hun ge-
bruyck houden. Zy sijn alle seer wel geoeffent
in 't landt te bouwen , en te sayen, vruchten te
vergaderen, broot te backen, bier, wijn, meede,
en brahe te koken, en alderhande spijsen toe te
maken; ja sy konnen byna alle brandewijn toe-
stellen. Men vind onder hen niemant, 't sy men
op 't geslacht, oft op d'ouderdom, oft op de
staet siet, die niet d'ander pooght t'overtreffen
in de konst van te brassen en suypen; ja in mal-
kander tot overloopens toe met dranck op te
vullen : in voegen dat men onder de Christe-
nen naeuwelijcks menschen vindt, die minder
voor den dagh van morgen bekommert sijn,
dan de Cosacken.
Dieshalven, hoewel fy alle in \'t gemeen by-
na alle konften konnen bevatten , foo fijn fy
echter niet alle even vernuftigh , maer d\'een
meer , en d\'ander min in faken kundigh. Sy
hebben wel alle een fchrandere geeft, maer fy
houden fich echter aen \'t gene, dat hen nut is,
en begeven fich voornaemelijck tot de dingen,
die de landtbouw aengaen.
rruck" De vruchtbare aerde brengt foo groot een
hmheÃ. oQgiifi; voort, dat fy dickwijls niet weten wat
fy daer mee fullen doen , om dat fy geen beva-
relijcke rivieren hebben. Want de Boryfthenes,
hoewel anders bevaerelijck, wordt door der-
tien waterfprongen , vijftigh mijlen beneden
Kiow, verhindert, van de welcken de lefte fê-
ven groote mijlen van d\'eerfte af is,\'t welk is een
groote daghreys verre, gelijck men indelant-
befchrijving kan fien. Dit is d\'oorfaeck van dat
fy L^p gewas niet naer Konftantinopelen kon-
nen voeren ,⢠en hier uyt fpruyt hun luyheyt, en
dat hun arbeyt fich niet boven de nootfakelijck-
heyt des levens uytftreckt. En dewijl fy geit,
het aenlockfelderwelluften, derven , foo ftellen
fy liever hun hoop van \'t felve te krijgen in de
geburige Turcken te berooven, dan in hun ey-
gen neerftighey t. Sy bekommeren fich niet met
d\'andere dingen, als fy ftechts t\'eten en te drinc-
ken hebben.
cMkftÃi ^ Sy hebben de Grieckfche Godtsdienft j en
worden in hun tael Rus genoemt: fy houden de
feeftdagen in hooge eer, gelijck oock de vaften-
dagen, die acht oft negen maenden van \'tjaer
wechneemen, doch echter foo , dat fy behoo-
relijck meenen te vaften, foo fy fich van \'t
vleefch-ëeten onthouden : ja dit gevoelen van
te vaften is fbo diep in hun gewortelt, dat fy
fich fèkerlijck inbeelden, dat hun eeuwige fa-
ligheyt in defe onderfcheyding der fpijfe be-
ftaet. Sy overtreffen in \'t gebruyck van te va-
ften, en oock van geduriglijck te fuypen verre
alle d\'andere volckeren ,⢠want fy fwelgen nooyt
foo veel, of fy, een weynigh door de flaep weer
bekomen, keeren fich weer tot de fèlfdekroe-
fen ; \'t welck echter in tijt van vrede toege-
ftaen word: want als fy eens de wapenen aen-
genomen hebben, foo leven fy in gedurige fo-
berheyt. Sy hebben in \'t leger geen heerlijcker
polen.
|
huysgewaed, dan een flechte krijgsrock. Sy fijn
van natuur fchalck, fcherpfinnigh, vernuftigh ,
en milt, fonder eenige vuyie gierigheyt, oft dat
d\'een begeert boven d\'ander rijck te worden.
Sy fijn foo hardtneckigh in vry te fijn, dat fy
meenen dat niemant kan leven, \'ten fyhy vry
is. Hier uyt fpruyten hun gedurige weêrfpan-
nigheden tegen hun Grooten , en eyge Heeren,
als fy fien dat fy gedruckt worden,- ja foo, dat \'er
naeuwelijcks feven oft acht jaren verloopen,
of men fiet hen tegen hun Vorften afvallen en
opffuyven. Voorts, fy fijn lieden , die men niet
vertrouwen magh , verraders, meyn-eedigh ,
ongetrouw , behalven in dingen , die tot hun
beyder welftandt behooren. Sy fijn fterck van
natuur, fbo in hitte , als in koude te verdragen ,
geduldigh in honger en kommer te lijden,
onvermoeyt in d\'oorlogh , ftout, grootmoe-
digh, en ten meeftendeel reuckeloos , by de
welcken voor lof geacht word fich plotfelings
in de doodt te ftorten. Sy toonen voornaeme-
lijck hier in hun naerftigheyt en dapperheyt in
d\'oorlogh , als fy in de flaghordening van hun
wagenen, by hun Tabord genoemt, befloten
fijn , daer uytfy konftelijck hun bufïen , Samo-
palii geheeten , dewelcke hun gewoone wape-
nen fijn , konnen lofïen. Sy fijn dapper, in
plaetfen te befchermen, en niet van de flecht-
ften in zeeroovery. Sy fijn echter geen goede
ruyters. My heught dat ick twee hondert Pool-
fche ruyters twee duyfent van de befte Cofac-
ken te paert heb fien in de vlucht drijven ; hoe-
wel ick niet tegenfpreeck dat niet meer dan
hondert Kofacken, in hun wagenburgh beflo-
ten, niet voor duyfent Polen , oft Tartaren fou-
den vreefèn: ja indien fy foo dapper te paert,
als te voet waren, fbo fouden fy van geen men-
fchen verwonnen konnen worden. Sy fijn van su^i __
goede geftalte, fterck en kloeck vaniighaem,
en hebben vermaeck in heerlijcke kleederen ,
gelijck men fien kan, als fy met rijcke roof van
hungeburenweêrkeeren : want anderfins kiee-
den fyfich met kleederen,die men gemackelijck
kan bekomen. Sy fijn gefont van lighaem, en
vry van die fieckte, de welcke, gelijck een peft,
byna in geheel Polen en Rufchlant gemeen is,
en van de Medecijns Plica, gemenelijck Kol-
tun genoemt wordt, om dat het hair van alle
de gene, die daer af geplaegt fijn , fbo fchric-
kelijck wardt, dat het door geen konft of naer-
ftigheyt ontwart kan worden. Men fiet fèer
weynigh Kofacken van fieckte fterven , dan in
feer hooge ouderdom. Sy fterven ten meeften-
deel op hun eygen bedt, of in d\'oorlogh.
In defe plaetfen is weynigh Adel; doch ech- McU
ter alle Poolfche,en Roomfch Catholijck^ want
het is deurgaens fchande voor een Poolfch
Edelman vaneen andereGodsdienft, dan vati
de Roomfche, te fijn; tot de welcken oock
overal d\'andere Grooten van de Gnekfche Ruf^
fèn fich voegen, fonder aen hun oorfprong,
en aen\'t bloet van de Rufïifche Vorften te ge.
dencken.
De landtlieden van dit geweft fijn deurgaens
alle feer elendigh, dewijl fy verplicht fijn in yderttÃL
weeck drie dagen met hun paerden en eyge
handen
|}<noinclude></noinclude>
ih49l7diby15k883jbnvq8v8toopooa
222356
222355
2026-05-31T21:45:27Z
Nederlandse Leeuw
797
222356
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>
{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
salpeter toe te maken, van 't welck het landt
overvloet heeft, en daer af seer treffelijck bus-
sekruyt gemaeckt word. Hun vrouwen sijn bee-
sigh met vlas en wol te spinnen , van 't welck sy
lijnwaet en laken maken, dat sy voor hun ge-
bruyck houden. Zy sijn alle seer wel geoeffent
in 't landt te bouwen , en te sayen, vruchten te
vergaderen, broot te backen, bier, wijn, meede,
en brahe te koken, en alderhande spijsen toe te
maken; ja sy konnen byna alle brandewijn toe-
stellen. Men vind onder hen niemant, 't sy men
op 't geslacht, oft op d'ouderdom, oft op de
staet siet, die niet d'ander pooght t'overtreffen
in de konst van te brassen en suypen; ja in mal-
kander tot overloopens toe met dranck op te
vullen : in voegen dat men onder de Christe-
nen naeuwelijcks menschen vindt, die minder
voor den dagh van morgen bekommert sijn,
dan de Cosacken.
Dieshalven, hoewel sy alle in 't gemeen by-
na alle konsten konnen bevatten , soo sijn sy
echter niet alle even vernuftigh , maer d'een
meer, en d'ander min in saken kundigh. Sy
hebben wel alle een schrandere geest, maer sy
houden sich echter aen 't gene, dat hen nut is,
en begeven sich voornaemelijck tot de dingen,
die de landtbouw aengaen.
De vruchtbare aerde brengt soo groot een
ooghst voort, dat sy dickwijls niet weten wat
sy daer mee sullen doen , om dat sy geen beva-
relijcke rivieren hebben. Want de Borysthenes,
hoewel anders bevaerelijck, wordt door der-
tien watersprongen , vijftigh mijlen beneden
Kiow, verhindert, van de welcken de leste se-
ven groote mijlen van d'eerste af is, 't welk is een
groote daghreys verre, gelijck men in de lant-
beschrijving kan sien. Dit is d'oorfaeck van dat
sy hun gewas niet naer Konstantinopelen kon-
nen voeren; en hier uyt spruyt hun luyheyt, en
dat hun arbeyt sich niet boven de nootsakelijck-
heyt des levens uytstreckt. En dewijl sy gelt,
het aenlocksel der wellusten, derven , soo stellen
sy liever hun hoop van 't selve te krijgen in de
geburige Turcken te berooven, dan in hun ey-
gen neerstigheyt. Sy bekommeren sich niet met
d'andere dingen, als sy stechts t'eten en te drinc-
ken hebben.
Sy hebben de Griecksche Godtsdienst; en
worden in hun tael Rus genoemt: sy houden de
feestdagen in hooge eer, gelijck oock de vasten-
dagen, die acht oft negen maenden van 't jaer
wechneemen, doch echter soo , dat sy behoo-
relijck meenen te vasten, soo sy sich van 't
vleesch-ëeten onthouden : ja dit gevoelen van
te vasten is soo diep in hun gewortelt, dat sy
sich sekerlijck inbeelden, dat hun eeuwige sa-
ligheyt in dese onderscheyding der spijse be-
staet. Sy overtreffen in 't gebruyck van te va-
sten, en oock van geduriglijck te suypen verre
alle d'andere volckeren; want sy swelgen nooyt
soo veel, of sy, een weynigh door de slaep weer
bekomen, keeren sich weer tot de selfde kroe-
sen ; 't welck echter in tijt van vrede toege-
staen word: want als sy eens de wapenen aen-
genomen hebben, soo leven sy in gedurige so-
berheyt. Sy hebben in 't leger geen heerlijcker
''Polen.''
|
huysgewaed, dan een flechte krijgsrock. Sy fijn
van natuur fchalck, fcherpfinnigh, vernuftigh ,
en milt, fonder eenige vuyie gierigheyt, oft dat
d\'een begeert boven d\'ander rijck te worden.
Sy fijn foo hardtneckigh in vry te fijn, dat fy
meenen dat niemant kan leven, \'ten fyhy vry
is. Hier uyt fpruyten hun gedurige weêrfpan-
nigheden tegen hun Grooten , en eyge Heeren,
als fy fien dat fy gedruckt worden,- ja foo, dat \'er
naeuwelijcks feven oft acht jaren verloopen,
of men fiet hen tegen hun Vorften afvallen en
opffuyven. Voorts, fy fijn lieden , die men niet
vertrouwen magh , verraders, meyn-eedigh ,
ongetrouw , behalven in dingen , die tot hun
beyder welftandt behooren. Sy fijn fterck van
natuur, fbo in hitte , als in koude te verdragen ,
geduldigh in honger en kommer te lijden,
onvermoeyt in d\'oorlogh , ftout, grootmoe-
digh, en ten meeftendeel reuckeloos , by de
welcken voor lof geacht word fich plotfelings
in de doodt te ftorten. Sy toonen voornaeme-
lijck hier in hun naerftigheyt en dapperheyt in
d\'oorlogh , als fy in de flaghordening van hun
wagenen, by hun Tabord genoemt, befloten
fijn , daer uytfy konftelijck hun bufïen , Samo-
palii geheeten , dewelcke hun gewoone wape-
nen fijn , konnen lofïen. Sy fijn dapper, in
plaetfen te befchermen, en niet van de flecht-
ften in zeeroovery. Sy fijn echter geen goede
ruyters. My heught dat ick twee hondert Pool-
fche ruyters twee duyfent van de befte Cofac-
ken te paert heb fien in de vlucht drijven ; hoe-
wel ick niet tegenfpreeck dat niet meer dan
hondert Kofacken, in hun wagenburgh beflo-
ten, niet voor duyfent Polen , oft Tartaren fou-
den vreefèn: ja indien fy foo dapper te paert,
als te voet waren, fbo fouden fy van geen men-
fchen verwonnen konnen worden. Sy fijn van su^i __
goede geftalte, fterck en kloeck vaniighaem,
en hebben vermaeck in heerlijcke kleederen ,
gelijck men fien kan, als fy met rijcke roof van
hungeburenweêrkeeren : want anderfins kiee-
den fyfich met kleederen,die men gemackelijck
kan bekomen. Sy fijn gefont van lighaem, en
vry van die fieckte, de welcke, gelijck een peft,
byna in geheel Polen en Rufchlant gemeen is,
en van de Medecijns Plica, gemenelijck Kol-
tun genoemt wordt, om dat het hair van alle
de gene, die daer af geplaegt fijn , fbo fchric-
kelijck wardt, dat het door geen konft of naer-
ftigheyt ontwart kan worden. Men fiet fèer
weynigh Kofacken van fieckte fterven , dan in
feer hooge ouderdom. Sy fterven ten meeften-
deel op hun eygen bedt, of in d\'oorlogh.
In defe plaetfen is weynigh Adel; doch ech- McU
ter alle Poolfche,en Roomfch Catholijck^ want
het is deurgaens fchande voor een Poolfch
Edelman vaneen andereGodsdienft, dan vati
de Roomfche, te fijn; tot de welcken oock
overal d\'andere Grooten van de Gnekfche Ruf^
fèn fich voegen, fonder aen hun oorfprong,
en aen\'t bloet van de Rufïifche Vorften te ge.
dencken.
De landtlieden van dit geweft fijn deurgaens
alle feer elendigh, dewijl fy verplicht fijn in yderttÃL
weeck drie dagen met hun paerden en eyge
handen
|}<noinclude></noinclude>
0l0gth2oh1vd6m0hlegxy5weu5ejlk2
222357
222356
2026-05-31T21:49:26Z
Nederlandse Leeuw
797
222357
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>
{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
salpeter toe te maken, van 't welck het landt
overvloet heeft, en daer af seer treffelijck bus-
sekruyt gemaeckt word. Hun vrouwen sijn bee-
sigh met vlas en wol te spinnen , van 't welck sy
lijnwaet en laken maken, dat sy voor hun ge-
bruyck houden. Zy sijn alle seer wel geoeffent
in 't landt te bouwen , en te sayen, vruchten te
vergaderen, broot te backen, bier, wijn, meede,
en brahe te koken, en alderhande spijsen toe te
maken; ja sy konnen byna alle brandewijn toe-
stellen. Men vind onder hen niemant, 't sy men
op 't geslacht, oft op d'ouderdom, oft op de
staet siet, die niet d'ander pooght t'overtreffen
in de konst van te brassen en suypen; ja in mal-
kander tot overloopens toe met dranck op te
vullen : in voegen dat men onder de Christe-
nen naeuwelijcks menschen vindt, die minder
voor den dagh van morgen bekommert sijn,
dan de Cosacken.
Dieshalven, hoewel sy alle in 't gemeen by-
na alle konsten konnen bevatten , soo sijn sy
echter niet alle even vernuftigh , maer d'een
meer, en d'ander min in saken kundigh. Sy
hebben wel alle een schrandere geest, maer sy
houden sich echter aen 't gene, dat hen nut is,
en begeven sich voornaemelijck tot de dingen,
die de landtbouw aengaen.
De vruchtbare aerde brengt soo groot een
ooghst voort, dat sy dickwijls niet weten wat
sy daer mee sullen doen , om dat sy geen beva-
relijcke rivieren hebben. Want de Borysthenes,
hoewel anders bevaerelijck, wordt door der-
tien watersprongen , vijftigh mijlen beneden
Kiow, verhindert, van de welcken de leste se-
ven groote mijlen van d'eerste af is, 't welk is een
groote daghreys verre, gelijck men in de lant-
beschrijving kan sien. Dit is d'oorfaeck van dat
sy hun gewas niet naer Konstantinopelen kon-
nen voeren; en hier uyt spruyt hun luyheyt, en
dat hun arbeyt sich niet boven de nootsakelijck-
heyt des levens uytstreckt. En dewijl sy gelt,
het aenlocksel der wellusten, derven , soo stellen
sy liever hun hoop van 't selve te krijgen in de
geburige Turcken te berooven, dan in hun ey-
gen neerstigheyt. Sy bekommeren sich niet met
d'andere dingen, als sy stechts t'eten en te drinc-
ken hebben.
Sy hebben de Griecksche Godtsdienst; en
worden in hun tael Rus genoemt: sy houden de
feestdagen in hooge eer, gelijck oock de vasten-
dagen, die acht oft negen maenden van 't jaer
wechneemen, doch echter soo , dat sy behoo-
relijck meenen te vasten, soo sy sich van 't
vleesch-ëeten onthouden : ja dit gevoelen van
te vasten is soo diep in hun gewortelt, dat sy
sich sekerlijck inbeelden, dat hun eeuwige sa-
ligheyt in dese onderscheyding der spijse be-
staet. Sy overtreffen in 't gebruyck van te va-
sten, en oock van geduriglijck te suypen verre
alle d'andere volckeren; want sy swelgen nooyt
soo veel, of sy, een weynigh door de slaep weer
bekomen, keeren sich weer tot de selfde kroe-
sen ; 't welck echter in tijt van vrede toege-
staen word: want als sy eens de wapenen aen-
genomen hebben, soo leven sy in gedurige so-
berheyt. Sy hebben in 't leger geen heerlijcker
''Polen.''
|
huysgewaed, dan een slechte krijgsrock. Sy sijn
van natuur schalck, scherpsinnigh, vernuftigh ,
en milt, sonder eenige vuyie gierigheyt, oft dat
d'een begeert boven d'ander rijck te worden.
Sy sijn soo hardtneckigh in vry te sijn, dat sy
meenen dat niemant kan leven, 't en sy hy vry
is. Hier uyt spruyten hun gedurige weêrspan-
nigheden tegen hun Grooten , en eyge Heeren,
als sy sien dat sy gedruckt worden; ja soo, dat 'er
naeuwelijcks seven oft acht jaren verloopen,
of men siet hen tegen hun Vorsten afvallen en
opstuyven. Voorts, sy sijn lieden , die men niet
vertrouwen magh , verraders, meyn-eedigh ,
ongetrouw , behalven in dingen , die tot hun
beyder welstandt behooren. Sy sijn sterck van
natuur, soo in hitte , als in koude te verdragen,
geduldigh in honger en kommer te lijden,
onvermoeyt in d'oorlogh, stout, grootmoe-
digh, en ten meestendeel reuckeloos, by de
welcken voor lof geacht word sich plotselings
in de doodt te storten. Sy toonen voornaeme-
lijck hier in hun naerstigheyt en dapperheyt in
d'oorlogh, als sy in de slaghordening van hun
wagenen, by hun Tabord genoemt, besloten
sijn, daer uyt sy konstelijck hun bussen , Samo-
palii geheeten, dewelcke hun gewoone wape-
nen sijn, konnen lossen. Sy sijn dapper, in
plaetfen te befchermen, en niet van de flecht-
ften in zeeroovery. Sy fijn echter geen goede
ruyters. My heught dat ick twee hondert Pool-
fche ruyters twee duyfent van de befte Cofac-
ken te paert heb fien in de vlucht drijven ; hoe-
wel ick niet tegenfpreeck dat niet meer dan
hondert Kofacken, in hun wagenburgh beflo-
ten, niet voor duyfent Polen , oft Tartaren fou-
den vreefèn: ja indien fy foo dapper te paert,
als te voet waren, fbo fouden fy van geen men-
fchen verwonnen konnen worden. Sy fijn van su^i __
goede geftalte, fterck en kloeck vaniighaem,
en hebben vermaeck in heerlijcke kleederen ,
gelijck men fien kan, als fy met rijcke roof van
hungeburenweêrkeeren : want anderfins kiee-
den fyfich met kleederen,die men gemackelijck
kan bekomen. Sy fijn gefont van lighaem, en
vry van die fieckte, de welcke, gelijck een peft,
byna in geheel Polen en Rufchlant gemeen is,
en van de Medecijns Plica, gemenelijck Kol-
tun genoemt wordt, om dat het hair van alle
de gene, die daer af geplaegt fijn , fbo fchric-
kelijck wardt, dat het door geen konft of naer-
ftigheyt ontwart kan worden. Men fiet fèer
weynigh Kofacken van fieckte fterven , dan in
feer hooge ouderdom. Sy fterven ten meeften-
deel op hun eygen bedt, of in d\'oorlogh.
In defe plaetfen is weynigh Adel; doch ech- McU
ter alle Poolfche,en Roomfch Catholijck^ want
het is deurgaens fchande voor een Poolfch
Edelman vaneen andereGodsdienft, dan vati
de Roomfche, te fijn; tot de welcken oock
overal d\'andere Grooten van de Gnekfche Ruf^
fèn fich voegen, fonder aen hun oorfprong,
en aen\'t bloet van de Rufïifche Vorften te ge.
dencken.
De landtlieden van dit geweft fijn deurgaens
alle feer elendigh, dewijl fy verplicht fijn in yderttÃL
weeck drie dagen met hun paerden en eyge
handen
|}<noinclude></noinclude>
28voqbrx7uz5rlox2sx6hr2x40prg9g
222358
222357
2026-05-31T21:55:35Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Proefgelezen */
222358
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>
{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
salpeter toe te maken, van 't welck het landt
overvloet heeft, en daer af seer treffelijck bus-
sekruyt gemaeckt word. Hun vrouwen sijn bee-
sigh met vlas en wol te spinnen , van 't welck sy
lijnwaet en laken maken, dat sy voor hun ge-
bruyck houden. Zy sijn alle seer wel geoeffent
in 't landt te bouwen , en te sayen, vruchten te
vergaderen, broot te backen, bier, wijn, meede,
en brahe te koken, en alderhande spijsen toe te
maken; ja sy konnen byna alle brandewijn toe-
stellen. Men vind onder hen niemant, 't sy men
op 't geslacht, oft op d'ouderdom, oft op de
staet siet, die niet d'ander pooght t'overtreffen
in de konst van te brassen en suypen; ja in mal-
kander tot overloopens toe met dranck op te
vullen : in voegen dat men onder de Christe-
nen naeuwelijcks menschen vindt, die minder
voor den dagh van morgen bekommert sijn,
dan de Cosacken.
Dieshalven, hoewel sy alle in 't gemeen by-
na alle konsten konnen bevatten , soo sijn sy
echter niet alle even vernuftigh , maer d'een
meer, en d'ander min in saken kundigh. Sy
hebben wel alle een schrandere geest, maer sy
houden sich echter aen 't gene, dat hen nut is,
en begeven sich voornaemelijck tot de dingen,
die de landtbouw aengaen.
De vruchtbare aerde brengt soo groot een
ooghst voort, dat sy dickwijls niet weten wat
sy daer mee sullen doen , om dat sy geen beva-
relijcke rivieren hebben. Want de Borysthenes,
hoewel anders bevaerelijck, wordt door der-
tien watersprongen , vijftigh mijlen beneden
Kiow, verhindert, van de welcken de leste se-
ven groote mijlen van d'eerste af is, 't welk is een
groote daghreys verre, gelijck men in de lant-
beschrijving kan sien. Dit is d'oorfaeck van dat
sy hun gewas niet naer Konstantinopelen kon-
nen voeren; en hier uyt spruyt hun luyheyt, en
dat hun arbeyt sich niet boven de nootsakelijck-
heyt des levens uytstreckt. En dewijl sy gelt,
het aenlocksel der wellusten, derven , soo stellen
sy liever hun hoop van 't selve te krijgen in de
geburige Turcken te berooven, dan in hun ey-
gen neerstigheyt. Sy bekommeren sich niet met
d'andere dingen, als sy stechts t'eten en te drinc-
ken hebben.
Sy hebben de Griecksche Godtsdienst; en
worden in hun tael Rus genoemt: sy houden de
feestdagen in hooge eer, gelijck oock de vasten-
dagen, die acht oft negen maenden van 't jaer
wechneemen, doch echter soo , dat sy behoo-
relijck meenen te vasten, soo sy sich van 't
vleesch-ëeten onthouden : ja dit gevoelen van
te vasten is soo diep in hun gewortelt, dat sy
sich sekerlijck inbeelden, dat hun eeuwige sa-
ligheyt in dese onderscheyding der spijse be-
staet. Sy overtreffen in 't gebruyck van te va-
sten, en oock van geduriglijck te suypen verre
alle d'andere volckeren; want sy swelgen nooyt
soo veel, of sy, een weynigh door de slaep weer
bekomen, keeren sich weer tot de selfde kroe-
sen ; 't welck echter in tijt van vrede toege-
staen word: want als sy eens de wapenen aen-
genomen hebben, soo leven sy in gedurige so-
berheyt. Sy hebben in 't leger geen heerlijcker
''Polen.''
|
huysgewaed, dan een slechte krijgsrock. Sy sijn
van natuur schalck, scherpsinnigh, vernuftigh ,
en milt, sonder eenige vuyie gierigheyt, oft dat
d'een begeert boven d'ander rijck te worden.
Sy sijn soo hardtneckigh in vry te sijn, dat sy
meenen dat niemant kan leven, 't en sy hy vry
is. Hier uyt spruyten hun gedurige weêrspan-
nigheden tegen hun Grooten , en eyge Heeren,
als sy sien dat sy gedruckt worden; ja soo, dat 'er
naeuwelijcks seven oft acht jaren verloopen,
of men siet hen tegen hun Vorsten afvallen en
opstuyven. Voorts, sy sijn lieden , die men niet
vertrouwen magh, verraders, meyn-eedigh ,
ongetrouw, behalven in dingen, die tot hun
beyder welstandt behooren. Sy sijn sterck van
natuur, soo in hitte, als in koude te verdragen,
geduldigh in honger en kommer te lijden,
onvermoeyt in d'oorlogh, stout, grootmoe-
digh, en ten meestendeel reuckeloos, by de
welcken voor lof geacht word sich plotselings
in de doodt te storten. Sy toonen voornaeme-
lijck hier in hun naerstigheyt en dapperheyt in
d'oorlogh, als sy in de slaghordening van hun
wagenen, by hun Tabord genoemt, besloten
sijn, daer uyt sy konstelijck hun bussen, Samo-
palii geheeten, dewelcke hun gewoone wape-
nen sijn, konnen lossen. Sy sijn dapper, in
plaetsen te beschermen, en niet van de slecht-
sten in zeeroovery. Sy sijn echter geen goede
ruyters. My heught dat ick twee hondert Pool-
sche ruyters twee duysent van de beste Cosac-
ken te paert heb sien in de vlucht drijven ; hoe-
wel ick niet tegenspreeck dat niet meer dan
hondert Kosacken, in hun wagenburgh beslo-
ten, niet voor duysent Polen , oft Tartaren sou-
den vreesen: ja indien sy soo dapper te paert,
als te voet waren, soo souden sy van geen men-
schen verwonnen konnen worden. Sy sijn van
goede gestalte, sterck en kloeck van lighaem,
en hebben vermaeck in heerlijcke kleederen ,
gelijck men sien kan, als sy met rijcke roof van
hun geburen weêrkeeren : want andersins klee-
den sy sich met kleederen, die men gemackelijck
kan bekomen. Sy sijn gesont van lighaem, en
vry van die sieckte, de welcke, gelijck een pest,
byna in geheel Polen en Ruschlant gemeen is,
en van de Medecijns Plica, gemenelijck Kol-
tun genoemt wordt, om dat het hair van alle
de gene, die daer af geplaegt sijn , soo schric-
kelijck wardt, dat het door geen konst of naer-
stigheyt ontwart kan worden. Men siet seer
weynigh Kosacken van sieckte sterven, dan in
seer hooge ouderdom. Sy sterven ten meesten-
deel op hun eygen bedt, of in d'oorlogh.
In dese plaetsen is weynigh Adel; doch ech-
ter alle Poolsche, en Roomsch Catholijck; want
het is deurgaens schande voor een Poolsch
Edelman van een andere Godsdienst, dan van
de Roomsche, te sijn; tot de welcken oock
overal d'andere Grooten van de Grieksche Rus-
sen sich voegen, sonder aen hun oorsprong,
en aen 't bloet van de Russische Vorsten te ge-
dencken.
De landtlieden van dit gewest sijn deurgaens
alle seer elendigh, dewijl sy verplicht sijn in yder
weeck drie dagen met hun paerden en eyge
handen
|}<noinclude></noinclude>
setnqz6v1dev6elxtcaen3shz9yy9nw
Leydse Courant/1826/Nummer 109/Egyptische papyrus
0
86596
222285
2026-05-31T16:43:07Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
222285
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Egyptische papyrus op de Koninklijke Boekery te Berlyn’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit de ''Leydsche Courant'', maandag 11 september 1826, [p. 3]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Leydse Courant 1826 no 109.pdf" from="3" to="3" fromsection="s3" tosection="s3"/>
[[Categorie:Leydse Courant, 1826, Nummer 109]]
3r291hv3uqap6ghlhe2sbkt19a4vfrh
Categorie:Leydse Courant, 1826, Nummer 109
14
86597
222286
2026-05-31T16:43:23Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
222286
wikitext
text/x-wiki
[[Categorie:Leydse Courant, 1826]]
9i0z9ca7u1pg5ray0bpe0gllvnfyaoq
Categorie:Leydse Courant, 1826
14
86598
222287
2026-05-31T16:43:36Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
222287
wikitext
text/x-wiki
[[Categorie:Leydse Courant]]
g7hp08t6mg8poks6uudh9xj0i0guvth
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/5
104
86599
222288
2026-05-31T16:43:56Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Proefgelezen */
222288
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|T R A C T V S}}
{{center|B O R Y S T H E N I S}}
{{center|''Vulgo'' DNIEPR ''et'' NIEPR ''dicti'',}}
{{center|''à BOVZIN usque ad CHORTYCA OSTROW.''}}<noinclude></noinclude>
1gvijr10ys9imowdfkdbmqw6f3xq44s
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/6
104
86600
222289
2026-05-31T16:46:25Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{{center|B O R Y S T H E N E S}} {| |----- | handen voor hun Heer te vvercken , en een ge- deelte van alderhande vruchten, naer de groot- te van \'t landt, dat fy befitten , aen hun te ge- ven ; daer by kapoenen, hoenders , eyeren, en kieckenSjte weten, op de feeften van Paeftchen, Pinxfteren,en Chriftus geboorte: fy worden ook gedwongen om hun wagens te leenen , tot hout voor hun meefters, ten gebruyck van de koken, te voeren : e…
222289
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
handen voor hun Heer te vvercken , en een ge-
deelte van alderhande vruchten, naer de groot-
te van \'t landt, dat fy befitten , aen hun te ge-
ven ; daer by kapoenen, hoenders , eyeren, en
kieckenSjte weten, op de feeften van Paeftchen,
Pinxfteren,en Chriftus geboorte: fy worden ook
gedwongen om hun wagens te leenen , tot hout
voor hun meefters, ten gebruyck van de koken,
te voeren : en fy fijn , tegen recht en billijck-
heyt, tot ontallijcke andere dienften verbon-
den j behalven het gereet geit, ende tienden
der hameien, der varekens, van de honigh, en
van d\'andere vruchten j en yder derde jaer de
derde os, en het derde fchaep. Eyndelijck, deKè
elendigen fijn gehouden aen hun meefters te
geven al \'t gene dat hun luftin voegen dat
het geen wonder is, dat fy , onder foo fwaeren
laft gedruckt, in bitteren haet tegen hun mee-
fters ontfteecken fijn.
Maer dit fchijnt noch feer weynigh , in ver-
gelijcking van de onbepaelde macht, die aen
den Poolfchen Adel over \'t leven en de doot van
hun onderfaten, naer hun believen , toégeftaen
is: in voegen dat, foo iemant defer ellendigen
een geemelijck en wreet meefter gekregen
heeft, hy in erger ftaet is , dan een flaef, tot de
g41ey verwefèn foo ftreng een dienftbaerheyt
dwingt defè ongeluckigen ten meeftendeel, die
moeds genoegh hebben, de vlucht tekiefen,
en fich naer Zaporoiiy,oft naer de boffchen van
de Boryfthenes, de vertreckplaetfen der Cofac-
ken tuffchen de rivier, te begeven; en tia dat
fydaer eenige jaren overgebracht, en een zee-
tocht op d\'Euxinifche zee gedaen hebben, wor-
den fy in de Cofackifche krijghs-ordening aen-
genomen j en in defer voegen fijndeZaporo-
vifche krijghsbenden feer groot geworden,
gelijck de hedendaeghfche beroerten opentlijck
getuygen. Want defè Zaporovianen,het Quar-
tiaenfche heir der Polen, met de beyde Velt-
overften, verdelght hebbende, fijn, door d\'op-
roer der Ruffen , geheel Ruslant deur te ftreng
van hun Heeren gehandelt, tot een getal van
twee hondert duyfent ftrijdbare mannen opge-
klommen 5 en , als fy in de ftrijt d\'overhant op
de Polen verkregen hadden , foo hebbenfe hun
palen tot over de hondert en twintigh mijlen
inde langte,en feftigh in de breette uytgebreyd.
Wy vergaten te fèggen , ( \'t welck oock de
fèden der Cofacken aengaet,) dat fy in tijdt van
vrede fich tot de jaght van wilde beeften, en tot
de viiïchery begeven.
Maer om weer te keeren, daer wy \'t gelaten
hebben, men gelooft dat, toen \'t oude Kiow
noch in bloeyende ftaet was, defè mont van de
Hellespontusjdie naer Conftantinopelen ftrekt,
noch niet aen d\'inwoonders van Ruslandt be-
kent was; en men houd voor fèker, (gelijck ick,
op eygen ervarentheyt fteunende, oock voor
ontwijffelijckacht) dat de vlackten, aen den
flincken oever van de Boryfthenes gelegen,
eertijdts met zeewater bedeckt fijn geweeftj
\'t welck klarelijck blijckt, fbo door d\'anckers,
als \'t ander fcheepstuygh, veel jaren daerna on-
trent Lofficza gevonden,\'t welk een ftadt is, aen
de rivier Sula gelegen ; en alle, foo fteden, als
|
dorpen, in dat geweft van de Boryfthenes ge-
plaetft , gelijcken nieuwe wooningen, en fchij-
nen nauwelijcks eenige hondert jaren out te
fijn. Ick, door een gerechtige nieusgierigheyt
bewogen , heb gepooght de gefchiede faecken
der Ruffen t\'onderfbecken, om daer uyt eenigh
licht in d\'oude gefchiedeniffen te bekomen
maer mijn arbeyt was vergeefs: want ick, een
van hun geleertften ondervragende , kreegh tot
antwoort, dat door de gedurige oorlogen van
hun voorouders met hare gebueren,alle hun ge-
fchriften verdelght waren maer dat hy echter
by ware overlevering van hant tot hant uyt fijn
voor-ouders had verftaen, dat alle defe landen,
de welcke beneden Kiow van de Boryfthenes
befpoelt worden , eertijts van de zee ingefwol-
gen waren, gelijck wy oock hier voor gefeght
hebben; en dat dit voor drie duyfent jaren was
gefchied. Hy voeghd \'er by, dat, toen omtrent
negen hondert jaren geleden , d\'oude ftadt
Kiow geheel verdelght was, fonder dat \'er iets
overbleef,dan de twee kercken,die wy hier voor
breeder befchreven hebben.
Sy feggen dit oock niet fonder reden: want
alle de puynhoopen der oude kafteelen en burg-
ten , tufTchen de Boryfthenes en Mofcovien ge-
legen , fijn op hooge en uytfteeckende bergen
gebouwt, fonder dat men een fal vinden , in de
vlackte ftaende. Hier uyt fpruyt dit vermoe-
den , dat alle vlacke landen eertijts onder \'t wa-
ter bedolven hebben geweeft. Dit wordt beve-
ftight door de menighte van munt, in een der Ouémméi
gefeyde kuylen gevonden, \'t welck, van koper
gemaeckt fijnde, dus geteeckent was, sonder dat
ick weet welck beelt het vertoont. Maer dit
durf ick verfekeren, dat alle defe landen, aen
de ftincke fijde van de Boryfthenes , tot aen
Mofcovien uytgeftreckt, laeger en fandiger fijn,
dan degene die daer tegen over leggen, uyt-
gefondert het landt aen de noortfijde van de
rivier Sula, en de fteden Worsko en Pfczol;
gelijck men beter uyt de landtkaert van defe
plaetfèn kan fien.
\'t Is oock aenmerckens-waerdigh, dat alle de
rivieren van dit geweft foo langfanielijck afloo-
pen, dat fy fchijnen te twijffelen naer welcke
fijde yder fich keeren fal, hoewel in tegendeel,
de gemeene kolck van alle defe rivieren , na-
mentlijck de Pontifche zee, met foo groote ge-
Iwintheyt voortgedreven wordt, datfy, fomtijts
door d\'affchutfelen vande Hellespontus deur-
gebroocken, fich in de Middellantfche zee ftort.
En indien men dit neerftighlijck overweeght,
foo fal men fèggen,dat alle defe vlackten eertijts
een zee hebben geweeft.
Omtrent een mijl boven Kiow, aen de flinc- Dzi^f
ke fijde van de Boryfthenes , wordt defè rivier
vergroot van de beeck Dziefna,die, als fy de ge-
buerige ftadt Moftho voorby vloeyt, wel hon-
dert
|}<noinclude></noinclude>
8mb63x8flf3suca8tvrrep3krt7xba1
222359
222289
2026-06-01T05:33:55Z
Nederlandse Leeuw
797
222359
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
handen voor hun Heer te wercken , en een ge-
deelte van alderhande vruchten, naer de groot-
te van 't landt, dat sy besitten , aen hun te ge-
ven ; daer by kapoenen, hoenders , eyeren, en
kieckens, te weten, op de feesten van Paesschen,
Pinxsteren, en Christus geboorte: sy worden ook
gedwongen om hun wagens te leenen , tot hout
voor hun meesters, ten gebruyck van de koken,
te voeren : en sy sijn, tegen recht en billijck-
heyt, tot ontallijcke andere diensten verbon-
den; behalven het gereet gelt, ende tienden
der hamelen, der varekens, van de honigh, en
van d'andere vruchten; en yder derde jaer de
derde os, en het derde schaep. Eyndelijck, dese
elendigen sijn gehouden aen hun meesters te
geven al 't gene dat hun lust; in voegen dat
het geen wonder is, dat sy, onder soo swaeren
last gedruckt, in bitteren haet tegen hun mee-
sters ontsteecken sijn.
Maer dit schijnt noch seer weynigh, in ver-
gelijcking van de onbepaelde macht, die aen
den Poolschen Adel over 't leven en de doot van
hun ondersaten, naer hun believen, toegestaen
is: in voegen dat, soo iemant deser ellendigen
een geemelijck en wreet meester gekregen
heeft, hy in erger staet is , dan een slaef, tot de
galey verwesen: soo streng een dienstbaerheyt
dwingt dese ongeluckigen ten meestendeel, die
moeds genoegh hebben, de vlucht te kiesen,
en sich naer Zaporoüy, oft naer de bosschen van
de Borysthenes, de vertreckplaetsen der Cosac-
ken tusschen de rivier, te begeven; en na dat
sy daer eenige jaren overgebracht, en een zee-
tocht op d'Euxinische zee gedaen hebben, wor-
den sy in de Cosackische krijghs-ordening aen-
genomen; en in deser voegen sijn de Zaporo-
vische krijghsbenden seer groot geworden,
gelijck de hedendaeghsche beroerten opentlijck
getuygen. Want dese Zaporovianen, het Quar-
tiaensche heir der Polen, met de beyde Velt-
oversten, verdelght hebbende, sijn, door d\'op-
roer der Russen , geheel Russant deur te streng
van hun Heeren gehandelt, tot een getal van
twee hondert duysent strijdbare mannen opge-
klommen; en, als sy in de strijt d'overhant op
de Polen verkregen hadden , soo hebben se hun
palen tot over de hondert en twintigh mijlen
in de langte, en sestigh in de breette uytgebreyd.
Wy vergaten te seggen, ('t welck oock de
seden der Cosacken aengaet,) dat sy in tijdt van
vrede sich tot de jaght van wilde beesten, en tot
de visschery begeven.
Maer om weer te keeren, daer wy \'t gelaten
hebben, men gelooft dat, toen \'t oude Kiow
noch in bloeyende ftaet was, defè mont van de
Hellespontusjdie naer Conftantinopelen ftrekt,
noch niet aen d\'inwoonders van Ruslandt be-
kent was; en men houd voor fèker, (gelijck ick,
op eygen ervarentheyt fteunende, oock voor
ontwijffelijckacht) dat de vlackten, aen den
flincken oever van de Boryfthenes gelegen,
eertijdts met zeewater bedeckt fijn geweeftj
\'t welck klarelijck blijckt, fbo door d\'anckers,
als \'t ander fcheepstuygh, veel jaren daerna on-
trent Lofficza gevonden,\'t welk een ftadt is, aen
de rivier Sula gelegen ; en alle, foo fteden, als
|
dorpen, in dat geweft van de Boryfthenes ge-
plaetft , gelijcken nieuwe wooningen, en fchij-
nen nauwelijcks eenige hondert jaren out te
fijn. Ick, door een gerechtige nieusgierigheyt
bewogen , heb gepooght de gefchiede faecken
der Ruffen t\'onderfbecken, om daer uyt eenigh
licht in d\'oude gefchiedeniffen te bekomen
maer mijn arbeyt was vergeefs: want ick, een
van hun geleertften ondervragende , kreegh tot
antwoort, dat door de gedurige oorlogen van
hun voorouders met hare gebueren,alle hun ge-
fchriften verdelght waren maer dat hy echter
by ware overlevering van hant tot hant uyt fijn
voor-ouders had verftaen, dat alle defe landen,
de welcke beneden Kiow van de Boryfthenes
befpoelt worden , eertijts van de zee ingefwol-
gen waren, gelijck wy oock hier voor gefeght
hebben; en dat dit voor drie duyfent jaren was
gefchied. Hy voeghd \'er by, dat, toen omtrent
negen hondert jaren geleden , d\'oude ftadt
Kiow geheel verdelght was, fonder dat \'er iets
overbleef,dan de twee kercken,die wy hier voor
breeder befchreven hebben.
Sy feggen dit oock niet fonder reden: want
alle de puynhoopen der oude kafteelen en burg-
ten , tufTchen de Boryfthenes en Mofcovien ge-
legen , fijn op hooge en uytfteeckende bergen
gebouwt, fonder dat men een fal vinden , in de
vlackte ftaende. Hier uyt fpruyt dit vermoe-
den , dat alle vlacke landen eertijts onder \'t wa-
ter bedolven hebben geweeft. Dit wordt beve-
ftight door de menighte van munt, in een der Ouémméi
gefeyde kuylen gevonden, \'t welck, van koper
gemaeckt fijnde, dus geteeckent was, sonder dat
ick weet welck beelt het vertoont. Maer dit
durf ick verfekeren, dat alle defe landen, aen
de ftincke fijde van de Boryfthenes , tot aen
Mofcovien uytgeftreckt, laeger en fandiger fijn,
dan degene die daer tegen over leggen, uyt-
gefondert het landt aen de noortfijde van de
rivier Sula, en de fteden Worsko en Pfczol;
gelijck men beter uyt de landtkaert van defe
plaetfèn kan fien.
\'t Is oock aenmerckens-waerdigh, dat alle de
rivieren van dit geweft foo langfanielijck afloo-
pen, dat fy fchijnen te twijffelen naer welcke
fijde yder fich keeren fal, hoewel in tegendeel,
de gemeene kolck van alle defe rivieren , na-
mentlijck de Pontifche zee, met foo groote ge-
Iwintheyt voortgedreven wordt, datfy, fomtijts
door d\'affchutfelen vande Hellespontus deur-
gebroocken, fich in de Middellantfche zee ftort.
En indien men dit neerftighlijck overweeght,
foo fal men fèggen,dat alle defe vlackten eertijts
een zee hebben geweeft.
Omtrent een mijl boven Kiow, aen de flinc- Dzi^f
ke fijde van de Boryfthenes , wordt defè rivier
vergroot van de beeck Dziefna,die, als fy de ge-
buerige ftadt Moftho voorby vloeyt, wel hon-
dert
|}<noinclude></noinclude>
juwblu4v18we8faxj67dnk1ehlwb2p1
222360
222359
2026-06-01T05:36:41Z
Nederlandse Leeuw
797
222360
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
handen voor hun Heer te wercken , en een ge-
deelte van alderhande vruchten, naer de groot-
te van 't landt, dat sy besitten , aen hun te ge-
ven ; daer by kapoenen, hoenders , eyeren, en
kieckens, te weten, op de feesten van Paesschen,
Pinxsteren, en Christus geboorte: sy worden ook
gedwongen om hun wagens te leenen , tot hout
voor hun meesters, ten gebruyck van de koken,
te voeren : en sy sijn, tegen recht en billijck-
heyt, tot ontallijcke andere diensten verbon-
den; behalven het gereet gelt, ende tienden
der hamelen, der varekens, van de honigh, en
van d'andere vruchten; en yder derde jaer de
derde os, en het derde schaep. Eyndelijck, dese
elendigen sijn gehouden aen hun meesters te
geven al 't gene dat hun lust; in voegen dat
het geen wonder is, dat sy, onder soo swaeren
last gedruckt, in bitteren haet tegen hun mee-
sters ontsteecken sijn.
Maer dit schijnt noch seer weynigh, in ver-
gelijcking van de onbepaelde macht, die aen
den Poolschen Adel over 't leven en de doot van
hun ondersaten, naer hun believen, toegestaen
is: in voegen dat, soo iemant deser ellendigen
een geemelijck en wreet meester gekregen
heeft, hy in erger staet is , dan een slaef, tot de
galey verwesen: soo streng een dienstbaerheyt
dwingt dese ongeluckigen ten meestendeel, die
moeds genoegh hebben, de vlucht te kiesen,
en sich naer Zaporoüy, oft naer de bosschen van
de Borysthenes, de vertreckplaetsen der Cosac-
ken tusschen de rivier, te begeven; en na dat
sy daer eenige jaren overgebracht, en een zee-
tocht op d'Euxinische zee gedaen hebben, wor-
den sy in de Cosackische krijghs-ordening aen-
genomen; en in deser voegen sijn de Zaporo-
vische krijghsbenden seer groot geworden,
gelijck de hedendaeghsche beroerten opentlijck
getuygen. Want dese Zaporovianen, het Quar-
tiaensche heir der Polen, met de beyde Velt-
oversten, verdelght hebbende, sijn, door d\'op-
roer der Russen , geheel Russant deur te streng
van hun Heeren gehandelt, tot een getal van
twee hondert duysent strijdbare mannen opge-
klommen; en, als sy in de strijt d'overhant op
de Polen verkregen hadden , soo hebben se hun
palen tot over de hondert en twintigh mijlen
in de langte, en sestigh in de breette uytgebreyd.
Wy vergaten te seggen, ('t welck oock de
seden der Cosacken aengaet,) dat sy in tijdt van
vrede sich tot de jaght van wilde beesten, en tot
de visschery begeven.
Maer om weêr te keeren, daer wy 't gelaten
hebben, men gelooft dat, toen 't oude Kiow
noch in bloeyende staet was, dese mont van de
Hellespontus, die naer Constantinopelen strekt,
noch niet aen d'inwoonders van Ruslandt be-
kent was; en men houd voor seker, (gelijck ick,
op eygen ervarentheyt steunende, oock voor
ontwijffelijck acht) dat de vlackten, aen den
slincken oever van de Borysthenes gelegen,
eertijdts met zeewater bedeckt sijn geweest;
't welck klarelijck blijckt, soo door d'anckers,
als 't ander scheepstuygh, veel jaren daerna on-
trent Lofficza gevonden, 't welk een stadt is, aen
de rivier Sula gelegen; en alle, soo steden, als
|
dorpen, in dat geweft van de Boryfthenes ge-
plaetft , gelijcken nieuwe wooningen, en fchij-
nen nauwelijcks eenige hondert jaren out te
fijn. Ick, door een gerechtige nieusgierigheyt
bewogen , heb gepooght de gefchiede faecken
der Ruffen t\'onderfbecken, om daer uyt eenigh
licht in d\'oude gefchiedeniffen te bekomen
maer mijn arbeyt was vergeefs: want ick, een
van hun geleertften ondervragende , kreegh tot
antwoort, dat door de gedurige oorlogen van
hun voorouders met hare gebueren,alle hun ge-
fchriften verdelght waren maer dat hy echter
by ware overlevering van hant tot hant uyt fijn
voor-ouders had verftaen, dat alle defe landen,
de welcke beneden Kiow van de Boryfthenes
befpoelt worden , eertijts van de zee ingefwol-
gen waren, gelijck wy oock hier voor gefeght
hebben; en dat dit voor drie duyfent jaren was
gefchied. Hy voeghd \'er by, dat, toen omtrent
negen hondert jaren geleden , d\'oude ftadt
Kiow geheel verdelght was, fonder dat \'er iets
overbleef,dan de twee kercken,die wy hier voor
breeder befchreven hebben.
Sy feggen dit oock niet fonder reden: want
alle de puynhoopen der oude kafteelen en burg-
ten , tufTchen de Boryfthenes en Mofcovien ge-
legen , fijn op hooge en uytfteeckende bergen
gebouwt, fonder dat men een fal vinden , in de
vlackte ftaende. Hier uyt fpruyt dit vermoe-
den , dat alle vlacke landen eertijts onder \'t wa-
ter bedolven hebben geweeft. Dit wordt beve-
ftight door de menighte van munt, in een der Ouémméi
gefeyde kuylen gevonden, \'t welck, van koper
gemaeckt fijnde, dus geteeckent was, sonder dat
ick weet welck beelt het vertoont. Maer dit
durf ick verfekeren, dat alle defe landen, aen
de ftincke fijde van de Boryfthenes , tot aen
Mofcovien uytgeftreckt, laeger en fandiger fijn,
dan degene die daer tegen over leggen, uyt-
gefondert het landt aen de noortfijde van de
rivier Sula, en de fteden Worsko en Pfczol;
gelijck men beter uyt de landtkaert van defe
plaetfèn kan fien.
\'t Is oock aenmerckens-waerdigh, dat alle de
rivieren van dit geweft foo langfanielijck afloo-
pen, dat fy fchijnen te twijffelen naer welcke
fijde yder fich keeren fal, hoewel in tegendeel,
de gemeene kolck van alle defe rivieren , na-
mentlijck de Pontifche zee, met foo groote ge-
Iwintheyt voortgedreven wordt, datfy, fomtijts
door d\'affchutfelen vande Hellespontus deur-
gebroocken, fich in de Middellantfche zee ftort.
En indien men dit neerftighlijck overweeght,
foo fal men fèggen,dat alle defe vlackten eertijts
een zee hebben geweeft.
Omtrent een mijl boven Kiow, aen de flinc- Dzi^f
ke fijde van de Boryfthenes , wordt defè rivier
vergroot van de beeck Dziefna,die, als fy de ge-
buerige ftadt Moftho voorby vloeyt, wel hon-
dert
|}<noinclude></noinclude>
ebt9bwz8bkbfpcsiovjjkv7fl675mnq
222361
222360
2026-06-01T05:41:47Z
Nederlandse Leeuw
797
222361
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
handen voor hun Heer te wercken , en een ge-
deelte van alderhande vruchten, naer de groot-
te van 't landt, dat sy besitten , aen hun te ge-
ven ; daer by kapoenen, hoenders , eyeren, en
kieckens, te weten, op de feesten van Paesschen,
Pinxsteren, en Christus geboorte: sy worden ook
gedwongen om hun wagens te leenen , tot hout
voor hun meesters, ten gebruyck van de koken,
te voeren : en sy sijn, tegen recht en billijck-
heyt, tot ontallijcke andere diensten verbon-
den; behalven het gereet gelt, ende tienden
der hamelen, der varekens, van de honigh, en
van d'andere vruchten; en yder derde jaer de
derde os, en het derde schaep. Eyndelijck, dese
elendigen sijn gehouden aen hun meesters te
geven al 't gene dat hun lust; in voegen dat
het geen wonder is, dat sy, onder soo swaeren
last gedruckt, in bitteren haet tegen hun mee-
sters ontsteecken sijn.
Maer dit schijnt noch seer weynigh, in ver-
gelijcking van de onbepaelde macht, die aen
den Poolschen Adel over 't leven en de doot van
hun ondersaten, naer hun believen, toegestaen
is: in voegen dat, soo iemant deser ellendigen
een geemelijck en wreet meester gekregen
heeft, hy in erger staet is , dan een slaef, tot de
galey verwesen: soo streng een dienstbaerheyt
dwingt dese ongeluckigen ten meestendeel, die
moeds genoegh hebben, de vlucht te kiesen,
en sich naer Zaporoüy, oft naer de bosschen van
de Borysthenes, de vertreckplaetsen der Cosac-
ken tusschen de rivier, te begeven; en na dat
sy daer eenige jaren overgebracht, en een zee-
tocht op d'Euxinische zee gedaen hebben, wor-
den sy in de Cosackische krijghs-ordening aen-
genomen; en in deser voegen sijn de Zaporo-
vische krijghsbenden seer groot geworden,
gelijck de hedendaeghsche beroerten opentlijck
getuygen. Want dese Zaporovianen, het Quar-
tiaensche heir der Polen, met de beyde Velt-
oversten, verdelght hebbende, sijn, door d\'op-
roer der Russen , geheel Russant deur te streng
van hun Heeren gehandelt, tot een getal van
twee hondert duysent strijdbare mannen opge-
klommen; en, als sy in de strijt d'overhant op
de Polen verkregen hadden , soo hebben se hun
palen tot over de hondert en twintigh mijlen
in de langte, en sestigh in de breette uytgebreyd.
Wy vergaten te seggen, ('t welck oock de
seden der Cosacken aengaet,) dat sy in tijdt van
vrede sich tot de jaght van wilde beesten, en tot
de visschery begeven.
Maer om weêr te keeren, daer wy 't gelaten
hebben, men gelooft dat, toen 't oude Kiow
noch in bloeyende staet was, dese mont van de
Hellespontus, die naer Constantinopelen strekt,
noch niet aen d'inwoonders van Ruslandt be-
kent was; en men houd voor seker, (gelijck ick,
op eygen ervarentheyt steunende, oock voor
ontwijffelijck acht) dat de vlackten, aen den
slincken oever van de Borysthenes gelegen,
eertijdts met zeewater bedeckt sijn geweest;
't welck klarelijck blijckt, soo door d'anckers,
als 't ander scheepstuygh, veel jaren daerna on-
trent Lofficza gevonden, 't welk een stadt is, aen
de rivier Sula gelegen; en alle, soo steden, als
|
dorpen, in dat gewest van de Borysthenes ge-
plaetst , gelijcken nieuwe wooningen, en schij-
nen nauwelijcks eenige hondert jaren out te
sijn. Ick, door een gerechtige nieusgierigheyt
bewogen, heb gepooght de geschiede saecken
der Russen t'ondersoecken, om daer uyt eenigh
licht in d'oude geschiedenissen te bekomen
maer mijn arbeyt was vergeefs: want ick, een
van hun geleertsten ondervragende, kreegh tot
antwoort, dat door de gedurige oorlogen van
hun voorouders met hare gebueren, alle hun ge-
schriften verdelght waren maer dat hy echter
by ware overlevering van hant tot hant uyt sijn
voor-ouders had verstaen, dat alle dese landen,
de welcke beneden Kiow van de Boryfthenes
bespoelt worden , eertijts van de zee ingeswol-
gen waren, gelijck wy oock hier voor geseght
hebben; en dat dit voor drie duysent jaren was
geschied. Hy voeghd 'er by, dat, toen omtrent
negen hondert jaren geleden , d'oude stadt
Kiow geheel verdelght was, sonder dat 'er iets
overbleef, dan de twee kercken, die wy hier voor
breeder beschreven hebben.
Sy seggen dit oock niet sonder reden: want
alle de puynhoopen der oude kasteelen en burg-
ten, tusschen de Borysthenes en Moscovien ge-
legen, sijn op hooge en uytsteeckende bergen
gebouwt, sonder dat men een sal vinden, in de
vlackte staende. Hier uyt spruyt dit vermoe-
den, dat alle vlacke landen eertijts onder 't wa-
ter bedolven hebben geweest. Dit wordt beve-
stight door de menighte van munt, in een der ''Oude munt.''
geseyde kuylen gevonden, 't welck, van koper
gemaeckt sijnde, dus geteeckent was, sonder dat
ick weet welck beelt het vertoont. Maer dit
durf ick versekeren, dat alle dese landen, aen
de slincke sijde van de Borysthenes , tot aen
Moscovien uytgestreckt, laeger en sandiger sijn,
dan degene die daer tegen over leggen, uyt-
gesondert het landt aen de noortsijde van de
rivier Sula, en de steden Worsko en Psczol;
gelijck men beter uyt de landtkaert van dese
plaetsen kan sien.
\'t Is oock aenmerckens-waerdigh, dat alle de
rivieren van dit geweft foo langfanielijck afloo-
pen, dat fy fchijnen te twijffelen naer welcke
fijde yder fich keeren fal, hoewel in tegendeel,
de gemeene kolck van alle defe rivieren , na-
mentlijck de Pontifche zee, met foo groote ge-
Iwintheyt voortgedreven wordt, datfy, fomtijts
door d\'affchutfelen vande Hellespontus deur-
gebroocken, fich in de Middellantfche zee ftort.
En indien men dit neerftighlijck overweeght,
foo fal men fèggen,dat alle defe vlackten eertijts
een zee hebben geweeft.
Omtrent een mijl boven Kiow, aen de flinc- Dzi^f
ke fijde van de Boryfthenes , wordt defè rivier
vergroot van de beeck Dziefna,die, als fy de ge-
buerige ftadt Moftho voorby vloeyt, wel hon-
dert
|}<noinclude></noinclude>
szama8htexwwtdt16cbrdzriz3cz1v1
222362
222361
2026-06-01T05:44:35Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Proefgelezen */
222362
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
handen voor hun Heer te wercken , en een ge-
deelte van alderhande vruchten, naer de groot-
te van 't landt, dat sy besitten , aen hun te ge-
ven ; daer by kapoenen, hoenders , eyeren, en
kieckens, te weten, op de feesten van Paesschen,
Pinxsteren, en Christus geboorte: sy worden ook
gedwongen om hun wagens te leenen , tot hout
voor hun meesters, ten gebruyck van de koken,
te voeren : en sy sijn, tegen recht en billijck-
heyt, tot ontallijcke andere diensten verbon-
den; behalven het gereet gelt, ende tienden
der hamelen, der varekens, van de honigh, en
van d'andere vruchten; en yder derde jaer de
derde os, en het derde schaep. Eyndelijck, dese
elendigen sijn gehouden aen hun meesters te
geven al 't gene dat hun lust; in voegen dat
het geen wonder is, dat sy, onder soo swaeren
last gedruckt, in bitteren haet tegen hun mee-
sters ontsteecken sijn.
Maer dit schijnt noch seer weynigh, in ver-
gelijcking van de onbepaelde macht, die aen
den Poolschen Adel over 't leven en de doot van
hun ondersaten, naer hun believen, toegestaen
is: in voegen dat, soo iemant deser ellendigen
een geemelijck en wreet meester gekregen
heeft, hy in erger staet is , dan een slaef, tot de
galey verwesen: soo streng een dienstbaerheyt
dwingt dese ongeluckigen ten meestendeel, die
moeds genoegh hebben, de vlucht te kiesen,
en sich naer Zaporoüy, oft naer de bosschen van
de Borysthenes, de vertreckplaetsen der Cosac-
ken tusschen de rivier, te begeven; en na dat
sy daer eenige jaren overgebracht, en een zee-
tocht op d'Euxinische zee gedaen hebben, wor-
den sy in de Cosackische krijghs-ordening aen-
genomen; en in deser voegen sijn de Zaporo-
vische krijghsbenden seer groot geworden,
gelijck de hedendaeghsche beroerten opentlijck
getuygen. Want dese Zaporovianen, het Quar-
tiaensche heir der Polen, met de beyde Velt-
oversten, verdelght hebbende, sijn, door d\'op-
roer der Russen , geheel Russant deur te streng
van hun Heeren gehandelt, tot een getal van
twee hondert duysent strijdbare mannen opge-
klommen; en, als sy in de strijt d'overhant op
de Polen verkregen hadden , soo hebben se hun
palen tot over de hondert en twintigh mijlen
in de langte, en sestigh in de breette uytgebreyd.
Wy vergaten te seggen, ('t welck oock de
seden der Cosacken aengaet,) dat sy in tijdt van
vrede sich tot de jaght van wilde beesten, en tot
de visschery begeven.
Maer om weêr te keeren, daer wy 't gelaten
hebben, men gelooft dat, toen 't oude Kiow
noch in bloeyende staet was, dese mont van de
Hellespontus, die naer Constantinopelen strekt,
noch niet aen d'inwoonders van Ruslandt be-
kent was; en men houd voor seker, (gelijck ick,
op eygen ervarentheyt steunende, oock voor
ontwijffelijck acht) dat de vlackten, aen den
slincken oever van de Borysthenes gelegen,
eertijdts met zeewater bedeckt sijn geweest;
't welck klarelijck blijckt, soo door d'anckers,
als 't ander scheepstuygh, veel jaren daerna on-
trent Lofficza gevonden, 't welk een stadt is, aen
de rivier Sula gelegen; en alle, soo steden, als
|
dorpen, in dat gewest van de Borysthenes ge-
plaetst , gelijcken nieuwe wooningen, en schij-
nen nauwelijcks eenige hondert jaren out te
sijn. Ick, door een gerechtige nieusgierigheyt
bewogen, heb gepooght de geschiede saecken
der Russen t'ondersoecken, om daer uyt eenigh
licht in d'oude geschiedenissen te bekomen
maer mijn arbeyt was vergeefs: want ick, een
van hun geleertsten ondervragende, kreegh tot
antwoort, dat door de gedurige oorlogen van
hun voorouders met hare gebueren, alle hun ge-
schriften verdelght waren maer dat hy echter
by ware overlevering van hant tot hant uyt sijn
voor-ouders had verstaen, dat alle dese landen,
de welcke beneden Kiow van de Boryfthenes
bespoelt worden , eertijts van de zee ingeswol-
gen waren, gelijck wy oock hier voor geseght
hebben; en dat dit voor drie duysent jaren was
geschied. Hy voeghd 'er by, dat, toen omtrent
negen hondert jaren geleden , d'oude stadt
Kiow geheel verdelght was, sonder dat 'er iets
overbleef, dan de twee kercken, die wy hier voor
breeder beschreven hebben.
Sy seggen dit oock niet sonder reden: want
alle de puynhoopen der oude kasteelen en burg-
ten, tusschen de Borysthenes en Moscovien ge-
legen, sijn op hooge en uytsteeckende bergen
gebouwt, sonder dat men een sal vinden, in de
vlackte staende. Hier uyt spruyt dit vermoe-
den, dat alle vlacke landen eertijts onder 't wa-
ter bedolven hebben geweest. Dit wordt beve-
stight door de menighte van munt, in een der ''Oude munt.''
geseyde kuylen gevonden, 't welck, van koper
gemaeckt sijnde, dus geteeckent was, sonder dat
ick weet welck beelt het vertoont. Maer dit
durf ick versekeren, dat alle dese landen, aen
de slincke sijde van de Borysthenes , tot aen
Moscovien uytgestreckt, laeger en sandiger sijn,
dan degene die daer tegen over leggen, uyt-
gesondert het landt aen de noortsijde van de
rivier Sula, en de steden Worsko en Psczol;
gelijck men beter uyt de landtkaert van dese
plaetsen kan sien.
't Is oock aenmerckens-waerdigh, dat alle de
rivieren van dit gewest foo langsamelijck afloo-
pen, dat sy schijnen te twijffelen naer welcke
sijde yder sich keeren sal, hoewel in tegendeel,
de gemeene kolck van alle dese rivieren , na-
mentlijck de Pontische zee, met soo groote ge-
swintheyt voortgedreven wordt, dat sy, somtijts
door d'afschutselen van de Hellespontus deur-
gebroocken, sich in de Middellantsche zee stort.
En indien men dit neerstighlijck overweeght,
soo sal men seggen, dat alle dese vlackten eertijts
een zee hebben geweest.
Omtrent een mijl boven Kiow, aen de slinc-
ke sijde van de Borysthenes , wordt dese rivier
vergroot van de beeck Dziesna, die, als sy de ge-
buerige stadt Mostho voorby vloeyt, wel hon-
dert
|}<noinclude></noinclude>
93o1ye563q7q8e9dtz8k7p44zk3m1a8
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/7
104
86601
222291
2026-05-31T17:00:10Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{{center|B O R Y S T H E N E S}} {| |----- | dert mijlen van haer oorfpronek voortgeloo- pen is, en daer in de Boryfthenes valt. Een half mijl beneden de ftadt is een dorp , Pieczary ge noemt, met een kloofter van Bafilius Monicken, in\'t welck d\'Abt,een Aertsbiftcho pen Rulfifche Grieck fijnde, de ftoel der afgefcheurden befit. Beneden aen de bergh, die by dit kloofter leght, fijn veel holen vol lijeken, over meer dan vijf- tien…
222291
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
dert mijlen van haer oorfpronek voortgeloo-
pen is, en daer in de Boryfthenes valt. Een half
mijl beneden de ftadt is een dorp , Pieczary ge
noemt, met een kloofter van Bafilius Monicken,
in\'t welck d\'Abt,een Aertsbiftcho pen Rulfifche
Grieck fijnde, de ftoel der afgefcheurden befit.
Beneden aen de bergh, die by dit kloofter leght,
fijn veel holen vol lijeken, over meer dan vijf-
tien hondert jaren daer begraven , in hun volle
geftalte, gelijck de Mumien van Egypten. Men
leght deurgaens dat d\'oude Chriftelijcke here-
mijten deie holen hebben gemaeckt , en be-
woont, om de vervolging der heydenen t\'ont-
vluchten , en de ware Godt in ftilte te dienen.
Men fiet hier oock het Iichaem van fèkeren
\'tiJjckvan S. loannes, dat noch geheel is, en tot aen de
^lendenen gefien wordt,- want het beneden deel
van \'t Iichaem, met aerde bedeckt, kan niet ge-
fien worden, als oft hy begeerde dat het ver-
borgen fbu fijn. De Monicken van defe plaet
verhaelden,dat defen heyligen loannes, de tijdt
van fijn overlijden voorfien hebbende , voor
fich felf fijn graf maeckte , niet in de langte ,
gelijck de gewoonte is, maer in de diepte ; en
dat hy , toen hy fterven fou, van fijn broeders,
by hem fijnde, affcheyt heeft genomen, en fich
daer in begeven; doch dat, door Godts belie-
ven, hy, hoewel de kuyl diep genoegh was, niet
geheel daer in is geraeckt, maer half buyten is
gebleven , op dat het overige deel tot een voor-
beelt van heyligheyt fou verftrecken. Hier
wordt oock fekere S.Helena getoont, die by
hen in hooge eerbiedigheyt is; met een yfere
keten, daer meê, gelijck men seght, als met een
geessel, de duyvel S. Antonius heeft geflagen ;
defe keten (gelijck men gelooft) heeft foo groo-
ten kracht, dat fy, vande befetenen aenge-
raeckt, de boofe geeften verdrijft. Men fiet hier
oock drie beckeneelen van menfchen , infchut-
tels geleyt, daer dagelijcks veel olie afdruypt,
die feer dienftigh is om alderhande fieckten te
verdrijven. In defe felfde holen leggen oock de
lichamen van feer veel groote en deurluchti-
ge mannen verborgen, onder de welcke twee,
de bouwmeefters van defe kerck , uytmunten;
welcker lichamen gelijck koftelijck heylighdom
gehouden , en aen alle de gene , die derwaerts
komen , getoont worden j gelijck aen my felf
dickwijls is gefchiedt, als ick in de winter
mijn verblijf te Kiow had, daer ick toen met
gemack mijn nieusgierigheyt voldoen kon.
Wat my aengaet, ick acht dat \'er naeuwe-
lijcks eenigh onderfcheyt tufl[chen de gefeyde
lighamen, end\'Egyptifche mumyen is, uytge-
fondert in de fwartheyt, en hardigheyt, die
aen d\'Egyptifche lijeken eygen is j en ick geloof
dat het gene , \'t welck hen foo lange tijt onbe-
derffelijck bewaert , d\'eygenfchap van defe
plaets en van defe holen is, die , ten deel uyt
fant en drijffandt beftaende , in de winter warm,
en des fomers koel, en altijt droogh fijn. In dit
kloofter fijn veel Monicken , onder de welcken
d'Abt, Aertsbiffchop van geheel Rufl[en, en
alleenlijck onder d\'Aertsbiflfchop van Konftan-
tinopolen ftaende , uy tmunt. Niet verre hier
af is een ander klooster van Bagynen, die., om-
''Polen.''
|
|}
|}<noinclude></noinclude>
fnvtxu1ld3iuf0qqnlz66lxm8ycbx3p
222292
222291
2026-05-31T17:05:09Z
Nederlandse Leeuw
797
222292
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
dert mijlen van haer oorfpronek voortgeloo-
pen is, en daer in de Boryfthenes valt. Een half
mijl beneden de ftadt is een dorp , Pieczary ge
noemt, met een kloofter van Bafilius Monicken,
in\'t welck d\'Abt,een Aertsbiftcho pen Rulfifche
Grieck fijnde, de ftoel der afgefcheurden befit.
Beneden aen de bergh, die by dit kloofter leght,
fijn veel holen vol lijeken, over meer dan vijf-
tien hondert jaren daer begraven , in hun volle
geftalte, gelijck de Mumien van Egypten. Men
leght deurgaens dat d\'oude Chriftelijcke here-
mijten deie holen hebben gemaeckt , en be-
woont, om de vervolging der heydenen t\'ont-
vluchten , en de ware Godt in ftilte te dienen.
Men fiet hier oock het Iichaem van fèkeren
\'tiJjckvan S. loannes, dat noch geheel is, en tot aen de
^lendenen gefien wordt,- want het beneden deel
van \'t Iichaem, met aerde bedeckt, kan niet ge-
fien worden, als oft hy begeerde dat het ver-
borgen fbu fijn. De Monicken van defe plaet
verhaelden,dat defen heyligen loannes, de tijdt
van fijn overlijden voorfien hebbende , voor
fich felf fijn graf maeckte , niet in de langte ,
gelijck de gewoonte is, maer in de diepte ; en
dat hy , toen hy fterven fou, van fijn broeders,
by hem fijnde, affcheyt heeft genomen, en fich
daer in begeven; doch dat, door Godts belie-
ven, hy, hoewel de kuyl diep genoegh was, niet
geheel daer in is geraeckt, maer half buyten is
gebleven , op dat het overige deel tot een voor-
beelt van heyligheyt fou verftrecken. Hier
wordt oock fekere S.Helena getoont, die by
hen in hooge eerbiedigheyt is; met een yfere
keten, daer meê, gelijck men seght, als met een
geessel, de duyvel S. Antonius heeft geflagen ;
defe keten (gelijck men gelooft) heeft foo groo-
ten kracht, dat fy, vande befetenen aenge-
raeckt, de boofe geeften verdrijft. Men fiet hier
oock drie beckeneelen van menfchen , infchut-
tels geleyt, daer dagelijcks veel olie afdruypt,
die feer dienftigh is om alderhande fieckten te
verdrijven. In defe felfde holen leggen oock de
lichamen van feer veel groote en deurluchti-
ge mannen verborgen, onder de welcke twee,
de bouwmeefters van defe kerck , uytmunten;
welcker lichamen gelijck koftelijck heylighdom
gehouden , en aen alle de gene , die derwaerts
komen , getoont worden j gelijck aen my felf
dickwijls is gefchiedt, als ick in de winter
mijn verblijf te Kiow had, daer ick toen met
gemack mijn nieusgierigheyt voldoen kon.
Wat my aengaet, ick acht dat \'er naeuwe-
lijcks eenigh onderfcheyt tufl[chen de gefeyde
lighamen, end\'Egyptifche mumyen is, uytge-
fondert in de fwartheyt, en hardigheyt, die
aen d\'Egyptifche lijeken eygen is j en ick geloof
dat het gene , \'t welck hen foo lange tijt onbe-
derffelijck bewaert , d\'eygenfchap van defe
plaets en van defe holen is, die , ten deel uyt
fant en drijffandt beftaende , in de winter warm,
en des fomers koel, en altijt droogh fijn. In dit
kloofter fijn veel Monicken , onder de welcken
d'Abt, Aertsbiffchop van geheel Rufl[en, en
alleenlijck onder d\'Aertsbiflfchop van Konftan-
tinopolen ftaende , uy tmunt. Niet verre hier
af is een ander klooster van Bagynen, die., om-
''Polen.''
|
trent hondert in getal fijnde, dekoft met hun
eyge handen winnen , en voornaemelijck met
naeltwerck , \'t welck fy daer na aen de gene,
die hen komen befoecken, verkoopen. Het ftaet
hen vry , als \'t hen luft, buyten het kloofter
te gaen , gelijck fy dickwijls naer de ftadt doen,
die niet veerder dan een half mijl van daer is»
Sy fijn in \'t fwart gekleedt, en gaen niet uyt,
dan twee gelijck, op de wijfe der Katholijcke
Monicken. My heught oock dat ick eenigen van
haer foo fchoon van aengefichtgefien heb, dat
fy nergens in voorde Poolfche vrouwen wijc-
ken.
Tufïchen Kiow en Pieczary is feecker dorp, rripoU,
Tripoli genoemt ,⢠en een weynigh laeger
Stayki, opd\'afgang van de bergh. Defe ftadt
is seer oudt; en men vindt hier oock een deur-
wading over de Boryfthenes.
Daer na volgt Rychow, oock op een bergh
gebouwt. Defe plaets is bequaem om een ve-
fting te bouwen, dewijl men daer lichtelijck
over de rivier kan komen.
|}<noinclude></noinclude>
thgchrhptvth8g4zqf6u7px796xfurn
222293
222292
2026-05-31T17:42:13Z
Nederlandse Leeuw
797
222293
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
dert mijlen van haer oorfpronek voortgeloo-
pen is, en daer in de Boryfthenes valt. Een half
mijl beneden de ftadt is een dorp , Pieczary ge
noemt, met een kloofter van Bafilius Monicken,
in\'t welck d\'Abt,een Aertsbiftcho pen Rulfifche
Grieck fijnde, de ftoel der afgefcheurden befit.
Beneden aen de bergh, die by dit kloofter leght,
fijn veel holen vol lijeken, over meer dan vijf-
tien hondert jaren daer begraven , in hun volle
geftalte, gelijck de Mumien van Egypten. Men
leght deurgaens dat d\'oude Chriftelijcke here-
mijten deie holen hebben gemaeckt , en be-
woont, om de vervolging der heydenen t\'ont-
vluchten , en de ware Godt in ftilte te dienen.
Men fiet hier oock het Iichaem van fèkeren
\'tiJjckvan S. loannes, dat noch geheel is, en tot aen de
^lendenen gefien wordt,- want het beneden deel
van \'t Iichaem, met aerde bedeckt, kan niet ge-
fien worden, als oft hy begeerde dat het ver-
borgen fbu fijn. De Monicken van defe plaet
verhaelden,dat defen heyligen loannes, de tijdt
van fijn overlijden voorfien hebbende , voor
fich felf fijn graf maeckte , niet in de langte ,
gelijck de gewoonte is, maer in de diepte ; en
dat hy , toen hy fterven fou, van fijn broeders,
by hem fijnde, affcheyt heeft genomen, en fich
daer in begeven; doch dat, door Godts belie-
ven, hy, hoewel de kuyl diep genoegh was, niet
geheel daer in is geraeckt, maer half buyten is
gebleven , op dat het overige deel tot een voor-
beelt van heyligheyt fou verftrecken. Hier
wordt oock fekere S.Helena getoont, die by
hen in hooge eerbiedigheyt is; met een yfere
keten, daer meê, gelijck men seght, als met een
geessel, de duyvel S. Antonius heeft geflagen ;
defe keten (gelijck men gelooft) heeft foo groo-
ten kracht, dat fy, vande befetenen aenge-
raeckt, de boofe geeften verdrijft. Men fiet hier
oock drie beckeneelen van menfchen , infchut-
tels geleyt, daer dagelijcks veel olie afdruypt,
die feer dienftigh is om alderhande fieckten te
verdrijven. In defe felfde holen leggen oock de
lichamen van feer veel groote en deurluchti-
ge mannen verborgen, onder de welcke twee,
de bouwmeefters van defe kerck , uytmunten;
welcker lichamen gelijck koftelijck heylighdom
gehouden , en aen alle de gene , die derwaerts
komen , getoont worden j gelijck aen my felf
dickwijls is gefchiedt, als ick in de winter
mijn verblijf te Kiow had, daer ick toen met
gemack mijn nieusgierigheyt voldoen kon.
Wat my aengaet, ick acht dat \'er naeuwe-
lijcks eenigh onderfcheyt tufl[chen de gefeyde
lighamen, end\'Egyptifche mumyen is, uytge-
fondert in de fwartheyt, en hardigheyt, die
aen d\'Egyptifche lijeken eygen is j en ick geloof
dat het gene , \'t welck hen foo lange tijt onbe-
derffelijck bewaert , d\'eygenfchap van defe
plaets en van defe holen is, die , ten deel uyt
fant en drijffandt beftaende , in de winter warm,
en des fomers koel, en altijt droogh fijn. In dit
kloofter fijn veel Monicken , onder de welcken
d'Abt, Aertsbiffchop van geheel Rufl[en, en
alleenlijck onder d\'Aertsbiflfchop van Konftan-
tinopolen ftaende , uy tmunt. Niet verre hier
af is een ander klooster van Bagynen, die., om-
''Polen.''
|
trent hondert in getal fijnde, dekoft met hun
eyge handen winnen , en voornaemelijck met
naeltwerck , \'t welck fy daer na aen de gene,
die hen komen befoecken, verkoopen. Het ftaet
hen vry , als \'t hen luft, buyten het kloofter
te gaen , gelijck fy dickwijls naer de ftadt doen,
die niet veerder dan een half mijl van daer is»
Sy fijn in \'t fwart gekleedt, en gaen niet uyt,
dan twee gelijck, op de wijfe der Katholijcke
Monicken. My heught oock dat ick eenigen van
haer foo fchoon van aengefichtgefien heb, dat
fy nergens in voorde Poolfche vrouwen wijc-
ken.
Tufïchen Kiow en Pieczary is feecker dorp, rripoU,
Tripoli genoemt ,⢠en een weynigh laeger
Stayki, opd\'afgang van de bergh. Defe ftadt
is seer oudt; en men vindt hier oock een deur-
wading over de Boryfthenes.
Daer na volgt Rychow, oock op een bergh
gebouwt. Defe plaets is bequaem om een ve-
fting te bouwen, dewijl men daer lichtelijck
over de rivier kan komen.
Dan volgt Tretimirow, een kloofter, in 't
midden van een afgront gelegen , en aen alle
fijden van onbeganckelijcke klippen befloten.
De Cofacken brengen in defe plaets het kofte-
lijckfte dat fy hebben , foo dickwijls als \'er
beroerte of gevaer is. Hier is oock een deur-
waeding van de rivier te vinden.
Een mijl van hier, aen de slincke fijde van
de rivier, leght Pereaslaw, een ftadt, die, als
het fchijnt, niet feer oudt is , om dat sy in een
vlacke plaets is, doch echter seer bequaem van
gelegenheyt, en foo wel veyligh van natuur,
als om dat men daer lichtelijck een vefting fou
konnen maken, die tegen het woeden der Cosac-
ken en Moskoviters fou dienen. Dese stadt be-
ftaet uyt ontrent ses duysent huysen; en de Co-
sacken hebben daer een van hun regimenten
in besetting.
Een weynigh laeger naer Russen is Kanjow ,
een feer oude ftadt en kafteel, daer oock een
regiment van Cofacken in befetting is. De Bo-
ryfthenes heeft hier oock een deurwading.
Een weynigh nederwaerts,aen de flincke fijde
van de rivier, set men Bobunska , en Domon
tow, plaetsen van weynigh belang.
Noch laeger, aen de rechte fijde van de ri-
vier, legt Cirkacze, een seer oude ftadt, van
aengename gelegenheyt , diemen lichtelijck
verftercken kan. Ick heb dese ftadt gefien, toen
sy noch in haer oude glans was. Sy was als het
middelpunt van 't geheel gewest der Cofacken,
en de woonplaets van hun Hartogh, of Velt-
overfte. Wy verdelghden haer met vuur in\'t
jaer 1637, op de 18 van December, twee da-
gen na dat wy de Cofacken in de vlucht hadden
geflagen, tegen de welcken wy echter elders
hadden geoorloght, sonder hen schade aen te
doen. Sy heeft een regiment van Cofacken tot
befetting, en een deurwading over de Bory-
sthenes.
Daer beneden legt Borowick, Bokin, Wo-
ronowk, en op d\'andere oever Czeherin, Dom-
brow, omtrent het vierde deel eens mijls van
daer : gelijck oock Krylow aen d'over-oever,
op de
|}<noinclude></noinclude>
6jro9qdjxnx9adylw6ffyjqpmp6zrda
222363
222293
2026-06-01T05:54:59Z
Nederlandse Leeuw
797
222363
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
dert mijlen van haer oorspronck voortgeloo-
pen is, en daer in de Borysthenes valt. Een half
mijl beneden de stadt is een dorp , Pieczary ge-
noemt, met een klooster van Basilius Monicken,
in 't welck d'Abt, een Aertsbisschop en Russische
Grieck sijnde, de stoel der afgescheurden besit.
Beneden aen de bergh, die by dit klooster leght,
sijn veel holen vol lijcken, over meer dan vijf-
tien hondert jaren daer begraven, in hun volle
gestalte, gelijck de Mumien van Egypten. Men
seght deurgaens dat d'oude Christelijcke here-
mijten dese holen hebben gemaeckt, en be-
woont, om de vervolging der heydenen t'ont-
vluchten , en de ware Godt in stilte te dienen.
Men siet hier oock het lichaem van sekeren
S. Ioannes, dat noch geheel is, en tot aen de
lendenen gesien wordt; want het beneden deel
van 't lichaem, met aerde bedeckt, kan niet ge-
sien worden, als oft hy begeerde dat het ver-
borgen sou sijn. De Monicken van dese plaets
verhaelden, dat desen heyligen Ioannes, de tijdt
van sijn overlijden voorsien hebbende , voor
sich self sijn graf maeckte, niet in de langte,
gelijck de gewoonte is, maer in de diepte; en
dat hy , toen hy sterven sou, van sijn broeders,
by hem sijnde, afscheyt heeft genomen, en sich
daer in begeven; doch dat, door Godts belie-
ven, hy, hoewel de kuyl diep genoegh was, niet
geheel daer in is geraeckt, maer half buyten is
gebleven, op dat het overige deel tot een voor-
beelt van heyligheyt sou verstrecken. Hier
wordt oock sekere S. Helena getoont, die by
hen in hooge eerbiedigheyt is; met een ysere
keten, daer meê, gelijck men seght, als met een
geessel, de duyvel S. Antonius heeft geslagen;
dese keten (gelijck men gelooft) heeft soo groo-
ten kracht, dat sy, van de besetenen aenge-
raeckt, de boose geesten verdrijft. Men siet hier
oock drie beckeneelen van menschen , inschut-
tels geleyt, daer dagelijcks veel olie afdruypt,
die seer dienstigh is om alderhande sieckten te
verdrijven. In dese selfde holen leggen oock de
lichamen van seer veel groote en deurluchti-
ge mannen verborgen, onder de welcke twee,
de bouwmeesters van dese kerck , uytmunten;
welcker lichamen gelijck kostelijck heylighdom
gehouden, en aen alle de gene, die derwaerts
komen, getoont worden; gelijck aen my self
dickwijls is geschiedt, als ick in de winter
mijn verblijf te Kiow had, daer ick toen met
gemack mijn nieusgierigheyt voldoen kon.
Wat my aengaet, ick acht dat 'er naeuwe-
lijcks eenigh onderscheyt tusschen de geseyde
lighamen, end d'Egyptische mumyen is, uytge-
sondert in de swartheyt, en hardigheyt, die
aen d'Egyptifche lijcken eygen is; en ick geloof
dat het gene, 't welck hen soo lange tijt onbe-
derffelijck bewaert , d'eygenfchap van dese
plaets en van dese holen is, die, ten deel uyt
sant en drijfsandt bestaende, in de winter warm,
en des somers koel, en altijt droogh sijn. In dit
klooster sijn veel Monicken, onder de welcken
d'Abt, Aertsbisschop van geheel Russen, en
alleenlijck onder d'Aertsbisschop van Konstan-
tinopolen staende , uytmunt. Niet verre hier
af is een ander klooster van Bagynen, die, om-
''Polen.''
|
trent hondert in getal fijnde, dekoft met hun
eyge handen winnen , en voornaemelijck met
naeltwerck , \'t welck fy daer na aen de gene,
die hen komen befoecken, verkoopen. Het ftaet
hen vry , als \'t hen luft, buyten het kloofter
te gaen , gelijck fy dickwijls naer de ftadt doen,
die niet veerder dan een half mijl van daer is»
Sy fijn in \'t fwart gekleedt, en gaen niet uyt,
dan twee gelijck, op de wijfe der Katholijcke
Monicken. My heught oock dat ick eenigen van
haer foo fchoon van aengefichtgefien heb, dat
fy nergens in voorde Poolfche vrouwen wijc-
ken.
Tufïchen Kiow en Pieczary is feecker dorp, rripoU,
Tripoli genoemt ,⢠en een weynigh laeger
Stayki, opd\'afgang van de bergh. Defe ftadt
is seer oudt; en men vindt hier oock een deur-
wading over de Boryfthenes.
Daer na volgt Rychow, oock op een bergh
gebouwt. Defe plaets is bequaem om een ve-
fting te bouwen, dewijl men daer lichtelijck
over de rivier kan komen.
Dan volgt Tretimirow, een kloofter, in 't
midden van een afgront gelegen , en aen alle
fijden van onbeganckelijcke klippen befloten.
De Cofacken brengen in defe plaets het kofte-
lijckfte dat fy hebben , foo dickwijls als \'er
beroerte of gevaer is. Hier is oock een deur-
waeding van de rivier te vinden.
Een mijl van hier, aen de slincke fijde van
de rivier, leght Pereaslaw, een ftadt, die, als
het fchijnt, niet feer oudt is , om dat sy in een
vlacke plaets is, doch echter seer bequaem van
gelegenheyt, en foo wel veyligh van natuur,
als om dat men daer lichtelijck een vefting fou
konnen maken, die tegen het woeden der Cosac-
ken en Moskoviters fou dienen. Dese stadt be-
ftaet uyt ontrent ses duysent huysen; en de Co-
sacken hebben daer een van hun regimenten
in besetting.
Een weynigh laeger naer Russen is Kanjow ,
een feer oude ftadt en kafteel, daer oock een
regiment van Cofacken in befetting is. De Bo-
ryfthenes heeft hier oock een deurwading.
Een weynigh nederwaerts,aen de flincke fijde
van de rivier, set men Bobunska , en Domon
tow, plaetsen van weynigh belang.
Noch laeger, aen de rechte fijde van de ri-
vier, legt Cirkacze, een seer oude ftadt, van
aengename gelegenheyt , diemen lichtelijck
verftercken kan. Ick heb dese ftadt gefien, toen
sy noch in haer oude glans was. Sy was als het
middelpunt van 't geheel gewest der Cofacken,
en de woonplaets van hun Hartogh, of Velt-
overfte. Wy verdelghden haer met vuur in\'t
jaer 1637, op de 18 van December, twee da-
gen na dat wy de Cofacken in de vlucht hadden
geflagen, tegen de welcken wy echter elders
hadden geoorloght, sonder hen schade aen te
doen. Sy heeft een regiment van Cofacken tot
befetting, en een deurwading over de Bory-
sthenes.
Daer beneden legt Borowick, Bokin, Wo-
ronowk, en op d\'andere oever Czeherin, Dom-
brow, omtrent het vierde deel eens mijls van
daer : gelijck oock Krylow aen d'over-oever,
op de
|}<noinclude></noinclude>
4ha70fcj9n4wxtwh3o95lc4vny613xz
222365
222363
2026-06-01T06:03:42Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Proefgelezen */
222365
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
dert mijlen van haer oorspronck voortgeloo-
pen is, en daer in de Borysthenes valt. Een half
mijl beneden de stadt is een dorp , Pieczary ge-
noemt, met een klooster van Basilius Monicken,
in 't welck d'Abt, een Aertsbisschop en Russische
Grieck sijnde, de stoel der afgescheurden besit.
Beneden aen de bergh, die by dit klooster leght,
sijn veel holen vol lijcken, over meer dan vijf-
tien hondert jaren daer begraven, in hun volle
gestalte, gelijck de Mumien van Egypten. Men
seght deurgaens dat d'oude Christelijcke here-
mijten dese holen hebben gemaeckt, en be-
woont, om de vervolging der heydenen t'ont-
vluchten , en de ware Godt in stilte te dienen.
Men siet hier oock het lichaem van sekeren
S. Ioannes, dat noch geheel is, en tot aen de
lendenen gesien wordt; want het beneden deel
van 't lichaem, met aerde bedeckt, kan niet ge-
sien worden, als oft hy begeerde dat het ver-
borgen sou sijn. De Monicken van dese plaets
verhaelden, dat desen heyligen Ioannes, de tijdt
van sijn overlijden voorsien hebbende , voor
sich self sijn graf maeckte, niet in de langte,
gelijck de gewoonte is, maer in de diepte; en
dat hy , toen hy sterven sou, van sijn broeders,
by hem sijnde, afscheyt heeft genomen, en sich
daer in begeven; doch dat, door Godts belie-
ven, hy, hoewel de kuyl diep genoegh was, niet
geheel daer in is geraeckt, maer half buyten is
gebleven, op dat het overige deel tot een voor-
beelt van heyligheyt sou verstrecken. Hier
wordt oock sekere S. Helena getoont, die by
hen in hooge eerbiedigheyt is; met een ysere
keten, daer meê, gelijck men seght, als met een
geessel, de duyvel S. Antonius heeft geslagen;
dese keten (gelijck men gelooft) heeft soo groo-
ten kracht, dat sy, van de besetenen aenge-
raeckt, de boose geesten verdrijft. Men siet hier
oock drie beckeneelen van menschen , inschut-
tels geleyt, daer dagelijcks veel olie afdruypt,
die seer dienstigh is om alderhande sieckten te
verdrijven. In dese selfde holen leggen oock de
lichamen van seer veel groote en deurluchti-
ge mannen verborgen, onder de welcke twee,
de bouwmeesters van dese kerck , uytmunten;
welcker lichamen gelijck kostelijck heylighdom
gehouden, en aen alle de gene, die derwaerts
komen, getoont worden; gelijck aen my self
dickwijls is geschiedt, als ick in de winter
mijn verblijf te Kiow had, daer ick toen met
gemack mijn nieusgierigheyt voldoen kon.
Wat my aengaet, ick acht dat 'er naeuwe-
lijcks eenigh onderscheyt tusschen de geseyde
lighamen, end d'Egyptische mumyen is, uytge-
sondert in de swartheyt, en hardigheyt, die
aen d'Egyptifche lijcken eygen is; en ick geloof
dat het gene, 't welck hen soo lange tijt onbe-
derffelijck bewaert , d'eygenfchap van dese
plaets en van dese holen is, die, ten deel uyt
sant en drijfsandt bestaende, in de winter warm,
en des somers koel, en altijt droogh sijn. In dit
klooster sijn veel Monicken, onder de welcken
d'Abt, Aertsbisschop van geheel Russen, en
alleenlijck onder d'Aertsbisschop van Konstan-
tinopolen staende , uytmunt. Niet verre hier
af is een ander klooster van Bagynen, die, om-
''Polen.''
|
trent hondert in getal sijnde, de kost met hun
eyge handen winnen, en voornaemelijck met
naeltwerck, 't welck sy daer na aen de gene,
die hen komen besoecken, verkoopen. Het staet
hen vry, als 't hen lust, buyten het klooster
te gaen, gelijck sy dickwijls naer de stadt doen,
die niet veerder dan een half mijl van daer is.
Sy sijn in 't swart gekleedt, en gaen niet uyt,
dan twee gelijck, op de wijse der Katholijcke
Monicken. My heught oock dat ick eenigen van
haer soo schoon van aengesicht gesien heb, dat
sy nergens in voor de Poolsche vrouwen wijc-
ken.
Tusschen Kiow en Pieczary is seecker dorp,
Tripoli genoemt; en een weynigh laeger
Stayki, op d'afgang van de bergh. Dese stadt
is seer oudt; en men vindt hier oock een deur-
wading over de Borysthenes.
Daer na volgt Rychow, oock op een bergh
gebouwt. Dese plaets is bequaem om een ve-
sting te bouwen, dewijl men daer lichtelijck
over de rivier kan komen.
Dan volgt Tretimirow, een klooster, in 't
midden van een afgront gelegen, en aen alle
sijden van onbeganckelijcke klippen besloten.
De Cosacken brengen in dese plaets het koste-
lijckste dat sy hebben, soo dickwijls als 'er
beroerte of gevaer is. Hier is oock een deur-
waeding van de rivier te vinden.
Een mijl van hier, aen de slincke sijde van
de rivier, leght Pereaslaw, een stadt, die, als
het schijnt, niet seer oudt is, om dat sy in een
vlacke plaets is, doch echter seer bequaem van
gelegenheyt, en soo wel veyligh van natuur,
als om dat men daer lichtelijck een vesting sou
konnen maken, die tegen het woeden der Cosac-
ken en Moskoviters sou dienen. Dese stadt be-
staet uyt ontrent ses duysent huysen; en de Co-
sacken hebben daer een van hun regimenten
in besetting.
Een weynigh laeger naer Russen is Kanjow,
een seer oude stadt en kasteel, daer oock een
regiment van Cosacken in besetting is. De Bo-
rysthenes heeft hier oock een deurwading.
Een weynigh nederwaerts, aen de slincke sijde
van de rivier, siet men Bobunska, en Domon-
tow, plaetsen van weynigh belang.
Noch laeger, aen de rechte sijde van de ri-
vier, legt Cirkacze, een seer oude stadt, van
aengename gelegenheyt, diemen lichtelijck
verstercken kan. Ick heb dese stadt gesien, toen
sy noch in haer oude glans was. Sy was als het
middelpunt van 't geheel gewest der Cosacken,
en de woonplaets van hun Hartogh, of Velt-
overste. Wy verdelghden haer met vuur in 't
jaer 1637, op de 18 van December, twee da-
gen na dat wy de Cosacken in de vlucht hadden
geslagen, tegen de welcken wy echter elders
hadden geoorloght, sonder hen schade aen te
doen. Sy heeft een regiment van Cosacken tot
besetting, en een deurwading over de Bory-
sthenes.
Daer beneden legt Borowick, Bokin, Wo-
ronowk, en op d'andere oever Czeherin, Dom-
brow, omtrent het vierde deel eens mijls van
daer: gelijck oock Krylow aen d'over-oever,
op de
|}<noinclude></noinclude>
9whxiekezh4kdyml9n0b7dbuoq5typf
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/8
104
86602
222294
2026-05-31T17:47:27Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Proefgelezen */
222294
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|T R A C T V S}}
{{center|B O R Y S T H E N I S}}
{{center|Vulgo D N I E P R et N I E P R dicti,}}
{{center|A Civitate Czyrkaßi ad ostia et Ilmien lacum, per quem in Pontum Euxinum se exonerat.}}
{{center|''Superiorem huj{{sup|9}} fluminis partem, a Czÿrkaßi nimirum ad fontes usque, vide in Tabulae Lithuaniae.''}}<noinclude></noinclude>
eoqamf8atifyaq525ho9cnkjugwet01
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/9
104
86603
222295
2026-05-31T17:47:57Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '??? ! B O R Y S T H E N E S. opderlvier Ytazemen 5 een mijl van de Bory- nigh gekoockt fijnde, aengenaem van fmaeckflhenes af gelegen. worden bevonden. Een weynig laeger aen de fijde van Mofkovie Als men nederwaerts reyfl , ontmoet menfiet men Krzemienczow, en feer oude muren , Romanow, een groote heuvel van aerde, daerdaer ick, de faeck naeukeurelijcker onderfoec- de Cofacken , als fy van gemeene faeken fullenkende, in't jaer een…
222295
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>??? ! B O R Y S T H E N E S. opderlvier Ytazemen 5 een mijl van de Bory- nigh gekoockt fijnde, aengenaem van fmaeckflhenes af gelegen. worden bevonden. Een weynig laeger aen de fijde van Mofkovie Als men nederwaerts reyfl , ontmoet menfiet men Krzemienczow, en feer oude muren , Romanow, een groote heuvel van aerde, daerdaer ick, de faeck naeukeurelijcker onderfoec- de Cofacken , als fy van gemeene faeken fullenkende, in't jaer een kafteel vond. Defe fpreken, of tegen de vyandt trecken , naer toe- plaets is feer aengenaem te bewoonen , en oock loopen , en hun krijgsbenden overfien. Defegemackelijck. Dit is de lefte der fteden van de piaets fou feer bequaem tot de bouwing vanBoryfthenes: want alle d'anderen , naer Tarta- een vefting en ftercke ftadt fijn.rien gelegen, fijn woeft. Een weynigh laeger is een eylant,een half mijl mvieren. Een eenige mijl hier boven is de vifchrijcke lang, en hondert en vijftigh fchreden breet, hetrivier Pf?¨czol, die daer fijn water met de Bo- welck echter in de winter onderloopt. D'in-ryfthenes vermengt: maer wat laeger , aen woonders noemen dit oock Romanow. Hierd'oever van Rufchlant, is de beeck Omielnik, komen veel viffchers, foo van andere plaetfen,die overvloet van kreeften heeft, en haer water als voornamelijck van Kiow. Aen't achter-in de felfde Nieper ftort. Aen de felfde ftrandt eynde van dit eylant heeft de rivier Boryfthenesvan de Boryfthenes is een ander beeckje, by de een vrye loop , fbnder van eenige eylanden be-Ruffen Druhi Omielnik genoemt, die, mede lemmert te worden. Hier is 't dat de Tarters ,rijck van kreeften , fich oock daer in ont- voorgenomen hebbende een roof uyt Rufch-laft. De rivier daer tegen over, Worsko ge- lant te halen, gemeenlijck hun benden over-noemt, feer vifchrijck fijnde, vergroot de Bo- voeren, vermits fy onder d'eylanden de gedu-ryfthenes door de menighte van fijn golven, rige overvallingen der Cofacken, die fich daerAen de felfde ftrandt is noch een andere rivier, verbergen, vreefen. Orel genoemt, die in overvloet van vifch niet Een weynigh laeger, aen de rechte fijde vanvoor de voorgenoemde wijckt, en oock inde de rivier, fiet men fekere plaets, TarowkyBoryfthenes ftroomt. Ick heb'er eens by ge- Rog genoemt, een der aengenaemfte plaet- Rog.weeft, dat, aendemontvan de gefeyde rivier, f?¨n , die ick ooyt gefien heb , om te bewoonen,met het uytfetten van een net twee duyfent vif- en oock f?¨er bequaem om een vefting te bou-fchen gevangen wierden , van de welcken de wen, die een krachtige breydel voor de fnellekleynfte een voet lang was. vloet fou fijn. Want de Boryfthenes heeft daer foskn. Aen de rechte fijde van de Boryfthenes, oft geen uytfteekende eylanden, en is niet boven
deaen de ftrandt van Rufchlandt, fiet men veel twee hondert fchreden breet, foo dat men lich-poelen, foo vol gepropt van viffchen, dat het telijck met een musket daer over fchieten kan.water felf, byna doot en onbewegelijck fijnde, D'oever aen d'andere fijde is een weynigh hoo-bederft j 't welck oock dickwijls de viftchen ger , en wordt van d'inwoonders Sorokagoredoet fterven. Def?¨ plaets wordt van d'inwoon- genoemt. De menighte der beeckjes, die over-0ehmte, Zamolkam genoemt. Omtrent defe poe- vloet van vifch hebben, vermeerderen de be-ien vindtmen kleyne karffeboomen, van om- quaemheyt van defe plaets , en fijn oock intrent dardehalf voet hoogh, die feer foete karf- groote menighte in d'eylanden van de Bory-fen voortbrengen , de welcke {fbo groot als ithenes. pruymenfijn, en echter niet, dan in 't begin Een weynigh laeger vint men't Eylandt vanvan Auguftus, rijp worden. Men vindt hier 't kloofter genoemt , dat geheel een klip is,overal geheele boftchen van karfifeboomen, die gantfch fteyl afgebroken, in fbmmige plaetfenoock elders een half mijl lang, maer echter niet vijf-en-twintigh , enin andere dertigh voetenmeer dan twee of drie hondert fchreden breet hoogh; 't welck oorfaeck is van dat het nietfijn. Warelijck, men moet bekennen, dat foo vande rivier ondergefet wordt. Hier op wasgroot een menighte van kariTeboomen, welcker eertijts een oudt kloofter,van 't welck het eylantvruchten fmaekelijck fijn, feer aengenaem om de naem heeft, waer van men echter in def?¨te fien is, die echter weynigh op de hooghten , tijdt gantfch geen overblijffel vindt.Dit fou eenmaer meeft in de vlackten ftaen. Men vindt bequaeme wooning fijn , foo't vafte landt nietdaer oock amandelboomen, die kleyn fijn, en foo hoogh en na daer aen was. Het is duyfenteen bittere vrucht geven,-doch niet in fbo groot fchreeden lang, en hondert breet. Men vindteen menighte, dat fy geheele bofifchen konnen daer veel flangen, en andere kruypende dieren,uytmaeken, gelijck de kariTeboomen doen. Ick, Hier na volght een ander eylandt , Komki jce.skidoor foodanigh een nieusgierighey t aengedre- Oflro-S??> genoemt,drie mijlen lang,en voor aen een opowven , die een vrygebore menfch paft , de?? mijlbreet: het isbofchachtigh enpoelachtigh,eenige karffeboomen en amandelboomen, uyt en wordt echter in de Lente van de Boryfthe-defe plaetfen opneemen, en naer Bare (welck nes overloopen. Hier fijn veel viffchers, die,toen mijn gewoone verblijfplaets was ) voeren , by gebreck van fout, de viffchen eerft met afchen daer met behoorlijcke forgvuldigheyt weer fouten,en daer na in de wint doen droogen.Defeinfetten, de welcke daer na fmakelijcker, en viftchers hebben een rijcke viffchery in deri-oock
grooter wierden.Een weynigh hooger bo- vierSamar genoemt, die tegenover dit eylantven defe plaetfen vindt men fekere rivier, De- in de Boryfthenes valt. Defe rivier, met het ge-mokant genoemt, rijck van kreeften, die wel heel geweft daer rontom, verdient een grootenegen vingeren lang fijn. Men pluckt hier oock naem , niet alleenlijck om de menighte vanwaternooten, die f?¨shoeckigh, en, een wey- vifch; maeroockomd'overvloet van was, ho- Rmamw,<noinclude></noinclude>
qjmi5tzi37rl5z92a266jdww0ndekbl
222316
222295
2026-05-31T18:12:44Z
Nederlandse Leeuw
797
222316
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
opderlvier Ytazemen 5 een mijl van de Bory- nigh gekoockt fijnde, aengenaem van fmaeckflhenes af gelegen. worden bevonden. Een weynig laeger aen de fijde van Mofkovie Als men nederwaerts reyfl , ontmoet menfiet men Krzemienczow, en feer oude muren , Romanow, een groote heuvel van aerde, daerdaer ick, de faeck naeukeurelijcker onderfoec- de Cofacken , als fy van gemeene faeken fullenkende, in't jaer een kafteel vond. Defe fpreken, of tegen de vyandt trecken , naer toe- plaets is feer aengenaem te bewoonen , en oock loopen , en hun krijgsbenden overfien. Defegemackelijck. Dit is de lefte der fteden van de piaets fou feer bequaem tot de bouwing vanBoryfthenes: want alle d'anderen , naer Tarta- een vefting en ftercke ftadt fijn.rien gelegen, fijn woeft. Een weynigh laeger is een eylant,een half mijl mvieren. Een eenige mijl hier boven is de vifchrijcke lang, en hondert en vijftigh fchreden breet, hetrivier Pf?¨czol, die daer fijn water met de Bo- welck echter in de winter onderloopt. D'in-ryfthenes vermengt: maer wat laeger , aen woonders noemen dit oock Romanow. Hierd'oever van Rufchlant, is de beeck Omielnik, komen veel viffchers, foo van andere plaetfen,die overvloet van kreeften heeft, en haer water als voornamelijck van Kiow. Aen't achter-in de felfde Nieper ftort. Aen de felfde ftrandt eynde van dit eylant heeft de rivier Boryfthenesvan de Boryfthenes is een ander beeckje, by de een vrye loop , fbnder van eenige eylanden be-Ruffen Druhi Omielnik genoemt, die, mede lemmert te worden. Hier is 't dat de Tarters ,rijck van kreeften , fich oock daer in ont- voorgenomen hebbende een roof uyt Rufch-laft. De rivier daer tegen over, Worsko ge- lant te halen, gemeenlijck hun benden over-noemt, feer vifchrijck fijnde, vergroot de Bo- voeren, vermits fy onder d'eylanden de gedu-ryfthenes door de menighte van fijn golven, rige overvallingen der Cofacken, die fich daerAen de felfde ftrandt is noch een andere rivier, verbergen, vreefen. Orel genoemt, die in overvloet van vifch niet Een weynigh laeger, aen de rechte fijde vanvoor de voorgenoemde wijckt, en oock inde de rivier, fiet men fekere plaets, TarowkyBoryfthenes ftroomt. Ick heb'er eens by ge- Rog genoemt, een der aengenaemfte plaet- Rog.weeft, dat, aendemontvan de gefeyde rivier, f?¨n , die ick ooyt gefien heb , om te bewoonen,met het uytfetten van een net twee duyfent vif- en oock f?¨er bequaem om een vefting te bou-fchen gevangen wierden , van de welcken de wen, die een krachtige breydel voor de fnellekleynfte een voet lang was. vloet fou fijn. Want de Boryfthenes heeft daer foskn. Aen de rechte fijde van de Boryfthenes, oft geen uytfteekende eylanden, en is niet boven
deaen de ftrandt van Rufchlandt, fiet men veel twee hondert fchreden breet, foo dat men lich-poelen, foo vol gepropt van viffchen, dat het telijck met een musket daer over fchieten kan.water felf, byna doot en onbewegelijck fijnde, D'oever aen d'andere fijde is een weynigh hoo-bederft j 't welck oock dickwijls de viftchen ger , en wordt van d'inwoonders Sorokagoredoet fterven. Def?¨ plaets wordt van d'inwoon- genoemt. De menighte der beeckjes, die over-0ehmte, Zamolkam genoemt. Omtrent defe poe- vloet van vifch hebben, vermeerderen de be-ien vindtmen kleyne karffeboomen, van om- quaemheyt van defe plaets , en fijn oock intrent dardehalf voet hoogh, die feer foete karf- groote menighte in d'eylanden van de Bory-fen voortbrengen , de welcke {fbo groot als ithenes. pruymenfijn, en echter niet, dan in 't begin Een weynigh laeger vint men't Eylandt vanvan Auguftus, rijp worden. Men vindt hier 't kloofter genoemt , dat geheel een klip is,overal geheele boftchen van karfifeboomen, die gantfch fteyl afgebroken, in fbmmige plaetfenoock elders een half mijl lang, maer echter niet vijf-en-twintigh , enin andere dertigh voetenmeer dan twee of drie hondert fchreden breet hoogh; 't welck oorfaeck is van dat het nietfijn. Warelijck, men moet bekennen, dat foo vande rivier ondergefet wordt. Hier op wasgroot een menighte van kariTeboomen, welcker eertijts een oudt kloofter,van 't welck het eylantvruchten fmaekelijck fijn, feer aengenaem om de naem heeft, waer van men echter in def?¨te fien is, die echter weynigh op de hooghten , tijdt gantfch geen overblijffel vindt.Dit fou eenmaer meeft in de vlackten ftaen. Men vindt bequaeme wooning fijn , foo't vafte landt nietdaer oock amandelboomen, die kleyn fijn, en foo hoogh en na daer aen was. Het is duyfenteen bittere vrucht geven,-doch niet in fbo groot fchreeden lang, en hondert breet. Men vindteen menighte, dat fy geheele bofifchen konnen daer veel flangen, en andere kruypende dieren,uytmaeken, gelijck de kariTeboomen doen. Ick, Hier na volght een ander eylandt , Komki jce.skidoor foodanigh een nieusgierighey t aengedre- Oflro-S??> genoemt,drie mijlen lang,en voor aen een opowven , die een vrygebore menfch paft , de?? mijlbreet: het isbofchachtigh enpoelachtigh,eenige karffeboomen en amandelboomen, uyt en wordt echter in de Lente van de Boryfthe-defe plaetfen opneemen, en naer Bare (welck nes overloopen. Hier fijn veel viffchers, die,toen mijn gewoone verblijfplaets was ) voeren , by gebreck van fout, de viffchen eerft met afchen daer met behoorlijcke forgvuldigheyt weer fouten,en daer na in de wint doen droogen.Defeinfetten, de welcke daer na fmakelijcker, en viftchers hebben een rijcke viffchery in deri-oock
grooter wierden.Een weynigh hooger bo- vierSamar genoemt, die tegenover dit eylantven defe plaetfen vindt men fekere rivier, De- in de Boryfthenes valt. Defe rivier, met het ge-mokant genoemt, rijck van kreeften, die wel heel geweft daer rontom, verdient een grootenegen vingeren lang fijn. Men pluckt hier oock naem , niet alleenlijck om de menighte vanwaternooten, die f?¨shoeckigh, en, een wey- vifch; maeroockomd'overvloet van was, ho- Rmamw,
|}<noinclude></noinclude>
dhe5rcc50syiw5w2cpg10420pbynq04
222366
222316
2026-06-01T06:14:20Z
Nederlandse Leeuw
797
222366
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
op de rivier Ytazemen, een mijl van de Bory-
sthenes af gelegen.
Een weynig laeger aen de sijde van Moskovie
siet men Krzemienczow, en seer oude muren,
daer ick, de saeck naeukeurelijcker ondersoec-
kende, in 't jaer 1635 een kasteel vond. Dese
plaets is seer aengenaem te bewoonen, en oock
gemackelijck. Dit is de leste der steden van de
Borysthenes: want alle d'anderen, naer Tarta-
rien gelegen, sijn woest.
Een eenige mijl hier boven is de vischrijcke
rivier Pfeczol, die daer sijn water met de Bo-
rysthenes vermengt: maer wat laeger, aen
d'oever van Ruschlant, is de beeck Omielnik,
die overvloet van kreeften heeft, en haer water
in de selfde Nieper stort. Aen de selfde strandt
van de Borysthenes is een ander beeckje, by de
Russen Druhi Omielnik genoemt, die, mede
rijck van kreeften, sich oock daer in ont-
last. De rivier daer tegen over, Worsko ge-
noemt, seer vischrijck sijnde, vergroot de Bo-
rysthenes door de menighte van sijn golven.
Aen de selfde strandt is noch een andere rivier,
Orel genoemt, die in overvloet van visch niet
voor de voorgenoemde wijckt, en oock in de
Borysthenes stroomt. Ick heb 'er eens by ge-
weest, dat, aen de mont van de geseyde rivier,
met het uytsetten van een net twee duysent vis-
schen gevangen wierden, van de welcken de
kleynste een voet lang was.
Aen de rechte sijde van de Borysthenes, oft
aen de strandt van Ruschlandt, siet men veel
poelen, soo vol gepropt van visschen, dat het
water self, byna doot en onbewegelijck sijnde,
bederft; 't welck oock dickwijls de visschen
doet sterven. Dese plaets wordt van d'inwoon-
ders Zamolkam genoemt. Omtrent dese poe-
len vindt men kleyne karsseboomen, van om-
trent dardehalf voet hoogh, die seer soete kars-
sen voortbrengen , de welcke soo groot als
pruymen sijn, en echter niet, dan in 't begin
van Augustus, rijp worden. Men vindt hier
overal geheele bosschen van karsseboomen, die
oock elders een half mijl lang, maer echter niet
meer dan twee of drie hondert schreden breet
sijn. Warelijck, men moet bekennen, dat soo
groot een menighte van karsseboomen, welcker
vruchten smaekelijck sijn, seer aengenaem om
te sien is, die echter weynigh op de hooghten,
maer meest in de vlackten staen. Men vindt
daer oock amandelboomen, die kleyn sijn, en
een bittere vrucht geven; doch niet in soo groot
een menighte, dat sy geheele bosschen konnen
uytmaeken, gelijck de karsseboomen doen. Ick,
door soodanigh een nieusgierigheyt aengedre-
ven, die een vrygebore mensch past, deê
eenige karsseboomen en amandelboomen, uyt
dese plaetsen opneemen, en naer Bare (welck
toen mijn gewoone verblijfplaets was) voeren,
en daer met behoorlijcke sorgvuldigheyt weêr
insetten, de welcke daer na smakelijcker, en
oock grooter wierden. Een weynigh hooger bo-
ven dese plaetsen vindt men sekere rivier, De-
mokant genoemt, rijck van kreeften, die wel
negen vingeren lang sijn. Men pluckt hier oock
waternooten, die seshoeckigh, en, een wey-
|}<noinclude></noinclude>
craop9b69gx05r2qy1hg61y01ul18yj
222367
222366
2026-06-01T06:17:43Z
Nederlandse Leeuw
797
222367
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
op de rivier Ytazemen, een mijl van de Bory-
sthenes af gelegen.
Een weynig laeger aen de sijde van Moskovie
siet men Krzemienczow, en seer oude muren,
daer ick, de saeck naeukeurelijcker ondersoec-
kende, in 't jaer 1635 een kasteel vond. Dese
plaets is seer aengenaem te bewoonen, en oock
gemackelijck. Dit is de leste der steden van de
Borysthenes: want alle d'anderen, naer Tarta-
rien gelegen, sijn woest.
Een eenige mijl hier boven is de vischrijcke
rivier Pfeczol, die daer sijn water met de Bo-
rysthenes vermengt: maer wat laeger, aen
d'oever van Ruschlant, is de beeck Omielnik,
die overvloet van kreeften heeft, en haer water
in de selfde Nieper stort. Aen de selfde strandt
van de Borysthenes is een ander beeckje, by de
Russen Druhi Omielnik genoemt, die, mede
rijck van kreeften, sich oock daer in ont-
last. De rivier daer tegen over, Worsko ge-
noemt, seer vischrijck sijnde, vergroot de Bo-
rysthenes door de menighte van sijn golven.
Aen de selfde strandt is noch een andere rivier,
Orel genoemt, die in overvloet van visch niet
voor de voorgenoemde wijckt, en oock in de
Borysthenes stroomt. Ick heb 'er eens by ge-
weest, dat, aen de mont van de geseyde rivier,
met het uytsetten van een net twee duysent vis-
schen gevangen wierden, van de welcken de
kleynste een voet lang was.
Aen de rechte sijde van de Borysthenes, oft
aen de strandt van Ruschlandt, siet men veel
poelen, soo vol gepropt van visschen, dat het
water self, byna doot en onbewegelijck sijnde,
bederft; 't welck oock dickwijls de visschen
doet sterven. Dese plaets wordt van d'inwoon-
ders Zamolkam genoemt. Omtrent dese poe-
len vindt men kleyne karsseboomen, van om-
trent dardehalf voet hoogh, die seer soete kars-
sen voortbrengen , de welcke soo groot als
pruymen sijn, en echter niet, dan in 't begin
van Augustus, rijp worden. Men vindt hier
overal geheele bosschen van karsseboomen, die
oock elders een half mijl lang, maer echter niet
meer dan twee of drie hondert schreden breet
sijn. Warelijck, men moet bekennen, dat soo
groot een menighte van karsseboomen, welcker
vruchten smaekelijck sijn, seer aengenaem om
te sien is, die echter weynigh op de hooghten,
maer meest in de vlackten staen. Men vindt
daer oock amandelboomen, die kleyn sijn, en
een bittere vrucht geven; doch niet in soo groot
een menighte, dat sy geheele bosschen konnen
uytmaeken, gelijck de karsseboomen doen. Ick,
door soodanigh een nieusgierigheyt aengedre-
ven, die een vrygebore mensch past, deê
eenige karsseboomen en amandelboomen, uyt
dese plaetsen opneemen, en naer Bare (welck
toen mijn gewoone verblijfplaets was) voeren,
en daer met behoorlijcke sorgvuldigheyt weêr
insetten, de welcke daer na smakelijcker, en
oock grooter wierden. Een weynigh hooger bo-
ven dese plaetsen vindt men sekere rivier, De-
mokant genoemt, rijck van kreeften, die wel
negen vingeren lang sijn. Men pluckt hier oock
waternooten, die seshoeckigh, en, een wey-
|
nigh gekoockt sijnde, aengenaem van smaeck
worden bevonden.
Als men nederwaerts reyst, ontmoet men
Romanow, een groote heuvel van aerde, daer
de Cosacken, als sy van gemeene saeken sullen
spreken, of tegen de vyandt trecken, naer toe-
loopen, en hun krijgsbenden oversien. Dese
plaets sou seer bequaem tot de bouwing van
een vesting en stercke stadt sijn.
Een weynigh laeger is een eylant, een half mijl
lang, en hondert en vijftigh schreden breet, het
welck echter in de winter onderloopt. D'in-
woonders noemen dit oock Romanow. Hier
komen veel visschers, soo van andere plaetsen,
als voornamelijck van Kiow. Aen 't achter-
eynde van dit eylant heeft de rivier Borysthenes
een vrye loop, sonder van eenige eylanden be-
lemmert te worden. Hier is 't dat de Tarters,
voorgenomen hebbende een roof uyt Rusch-
lant te halen, gemeenlijck hun benden over-
voeren, vermits sy onder d'eylanden de gedu-
rige overvallingen der Cosacken , die sich daer
verbergen, vreesen.
Een weynigh laeger, aen de rechte sijde van
de rivier, siet men sekere plaets, Tarowky
Rog genoemt, een der aengenaemste plaet-
sen, die ick ooyt gesien heb, om te bewoonen,
en oock seer bequaem om een vesting te bou-
wen, die een krachtige breydel voor de snelle
vloet sou sijn. Want de Borysthenes heeft daer
|}<noinclude></noinclude>
lnwshdd4fxicqlu0swy520fh229ztw1
222368
222367
2026-06-01T06:23:07Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Proefgelezen */
222368
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
op de rivier Ytazemen, een mijl van de Bory-
sthenes af gelegen.
Een weynig laeger aen de sijde van Moskovie
siet men Krzemienczow, en seer oude muren,
daer ick, de saeck naeukeurelijcker ondersoec-
kende, in 't jaer 1635 een kasteel vond. Dese
plaets is seer aengenaem te bewoonen, en oock
gemackelijck. Dit is de leste der steden van de
Borysthenes: want alle d'anderen, naer Tarta-
rien gelegen, sijn woest.
Een eenige mijl hier boven is de vischrijcke
rivier Pfeczol, die daer sijn water met de Bo-
rysthenes vermengt: maer wat laeger, aen
d'oever van Ruschlant, is de beeck Omielnik,
die overvloet van kreeften heeft, en haer water
in de selfde Nieper stort. Aen de selfde strandt
van de Borysthenes is een ander beeckje, by de
Russen Druhi Omielnik genoemt, die, mede
rijck van kreeften, sich oock daer in ont-
last. De rivier daer tegen over, Worsko ge-
noemt, seer vischrijck sijnde, vergroot de Bo-
rysthenes door de menighte van sijn golven.
Aen de selfde strandt is noch een andere rivier,
Orel genoemt, die in overvloet van visch niet
voor de voorgenoemde wijckt, en oock in de
Borysthenes stroomt. Ick heb 'er eens by ge-
weest, dat, aen de mont van de geseyde rivier,
met het uytsetten van een net twee duysent vis-
schen gevangen wierden, van de welcken de
kleynste een voet lang was.
Aen de rechte sijde van de Borysthenes, oft
aen de strandt van Ruschlandt, siet men veel
poelen, soo vol gepropt van visschen, dat het
water self, byna doot en onbewegelijck sijnde,
bederft; 't welck oock dickwijls de visschen
doet sterven. Dese plaets wordt van d'inwoon-
ders Zamolkam genoemt. Omtrent dese poe-
len vindt men kleyne karsseboomen, van om-
trent dardehalf voet hoogh, die seer soete kars-
sen voortbrengen , de welcke soo groot als
pruymen sijn, en echter niet, dan in 't begin
van Augustus, rijp worden. Men vindt hier
overal geheele bosschen van karsseboomen, die
oock elders een half mijl lang, maer echter niet
meer dan twee of drie hondert schreden breet
sijn. Warelijck, men moet bekennen, dat soo
groot een menighte van karsseboomen, welcker
vruchten smaekelijck sijn, seer aengenaem om
te sien is, die echter weynigh op de hooghten,
maer meest in de vlackten staen. Men vindt
daer oock amandelboomen, die kleyn sijn, en
een bittere vrucht geven; doch niet in soo groot
een menighte, dat sy geheele bosschen konnen
uytmaeken, gelijck de karsseboomen doen. Ick,
door soodanigh een nieusgierigheyt aengedre-
ven, die een vrygebore mensch past, deê
eenige karsseboomen en amandelboomen, uyt
dese plaetsen opneemen, en naer Bare (welck
toen mijn gewoone verblijfplaets was) voeren,
en daer met behoorlijcke sorgvuldigheyt weêr
insetten, de welcke daer na smakelijcker, en
oock grooter wierden. Een weynigh hooger bo-
ven dese plaetsen vindt men sekere rivier, De-
mokant genoemt, rijck van kreeften, die wel
negen vingeren lang sijn. Men pluckt hier oock
waternooten, die seshoeckigh, en, een wey-
|
nigh gekoockt sijnde, aengenaem van smaeck
worden bevonden.
Als men nederwaerts reyst, ontmoet men
Romanow, een groote heuvel van aerde, daer
de Cosacken, als sy van gemeene saeken sullen
spreken, of tegen de vyandt trecken, naer toe-
loopen, en hun krijgsbenden oversien. Dese
plaets sou seer bequaem tot de bouwing van
een vesting en stercke stadt sijn.
Een weynigh laeger is een eylant, een half mijl
lang, en hondert en vijftigh schreden breet, het
welck echter in de winter onderloopt. D'in-
woonders noemen dit oock Romanow. Hier
komen veel visschers, soo van andere plaetsen,
als voornamelijck van Kiow. Aen 't achter-
eynde van dit eylant heeft de rivier Borysthenes
een vrye loop, sonder van eenige eylanden be-
lemmert te worden. Hier is 't dat de Tarters,
voorgenomen hebbende een roof uyt Rusch-
lant te halen, gemeenlijck hun benden over-
voeren, vermits sy onder d'eylanden de gedu-
rige overvallingen der Cosacken , die sich daer
verbergen, vreesen.
Een weynigh laeger, aen de rechte sijde van
de rivier, siet men sekere plaets, Tarowky
Rog genoemt, een der aengenaemste plaet-
sen, die ick ooyt gesien heb, om te bewoonen,
en oock seer bequaem om een vesting te bou-
wen, die een krachtige breydel voor de snelle
vloet sou sijn. Want de Borysthenes heeft daer
geen uytsteekende eylanden, en is niet boven de
twee hondert schreden breet, soo dat men lich-
telijck met een musket daer over schieten kan.
D'oever aen d'andere sijde is een weynigh hoo-
ger, en wordt van d'inwoonders Sorokagore
genoemt. De menighte der beeckjes, die over-
vloet van visch hebben, vermeerderen de be-
quaemheyt van dese plaets, en sijn oock in
groote menighte in d'eylanden van de Bory-
sthenes.
Een weynigh laeger vint men't Eylandt van
't klooster genoemt, dat geheel een klip is,
gantsch steyl afgebroken, in sommige plaetsen
vijf-en-twintigh, en in andere dertigh voeten
hoogh; 't welck oorsaeck is van dat het niet
van de rivier ondergeset wordt. Hier op was
eertijts een oudt klooster, van 't welck het eylant
de naem heeft, waer van men echter in dese
tijdt gantsch geen overblijfsel vindt. Dit sou een
bequaeme wooning sijn, soo 't vaste landt niet
soo hoogh en na daer aen was. Het is duysent
schreeden lang, en hondert breet. Men vindt
daer veel slangen, en andere kruypende dieren.
Hier na volght een ander eylandt, ''Konski''
''Ostrow'' genoemt, drie mijlen lang, en voor aen een
mijl breet: het is boschachtigh en poelachtigh,
en wordt echter in de Lente van de Borysthe-
nes overloopen. Hier sijn veel visschers, die,
by gebreck van sout, de visschen eerst met asch
souten, en daer na in de wint doen droogen. Dese
visschers hebben een rijcke visschery in de ri-
vier Samar genoemt, die tegen over dit eylant
in de Borysthenes valt. Dese rivier, met het ge-
heel gewest daer rontom, verdient een groote
naem, niet alleenlijck om de menighte van
visch; maer oock om d'overvloet van was, ho-
nigh,
|}<noinclude></noinclude>
8hs2bk5zchsflyxy5ozqrmraw8vei3j
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/10
104
86604
222296
2026-05-31T17:48:05Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '??? N ?‹ S. T H B O 32 nigh, wiltvangj cn hour, bequaem tot bouwHof en fijn vaendel verloor : de Kapiteyn lu?ŸJik'Si'S'fen, daer af oock , gelijck wy/eggen fullen , de k?? ^ en fijn Luytenant de Heer van Crotadcjvermaerde vefting Codack gemaeckt wierdt en veel vreemdelingen. Na def?¨ ne?Šrlaegh bleefin alle welcke dingen het d'andere plaetfen d'oorlogh noch fiepende tot aen d'O??tober-overtreft. Dele rivier loopt echter raet een t…
222296
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>??? N ?‹ S. T H B O 32 nigh, wiltvangj cn hour, bequaem tot bouwHof en fijn vaendel verloor : de Kapiteyn lu?ŸJik'Si'S'fen, daer af oock , gelijck wy/eggen fullen , de k?? ^ en fijn Luytenant de Heer van Crotadcjvermaerde vefting Codack gemaeckt wierdt en veel vreemdelingen. Na def?¨ ne?Šrlaegh bleefin alle welcke dingen het d'andere plaetfen d'oorlogh noch fiepende tot aen d'O??tober-overtreft. Dele rivier loopt echter raet een tra- maent van 't volgende jaer , daer de vrede opge loop af,, van't welck de menighte der boch- volghde. De groote en dapperfte Koniecpolski,ten oorfaeck fijn. Hy heeft evenwel (om fijn een heyr van vier duyfent mannen by fich heb-wo nder lij eken overvloet, gelijck ick geloofjby bende , was felf naer Kodack getrocken , daerde Cofacken met recht de naem van heylige hy een geheele maent bleef, in de welcke hy de-rivier verkregen. My heught dat ick in 't begin f?¨ vefting verfbrghde,en daer na trock hy wegh,van de len ten in def?¨ rivier haring en fte uren met twee duyfent krijgslieden by fich. Hy be-heb fien vangen, 't welck in d'andere rivieren val ondertuftchen aen my , eenige benden ennietgefchiedt. veltftucken by my hebbende , alles te befichci-Een weynigh beneden het geweft van Kons- gen tot voorby de lefte watervallen j want hyky Oflfow , ontmoet men Kniazpyo ?–ftrem, oft geboodt my dat ick , in mijn wederkeeren , methet eylandt van de Hartogh , feer kleyn, en mijn krijgslieden , in de fchuyten der Cofackenklip-achtigh,Omtrent fes hondert fchreden lang, gevoert, de rivier weer op fou n ecken , in 't ge-en hondert breet; echter vry van overvloeying felfchap van de Heer Oftrorog , toen Opper-in de Lenten ; gelijck oock Konski Oflio-w, dat kamerling van 't Rijck. in defe plaetl?¨n konnenoneffen is , en niet vol van boftchen , maer van geen hondert , veel min duylent menfchen ,flangen is. veyligh fijn, ja felfgeen geheel heyr,'t en fy hetEen fchoot weeghs hier van af nederwaerts in alle voorfichtigheyt, cn na dar het alles welleght Kodak, d'eerfte Porok , oft drumpel van befichtight heeft, voorttreckt. Want in defede Boryfthenes; 't welck niets anders is, dan geweften onthouden fich de Tartaren, die, geeneen f?¨kere reecks van klippen , dwars over de vafte wooning hebbende , overal in de woefterivier uytgeftreckt, die de fcheepvaert beletten, landen fwerven en rooven , en deurgaens nietHier heb ick , in de maent lulius van 't jaer minder dan fes , ja dickwijls tien duyl?¨nt man-1(535, begonnen een kafteel te bouwen ; maer nen in yder troep fterck fijn. Ick fal elders dein de maent Auguftus van 't feltde jaer , na feden der Tartaren , en hun gewoonte van oor-mijn vertreck , wierdt het van feker Solyman , logen , befchrijven ; maer ick fal hier alleenlijtkVelt-overfte der afgevalle Cofacken , van d'Eu- feggen, dat dit my tot groote eer
verftrecktxinuswecrkeerende,om dat hetfchadeiijck voor heeft, dat ick alle de dartien water-fiortingende wederkeering der fijnen was , die op roof van de Boryfthenes m.et een fchaytje ( twekkuytgingen, overweldight, met verdelging van in 't eerft by veel menfchen vreeojt lal fchij-twee hondert befettelingen onder de Kolonel nen ,) deurgevaren ben. En dewijl eenige vanMarion. Defe wederfpannige , dit gedaen heb- defe watervallen feven , eenigen acht voetenbende , verforghde voor fich en voorde fijnen hoogh fijn, foo wilickdeleler laten oordelendoor de vlucht, en trock over de watervallen wat gevaer ick daer heb moeten uyt 11 aen. Devan de rivier. Defe boosheydt bleef echter niet Cofacken willen niemant, die alle defe water-lang ongeftraft. Want hy wierdt van d'andere vallen niet befocht heeft, in hun krijgs-orde-Cofacken, die getrouw gebleven waren , onder ning ontfangen: in voegen dat ick, nae hun 00r-'t beleyt van de groote Koniecpolski, Kafteleyn deel, oock onder hun krijgs-ordening aengeno-van Krakou , en Generael van 't heyr , belegert, men magh worden, en dit is d eer, die ick in de-en gefamentlijck met fijn mede-hulpers ge- fe tocht verkregen heb. vangen , en naer Warfchou gebracht, en daer Maer om de lefer niet langer op te houden, in ftucken gehackt. Maer toen ondertuftchen foo fal ick feggen , dat Powky een Ruftifche de Polen de bewaring van dit kafteel ver- naem is, als of men drumpel van een rivier waerloofden , fchepten de Cofacken weder feyde. Want dwars over de rivier leggen klip- moedt, en vielen weer af, in't jaer 1037Â? Wy pen , aen malkander gefchaekelt, gelijck een ontmoetten hen in hun leger, oftabor, in ach- keten , en eenigen van defe klippen fijn blint tien duyf?¨nt ftrijdbare mannen beftaende , by en onder't water verborgen, en anderen ftee- de ftadt Kumyky , op de 6 van December in 't ken acht of tien voeten boven 't water uyt, en f?¨ifde jaer , ontrent op de middagh : en hoewel vertoonen fich foo groot als huyfen in voegen wy veelminder van getal waren , te weten niet datfy , een dijck gelij ckende, de loop van de meer dan vier duyfent mannen , foo taften wy rivier belemmeren, de welck op fbmmige plaet- lien evenwel aen , floegen hen , en dreven hen fen vijf, en op anderen fes voeren afvalt, nae op de vlucht. De ftrijdt duurde tot aen de mid- dat het water van de Boryfthenes hoogh of dernacht, in de welcke van de vyanden fes duy- laegh is; het welck defe rivier onbevarelijcfc f?¨nt fneuvelden ; en fy verloren oock vijf ftuc- maeckt. In de lenten, als de fneeuw gefmolten ken gefchuts. D'anderen , die toen het fwaert is , fijn alle defe water-vallen onder de golven ontquamen , geraeckten wech door de duyfter- verborgen, behalven de fevende , Menafity heyt van de nacht. Van d'onfen wierden hon- genoomt, die alleen in def?¨ tijdt de
fcheepvaert dert gedoot, en duyfent gewond : onder de op defe rivier belet. Maer inde fomer, enin welcken oock veel Overfteif fneuvelden ; gelijck 't voorfte van de herfft , als het water laegh is, de Heer van Morveil, een Franfch Edelman, fteken defe klippen op eenige plaetfen tien , en die Luytenant Colone! was ^ en daer het leven op anderen vijftien voeten boven de golven Pckn* G 2 i: ;V1 Xntazojv O?ŸroiP- .1 r Kodak !} r I â– I, I 4 i-.! , 1If I.<noinclude></noinclude>
0nv597rf25djrwqmpjzb3jom7abyoxy
222317
222296
2026-05-31T18:13:10Z
Nederlandse Leeuw
797
222317
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
nigh, wiltvangj cn hour, bequaem tot bouwHof en fijn vaendel verloor : de Kapiteyn lu?ŸJik'Si'S'fen, daer af oock , gelijck wy/eggen fullen , de k?? ^ en fijn Luytenant de Heer van Crotadcjvermaerde vefting Codack gemaeckt wierdt en veel vreemdelingen. Na def?¨ ne?Šrlaegh bleefin alle welcke dingen het d'andere plaetfen d'oorlogh noch fiepende tot aen d'O??tober-overtreft. Dele rivier loopt echter raet een tra- maent van 't volgende jaer , daer de vrede opge loop af,, van't welck de menighte der boch- volghde. De groote en dapperfte Koniecpolski,ten oorfaeck fijn. Hy heeft evenwel (om fijn een heyr van vier duyfent mannen by fich heb-wo nder lij eken overvloet, gelijck ick geloofjby bende , was felf naer Kodack getrocken , daerde Cofacken met recht de naem van heylige hy een geheele maent bleef, in de welcke hy de-rivier verkregen. My heught dat ick in 't begin f?¨ vefting verfbrghde,en daer na trock hy wegh,van de len ten in def?¨ rivier haring en fte uren met twee duyfent krijgslieden by fich. Hy be-heb fien vangen, 't welck in d'andere rivieren val ondertuftchen aen my , eenige benden ennietgefchiedt. veltftucken by my hebbende , alles te befichci-Een weynigh beneden het geweft van Kons- gen tot voorby de lefte watervallen j want hyky Oflfow , ontmoet men Kniazpyo ?–ftrem, oft geboodt my dat ick , in mijn wederkeeren , methet eylandt van de Hartogh , feer kleyn, en mijn krijgslieden , in de fchuyten der Cofackenklip-achtigh,Omtrent fes hondert fchreden lang, gevoert, de rivier weer op fou n ecken , in 't ge-en hondert breet; echter vry van overvloeying felfchap van de Heer Oftrorog , toen Opper-in de Lenten ; gelijck oock Konski Oflio-w, dat kamerling van 't Rijck. in defe plaetl?¨n konnenoneffen is , en niet vol van boftchen , maer van geen hondert , veel min duylent menfchen ,flangen is. veyligh fijn, ja felfgeen geheel heyr,'t en fy hetEen fchoot weeghs hier van af nederwaerts in alle voorfichtigheyt, cn na dar het alles welleght Kodak, d'eerfte Porok , oft drumpel van befichtight heeft, voorttreckt. Want in defede Boryfthenes; 't welck niets anders is, dan geweften onthouden fich de Tartaren, die, geeneen f?¨kere reecks van klippen , dwars over de vafte wooning hebbende , overal in de woefterivier uytgeftreckt, die de fcheepvaert beletten, landen fwerven en rooven , en deurgaens nietHier heb ick , in de maent lulius van 't jaer minder dan fes , ja dickwijls tien duyl?¨nt man-1(535, begonnen een kafteel te bouwen ; maer nen in yder troep fterck fijn. Ick fal elders dein de maent Auguftus van 't feltde jaer , na feden der Tartaren , en hun gewoonte van oor-mijn vertreck , wierdt het van feker Solyman , logen , befchrijven ; maer ick fal hier alleenlijtkVelt-overfte der afgevalle Cofacken , van d'Eu- feggen, dat dit my tot groote eer
verftrecktxinuswecrkeerende,om dat hetfchadeiijck voor heeft, dat ick alle de dartien water-fiortingende wederkeering der fijnen was , die op roof van de Boryfthenes m.et een fchaytje ( twekkuytgingen, overweldight, met verdelging van in 't eerft by veel menfchen vreeojt lal fchij-twee hondert befettelingen onder de Kolonel nen ,) deurgevaren ben. En dewijl eenige vanMarion. Defe wederfpannige , dit gedaen heb- defe watervallen feven , eenigen acht voetenbende , verforghde voor fich en voorde fijnen hoogh fijn, foo wilickdeleler laten oordelendoor de vlucht, en trock over de watervallen wat gevaer ick daer heb moeten uyt 11 aen. Devan de rivier. Defe boosheydt bleef echter niet Cofacken willen niemant, die alle defe water-lang ongeftraft. Want hy wierdt van d'andere vallen niet befocht heeft, in hun krijgs-orde-Cofacken, die getrouw gebleven waren , onder ning ontfangen: in voegen dat ick, nae hun 00r-'t beleyt van de groote Koniecpolski, Kafteleyn deel, oock onder hun krijgs-ordening aengeno-van Krakou , en Generael van 't heyr , belegert, men magh worden, en dit is d eer, die ick in de-en gefamentlijck met fijn mede-hulpers ge- fe tocht verkregen heb. vangen , en naer Warfchou gebracht, en daer Maer om de lefer niet langer op te houden, in ftucken gehackt. Maer toen ondertuftchen foo fal ick feggen , dat Powky een Ruftifche de Polen de bewaring van dit kafteel ver- naem is, als of men drumpel van een rivier waerloofden , fchepten de Cofacken weder feyde. Want dwars over de rivier leggen klip- moedt, en vielen weer af, in't jaer 1037Â? Wy pen , aen malkander gefchaekelt, gelijck een ontmoetten hen in hun leger, oftabor, in ach- keten , en eenigen van defe klippen fijn blint tien duyf?¨nt ftrijdbare mannen beftaende , by en onder't water verborgen, en anderen ftee- de ftadt Kumyky , op de 6 van December in 't ken acht of tien voeten boven 't water uyt, en f?¨ifde jaer , ontrent op de middagh : en hoewel vertoonen fich foo groot als huyfen in voegen wy veelminder van getal waren , te weten niet datfy , een dijck gelij ckende, de loop van de meer dan vier duyfent mannen , foo taften wy rivier belemmeren, de welck op fbmmige plaet- lien evenwel aen , floegen hen , en dreven hen fen vijf, en op anderen fes voeren afvalt, nae op de vlucht. De ftrijdt duurde tot aen de mid- dat het water van de Boryfthenes hoogh of dernacht, in de welcke van de vyanden fes duy- laegh is; het welck defe rivier onbevarelijcfc f?¨nt fneuvelden ; en fy verloren oock vijf ftuc- maeckt. In de lenten, als de fneeuw gefmolten ken gefchuts. D'anderen , die toen het fwaert is , fijn alle defe water-vallen onder de golven ontquamen , geraeckten wech door de duyfter- verborgen, behalven de fevende , Menafity heyt van de nacht. Van d'onfen wierden hon- genoomt, die alleen in def?¨ tijdt de
fcheepvaert dert gedoot, en duyfent gewond : onder de op defe rivier belet. Maer inde fomer, enin welcken oock veel Overfteif fneuvelden ; gelijck 't voorfte van de herfft , als het water laegh is, de Heer van Morveil, een Franfch Edelman, fteken defe klippen op eenige plaetfen tien , en die Luytenant Colone! was ^ en daer het leven op anderen vijftien voeten boven de golven Pckn* G 2 i: ;V1 Xntazojv O?ŸroiP- .1 r Kodak !} r I â– I, I 4 i-.! , 1If I.
|}<noinclude></noinclude>
3gdeh8suo6zmi4f238632i9wmg0iq6q
222369
222317
2026-06-01T06:23:38Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Problematisch */
222369
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
nigh, wiltvangj cn hour, bequaem tot bouwHof en fijn vaendel verloor : de Kapiteyn lu?ŸJik'Si'S'fen, daer af oock , gelijck wy/eggen fullen , de k?? ^ en fijn Luytenant de Heer van Crotadcjvermaerde vefting Codack gemaeckt wierdt en veel vreemdelingen. Na def?¨ ne?Šrlaegh bleefin alle welcke dingen het d'andere plaetfen d'oorlogh noch fiepende tot aen d'O??tober-overtreft. Dele rivier loopt echter raet een tra- maent van 't volgende jaer , daer de vrede opge loop af,, van't welck de menighte der boch- volghde. De groote en dapperfte Koniecpolski,ten oorfaeck fijn. Hy heeft evenwel (om fijn een heyr van vier duyfent mannen by fich heb-wo nder lij eken overvloet, gelijck ick geloofjby bende , was felf naer Kodack getrocken , daerde Cofacken met recht de naem van heylige hy een geheele maent bleef, in de welcke hy de-rivier verkregen. My heught dat ick in 't begin f?¨ vefting verfbrghde,en daer na trock hy wegh,van de len ten in def?¨ rivier haring en fte uren met twee duyfent krijgslieden by fich. Hy be-heb fien vangen, 't welck in d'andere rivieren val ondertuftchen aen my , eenige benden ennietgefchiedt. veltftucken by my hebbende , alles te befichci-Een weynigh beneden het geweft van Kons- gen tot voorby de lefte watervallen j want hyky Oflfow , ontmoet men Kniazpyo ?–ftrem, oft geboodt my dat ick , in mijn wederkeeren , methet eylandt van de Hartogh , feer kleyn, en mijn krijgslieden , in de fchuyten der Cofackenklip-achtigh,Omtrent fes hondert fchreden lang, gevoert, de rivier weer op fou n ecken , in 't ge-en hondert breet; echter vry van overvloeying felfchap van de Heer Oftrorog , toen Opper-in de Lenten ; gelijck oock Konski Oflio-w, dat kamerling van 't Rijck. in defe plaetl?¨n konnenoneffen is , en niet vol van boftchen , maer van geen hondert , veel min duylent menfchen ,flangen is. veyligh fijn, ja felfgeen geheel heyr,'t en fy hetEen fchoot weeghs hier van af nederwaerts in alle voorfichtigheyt, cn na dar het alles welleght Kodak, d'eerfte Porok , oft drumpel van befichtight heeft, voorttreckt. Want in defede Boryfthenes; 't welck niets anders is, dan geweften onthouden fich de Tartaren, die, geeneen f?¨kere reecks van klippen , dwars over de vafte wooning hebbende , overal in de woefterivier uytgeftreckt, die de fcheepvaert beletten, landen fwerven en rooven , en deurgaens nietHier heb ick , in de maent lulius van 't jaer minder dan fes , ja dickwijls tien duyl?¨nt man-1(535, begonnen een kafteel te bouwen ; maer nen in yder troep fterck fijn. Ick fal elders dein de maent Auguftus van 't feltde jaer , na feden der Tartaren , en hun gewoonte van oor-mijn vertreck , wierdt het van feker Solyman , logen , befchrijven ; maer ick fal hier alleenlijtkVelt-overfte der afgevalle Cofacken , van d'Eu- feggen, dat dit my tot groote eer
verftrecktxinuswecrkeerende,om dat hetfchadeiijck voor heeft, dat ick alle de dartien water-fiortingende wederkeering der fijnen was , die op roof van de Boryfthenes m.et een fchaytje ( twekkuytgingen, overweldight, met verdelging van in 't eerft by veel menfchen vreeojt lal fchij-twee hondert befettelingen onder de Kolonel nen ,) deurgevaren ben. En dewijl eenige vanMarion. Defe wederfpannige , dit gedaen heb- defe watervallen feven , eenigen acht voetenbende , verforghde voor fich en voorde fijnen hoogh fijn, foo wilickdeleler laten oordelendoor de vlucht, en trock over de watervallen wat gevaer ick daer heb moeten uyt 11 aen. Devan de rivier. Defe boosheydt bleef echter niet Cofacken willen niemant, die alle defe water-lang ongeftraft. Want hy wierdt van d'andere vallen niet befocht heeft, in hun krijgs-orde-Cofacken, die getrouw gebleven waren , onder ning ontfangen: in voegen dat ick, nae hun 00r-'t beleyt van de groote Koniecpolski, Kafteleyn deel, oock onder hun krijgs-ordening aengeno-van Krakou , en Generael van 't heyr , belegert, men magh worden, en dit is d eer, die ick in de-en gefamentlijck met fijn mede-hulpers ge- fe tocht verkregen heb. vangen , en naer Warfchou gebracht, en daer Maer om de lefer niet langer op te houden, in ftucken gehackt. Maer toen ondertuftchen foo fal ick feggen , dat Powky een Ruftifche de Polen de bewaring van dit kafteel ver- naem is, als of men drumpel van een rivier waerloofden , fchepten de Cofacken weder feyde. Want dwars over de rivier leggen klip- moedt, en vielen weer af, in't jaer 1037Â? Wy pen , aen malkander gefchaekelt, gelijck een ontmoetten hen in hun leger, oftabor, in ach- keten , en eenigen van defe klippen fijn blint tien duyf?¨nt ftrijdbare mannen beftaende , by en onder't water verborgen, en anderen ftee- de ftadt Kumyky , op de 6 van December in 't ken acht of tien voeten boven 't water uyt, en f?¨ifde jaer , ontrent op de middagh : en hoewel vertoonen fich foo groot als huyfen in voegen wy veelminder van getal waren , te weten niet datfy , een dijck gelij ckende, de loop van de meer dan vier duyfent mannen , foo taften wy rivier belemmeren, de welck op fbmmige plaet- lien evenwel aen , floegen hen , en dreven hen fen vijf, en op anderen fes voeren afvalt, nae op de vlucht. De ftrijdt duurde tot aen de mid- dat het water van de Boryfthenes hoogh of dernacht, in de welcke van de vyanden fes duy- laegh is; het welck defe rivier onbevarelijcfc f?¨nt fneuvelden ; en fy verloren oock vijf ftuc- maeckt. In de lenten, als de fneeuw gefmolten ken gefchuts. D'anderen , die toen het fwaert is , fijn alle defe water-vallen onder de golven ontquamen , geraeckten wech door de duyfter- verborgen, behalven de fevende , Menafity heyt van de nacht. Van d'onfen wierden hon- genoomt, die alleen in def?¨ tijdt de
fcheepvaert dert gedoot, en duyfent gewond : onder de op defe rivier belet. Maer inde fomer, enin welcken oock veel Overfteif fneuvelden ; gelijck 't voorfte van de herfft , als het water laegh is, de Heer van Morveil, een Franfch Edelman, fteken defe klippen op eenige plaetfen tien , en die Luytenant Colone! was ^ en daer het leven op anderen vijftien voeten boven de golven Pckn* G 2 i: ;V1 Xntazojv O?ŸroiP- .1 r Kodak !} r I â– I, I 4 i-.! , 1If I.
|}<noinclude></noinclude>
12cwemuvlm2n2u5k1bvw6ep8qspngwj
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/11
104
86605
222297
2026-05-31T17:50:46Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Proefgelezen */
222297
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|T R A C T V S}}
{{center|B O R Y S T H E N I S}}
{{center|Vulgo DNIEPR et NIEPR dicti,}}
{{center|à CHORTYKA OSTRO ad Urbem OCZAKOW}}
{{center|''ubi in PONTUM EUXINUM''}}
{{center|''se exonerat''.}}<noinclude></noinclude>
4assueurjpro6l9hmaowhs1ellf2i2s
De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/''Tusschenrede, Persoonverbeelding''
0
86606
222298
2026-05-31T17:59:27Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
222298
wikitext
text/x-wiki
<pages index="De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu" from=200 to=219 fromsection=s2 tosection=s1 header=1/>
[[Categorie:Schouburg]]
3fs6djv7nozrw89kepk4vtch4m0ni6j
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/12
104
86607
222300
2026-05-31T18:04:18Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{{center|B O R Y S T H E N E S}} {| |----- | uyt: en onder dese dartien watervallen sijn niet meer dan twee , namelijck de tiende, ''Bodilow'' genoemt, en d'elfde , Tawolesan geheeten , daer de Tartars over de rivier konnen swemmen , uyt oorfaeck van de gemackelijcke opkomst aen de oevers, en dit van d'eerfte tot aen de lefte. De rivier fet, als het water hoogh wordt, alle eylanden onder, behalven twee , 't eerfte aen d'eerfte wat…
222300
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
uyt: en onder dese dartien watervallen sijn niet meer dan twee , namelijck de tiende, ''Bodilow''
genoemt, en d'elfde , Tawolesan geheeten , daer
de Tartars over de rivier konnen swemmen ,
uyt oorfaeck van de gemackelijcke opkomst
aen de oevers, en dit van d'eerfte tot aen de
lefte. De rivier fet, als het water hoogh wordt,
alle eylanden onder, behalven twee , 't eerfte
aen d'eerfte waterval , St}eky genoemt, het
welck in 't geheel een fteyle klip is, dartigh
voeten hoogh , vijf hondert fchreden lang , enf
zeventigh of tachtigh breet. Men weet niet of
daer water op is, om dat niemant, behalven
't gevogelte , daer op kan komen. Men siet
echter dat dit eylandt rontom met wilde wijn-
aerden befet-is. 't Ander eylandt is grooter
dan 't eerfte, en heeft in de langte omtrent
twee duyfent fchreden, en hondert en vijftigh
in de breette. Dit is oock gantfch klippigh,
doch lichter om aen te komen. Defe plaets is
fterck van natuur, en bequaem om te bewoo-
nen. Hier waft een boom, van d'inwoonders
Tavola genoemt, roodt van koleur, cn foo
hardt als ebbenhoudt , 't welck kracht heeft om
de paerden te doen piften. Dit eylandt word
trawoicu' fa-????ok^aml genoemt , welcke naem oock aen
d'elfde waterval van de Boryfthenes gemeen
is, gelijck hier voor is gefeght. De tiende wa-
terval wordt Wolvy, dat is, Vry genoemt, een
plaets, die feer bequaem is tot de bouwing van
een vefting.
Een weynigh hooger,foo wijt als men met een
ftuck gefchuts befchieten kan , leght een ey-
landt , geheel van klippen, van de Cofacken
''Kuczanowice'' genoemt , als of men plaets der
Bacchanten of ftempers feyde , om dat de Co-
facken , alle de watervallen deurgeraeckt, daer
van blyfchap hippelen en fpringen , en daer
feestdagh houden , met groen om 't hooft ver-
ciert, en fich, volgens de gewoonte van hun
landt, in't fant, gelijck een meulen , rontom
wentelen.
Een weynigh laeger dan Kuc^ano'Since , tot
aen Kuc^kofow , fijn feer vermakelijcke plaet-
fen. Kuc^kojoi^ is een kleyne rivier , van de
ftjdevan Tartarien in de Boryfthenes vloejen-
de, van de welcke een gedeelte van 't landt de
naem voert, en 't ander deel van de Boryfthe-
nes , van daer het met ontoeganckelijcke klip-
pen beftoten is, gelijck uyt de kaert blijckt.
De toegang tot dit landt is fbo fteyl, dat men
daer niet dan van een plaets aen de lantsijde
inkomen kan. Het is omtrent twee duyfent
schreden lang, en in de laeghte gelegen. Hier
sou beqoaemheyt ftjn om een treftelijcke en
ftercke ftadt te bouwen. Het landt felf, onge-
lijck fijnde , vertoont ftch in een ronde geftal-
te. 't Is wel waer dat alle de rivieren van Tar-
tarien hooger fijn , en dieshalven daer over te
gebieden hebben; maer men fou dit lichtelijck ,
met het bouwen van een vefting, konnen wee-
ren : want hier worden uytfteeckende plaetfen
gevonden. De Boryfthenes heeft hier f??jn volle
loop, fonder door watervallen belet te worden;
maer is echter eng ter plaets,daer hy ftch zuyd-
waerts keert , gelijck degene, die de kaert
|
befiet, lichtelijck fal bevinden. Defe rivier ishier feer eng, gelijck ick felf gefien heb , ja foo,dat de pijlen van eenige Polen , uyt een booghgefchoten, hondert fchreden verre op d'over-oever neer vielen. Men kan op defe plaets feergemackelijck over de rivier komen ; oock is 'erde gewoone overtocht der Tartars, dewijl henwater daer naeuwelijcks hondert en vijftighfchreden breet is, cn hier geen andere rivierenfijn , die hen hinderen. Het landt is oock nietmet fterckten befloten , uyt de welcke men ,foo met openbaer gewelt, als met belagingen ,de vyanden befpringen kan. Defe overtochtvoert ook de naem van Kuc^kofow. Een weynighlaeger, namelijck een half mijl van daer , neemthet hooft van Chorticzafijn begin. Doch dewijlick niet veerder die wegh heen heb geweeft, fbofal ick dat feggen, 't welck ick uyt het geloof-waerdigh verhael van anderen verftaen heb ,'t gene ick echter niet voor fekerheyt toefeggenwil. Men feght dat dit eylandt f?¨er veyligh is,fop om fijn hooghte, als om fijn fteylte van al-le fijden , om de welcke het oock onbewoontis. Het is twee mijlenlang, en een half mijlbreedt, en noch meeft van voren ; want terplaets, daer het fich weftvvaerts ftreckt, wordtiet fmalder. Het wordt nooit van de rivier on- ,dergefet. Het fou feer bequaem om te bewoo-nen fijn, en oock dienftigh om veftingen te-gen de tochten der Tartaren te maeken. Be-neden dit eylandt fpreydt de Boryfthenes fichwijder uyt. Een weynigh laeger leght Jfeliki Of??royp , of rmi^'t groot eylandt, twee mijlen in de langte uyt-geftreckt, en gantfch onvruchtbaer en onnut.Het loopt in de lenten oock onder, behalvenin 't midden, daer het met een hooghte van om-trent vijftien hondert oft twee duyfent fchre-den in de lijn , die over dwars deurgaet, bovenwater blijft. Aen d'overfijde van dit eylandt,uyt het geweft van Tartarien, vloeyt de rivierKonskawoda in de Boryfthenes, Defe rivier,die feer fnel is, behoudt in de Boryfthenes,aen de fijde van Tartarien,de loop van fijn eygewater befonder, twee mijlen verre, en tot aen't eylandt Tawan. Doch hy, eyndelijck in fijnloop vermoeydt, en een groote fantbanck tuf-fchen fijn eyge gracht en de Boryfthenes ge-maeckt hebbende , vermengt fich eyndelijckmet de Neper. 7omacho^'ka is een eylandt , byna geheel Tcmcront gelijck een halve maen, in fijn middellijnomtrent drie vierendeel van een mijl groot, enhoogh, met boomen befet. Als men op desfelfs hooghte'ftaet, fbo kan men wijt en breetde geheele Boryfthenes , van Chorticza totaen Tawan, befchouwen. Dit eylandt is feeraengenaem van gelegenheyt, fchoon des felfsoevers niet aen my bekent fijn. 't Is echter naer-der aen de Ruften, dan aen de Tartars. Chmiel-nichi. Velt overfte der Cofacken, daer na doorfbo veel
overwinningen vermaert, met fijn aen-hang van de Polen afgevallen, hadt defe plaetsboven anderen tot fijn wijck gefchickt, toen hyvreefde dat hy belegert fou worden 't welck in't jaer 1(548 in May-maeat gebeurde, in de welcke
|}<noinclude></noinclude>
9u8zp42z11c1jpu26ogte2ut7rt44al
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/13
104
86608
222301
2026-05-31T18:04:33Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '??? m B O R Y S T H ?ˆ N ?Š S. welcke oock de Polen , met groote bloetflor- over de rivier , g?Šlijck oock over ^t eylant ?•Cier. ting, by Corfune, verflagen wierden. Kofiiiatka is een half mijl breet, tuflTchen het Een weynigh beneden de genoemde rivier welck, en tuflthen Rulchlant feekere arm van legt Czortomielick , oft Duyvelsmolen , in't de rivier is, oock Kofmatka genoemt, langs de midden van de Boryflihenes, een groot eylan…
222301
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>??? m B O R Y S T H ?ˆ N ?Š S. welcke oock de Polen , met groote bloetflor- over de rivier , g?Šlijck oock over ^t eylant ?•Cier. ting, by Corfune, verflagen wierden. Kofiiiatka is een half mijl breet, tuflTchen het Een weynigh beneden de genoemde rivier welck, en tuflthen Rulchlant feekere arm van legt Czortomielick , oft Duyvelsmolen , in't de rivier is, oock Kofmatka genoemt, langs de midden van de Boryflihenes, een groot eylandt, welcke de Cofacken fich heymelijck ter zee en door d'oude muren vermaert. Dit eylandt begeven, uyt vrees van de Turckfche befet- is van meer dan tien duyf?¨nt kleyne eylantjes ting , die gedurighlijck de wacht houdt in een in de langte en breette omringt, welcker ilant oudt kafteel , Oftan Karadenis genoemt, by ongelijck en verwart is. Sommigen daer afheb- d'oude puynhoopen, tegen over't eylandt Ta- ben poelen , anderen leggen droogh, en het wan, gelegen. meefte deel is met biefen , oft met riet, een Tawan is f?¨kere engte , en groote overtocht pieck hoogh, befet, daer door men qualijck kan der Tartaren, om dat de geheele rivier fich daer fien waer fy van malkander fcheyden. De intreckt, en naeuwelijcks vijf hondert fchre- kromrae gelegenheyt defer eylanden geeft aen den wijt is. D'oever van Ruftant is feer hoogh de Cofacken een veyligh vertreck, 't welck fy en fteyl ; maer d'andere oever over 't eylant Slearbnica Woyskowa, oft Krijgs-threfoor noe- Tawan is laegh. Wat het eylandt Tawan aen- men. Alle defe eylanden worden in delenten gaet, dewijl het in de lenten niet onderloopt, van de Boryfthenes ondergefet, behalven ter foo fou het feer bequaem fijn om het ftroopen plaets, daer d'oude muren ftaen, die boven der Cofacken op de zee te beletten. De rivier water blijven. De Boryfthenes is hier een mijl vloeyt hier ineen gracht, twee mijlen verre, wijdt van d'een tot aen d'ander oever. Alle de daer hy weer door eylanden gedeelt wordt, en Turckfche macht foude in defe plaets mach- verfcheyde waterloopen heeft, teloos fijn ; en hier fijn oock veel galeyen Tawan is dardehalf mijien lang, en een half vergaen , die de Cofacken , met rijcke roof mijl breet. De ftroom, tuffchen Tartarien en weder naer hun landt keerende, vervolghden. dit eylant word Konskawoda genoemt, van de Want fy, in def?¨ doolhoven verwart, konden welcke hier voor gefproken is. Men kan def?¨ niet wederkeeren maer wierden vande Cofac- ftroom deurwaden , behalven dan, alsdeBo- ken, met hun fchuyten in def?¨ ruyghten ver- ryfthenes overvloet van water heeft. Het we- borgen leggende , verdelgt. En hier uyt fpruyt fterlijck deel van dit eylant loopt onder water, het dat de Turckfche galeyen de Cofakfche 't Eylant, Kofaki genoemt, is omtrent een roovers niet veerder durven vervolgen dan vier half mijl lang , en echter 't ondervloeyen onder- of vijf mijlen van de Pontus
Euxinus. De Polen worpen. achten, doch uyt een onfeecker gerucht, dat Burnhauka beftaet de plaets van omtrent een dit eylandt het Krijgs-threfoor genoemt wort, half mijl, en loopt oock onder, Hier is een ge- omdat de Cofacken daer hun gefchut verbet- woone overtocht der Tartaren over de rivier; gen. Want behalven dat de Poolfche krijgslie- en hier fijn drie armen van de rivier, die men den niet foo verre komen, foo willen de Cofac- deurwaden kan. Konskawoda is d'eerfte; en ken , die hun geheymeniffen wel verfwijgen twee van de Boryfthenes, van de welcken d'een konnen, dit geheym niet aen hen openbaren : niet deurwadelijckis, oock fijn'er weynigh Cofacken , die dit we- Van Kuczkafbw tot aen Oczakow fijn vijf ten. Sy begraven echter alle het gefchut, dat deurwadingen , daer de Tartars overtrecken. p^jf fy de Turcken afnemen, in defe plaets; gelijck D'eerfte is Kuczkofbw, en de tweede Nofbwka, â€? oock hun geit, 't welck fy niet van daer halen, de welcke feer kommerlijck is, drie vierendeel Jgg^'.^ dan in d'uyterfte noot, elck uyt fijn eygen hol: vaneen mijl lang, en vol van eylantjes, met want na dat fy op de Turcken roof gehaelt biefen befet , behalven noch de verfcheyde hebben, en we??rgekeert fijn, deelen fy de roof, armen van de rivier, ontfachelijck voor de Tar- die yder voor iich felf onder 't water verberght, taren, uyt oorfaeck van de Cofacken , die fich op dat fy niet lichtelijck van anderen gevonden daer verbergen: in voegen dat defe woefte volc- fou worden. De Cofacken maken in defe plaets keren felden defe overtocht fbecken. oock hun fchuyten, Czolny genoemt, omtrent De derde en beter overtocht is Tawan, foo ^iedetde 3 feftigh voeten lang, en tien of twaelf voeten om datfy niet veerder dan drie dagh-reyf?¨n van breedt, doch maer acht voeten diep, yder met de ftadt Crim is, als om dat men lichtelijck twee riemen, voor en achter, gelijck hier na daer over kan geraeken. Sy beftaet uyt twee uyt d'afbeelding fal blijcken. armen j d'eerfte wordt Konskawoda genoemt, Kier is een eylant, vijf of f?¨s mijlen lang, daer men deurwadenkan ; de tweede is de Bo- geheel vlack, en met riet en wilgen bedeed, ryfthenes ,die men overfwemt, alsnaeuwelijck 't Eylandt is breeder naer de fijde van Ruflant, vijf of fes hondert fchreden breet fijnde. dan van Tartaryen, en des felfs weftfijde loopt De vierde overtocht is Burnhawka, niet fbo devwdts nooy tonder. gemackelijck als de voorgaende. Hier fijn drie Welika Woda, of Grootwater,legt tegen over armen van de rivier : d'een is Konskawoda ,â€? en Skorouka. De rivier is hier vol van kleyne ey- de Boryfthenes tweemael, van de welcke geen lantjes. In't midden fiet men een aengenaeme deurwadelijckis. plaets. De vijfde en lefte overtocht is Oczakow, die eÂ? vijfde, Nofokowka is twee mijlen lang, fonder eeni- de mont van de
Boryfthenes is, een Franfche ge boomen , en loopt gemenelijck onder in 't mijl breet. De Tartaren trecken'er dus over : begin van de lenten. De Tartars trecken hier Sy hebben platte fchuyten , daer fy balcken Pokn, H h dwars 'Groot ey-lant. â– V 'r t-.,3. ,1 II- ii ! j ovef-' I en Kier. Welika V^o'da. Nofol^W'U N<noinclude></noinclude>
izwnttaq4xnrezlppep190qg9dah88n
222318
222301
2026-05-31T18:13:57Z
Nederlandse Leeuw
797
222318
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
welcke oock de Polen , met groote bloetflor- over de rivier , g?Šlijck oock over ^t eylant ?•Cier. ting, by Corfune, verflagen wierden. Kofiiiatka is een half mijl breet, tuflTchen het Een weynigh beneden de genoemde rivier welck, en tuflthen Rulchlant feekere arm van legt Czortomielick , oft Duyvelsmolen , in't de rivier is, oock Kofmatka genoemt, langs de midden van de Boryflihenes, een groot eylandt, welcke de Cofacken fich heymelijck ter zee en door d'oude muren vermaert. Dit eylandt begeven, uyt vrees van de Turckfche befet- is van meer dan tien duyf?¨nt kleyne eylantjes ting , die gedurighlijck de wacht houdt in een in de langte en breette omringt, welcker ilant oudt kafteel , Oftan Karadenis genoemt, by ongelijck en verwart is. Sommigen daer afheb- d'oude puynhoopen, tegen over't eylandt Ta- ben poelen , anderen leggen droogh, en het wan, gelegen. meefte deel is met biefen , oft met riet, een Tawan is f?¨kere engte , en groote overtocht pieck hoogh, befet, daer door men qualijck kan der Tartaren, om dat de geheele rivier fich daer fien waer fy van malkander fcheyden. De intreckt, en naeuwelijcks vijf hondert fchre- kromrae gelegenheyt defer eylanden geeft aen den wijt is. D'oever van Ruftant is feer hoogh de Cofacken een veyligh vertreck, 't welck fy en fteyl ; maer d'andere oever over 't eylant Slearbnica Woyskowa, oft Krijgs-threfoor noe- Tawan is laegh. Wat het eylandt Tawan aen- men. Alle defe eylanden worden in delenten gaet, dewijl het in de lenten niet onderloopt, van de Boryfthenes ondergefet, behalven ter foo fou het feer bequaem fijn om het ftroopen plaets, daer d'oude muren ftaen, die boven der Cofacken op de zee te beletten. De rivier water blijven. De Boryfthenes is hier een mijl vloeyt hier ineen gracht, twee mijlen verre, wijdt van d'een tot aen d'ander oever. Alle de daer hy weer door eylanden gedeelt wordt, en Turckfche macht foude in defe plaets mach- verfcheyde waterloopen heeft, teloos fijn ; en hier fijn oock veel galeyen Tawan is dardehalf mijien lang, en een half vergaen , die de Cofacken , met rijcke roof mijl breet. De ftroom, tuffchen Tartarien en weder naer hun landt keerende, vervolghden. dit eylant word Konskawoda genoemt, van de Want fy, in def?¨ doolhoven verwart, konden welcke hier voor gefproken is. Men kan def?¨ niet wederkeeren maer wierden vande Cofac- ftroom deurwaden , behalven dan, alsdeBo- ken, met hun fchuyten in def?¨ ruyghten ver- ryfthenes overvloet van water heeft. Het we- borgen leggende , verdelgt. En hier uyt fpruyt fterlijck deel van dit eylant loopt onder water, het dat de Turckfche galeyen de Cofakfche 't Eylant, Kofaki genoemt, is omtrent een roovers niet veerder durven vervolgen dan vier half mijl lang , en echter 't ondervloeyen onder- of vijf mijlen van de Pontus
Euxinus. De Polen worpen. achten, doch uyt een onfeecker gerucht, dat Burnhauka beftaet de plaets van omtrent een dit eylandt het Krijgs-threfoor genoemt wort, half mijl, en loopt oock onder, Hier is een ge- omdat de Cofacken daer hun gefchut verbet- woone overtocht der Tartaren over de rivier; gen. Want behalven dat de Poolfche krijgslie- en hier fijn drie armen van de rivier, die men den niet foo verre komen, foo willen de Cofac- deurwaden kan. Konskawoda is d'eerfte; en ken , die hun geheymeniffen wel verfwijgen twee van de Boryfthenes, van de welcken d'een konnen, dit geheym niet aen hen openbaren : niet deurwadelijckis, oock fijn'er weynigh Cofacken , die dit we- Van Kuczkafbw tot aen Oczakow fijn vijf ten. Sy begraven echter alle het gefchut, dat deurwadingen , daer de Tartars overtrecken. p^jf fy de Turcken afnemen, in defe plaets; gelijck D'eerfte is Kuczkofbw, en de tweede Nofbwka, â€? oock hun geit, 't welck fy niet van daer halen, de welcke feer kommerlijck is, drie vierendeel Jgg^'.^ dan in d'uyterfte noot, elck uyt fijn eygen hol: vaneen mijl lang, en vol van eylantjes, met want na dat fy op de Turcken roof gehaelt biefen befet , behalven noch de verfcheyde hebben, en we??rgekeert fijn, deelen fy de roof, armen van de rivier, ontfachelijck voor de Tar- die yder voor iich felf onder 't water verberght, taren, uyt oorfaeck van de Cofacken , die fich op dat fy niet lichtelijck van anderen gevonden daer verbergen: in voegen dat defe woefte volc- fou worden. De Cofacken maken in defe plaets keren felden defe overtocht fbecken. oock hun fchuyten, Czolny genoemt, omtrent De derde en beter overtocht is Tawan, foo ^iedetde 3 feftigh voeten lang, en tien of twaelf voeten om datfy niet veerder dan drie dagh-reyf?¨n van breedt, doch maer acht voeten diep, yder met de ftadt Crim is, als om dat men lichtelijck twee riemen, voor en achter, gelijck hier na daer over kan geraeken. Sy beftaet uyt twee uyt d'afbeelding fal blijcken. armen j d'eerfte wordt Konskawoda genoemt, Kier is een eylant, vijf of f?¨s mijlen lang, daer men deurwadenkan ; de tweede is de Bo- geheel vlack, en met riet en wilgen bedeed, ryfthenes ,die men overfwemt, alsnaeuwelijck 't Eylandt is breeder naer de fijde van Ruflant, vijf of fes hondert fchreden breet fijnde. dan van Tartaryen, en des felfs weftfijde loopt De vierde overtocht is Burnhawka, niet fbo devwdts nooy tonder. gemackelijck als de voorgaende. Hier fijn drie Welika Woda, of Grootwater,legt tegen over armen van de rivier : d'een is Konskawoda ,â€? en Skorouka. De rivier is hier vol van kleyne ey- de Boryfthenes tweemael, van de welcke geen lantjes. In't midden fiet men een aengenaeme deurwadelijckis. plaets. De vijfde en lefte overtocht is Oczakow, die eÂ? vijfde, Nofokowka is twee mijlen lang, fonder eeni- de mont van de
Boryfthenes is, een Franfche ge boomen , en loopt gemenelijck onder in 't mijl breet. De Tartaren trecken'er dus over : begin van de lenten. De Tartars trecken hier Sy hebben platte fchuyten , daer fy balcken Pokn, H h dwars 'Groot ey-lant. â– V 'r t-.,3. ,1 II- ii ! j ovef-' I en Kier. Welika V^o'da. Nofol^W'U N
|}<noinclude></noinclude>
embc5dypcfch0xai3m8yz6yp20syli7
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/14
104
86609
222302
2026-05-31T18:04:42Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '??? Y S T H E N E S. dwars overleggen , aen de welcken fy hun paer- een veylige ree voor de fchepen , die aen anckerden binden , die aen we??rfijden op een rijgh leggen. Onder 't kafteel ielve fiet men tweeeven veel fijn,om de fchuyten in gelijck gewicht fleden , beyde op d'afgang van de bergh , diete houden. Sy doen hun reystuygh daer in : en foofleylis van't zuydooften tot aen 't noort^fleken eyndelijck hun fchuyt van de wal af,…
222302
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>??? Y S T H E N E S. dwars overleggen , aen de welcken fy hun paer- een veylige ree voor de fchepen , die aen anckerden binden , die aen we??rfijden op een rijgh leggen. Onder 't kafteel ielve fiet men tweeeven veel fijn,om de fchuyten in gelijck gewicht fleden , beyde op d'afgang van de bergh , diete houden. Sy doen hun reystuygh daer in : en foofleylis van't zuydooften tot aen 't noort^fleken eyndelijck hun fchuyt van de wal af, en oofi;en , dat het fchijnt dat men daer af fal val-de paerden begeven fich oock allengs tot fwem- len. De muren van 't kafteel fijn omtrent twin-men , om over te geraken. Doch fy fouden hun tigh voeten hoogh , maer die van de ftadt veellichtelijck verdrincken, foo fy niet aen de fchuyt laeger. 't Getal der inwoonders is omtrent vangebonden waren j 't welck echter niet gedaen twee duyfent. Aen de zuydfijde van de ftadt iswordt, dan als de Boryfthenes ftil water heeft, een ander kafteel, plat van gedaente , echteren niet door de winden bewogen wordt. De met eenige ftucken gefchuts verfien, om de bey-Turcken voerden in mijn tijdt met dusdanige de oevers van de Boryfthenes, die daer byna eenfchuyten hun ruytery over, in een getal van geheele mijl wijt is, in plicht te houden. Ditveertigh duyfent beftaende , toen de Groote kafteel heeft een toren , daer Turckfche wachtTurck de ftadt AfiTow, aen de mont van de Ta- op is,bm eenigh teken te geven,als de Cofacken- nais gelegen, (die door de Tanaifche Cofacken, pogen fich op d'Euxinus te begeven. Doch dewelcke onder de Moskoviter ftaen , ingenomen Cofacken fpotten hier mee , want fy konnenwas ,) weer de?? belegeren , en haer oock won j op de wij fe , die ick hier na verhalen fal, lichte-dat in't jaer 1(542 gebeurde. lijekin en uyt d'Euxinus komen. Drie mijlen boven Oczakow vloeyt de rivier Omtrent een mijl van Oczakow, naer hetBoh in de Boryfthenes. Hier leght oock een zuydooften, is een bequame haven, van d'in-eylandt , dat een driehoeckige geftalte ver- woonders Berezan genoemt. De mont daer aftoont, een half mijl breet, en tegen over Sie- is omtrent twee duyfent fchreden groot ,� enmienowrok gelegen. men kan daer niet overkomen, dan te fcheep j wtmkad Boven Siemienowrok , aen de rivier Bokus tamelijck diep , en dienftigh voorde galeyen.Krjmca. fiet mcn Winokrad Krynica, of fekere fpring- Defen arm van de rivier wordt Anczakrik ge-bron op een fteylte. De plaets is aengenaem , noemt. en bequaem om te bewonen,foo om d'overvloet lezero , oft de poel Teligol is lang acht mij-
van 't hout, als om dat men daer lichtelijck len , en breet van het fevende tot het achtftemolen-werck toeftellen kan. Andrey Oftrowis deel van een mijl. De natuur heeft hier oockeen eylandt van omtrent een mijl lang, en een een affcheyding geftelt, op dat de poel fich nietvierendeel mijls breet, met boftchen befet. met de zee vermengen fou. Men vind hier fulck Pieczonybrodt is oock een gemackelijcke een overvloet van vifch, dat het water daer afovertocht. De rivier is hier niet dieper dan drie eenige ftanck geeft , dewijl'er noch vloeyingvoeten, eng, en d'oevers gemackelijck om aen noch deurtocht is.te komen j ja foo , dat men oock groot gefchut Daer is een andere poel, Kuialik genoemt,daer over voeren kan. Beneden defe plaets is de twee duyfent fchreden van de zee, oock vifch-rivier bevarelijck, en kan op veel plaetfen deur- rijck, gelijck de voorgaende. De viftchers trec-waed worden, gelijck men uyt de kaert kan fien. ken, om veyligh te fijn , in groote hoopen der-Ktzmienc- Krzemienczow is een eylandt, omtrent vijf- waerts , van omtrent vijftigh mijlen en veerder.tien hondert fchreden lang, enduyfentbreet, Men vangt daer karpers, enbrafems van won-*en twintig of vijf-en-twintig voeteh hoogh, aen derlij cke grootheyt. de noordfijde feer fteyl, maer aen de fuydfijde ^ Bialogrod is een mijl van de zee gelegen, aen Bialogrod,laeg. Hier is geen hout, dat bequaem is om de rivier Tyra , van de Turcken Kierman ge-huyfen te bouwen, 't welck echter een half mijl noemt. Defe ftadt ftaet oock onder 't gebiedtvan hier, uyt het geweft van Oczakow , ge- van den Turck. haelt wordt. Aen de noortfijde van't eylandt Kilia is oock een Turckfche ftadt, met wal- Kiiu,is feker geweft van't vafte lant, feer bequaem len en punten, op de wijfe van Europa, ver-om een vefting te bouwen, dewijl het van alle fterckt. Het kafteel, aen de Donau gelegen,fijden met wallen , als feer fteyl fijnde, om- heeft gebiedt over de ftadt, en is een mijl vanr^ngt is. de mont der rivier. Aen welcks andere oever Owczy Sorom, of nieu Konicipole is de befte het oudt Kilia leght, van 't welck men noch he-plaetsder gener die , naer Oczakow , onder den d'oude puynhoopen kan fien.deheerfchappy der Polen ftaen : welcke plaets Budziakleght tuftchen Bialogrod en Kilia, Bu^^^k-ick in't jaer eerft gefticht heb j en daer en is een vlackte van omtrent twaelf mijlenna heb ick die met een vafte vefting verfterckt. lang, en vijf oft fes mijlen breet. Sy wordt vanDefe plaets fou als een fterck wapenhuys tegen de Tartars bewoont, de welcke noch de
Turck,de Turck konnen dienen. noch de Cham gehoorfamen, maer van de roof Cczahojp. Wat Oczakow aengaet, dit is een ftadt, on- leven. Hier fijn omtrent tachtigh of tnegen-der het gebiedt van de Turcken , aen de mont tigh dorpen. Dit fijn defe ongebonde Scythen,van de Boryfthenes gelegen, van hen Dzian eeuwige ftroopers en plonderaers derChrifte-Crimenda genoemt. De Turckfche galeyen , nen j want fy fijn gelijck de vogelen , die vantot bewaring van de mont van de Boryfthenes den roof leven, en verkoopen de Podoliers engeftelt, op dat d'Euxinus niet voor de roveryen Ruften , die fy konnen vangen , om op de ga-der Cofacken bloot fou fijn , hebben hier hun leyen gebruyckt te worden. Maer fy konnenverblijf, daer wel geen haven is, maerechter echter niet lang in Ruslanr blijven, ja fy wije-ken , B O Tawolcz.!n'iL Fteczonj'Irod. KaczamwkeÂ? Z.OU) OivczySorom,<noinclude></noinclude>
82stosh8e73j6inkyv2ilambhh83pz1
222319
222302
2026-05-31T18:14:17Z
Nederlandse Leeuw
797
222319
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
dwars overleggen , aen de welcken fy hun paer- een veylige ree voor de fchepen , die aen anckerden binden , die aen we??rfijden op een rijgh leggen. Onder 't kafteel ielve fiet men tweeeven veel fijn,om de fchuyten in gelijck gewicht fleden , beyde op d'afgang van de bergh , diete houden. Sy doen hun reystuygh daer in : en foofleylis van't zuydooften tot aen 't noort^fleken eyndelijck hun fchuyt van de wal af, en oofi;en , dat het fchijnt dat men daer af fal val-de paerden begeven fich oock allengs tot fwem- len. De muren van 't kafteel fijn omtrent twin-men , om over te geraken. Doch fy fouden hun tigh voeten hoogh , maer die van de ftadt veellichtelijck verdrincken, foo fy niet aen de fchuyt laeger. 't Getal der inwoonders is omtrent vangebonden waren j 't welck echter niet gedaen twee duyfent. Aen de zuydfijde van de ftadt iswordt, dan als de Boryfthenes ftil water heeft, een ander kafteel, plat van gedaente , echteren niet door de winden bewogen wordt. De met eenige ftucken gefchuts verfien, om de bey-Turcken voerden in mijn tijdt met dusdanige de oevers van de Boryfthenes, die daer byna eenfchuyten hun ruytery over, in een getal van geheele mijl wijt is, in plicht te houden. Ditveertigh duyfent beftaende , toen de Groote kafteel heeft een toren , daer Turckfche wachtTurck de ftadt AfiTow, aen de mont van de Ta- op is,bm eenigh teken te geven,als de Cofacken- nais gelegen, (die door de Tanaifche Cofacken, pogen fich op d'Euxinus te begeven. Doch dewelcke onder de Moskoviter ftaen , ingenomen Cofacken fpotten hier mee , want fy konnenwas ,) weer de?? belegeren , en haer oock won j op de wij fe , die ick hier na verhalen fal, lichte-dat in't jaer 1(542 gebeurde. lijekin en uyt d'Euxinus komen. Drie mijlen boven Oczakow vloeyt de rivier Omtrent een mijl van Oczakow, naer hetBoh in de Boryfthenes. Hier leght oock een zuydooften, is een bequame haven, van d'in-eylandt , dat een driehoeckige geftalte ver- woonders Berezan genoemt. De mont daer aftoont, een half mijl breet, en tegen over Sie- is omtrent twee duyfent fchreden groot ,� enmienowrok gelegen. men kan daer niet overkomen, dan te fcheep j wtmkad Boven Siemienowrok , aen de rivier Bokus tamelijck diep , en dienftigh voorde galeyen.Krjmca. fiet mcn Winokrad Krynica, of fekere fpring- Defen arm van de rivier wordt Anczakrik ge-bron op een fteylte. De plaets is aengenaem , noemt. en bequaem om te bewonen,foo om d'overvloet lezero , oft de poel Teligol is lang acht mij-
van 't hout, als om dat men daer lichtelijck len , en breet van het fevende tot het achtftemolen-werck toeftellen kan. Andrey Oftrowis deel van een mijl. De natuur heeft hier oockeen eylandt van omtrent een mijl lang, en een een affcheyding geftelt, op dat de poel fich nietvierendeel mijls breet, met boftchen befet. met de zee vermengen fou. Men vind hier fulck Pieczonybrodt is oock een gemackelijcke een overvloet van vifch, dat het water daer afovertocht. De rivier is hier niet dieper dan drie eenige ftanck geeft , dewijl'er noch vloeyingvoeten, eng, en d'oevers gemackelijck om aen noch deurtocht is.te komen j ja foo , dat men oock groot gefchut Daer is een andere poel, Kuialik genoemt,daer over voeren kan. Beneden defe plaets is de twee duyfent fchreden van de zee, oock vifch-rivier bevarelijck, en kan op veel plaetfen deur- rijck, gelijck de voorgaende. De viftchers trec-waed worden, gelijck men uyt de kaert kan fien. ken, om veyligh te fijn , in groote hoopen der-Ktzmienc- Krzemienczow is een eylandt, omtrent vijf- waerts , van omtrent vijftigh mijlen en veerder.tien hondert fchreden lang, enduyfentbreet, Men vangt daer karpers, enbrafems van won-*en twintig of vijf-en-twintig voeteh hoogh, aen derlij cke grootheyt. de noordfijde feer fteyl, maer aen de fuydfijde ^ Bialogrod is een mijl van de zee gelegen, aen Bialogrod,laeg. Hier is geen hout, dat bequaem is om de rivier Tyra , van de Turcken Kierman ge-huyfen te bouwen, 't welck echter een half mijl noemt. Defe ftadt ftaet oock onder 't gebiedtvan hier, uyt het geweft van Oczakow , ge- van den Turck. haelt wordt. Aen de noortfijde van't eylandt Kilia is oock een Turckfche ftadt, met wal- Kiiu,is feker geweft van't vafte lant, feer bequaem len en punten, op de wijfe van Europa, ver-om een vefting te bouwen, dewijl het van alle fterckt. Het kafteel, aen de Donau gelegen,fijden met wallen , als feer fteyl fijnde, om- heeft gebiedt over de ftadt, en is een mijl vanr^ngt is. de mont der rivier. Aen welcks andere oever Owczy Sorom, of nieu Konicipole is de befte het oudt Kilia leght, van 't welck men noch he-plaetsder gener die , naer Oczakow , onder den d'oude puynhoopen kan fien.deheerfchappy der Polen ftaen : welcke plaets Budziakleght tuftchen Bialogrod en Kilia, Bu^^^k-ick in't jaer eerft gefticht heb j en daer en is een vlackte van omtrent twaelf mijlenna heb ick die met een vafte vefting verfterckt. lang, en vijf oft fes mijlen breet. Sy wordt vanDefe plaets fou als een fterck wapenhuys tegen de Tartars bewoont, de welcke noch de
Turck,de Turck konnen dienen. noch de Cham gehoorfamen, maer van de roof Cczahojp. Wat Oczakow aengaet, dit is een ftadt, on- leven. Hier fijn omtrent tachtigh of tnegen-der het gebiedt van de Turcken , aen de mont tigh dorpen. Dit fijn defe ongebonde Scythen,van de Boryfthenes gelegen, van hen Dzian eeuwige ftroopers en plonderaers derChrifte-Crimenda genoemt. De Turckfche galeyen , nen j want fy fijn gelijck de vogelen , die vantot bewaring van de mont van de Boryfthenes den roof leven, en verkoopen de Podoliers engeftelt, op dat d'Euxinus niet voor de roveryen Ruften , die fy konnen vangen , om op de ga-der Cofacken bloot fou fijn , hebben hier hun leyen gebruyckt te worden. Maer fy konnenverblijf, daer wel geen haven is, maerechter echter niet lang in Ruslanr blijven, ja fy wije-ken , B O Tawolcz.!n'iL Fteczonj'Irod. KaczamwkeÂ? Z.OU) OivczySorom,
|}<noinclude></noinclude>
6j8qhzx0a9og5inodlfkytl8lsydep6
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/15
104
86610
222303
2026-05-31T18:04:48Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '??? B O R Y S T ken, foo haefl fy iets gerooft hebben, weer naerhun hutten, om dar fy nauwelijcks het getal vanvier of vijf duyfent overtreffen. Sy bewoonenaltijdt de wilderniffen , en dragen alles met f??ch,ja oock hun wooningen f?¨lve. Hun huyfenfijn in twee flraten onderfcheyden , op de wijfevan de Europifche heydenen : want als fy , metpaerden, d'een weyde kael gegeten hebben , fboverhuyfen fy elders, gelijck wy op f??jn plaet…
222303
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>??? B O R Y S T ken, foo haefl fy iets gerooft hebben, weer naerhun hutten, om dar fy nauwelijcks het getal vanvier of vijf duyfent overtreffen. Sy bewoonenaltijdt de wilderniffen , en dragen alles met f??ch,ja oock hun wooningen f?¨lve. Hun huyfenfijn in twee flraten onderfcheyden , op de wijfevan de Europifche heydenen : want als fy , metpaerden, d'een weyde kael gegeten hebben , fboverhuyfen fy elders, gelijck wy op f??jn plaetsbreeder fullen befchrijven. Tendrais een eylandt, vier mijlen van demont van de Boryfthenes gelegen , drie oft viermijlen langj maer echter onvruchtbaer, en methagedoorn befet. Daer is goet en verfch water,en een veylige ree voor de fchepen. Twee mijlen van de Donau is een laeg ey-landt , omtrent twee mijlen groot in d'omme-treek, daer oock foet water is. By de Turckenwordt het IllanadajCn by de Latijnen 't Slangen-eylandt genoemt. Smil is een Turckfche ftadt, fbnder mueren.Een mijl boven Smil is een plaets, in de welckede Keyf?¨r der Turcken , Ofman genoemt, in 'tjaer i(5io , omtrent de fcheut van een grof-ge-fchut beneden Obliczyca , een brugh de?? ma-ken , toen hy met een heir van fes hondert duy-fent mannen naer Podolien trock , fbnder ietsanders, datgedenckwaerdigh was, uyt te rech-ten , dan een ftecht kafteel gemaeckt te hebben,Kofm genoemt, aen d'oever van de rivier Tyrain Walachien gelegen 't welck echter toen vande Polen ingenomen wierdt, fonder dat fy 't we-der overgaven , dan na dat de vrede gemaeckt,en Ofman weder te Conftantinopolen gekeertwas , met verlies van tachtigh duyfent man-nen , die ten deel door 't ftael, en ten deel doorde honger en peft, in't Turckfche leger Woe-dende, vergingen. De rivier is in defe plaets renhooghften f?¨s hondert fchreden breet : wantde Turcken konden van hun brugh met een pijlvan d'een aen d'andere oever fchieten. De Do-nau wordt hier in veel grachten verdeelt, van dewelcke de voornaemfte ftch naer Kilia ontlaft. Tuftchen Renen en Oblizyca fiet men tweeeylanden , 't een Palleka genoemt, 't welck tuf.fchen de Donau en Pontus leght, omtrent tweeduyfent fchreden groot: 't is ront, fteyl, echtermet boomen beplant, en elders fant-achtigh, invoegen dat de Donau , door fijn fnelle loop hetuytholt , en jaerlijcks een gedeelte daer vanmede neemt, 't Ander, Galas genoemt, heeftfijn uy tficht naer Walachien, wordt van Grieck-fche Chriftenen bewoont, en leght aen d'oevervan de Donau, tuffchen twee monden van rivie-ren , te weten van de rivier Pruthi, en Seretki. Aen de zuydfijde fiet men Varna , een havenvan de Pontifche zee in Bulgarien. Voorts,aen def?¨ zee vindt
men, tot aen Conftantinopo-len toe, niet een plaets, die aenmerckens-waer-digh is. Nu is noch overigh te feggen , gelijck wy be-looft hebben, hoe de Cofacken hun Generaeloft Velt-overfte kiefen , en oock hoe fy fich opd'Euxinus begeven, en in Natoli??n invallen, omop de Turcken te ftroopen , en hen te verdel-gen. De Generael van de Cofacken wordt dan c TendraÂ? SmiL Ta?¤ek?Ÿ. Calai* Varna. Verkie?Ÿngvan deVehover^eder Cofacken. H ?‰ N ?‰ S. dus verkofen. D'oude krijghslieden, ?Šn ?–ver^ften , te famen vergadert , geven yder hun ftemaen de gene , die fy bequaem achten om dieampt te bedienen ,â€? en de gene, die de meefteftemmen heeft , wordt terftont Generael ofcVelt-overfte verklaert. Indien hy , fich op fijnouderdom , oft onbequaemheyt verontfchuldi-gende, weygert dit ampt aen te nemen, foo worthy, fbnder eenige genade, en vertoeving , in defelfde plaets, als een verrader, gedoot j hoewelde Cofacken f?¨lven dickwils hun Velt-overftenverraden; gelijck men uyt hun gewoonten endaden , die wy hier voor aengeraeckt hebben,bemerckt. Maer indien hy, verkofen fijnde,d'eer aenneemt, foo bedanckt hy voor eerft degeheele vergadering, om datfy hem, hoewelhy 't niet verdient, tot defe hoogheyt hebbetiverheven; daerhy by betuyght, dat hy makenfal dat fy niets in hem te wenfchen fullen heb-ben , om foo wel het voordeel van alle in 't ge-meen, als een yder in 't befonder te bevorderen,als oock om fijn eygen leven voor de welftantfijner broeders (want dus fijn fy gewoon makkander te noemen) te hefteden. Als dit gedaenisjjuyght yder hem toe, en men roept gemeene-lijck , dat- hy lang kef, Daer na gaet yder hoofCvoor hooft by hem, en groet hem; en hy reyckteen yder de handt toe, 't welck hun gewoontein't groeten is. In defer voegen verkiefen deCofacken hun Generael in d^oorlogh; 't welckten meeftendeel in d?Š woefte velden gefchiedt.De Cofacken , hun Velt-overfte dus verkofenhebbende, fijn hem feer gehoorfaem, en fy noe-men hem gemeenelijck Hetman, Hy gebruycktdan over alle een volkomen macht, met d'een't hooft af te ftaen, en d'ander , na dat de mis--daet fwaer is, aen een pael vaft te maeken. D?ŠCofacken onderhouden feer ftrenge krijgstucht,doch fy beginnen niets, fonder berading van d?ŠKrijghsraet, die gemeenelijck Rada genoemtwordt. By de Cofacken is 't een laftigh en g?Š-varelijck ampt een Velt-overfte te fijn; wantbehalven dat hy groote voorfichtigheydt enfchranderheyt behoeft, foo dient hy oock welvan 't geval begunftight te wef?¨n , op. dat herain alle fijn tochten en fT:rijden geen tegenfpoetfou overvallen: ja hy
moet fijn faken met foogrooten dapperheydt beleyden , dat, foo menbevind dathy ergens in gemift heeft, hy ter-ftont onverhoort, als een verrader, gedoot,en een ander , op de voorverhaelde Wijfe, idfijn plaets geftelt wordt. En in de tijdt van fe-ventien jaren, die ick daer in d'oorlogh gedientheb, fijn byna alle de Velt-overften der Cofac-ken, om geringe oorfaeken, van hun eyge volckrampfaliglijck gedoot. Als fy fich toeruften om op d'Euxinifche zeete trecken , 't welck buyten des Konings laft ge-fchied , foo halen fy hun verlof by hun Velt^overfte , en , hun Raedt vergadert hebbende,verkiefen een Overfte tot def?¨ tocht voor foolangen tijt als die duren fal: in welcke terkiefingfy de felve plechteiijckheden gebruycken, diefy gemenelijck inde verkiefingvan hun GeneÂ?rael onderhouden. Eyndelijck trecken fynaetSkarbnica Woyskow ; de plaets j daer fy ge-^ wonelijck I V f â–<noinclude></noinclude>
16yxuo4v33kw2t4fe0fs63ijku1tfsr
222320
222303
2026-05-31T18:24:27Z
Nederlandse Leeuw
797
222320
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
ken, foo haefl fy iets gerooft hebben, weer naer
hun hutten, om dar fy nauwelijcks het getal van
vier of vijf duyfent overtreffen. Sy bewoonen
altijdt de wilderniffen , en dragen alles met sich,
ja oock hun wooningen f?¨lve. Hun huyfen
fijn in twee flraten onderfcheyden , op de wijfe
van de Europifche heydenen : want als fy , met
paerden, d'een weyde kael gegeten hebben , fbo
verhuyfen fy elders, gelijck wy op f??jn plaets
breeder fullen befchrijven.
Tendra is een eylandt, vier mijlen van de
mont van de Boryfthenes gelegen , drie oft vier
mijlen langj maer echter onvruchtbaer, en met
hagedoorn befet. Daer is goet en versch water,
en een veylige ree voor de schepen.
Twee mijlen van de Donau is een laeg ey-
landt , omtrent twee mijlen groot in d'omme-
treck, daer oock foet water is. By de Turcken
wordt het ''Illanada'', en by de Latijnen 't Slangen-
eylandt genoemt.
Smil is een Turckfche ftadt, fbnder mueren.
Een mijl boven Smil is een plaets, in de welck
ede Keyser der Turcken , Ofman genoemt, in 't
jaer 1620, omtrent de scheut van een grof-ge-
fchut beneden Obliczyca , een brugh de?? ma-
ken , toen hy met een heir van fes hondert duy-
sent mannen naer Podolien trock , sonder iets
anders, dat gedenckwaerdigh was, uyt te rech-
ten , dan een ftecht kafteel gemaeckt te hebben,
Kosin genoemt, aen d'oever van de rivier Tyra
in Walachien gelegen 't welck echter toen van
de Polen ingenomen wierdt, fonder dat fy 't we-
der overgaven , dan na dat de vrede gemaeckt,
en Ofman weder te Conftantinopolen gekeert
was , met verlies van tachtigh duyfent man-
nen , die ten deel door 't ftael, en ten deel door
de honger en pest, in't Turckfche leger woe-
dende, vergingen. De rivier is in defe plaets ten
hooghsten ses hondert schreden breet : want
de Turcken konden van hun brugh met een pijl
van d'een aen d'andere oever schieten. De Do-
nau wordt hier in veel grachten verdeelt, van de
welcke de voornaemfte ftch naer Kilia ontlaft.
Tusschen Renen en Oblizyca fiet men twee
eylanden , 't een Palleka genoemt, 't welck tus-
schen de Donau en Pontus leght, omtrent twee
duyfent fchreden groot: 't is ront, fteyl, echter
met boomen beplant, en elders fant-achtigh, in
voegen dat de Donau , door fijn snelle loop het
uytholt , en jaerlijcks een gedeelte daer van
mede neemt. 't Ander, Galas genoemt, heeft
fijn uytficht naer Walachien, wordt van Grieck-
sche Chriftenen bewoont, en leght aen d'oever
van de Donau, tuffchen twee monden van rivie-
ren , te weten van de rivier Pruthi, en Seretki.
Aen de zuydfijde fiet men Varna , een haven
van de Pontifche zee in Bulgarien. Voorts,
aen dese zee vindt men, tot aen Conftantinopo-
len toe, niet een plaets, die aenmerckens-waer-
digh is.
Nu is noch overigh te feggen , gelijck wy be-
looft hebben, hoe de Cofacken hun Generael
oft Velt-overfte kiefen , en oock hoe fy fich op
d'Euxinus begeven, en in Natolien invallen, om
op de Turcken te stroopen , en hen te verdel-
gen. De Generael van de Cofacken wordt dan
|
dus verkofen. D'oude krijghslieden, ?Šn ?–ver^ften , te famen vergadert , geven yder hun ftemaen de gene , die fy bequaem achten om dieampt te bedienen ,â€? en de gene, die de meefteftemmen heeft , wordt terftont Generael ofcVelt-overfte verklaert. Indien hy , fich op fijnouderdom , oft onbequaemheyt verontfchuldi-gende, weygert dit ampt aen te nemen, foo worthy, fbnder eenige genade, en vertoeving , in defelfde plaets, als een verrader, gedoot j hoewelde Cofacken f?¨lven dickwils hun Velt-overftenverraden; gelijck men uyt hun gewoonten endaden , die wy hier voor aengeraeckt hebben,bemerckt. Maer indien hy, verkofen fijnde,d'eer aenneemt, foo bedanckt hy voor eerft degeheele vergadering, om datfy hem, hoewelhy 't niet verdient, tot defe hoogheyt hebbetiverheven; daerhy by betuyght, dat hy makenfal dat fy niets in hem te wenfchen fullen heb-ben , om foo wel het voordeel van alle in 't ge-meen, als een yder in 't befonder te bevorderen,als oock om fijn eygen leven voor de welftantfijner broeders (want dus fijn fy gewoon makkander te noemen) te hefteden. Als dit gedaenisjjuyght yder hem toe, en men roept gemeene-lijck , dat- hy lang kef, Daer na gaet yder hoofCvoor hooft by hem, en groet hem; en hy reyckteen yder de handt toe, 't welck hun gewoontein't groeten is. In defer voegen verkiefen deCofacken hun Generael in d^oorlogh; 't welckten meeftendeel in d?Š woefte velden gefchiedt.De Cofacken , hun Velt-overfte dus verkofenhebbende, fijn hem feer gehoorfaem, en fy noe-men hem gemeenelijck Hetman, Hy gebruycktdan over alle een volkomen macht, met d'een't hooft af te ftaen, en d'ander , na dat de mis--daet fwaer is, aen een pael vaft te maeken. D?ŠCofacken onderhouden feer ftrenge krijgstucht,doch fy beginnen niets, fonder berading van d?ŠKrijghsraet, die gemeenelijck Rada genoemtwordt. By de Cofacken is 't een laftigh en g?Š-varelijck ampt een Velt-overfte te fijn; wantbehalven dat hy groote voorfichtigheydt enfchranderheyt behoeft, foo dient hy oock welvan 't geval begunftight te wef?¨n , op. dat herain alle fijn tochten en fT:rijden geen tegenfpoetfou overvallen: ja hy
moet fijn faken met foogrooten dapperheydt beleyden , dat, foo menbevind dathy ergens in gemift heeft, hy ter-ftont onverhoort, als een verrader, gedoot,en een ander , op de voorverhaelde Wijfe, idfijn plaets geftelt wordt. En in de tijdt van fe-ventien jaren, die ick daer in d'oorlogh gedientheb, fijn byna alle de Velt-overften der Cofac-ken, om geringe oorfaeken, van hun eyge volckrampfaliglijck gedoot. Als fy fich toeruften om op d'Euxinifche zeete trecken , 't welck buyten des Konings laft ge-fchied , foo halen fy hun verlof by hun Velt^overfte , en , hun Raedt vergadert hebbende,verkiefen een Overfte tot def?¨ tocht voor foolangen tijt als die duren fal: in welcke terkiefingfy de felve plechteiijckheden gebruycken, diefy gemenelijck inde verkiefingvan hun GeneÂ?rael onderhouden. Eyndelijck trecken fynaetSkarbnica Woyskow ; de plaets j daer fy ge-^ wonelijck I V f â–
|}<noinclude></noinclude>
0gc72fyyeo0nr0gk4ghj5dw3tw8hrbh
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/16
104
86611
222304
2026-05-31T18:04:57Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '??? T i'fii Jl:' BORYSTBENES, wonelijck te famen komen , en groote fchuytenmaken, van feiligh voeten lang, en tien ofttwaelf voeten breet, en omtrent tien voetendiep. Defe fchuyten hebben onder geen kiel,gelijck d'anderen , maer worden opgeboey t opeen bodem van wilgen, of van hnden-hout,en vijfenveertigh voeten lang, daer fy planckenvan tien of twaelf voeten lang, en omtrent eenvoet breet, op de gewoone wijfe , opfetten , enaen m…
222304
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>??? T i'fii Jl:' BORYSTBENES, wonelijck te famen komen , en groote fchuytenmaken, van feiligh voeten lang, en tien ofttwaelf voeten breet, en omtrent tien voetendiep. Defe fchuyten hebben onder geen kiel,gelijck d'anderen , maer worden opgeboey t opeen bodem van wilgen, of van hnden-hout,en vijfenveertigh voeten lang, daer fy planckenvan tien of twaelf voeten lang, en omtrent eenvoet breet, op de gewoone wijfe , opfetten , enaen malkander valt maeken , totdat de fchuyttwaeif voeten hoogh, en feltig voeten lang ge-worden is } 't weick alles bequamelijcker in defebygevoegde afbeelding, hoewel in't ruw doarmy afgeteekent, gefien kan worden. Befchrtj'ving vande (chpijtender Cojac-ken: Jlr ; lllllllllll ??o.piedx: Men f??et aen defe fchuyten bundelen van bie-fen, foo groot als een wijnvat, die malkanderraken, en met touwen, die van defchors vanlindeboomen gemaeckt fijn , aen de fijden vande fchuyten, van voren tot achter , gebondenfijn. Def?¨ biesboffen drijven op 't water, enmaken by fware ftorm , dat de fchuyten, die fydoor hun lichtighey t in 't gewicht houden, niette gront gaen, noch omflingeren. De Cofackenbouwen def?¨ fchuyten byna op de felfde wijf?¨,alsonfe timmerlieden , foo veel de boorden en na-den, en 't pecken aengaet. Sy gebruycken oocktwee riemen, in de plaets van een roer , die aende beyde ftevens uytfteecken. Want dewijl defchuyten lang fijn , foo fouden fy, als de vyandthen op de hals viel, niet foo lichtelijck konnenkeeren en wenden. Sy hebben gemenelijck aenyder boort twaelf of feltien andere riemen , metde welcken de fchuyt voortgeroeyt wordt, endat foo fnel , dat de Turckfche galeyen henniet konnen achterhalen. Sy hebben oock inhun fchuyten een maft, daer een flecht feylaengeknoopt wordt , doch niet dan als de zeeflecht is, maer als het hardt waeyt, foo roeyenfy voort. Defe fchuyten fijn fonder verdeck.Sy gebruycken op zee biskuyt, in groote vatenvan tien voeten lang, en vier voeten breet, diewel gebonden fijn. Dit broot wordt aen yderuytgedeelt. Sy voeden fich oock met fekerefpiji?¨ van geers, gelijck mede van meel, metwater gekoockt, het welck fy, met geers ver-mengt , met malkander eten ; en defe fpijfeis by hen een lecker gerecht, dat fy , fbo totfj^ijs, als tot dranck , gebruycken. 't Is fuur vanfmaeck, en wordt gemenelijck van hen Sala-make genoemt, als of men leckere fpijfe feyde.Doch het heeft mynooyt feer wel gefmaeckt,en ick heb het niet gebruyckt, dan als ick geenbeter hadt. Dit volck is feer fbber , en lijdt nietdat iemant op zee droncken is, en indien meniemandt fodanigh bevind , foo wordt hy vand'Admirael buyten gefet. En dieshalven is 't henoock niet geoorloft'eenige brandewijn mee te nemen; op dat fy, fich nuchter houdende, voor-fpoediger in hun reyfe fbuden fijn. Als de
Cofacken fich toeruften,om fich aen de TijdtTartaren te wreken , foo verkiefen fy de herfft,en fenden hun lijftocht, en 'tgene , dat hen totd'oorlogh nootfakelijck is, voorby de waterval-len van de Boryfthenes , van daer fy, hun fchuy-ten gemaeckt hebbende,hun regementen,in vijfof fes duyfent mannen beftaende,fich te velt be-geven. Alle defen fijn meeft uytgekofenen , enoude fbldaten. De gene , die tot defe tochtgefchickt worden , oeffenen fich in de wapenen,en in al 't gene , dat tot d'oorlogh dienftigh is.Defe fchuyten worden omtrent in de tijdt vanvijftien dagen , en met hun eyge handen ge-maeckt want fy fijn in dat werck, en in alle an-dere ambachten geoeffent; in voegen dat fy inde tijt van drie weken tachtigh of hondert dus-danige fchuyten, gelijck wy befchreven heb-ben , vaerdigh maken. Sy begeven fich in def?¨ mpenen.fchuyten , en in yder vijftigh of f?¨ftigh mannen,elck met een musket en fabel gewapent. In yderfchuyt fijn vier of fes vaten , vol van lijftocht.Hun zeekleeding is een flechte rock over hunhemdt: hun fchoenen fijn ten meeftendeel vanfchorft?¨n van lindeboomen gemaeckt. Sy heb-ben een hoet op't hooft, van wolle laken toe-geftelt. Yder draeght fes pont buftekruyt, eqfoo veel loot, als noodigh is j 't welck fy allesin vaetjes doen, die fy ter fijden van hun grootevaten leggen. Yder heeft oock een fonnewij-fer. Dit is de fcheeps-vlootder Cofacken , die,dus toegeruft fijnde, een fchrick is, niet al-leenlijck voor de Pontifche zee, maer oockvoor geheel Natoli??n, hoe groot het oock is. Sy,dus toegeruft fijnde, varen de Boryfthenes Toert^?Ÿingaf. D'Admirael heeft fijn teeken aen de maft ,diens fchuyt gemenelijck de derde in def?¨ tochtis. De fchuyten houden foo dicht by malkan-der,datfy d'een d'ander byna raken. De Turck,door 't gevaer fchrander geworden , houdt aende mont van de rivier veel galeyen, om denCofacken de deurtocht naer de Pontifche zee te be- V4}3 tPing, en geju^int'heyt. LijftochtÂ?<noinclude></noinclude>
tp9a1i78ilgeoabmr6vyuomhev34ap5
222321
222304
2026-05-31T18:31:01Z
Nederlandse Leeuw
797
222321
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
wonelijck te famen komen , en groote fchuyten
maken, van feiligh voeten lang, en tien oft
twaelf voeten breet, en omtrent tien voeten
diep. Defe fchuyten hebben onder geen kiel,
gelijck d'anderen , maer worden opgeboeyt op
een bodem van wilgen, of van linden-hout,
en vijfenveertigh voeten lang, daer fy plancken
|
van tien of twaelf voeten lang, en omtrent eenvoet breet, op de gewoone wijfe , opfetten , enaen malkander valt maeken , totdat de fchuyttwaeif voeten hoogh, en feltig voeten lang ge-worden is } 't weick alles bequamelijcker in defebygevoegde afbeelding, hoewel in't ruw doarmy afgeteekent, gefien kan worden.
|}
<br/>
[[File:Chajka kozacka 1664.jpg|500px|center]]
{|
|-----
|
Men f??et aen defe fchuyten bundelen van bie-fen, foo groot als een wijnvat, die malkanderraken, en met touwen, die van defchors vanlindeboomen gemaeckt fijn , aen de fijden vande fchuyten, van voren tot achter , gebondenfijn. Def?¨ biesboffen drijven op 't water, enmaken by fware ftorm , dat de fchuyten, die fydoor hun lichtighey t in 't gewicht houden, niette gront gaen, noch omflingeren. De Cofackenbouwen def?¨ fchuyten byna op de felfde wijf?¨,alsonfe timmerlieden , foo veel de boorden en na-den, en 't pecken aengaet. Sy gebruycken oocktwee riemen, in de plaets van een roer , die aende beyde ftevens uytfteecken. Want dewijl defchuyten lang fijn , foo fouden fy, als de vyandthen op de hals viel, niet foo lichtelijck konnenkeeren en wenden. Sy hebben gemenelijck aenyder boort twaelf of feltien andere riemen , metde welcken de fchuyt voortgeroeyt wordt, endat foo fnel , dat de Turckfche galeyen henniet konnen achterhalen. Sy hebben oock inhun fchuyten een maft, daer een flecht feylaengeknoopt wordt , doch niet dan als de zeeflecht is, maer als het hardt waeyt, foo roeyenfy voort. Defe fchuyten fijn fonder verdeck.Sy gebruycken op zee biskuyt, in groote vatenvan tien voeten lang, en vier voeten breet, diewel gebonden fijn. Dit broot wordt aen yderuytgedeelt. Sy voeden fich oock met fekerefpiji?¨ van geers, gelijck mede van meel, metwater gekoockt, het welck fy, met geers ver-mengt , met malkander eten ; en defe fpijfeis by hen een lecker gerecht, dat fy , fbo totfj^ijs, als tot dranck , gebruycken. 't Is fuur vanfmaeck, en wordt gemenelijck van hen Sala-make genoemt, als of men leckere fpijfe feyde.Doch het heeft mynooyt feer wel gefmaeckt,en ick heb het niet gebruyckt, dan als ick geenbeter hadt. Dit volck is feer fbber , en lijdt nietdat iemant op zee droncken is, en indien meniemandt fodanigh bevind , foo wordt hy vand'Admirael buyten gefet. En dieshalven is 't henoock niet geoorloft'eenige brandewijn mee
|
te nemen; op dat fy, fich nuchter houdende, voor-fpoediger in hun reyfe fbuden fijn.
Als de Cofacken fich toeruften,om fich aen de TijdtTartaren te wreken , foo verkiefen fy de herfft,en fenden hun lijftocht, en 'tgene , dat hen totd'oorlogh nootfakelijck is, voorby de waterval-len van de Boryfthenes , van daer fy, hun fchuy-ten gemaeckt hebbende,hun regementen,in vijfof fes duyfent mannen beftaende,fich te velt be-geven. Alle defen fijn meeft uytgekofenen , enoude fbldaten. De gene , die tot defe tochtgefchickt worden , oeffenen fich in de wapenen,en in al 't gene , dat tot d'oorlogh dienftigh is.Defe fchuyten worden omtrent in de tijdt vanvijftien dagen , en met hun eyge handen ge-maeckt want fy fijn in dat werck, en in alle an-dere ambachten geoeffent; in voegen dat fy inde tijt van drie weken tachtigh of hondert dus-danige fchuyten, gelijck wy befchreven heb-ben , vaerdigh maken. Sy begeven fich in def?¨ mpenen.fchuyten , en in yder vijftigh of f?¨ftigh mannen,elck met een musket en fabel gewapent. In yderfchuyt fijn vier of fes vaten , vol van lijftocht.Hun zeekleeding is een flechte rock over hunhemdt: hun fchoenen fijn ten meeftendeel vanfchorft?¨n van lindeboomen gemaeckt. Sy heb-ben een hoet op't hooft, van wolle laken toe-geftelt. Yder draeght fes pont buftekruyt, eqfoo veel loot, als noodigh is j 't welck fy allesin vaetjes doen, die fy ter fijden van hun grootevaten leggen. Yder heeft oock een fonnewij-fer. Dit is de fcheeps-vlootder Cofacken , die,dus toegeruft fijnde, een fchrick is, niet al-leenlijck voor de Pontifche zee, maer oockvoor geheel Natoli??n, hoe groot het oock is. Sy,dus toegeruft fijnde, varen de Boryfthenes Toert^?Ÿingaf. D'Admirael heeft fijn teeken aen de maft ,diens fchuyt gemenelijck de derde in def?¨ tochtis. De fchuyten houden foo dicht by malkan-der,datfy d'een d'ander byna raken. De Turck,door 't gevaer fchrander geworden , houdt aende mont van de rivier veel galeyen, om denCofacken de deurtocht naer de Pontifche zee te be-
|}<noinclude></noinclude>
t1il9d5gfihkv05vodpntiskiui8p2o
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/17
104
86612
222305
2026-05-31T18:05:08Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '??? t?? belette??. Maer de Cofacken , hier op ver-dacht, verfchuyien fich ondertufichen in 't riet,dat omtrent drie mijlen verre in de Boryftheneswaft, daer de Turckfche galeyen niet durvenkomen, vermits fy op def?¨ plaets dickwils cjua-lijck onthaelt fijn : maer fy fijn vernoeght metde Cofacken aen de mont van de rivier te ver-wachten, die, hoewel zy by nieuwe maen fich inzee begeven , echter door geen beleyt nochfiielte de mont…
222305
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>??? t?? belette??. Maer de Cofacken , hier op ver-dacht, verfchuyien fich ondertufichen in 't riet,dat omtrent drie mijlen verre in de Boryftheneswaft, daer de Turckfche galeyen niet durvenkomen, vermits fy op def?¨ plaets dickwils cjua-lijck onthaelt fijn : maer fy fijn vernoeght metde Cofacken aen de mont van de rivier te ver-wachten, die, hoewel zy by nieuwe maen fich inzee begeven , echter door geen beleyt nochfiielte de mont van de rivier konnen uy tkomen,fonder van de Turcken vernomen te Worden,die terftont raet teeckenen te kennen geven, datde Cofacken in zee geloopen fijn. Dit geruchtwordt terflont over de geweften , aen de zee ge-legen , verfpreydt, en geraeckt tot in Konftan-tinopelen , daer den Grooten Heer terftont aenalle de Gouverneurs en inwoonders van Afia,Bulgarien en Thracien doet vermanen dat fyfich fullen toeruften , om het ftroopen der Co-facken te beletten. Doch dit is dickwils vergeefs;want fy nemen de tijdt van hun vaert en van 'tjaer fbo wel van pas, dat fy ten hooghften bin-nen veertigh uren aen Natoli??n fijn, daer fy fichaen d'oever begeven, en, tot bewaring van yderfchuyt, tweemannen en twee jongens gelatenhebbende , yder met fijn musket fich lantwaertin begeven, de fteden overvallen, uytplonderen,en verbranden, ja dickwils een mijl verre van dezee. Maer fy keeren terftont met hun roof we-derom, diefy in hun fchuyten doen, ?¨n treckennaer een andere plaets, om anderegelegenthe-den te verfbecken , en daer oock te ftroopen.Indien fy op zee eenige Turckfche galeyen oftkoopvaerdy.fchepen ontmoeten , foo vervol-gen fy hen, taften hen aen, en veroveren dieop defe wijfe : Dewijl hun fchuyten niet meerdan derdehalf voet boven 't water uytfteecken,en fy eerder het vyandelijck fchip fien , dan fyvan de vyant gefien worden , foo itrijcken fydefeylen en maft, en, op de wint lettende, makendat fy de fon achter fich hebben en dan wen-den fy , omtrent een uur voor d'ondergang vande fon, met hun fchuyten op des vyants fchipoft galey aen , tot dat fy niet veerder dan eenmijl daer af fijn. En fy komen foo na aen devyant, op dat fy hem niet uyt hun geficht fou-den verliefen. Sy ruften fich ondertuffchen toe,en roeyen by nacht met groote gefwintheyt,als het teecken gegeven is, op de Turcken aen.De vyanden , de menighte van de fchuyten derCofacken fiende,en fich tuflchen feftighoft hon-dert van dusdanige fchuyten als befioten vin-dende , worden verbaeft en wanhopigh , en ge-ven fich terftont over aen de Cofacken; die debefte goederen , de welcke fy daer in vinden , enniet veel plaets beflaen , gefamentlijck met hetgefchut, en d'oorlogsrufting, in hun fchuytenovernemen ; en de fchepen en galeyen , om datfy hen niet weten te gebruycken, met de boots-gefellen , en d'andere
menfchen te gront boren.Maer fy , weder naer huys keerende, bevindendat ondertuffchen de vloot der Turcken , aende mont van de rivier de wacht houdende , dehelft grooter geworden is; daer fy echter medefpotten , hoewel fy veel fwacker fijn. Want hetis niet mogelijck, oft fy hebben, in hun ftrijden,Polen, E i jj veel van haer volck verloren , en oock eenigefchuyten, die van de zee ingefwolgen fijn. Sybegeven fich dieshalven ' aen ancker ineenplaets, die drie ofc vier mijlen ooflwaerts vanOczakow is. Hier is een laeg dal, drie vieren-deel van een mijl vande zee af, en feer lang,daer fomtijts een half voet water inkomt, endat fich drie mijlen verre naer de Boryfthenesopftreckt. De Cofacken dan , tot twee oft driehondert uytgetreden, en touwen aen hun fchuy-ten gebonden hebbende, trecken by beurtende felfde deur def?¨ laeghte, met de roof, en ko-men dus binnen drie oft vier da^en heymelijckin de Boryfthenes, en, 't gewelt der Turckenaen de rivier gemijdt hebbende , voeren hunroof veyligh naer huys, en tot aen Karbenicza,oft aen hun fchatplaets, daer fy , yder naer fijnverdienften, den roof onder malkander deelen.De Cofacken hebben noch een andere middel,om uyt de zee te geraken , en de Turckfchevloot te mijden. Want fy keeren weder deur debinnenzee, de Limen oft Don genoemt, en, eenengte deur reyfende, die tuf??chen Taman enKercy is, varen de Limen op tot aen de rivierMius, die fy foo verre , als fy bevareiijck is, op-trecken , naer de rivier Taczawoda , die nietmeer dan een mijl re landt van de rivier Miusaf is. Sy trecken deshalven hun fchuyten vanhier over 't landt henen , tot in de rivier Sama-re , die een mijl boven Koudak in de Boryfthe-nes ftroomt , en varen dus voort naer huys.Sy keeren echter felden wederom deur alledef?¨ bochten , om dat de wegh feer lang isvan hier tot aen de waterval vande Boryfthe-nes. Sy kiefen fomtijdts oock defe wegh naerd'Euxinifche zee, als de mont van de Boryfthe-nes met een groote Turckfche vloot is befet,en de Cofacken niet meer dan twintigh oft vijf-en-twintigh fchuyten by fich hebben. Indien de Turckfche galeyen by daegh defchuyten der Kofacken ontmoeten, foo doen fyhen door bun gefchut foo verftuyven , gelijckeen harde wint de muggen,- invoegen dat'er. veel van de zee ingefwolgen worden , en d'an-deren hun behoudenis in de vlucht fbecken. DeCofacken wijcken in 't vechten niet uyt hunplaets , noch van d'overloop,- maer als fy hunmufquet op de vyant hebben geloft, fbo geeftmen hen t'elckens weder een ander, dat vanhun mackers geladen is, en dus fchieten fy , fbn-derophouden , en konftelijck naer hun tegen-ftrevers. De Turcken konnen ondertuffchenniet aen boort komen, 't en fy datf?¨ uyt de ga-leyen in de boot willen fpringen : maer fy tref
fen echter met hun grof gefch??t de Cofackenfoodanigh, dat fy, by daegh aengetaft, wel tweevan hun drie deelen verlief?¨n, en felden met dehelft van de gene, daer mede fy naer d'Euxi-nifche zee trecken, wederkeeren; Sy brengenechter koftelijcke roof weer t'huys, als Spaen-fche realen , Arabifche goutftucken, tapijten,goude en kattoene laeckens, verfcheyde fijdeftoffen, en andere waren. Daer fiet ghy de ge-woonte van leven der Cofacken, cn oock demiddel om fich te verrijcken : want fy, al't an-der ter fijden ftellende, dat dienftigh tot het li levea BOilYSTH Eisj Hun m-dcrkeering<noinclude></noinclude>
gefavh6wfokydouja5nm92ss2fhxt26
222322
222305
2026-05-31T18:33:09Z
Nederlandse Leeuw
797
222322
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
te beletten. Maer de Cofacken , hier op ver-dacht, verfchuyien fich ondertufichen in 't riet,dat omtrent drie mijlen verre in de Boryftheneswaft, daer de Turckfche galeyen niet durvenkomen, vermits fy op def?¨ plaets dickwils cjua-lijck onthaelt fijn : maer fy fijn vernoeght metde Cofacken aen de mont van de rivier te ver-wachten, die, hoewel zy by nieuwe maen fich inzee begeven , echter door geen beleyt nochfiielte de mont van de rivier konnen uy tkomen,fonder van de Turcken vernomen te Worden,die terftont raet teeckenen te kennen geven, datde Cofacken in zee geloopen fijn. Dit geruchtwordt terflont over de geweften , aen de zee ge-legen , verfpreydt, en geraeckt tot in Konftan-tinopelen , daer den Grooten Heer terftont aenalle de Gouverneurs en inwoonders van Afia,Bulgarien en Thracien doet vermanen dat fyfich fullen toeruften , om het ftroopen der Co-facken te beletten. Doch dit is dickwils vergeefs;want fy nemen de tijdt van hun vaert en van 'tjaer fbo wel van pas, dat fy ten hooghften bin-nen veertigh uren aen Natoli??n fijn, daer fy fichaen d'oever begeven, en, tot bewaring van yderfchuyt, tweemannen en twee jongens gelatenhebbende , yder met fijn musket fich lantwaertin begeven, de fteden overvallen, uytplonderen,en verbranden, ja dickwils een mijl verre van dezee. Maer fy keeren terftont met hun roof we-derom, diefy in hun fchuyten doen, ?¨n treckennaer een andere plaets, om anderegelegenthe-den te verfbecken , en daer oock te ftroopen.Indien fy op zee eenige Turckfche galeyen oftkoopvaerdy.fchepen ontmoeten , foo vervol-gen fy hen, taften hen aen, en veroveren dieop defe wijfe : Dewijl hun fchuyten niet meerdan derdehalf voet boven 't water uytfteecken,en fy eerder het vyandelijck fchip fien , dan fyvan de vyant gefien worden , foo itrijcken fydefeylen en maft, en, op de wint lettende, makendat fy de fon achter fich hebben en dan wen-den fy , omtrent een uur voor d'ondergang vande fon, met hun fchuyten op des vyants fchipoft galey aen , tot dat fy niet veerder dan eenmijl daer af fijn. En fy komen foo na aen devyant, op dat fy hem niet uyt hun geficht fou-den verliefen. Sy ruften fich ondertuffchen toe,en roeyen by nacht met groote gefwintheyt,als het teecken gegeven is, op de Turcken aen.De vyanden , de menighte van de fchuyten derCofacken fiende,en fich tuflchen feftighoft hon-dert van dusdanige fchuyten als befioten vin-dende , worden verbaeft en wanhopigh , en ge-ven fich terftont over aen de Cofacken; die debefte goederen , de welcke fy daer in vinden , enniet veel plaets beflaen , gefamentlijck met hetgefchut, en d'oorlogsrufting, in hun fchuytenovernemen ; en de fchepen en galeyen , om datfy hen niet weten te gebruycken, met de boots-gefellen , en d'andere
menfchen te gront boren.Maer fy , weder naer huys keerende, bevindendat ondertuffchen de vloot der Turcken , aende mont van de rivier de wacht houdende , dehelft grooter geworden is; daer fy echter medefpotten , hoewel fy veel fwacker fijn. Want hetis niet mogelijck, oft fy hebben, in hun ftrijden,
''Polen''
|
veel van haer volck verloren , en oock eenigefchuyten, die van de zee ingefwolgen fijn. Sybegeven fich dieshalven ' aen ancker ineenplaets, die drie ofc vier mijlen ooflwaerts vanOczakow is. Hier is een laeg dal, drie vieren-deel van een mijl vande zee af, en feer lang,daer fomtijts een half voet water inkomt, endat fich drie mijlen verre naer de Boryfthenesopftreckt. De Cofacken dan , tot twee oft driehondert uytgetreden, en touwen aen hun fchuy-ten gebonden hebbende, trecken by beurtende felfde deur def?¨ laeghte, met de roof, en ko-men dus binnen drie oft vier da^en heymelijckin de Boryfthenes, en, 't gewelt der Turckenaen de rivier gemijdt hebbende , voeren hunroof veyligh naer huys, en tot aen Karbenicza,oft aen hun fchatplaets, daer fy , yder naer fijnverdienften, den roof onder malkander deelen.De Cofacken hebben noch een andere middel,om uyt de zee te geraken , en de Turckfchevloot te mijden. Want fy keeren weder deur debinnenzee, de Limen oft Don genoemt, en, eenengte deur reyfende, die tuf??chen Taman enKercy is, varen de Limen op tot aen de rivierMius, die fy foo verre , als fy bevareiijck is, op-trecken , naer de rivier Taczawoda , die nietmeer dan een mijl re landt van de rivier Miusaf is. Sy trecken deshalven hun fchuyten vanhier over 't landt henen , tot in de rivier Sama-re , die een mijl boven Koudak in de Boryfthe-nes ftroomt , en varen dus voort naer huys.Sy keeren echter felden wederom deur alledef?¨ bochten , om dat de wegh feer lang isvan hier tot aen de waterval vande Boryfthe-nes. Sy kiefen fomtijdts oock defe wegh naerd'Euxinifche zee, als de mont van de Boryfthe-nes met een groote Turckfche vloot is befet,en de Cofacken niet meer dan twintigh oft vijf-en-twintigh fchuyten by fich hebben. Indien de Turckfche galeyen by daegh defchuyten der Kofacken ontmoeten, foo doen fyhen door bun gefchut foo verftuyven , gelijckeen harde wint de muggen,- invoegen dat'er. veel van de zee ingefwolgen worden , en d'an-deren hun behoudenis in de vlucht fbecken. DeCofacken wijcken in 't vechten niet uyt hunplaets , noch van d'overloop,- maer als fy hunmufquet op de vyant hebben geloft, fbo geeftmen hen t'elckens weder een ander, dat vanhun mackers geladen is, en dus fchieten fy , fbn-derophouden , en konftelijck naer hun tegen-ftrevers. De Turcken konnen ondertuffchenniet aen boort komen, 't en fy datf?¨ uyt de ga-leyen in de boot willen fpringen : maer fy tref
fen echter met hun grof gefch??t de Cofackenfoodanigh, dat fy, by daegh aengetaft, wel tweevan hun drie deelen verlief?¨n, en felden met dehelft van de gene, daer mede fy naer d'Euxi-nifche zee trecken, wederkeeren; Sy brengenechter koftelijcke roof weer t'huys, als Spaen-fche realen , Arabifche goutftucken, tapijten,goude en kattoene laeckens, verfcheyde fijdeftoffen, en andere waren. Daer fiet ghy de ge-woonte van leven der Cofacken, cn oock demiddel om fich te verrijcken : want fy, al't an-der ter fijden ftellende, dat dienftigh tot het
leven
|}<noinclude></noinclude>
phoq0782lmfeiulgrn92kj5upzi08xd
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/18
104
86613
222306
2026-05-31T18:05:17Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '??? O R Y s T H E N E s. leven is, begeven fich tot fuypen en fwelgen metde hunne, als fy uyt de zee wedergekeert fijn.Ceii^vom Maer om onf?¨ belofte , hier voor gedaen, tetjnrfhZ voldoen, foo fullen wy hun gewoonte, die fy inhawelijcken de voltrecking van hun huwelijcken onderhou-umacc^n, befchrijven,- de welcke hen eygen is, en van geen andere voicken gebruyckt wort. Menfiet daer dat een vryfter een vryer vrijt diehaer behaeght,…
222306
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>??? O R Y s T H E N E s. leven is, begeven fich tot fuypen en fwelgen metde hunne, als fy uyt de zee wedergekeert fijn.Ceii^vom Maer om onf?¨ belofte , hier voor gedaen, tetjnrfhZ voldoen, foo fullen wy hun gewoonte, die fy inhawelijcken de voltrecking van hun huwelijcken onderhou-umacc^n, befchrijven,- de welcke hen eygen is, en van geen andere voicken gebruyckt wort. Menfiet daer dat een vryfter een vryer vrijt diehaer behaeght, geheel anders, dan andere volc-ken. Een feker waengeloof, 't welck onder hunis , en dat fy naukeurighlijck onderhouden ,maeckt dat fy felden mistafl:en,en van hun voor-nemen verfteken blijven. Ende dochters fijnhier in geluckiger , dan oft fy fulcks door tuf-fchenfpraeck van magen en vrienden bevorder-den. De vryftcr dan, op eenigh vryer verlieftfijnde, gaet naer fijn huys, als fy bemercktdatfijn vader en moeder, en oock de vryer felf,t'huys is, en , in huys tredende, feght Pomagahog,dat is, Godt fegen u j 't welck de gewoone groete-nis der Ruffen is. En fy , op een gevoeghe-lijcke wijfe haer vryer ge?¨ert hebbende, fpreekthem dus aen : luan^ Fedor, Demetre, Woltek, Mikita^(oft met eenige andere naem , die by de RufTengemeen is) dewijl ick uyt uwaengeficht uw in-wendige goetheyt heb bemerckt, en oock uwverftant, door 't welck, gelijck ick vertrou, ghyeen goede huysvader fult worden , en uw gema-lin in eeren houden, foo kom ick, door defe din-gen bewogen, in alle ootmoedighey t by u , omvan u te verfoecken dat ghy my totuwhuys-vrou fult nemen ; en oock van uw vader en moe-der, op dat die oock in de felfde verbintenis toe-ftemmen. Indien fy afgewef?¨n wort, en tot ant-woort krijght, dat hun fbon noch te jong is, omde laft van 't huwelijck te dragen j foo antwoortfy,dat fy niet van daer fal gaen, tot dat fy enhaer vryer te famen gevoeght fijn. Als defe re-denen gefeght fijn, en de dochter hardneckigh-lijck aenhoudt, en fweert dat fy niet uyt de ka-mer fal gaen voor dat fy haer wenfch verkregenheeft, foo worden , na verloop van eenige we-ken , de vader en moeder van de jongeling ge-dwongen in 't huwelijck toe te ftemmen, en hunfoon t'overreden oock wederliefde tot haer tetoonen, als aen de gene , die noch fijn huysvroufal worden. De jongeling oock, de volftandig-heyt van de dochter, en haer brandende liefdetot hem fiende , wordt mee gedwongen haert'eeren , en lief te hebben , gelijck de gene, diefijn bedgenoot fal worden. Hy verlbeckt dies-halven ernftelijck aen fijn ouders , dat het aenhem geoorloft fy onderlinge liefde
aen demaeght te bewijfen. Hier uyt volght, dat dedochters van dit geweft noyt hun ooghwitmiflfen , en , voor fich felven forgende , door hunaenhouden en gedienftigheyt by de ouders envryers, veerdiger een gemael voor fich verkrij-gen. Hier komt noch't wangeloof defer volc-ken by , datfe meenen dat fy, door het weyge-ren van defe dochter, Godt grootelijcks ver-toornen , en , door defe fmaet, het geheelgeflacht van de dochter fullen quetfen: ja d'ou-ders felven hebben hier in oock geen macht omde maeght uyt haer huys te drijven. Want dekerckelijcke tucht en ordening is tegen de fbo-danigen , die daer door van de kerck fwarelijckgeftraft fouden worden j behalven dat dit nochtot lafter van 't geheel huys fou ftrecken. D'ou-ders dan, door defe waengelovigheden beknelt,en vreefende dat fy, om defe weygeringe , vanGodt fekerlijck geftraft fullen worden, 't welckfy feer vaftelijck gelooven , bewilligen in 't ver-foeck van de dochter. Men moet echter wetendat dit onder perfoonen van gelijcke ftaet on-derhouden wordt: wantdelandtbouwersindicgeweft fijn alle omtrent even rijck,- en daer isgeen groote verfcheydenheyt onder hare goe-deren en befittingen. Doch dat eenigh boermet een edele dochter eenigh huwelijck aen-gaen fou, dat is verboden ; en gebeurt oock nietdan by eenigh voorval, 't welck wy hier na ful-len befchrijven, en dit om feker befbnder enoudt voorrecht , 'tfy dat het waer is, oft dusvoorgewend wordt. In defe geweften is een oude gewoonte, dat m ^^^alle iondagen en feeftdagen na de maeltijdt, de ? m,mannen en vrouwen, en oock de kinderen, ineen plaets, tot fuypen beftemt, te famen komen,daer fy 't overige van de dagh in uytgelaten-heyt overbrengen. Terwijl de mannen en wij- jy^nffeÂ?,ven fuypen en fwelgen , maeckt de jeught, ydermet een dochter gevoeght, een dans, op 't ge-luyt van een ruyspijp , daer gemeenelijck deHeer van de plaets, met fijn gefin, en kinderen,fonder onderfchey t, by komt, om defe danftender boeren te fien j ja defe danften worden fom-tijts oock voor fijn kafteel, oft hof gehouden,daer hy felf , met fijn kinderen en gemalin ,danft. In defe tijdt fijn d'edelen en boeren on-der malkanderen vermengt. Hier ftaet aen temercken, dat byna alle de dorpen van Podolienen Ukraine met heggen en dichte boftchen om-ringtfijn , daerin holenenfchuylhoeckenfijn,in de welcke d'inwoonders van de plaets fichdes fomers verfchuylen , als fy voor de Tarta-ren vreefen. Defe boftchen fijn een half mijlbreet. En hoewel byna alle de boeren als
flavendienftbaer fijn, foo hebben fy echter een oudtvoorrecht , dat fy in defe danften een edeledochter, alwaer 'tvan hun eygen Heer, mogenweghvoeren ; 't welck nochtans fbo behendighen voorfichtigh moet gefchieden, dat de rooverniet van de gene, die de roof vervolgen , be-trapt en wordt 5 anderfins fou't hem h^et levenkoften. Indien dan de gene, die defe fchaeckinggedaen heeft, fich in 't bygelegen bofch be-geeft , en daer vierentwintigh uren kan blijven ,fonder van iemant gevonden te fijn , foo wordthy van fijn fchaecking vry gefproken. Indiende gelchaeckte de gene, die haer gefchaecktheeft, tot een gemael voor fich begeert, foo ,mach de fchaecker dat niet weygeren, op ver-beurte van 't leven -, maer indien de gefchaecktehaer fchaecker niet wil trouwen, foo wordt defchaecker vry gef|)roken. Maer indien de fchae-ker binnen de geftelde tijdt van fijn verfchuy-Ung gevat wordt, foo moet hy dit misdrijf meefijn hooft te verliefen boeten; en hy wordt inde felfde tijdt en plaets, daer in men hem krijgt,fonder eenige rechtsvordering gedoot. Dochickhebin de tijdt van feventien jaren, dieick daer<noinclude></noinclude>
djft63d3e91kh6jxkl60thpqi4zdinz
222323
222306
2026-05-31T18:36:35Z
Nederlandse Leeuw
797
222323
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
leven is, begeven fich tot fuypen en fwelgen metde hunne, als fy uyt de zee wedergekeert fijn.
Maer om onse belofte , hier voor gedaen, tetjnrfhZ voldoen, foo fullen wy hun gewoonte, die fy inhawelijcken de voltrecking van hun huwelijcken onderhou-umacc^n, befchrijven,- de welcke hen eygen is, en van geen andere voicken gebruyckt wort. Menfiet daer dat een vryfter een vryer vrijt diehaer behaeght, geheel anders, dan andere volc-ken. Een feker waengeloof, 't welck onder hunis , en dat fy naukeurighlijck onderhouden ,maeckt dat fy felden mistafl:en,en van hun voor-nemen verfteken blijven. Ende dochters fijnhier in geluckiger , dan oft fy fulcks door tuf-fchenfpraeck van magen en vrienden bevorder-den. De vryftcr dan, op eenigh vryer verlieftfijnde, gaet naer fijn huys, als fy bemercktdatfijn vader en moeder, en oock de vryer felf,t'huys is, en , in huys tredende, feght Pomagahog,dat is, Godt fegen u j 't welck de gewoone groete-nis der Ruffen is. En fy , op een gevoeghe-lijcke wijfe haer vryer ge?¨ert hebbende, fpreekthem dus aen : luan^ Fedor, Demetre, Woltek, Mikita^(oft met eenige andere naem , die by de RufTengemeen is) dewijl ick uyt uwaengeficht uw in-wendige goetheyt heb bemerckt, en oock uwverftant, door 't welck, gelijck ick vertrou, ghyeen goede huysvader fult worden , en uw gema-lin in eeren houden, foo kom ick, door defe din-gen bewogen, in alle ootmoedighey t by u , omvan u te verfoecken dat ghy my totuwhuys-vrou fult nemen ; en oock van uw vader en moe-der, op dat die oock in de felfde verbintenis toe-ftemmen. Indien fy afgewef?¨n wort, en tot ant-woort krijght, dat hun fbon noch te jong is, omde laft van 't huwelijck te dragen j foo antwoortfy,dat fy niet van daer fal gaen, tot dat fy enhaer vryer te famen gevoeght fijn. Als defe re-denen gefeght fijn, en de dochter hardneckigh-lijck aenhoudt, en fweert dat fy niet uyt de ka-mer fal gaen voor dat fy haer wenfch verkregenheeft, foo worden , na verloop van eenige we-ken , de vader en moeder van de jongeling ge-dwongen in 't huwelijck toe te ftemmen, en hunfoon t'overreden oock wederliefde tot haer tetoonen, als aen de gene , die noch fijn huysvroufal worden. De jongeling oock, de volftandig-heyt van de dochter, en haer brandende liefdetot hem fiende , wordt mee gedwongen haert'eeren , en lief te hebben , gelijck de gene, diefijn bedgenoot fal worden. Hy verlbeckt dies-halven ernftelijck aen fijn ouders , dat het aenhem geoorloft fy onderlinge liefde aen de maeght te bewijsen. Hier uyt volght, dat dedochters van dit geweft noyt hun ooghwitmiflfen , en , voor fich felven forgende , door hunaenhouden en gedienftigheyt by de ouders envryers, veerdiger een gemael voor fich verkrij-gen. Hier komt noch't wangeloof defer volc-ken by , datfe meenen dat fy, door het weyge-ren van defe dochter, Godt grootelijcks ver-
toornen , en , door defe fmaet, het geheel
geslacht van de dochter fullen quetsen: ja d'ou-
ders felven hebben hier in oock geen macht om
de maeght uyt haer huys te drijven. Want de
kerckelijcke tucht en ordening is tegen de soo-
|
danigen , die daer door van de kerck fwarelijckgeftraft fouden worden j behalven dat dit nochtot lafter van 't geheel huys fou ftrecken. D'ou-ders dan, door defe waengelovigheden beknelt,en vreefende dat fy, om defe weygeringe , vanGodt fekerlijck geftraft fullen worden, 't welckfy feer vaftelijck gelooven , bewilligen in 't ver-foeck van de dochter. Men moet echter wetendat dit onder perfoonen van gelijcke ftaet on-derhouden wordt: wantdelandtbouwersindicgeweft fijn alle omtrent even rijck,- en daer isgeen groote verfcheydenheyt onder hare goe-deren en befittingen. Doch dat eenigh boermet een edele dochter eenigh huwelijck aen-gaen fou, dat is verboden ; en gebeurt oock nietdan by eenigh voorval, 't welck wy hier na ful-len befchrijven, en dit om feker befbnder enoudt voorrecht , 'tfy dat het waer is, oft dusvoorgewend wordt. In defe geweften is een oude gewoonte, dat m ^^^alle iondagen en feeftdagen na de maeltijdt, de ? m,mannen en vrouwen, en oock de kinderen, ineen plaets, tot fuypen beftemt, te famen komen,daer fy 't overige van de dagh in uytgelaten-heyt overbrengen. Terwijl de mannen en wij- jy^nffeÂ?,ven fuypen en fwelgen , maeckt de jeught, ydermet een dochter gevoeght, een dans, op 't ge-luyt van een ruyspijp , daer gemeenelijck deHeer van de plaets, met fijn gefin, en kinderen,fonder onderfchey t, by komt, om defe danftender boeren te fien j ja defe danften worden fom-tijts oock voor fijn kafteel, oft hof gehouden,daer hy felf , met fijn kinderen en gemalin ,danft. In defe tijdt fijn d'edelen en boeren on-der malkanderen vermengt. Hier ftaet aen temercken, dat byna alle de dorpen van Podolienen Ukraine met heggen en dichte boftchen om-ringtfijn , daerin holenenfchuylhoeckenfijn,in de welcke d'inwoonders van de plaets fichdes fomers verfchuylen , als fy voor de Tarta-ren vreefen. Defe boftchen fijn een half mijlbreet. En hoewel byna alle de boeren als
flavendienftbaer fijn, foo hebben fy echter een oudtvoorrecht , dat fy in defe danften een edeledochter, alwaer 'tvan hun eygen Heer, mogenweghvoeren ; 't welck nochtans fbo behendighen voorfichtigh moet gefchieden, dat de rooverniet van de gene, die de roof vervolgen , be-trapt en wordt 5 anderfins fou't hem h^et levenkoften. Indien dan de gene, die defe fchaeckinggedaen heeft, fich in 't bygelegen bofch be-geeft , en daer vierentwintigh uren kan blijven ,fonder van iemant gevonden te fijn , foo wordthy van fijn fchaecking vry gefproken. Indiende gelchaeckte de gene, die haer gefchaecktheeft, tot een gemael voor fich begeert, foo ,mach de fchaecker dat niet weygeren, op ver-beurte van 't leven -, maer indien de gefchaecktehaer fchaecker niet wil trouwen, foo wordt defchaecker vry gef|)roken. Maer indien de fchae-ker binnen de geftelde tijdt van fijn verfchuy-Ung gevat wordt, foo moet hy dit misdrijf meefijn hooft te verliefen boeten; en hy wordt inde felfde tijdt en plaets, daer in men hem krijgt,fonder eenige rechtsvordering gedoot. Dochickhebin de tijdt van feventien jaren, dieick daer
|}<noinclude></noinclude>
cjchm5mpkf4jsx06ax6h8b2kich1u9n
222344
222323
2026-05-31T20:30:55Z
Nederlandse Leeuw
797
222344
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
leven is, begeven fich tot fuypen en fwelgen metde hunne, als fy uyt de zee wedergekeert fijn.
Maer om onse belofte , hier voor gedaen, tetjnrfhZ voldoen, foo fullen wy hun gewoonte, die fy inhawelijcken de voltrecking van hun huwelijcken onderhou-umacc^n, befchrijven,- de welcke hen eygen is, en van geen andere voicken gebruyckt wort. Menfiet daer dat een vryfter een vryer vrijt diehaer behaeght, geheel anders, dan andere volc-ken. Een feker waengeloof, 't welck onder hunis , en dat fy naukeurighlijck onderhouden ,maeckt dat fy felden mistafl:en,en van hun voor-nemen verfteken blijven. Ende dochters fijnhier in geluckiger , dan oft fy fulcks door tuf-fchenfpraeck van magen en vrienden bevorder-den. De vryftcr dan, op eenigh vryer verlieftfijnde, gaet naer fijn huys, als fy bemercktdatfijn vader en moeder, en oock de vryer felf,t'huys is, en , in huys tredende, feght Pomagahog,dat is, Godt fegen u j 't welck de gewoone groete-nis der Ruffen is. En fy , op een gevoeghe-lijcke wijfe haer vryer ge?¨ert hebbende, fpreekthem dus aen : luan^ Fedor, Demetre, Woltek, Mikita^(oft met eenige andere naem , die by de RufTengemeen is) dewijl ick uyt uwaengeficht uw in-wendige goetheyt heb bemerckt, en oock uwverftant, door 't welck, gelijck ick vertrou, ghyeen goede huysvader fult worden , en uw gema-lin in eeren houden, foo kom ick, door defe din-gen bewogen, in alle ootmoedighey t by u , omvan u te verfoecken dat ghy my totuwhuys-vrou fult nemen ; en oock van uw vader en moe-der, op dat die oock in de felfde verbintenis toe-ftemmen. Indien fy afgewef?¨n wort, en tot ant-woort krijght, dat hun fbon noch te jong is, omde laft van 't huwelijck te dragen j foo antwoortfy,dat fy niet van daer fal gaen, tot dat fy enhaer vryer te famen gevoeght fijn. Als defe re-denen gefeght fijn, en de dochter hardneckigh-lijck aenhoudt, en fweert dat fy niet uyt de ka-mer fal gaen voor dat fy haer wenfch verkregenheeft, foo worden , na verloop van eenige we-ken , de vader en moeder van de jongeling ge-dwongen in 't huwelijck toe te ftemmen, en hunfoon t'overreden oock wederliefde tot haer tetoonen, als aen de gene , die noch fijn huysvroufal worden. De jongeling oock, de volftandig-heyt van de dochter, en haer brandende liefdetot hem fiende , wordt mee gedwongen haert'eeren , en lief te hebben , gelijck de gene, diefijn bedgenoot fal worden. Hy verlbeckt dies-halven ernftelijck aen fijn ouders , dat het aenhem geoorloft fy onderlinge liefde aen de maeght te bewijsen. Hier uyt volght, dat dedochters van dit geweft noyt hun ooghwitmiflfen , en , voor fich felven forgende , door hunaenhouden en gedienftigheyt by de ouders envryers, veerdiger een gemael voor fich verkrij-gen. Hier komt noch't wangeloof defer volc-ken by , datfe meenen dat fy, door het weyge-ren van defe dochter, Godt grootelijcks ver-
toornen , en , door defe fmaet, het geheel
geslacht van de dochter fullen quetsen: ja d'ou-
ders felven hebben hier in oock geen macht om
de maeght uyt haer huys te drijven. Want de
kerckelijcke tucht en ordening is tegen de soo-
|
danigen , die daer door van de kerck fwarelijckgeftraft fouden worden j behalven dat dit nochtot lafter van 't geheel huys fou ftrecken. D'ou-ders dan, door defe waengelovigheden beknelt,en vreefende dat fy, om defe weygeringe , vanGodt fekerlijck geftraft fullen worden, 't welckfy feer vaftelijck gelooven , bewilligen in 't ver-foeck van de dochter. Men moet echter wetendat dit onder perfoonen van gelijcke ftaet on-derhouden wordt: wantdelandtbouwersindicgeweft fijn alle omtrent even rijck,- en daer isgeen groote verfcheydenheyt onder hare goe-deren en befittingen. Doch dat eenigh boermet een edele dochter eenigh huwelijck aen-gaen fou, dat is verboden ; en gebeurt oock nietdan by eenigh voorval, 't welck wy hier na ful-len befchrijven, en dit om feker befbnder enoudt voorrecht , 'tfy dat het waer is, oft dusvoorgewend wordt.
In defe geweften is een oude gewoonte, dat in
alle sondagen en feestdagen na de maeltijdt, de
mannen en vrouwen, en oock de kinderen, in
een plaets, tot suypen bestemt, te samen komen,
daer sy 't overige van de dagh in uytgelaten-
heyt overbrengen. Terwijl de mannen en wij-
ven suypen en swelgen , maeckt de jeught, yder
met een dochter gevoeght, een dans, op 't ge-
luyt van een ruyspijp , daer gemeenelijck de
Heer van de plaets, met sijn gesin, en kinderen,
sonder onderscheyt, by komt, om dese danssen
der boeren te sien ; ja dese danssen worden som-
tijts oock voor sijn kasteel, oft hof gehouden,
daer hy self, met sijn kinderen en gemalin, danst.
In dese tijdt sijn d'edelen en boeren on-
der malkanderen vermengt. Hier staet aen te
mercken, dat byna alle de dorpen van Podolien
en Ukraine met heggen en dichte bosschen om-
ringt sijn, daer in holen en schuylhoecken sijn,
in de welcke d'inwoonders van de plaets sich
des somers verschuylen , als sy voor de Tarta-
ren vreesen. Dese bosschen sijn een half mijl
breet. En hoewel byna alle de boeren als slaven
dienstbaer sijn, soo hebben sy echter een oudt
voorrecht , dat sy in dese danssen een edele
dochter, alwaer 't van hun eygen Heer, mogen
weghvoeren ; 't welck nochtans soo behendigh
en voorsichtigh moet geschieden, dat de roover
niet van de gene, die de roof vervolgen , be-
trapt en wordt ; andersins sou 't hem het leven
kosten. Indien dan de gene, die dese schaecking
gedaen heeft, sich in 't bygelegen bosch be-
geeft , en daer vierentwintigh uren kan blijven ,
sonder van iemant gevonden te sijn , soo wordt
hy vansijn schaecking vry gesproken. Indien
de geschaeckte de gene, die haer geschaeckt
heeft, tot een gemael voor sich begeert, soo
mach de schaecker dat niet weygeren, op ver-
beurte van 't leven, maer indien de geschaeckte
haer schaecker niet wil trouwen, soo wordt de
schaecker vry gesproken. Maer indien de schae-
ker binnen de gestelde tijdt van sijn verschuy-
ling gevat wordt, soo moet hy dit misdrijf met
sijn hooft te verliesen boeten; en hy wordt in
de selfde tijdt en plaets, daer in men hem krijgt,
sonder eenige rechtsvordering gedoot. Doch
ick heb in de tijdt van seventien jaren, die
ick daer
|}<noinclude></noinclude>
l6qp3masszh76fmp65i9fvd61lfpi2w
222353
222344
2026-05-31T21:25:31Z
Nederlandse Leeuw
797
222353
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
leven is, begeven sich tot suypen en swelgen met
de hunne, als sy uyt de zee wedergekeert sijn.
Maer om onse belofte , hier voor gedaen, te
voldoen, soo sullen wy hun gewoonte, die sy in
de voltrecking van hun huwelijcken onderhou-
den, beschrijven; de welcke hen eygen is, en
van geen andere volcken gebruyckt wort. Men
siet daer dat een vryster een vryer vrijt die
haer behaeght, geheel anders, dan andere volc-
ken. Een seker waengeloof, 't welck onder hun
is, en dat sy naukeurighlijck onderhouden,
maeckt dat sy selden mistasten,en van hun voor-
nemen versteken blijven. Ende dochters sijn
hier in geluckiger , dan oft sy sulcks door tus-
schenspraeck van magen en vrienden bevorder-
den. De vryster dan, op eenigh vryer verliest
sijnde, gaet naer sijn huys, als sy bemerckt dat
sijn vader en moeder, en oock de vryer self,
t'huys is, en, in huys tredende, seght ''Pomagabog'',
dat is, ''Godt segen u''; 't welck de gewoone groete-
nis der Russen is. En sy , op een gevoeghe-
lijcke wijse haer vryer geëert hebbende, spreekt
hem dus aen : ''Ivan, Fedor, Demetre, Woitek, Mikita,'' (oft met eenige andere naem , die by de Russen
gemeen is) dewijl ick uyt uw aengesicht uw in-
wendige goetheyt heb bemerckt, en oock uw
verstant, door 't welck, gelijck ick vertrou, ghy
een goede huysvader sult worden , en uw gema-
lin in eeren houden, soo kom ick, door dese din-
gen bewogen, in alle ootmoedigheyt by u, om
van u te versoecken dat ghy my tot uw huys-
vrou sult nemen ; en oock van uw vader en moe-
der, op dat die oock in de selfde verbintenis toe-
stemmen. Indien sy afgewesen wort, en tot ant-
woort krijght, dat hun soon noch te jong is, om
de last van 't huwelijck te dragen ; soo antwoort
sy, dat sy niet van daer sal gaen, tot dat sy en
haer vryer te samen gevoeght sijn. Als dese re-
denen geseght sijn, en de dochter hardneckigh-
lijck aenhoudt, en sweert dat sy niet uyt de ka-
mer sal gaen voor dat sy haer wensch verkregen
heeft, soo worden , na verloop van eenige we-
ken, de vader en moeder van de jongeling ge-
dwongen in 't huwelijck toe te stemmen, en hun
soon t'overreden oock wederliefde tot haer te
toonen, als aen de gene , die noch sijn huysvrou
sal worden. De jongeling oock, de volstandig-
heyt van de dochter, en haer brandende liefde
tot hem siende , wordt mee gedwongen haer
t'eeren , en lief te hebben , gelijck de gene, die
sijn bedgenoot sal worden. Hy versoeckt dies-
halven ernstelijck aen sijn ouders , dat het aenhem geoorloft fy onderlinge liefde aen de maeght te bewijsen. Hier uyt volght, dat dedochters van dit geweft noyt hun ooghwitmiflfen , en , voor fich felven forgende , door hunaenhouden en gedienftigheyt by de ouders envryers, veerdiger een gemael voor fich verkrij-gen. Hier komt noch't wangeloof defer volc-ken by , datfe meenen dat fy, door het weyge-ren van defe dochter, Godt grootelijcks ver-
toornen , en , door defe fmaet, het geheel
geslacht van de dochter fullen quetsen: ja d'ou-
ders felven hebben hier in oock geen macht om
de maeght uyt haer huys te drijven. Want de
kerckelijcke tucht en ordening is tegen de soo-
|
danigen , die daer door van de kerck fwarelijckgeftraft fouden worden j behalven dat dit nochtot lafter van 't geheel huys fou ftrecken. D'ou-ders dan, door defe waengelovigheden beknelt,en vreefende dat fy, om defe weygeringe , vanGodt fekerlijck geftraft fullen worden, 't welckfy feer vaftelijck gelooven , bewilligen in 't ver-foeck van de dochter. Men moet echter wetendat dit onder perfoonen van gelijcke ftaet on-derhouden wordt: wantdelandtbouwersindicgeweft fijn alle omtrent even rijck,- en daer isgeen groote verfcheydenheyt onder hare goe-deren en befittingen. Doch dat eenigh boermet een edele dochter eenigh huwelijck aen-gaen fou, dat is verboden ; en gebeurt oock nietdan by eenigh voorval, 't welck wy hier na ful-len befchrijven, en dit om feker befbnder enoudt voorrecht , 'tfy dat het waer is, oft dusvoorgewend wordt.
In defe geweften is een oude gewoonte, dat in
alle sondagen en feestdagen na de maeltijdt, de
mannen en vrouwen, en oock de kinderen, in
een plaets, tot suypen bestemt, te samen komen,
daer sy 't overige van de dagh in uytgelaten-
heyt overbrengen. Terwijl de mannen en wij-
ven suypen en swelgen , maeckt de jeught, yder
met een dochter gevoeght, een dans, op 't ge-
luyt van een ruyspijp , daer gemeenelijck de
Heer van de plaets, met sijn gesin, en kinderen,
sonder onderscheyt, by komt, om dese danssen
der boeren te sien ; ja dese danssen worden som-
tijts oock voor sijn kasteel, oft hof gehouden,
daer hy self, met sijn kinderen en gemalin, danst.
In dese tijdt sijn d'edelen en boeren on-
der malkanderen vermengt. Hier staet aen te
mercken, dat byna alle de dorpen van Podolien
en Ukraine met heggen en dichte bosschen om-
ringt sijn, daer in holen en schuylhoecken sijn,
in de welcke d'inwoonders van de plaets sich
des somers verschuylen , als sy voor de Tarta-
ren vreesen. Dese bosschen sijn een half mijl
breet. En hoewel byna alle de boeren als slaven
dienstbaer sijn, soo hebben sy echter een oudt
voorrecht , dat sy in dese danssen een edele
dochter, alwaer 't van hun eygen Heer, mogen
weghvoeren ; 't welck nochtans soo behendigh
en voorsichtigh moet geschieden, dat de roover
niet van de gene, die de roof vervolgen , be-
trapt en wordt ; andersins sou 't hem het leven
kosten. Indien dan de gene, die dese schaecking
gedaen heeft, sich in 't bygelegen bosch be-
geeft , en daer vierentwintigh uren kan blijven ,
sonder van iemant gevonden te sijn , soo wordt
hy vansijn schaecking vry gesproken. Indien
de geschaeckte de gene, die haer geschaeckt
heeft, tot een gemael voor sich begeert, soo
mach de schaecker dat niet weygeren, op ver-
beurte van 't leven, maer indien de geschaeckte
haer schaecker niet wil trouwen, soo wordt de
schaecker vry gesproken. Maer indien de schae-
ker binnen de gestelde tijdt van sijn verschuy-
ling gevat wordt, soo moet hy dit misdrijf met
sijn hooft te verliesen boeten; en hy wordt in
de selfde tijdt en plaets, daer in men hem krijgt,
sonder eenige rechtsvordering gedoot. Doch
ick heb in de tijdt van seventien jaren, die
ick daer
|}<noinclude></noinclude>
l4b2yjdpozt11p3ut6zn1be9gps6t5y
222354
222353
2026-05-31T21:32:18Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Proefgelezen */
222354
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
leven is, begeven sich tot suypen en swelgen met
de hunne, als sy uyt de zee wedergekeert sijn.
Maer om onse belofte , hier voor gedaen, te
voldoen, soo sullen wy hun gewoonte, die sy in
de voltrecking van hun huwelijcken onderhou-
den, beschrijven; de welcke hen eygen is, en
van geen andere volcken gebruyckt wort. Men
siet daer dat een vryster een vryer vrijt die
haer behaeght, geheel anders, dan andere volc-
ken. Een seker waengeloof, 't welck onder hun
is, en dat sy naukeurighlijck onderhouden,
maeckt dat sy selden mistasten,en van hun voor-
nemen versteken blijven. Ende dochters sijn
hier in geluckiger , dan oft sy sulcks door tus-
schenspraeck van magen en vrienden bevorder-
den. De vryster dan, op eenigh vryer verliest
sijnde, gaet naer sijn huys, als sy bemerckt dat
sijn vader en moeder, en oock de vryer self,
t'huys is, en, in huys tredende, seght ''Pomagabog'',
dat is, ''Godt segen u''; 't welck de gewoone groete-
nis der Russen is. En sy , op een gevoeghe-
lijcke wijse haer vryer geëert hebbende, spreekt
hem dus aen : ''Ivan, Fedor, Demetre, Woitek, Mikita,'' (oft met eenige andere naem , die by de Russen
gemeen is) dewijl ick uyt uw aengesicht uw in-
wendige goetheyt heb bemerckt, en oock uw
verstant, door 't welck, gelijck ick vertrou, ghy
een goede huysvader sult worden , en uw gema-
lin in eeren houden, soo kom ick, door dese din-
gen bewogen, in alle ootmoedigheyt by u, om
van u te versoecken dat ghy my tot uw huys-
vrou sult nemen ; en oock van uw vader en moe-
der, op dat die oock in de selfde verbintenis toe-
stemmen. Indien sy afgewesen wort, en tot ant-
woort krijght, dat hun soon noch te jong is, om
de last van 't huwelijck te dragen ; soo antwoort
sy, dat sy niet van daer sal gaen, tot dat sy en
haer vryer te samen gevoeght sijn. Als dese re-
denen geseght sijn, en de dochter hardneckigh-
lijck aenhoudt, en sweert dat sy niet uyt de ka-
mer sal gaen voor dat sy haer wensch verkregen
heeft, soo worden , na verloop van eenige we-
ken, de vader en moeder van de jongeling ge-
dwongen in 't huwelijck toe te stemmen, en hun
soon t'overreden oock wederliefde tot haer te
toonen, als aen de gene , die noch sijn huysvrou
sal worden. De jongeling oock, de volstandig-
heyt van de dochter, en haer brandende liefde
tot hem siende , wordt mee gedwongen haer
t'eeren , en lief te hebben , gelijck de gene, die
sijn bedgenoot sal worden. Hy versoeckt dies-
halven ernstelijck aen sijn ouders , dat het aen
hem geoorloft sy onderlinge liefde aen
de maeght te bewijsen. Hier uyt volght, dat de
dochters van dit gewest noyt hun ooghwit mis-
sen, en, voor sich selven sorgende , door hun
aenhouden en gedienstigheyt by de ouders en
vryers, veerdiger een gemael voor sich verkrij-
gen. Hier komt noch't wangeloof deser volc-
ken by , datse meenen dat sy, door het weyge-
ren van dese dochter, Godt grootelijcks ver-
toornen, en, door dese smaet, het geheel
geslacht van de dochter sullen quetsen: ja d'ou-
ders selven hebben hier in oock geen macht om
de maeght uyt haer huys te drijven. Want de
kerckelijcke tucht en ordening is tegen de soo-
|
danigen , die daer door van de kerck swarelijck
gestraft fouden worden; behalven dat dit noch
tot laster van 't geheel huys sou strecken. D'ou-
ders dan, door dese waengelovigheden beknelt,
en vreesende dat sy, om dese weygeringe , van
Godt sekerlijck gestraft fullen worden, 't welck
sy seer vastelijck gelooven , bewilligen in 't ver-
soeck van de dochter. Men moet echter weten
dat dit onder persoonen van gelijcke staet on-
derhouden wordt: want de landtbouwers in dit
gewest sijn alle omtrent even rijck; en daer is
geen groote verscheydenheyt onder hare goe-
deren en besittingen. Doch dat eenigh boer
met een edele dochter eenigh huwelijck aen-
gaen sou, dat is verboden; en gebeurt oock niet
dan by eenigh voorval, 't welck wy hier na sul-
len beschrijven, en dit om seker besonder en
oudt voorrecht , 't sy dat het waer is, oft dus
voorgewend wordt.
In dese gewesten is een oude gewoonte, dat in
alle sondagen en feestdagen na de maeltijdt, de
mannen en vrouwen, en oock de kinderen, in
een plaets, tot suypen bestemt, te samen komen,
daer sy 't overige van de dagh in uytgelaten-
heyt overbrengen. Terwijl de mannen en wij-
ven suypen en swelgen , maeckt de jeught, yder
met een dochter gevoeght, een dans, op 't ge-
luyt van een ruyspijp , daer gemeenelijck de
Heer van de plaets, met sijn gesin, en kinderen,
sonder onderscheyt, by komt, om dese danssen
der boeren te sien ; ja dese danssen worden som-
tijts oock voor sijn kasteel, oft hof gehouden,
daer hy self, met sijn kinderen en gemalin, danst.
In dese tijdt sijn d'edelen en boeren on-
der malkanderen vermengt. Hier staet aen te
mercken, dat byna alle de dorpen van Podolien
en Ukraine met heggen en dichte bosschen om-
ringt sijn, daer in holen en schuylhoecken sijn,
in de welcke d'inwoonders van de plaets sich
des somers verschuylen , als sy voor de Tarta-
ren vreesen. Dese bosschen sijn een half mijl
breet. En hoewel byna alle de boeren als slaven
dienstbaer sijn, soo hebben sy echter een oudt
voorrecht , dat sy in dese danssen een edele
dochter, alwaer 't van hun eygen Heer, mogen
weghvoeren ; 't welck nochtans soo behendigh
en voorsichtigh moet geschieden, dat de roover
niet van de gene, die de roof vervolgen , be-
trapt en wordt ; andersins sou 't hem het leven
kosten. Indien dan de gene, die dese schaecking
gedaen heeft, sich in 't bygelegen bosch be-
geeft , en daer vierentwintigh uren kan blijven,
sonder van iemant gevonden te sijn , soo wordt
hy vansijn schaecking vry gesproken. Indien
de geschaeckte de gene, die haer geschaeckt
heeft, tot een gemael voor sich begeert, soo
mach de schaecker dat niet weygeren, op ver-
beurte van 't leven, maer indien de geschaeckte
haer schaecker niet wil trouwen, soo wordt de
schaecker vry gesproken. Maer indien de schae-
ker binnen de gestelde tijdt van sijn verschuy-
ling gevat wordt, soo moet hy dit misdrijf met
sijn hooft te verliesen boeten; en hy wordt in
de selfde tijdt en plaets, daer in men hem krijgt,
sonder eenige rechtsvordering gedoot. Doch
ick heb in de tijdt van seventien jaren, die
ick daer
|}<noinclude></noinclude>
l0gyil7z48gzovpwwabk36hcqvir966
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/19
104
86614
222307
2026-05-31T18:05:24Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '??? â– mSSS ?‹ O R Y S t t?? E N ?ˆ 1 |(S daer ge>;veefl heb , niets foodanigh fien gebeu^ verletten met te verhaelen, hoe Veelderhand?¨ren, oft gehoort dat het gebeurt is. Ick heb wel gerechten en dranck daer voortgebracht wordt;gefien dat de vryflers de vryers vrijden , en dat maer alleenelijckfeggen, dat de bruyt^ naer hundoor defe middel bruyloften daer uyt voorts- gewoonte wel opgetoyt fijnde , te weten metquamen, Maer't ande…
222307
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>??? â– mSSS ?‹ O R Y S t t?? E N ?ˆ 1 |(S daer ge>;veefl heb , niets foodanigh fien gebeu^ verletten met te verhaelen, hoe Veelderhand?¨ren, oft gehoort dat het gebeurt is. Ick heb wel gerechten en dranck daer voortgebracht wordt;gefien dat de vryflers de vryers vrijden , en dat maer alleenelijckfeggen, dat de bruyt^ naer hundoor defe middel bruyloften daer uyt voorts- gewoonte wel opgetoyt fijnde , te weten metquamen, Maer't ander is vol gevaer. Want een een lang kleedt, van blae??w laken gemaeckt, datedele dochter uyt foo groot een gefelfchap te tot op d'aerde hangt, en aen d'uyterfte hoec-rooven , en fich met haer in 't bofch te verber- ken met walvisbeen uytgeftreckt, en met boor-gen , vereyfcht niet alleenlijck een gefwinde den van fijde en wol gemaekt,verciert is, bloots-loop , maer oock een goede kennis en overeen- hooft, met een bloemkrans op 't hooft, en me?Škoming met de dochter. Hier komt noch by, uytgekemt hair tot op de fchouders, van haerdat de boeren nu harder van hun Heeren ge- vader oft broeder, oft van iemant der naeftehandelt worden, en dat d'Adel daer de hooghfte magen naer de kerck wordt geleydt, terwijl 'ermacht heeft verkregen, 't Is gelooffelijck dat op. lieren, oft opeen ruyspijp voor haer gefpeeltdit toen aen de lantlieden veroorloft heeft ge- wordt. Als in de kerck de famenvoeging ge-weeft, wanneer by de Polen de gene tot Koning fchiedt is, foo neemt de naefte van de bruyde-Wierdt verkofen , die in 't loopen alle d'anderen goms magen haer by de handt, en leydt haerovertrof, en dit blootsvoets; welcke fnelheyt naer huys, terwijl het felfde gefpeel voor haervan voeten by defe oude voor groote gaeuwig- heen gaet. Ick fwijgh hier van de danlfen , dieheyt, en het Rijck waerdigh wierdt geacht gewoonelijck op defe bruyloften gefchieden,als oft de voortreffelijckheyt van te heerfchen, en byna onf?¨ danffen en gewoonte overtreffen^meer in de gefwinthey t der voeten,dan in d'uy t- en daer in fy voor geen andere volcken wijeken,fteeckentheyt van't gemoet beftondt. En hier Dit ftaet alleenlijck aen te mercken , dat velecyt fpruyt, nae mijn oordeel, dat tot noch toe naer 't huys, daer de bruyloft gehouden wordt,de Poolfche edelen hun Koning, in de tijdt van loopen, niet foo feer om aen de nieuwe gehuw-fijn verkiefing, doen fweeren voor d'autaerÂ? dat den eer te bewijfen , als om te drincken en tehy niemant van d'Adel , om wat misdrijf het fuypen; 't welck feer gemeen by hen is, ja felfoock is , uytgefondert om verraet tegen de in de tijdt, als fy hun kinderen hebben doenVorft, en tegen het Vaderlant, na de tijdt van doopen. De Grontheer felf
geeft dan aen henvierentwintigh uren fal mogen vangen, om dat, verlof van t'huys bier te brouwen, foo van gerftnae mijn gevoelen, de genen, die f?¨er fnel kon- als van honigh, 't welck fy dan in overvloet in-den loopen , by hen in hooge achting wierden drincken : want in andere tijden is verbodengehouden. Men bemerckt dit noch in de fnel- eyge dranck in huys te brouwen , oft yderioopende paerden ; want fy , alle d'andere din- moet voor elck vat in het befonder fekeren tolgen in een paert overflaende , letten alleen feer betalen. nauw op de gefwintheyt van dit beeft, miftchien Als d'uur van dat de nieuwgehuwden te bedthierom , om hun vyant, de rugh keerende, te fullen gaen gekomen is, foo nemen de vrouwen,achterhalen; en, van hun tegenftrever vervolgt, die magen van de bruydegom f??jn, de bruyt naerhem t'ontkomen. f??ch, en leyden haer in de beftemde kamer, daer Eer ick dit verhael ftuyt, fal ick noch een an- fy haer de kleederen weder uyttrecken , ja o??ckder voorrecht, 't welck de Poolfche edelen heb- het hemdt, en haer aen alle de leden befbecken,ben, verhalen , dat is, dat, als een edelman, aen namelijck in 't hair, in d'ooren, neusgaten , aeneenigh misdrijf fchuldigh, niet binnen de vier- de toonen , en aen d'overige deelen van haeren-twintigh uren wordt gevangen, hy wel de lichaem,om te ften oft'er oock iets,in bloet, oftffraffe des doots ontkomt; maer dat hy echter, root fap gedoopt, verborgen is; en indien 'erals fijn faeck bepleyt en afgedaen is, f??jn goe- ietsdufdanighgevonden wordt, foo fou de ge-deren verlieft; en dat, foo hy niet uyt het Rijck heele bruyloft ontroert, en alles overhoop ge-wijckt, aen yder, wie't oock is, vryheyt wordt worpen worden. Indien fy niets vinden , foogegeven om hem te dooden , fonder dat eenigh wordt de bruyt weer gekleedt, en met een witinwoonder , op verbeurte van 't leven , hem fchoon hemt te bedt gebracht; en dan wordt demach verfchuylen , oft eenige gemeenfchap bruydegom geroepen, om by fijn bruyt te gaenmet hem hebben. Daer fiet ghy by de Polen de flapen; en als de bruyt dus by haer bruydegomftrafheyt met vryheyt vermengt; 't welck het leght, foo wordt de gordijn door d'ouders toe-gene is , dat wy by def?¨ gelegentheyt te f?¨ggen gefchoven.Terwijl dit gefchiet,komt hetgroot-hadden. Dewijl wy 't gevry der boere-dochters fte deel der bruyloftsgaften, met ruyspijpen enverhaelt hebben, fbo laet ons oock iets van hun kroefen in de hant, al danf???¨nde ter kamerin;feeftdagen en bruyloften fpreken. en de vrouwen klappen met de handen , terwijl Als de tijdt van de bruyloft genaeckt, fbo men fingt cn fpringt, en dit
fbo lang, tot dat hetwordt de jeught van wederfijden genoodight, huwelijck ten vollen voltrocken is. Indien on-aen de welcke belaft wordt de magen van de dertuftchen de bruyt eenigh teecken tot danflfenbruydegom en bruyt ter bruyloft te nooden. geeft, foo fpringen fy terftont alle, klappen metSy dragen, tot bewijs van dit ampt, een bloem- de handen, en beginnen met groot gedruys vankrans aen d'arm , en hebben een regifter van de nieuws te fingen. D'ouders van de bruydegomgene, diefy noodigen fullen : fy gaen des daeghs ftaen ondertufifchen gedurigh aen de fijde vanvoor de bruyloftsdagh , en twee in 't getal, van het bedt, om te luyfteren wat 'er gedaen wordt;de welcke de voornaemfte, een ring aen de hand en, als het fpel van de nieuwe-gehuwden uy tge-dragende, het woort doet. Ick fal my hier niet fpeeltis, de gordijnen weder t'openen , enmet eenen JBmyloften,<noinclude></noinclude>
otskhxz10l9hy2g87ps57xml4v4kmod
222324
222307
2026-05-31T18:37:46Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Problematisch */
222324
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
daer geweest heb , niets foodanigh fien gebeu
verletten met te verhaelen, hoe Veelderhand?¨ren, oft gehoort dat het gebeurt is. Ick heb wel gerechten en dranck daer voortgebracht wordt;gefien dat de vryflers de vryers vrijden , en dat maer alleenelijckfeggen, dat de bruyt^ naer hundoor defe middel bruyloften daer uyt voorts- gewoonte wel opgetoyt fijnde , te weten metquamen, Maer't ander is vol gevaer. Want een een lang kleedt, van blae??w laken gemaeckt, datedele dochter uyt foo groot een gefelfchap te tot op d'aerde hangt, en aen d'uyterfte hoec-rooven , en fich met haer in 't bofch te verber- ken met walvisbeen uytgeftreckt, en met boor-gen , vereyfcht niet alleenlijck een gefwinde den van fijde en wol gemaekt,verciert is, bloots-loop , maer oock een goede kennis en overeen- hooft, met een bloemkrans op 't hooft, en me?Škoming met de dochter. Hier komt noch by, uytgekemt hair tot op de fchouders, van haerdat de boeren nu harder van hun Heeren ge- vader oft broeder, oft van iemant der naeftehandelt worden, en dat d'Adel daer de hooghfte magen naer de kerck wordt geleydt, terwijl 'ermacht heeft verkregen, 't Is gelooffelijck dat op. lieren, oft opeen ruyspijp voor haer gefpeeltdit toen aen de lantlieden veroorloft heeft ge- wordt. Als in de kerck de famenvoeging ge-weeft, wanneer by de Polen de gene tot Koning fchiedt is, foo neemt de naefte van de bruyde-Wierdt verkofen , die in 't loopen alle d'anderen goms magen haer by de handt, en leydt haerovertrof, en dit blootsvoets; welcke fnelheyt naer huys, terwijl het felfde gefpeel voor haervan voeten by defe oude voor groote gaeuwig- heen gaet. Ick fwijgh hier van de danlfen , dieheyt, en het Rijck waerdigh wierdt geacht gewoonelijck op defe bruyloften gefchieden,als oft de voortreffelijckheyt van te heerfchen, en byna onf?¨ danffen en gewoonte overtreffen^meer in de gefwinthey t der voeten,dan in d'uy t- en daer in fy voor geen andere volcken wijeken,fteeckentheyt van't gemoet beftondt. En hier Dit ftaet alleenlijck aen te mercken , dat velecyt fpruyt, nae mijn oordeel, dat tot noch toe naer 't huys, daer de bruyloft gehouden wordt,de Poolfche edelen hun Koning, in de tijdt van loopen, niet foo feer om aen de nieuwe gehuw-fijn verkiefing, doen fweeren voor d'autaerÂ? dat den eer te bewijfen , als om te drincken en tehy niemant van d'Adel , om wat misdrijf het fuypen; 't welck feer gemeen by hen is, ja felfoock is , uytgefondert om verraet tegen de in de tijdt, als fy hun kinderen hebben doenVorft, en tegen het Vaderlant, na de tijdt van doopen. De Grontheer felf
geeft dan aen henvierentwintigh uren fal mogen vangen, om dat, verlof van t'huys bier te brouwen, foo van gerftnae mijn gevoelen, de genen, die f?¨er fnel kon- als van honigh, 't welck fy dan in overvloet in-den loopen , by hen in hooge achting wierden drincken : want in andere tijden is verbodengehouden. Men bemerckt dit noch in de fnel- eyge dranck in huys te brouwen , oft yderioopende paerden ; want fy , alle d'andere din- moet voor elck vat in het befonder fekeren tolgen in een paert overflaende , letten alleen feer betalen. nauw op de gefwintheyt van dit beeft, miftchien Als d'uur van dat de nieuwgehuwden te bedthierom , om hun vyant, de rugh keerende, te fullen gaen gekomen is, foo nemen de vrouwen,achterhalen; en, van hun tegenftrever vervolgt, die magen van de bruydegom f??jn, de bruyt naerhem t'ontkomen. f??ch, en leyden haer in de beftemde kamer, daer Eer ick dit verhael ftuyt, fal ick noch een an- fy haer de kleederen weder uyttrecken , ja o??ckder voorrecht, 't welck de Poolfche edelen heb- het hemdt, en haer aen alle de leden befbecken,ben, verhalen , dat is, dat, als een edelman, aen namelijck in 't hair, in d'ooren, neusgaten , aeneenigh misdrijf fchuldigh, niet binnen de vier- de toonen , en aen d'overige deelen van haeren-twintigh uren wordt gevangen, hy wel de lichaem,om te ften oft'er oock iets,in bloet, oftffraffe des doots ontkomt; maer dat hy echter, root fap gedoopt, verborgen is; en indien 'erals fijn faeck bepleyt en afgedaen is, f??jn goe- ietsdufdanighgevonden wordt, foo fou de ge-deren verlieft; en dat, foo hy niet uyt het Rijck heele bruyloft ontroert, en alles overhoop ge-wijckt, aen yder, wie't oock is, vryheyt wordt worpen worden. Indien fy niets vinden , foogegeven om hem te dooden , fonder dat eenigh wordt de bruyt weer gekleedt, en met een witinwoonder , op verbeurte van 't leven , hem fchoon hemt te bedt gebracht; en dan wordt demach verfchuylen , oft eenige gemeenfchap bruydegom geroepen, om by fijn bruyt te gaenmet hem hebben. Daer fiet ghy by de Polen de flapen; en als de bruyt dus by haer bruydegomftrafheyt met vryheyt vermengt; 't welck het leght, foo wordt de gordijn door d'ouders toe-gene is , dat wy by def?¨ gelegentheyt te f?¨ggen gefchoven.Terwijl dit gefchiet,komt hetgroot-hadden. Dewijl wy 't gevry der boere-dochters fte deel der bruyloftsgaften, met ruyspijpen enverhaelt hebben, fbo laet ons oock iets van hun kroefen in de hant, al danf???¨nde ter kamerin;feeftdagen en bruyloften fpreken. en de vrouwen klappen met de handen , terwijl Als de tijdt van de bruyloft genaeckt, fbo men fingt cn fpringt, en dit
fbo lang, tot dat hetwordt de jeught van wederfijden genoodight, huwelijck ten vollen voltrocken is. Indien on-aen de welcke belaft wordt de magen van de dertuftchen de bruyt eenigh teecken tot danflfenbruydegom en bruyt ter bruyloft te nooden. geeft, foo fpringen fy terftont alle, klappen metSy dragen, tot bewijs van dit ampt, een bloem- de handen, en beginnen met groot gedruys vankrans aen d'arm , en hebben een regifter van de nieuws te fingen. D'ouders van de bruydegomgene, diefy noodigen fullen : fy gaen des daeghs ftaen ondertufifchen gedurigh aen de fijde vanvoor de bruyloftsdagh , en twee in 't getal, van het bedt, om te luyfteren wat 'er gedaen wordt;de welcke de voornaemfte, een ring aen de hand en, als het fpel van de nieuwe-gehuwden uy tge-dragende, het woort doet. Ick fal my hier niet fpeeltis, de gordijnen weder t'openen , enmet eenen JBmyloften,
|}<noinclude></noinclude>
qqet8osafy82j2h67w147j98o143r6r
222336
222324
2026-05-31T19:31:02Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Niet proefgelezen */
222336
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
daer geweeft heb, niets foodanigh fien gebeu-
ren, oft gehoort dat het gebeurt is. Ick heb wel
gefien dat de vryfters de vryers vrijden, en dat
door defe middel bruyloften daer uyt voorts-
quamen. Maer 't ander is vol gevaer. Want een
edele dochter uyt foo groot een gefelfchap te
rooven, en fich met haer in't bofch te verber-
gen , vereyfcht niet alleenlijck een gefwinde
loop, maer oock een goede kennis en overeen-
koming met de dochter. Hier komt noch by,
dat de boeren nu harder van hun Heeren ge-
handelt worden, en dat d'Adel daer de hooghfte
macht heeft verkregen. 't Is gelooffelijck dat
dit toen aen de lantlieden veroorloft heeft ge-
weeft, wanneer by de Polen de gene tot Koning
wierdt verkofen, die in't loopen alle d'anderen
overtrof, en dit blootsvoets; welcke fnelheyt
van voeten by defe oude voor groote gaeuwig-
heyt, en het Rijck waerdigh wierdt geacht;
als oft de voortreffelijckheyt van te heerfchen,
meer in de gefwintheyt der voeten,dan in d'uyt-
fteeckentheyt van 't gemoet beftondt. En hier
uyt fpruyt, nae mijn oordeel, dat tot noch toe
de Poolfche edelen hun Koning, in de tijdt van
fijn verkiefing, doen fweeren voor d'autaer, dat
hy niemant van d'Adel , om wat misdrijf het
oock is , uytgefondert om verraet tegen de
Vorft, en tegen het Vaderlant, na de tijdt van
vierentwintigh uren fal mogen vangen, om dat,
nae mijn gevoelen, de genen, die feer fnel kon-
den loopen , by hen in hooge achting wierden
gehouden. Men bemerckt dit noch in de fnel-
loopende paerden ; want fy , alle d'andere din-
gen in een paert overflaende, letten alleen feer
nauw op de gefwintheyt van dit beeft, miffchien
hierom, om hun vyant , de rugh keerende, te
achterhalen ; en, van hun tegenftrever vervolgt,
hem t'ontkomen.
Eer ick dit verhael sluyt , sal ick noch een an-
der voorrecht, 't welck de Poolsche edelen heb-
ben, verhalen, dat is, dat, als een edelman, aen
eenigh misdrijf fchuldigh, niet binnen de vier-
en-twintigh uren wordt gevangen, hy wel de
ftraffe des doots ontkomt ; maer dat hy echter,
als fijn faeck bepleyt en afgedaen is , fijn goe-
deren verlieft; en dat, foo hy niet uyt het Rijck
wijckt, aen yder, wie't oock is , vryheyt wordt
gegeven om hem te dooden , fonder dat eenigh
inwoonder, op verbeurte van 't leven , hem
mach verfchuylen , oft eenige gemeenfchap
met hem hebben. Daer fiet ghy by de Polen de
ftrafheyt met vryheyt vermengt; 't welck het
gene is, dat wy by defe gelegentheyt te feggen
hadden. Dewijl wy't gevry der boere-dochters
verhaelt hebben, foo laet ons oock iets van hun
feestdagen en bruyloften fpreken.
Als de tijdt van de bruyloft genaeckt, foo
wordt de jeught van wederfijden genoodight,
aen de welcke belaft wordt de magen van de
bruydegom en bruyt ter bruyloft te nooden.
Sy dragen, tot bewijs van dit ampt, een bloem-
krans aen d'arm, en hebben een regifter van de
gene, die sy noodigen sullen : sy gaen des daeghs
voor de bruyloftsdagh , en twee in 't getal, van
de welcke de voornaemste, een ring aen de hand
dragende, het woort doet. Ick sal my hier niet
|
verletten met te verhaelen, hoe veelderhande
gerechten en dranck daer voortgebracht wordt;
maer alleenelijck feggen, dat de bruyt, naer hun
gewoonte wel opgetoyt fijnde, te weten met
een lang kleedt, van blaeuw laken gemaeckt, dat
tot op d'aerde hangt, en aen d'uyterfte hoec-
ken met walvisbeen uytgeftreckt, en met boor-
den van fijde en wol gemaekt,verciert is, bloots-
hooft, met een bloemkrans op't hooft, en met
uytgekemt hair tot op de fchouders, van haer
vader oft broeder , oft van iemant der naefte
magen naer de kerck wordt geleydt, terwijl 'er
op lieren, oft op een ruyspijp voor haer gefpeelt
wordt. Als in de kerck de famenvoeging ge-
fchiedt is , foo neemt de naefte van de bruyde-
goms magen haer by de handt, en leydt haer
naer huys, terwijl het felfde gefpeel voor haer
heen gaet. Ick fwijgh hier van de danffen, die
gewoonelijck op defe bruyloften gefchieden,
en byna onfe danffen en gewoonte overtreffen,
en daer in fy voor geen andere volcken wijcken.
Dit ftaet alleenlijck aen te mercken , dat vele
naer't huys, daer de bruyloft gehouden wordt,
loopen, niet foo feer om aen de nieuwe gehuw-
den eer te bewijfen, als om te drincken en te
fuypen ; 't welck feer gemeen by hen is, ja felf
in de tijdt, als fy hun kinderen hebben doen
doopen. De Grontheer felf geeft dan aen hen
verlof van t'huys bier te brouwen, foo van gerft
als van honigh, 't welck fy dan in overvloet in-
drincken : want in andere tijden is verboden
eyge dranck in huys te brouwen , oft yder
moet voor elck vat in het befonder fekeren tol
betalen.
Als d'uur van dat de nieuwgehuwden te bedt
fullen gaen gekomen is, foo nemen de vrouwen,
die magen van de bruydegom fijn, de bruyt naer
fich, en leyden haer in de beftemde kamer, daer
fy haer de kleederen weder uyttrecken, ja oock
het hemdt, en haer aen alle de leden befoecken,
namelijck in't hair, in d'ooren, neusgaten, aen
de toonen, en aen d'overige deelen van haer
lichaem,om te fien oft'er oock iets,in bloet, oft
root fap gedoopt, verborgen is ; en indien'er
iets dufdanigh gevonden wordt, foo fou de ge-
heele bruyloft ontroert, en alles overhoop ge-
worpen worden. Indien fy niets vinden , foo
wordt de bruyt weêr gekleedt, en met een wit
fchoon hemt te bedt gebracht ; en dan wordt de
bruydegom geroepen, om by fijn bruyt te gaen
flapen ; en als de bruyt dus by haer bruydegom
leght, foo wordt de gordijn door d'ouders toe-
gefchoven. Terwijl dit gefchiet,komt het groot-
fte deel der bruyloftsgasten, met ruyspijpen en
kroefen in de hant, al danffende ter kamer in;
en de vrouwen klappen met de handen, terwijl
men fingt en fpringt, en dit foo lang, tot dat het
huwelijck ten vollen voltrocken is. Indien on-
dertuffchen de bruyt eenigh teecken tot danffen
geeft, soo springen fy terstont alle, klappen met
de handen, en beginnen met groot gedruys van
nieuws te fingen. D'ouders van de bruydegom
ftaen ondertusschen gedurigh aen de sijde van
het bedt, om te luysteren wat'er gedaen wordt;
en, als het fpel van de nieuwe-gehuwden uytge-
fpeelt is, de gordijuen weder t'openen , en met
eenen
|}<noinclude></noinclude>
jdbpavdwshdbkq8lgyzdxv9nse60z8n
222346
222336
2026-05-31T20:40:23Z
Nederlandse Leeuw
797
222346
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
daer geweest heb, niets soodanigh sien gebeu-
ren, oft gehoort dat het gebeurt is. Ick heb wel
gesien dat de vrysters de vryers vrijden, en dat
door dese middel bruyloften daer uyt voorts-
quamen. Maer 't ander is vol gevaer. Want een
edele dochter uyt soo groot een geselschap te
rooven, en sich met haer in't bosch te verber-
gen , vereyscht niet alleenlijck een geswinde
loop, maer oock een goede kennis en overeen-
koming met de dochter. Hier komt noch by,
dat de boeren nu harder van hun Heeren ge-
handelt worden, en dat d'Adel daer de hooghste
macht heeft verkregen. 't Is gelooffelijck dat
dit toen aen de lantlieden veroorloft heeft ge-
weest, wanneer by de Polen de gene tot Koning
wierdt verkosen, die in 't loopen alle d'anderen
overtrof, en dit blootsvoets; welcke snelheyt
van voeten by dese oude voor groote gaeuwig-
heyt, en het Rijck waerdigh wierdt geacht;
als oft de voortreffelijckheyt van te heerschen,
meer in de geswintheyt der voeten,dan in d'uyt-
steeckentheyt van 't gemoet bestondt. En hier
uyt spruyt, nae mijn oordeel, dat tot noch toe
de Poolsche edelen hun Koning, in de tijdt van
sijn verkiesing, doen sweeren voor d'autaer, dat
hy niemant van d'Adel , om wat misdrijf het
oock is , uytgesondert om verraet tegen de
Vorst, en tegen het Vaderlant, na de tijdt van
vierentwintigh uren sal mogen vangen, om dat,
nae mijn gevoelen, de genen, die seer snel kon-
den loopen , by hen in hooge achting wierden
gehouden. Men bemerckt dit noch in de snel-
loopende paerden ; want sy , alle d'andere din-
gen in een paert overslaende, letten alleen seer
nauw op de geswintheyt van dit beest, misschien
hierom, om hun vyant , de rugh keerende, te
achterhalen ; en, van hun tegenstrever vervolgt,
hem t'ontkomen.
Eer ick dit verhael sluyt , sal ick noch een an-
der voorrecht, 't welck de Poolsche edelen heb-
ben, verhalen, dat is, dat, als een edelman, aen
eenigh misdrijf schuldigh, niet binnen de vier-
en-twintigh uren wordt gevangen, hy wel de
straffe des doots ontkomt ; maer dat hy echter,
als sijn saeck bepleyt en afgedaen is , sijn goe-
deren verlieft; en dat, soo hy niet uyt het Rijck
wijckt, aen yder, wie't oock is , vryheyt wordt
gegeven om hem te dooden , sonder dat eenigh
inwoonder, op verbeurte van 't leven , hem
mach verschuylen , oft eenige gemeenschap
met hem hebben. Daer siet ghy by de Polen de
strafheyt met vryheyt vermengt; 't welck het
gene is, dat wy by dese gelegentheyt te seggen
hadden. Dewijl wy 't gevry der boere-dochters
verhaelt hebben, soo laet ons oock iets van hun
feestdagen en bruyloften spreken.
Als de tijdt van de bruyloft genaeckt, soo
wordt de jeught van wedersijden genoodight,
aen de welcke belast wordt de magen van de
bruydegom en bruyt ter bruyloft te nooden.
Sy dragen, tot bewijs van dit ampt, een bloem-
krans aen d'arm, en hebben een register van de
gene, die sy noodigen sullen : sy gaen des daeghs
voor de bruyloftsdagh , en twee in 't getal, van
de welcke de voornaemste, een ring aen de hand
dragende, het woort doet. Ick sal my hier niet
|
verletten met te verhaelen, hoe veelderhande
gerechten en dranck daer voortgebracht wordt;
maer alleenelijck seggen, dat de bruyt, naer hun
gewoonte wel opgetoyt sijnde, te weten met
een lang kleedt, van blaeuw laken gemaeckt, dat
tot op d'aerde hangt, en aen d'uyterste hoec-
ken met walvisbeen uytgestreckt, en met boor-
den van sijde en wol gemaekt, verciert is, bloots-
hooft, met een bloemkrans op 't hooft, en met
uytgekemt hair tot op de schouders, van haer
vader oft broeder , oft van iemant der naeste
magen naer de kerck wordt geleydt, terwijl 'er
op lieren, oft op een ruyspijp voor haer gespeelt
wordt. Als in de kerck de samenvoeging ge-
schiedt is , soo neemt de naeste van de bruyde-
goms magen haer by de handt, en leydt haer
naer huys, terwijl het selfde gespeel voor haer
heen gaet. Ick swijgh hier van de danssen, die
gewoonelijck op dese bruyloften geschieden,
en byna onse danssen en gewoonte overtreffen,
en daer in sy voor geen andere volcken wijcken.
Dit staet alleenlijck aen te mercken , dat vele
naer 't huys, daer de bruyloft gehouden wordt,
loopen, niet soo feer om aen de nieuwe gehuw-
den eer te bewijsen, als om te drincken en te
suypen ; 't welck seer gemeen by hen is, ja self
in de tijdt, als sy hun kinderen hebben doen
doopen. De Grontheer self geeft dan aen hen
verlof van t'huys bier te brouwen, soo van gerst
als van honigh, 't welck sy dan in overvloet in-
drincken : want in andere tijden is verboden
eyge dranck in huys te brouwen , oft yder
moet voor elck vat in het besonder sekeren tol
betalen.
Als d'uur van dat de nieuwgehuwden te bedt
sullen gaen gekomen is, soo nemen de vrouwen,
die magen van de bruydegom fijn, de bruyt naer
fich, en leyden haer in de beftemde kamer, daer
fy haer de kleederen weder uyttrecken, ja oock
het hemdt, en haer aen alle de leden befoecken,
namelijck in't hair, in d'ooren, neusgaten, aen
de toonen, en aen d'overige deelen van haer
lichaem,om te fien oft'er oock iets,in bloet, oft
root fap gedoopt, verborgen is ; en indien'er
iets dufdanigh gevonden wordt, foo fou de ge-
heele bruyloft ontroert, en alles overhoop ge-
worpen worden. Indien fy niets vinden , foo
wordt de bruyt weêr gekleedt, en met een wit
fchoon hemt te bedt gebracht ; en dan wordt de
bruydegom geroepen, om by fijn bruyt te gaen
flapen ; en als de bruyt dus by haer bruydegom
leght, foo wordt de gordijn door d'ouders toe-
gefchoven. Terwijl dit gefchiet,komt het groot-
fte deel der bruyloftsgasten, met ruyspijpen en
kroefen in de hant, al danffende ter kamer in;
en de vrouwen klappen met de handen, terwijl
men fingt en fpringt, en dit foo lang, tot dat het
huwelijck ten vollen voltrocken is. Indien on-
dertuffchen de bruyt eenigh teecken tot danffen
geeft, soo springen fy terstont alle, klappen met
de handen, en beginnen met groot gedruys van
nieuws te fingen. D'ouders van de bruydegom
ftaen ondertusschen gedurigh aen de sijde van
het bedt, om te luysteren wat'er gedaen wordt;
en, als het fpel van de nieuwe-gehuwden uytge-
fpeelt is, de gordijuen weder t'openen , en met
eenen
|}<noinclude></noinclude>
dt462oebqc69ha22lk3vvv031vv5qsz
222347
222346
2026-05-31T20:43:30Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Proefgelezen */
222347
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
daer geweest heb, niets soodanigh sien gebeu-
ren, oft gehoort dat het gebeurt is. Ick heb wel
gesien dat de vrysters de vryers vrijden, en dat
door dese middel bruyloften daer uyt voorts-
quamen. Maer 't ander is vol gevaer. Want een
edele dochter uyt soo groot een geselschap te
rooven, en sich met haer in't bosch te verber-
gen , vereyscht niet alleenlijck een geswinde
loop, maer oock een goede kennis en overeen-
koming met de dochter. Hier komt noch by,
dat de boeren nu harder van hun Heeren ge-
handelt worden, en dat d'Adel daer de hooghste
macht heeft verkregen. 't Is gelooffelijck dat
dit toen aen de lantlieden veroorloft heeft ge-
weest, wanneer by de Polen de gene tot Koning
wierdt verkosen, die in 't loopen alle d'anderen
overtrof, en dit blootsvoets; welcke snelheyt
van voeten by dese oude voor groote gaeuwig-
heyt, en het Rijck waerdigh wierdt geacht;
als oft de voortreffelijckheyt van te heerschen,
meer in de geswintheyt der voeten,dan in d'uyt-
steeckentheyt van 't gemoet bestondt. En hier
uyt spruyt, nae mijn oordeel, dat tot noch toe
de Poolsche edelen hun Koning, in de tijdt van
sijn verkiesing, doen sweeren voor d'autaer, dat
hy niemant van d'Adel , om wat misdrijf het
oock is , uytgesondert om verraet tegen de
Vorst, en tegen het Vaderlant, na de tijdt van
vierentwintigh uren sal mogen vangen, om dat,
nae mijn gevoelen, de genen, die seer snel kon-
den loopen , by hen in hooge achting wierden
gehouden. Men bemerckt dit noch in de snel-
loopende paerden ; want sy , alle d'andere din-
gen in een paert overslaende, letten alleen seer
nauw op de geswintheyt van dit beest, misschien
hierom, om hun vyant , de rugh keerende, te
achterhalen ; en, van hun tegenstrever vervolgt,
hem t'ontkomen.
Eer ick dit verhael sluyt , sal ick noch een an-
der voorrecht, 't welck de Poolsche edelen heb-
ben, verhalen, dat is, dat, als een edelman, aen
eenigh misdrijf schuldigh, niet binnen de vier-
en-twintigh uren wordt gevangen, hy wel de
straffe des doots ontkomt ; maer dat hy echter,
als sijn saeck bepleyt en afgedaen is , sijn goe-
deren verlieft; en dat, soo hy niet uyt het Rijck
wijckt, aen yder, wie't oock is , vryheyt wordt
gegeven om hem te dooden , sonder dat eenigh
inwoonder, op verbeurte van 't leven , hem
mach verschuylen , oft eenige gemeenschap
met hem hebben. Daer siet ghy by de Polen de
strafheyt met vryheyt vermengt; 't welck het
gene is, dat wy by dese gelegentheyt te seggen
hadden. Dewijl wy 't gevry der boere-dochters
verhaelt hebben, soo laet ons oock iets van hun
feestdagen en bruyloften spreken.
Als de tijdt van de bruyloft genaeckt, soo
wordt de jeught van wedersijden genoodight,
aen de welcke belast wordt de magen van de
bruydegom en bruyt ter bruyloft te nooden.
Sy dragen, tot bewijs van dit ampt, een bloem-
krans aen d'arm, en hebben een register van de
gene, die sy noodigen sullen : sy gaen des daeghs
voor de bruyloftsdagh , en twee in 't getal, van
de welcke de voornaemste, een ring aen de hand
dragende, het woort doet. Ick sal my hier niet
|
verletten met te verhaelen, hoe veelderhande
gerechten en dranck daer voortgebracht wordt;
maer alleenelijck seggen, dat de bruyt, naer hun
gewoonte wel opgetoyt sijnde, te weten met
een lang kleedt, van blaeuw laken gemaeckt, dat
tot op d'aerde hangt, en aen d'uyterste hoec-
ken met walvisbeen uytgestreckt, en met boor-
den van sijde en wol gemaekt, verciert is, bloots-
hooft, met een bloemkrans op 't hooft, en met
uytgekemt hair tot op de schouders, van haer
vader oft broeder , oft van iemant der naeste
magen naer de kerck wordt geleydt, terwijl 'er
op lieren, oft op een ruyspijp voor haer gespeelt
wordt. Als in de kerck de samenvoeging ge-
schiedt is , soo neemt de naeste van de bruyde-
goms magen haer by de handt, en leydt haer
naer huys, terwijl het selfde gespeel voor haer
heen gaet. Ick swijgh hier van de danssen, die
gewoonelijck op dese bruyloften geschieden,
en byna onse danssen en gewoonte overtreffen,
en daer in sy voor geen andere volcken wijcken.
Dit staet alleenlijck aen te mercken , dat vele
naer 't huys, daer de bruyloft gehouden wordt,
loopen, niet soo feer om aen de nieuwe gehuw-
den eer te bewijsen, als om te drincken en te
suypen ; 't welck seer gemeen by hen is, ja self
in de tijdt, als sy hun kinderen hebben doen
doopen. De Grontheer self geeft dan aen hen
verlof van t'huys bier te brouwen, soo van gerst
als van honigh, 't welck sy dan in overvloet in-
drincken : want in andere tijden is verboden
eyge dranck in huys te brouwen , oft yder
moet voor elck vat in het besonder sekeren tol
betalen.
Als d'uur van dat de nieuwgehuwden te bedt
sullen gaen gekomen is, soo nemen de vrouwen,
die magen van de bruydegom sijn, de bruyt naer
sich, en leyden haer in de bestemde kamer, daer
sy haer de kleederen weder uyttrecken, ja oock
het hemdt, en haer aen alle de leden besoecken,
namelijck in't hair, in d'ooren, neusgaten, aen
de toonen, en aen d'overige deelen van haer
lichaem, om te sien oft'er oock iets,in bloet, oft
root sap gedoopt, verborgen is ; en indien'er
iets dusdanigh gevonden wordt, soo sou de ge-
heele bruyloft ontroert, en alles overhoop ge-
worpen worden. Indien sy niets vinden , soo
wordt de bruyt weêr gekleedt, en met een wit
schoon hemt te bedt gebracht ; en dan wordt de
bruydegom geroepen, om by sijn bruyt te gaen
slapen ; en als de bruyt dus by haer bruydegom
leght, soo wordt de gordijn door d'ouders toe-
geschoven. Terwijl dit geschiet,komt het groot-
ste deel der bruyloftsgasten, met ruyspijpen en
kroesen in de hant, al danssende ter kamer in;
en de vrouwen klappen met de handen, terwijl
men singt en springt, en dit soo lang, tot dat het
huwelijck ten vollen voltrocken is. Indien on-
dertusschen de bruyt eenigh teecken tot danssen
geeft, soo springen sy terstont alle, klappen met
de handen, en beginnen met groot gedruys van
nieuws te singen. D'ouders van de bruydegom
staen ondertusschen gedurigh aen de sijde van
het bedt, om te luysteren wat'er gedaen wordt;
en, als het spel van de nieuwe-gehuwden uytge-
speelt is, de gordijuen weder t'openen , en met
eenen
|}<noinclude></noinclude>
24gkf2bavqlby567t7uygc86q2gi49s
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/20
104
86615
222308
2026-05-31T18:05:32Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '??? B O R Y S T H E N E S. eenen aen de bruyt een fchoon hemt toe te welcke verborgentheyt aen geen Van d'onfen jreycken. Indien fy in 't hemt, 't welck de bruyt foo Medicijnen, als Apotekers, oyt bekent heeftdao uyttreckt, de teeckenen van de macghde- geweeft. Ick heb eenige fien afch drincken , inJijcke Ichaemte vinden, foo vervullen fy het ge- brandewijn gemengt, cn dat daer op de felfdeheele huys met gedans , en vrolijck geroe…
222308
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>??? B O R Y S T H E N E S. eenen aen de bruyt een fchoon hemt toe te welcke verborgentheyt aen geen Van d'onfen jreycken. Indien fy in 't hemt, 't welck de bruyt foo Medicijnen, als Apotekers, oyt bekent heeftdao uyttreckt, de teeckenen van de macghde- geweeft. Ick heb eenige fien afch drincken , inJijcke Ichaemte vinden, foo vervullen fy het ge- brandewijn gemengt, cn dat daer op de felfdeheele huys met gedans , en vrolijck geroep , en . wercking is gevolght. Ick heb hen dickwils deroepen'tmaeghfchap tot getuygh, Sy kleeden felfde neerftigheyt van fich felven te genefeneyndelijck weder de bruyt, fetten haer een hul- fien toonen, als ly eenige wonden , 't fy van eenfel op't hooft; en dus wordt fy onder de huys- ftagh, oft van een ftock ontfangen hadden,moeders aengenomen. De nieuwe gehuwde be- maer voornamelijck als ly met een pijl gewonthoud namaels de felfde hoofcverciering , de fijn. Sy , geen wondheelders omtrent hch heb-wclcke de maeghden,volgens de gewoonte, niet bende, nemen een weynigh kley, 't welck fy metmogen gebruyckenjen oock Ibude 'taen hen tot fpeeckfel weeckmaken, en dus op de wondt leg-fchande ftrecken : want de maeghden gebruyc- gen en fy worden hier af foo wel genefen , aisken geen ander hooft-cieraet, dan hun hair, oft fy de befte playfters daer toe gebruyckten.oft een bloemkrans. Daer uyt blijckt dat de noot , die 't verftant Op den tweeden dagh van de bruyloft wordt fchrander maeckt, oock in defe geweften haereen ander vrolijck fpel gefpeelt,'t welck groote gewoone wercking doet. My heught dat ickverwondering in de gene fbu veroorfaken, die fekere Cofack aen de rivier Samar heb fien vifchnoyt iets diergelijck hadden gefien. Sy dragen koken in een houte vat, oft fchuttel, de welck't hemt van de bruyt, met de fmejtten van de de Cofacken en Polen achter te paert voeren,maeghdom befprengt, op een kruysftock, door fbo om hun paerden te drencken , als oock totde mouwen heen ftekende, gelijck een vaendel, ander gebruyck gefchickt. En dewijl men deoft triumphteecken , langs alle de kruyswegen fchuttelniet op 't vuer kan fetten , uyt vrees vanvan het dorp oft vleck, om aen alle menlchen datfy branden fbude,en echter de krijghsknechtte toonen, foo wel d'eerba?Šrheyt van de bruyt de fpijs gekoockt wilde hebben, foo wierp hyoft nieugehuwde vrouw , als de mannelijckheyt groot drijffant, uyt de rivier gehaelt , in devan de bruydegom. Sy fijn alle by dit fchoufpel, haert,'t welck hy,foo heet als 't was,in de fchut-metfpeelgereetfchap,gefangen en danften. De tel, vol water fijnde, wierp,, en dit foo dickwils,jongelingen hebben ondertuftchen yder een tot dat het water koockte, en de vifch gaer en -dochter by fich, en fy, dus als in zegeprael't ge- bequaem om t'eten was : een ruwe en
groveheele dorp deur gewandelt hebbende,keeren al- wijfe van fpijs te koocken , maer die echter haerleweder naer't huys van de nieugehuwde man. geeftigheyt heeft. Doch indien , na de by flaping, de teeckenen My heught dat ick hier voor van fekere f??eck- Kokm.cftvan de maeghdelijcke eerbaerheyt niet te voor- te , onder de Ruften gemeen , gefproken heb,fchijn komen , foo fmijt yder fijn kroes ter aer- die Koltun, oft Warhair genoemt wordt, 't Sal onder Mden, de vrouwen houden op van fingen,de bruy- niet ongevoeghelijck fijn iets daer af te feggen.loft raeckt overhoop, en neemt een eyndej d'ou- De gene, die van defe f??eckte aengetaft wordt,ders van de bruyt fijn befchaemt , en lijden is't geheel jaer , gelijck een lam menfch , vanfmaet, en yder keert bedroeft weder naer huys, het gebruyck van alle f??j n leden berooft; dochmaer voornamelijck d'ouders van de dochter, echter met groote pijn in de fenuwen, in voegenDe bruydegom heeft dan vryheyt om fijn bruyt dat hy geduerigh krijt. Maer ten eynde van eenteverftooten j en indien hy haer wil behouden, jaer krijgen fy een groote fweeting in't hooft,foo moet de nieugehuwde vrouw alle de geme- in voegen dat in de volgende uchtent al hun hairlijckheden van haer man verdragen, en alle haer te famen gekrult, en dick gerolt is, gelijck eenievenstijdt fmaet uytftaen. ftaert, oft gelijck de ftronck van een boom, oft Wat de feden van defe boere-wijven aengaet, gelijck de Spaenfche zeekatten, en knobbeligick wil hen geerne in't algemeen de prijs van en geklontert bevonden wordt. Def??eckenge-kuysheyttoeftaen. En hoewel fy, uyt oorfaeck voelen dan merckelijcke verlichting van pijn,van hun overvloedigh drincken van gemaeckte en geraken, na verloop van eenige dagen, wederwijn en mee, lichtelijck te genaken fouden fijn, tot volkomen gefontheyt, ja foo , dat fy, uyt-foo worden fy echter door defe openbare fchan- gefondert het ongemack aen hun hair , geende des huwelijcks afgefchrickt , om hun eer- pijn meer gevoelen. Sy moeten dan hun hairbaerheyt ongekrenckt hun bruydegom toe te nietkemmen, veel min het affnijden voor tweebrengen. dagen, tot dat de vocht, die gemeenelijck door Na dat wy de feden der Ruften enCofacken depijpjes van't hair deurgaet, uytgevloeyt is:hebben vertoont, foo is 'er noch iets van hun anderfins fou de vocht, dus binnen gebleven, engebruyck , in 't genefen van hun fieckten , te op de fenuwen vallende, hen blint maken,leggen: ick heb feer veel Cofacken gefien, die, Defe fieckte wordt by hen ongeneeffelijckin koorts gevallen fijnde , geen andere remedie geacht. Maer ick heb echter feer veel daer afdaer toe gebruyckten , dan van buftekruyt, in genefen , op de felfde wijfe daer mee men in -fiedende brandewijn gemengt,daer af fy dronc- Vranckrijck de
gene , die de kinderpocken heb-ken, en op hun elleboogh gingen leggen , en in ben, geneeft. En veel van defe fieckte geraeckt,de volgende uchtent gefont opftonden. Ick veranderen van wooning, en lucht; 't welck eenfelf had een koetfier , die, eenige malen van de ongevoelijcke , doch echter langdurige reme-koorts aengetaft, door de gefeyde dranck tot die is. Men krijght defe fieckte niet, als iemant,fijn voorgaende gefontheyt herftelt wierdt; gefont f??jnde, met de gene, die daer af geraeckt â– is, ^ lil'! .11 i??<noinclude></noinclude>
064lndm0o1bjjq2df1exmjhtuk4r3p9
222325
222308
2026-05-31T18:38:38Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Problematisch */
222325
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
eenen aen de bruyt een fchoon hemt toe te
welcke verborgentheyt aen geen Van d'onfen jreycken. Indien fy in 't hemt, 't welck de bruyt foo Medicijnen, als Apotekers, oyt bekent heeftdao uyttreckt, de teeckenen van de macghde- geweeft. Ick heb eenige fien afch drincken , inJijcke Ichaemte vinden, foo vervullen fy het ge- brandewijn gemengt, cn dat daer op de felfdeheele huys met gedans , en vrolijck geroep , en . wercking is gevolght. Ick heb hen dickwils deroepen'tmaeghfchap tot getuygh, Sy kleeden felfde neerftigheyt van fich felven te genefeneyndelijck weder de bruyt, fetten haer een hul- fien toonen, als ly eenige wonden , 't fy van eenfel op't hooft; en dus wordt fy onder de huys- ftagh, oft van een ftock ontfangen hadden,moeders aengenomen. De nieuwe gehuwde be- maer voornamelijck als ly met een pijl gewonthoud namaels de felfde hoofcverciering , de fijn. Sy , geen wondheelders omtrent hch heb-wclcke de maeghden,volgens de gewoonte, niet bende, nemen een weynigh kley, 't welck fy metmogen gebruyckenjen oock Ibude 'taen hen tot fpeeckfel weeckmaken, en dus op de wondt leg-fchande ftrecken : want de maeghden gebruyc- gen en fy worden hier af foo wel genefen , aisken geen ander hooft-cieraet, dan hun hair, oft fy de befte playfters daer toe gebruyckten.oft een bloemkrans. Daer uyt blijckt dat de noot , die 't verftant Op den tweeden dagh van de bruyloft wordt fchrander maeckt, oock in defe geweften haereen ander vrolijck fpel gefpeelt,'t welck groote gewoone wercking doet. My heught dat ickverwondering in de gene fbu veroorfaken, die fekere Cofack aen de rivier Samar heb fien vifchnoyt iets diergelijck hadden gefien. Sy dragen koken in een houte vat, oft fchuttel, de welck't hemt van de bruyt, met de fmejtten van de de Cofacken en Polen achter te paert voeren,maeghdom befprengt, op een kruysftock, door fbo om hun paerden te drencken , als oock totde mouwen heen ftekende, gelijck een vaendel, ander gebruyck gefchickt. En dewijl men deoft triumphteecken , langs alle de kruyswegen fchuttelniet op 't vuer kan fetten , uyt vrees vanvan het dorp oft vleck, om aen alle menlchen datfy branden fbude,en echter de krijghsknechtte toonen, foo wel d'eerba?Šrheyt van de bruyt de fpijs gekoockt wilde hebben, foo wierp hyoft nieugehuwde vrouw , als de mannelijckheyt groot drijffant, uyt de rivier gehaelt , in devan de bruydegom. Sy fijn alle by dit fchoufpel, haert,'t welck hy,foo heet als 't was,in de fchut-metfpeelgereetfchap,gefangen en danften. De tel, vol water fijnde, wierp,, en dit foo dickwils,jongelingen hebben ondertuftchen yder een tot dat het water koockte, en de vifch gaer en -dochter by fich, en fy, dus als in zegeprael't ge- bequaem om t'eten was : een ruwe en
groveheele dorp deur gewandelt hebbende,keeren al- wijfe van fpijs te koocken , maer die echter haerleweder naer't huys van de nieugehuwde man. geeftigheyt heeft. Doch indien , na de by flaping, de teeckenen My heught dat ick hier voor van fekere f??eck- Kokm.cftvan de maeghdelijcke eerbaerheyt niet te voor- te , onder de Ruften gemeen , gefproken heb,fchijn komen , foo fmijt yder fijn kroes ter aer- die Koltun, oft Warhair genoemt wordt, 't Sal onder Mden, de vrouwen houden op van fingen,de bruy- niet ongevoeghelijck fijn iets daer af te feggen.loft raeckt overhoop, en neemt een eyndej d'ou- De gene, die van defe f??eckte aengetaft wordt,ders van de bruyt fijn befchaemt , en lijden is't geheel jaer , gelijck een lam menfch , vanfmaet, en yder keert bedroeft weder naer huys, het gebruyck van alle f??j n leden berooft; dochmaer voornamelijck d'ouders van de dochter, echter met groote pijn in de fenuwen, in voegenDe bruydegom heeft dan vryheyt om fijn bruyt dat hy geduerigh krijt. Maer ten eynde van eenteverftooten j en indien hy haer wil behouden, jaer krijgen fy een groote fweeting in't hooft,foo moet de nieugehuwde vrouw alle de geme- in voegen dat in de volgende uchtent al hun hairlijckheden van haer man verdragen, en alle haer te famen gekrult, en dick gerolt is, gelijck eenievenstijdt fmaet uytftaen. ftaert, oft gelijck de ftronck van een boom, oft Wat de feden van defe boere-wijven aengaet, gelijck de Spaenfche zeekatten, en knobbeligick wil hen geerne in't algemeen de prijs van en geklontert bevonden wordt. Def??eckenge-kuysheyttoeftaen. En hoewel fy, uyt oorfaeck voelen dan merckelijcke verlichting van pijn,van hun overvloedigh drincken van gemaeckte en geraken, na verloop van eenige dagen, wederwijn en mee, lichtelijck te genaken fouden fijn, tot volkomen gefontheyt, ja foo , dat fy, uyt-foo worden fy echter door defe openbare fchan- gefondert het ongemack aen hun hair , geende des huwelijcks afgefchrickt , om hun eer- pijn meer gevoelen. Sy moeten dan hun hairbaerheyt ongekrenckt hun bruydegom toe te nietkemmen, veel min het affnijden voor tweebrengen. dagen, tot dat de vocht, die gemeenelijck door Na dat wy de feden der Ruften enCofacken depijpjes van't hair deurgaet, uytgevloeyt is:hebben vertoont, foo is 'er noch iets van hun anderfins fou de vocht, dus binnen gebleven, engebruyck , in 't genefen van hun fieckten , te op de fenuwen vallende, hen blint maken,leggen: ick heb feer veel Cofacken gefien, die, Defe fieckte wordt by hen ongeneeffelijckin koorts gevallen fijnde , geen andere remedie geacht. Maer ick heb echter feer veel daer afdaer toe gebruyckten , dan van buftekruyt, in genefen , op de felfde wijfe daer mee men in -fiedende brandewijn gemengt,daer af fy dronc- Vranckrijck de
gene , die de kinderpocken heb-ken, en op hun elleboogh gingen leggen , en in ben, geneeft. En veel van defe fieckte geraeckt,de volgende uchtent gefont opftonden. Ick veranderen van wooning, en lucht; 't welck eenfelf had een koetfier , die, eenige malen van de ongevoelijcke , doch echter langdurige reme-koorts aengetaft, door de gefeyde dranck tot die is. Men krijght defe fieckte niet, als iemant,fijn voorgaende gefontheyt herftelt wierdt; gefont f??jnde, met de gene, die daer af geraeckt
is
|}<noinclude></noinclude>
syvjc1cw848p55qiczxtr6t6fn4wj5u
222335
222325
2026-05-31T19:23:47Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Niet proefgelezen */
222335
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
eenen aen de bruyt een fchoon hemt toe te
reycken. Indien fy in 't hemt , 't welck de bruyt
dan uyttreckt, de teeckenen van de maeghde-
lijcke fchaemte vinden, foo vervullen fy het ge-
heele huys met gedans, en vrolijck geroep, en
roepen 't maeghfchap tot getuygh. Sy kleeden
eyndelijck weder de bruyt, fetten haer een hul-
fel op't hooft; en dus wordt fy onder de huys-
moeders aengenomen. De nieuwe gehuwde be-
houd namaels de felfde hooftverciering, de
welcke de maeghden,volgens de gewoonte, niet
mogen gebruycken;en oock foude't aen hen tot
fchande ftrecken : want de maeghden gebruyc-
ken geen ander hooft-cieraet , dan hun hair,
oft een bloemkrans.
Op den tweeden dagh van de bruyloft wordt
een ander vrolijck fpel gefpeelt, 't welck groote
verwondering in de gene fou veroorfaken, die
noyt iets diergelijck hadden gefien. Sy dragen
't hemt van de bruyt, met de fmetten van de
maeghdom befprengt, op een kruysftock, door
de mouwen heen ftekende, gelijck een vaendel,
oft triumphteecken , langs alle de kruyswegen
van het dorp oft vleck, om aen alle menfchen
te toonen, foo wel d'eerbaerheyt van de bruyt
oft nieugehuwde vrouw , als de mannelijckheyt
van de bruydegom. Sy fijn alle by dit fchoufpel,
met fpeelgereetfchap , gefangen en danffen. De
jongelingen hebben ondertuffchen yder een
dochter by fich, en fy, dus als in zegeprael 't ge-
heele dorp deur gewandelt hebbende,keeren al-
le weder naer't huys van de nieugehuwde man.
Doch indien, na de byflaping, de teeckenen
van de maeghdelijcke eerbaerheyt niet te voor-
fchijn komen , foo fmijt yder fijn kroes ter aer-
den, de vrouwen honden op van fingen,de bruy-
loft raeckt overhoop, en neemt een eynde, d'ou-
ders van de bruyt fijn befchaemt , en lijden
fmaet, en yder keert bedroeft weder naer huys,
maer voornamelijck d'ouders van de dochter.
De bruydegom heeft dan vryheyt om fijn bruyt
te verftooten ; en indien hy haer wil behouden,
foo moet de nieugehuwde vrouw alle de geme-
lijckheden van haer man verdragen, en alle haer
levenstijdt fmaet uytftaen.
Wat de feden van defe boere-wijven aengaet,
ick wil hen geerne in't algemeen de prijs van
kuysheyt toeftaen. En hoewelfy, uyt oorfaeck
van hun overvloedigh drincken van gemaeckte
wijn en meê, lichtelijck te genaken fouden fijn,
foo worden fy echter door defe openbare fchan-
de des huwelijcks afgefchrickt , om hun eer-
baerheyt ongekrenckt hun bruydegom toe te
brengen.
Na dat wy de feden der Russen en Cosacken
hebben vertoont, foo is'er noch iets van hun
gebruyck, in't genefen van hun fieckten, te
feggen : ick heb feer veel Cofacken gefien, die,
in koorts gevallen fijnde, geen andere remedie
daer toe gebruyckten , dan van buffekruyt, in
fiedende brandewijn gemengt,daer af fy dronc-
ken, en op hun elleboogh gingen leggen, en in
de volgende uchtent gefont opftonden. Ick
felfhad een koetfier, die, eenige malen van de
koorts aengetaft, door de gefeyde dranck tot
fijn voorgaende gefontheyt herftelt wierdt;
|
welcke verborgentheyt aen geen van d'onfen,
foo Medicijnen, als Apotekers, oyt bekent heeft
geweeft. Ick heb eenige fien afch drincken , in
brandewijn gemengt , en dat daer op de felfde
wercking is gevolght. Ick heb hen dickwils de
felfde neerftigheyt van fich felven te genefen
fien toonen, als fy eenige wonden, 't fy van een
flagh, oft van een ftock ontfangen hadden,
maer voornamelijck als fy met een pijl gewont
fijn. Sy , geen wondheelders omtrent fich heb-
bende, nemen een weynigh kley, 't welck fy met
fpeeckfel weeckmaken, en dus op de wondt leg-
gen ; en fy worden hier af foo wel genefen , als
oft fy de befte playfters daer toe gebruyckten.
Daer uyt blijckt dat de noot, die 't verftant
fchrander maeckt, oock in defe geweften haer
gewoone wercking doet. My heught dat ick
fekere Cofack aen de rivier Samar heb fien vifch
koken in een houte vat, oft fchuttel, de welck
de Cofacken en Polen achter te paert voeren,
foo om hun paerden te drencken, als oock tot
ander gebruyck gefchickt. En dewijl men de
fchuttel niet op't vuer kan fetten , uyt vrees van
dat fy branden foude,en echter de krijghsknecht
de fpijs gekoockt wilde hebben, foo wierp hy
groot drijffant, uyt de rivier gehaelt , in de
haert,'t welck hy,foo heet als't was,in de fchut-
tel, vol water fijnde , wierp, en dit foo dickwils,
tot dat het water koockte, en de vifch gaer en
bequaem om t'eten was : een ruwe en grove
wijfe van fpijs te koocken , maer die echter haer
geeftigheyt heeft.
My heught dat ick hier voor van sekere sieck-
te, onder de Russen gemeen, gesproken heb,
die Koltun, oft Warhair genoemt wordt. 't Sal
niet ongevoeghelijck sijn iets daer af te seggen.
De gene, die van dese sieckte aengetast wordt,
is't geheel jaer , gelijck een lam menfch, van
het gebruyck van alle fijn leden berooft ; doch
echter met groote pijn in de fenuwen, in voegen
dat hy geduerigh krijt. Maer ten eynde van een
jaer krijgen fy een groote fweeting in't hooft,
in voegen dat in de volgende uchtent al hun hair
te samen gekrult, en dick gerolt is, gelijck een
staert, oft gelijck de stronck van een boom, oft
gelijck de Spaensche zeekatten, en knobbelig
en geklontert bevonden wordt. De siecken ge-
voelen dan merckelijcke verlichting van pijn,
en geraken, na verloop van eenige dagen, weder
tot volkomen gesontheyt, ja foo, dat sy, uyt-
gefondert het ongemack aen hun hair , geen
pijn meer gevoelen. Sy moeten dan hun hair
niet kemmen, veel min het afsnijden voor twee
dagen, tot dat de vocht, die gemeenelijck door
de pijpjes van't hair deurgaet, uytgevloeyt is :
andersins sou de vocht, dus binnen gebleven, en
op de senuwen vallende, hen blint maken.
Dese sieckte wordt by hen ongeneesselijck
geacht. Maer ick heb echter seer veel daer af
genesen , op de selfde wijse daer meê men in
Vranckrijck de gene , die de kinderpocken heb-
ben, geneest. En veel van dese sieckte geraeckt,
veranderen van wooning, en lucht ; 't welck een
ongevoelijcke, doch echter langdurige reme-
die is. Men krijght dese sieckte niet, als iemant,
gesont sijnde, met de gene, die daer af geraeckt
is,
|}<noinclude></noinclude>
6gss4zjbln38uwn1t8bbfxk9zk4dszs
222349
222335
2026-05-31T20:55:48Z
Nederlandse Leeuw
797
222349
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
eenen aen de bruyt een schoon hemt toe te
reycken. Indien sy in 't hemt , 't welck de bruyt
dan uyttreckt, de teeckenen van de maeghde-
lijcke schaemte vinden, soo vervullen sy het ge-
heele huys met gedans, en vrolijck geroep, en
roepen 't maeghschap tot getuygh. Sy kleeden
eyndelijck weder de bruyt, setten haer een hul-
sel op't hooft; en dus wordt sy onder de huys-
moeders aengenomen. De nieuwe gehuwde be-
houd namaels de selfde hooftverciering, de
welcke de maeghden,volgens de gewoonte, niet
mogen gebruycken;en oock soude't aen hen tot
schande strecken : want de maeghden gebruyc-
ken geen ander hooft-cieraet , dan hun hair,
oft een bloemkrans.
Op den tweeden dagh van de bruyloft wordt
een ander vrolijck spel gespeelt, 't welck groote
verwondering in de gene sou veroorsaken, die
noyt iets diergelijck hadden gesien. Sy dragen
't hemt van de bruyt, met de smetten van de
maeghdom besprengt, op een kruysstock, door
de mouwen heen stekende, gelijck een vaendel,
oft triumphteecken , langs alle de kruyswegen
van het dorp oft vleck, om aen alle menschen
te toonen, soo wel d'eerbaerheyt van de bruyt
oft nieugehuwde vrouw , als de mannelijckheyt
van de bruydegom. Sy sijn alle by dit schouspel,
met speelgereetschap , gesangen en danssen. De
jongelingen hebben ondertusschen yder een
dochter by sich, en sy, dus als in zegeprael 't ge-
heele dorp deur gewandelt hebbende,keeren al-
le weder naer't huys van de nieugehuwde man.
Doch indien, na de byslaping, de teeckenen
van de maeghdelijcke eerbaerheyt niet te voor-
schijn komen , soo smijt yder sijn kroes ter aer-
den, de vrouwen houden op van singen,de bruy-
loft raeckt overhoop, en neemt een eynde, d'ou-
ders van de bruyt sijn beschaemt , en lijden
smaet, en yder keert bedroeft weder naer huys,
maer voornamelijck d'ouders van de dochter.
De bruydegom heeft dan vryheyt om sijn bruyt
te verstooten ; en indien hy haer wil behouden,
soo moet de nieugehuwde vrouw alle de geme-
lijckheden van haer man verdragen, en alle haer
levenstijdt smaet uytstaen.
Wat de seden van dese boere-wijven aengaet,
ick wil hen geerne in't algemeen de prijs van
kuysheyt toestaen. En hoewel sy, uyt oorsaeck
van hun overvloedigh drincken van gemaeckte
wijn en meê, lichtelijck te genaken souden sijn,
soo worden sy echter door dese openbare schan-
de des huwelijcks afgeschrickt , om hun eer-
baerheyt ongekrenckt hun bruydegom toe te
brengen.
Na dat wy de seden der Russen en Cosacken
hebben vertoont, soo is'er noch iets van hun
gebruyck, in't genesen van hun sieckten, te
seggen : ick heb seer veel Cosacken gesien, die,
in koorts gevallen sijnde, geen andere remedie
daer toe gebruyckten , dan van bussekruyt, in
siedende brandewijn gemengt, daer af sy dronc-
ken, en op hun elleboogh gingen leggen, en in
de volgende uchtent gesont opstonden. Ick
self had een koetsier, die, eenige malen van de
koorts aengetast, door de geseyde dranck tot
sijn voorgaende gesontheyt herstelt wierdt;
|
welcke verborgentheyt aen geen van d'onfen,
foo Medicijnen, als Apotekers, oyt bekent heeft
geweeft. Ick heb eenige fien afch drincken , in
brandewijn gemengt , en dat daer op de felfde
wercking is gevolght. Ick heb hen dickwils de
felfde neerftigheyt van fich felven te genefen
fien toonen, als fy eenige wonden, 't fy van een
flagh, oft van een ftock ontfangen hadden,
maer voornamelijck als fy met een pijl gewont
fijn. Sy , geen wondheelders omtrent fich heb-
bende, nemen een weynigh kley, 't welck fy met
fpeeckfel weeckmaken, en dus op de wondt leg-
gen ; en fy worden hier af foo wel genefen , als
oft fy de befte playfters daer toe gebruyckten.
Daer uyt blijckt dat de noot, die 't verftant
fchrander maeckt, oock in defe geweften haer
gewoone wercking doet. My heught dat ick
fekere Cofack aen de rivier Samar heb fien vifch
koken in een houte vat, oft fchuttel, de welck
de Cofacken en Polen achter te paert voeren,
foo om hun paerden te drencken, als oock tot
ander gebruyck gefchickt. En dewijl men de
fchuttel niet op't vuer kan fetten , uyt vrees van
dat fy branden foude,en echter de krijghsknecht
de fpijs gekoockt wilde hebben, foo wierp hy
groot drijffant, uyt de rivier gehaelt , in de
haert,'t welck hy,foo heet als't was,in de fchut-
tel, vol water fijnde , wierp, en dit foo dickwils,
tot dat het water koockte, en de vifch gaer en
bequaem om t'eten was : een ruwe en grove
wijfe van fpijs te koocken , maer die echter haer
geeftigheyt heeft.
My heught dat ick hier voor van sekere sieck-
te, onder de Russen gemeen, gesproken heb,
die Koltun, oft Warhair genoemt wordt. 't Sal
niet ongevoeghelijck sijn iets daer af te seggen.
De gene, die van dese sieckte aengetast wordt,
is't geheel jaer , gelijck een lam menfch, van
het gebruyck van alle fijn leden berooft ; doch
echter met groote pijn in de fenuwen, in voegen
dat hy geduerigh krijt. Maer ten eynde van een
jaer krijgen fy een groote fweeting in't hooft,
in voegen dat in de volgende uchtent al hun hair
te samen gekrult, en dick gerolt is, gelijck een
staert, oft gelijck de stronck van een boom, oft
gelijck de Spaensche zeekatten, en knobbelig
en geklontert bevonden wordt. De siecken ge-
voelen dan merckelijcke verlichting van pijn,
en geraken, na verloop van eenige dagen, weder
tot volkomen gesontheyt, ja foo, dat sy, uyt-
gefondert het ongemack aen hun hair , geen
pijn meer gevoelen. Sy moeten dan hun hair
niet kemmen, veel min het afsnijden voor twee
dagen, tot dat de vocht, die gemeenelijck door
de pijpjes van't hair deurgaet, uytgevloeyt is :
andersins sou de vocht, dus binnen gebleven, en
op de senuwen vallende, hen blint maken.
Dese sieckte wordt by hen ongeneesselijck
geacht. Maer ick heb echter seer veel daer af
genesen , op de selfde wijse daer meê men in
Vranckrijck de gene , die de kinderpocken heb-
ben, geneest. En veel van dese sieckte geraeckt,
veranderen van wooning, en lucht ; 't welck een
ongevoelijcke, doch echter langdurige reme-
die is. Men krijght dese sieckte niet, als iemant,
gesont sijnde, met de gene, die daer af geraeckt
is,
|}<noinclude></noinclude>
o9lfihhb14ogpyvbkhjsd05fz5vbdqk
222350
222349
2026-05-31T20:59:38Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Proefgelezen */
222350
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
eenen aen de bruyt een schoon hemt toe te
reycken. Indien sy in 't hemt , 't welck de bruyt
dan uyttreckt, de teeckenen van de maeghde-
lijcke schaemte vinden, soo vervullen sy het ge-
heele huys met gedans, en vrolijck geroep, en
roepen 't maeghschap tot getuygh. Sy kleeden
eyndelijck weder de bruyt, setten haer een hul-
sel op't hooft; en dus wordt sy onder de huys-
moeders aengenomen. De nieuwe gehuwde be-
houd namaels de selfde hooftverciering, de
welcke de maeghden,volgens de gewoonte, niet
mogen gebruycken;en oock soude't aen hen tot
schande strecken : want de maeghden gebruyc-
ken geen ander hooft-cieraet , dan hun hair,
oft een bloemkrans.
Op den tweeden dagh van de bruyloft wordt
een ander vrolijck spel gespeelt, 't welck groote
verwondering in de gene sou veroorsaken, die
noyt iets diergelijck hadden gesien. Sy dragen
't hemt van de bruyt, met de smetten van de
maeghdom besprengt, op een kruysstock, door
de mouwen heen stekende, gelijck een vaendel,
oft triumphteecken , langs alle de kruyswegen
van het dorp oft vleck, om aen alle menschen
te toonen, soo wel d'eerbaerheyt van de bruyt
oft nieugehuwde vrouw , als de mannelijckheyt
van de bruydegom. Sy sijn alle by dit schouspel,
met speelgereetschap , gesangen en danssen. De
jongelingen hebben ondertusschen yder een
dochter by sich, en sy, dus als in zegeprael 't ge-
heele dorp deur gewandelt hebbende,keeren al-
le weder naer't huys van de nieugehuwde man.
Doch indien, na de byslaping, de teeckenen
van de maeghdelijcke eerbaerheyt niet te voor-
schijn komen , soo smijt yder sijn kroes ter aer-
den, de vrouwen houden op van singen,de bruy-
loft raeckt overhoop, en neemt een eynde, d'ou-
ders van de bruyt sijn beschaemt , en lijden
smaet, en yder keert bedroeft weder naer huys,
maer voornamelijck d'ouders van de dochter.
De bruydegom heeft dan vryheyt om sijn bruyt
te verstooten ; en indien hy haer wil behouden,
soo moet de nieugehuwde vrouw alle de geme-
lijckheden van haer man verdragen, en alle haer
levenstijdt smaet uytstaen.
Wat de seden van dese boere-wijven aengaet,
ick wil hen geerne in't algemeen de prijs van
kuysheyt toestaen. En hoewel sy, uyt oorsaeck
van hun overvloedigh drincken van gemaeckte
wijn en meê, lichtelijck te genaken souden sijn,
soo worden sy echter door dese openbare schan-
de des huwelijcks afgeschrickt , om hun eer-
baerheyt ongekrenckt hun bruydegom toe te
brengen.
Na dat wy de seden der Russen en Cosacken
hebben vertoont, soo is'er noch iets van hun
gebruyck, in't genesen van hun sieckten, te
seggen : ick heb seer veel Cosacken gesien, die,
in koorts gevallen sijnde, geen andere remedie
daer toe gebruyckten , dan van bussekruyt, in
siedende brandewijn gemengt, daer af sy dronc-
ken, en op hun elleboogh gingen leggen, en in
de volgende uchtent gesont opstonden. Ick
self had een koetsier, die, eenige malen van de
koorts aengetast, door de geseyde dranck tot
sijn voorgaende gesontheyt herstelt wierdt;
|
welcke verborgentheyt aen geen van d'onsen,
soo Medicijnen, als Apotekers, oyt bekent heeft
geweest. Ick heb eenige sien asch drincken , in
brandewijn gemengt , en dat daer op de selfde
wercking is gevolght. Ick heb hen dickwils de
selfde neerstigheyt van sich selven te genesen
sien toonen, als sy eenige wonden, 't sy van een
slagh, oft van een stock ontsangen hadden,
maer voornamelijck als sy met een pijl gewont
sijn. Sy , geen wondheelders omtrentsich heb-
bende, nemen een weynigh kley, 't welck sy met
speeckfel weeckmaken, en dus op de wondt leg-
gen ; en sy worden hier af soo wel genesen , als
oft sy de beste playsters daer toe gebruyckten.
Daer uyt blijckt dat de noot, die 't verstant
schrander maeckt, oock in dese gewesten haer
gewoone wercking doet. My heught dat ick
sekere Cosack aen de rivier Samar heb sien visch
koken in een houte vat, oft schuttel, de welck
de Cosacken en Polen achter te paert voeren,
soo om hun paerden te drencken, als oock tot
ander gebruyck geschickt. En dewijl men de
schuttel niet op't vuer kan setten , uyt vrees van
dat sy branden soude, en echter de krijghsknecht
de spijs gekoockt wilde hebben, soo wierp hy
groot drijfsant, uyt de rivier gehaelt , in de
haert,'t welck hy,soo heet als't was,in de schut-
tel, vol water sijnde , wierp, en dit soo dickwils,
tot dat het water koockte, en de visch gaer en
bequaem om t'eten was : een ruwe en grove
wijse van spijs te koocken , maer die echter haer
geestigheyt heeft.
My heught dat ick hier voor van sekere sieck-
te, onder de Russen gemeen, gesproken heb,
die Koltun, oft Warhair genoemt wordt. 't Sal
niet ongevoeghelijck sijn iets daer af te seggen.
De gene, die van dese sieckte aengetast wordt,
is't geheel jaer , gelijck een lam mensch, van
het gebruyck van alle sijn leden berooft ; doch
echter met groote pijn in de senuwen, in voegen
dat hy geduerigh krijt. Maer ten eynde van een
jaer krijgen sy een groote sweeting in't hooft,
in voegen dat in de volgende uchtent al hun hair
te samen gekrult, en dick gerolt is, gelijck een
staert, oft gelijck de stronck van een boom, oft
gelijck de Spaensche zeekatten, en knobbelig
en geklontert bevonden wordt. De siecken ge-
voelen dan merckelijcke verlichting van pijn,
en geraken, na verloop van eenige dagen, weder
tot volkomen gesontheyt, ja soo, dat sy, uyt-
gesondert het ongemack aen hun hair , geen
pijn meer gevoelen. Sy moeten dan hun hair
niet kemmen, veel min het afsnijden voor twee
dagen, tot dat de vocht, die gemeenelijck door
de pijpjes van't hair deurgaet, uytgevloeyt is :
andersins sou de vocht, dus binnen gebleven, en
op de senuwen vallende, hen blint maken.
Dese sieckte wordt by hen ongeneesselijck
geacht. Maer ick heb echter seer veel daer af
genesen , op de selfde wijse daer meê men in
Vranckrijck de gene , die de kinderpocken heb-
ben, geneest. En veel van dese sieckte geraeckt,
veranderen van wooning, en lucht ; 't welck een
ongevoelijcke, doch echter langdurige reme-
die is. Men krijght dese sieckte niet, als iemant,
gesont sijnde, met de gene, die daer af geraeckt
is,
|}<noinclude></noinclude>
7zflkjmez4js2viar1v89om59erf8xr
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/21
104
86616
222309
2026-05-31T18:05:39Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '??? B O R Y S T H ?‹ N E 1 is, uyt een felfde bceker drinckt : maer de man, verfcheyde fborten van ontellijcke vliegen ge- van defe fieckte getroffen, befmet in 't byflapen vonden worden. Des uchtens fiet men daer ge- f??jn vrou , en de befmette vrou haer man. Defe meene vliegen,niet feer fchadelijck, maer op de fieckte is oock tweedef??ey,want fy is mannelijck middagh andere , omtrent een vinger groot, en en vroawelijck. Sy geloo…
222309
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>??? B O R Y S T H ?‹ N E 1 is, uyt een felfde bceker drinckt : maer de man, verfcheyde fborten van ontellijcke vliegen ge- van defe fieckte getroffen, befmet in 't byflapen vonden worden. Des uchtens fiet men daer ge- f??jn vrou , en de befmette vrou haer man. Defe meene vliegen,niet feer fchadelijck, maer op de fieckte is oock tweedef??ey,want fy is mannelijck middagh andere , omtrent een vinger groot, en en vroawelijck. Sy gelooven oock dat men def?¨ die de paerden fbo pijnigen , dat fy hen de huyt fieckte door de betoveringen der oude wijven deurbyten , en gantfch bloedigh maken : maer krijgt, die gewent fijn veel menfchen te befmet- op d'avont fijn 'er muggen en wefpen , die foo ten , met hen feekere koecken tot hun fpijs te op de lighamen vallen, dat men niet flapen kan, geven,- als oock door de damp van feeker warm dan in hutten, die van de Cofacken Polne ge- water , 't welck, tot de neus ingekomen, naer noemt worden. De genen , die de nacht onder de harf??enen treckt, die kort daer na fich daer de blaeuwe hemel overbrengen, ftaen 's uch- af befmet gevoelen. Daer fijn oock kinderen,die tens op meteen aengeficht, dat door het byten met defe cjuael, en met gedraeyt hair geboren der muggen gantfch gefwollen is. Ick heb eens worden,'t welck een goed voorteecken is : want foo van def?¨ wefpen gefteken geweeft, dat mijn fy, ouder geworden, laten dit hair vallen, en fijn geheel aengeficht drie dagen lang foo gefwollen daer na alle hun leven lang tegen def?¨ fieckte was, dat ick niet kon fien, jad'oogen niet kon bevrijdt. openen , om dat d'ooghdeckfels gefwollen wa- â€?cfml vm j)it. is oock in def?¨ geweften aenmerckens- ren , ja foo , dat ick geen menfch, maer een ge- waerdigh , dat Jangs de geheele Boryfthenes. drocht geleeck. a v'/e^en De Cofacken maken dus hun hutten: Syfet- ftreckende, vaftgemaeckt wordt, op dat fy ner^ten feftien gaffel-palen , een vinger dick , en gens voor de vliegen open fouden fijn. Defederdehalf voeten lang,in d'aerde vaft, twee voe- hut kan twee bevatten , die alleenlijck voor deten verre van malkander. Op defe gaffelftocken voornaemfte der Cofacken opgerecht wordt:leggen fy tien andere dwarsftocken , vijf en vijf want d'andere , en de gemeene krijghsliedenkruyswijfe over malkander, die fy met bint-roe- rechten een gemeene haertftede op , om doorden te famen binden. Sy decken defe hutten de roock defe laftige vliegen te verdrijven. Alsmet een doeck , die van alle fijden tot op d'aer- Jfy voor de regen vreef?¨n , foo wordt de hut metde nederhangt, en met een bant daer over heen een lang kleet overdeckt, dat over een dwars- ftockhangt, gelijck men lichtelijckeruyt defe twee bygeftelde afbeeeldin- gen fal fien. De letteren A B C D vertoonen dat rerkkringdeel van de hut, over 't welck het
linnekleet gefpreydt wort. EF en G wijfentwee gaffels aen , daer een dwarsftockH I op leght, die het Turcks tapijtdraeght, 't welck van wederfijden ne-derhangt j in voegen dat dus de hutvan alle fijden gefloten is, en voor eenhuys verftreckt, daer in men'tgebijtder vliegen ontgaet. Laet ons van de vliegen en wefpen Menightetot de fprinckhanen overgaen, die hier der fpn^ck^fomtijts in foo groote menighte fijn,P??/^^. Kk dat Hutten derCofacken %<noinclude></noinclude>
gok3iub0cygbkmriw0bstbef2jis5nj
222326
222309
2026-05-31T18:39:13Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Problematisch */
222326
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
is, uyt een felfde bceker drinckt : maer de man,
verfcheyde fborten van ontellijcke vliegen ge- van defe fieckte getroffen, befmet in 't byflapen vonden worden. Des uchtens fiet men daer ge- f??jn vrou , en de befmette vrou haer man. Defe meene vliegen,niet feer fchadelijck, maer op de fieckte is oock tweedef??ey,want fy is mannelijck middagh andere , omtrent een vinger groot, en en vroawelijck. Sy gelooven oock dat men def?¨ die de paerden fbo pijnigen , dat fy hen de huyt fieckte door de betoveringen der oude wijven deurbyten , en gantfch bloedigh maken : maer krijgt, die gewent fijn veel menfchen te befmet- op d'avont fijn 'er muggen en wefpen , die foo ten , met hen feekere koecken tot hun fpijs te op de lighamen vallen, dat men niet flapen kan, geven,- als oock door de damp van feeker warm dan in hutten, die van de Cofacken Polne ge- water , 't welck, tot de neus ingekomen, naer noemt worden. De genen , die de nacht onder de harf??enen treckt, die kort daer na fich daer de blaeuwe hemel overbrengen, ftaen 's uch- af befmet gevoelen. Daer fijn oock kinderen,die tens op meteen aengeficht, dat door het byten met defe cjuael, en met gedraeyt hair geboren der muggen gantfch gefwollen is. Ick heb eens worden,'t welck een goed voorteecken is : want foo van def?¨ wefpen gefteken geweeft, dat mijn fy, ouder geworden, laten dit hair vallen, en fijn geheel aengeficht drie dagen lang foo gefwollen daer na alle hun leven lang tegen def?¨ fieckte was, dat ick niet kon fien, jad'oogen niet kon bevrijdt. openen , om dat d'ooghdeckfels gefwollen wa- â€?cfml vm j)it. is oock in def?¨ geweften aenmerckens- ren , ja foo , dat ick geen menfch, maer een ge- waerdigh , dat Jangs de geheele Boryfthenes. drocht geleeck. a v'/e^en De Cofacken maken dus hun hutten: Syfet- ftreckende, vaftgemaeckt wordt, op dat fy ner^ten feftien gaffel-palen , een vinger dick , en gens voor de vliegen open fouden fijn. Defederdehalf voeten lang,in d'aerde vaft, twee voe- hut kan twee bevatten , die alleenlijck voor deten verre van malkander. Op defe gaffelftocken voornaemfte der Cofacken opgerecht wordt:leggen fy tien andere dwarsftocken , vijf en vijf want d'andere , en de gemeene krijghsliedenkruyswijfe over malkander, die fy met bint-roe- rechten een gemeene haertftede op , om doorden te famen binden. Sy decken defe hutten de roock defe laftige vliegen te verdrijven. Alsmet een doeck , die van alle fijden tot op d'aer- Jfy voor de regen vreef?¨n , foo wordt de hut metde nederhangt, en met een bant daer over heen een lang kleet overdeckt, dat over een dwars- ftockhangt, gelijck men lichtelijckeruyt defe twee bygeftelde afbeeeldin- gen fal fien. De letteren A B C D vertoonen dat rerkkringdeel van de hut, over 't welck het
linnekleet gefpreydt wort. EF en G wijfentwee gaffels aen , daer een dwarsftockH I op leght, die het Turcks tapijtdraeght, 't welck van wederfijden ne-derhangt j in voegen dat dus de hutvan alle fijden gefloten is, en voor eenhuys verftreckt, daer in men'tgebijtder vliegen ontgaet. Laet ons van de vliegen en wefpen Menightetot de fprinckhanen overgaen, die hier der fpn^ck^fomtijts in foo groote menighte fijn,P??/^^. Kk dat Hutten derCofacken %
|}<noinclude></noinclude>
rawsfrcg1oit29787hbgxfk8v6hijfb
222332
222326
2026-05-31T19:07:33Z
Nederlandse Leeuw
797
222332
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
is, uyt een selfde beeker drinckt : maer de man,
van dese sieckte getroffen, besmet in't byslapen
sijn vrou , en de besmette vrou haer man. Dese
sieckte is oock tweederley, want sy is mannelijck
en vrouwelijck. Sy gelooven oock dat men dese
sieckte door de betoveringen der oude wijven
krijgt, die gewent sijn veel menschen te besmet-
ten, met hen seekere koecken tot hun spijs te
geven ; als oock door de damp van seeker warm
water, 't welck, tot de neus ingekomen, naer
de harflenen treckt, die kort daer na sich daer
af besmet gevoelen. Daer sijn oock kinderen,die
met dese quael, en met gedraeyt hair geboren
worden, 't welck een goed voorteecken is : want
sy, ouder geworden, laten dit hair vallen, en sijn
daer na alle hun leven lang tegen dese sieckte
bevrijdt.
Dit. is oock in dese gewesten aenmerckens-
waerdigh , dat langs de geheele Borysthenes
|
verscheyde soorten van ontellijcke vliegen ge-
vonden worden. Des uchtens siet men daer ge-
meene vliegen,niet seer schadelijck, maer op de
middagh andere , omtrent een vinger groot, en
die de paerden soo pijnigen , dat sy hen de huyt
deurbyten, en gantfch bloedigh maken : maer
op d'avont fijn 'er muggen en wefpen, die foo
op de lighamen vallen, dat men niet flapen kan,
dan in hutten, die van de Cofacken ''Polne'' ge-
noemt worden. De genen, die de nacht onder
de blaeuwe hemel overbrengen, staen 's uch-
tens op met een aengesicht , dat door het byten
der muggen gantsch geswollen is. Ick heb eens
soo van dese wespen gesteken geweest, dat mijn
geheel aengesicht drie dagen lang soo geswollen
was, dat ick niet kon sien, ja d'oogen niet kon
openen, om dat d'ooghdecksels geswollen wa-
ren, ja soo, dat ick geen mensch, maer een ge-
drocht geleeck.
|}
<br />
[[File:Kozaky 1664.jpg|500px|center]]
{|
|-----
|
De Cofacken maken dus hun hutten: Syfet- ftreckende, vaftgemaeckt wordt, op dat fy ner^ten feftien gaffel-palen , een vinger dick , en gens voor de vliegen open fouden fijn. Defederdehalf voeten lang,in d'aerde vaft, twee voe- hut kan twee bevatten , die alleenlijck voor deten verre van malkander. Op defe gaffelftocken voornaemfte der Cofacken opgerecht wordt:leggen fy tien andere dwarsftocken , vijf en vijf want d'andere , en de gemeene krijghsliedenkruyswijfe over malkander, die fy met bint-roe- rechten een gemeene haertftede op , om doorden te famen binden. Sy decken defe hutten de roock defe laftige vliegen te verdrijven. Alsmet een doeck , die van alle fijden tot op d'aer- Jfy voor de regen vreef?¨n , foo wordt de hut metde nederhangt, en met een bant daer over heen een lang kleet overdeckt, dat over een dwars- ftockhangt, gelijck men lichtelijckeruyt defe twee bygeftelde afbeeeldin- gen fal fien. De letteren A B C D vertoonen dat rerkkringdeel van de hut, over 't welck het
linnekleet gefpreydt wort. EF en G wijfentwee gaffels aen , daer een dwarsftockH I op leght, die het Turcks tapijtdraeght, 't welck van wederfijden ne-derhangt j in voegen dat dus de hutvan alle fijden gefloten is, en voor eenhuys verftreckt, daer in men'tgebijtder vliegen ontgaet. Laet ons van de vliegen en wefpen Menightetot de fprinckhanen overgaen, die hier der fpn^ck^fomtijts in foo groote menighte fijn,P??/^^. Kk dat Hutten derCofacken %
|}<noinclude></noinclude>
1c933ogmgyf1yjwp0zlp28yjrwjsxx4
222333
222332
2026-05-31T19:11:21Z
Nederlandse Leeuw
797
222333
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
is, uyt een selfde beeker drinckt : maer de man,
van dese sieckte getroffen, besmet in't byslapen
sijn vrou , en de besmette vrou haer man. Dese
sieckte is oock tweederley, want sy is mannelijck
en vrouwelijck. Sy gelooven oock dat men dese
sieckte door de betoveringen der oude wijven
krijgt, die gewent sijn veel menschen te besmet-
ten, met hen seekere koecken tot hun spijs te
geven ; als oock door de damp van seeker warm
water, 't welck, tot de neus ingekomen, naer
de harflenen treckt, die kort daer na sich daer
af besmet gevoelen. Daer sijn oock kinderen,die
met dese quael, en met gedraeyt hair geboren
worden, 't welck een goed voorteecken is : want
sy, ouder geworden, laten dit hair vallen, en sijn
daer na alle hun leven lang tegen dese sieckte
bevrijdt.
Dit. is oock in dese gewesten aenmerckens-
waerdigh , dat langs de geheele Borysthenes
|
verscheyde soorten van ontellijcke vliegen ge-
vonden worden. Des uchtens siet men daer ge-
meene vliegen,niet seer schadelijck, maer op de
middagh andere , omtrent een vinger groot, en
die de paerden soo pijnigen , dat sy hen de huyt
deurbyten, en gantsch bloedigh maken : maer
op d'avont sijn 'er muggen en wespen, die soo
op de lighamen vallen, dat men niet slapen kan,
dan in hutten, die van de Cosacken ''Polne'' ge-
noemt worden. De genen, die de nacht onder
de blaeuwe hemel overbrengen, staen 's uch-
tens op met een aengesicht , dat door het byten
der muggen gantsch geswollen is. Ick heb eens
soo van dese wespen gesteken geweest, dat mijn
geheel aengesicht drie dagen lang soo geswollen
was, dat ick niet kon sien, ja d'oogen niet kon
openen, om dat d'ooghdecksels geswollen wa-
ren, ja soo, dat ick geen mensch, maer een ge-
drocht geleeck.
|}
<br />
[[File:Kozaky 1664.jpg|500px|center]]
{|
|-----
|
De Cosacken maken dus hun hutten: Sy set-
ten sestien gaffel-palen, een vinger dick , en
derdehalf voeten lang, in d'aerde vast, twee voe-
ten verre van malkander. Op dese gaffelstocken
leggen sy tien andere dwarsstocken , vijf en vijf
kruyswijse over malkander, die sy met bint-roe-
den te samen binden. Sy decken dese hutten
met een doeck, die van alle sijden tot op d'aer-
de nederhangt, en met een bant daer over heen
|
streckende, vastgemaeckt wordt, op dat sy ner-
gens voor de vliegen open souden sijn. Dese
hut kan twee bevatten, die alleenlijck voor de
voornaemste der Cosacken opgerecht wordt:
want d'andere , en de gemeene krijghslieden
rechten een gemeene haertstede op , om door
de roock dese lastige vliegen te verdrijven. Als
sy voor de regen vreesen , soo wordt de hut met
een lang kleet overdeckt, dat over een dwars-
|}<noinclude></noinclude>
1uva1qiqu1e1xqzw5bf94u2v8dxqb1u
222334
222333
2026-05-31T19:16:54Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Proefgelezen */
222334
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
is, uyt een selfde beeker drinckt : maer de man,
van dese sieckte getroffen, besmet in't byslapen
sijn vrou , en de besmette vrou haer man. Dese
sieckte is oock tweederley, want sy is mannelijck
en vrouwelijck. Sy gelooven oock dat men dese
sieckte door de betoveringen der oude wijven
krijgt, die gewent sijn veel menschen te besmet-
ten, met hen seekere koecken tot hun spijs te
geven ; als oock door de damp van seeker warm
water, 't welck, tot de neus ingekomen, naer
de harflenen treckt, die kort daer na sich daer
af besmet gevoelen. Daer sijn oock kinderen,die
met dese quael, en met gedraeyt hair geboren
worden, 't welck een goed voorteecken is : want
sy, ouder geworden, laten dit hair vallen, en sijn
daer na alle hun leven lang tegen dese sieckte
bevrijdt.
Dit. is oock in dese gewesten aenmerckens-
waerdigh , dat langs de geheele Borysthenes
|
verscheyde soorten van ontellijcke vliegen ge-
vonden worden. Des uchtens siet men daer ge-
meene vliegen,niet seer schadelijck, maer op de
middagh andere , omtrent een vinger groot, en
die de paerden soo pijnigen , dat sy hen de huyt
deurbyten, en gantsch bloedigh maken : maer
op d'avont sijn 'er muggen en wespen, die soo
op de lighamen vallen, dat men niet slapen kan,
dan in hutten, die van de Cosacken ''Polne'' ge-
noemt worden. De genen, die de nacht onder
de blaeuwe hemel overbrengen, staen 's uch-
tens op met een aengesicht , dat door het byten
der muggen gantsch geswollen is. Ick heb eens
soo van dese wespen gesteken geweest, dat mijn
geheel aengesicht drie dagen lang soo geswollen
was, dat ick niet kon sien, ja d'oogen niet kon
openen, om dat d'ooghdecksels geswollen wa-
ren, ja soo, dat ick geen mensch, maer een ge-
drocht geleeck.
|}
<br />
[[File:Kozaky 1664.jpg|500px|center]]
{|
|-----
|
De Cosacken maken dus hun hutten: Sy set-
ten sestien gaffel-palen, een vinger dick , en
derdehalf voeten lang, in d'aerde vast, twee voe-
ten verre van malkander. Op dese gaffelstocken
leggen sy tien andere dwarsstocken , vijf en vijf
kruyswijse over malkander, die sy met bint-roe-
den te samen binden. Sy decken dese hutten
met een doeck, die van alle sijden tot op d'aer-
de nederhangt, en met een bant daer over heen
|
streckende, vastgemaeckt wordt, op dat sy ner-
gens voor de vliegen open souden sijn. Dese
hut kan twee bevatten, die alleenlijck voor de
voornaemste der Cosacken opgerecht wordt:
want d'andere , en de gemeene krijghslieden
rechten een gemeene haertstede op , om door
de roock dese lastige vliegen te verdrijven. Als
sy voor de regen vreesen , soo wordt de hut met
een lang kleet overdeckt, dat over een dwars-
stock hangt, gelijck men lichtelijcker
uyt dese twee bygestelde afbeeeldin-
gen sal sien.
De letteren A B C D vertoonen dat
deel van de hut, over 't welck het linne
kleet gespreydt wort. E F en G wijsen
twee gaffels aen, daer een dwarsstock
H I op leght, die het Turcks tapijt
draeght, 't welck van wedersijden ne-
derhangt ; in voegen dat dus de hut
van alle sijden gesloten is , en voor een
huys verstreckt, daer in men't gebijt
der vliegen ontgaet.
Laet ons van de vliegen en wespen
tot de sprinckhanen overgaen, die hier
somtijts in soo groote menighte sijn,
dat
|}<noinclude></noinclude>
gbgx1j6j6ulu6ykioan7w2pxae7hf5i
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/22
104
86617
222310
2026-05-31T18:05:48Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '??? T H E N E S. eenigfms te lijden,doch dat men geen fpijfe konnuttigen,dit was onverdragelijck : want als meneen ftuck vleefch wilde fnijden , foo fneedt menoock met eenen deur de fprinckhanen heen j jamen kon de mont niet open doen , om eenbroek daer in te fteeken , of daer vloogh oockter felfde tijdt eenfprinckhaen in. In't kort,defchranderften felven waren als radeloos , enfonder hoop van eenige hulp tegen defe fchade-lijcke…
222310
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>??? T H E N E S. eenigfms te lijden,doch dat men geen fpijfe konnuttigen,dit was onverdragelijck : want als meneen ftuck vleefch wilde fnijden , foo fneedt menoock met eenen deur de fprinckhanen heen j jamen kon de mont niet open doen , om eenbroek daer in te fteeken , of daer vloogh oockter felfde tijdt eenfprinckhaen in. In't kort,defchranderften felven waren als radeloos , enfonder hoop van eenige hulp tegen defe fchade-lijcke beeften te vinden. Eyndelijck , nadat fyomtrent Novogrodt alles verwoeft hadden , endit binnen twee weecken , in welcke tijdt fygroot geworden waren , en bec^uaem om tevliegen, wierden fy , van een wint opgenomen ,naer andere plaetfen gevoert, om daer oockalles te verdelgen. Ick heb fomtijts op d'avont,als fy , om de nacht over te brengen, op d'aer-de gevallen waren , alle de wegen met fprinck-hanen befet, en 't geheele landt als van ftofoverdeckt gefien , in voegen dat fy wel eenhandt hoogh op malkander lagen; fbo dat depaerden niet voort wilden, dan met veel flagengeflagen fijnde , en echter niet fbnder fchricken vervaertheyt, maer met opgerechte ooren,en met fnuyvenden neus. Defe fprinckhanen ,door de raderen van onf?¨ wagens, en de voe-ten der paerden verplet , veroorfaeckten foolelijckeen ffanek , dat fy de neusgaten en harf^fenen befmetten , en dat men nergens kon ko-men , dan met de mont gefloten, en een neus-doeck, in edick nat gemaeckt, voor de neus tehouden. De varekens houden defe fpijfe vooreen leckerny , en worden 'er vet af, en dieshal-ven wil 'er niemandt af eten s ick geloof uytfchrick en afkeer van fbo fchadelijck een landt-verderf. Laet ons nu f?¨ggen op welcke wijfedefe fprinckhanen voortkomen. In alle plaetfen,daer fy tot aen de maent van Odober blijven,maecken fy, met hun ftaert, een gat in d'aerde,daer fy drie hondert eyeren in leggen, die fy metde voet weder decken, met ftof daer over tefchrabben, en als fy dit gedaen hebben, ftervenfy } want defe bloedelofe beesjes leven niet lan-ger dan fes maenden, en een half: en hoewel 'erdan regen koomt, fbo vergaen echter defe eye-ren niet; ja de koude felve, hoe groot en ftrengoock, brengt hen geen fchade toemaer fy blij-ven in hun geheel tot aen 't begin van de nieuwelenten, tot dat'er, omtrent in'tmidden vanApril,als de fon d'aerde verwarmt,jonge fprinck-hanen uyt voortkomen,die overal fpringen,daerfy konnen,en dus,terwijl fy niet konnen vliegen,geheele fes weecken , ter plaetfe daer fy uytge-broedt fijn, blijven. Maer als fy groot gewordenfijn,en vhegen
konnen, foo nemen fy hun vluchtter plaets, daer de wint hen drijft. Indien in detijdt, als fy eerft beginnen te vliegen , de windtuyt het noorden waeyt , foo worden fy naerd'Euxinifche zee gedreven , daer in fy ver-drincken : maer indien 'er een oofte of zayde-windt waeyt, foo worden fy naer de geweftenvan Ruslandt gevoert, daerfyalles verderven.Doch indien het in de tijt, daer in defe fprinck-hanen uyt d'eyeren voortkomen , acht oft tiendagen achter malkander regent, foo verdervenalle d'eyeren. Desgelijcks in de fomer, indien het B O R Y S dat fy dickwils de geheugenis van de fchricke-hjckeplaegh der fprinckhaenen , eertijdts vanGodt in Egypten gefonden , vernieuwt. Ick hebdaer in twee achtereenvolgende jaren, name-lijck in 't jaer 1645, en 1646 , defe geelTel vanGodt hen woeden. Def?¨ bloedeloofe beeftjenskomen in fulcke ontallijcke menichten aen , datmen hen niet foo feer in benden kan deelen, alswel by woleken gelijcken: in voegen dat fy vijfoft fes mijlen in de langte, en twee oft drie in debreette beflaen. Sy komen gemeenelijck uytde geweflen van Tartarien , en dan , als de Len-ten feer droogh is. Geheel Tartarien , de Gir-caffen , Aflrakanenfen en Megrekiers wordenbyna alle jaren van defe peft geplaeght. Alsd'oofte oft zuydoofte wint waeyt, foo komendef?¨ fprinckhanen , van de felfde winden gedre-ven , oock in Rufchlant, daer fy alle vruchtenen gewas verflinden , ja felf het gras en groenkruyt: invoegen dat fy ter plaets, daerfy fichnederfetten, alles, dat groen is, af-eten; hetwelck niet alleenlijck dierte in de lijftocht,maeroock gebreck en hongersnoot veroorfaeckt.Indien fy, in 't voorjaer gekomen, tot in deHerffl en in Odober (in welcken tijt de fj^rinck-hanen fterven , na dat fy yder wel drie honderteyeren geleyt hebben) gebleven fijn , fbo worthet landtfchap arra en kael gemaeckt. Indiende Lenten droogh is, fbo komt'er leven uytd'eyeren j maer indien het vijf oft f?¨s dagenachter malkander regent , foo vergaen alled'eyeren. Hun menighte is fbo wonderlijck,dat de gene , die 't felf niet met fijn oogen ge-fien heeft, nauwelijcks het gene, dat men daeraf verhaeltjgelooven fal. Sy worden,gelijck eengroote wolck, van de wint gedreven, oft vallenneder in groote menighte, gelijck dicke fneeuwuyt de woleken : in voegen dat men op't mid-den van den dagh, en by heldere fbnnefchijn,het licht daer af verduyflert fiet. Sy volgen al-tijdt de drift van de wint, en overal, daer fy fichnederfetten, hebben fy 't in twee uren tijdtskael gemaeckt. Terwijl fy eten, hoort men fe-ker gedruys, als oft
iemant het gras met eenfeiffen affloegh. Toen ick in'tjaer 1(546, in lu-nius, te Novogrod , 't welck een nieuwgeboudeftadt is, daer ick oock een vefting de?? bouwen,twee weken ftil was, fagh ick, tot mijn grooteverbaeftheydt , foo groot een menighte vanfprinckh anen , daer in 't begin van de Lenten tevoorfchijngekomen,(welker vleugelen noch foofvvack waren, dat fy niet konden vliegen) dat hetgeheele landt daer rontom van def?¨ beeftjensbedeckt, en de lucht foo vol was, dat ick bydaegh niet in mijn kamer kon eten , dan by dekaers. Geen plaets van mijn huys was vry vanfprinckhanen. De kamers waren vol, de ftallenwaren vol , en oock alle holen en hoecken van't huys. Ick dede wel buftekruyt, en fwavel bran-den , maer vergeefs want als men de deur vande kamer opende, foo vloogh 'er een ontallijckemenighte van fprinckhanen in, die fich hier endaer verfpreyden. Sommige vlogen tegen d'oo-gen aen , en in de neusgaten , andere gingen opde wangen fitten , en vlogen oock in de mont,als die eenighfins open was. Dit was noch<noinclude></noinclude>
tg9zyct6dds2j5o05oxuz30l5z7wkib
222327
222310
2026-05-31T18:42:13Z
Nederlandse Leeuw
797
222327
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
dat fy dickwils de geheugenis van de fchricke-
lijcke plaegh der fprinckhaenen , eertijdts van
Godt in Egypten gefonden , vernieuwt. Ick heb
daer in twee achtereenvolgende jaren, name-
lijck in 't jaer 1645, en 1646 , defe geelTel van
Godt sien woeden. Def?¨ bloedeloofe beeftjens
komen in fulcke ontallijcke menichten aen , datmen hen niet foo feer in benden kan deelen, alswel by woleken gelijcken: in voegen dat fy vijfoft fes mijlen in de langte, en twee oft drie in debreette beflaen. Sy komen gemeenelijck uytde geweflen van Tartarien , en dan , als de Len-ten feer droogh is. Geheel Tartarien , de Gir-caffen , Aflrakanenfen en Megrekiers wordenbyna alle jaren van defe peft geplaeght. Alsd'oofte oft zuydoofte wint waeyt, foo komendef?¨ fprinckhanen , van de felfde winden gedre-ven , oock in Rufchlant, daer fy alle vruchtenen gewas verflinden , ja felf het gras en groenkruyt: invoegen dat fy ter plaets, daerfy fichnederfetten, alles, dat groen is, af-eten; hetwelck niet alleenlijck dierte in de lijftocht,maeroock gebreck en hongersnoot veroorfaeckt.Indien fy, in 't voorjaer gekomen, tot in deHerffl en in Odober (in welcken tijt de fj^rinck-hanen fterven , na dat fy yder wel drie honderteyeren geleyt hebben) gebleven fijn , fbo worthet landtfchap arra en kael gemaeckt. Indiende Lenten droogh is, fbo komt'er leven uytd'eyeren j maer indien het vijf oft f?¨s dagenachter malkander regent , foo vergaen alled'eyeren. Hun menighte is fbo wonderlijck,dat de gene , die 't felf niet met fijn oogen ge-fien heeft, nauwelijcks het gene, dat men daeraf verhaeltjgelooven fal. Sy worden,gelijck eengroote wolck, van de wint gedreven, oft vallenneder in groote menighte, gelijck dicke fneeuwuyt de woleken : in voegen dat men op't mid-den van den dagh, en by heldere fbnnefchijn,het licht daer af verduyflert fiet. Sy volgen al-tijdt de drift van de wint, en overal, daer fy fichnederfetten, hebben fy 't in twee uren tijdtskael gemaeckt. Terwijl fy eten, hoort men fe-ker gedruys, als oft
iemant het gras met eenfeiffen affloegh. Toen ick in'tjaer 1(546, in lu-nius, te Novogrod , 't welck een nieuwgeboudeftadt is, daer ick oock een vefting de?? bouwen,twee weken ftil was, fagh ick, tot mijn grooteverbaeftheydt , foo groot een menighte vanfprinckh anen , daer in 't begin van de Lenten tevoorfchijngekomen,(welker vleugelen noch foofvvack waren, dat fy niet konden vliegen) dat hetgeheele landt daer rontom van def?¨ beeftjensbedeckt, en de lucht foo vol was, dat ick bydaegh niet in mijn kamer kon eten , dan by dekaers. Geen plaets van mijn huys was vry vanfprinckhanen. De kamers waren vol, de ftallenwaren vol , en oock alle holen en hoecken van't huys. Ick dede wel buftekruyt, en fwavel bran-den , maer vergeefs want als men de deur vande kamer opende, foo vloogh 'er een ontallijckemenighte van fprinckhanen in, die fich hier endaer verfpreyden. Sommige vlogen tegen d'oo-gen aen , en in de neusgaten , andere gingen opde wangen fitten , en vlogen oock in de mont,als die eenighfins open was. Dit was noch
|
eenigfms te lijden,doch dat men geen fpijfe konnuttigen,dit was onverdragelijck : want als meneen ftuck vleefch wilde fnijden , foo fneedt menoock met eenen deur de fprinckhanen heen j jamen kon de mont niet open doen , om eenbroek daer in te fteeken , of daer vloogh oockter felfde tijdt eenfprinckhaen in. In't kort,defchranderften felven waren als radeloos , enfonder hoop van eenige hulp tegen defe fchade-lijcke beeften te vinden. Eyndelijck , nadat fyomtrent Novogrodt alles verwoeft hadden , endit binnen twee weecken , in welcke tijdt fygroot geworden waren , en bec^uaem om tevliegen, wierden fy , van een wint opgenomen ,naer andere plaetfen gevoert, om daer oockalles te verdelgen. Ick heb fomtijts op d'avont,als fy , om de nacht over te brengen, op d'aer-de gevallen waren , alle de wegen met fprinck-hanen befet, en 't geheele landt als van ftofoverdeckt gefien , in voegen dat fy wel eenhandt hoogh op malkander lagen; fbo dat depaerden niet voort wilden, dan met veel flagengeflagen fijnde , en echter niet fbnder fchricken vervaertheyt, maer met opgerechte ooren,en met fnuyvenden neus. Defe fprinckhanen ,door de raderen van onf?¨ wagens, en de voe-ten der paerden verplet , veroorfaeckten foolelijckeen ffanek , dat fy de neusgaten en harf^fenen befmetten , en dat men nergens kon ko-men , dan met de mont gefloten, en een neus-doeck, in edick nat gemaeckt, voor de neus tehouden. De varekens houden defe fpijfe vooreen leckerny , en worden 'er vet af, en dieshal-ven wil 'er niemandt af eten s ick geloof uytfchrick en afkeer van fbo fchadelijck een landt-verderf. Laet ons nu f?¨ggen op welcke wijfedefe fprinckhanen voortkomen. In alle plaetfen,daer fy tot aen de maent van Odober blijven,maecken fy, met hun ftaert, een gat in d'aerde,daer fy drie hondert eyeren in leggen, die fy metde voet weder decken, met ftof daer over tefchrabben, en als fy dit gedaen hebben, ftervenfy } want defe bloedelofe beesjes leven niet lan-ger dan fes maenden, en een half: en hoewel 'erdan regen koomt, fbo vergaen echter defe eye-ren niet; ja de koude felve, hoe groot en ftrengoock, brengt hen geen fchade toemaer fy blij-ven in hun geheel tot aen 't begin van de nieuwelenten, tot dat'er, omtrent in'tmidden vanApril,als de fon d'aerde verwarmt,jonge fprinck-hanen uyt voortkomen,die overal fpringen,daerfy konnen,en dus,terwijl fy niet konnen vliegen,geheele fes weecken , ter plaetfe daer fy uytge-broedt fijn, blijven. Maer als fy groot gewordenfijn,en vhegen
konnen, foo nemen fy hun vluchtter plaets, daer de wint hen drijft. Indien in detijdt, als fy eerft beginnen te vliegen , de windtuyt het noorden waeyt , foo worden fy naerd'Euxinifche zee gedreven , daer in fy ver-drincken : maer indien 'er een oofte of zayde-windt waeyt, foo worden fy naer de geweftenvan Ruslandt gevoert, daerfyalles verderven.Doch indien het in de tijt, daer in defe fprinck-hanen uyt d'eyeren voortkomen , acht oft tiendagen achter malkander regent, foo verdervenalle d'eyeren. Desgelijcks in de fomer, indien
het
|}<noinclude></noinclude>
oz8cz31zdo5k57ft789efx3xcikjy9n
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/23
104
86618
222311
2026-05-31T18:05:56Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '??? mm m "i l?‰ riii?‰iii 11 M......r "â€? r' â€? fnirr' - â– bohysthenes. het dan acht oft tien dagen achter malkanderregent, foo is dit oock d'ondergang van def?¨fprinckhanen, fchoon (y dan al groot gewordenfijn, vermits fy, van de koude regen overvallen,niet konnen vliegen ; en defe regen is feer heyl-faem voor d'inwoonders van de plaets. Doch in-dien de fomer droogh is, gelijck daer ten mee-ftendeel gebeurt, foo worden d'elend…
222311
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>??? mm m "i l?‰ riii?‰iii 11 M......r "â€? r' â€? fnirr' - â– bohysthenes. het dan acht oft tien dagen achter malkanderregent, foo is dit oock d'ondergang van def?¨fprinckhanen, fchoon (y dan al groot gewordenfijn, vermits fy, van de koude regen overvallen,niet konnen vliegen ; en defe regen is feer heyl-faem voor d'inwoonders van de plaets. Doch in-dien de fomer droogh is, gelijck daer ten mee-ftendeel gebeurt, foo worden d'elendige men-fchen daer feer fwarelijck geplaeght van def?¨kleyne beesjens, tot aen de maent van O??tober,in de welcke dit fchadelijck gedierte ten mee-ftendeel fterft. Hier ftaet oock t'aenmercken ,dat men fomtijts fprinckhanen vind van een vin-ger dick, en drie oft vier vingerleden lang; oockdatfy vleugels hebben , daer Chaldeeufche let-teren opftaen , van dewelcke dit de fin is, omd'cogfl te yerdeJgen, gelijck de gene feggen , die inde felfde tael kundigh fijndoch ick wil dit nietverder verfekeren, dan dat de Schrijvers fulcksfeggen. Men moet oock niet met fwijgen voorby-gaen , dat tuffchen de rivieren Sula en Suporo,die beyde in de Boryfthenes ftroomen, beesjensgevonden worden , gemeenelijck hobaki ge-noemt, van geftalte en grootheyt gelijck de ko-nijnen van Ly bien, die niet meer dan vier tan-den, twee boven en twee onder hebben, en vanhair en verwe tuftchen geel en root. Sy onthou-den f??ch, gelijck oock de konijnen , in de holenvan d'aerde,- enin de maent van Odober ver-trecken fy fich voor de geheele winter in hunholen , daer fy niet uytkomen , dan in de maentvan April, in welcke tijdt fy fich weder over hetvelt aen alle fijden begeven, om hun lijftochtte foecken,en fich in de fomer tegen d'aenftaen-de winter te verforgen. Defe beesjens fijn feerlang ftapende , en neerftigh in hun voorraette beforgen : wantfyfijn infonderheyt fchran-der, door een naturelijcke drift en neerftigheyt,fbo in fpijf?¨ op verfcheyde wijfen te vergaderen,als voornamelijck hier in , dat fy ftaven ofcdienftbare beesjens gebruycken. Want fy dwin-gen degene, die traegh onder hen fijn , op derugh te gaen leggen , en laden dan een bundelvan groen kruyt op hun buyck,'t welck dit bees-jen met fijn poten, oft om eygentlijck te fpre-ken , met fijn handen vaft houd ; want fy ge-bruycken hun pooten gelijck de meerkatten dehaere. D'andere trecken dan dit beesjen, dusnederleggende, by de ftaert tot in hun hol; invoegen dat de gene, die luy fijn, aen d'anderenals tot een treckftede verftrecken. Ick heb dick-wils defe beesjens dus fien wercken , en, ver-maeck in dit fchoufpel hebbende, fomtijts ge-heele dagen daer mede deurgebracht, ja ickheb hen oock tot in hun hol doen nagraven,om te fien wat fy
daer deden. Ick vond daer('t welck aenmerckens-waerdigh was) feer groo-te kuylen, in kleyne holen , gelijck vertreckenverdeelt, vande welcke fy fommige tot fpijs-kamers, andere tot ftaepkamers, en andere tothun begraefplaetfen gebruyckten; want fy be-graven hun dooden byna op een felfde wijf?¨,als de menfchen. Acht oft tien maken een huys-gefin , en woonen by malkander, van de welckeyder fijn befonder vertreck heeft ; in voegen Befchrij-ving vanfeker beesjenvan iVOH-der??jc!^mtmr. dat fy in de wijfe van te leven en te wandelen,foo in 't heymelijck , als in 't openbaer, geenfinsvoor de republijck der byen en mieren behoe-ven te wijeken. Defe beesjens fijn alle van debeyde geflachten , dat is, foo wei mannetjes alsWijfjes. Indien men hen in de Meymaent vangt, ^foo konnen fy lichtelijck tam gemaekt worden.Op de marckt gelden fy deurgaens niet meerdan omtrent anderhalve ftuyver. Ick had veelvan defe beesjes in huys. Sy fijn vermaeckelijck,gelijck de fimmen en meerkatten , en nuttigenomtrent een f?¨ifde fpijfe, als de menfchen. Ick had byna vergeten te feggen,dat dit bees-jen f?¨er loos is: want fy komen noyt uyt hunholen , dan na datfy een befpieder vooruyt ge-fonden hebben, die fy op eenige hooghte fet-ten , op dat het daer rontom fou konnen fien;en als het bemerckt dat 'er eenigh gevaer voorfijn medegefellen is, fbo gaet het op fijn achter-fte beenen ftaen, en piept, om d'andere te ver-manen dat fy fich met de vlucht fullen verfchuy-len , en dit volght de lefte in hun fchuylhoec-ken, daer fy fich fbo lang in houden, tot dat demenfchen voorby gegaen fijn, en 't gevaer ver-dwenen is. De rivier Sula is niet meer dan fesmijlen van Supoy , en daer is ten hooghftenniet meer dan twintigh mijlen van de Boryfthe-nes , tot aen de grenfen van Moskovien. Ditbeesjen , van 't welck ick gefproken heb, wordtnergens anders, dan tuflchen defe rivieren ge-vonden. 'tis hier ongemackelijck te paert, oftmet de wagen te rijden , dewijl overal veel kuy-len en holen fijn , daer de paerden veeltijdts in-vallen , en in gevaer fijn van de beenen te bre-ken, 't welck my, te paert rijdende , dickwils ge-beurt is. De landdieden vangen hen in Mey-maent, enin lunius, op defe wijfe : fy gieten,met eenige vaten, water in defe holen, en fetteneen fack oft net aen de mont van de felve.Dit beeft, het water ontvluchtende, valt in defenetten, die voor de holen gefpannen fijn. Hoe-wel fy jong gevangen en getemt worden , foovergeten fy echter niet hun f?¨den , noch trec-ken hun natuer niet uyt. Want indien men henniet wel gebonden houdt, foo verbergen fy fichin de holen , om hun flaep van f?¨s maenden teflapen ; 't welck fy
met de vledermuy fen en wil-de katten gemeen hebben. De gene, die in mijnhuys getemt waren, verberghden fich dickwilstwee weken lang, en wierden, als men hen neer-ftighlijck focht, in een kuyl, en gantfch wilt enonhandelbaer gevonden. In defe geweften vindt men oock feker flagh Schiitpad-van fchiltpadden, met blaeuwe voeten,die fcha-delijckom t'etenfijn. Ick heb oock in defe landen, naer de water- ^^^derevallen en lantftreeck van de Boryfthenes , fekerwilt beeft gevonden , de geyt niet ongelijck,maer echter feer dun van hair, en daer by foofacht als fijde, als het nieu hair gekregen heeft,het welck jarelijcks gebeurt ; anderf??ns is hethair wat harder , en van kaftanie-verwe, geheelanders dan dat van de geyt. Dit wilt heeft tweehoornen, die wit en helder fijn, en wordt van deRuffen gemeenelijck Sunaky geheeten. Het isfeer facht en teer van beenen en voeten , heeft geen v^l<noinclude></noinclude>
h1xm9j0lfwar0x1fju0uasdgkuec6kt
222328
222311
2026-05-31T18:43:36Z
Nederlandse Leeuw
797
222328
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
het dan acht oft tien dagen achter malkander
regent, foo is dit oock d'ondergang van def?¨fprinckhanen, fchoon (y dan al groot gewordenfijn, vermits fy, van de koude regen overvallen,niet konnen vliegen ; en defe regen is feer heyl-faem voor d'inwoonders van de plaets. Doch in-dien de fomer droogh is, gelijck daer ten mee-ftendeel gebeurt, foo worden d'elendige men-fchen daer feer fwarelijck geplaeght van def?¨kleyne beesjens, tot aen de maent van O??tober,in de welcke dit fchadelijck gedierte ten mee-ftendeel fterft. Hier ftaet oock t'aenmercken ,dat men fomtijts fprinckhanen vind van een vin-ger dick, en drie oft vier vingerleden lang; oockdatfy vleugels hebben , daer Chaldeeufche let-teren opftaen , van dewelcke dit de fin is, omd'cogfl te yerdeJgen, gelijck de gene feggen , die inde felfde tael kundigh fijndoch ick wil dit nietverder verfekeren, dan dat de Schrijvers fulcksfeggen. Men moet oock niet met fwijgen voorby-gaen , dat tuffchen de rivieren Sula en Suporo,die beyde in de Boryfthenes ftroomen, beesjensgevonden worden , gemeenelijck hobaki ge-noemt, van geftalte en grootheyt gelijck de ko-nijnen van Ly bien, die niet meer dan vier tan-den, twee boven en twee onder hebben, en vanhair en verwe tuftchen geel en root. Sy onthou-den f??ch, gelijck oock de konijnen , in de holenvan d'aerde,- enin de maent van Odober ver-trecken fy fich voor de geheele winter in hunholen , daer fy niet uytkomen , dan in de maentvan April, in welcke tijdt fy fich weder over hetvelt aen alle fijden begeven, om hun lijftochtte foecken,en fich in de fomer tegen d'aenftaen-de winter te verforgen. Defe beesjens fijn feerlang ftapende , en neerftigh in hun voorraette beforgen : wantfyfijn infonderheyt fchran-der, door een naturelijcke drift en neerftigheyt,fbo in fpijf?¨ op verfcheyde wijfen te vergaderen,als voornamelijck hier in , dat fy ftaven ofcdienftbare beesjens gebruycken. Want fy dwin-gen degene, die traegh onder hen fijn , op derugh te gaen leggen , en laden dan een bundelvan groen kruyt op hun buyck,'t welck dit bees-jen met fijn poten, oft om eygentlijck te fpre-ken , met fijn handen vaft houd ; want fy ge-bruycken hun pooten gelijck de meerkatten dehaere. D'andere trecken dan dit beesjen, dusnederleggende, by de ftaert tot in hun hol; invoegen dat de gene, die luy fijn, aen d'anderenals tot een treckftede verftrecken. Ick heb dick-wils defe beesjens dus fien wercken , en, ver-maeck in dit fchoufpel hebbende, fomtijts ge-heele dagen daer mede deurgebracht, ja ickheb hen oock tot in hun hol doen nagraven,om te fien wat fy
daer deden. Ick vond daer('t welck aenmerckens-waerdigh was) feer groo-te kuylen, in kleyne holen , gelijck vertreckenverdeelt, vande welcke fy fommige tot fpijs-kamers, andere tot ftaepkamers, en andere tothun begraefplaetfen gebruyckten; want fy be-graven hun dooden byna op een felfde wijf?¨,als de menfchen. Acht oft tien maken een huys-gefin , en woonen by malkander, van de welckeyder fijn befonder vertreck heeft ; in voegen.
|
dat fy in de wijfe van te leven en te wandelen,foo in 't heymelijck , als in 't openbaer, geenfinsvoor de republijck der byen en mieren behoe-ven te wijeken. Defe beesjens fijn alle van debeyde geflachten , dat is, foo wei mannetjes alsWijfjes. Indien men hen in de Meymaent vangt, ^foo konnen fy lichtelijck tam gemaekt worden.Op de marckt gelden fy deurgaens niet meerdan omtrent anderhalve ftuyver. Ick had veelvan defe beesjes in huys. Sy fijn vermaeckelijck,gelijck de fimmen en meerkatten , en nuttigenomtrent een f?¨ifde fpijfe, als de menfchen. Ick had byna vergeten te feggen,dat dit bees-jen f?¨er loos is: want fy komen noyt uyt hunholen , dan na datfy een befpieder vooruyt ge-fonden hebben, die fy op eenige hooghte fet-ten , op dat het daer rontom fou konnen fien;en als het bemerckt dat 'er eenigh gevaer voorfijn medegefellen is, fbo gaet het op fijn achter-fte beenen ftaen, en piept, om d'andere te ver-manen dat fy fich met de vlucht fullen verfchuy-len , en dit volght de lefte in hun fchuylhoec-ken, daer fy fich fbo lang in houden, tot dat demenfchen voorby gegaen fijn, en 't gevaer ver-dwenen is. De rivier Sula is niet meer dan fesmijlen van Supoy , en daer is ten hooghftenniet meer dan twintigh mijlen van de Boryfthe-nes , tot aen de grenfen van Moskovien. Ditbeesjen , van 't welck ick gefproken heb, wordtnergens anders, dan tuflchen defe rivieren ge-vonden. 'tis hier ongemackelijck te paert, oftmet de wagen te rijden , dewijl overal veel kuy-len en holen fijn , daer de paerden veeltijdts in-vallen , en in gevaer fijn van de beenen te bre-ken, 't welck my, te paert rijdende , dickwils ge-beurt is. De landdieden vangen hen in Mey-maent, enin lunius, op defe wijfe : fy gieten,met eenige vaten, water in defe holen, en fetteneen fack oft net aen de mont van de felve.Dit beeft, het water ontvluchtende, valt in defenetten, die voor de holen gefpannen fijn. Hoe-wel fy jong gevangen en getemt worden , foovergeten fy echter niet hun f?¨den , noch trec-ken hun natuer niet uyt. Want indien men henniet wel gebonden houdt, foo verbergen fy fichin de holen , om hun flaep van f?¨s maenden teflapen ; 't welck fy
met de vledermuy fen en wil-de katten gemeen hebben. De gene, die in mijnhuys getemt waren, verberghden fich dickwilstwee weken lang, en wierden, als men hen neer-ftighlijck focht, in een kuyl, en gantfch wilt enonhandelbaer gevonden. In defe geweften vindt men oock feker flagh Schiitpad-van fchiltpadden, met blaeuwe voeten,die fcha-delijckom t'etenfijn. Ick heb oock in defe landen, naer de water- ^^^derevallen en lantftreeck van de Boryfthenes , fekerwilt beeft gevonden , de geyt niet ongelijck,maer echter feer dun van hair, en daer by foofacht als fijde, als het nieu hair gekregen heeft,het welck jarelijcks gebeurt ; anderf??ns is hethair wat harder , en van kaftanie-verwe, geheelanders dan dat van de geyt. Dit wilt heeft tweehoornen, die wit en helder fijn, en wordt van deRuffen gemeenelijck Sunaky geheeten. Het isfeer facht en teer van beenen en voeten , heeft
geen
|}<noinclude></noinclude>
ncdgmyr1f69pb02okdhk2qh0p6j53gv
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/24
104
86619
222312
2026-05-31T18:06:04Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '??? â– Â?pw B ?“ R Y S 1 geen gebeente in de neus , en gaet al achter-waerts, als het in de weyde lijn voedfel neemt,??ck heb van dit vleelch gegeten ; en 't is loogoet van fmaeck, als het vleefch van een wildegeyt. Des felfs hoornen fijn wit en helder , ge-lijck ick gefeght heb, en blincken, dewelckeick, als iets dat vremt is, bewaere. Men vindt in defe geweften oock harten, daf-fen, wilde geyten, die in ordening gaen j gelijckoo…
222312
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>??? â– Â?pw B ?“ R Y S 1 geen gebeente in de neus , en gaet al achter-waerts, als het in de weyde lijn voedfel neemt,??ck heb van dit vleelch gegeten ; en 't is loogoet van fmaeck, als het vleefch van een wildegeyt. Des felfs hoornen fijn wit en helder , ge-lijck ick gefeght heb, en blincken, dewelckeick, als iets dat vremt is, bewaere. Men vindt in defe geweften oock harten, daf-fen, wilde geyten, die in ordening gaen j gelijckoock wilde (wijnen, die fchrickelijck groot fijn,en oock wilde paerden , die by troppen van vijf-tigh oft f?¨ftigh by malkander gaen weyden.Defe paerden hebben ons fomtijts fchrick aen-gejaeght, vermits wy, hen van verre fiende,meenden dat het Tartarifche paerden waren.Zy fijn gantfch onnut tot d'arbeyt, hoewel fyjong gevangen worden j doch fy fijn alleenlijckdienftigh tot fpijfe : want hun vleelch wordtvan fommige leckerder geacht dan kalfsvleelch,maer niet desgelijcks by my j vermits het eenquade reuck had, en al te loet was. Doch by deRuften , die de peper foo veel, als de Franfchend'erreten, gebruycken, heeft ditpaerdevleefch,duskruydightoegemaeckt, d'al te groote foe-tighey t verloren , en wordt by hen fmaeckelijc-ker om t'eten gemaeckt. Wat d'oude wilde paer-den aengaet, dewijl fy niet getemt konnen wor-den , foo verftrecken fy alleenelijck tot fpijs,welcker vleefch inde vleefch-hal omtrent evendier verkocht wordt, als oftevleelch, oftfcha-^envleefch. Del?¨ paerden fijn oock fwack, enbedorven van voeten ,â€? want fy lijden groot on-gemack door het hoorn aen hun voeten, datniet ter rechter tijt befnoeyt wordt; en dies-halven fijn fy onbequaem om te loopen. Menmoet dan Godts klaerblijckelijcke voorfienig-heyt eeren , die dit beeft tot de menfchelijckedienft en fpijfe heeft gefchickt, en hierom fwackvan voeten gemaeckt, op dat het den menfch,die 't vervolght, niet ontloopen fbude. Aen 't f?¨lfdegeweft van de Boryfthenes worteen wilde vogel gevonden , aen welcks krop eenblaesje hangt, daer in hy, als in een fack, de vif^fchen , die hy voor die tijdt over heeft, infchiet,om hen daer na, als 't de noot vereyfcht, te ver-flinden. lek heb diergelijcke vogelen oock inIndien gefien. Men vind hier een feer grootemenighte van kranen , gelijck oock van wildeftieren en buffels, en van andere groote wildebeeften, maer voornamelijck op de grenfen vanMoskovien. Oock fijn hier mede witte hafen,en v/ilde katten. In defe geweften, doch eenweynigh zuydewaerts, en naer Walachien , vin^l Defe befchrijving van de Boryfthenes is byna geheel getrocken uyt het ver-hael van TVtUem Ie Vapur^Hccr van Beauplan, in 't Frans befchreven. E N S. H men fchapen , langer van wol, met een fteert,die wel korter , maer oock breeder, en dicker is,en fbodanigh , dat fy de geftalte van een drie-hoeck vertoont. Defe fteert is foo groot envleefch-achtigh , dat fy gemeenelijck tien pon-den weeght. Sy is deurgaens fes duymen breet,en een weynigh langer , en , foo groot als fy is,vol van fmakelijck vet. Men
fiet hier oock,doch by d'adel , paerden en honden van ver-fcheyde koleur , die hair gelijck een panter oftluypert hebben, en aengenaem om t'aenfchou-wen fijn. Sy fpannen hen oock voor de wagen,om hun pracht te toonen. Defe geweften hebben een eenigh ongemack, Cehecidat is, dat'er in geheel 'Ukraine geen fbut is,'t welck uyt Pokucia, een Poolfch landtfchap,aen Sevenbergen palende, tachtigh, ja hondertmijlen verre, derwaerts gebracht wordt. In ditPokucia fijn byna alle putten en bronnen fbut,welcker water , als het behoorelijck gekoocktis, in wit fout verandert, van 't welck kleynekoeckjeSjoft brootjes gemaeckt worden, die eenduym dick , en twee duymen lang fijn,- en fyverkoopen drie hondert van dufdanige koeck-jes voor een ftuyver. Dit fout is aengenaem vanfmaeck, en niet foo fcherp, als 't onfe. De Ruf.f?¨n maeken noch ander fbut van elf?¨-boomen,oft van eycke-boomen, oft van der felfder afch,het welck, by broot gedaen , een aengenamefmaeck heeft, en van de Cofacken gemeene-lijck Kolomey genoemt wordt. Omtrent Kra-kou , de hooftftadt van Polen , is l?¨er treftelijckfout , dat als uyt de mijnen gedolven wordt.Ukraine heeft noch een ander gebreck , te we-ten van water , dat ten meeftendeel dick endrabbigh is, en lelijcke ftanck uytgeeft, om dathet niet alleenelijck feer traegh in fijn loop is,maer oock overvioet van vifch heeft; 't welck,gelijck ick acht , dickwils d'oorfaeck van defieckte is, die fy Koltun noemen, en het hair tefamen wart. In defe landen fijn noch ontallijc-ke andere aenmerckens-waerdige dingen , foowel die de feden en 't leven der inwoonders aen-gaen , als in d'andere wonderlijcke en voortref-felijcke dingen; en ick oordeel dat, fbo iemantdaer op het breetfte wilde af fpreken, hy ge-heele boecken foude moeten befchrijven. Dochick hope dat de gunftige Lefer het gene, dat ickhier af gefchreven heb, terwijl ick met anderebefigheden belemmert ben, in't goede fal ne-men , en gelegentheyt verwachten om meerdufdanige dingen in 't licht te brengen. Viemt gevogelte.<noinclude></noinclude>
rkqfo72sd3s2ba2g09why2kd0ofzu9g
222329
222312
2026-05-31T18:49:25Z
Nederlandse Leeuw
797
222329
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
geen gebeente in de neus , en gaet al achter-
waerts, als het in de weyde lijn voedsel neemt,
Ick heb van dit vleesch gegeten ; en 't is soo
goet van smaeck, als het vleesch van een wilde
geyt. Des selfs hoornen sijn wit en helder , ge-
lijck ick geseght heb, en blincken, dewelcke
ick, als iets dat vremt is, bewaere.
Men vindt in defe geweften oock harten, daf-fen, wilde geyten, die in ordening gaen j gelijckoock wilde (wijnen, die fchrickelijck groot fijn,en oock wilde paerden , die by troppen van vijf-tigh oft f?¨ftigh by malkander gaen weyden.Defe paerden hebben ons fomtijts fchrick aen-gejaeght, vermits wy, hen van verre fiende,meenden dat het Tartarifche paerden waren.Zy fijn gantfch onnut tot d'arbeyt, hoewel fyjong gevangen worden j doch fy fijn alleenlijckdienftigh tot fpijfe : want hun vleelch wordtvan fommige leckerder geacht dan kalfsvleelch,maer niet desgelijcks by my j vermits het eenquade reuck had, en al te loet was. Doch by deRuften , die de peper foo veel, als de Franfchend'erreten, gebruycken, heeft ditpaerdevleefch,duskruydightoegemaeckt, d'al te groote foe-tighey t verloren , en wordt by hen fmaeckelijc-ker om t'eten gemaeckt. Wat d'oude wilde paer-den aengaet, dewijl fy niet getemt konnen wor-den , foo verftrecken fy alleenelijck tot fpijs,welcker vleefch inde vleefch-hal omtrent evendier verkocht wordt, als oftevleelch, oftfcha-^envleefch. Del?¨ paerden fijn oock fwack, enbedorven van voeten ,â€? want fy lijden groot on-gemack door het hoorn aen hun voeten, datniet ter rechter tijt befnoeyt wordt; en dies-halven fijn fy onbequaem om te loopen. Menmoet dan Godts klaerblijckelijcke voorfienig-heyt eeren , die dit beeft tot de menfchelijckedienft en fpijfe heeft gefchickt, en hierom fwackvan voeten gemaeckt, op dat het den menfch,die 't vervolght, niet ontloopen fbude. Aen 't f?¨lfdegeweft van de Boryfthenes worteen wilde vogel gevonden , aen welcks krop eenblaesje hangt, daer in hy, als in een fack, de vif^fchen , die hy voor die tijdt over heeft, infchiet,om hen daer na, als 't de noot vereyfcht, te ver-flinden. lek heb diergelijcke vogelen oock inIndien gefien. Men vind hier een feer grootemenighte van kranen , gelijck oock van wildeftieren en buffels, en van andere groote wildebeeften, maer voornamelijck op de grenfen vanMoskovien. Oock fijn hier mede witte hafen,en v/ilde katten. In defe geweften, doch eenweynigh zuydewaerts, en naer Walachien , vind
|
men fchapen , langer van wol, met een fteert,die wel korter , maer oock breeder, en dicker is,en fbodanigh , dat fy de geftalte van een drie-hoeck vertoont. Defe fteert is foo groot envleefch-achtigh , dat fy gemeenelijck tien pon-den weeght. Sy is deurgaens fes duymen breet,en een weynigh langer , en , foo groot als fy is,vol van fmakelijck vet. Men
fiet hier oock,doch by d'adel , paerden en honden van ver-fcheyde koleur , die hair gelijck een panter oftluypert hebben, en aengenaem om t'aenfchou-wen fijn. Sy fpannen hen oock voor de wagen,om hun pracht te toonen. Defe geweften hebben een eenigh ongemack, Cehecidat is, dat'er in geheel 'Ukraine geen fbut is,'t welck uyt Pokucia, een Poolfch landtfchap,aen Sevenbergen palende, tachtigh, ja hondertmijlen verre, derwaerts gebracht wordt. In ditPokucia fijn byna alle putten en bronnen fbut,welcker water , als het behoorelijck gekoocktis, in wit fout verandert, van 't welck kleynekoeckjeSjoft brootjes gemaeckt worden, die eenduym dick , en twee duymen lang fijn,- en fyverkoopen drie hondert van dufdanige koeck-jes voor een ftuyver. Dit fout is aengenaem vanfmaeck, en niet foo fcherp, als 't onfe. De Ruf.f?¨n maeken noch ander fbut van elf?¨-boomen,oft van eycke-boomen, oft van der felfder afch,het welck, by broot gedaen , een aengenamefmaeck heeft, en van de Cofacken gemeene-lijck Kolomey genoemt wordt. Omtrent Kra-kou , de hooftftadt van Polen , is l?¨er treftelijckfout , dat als uyt de mijnen gedolven wordt.Ukraine heeft noch een ander gebreck , te we-ten van water , dat ten meeftendeel dick endrabbigh is, en lelijcke ftanck uytgeeft, om dathet niet alleenelijck feer traegh in fijn loop is,maer oock overvioet van vifch heeft; 't welck,gelijck ick acht , dickwils d'oorfaeck van defieckte is, die fy Koltun noemen, en het hair tefamen wart. In defe landen fijn noch ontallijc-ke andere aenmerckens-waerdige dingen , foowel die de feden en 't leven der inwoonders aen-gaen , als in d'andere wonderlijcke en voortref-felijcke dingen; en ick oordeel dat, fbo iemantdaer op het breetfte wilde af fpreken, hy ge-heele boecken foude moeten befchrijven. Dochick hope dat de gunftige Lefer het gene, dat ickhier af gefchreven heb, terwijl ick met anderebefigheden belemmert ben, in't goede fal ne-men , en gelegentheyt verwachten om meerdufdanige dingen in 't licht te brengen. Viemt gevogelte.
|}
{{center|Dese beschrijving van de Borysthenes is byna geheel getrocken uyt het ver-}}
{{center|hael van ''Willem le Vasseur'', Heer van Beauplan, in 't Frans beschreven.}}<noinclude></noinclude>
35oglge57negi5r3kz52wvjk687z0gq
222341
222329
2026-05-31T20:05:14Z
Nederlandse Leeuw
797
222341
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
geen gebeente in de neus , en gaet al achter-
waerts, als het in de weyde lijn voedsel neemt,
Ick heb van dit vleesch gegeten ; en 't is soo
goet van smaeck, als het vleesch van een wilde
geyt. Des selfs hoornen sijn wit en helder , ge-
lijck ick geseght heb, en blincken, dewelcke
ick, als iets dat vremt is, bewaere.
Men vindt in defe geweften oock harten, das-
sen, wilde geyten, die in ordening gaen ; gelijck
oock wilde swijnen, die schrickelijck groot sijn,
en oock wilde paerden , die by troppen van vijf-
tigh oft sestigh by malkander gaen weyden.
Dese paerden hebben ons somtijts schrick aen-
gejaeght, vermits wy, hen van verre siende,
meenden dat het Tartarische paerden waren.
Zy sijn gantsch onnut tot d'arbeyt, hoewel sy
jong gevangen worden ; doch sy sijn alleenlijck
dienstigh tot spijse : want hun vleesch wordt
van sommige leckerder geacht dan kalfsvleesch,
maer niet desgelijcks by my ; vermits het een
quade reuck had, en al te soet was. Doch by de
Russen , die de peper soo veel, als de Franschen
d'erreten, gebruycken, heeft dit paerdevleesch,
dus kruydigh toegemaeckt, d'al te groote soe-
tigheyt verloren , en wordt by hen smaeckelijc-
ker om t'eten gemaeckt. Wat d'oude wilde paer-
den aengaet, dewijl sy niet getemt konnen wor-
den , soo verstrecken sy alleenelijck tot spijs,
welcker vleesch in de vleesch-hal omtrent even
dier verkocht wordt, als ossevleesch, oft scha-
penvleesch. Dese paerden sijn oock swack, en
bedorven van voeten; want sy lijden groot on-
gemack door het hoorn aen hun voeten, dat
niet ter rechter tijt besnoeyt wordt; en dies-
halven sijn sy onbequaem om te loopen. Men
moet dan Godts klaerblijckelijcke voorsienig-
heyt eeren , die dit beest tot de menschelijcke
dienst en spijse heeft geschickt, en hierom swack
van voeten gemaeckt, op dat het den mensch,
die 't vervolght, niet ontloopen soude.
Aen 't selfde gewest van de Borysthenes wort
een wilde vogel gevonden , aen welcks krop een
blaesje hangt, daer in hy, als in een sack, de vis-
schen , die hy voor die tijdt over heeft, inschiet,
om hen daer na, als 't de noot vereyscht, te ver-
slinden. lck heb diergelijcke vogelen oock in
Indien gesien. Men vind hier een seer groote
menighte van kranen , gelijck oock van wilde
stieren en buffels, en van andere groote wilde
beesten, maer voornamelijck op de grensen van
Moskovien. Oock sijn hier mede witte hasen,
en wilde katten. In dese gewesten, doch een
weynigh zuydewaerts, en naer Walachien , vind
|
men schapen , langer van wol, met een steert,
die wel korter , maer oock breeder, en dicker is,
en soodanigh , dat sy de gestalte van een drie-
hoeck vertoont. Dese steert is soo groot en
vleesch-achtigh , dat sy gemeenelijck tien pon-
den weeght. Sy is deurgaens fes duymen breet,en een weynigh langer , en , foo groot als fy is,vol van fmakelijck vet. Men
fiet hier oock,doch by d'adel , paerden en honden van ver-fcheyde koleur , die hair gelijck een panter oftluypert hebben, en aengenaem om t'aenfchou-wen fijn. Sy fpannen hen oock voor de wagen,om hun pracht te toonen. Defe geweften hebben een eenigh ongemack, Cehecidat is, dat'er in geheel 'Ukraine geen fbut is,'t welck uyt Pokucia, een Poolfch landtfchap,aen Sevenbergen palende, tachtigh, ja hondertmijlen verre, derwaerts gebracht wordt. In ditPokucia fijn byna alle putten en bronnen fbut,welcker water , als het behoorelijck gekoocktis, in wit fout verandert, van 't welck kleynekoeckjeSjoft brootjes gemaeckt worden, die eenduym dick , en twee duymen lang fijn,- en fyverkoopen drie hondert van dufdanige koeck-jes voor een ftuyver. Dit fout is aengenaem vanfmaeck, en niet foo fcherp, als 't onfe. De Ruf.f?¨n maeken noch ander fbut van elf?¨-boomen,oft van eycke-boomen, oft van der felfder afch,het welck, by broot gedaen , een aengenamefmaeck heeft, en van de Cofacken gemeene-lijck Kolomey genoemt wordt. Omtrent Kra-kou , de hooftftadt van Polen , is l?¨er treftelijckfout , dat als uyt de mijnen gedolven wordt.Ukraine heeft noch een ander gebreck , te we-ten van water , dat ten meeftendeel dick endrabbigh is, en lelijcke ftanck uytgeeft, om dathet niet alleenelijck feer traegh in fijn loop is,maer oock overvioet van vifch heeft; 't welck,gelijck ick acht , dickwils d'oorfaeck van defieckte is, die fy Koltun noemen, en het hair tefamen wart. In defe landen fijn noch ontallijc-ke andere aenmerckens-waerdige dingen , foowel die de feden en 't leven der inwoonders aen-gaen , als in d'andere wonderlijcke en voortref-felijcke dingen; en ick oordeel dat, fbo iemantdaer op het breetfte wilde af fpreken, hy ge-heele boecken foude moeten befchrijven. Dochick hope dat de gunftige Lefer het gene, dat ickhier af gefchreven heb, terwijl ick met anderebefigheden belemmert ben, in't goede fal ne-men , en gelegentheyt verwachten om meerdufdanige dingen in 't licht te brengen. Viemt gevogelte.
|}
{{center|Dese beschrijving van de Borysthenes is byna geheel getrocken uyt het ver-}}
{{center|hael van ''Willem le Vasseur'', Heer van Beauplan, in 't Frans beschreven.}}<noinclude></noinclude>
it0uvdlecafar33vhf8waypym8dhyeq
222342
222341
2026-05-31T20:14:03Z
Nederlandse Leeuw
797
222342
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
geen gebeente in de neus , en gaet al achter-
waerts, als het in de weyde lijn voedsel neemt,
Ick heb van dit vleesch gegeten ; en 't is soo
goet van smaeck, als het vleesch van een wilde
geyt. Des selfs hoornen sijn wit en helder , ge-
lijck ick geseght heb, en blincken, dewelcke
ick, als iets dat vremt is, bewaere.
Men vindt in dese gewesten oock harten, das-
sen, wilde geyten, die in ordening gaen ; gelijck
oock wilde swijnen, die schrickelijck groot sijn,
en oock wilde paerden , die by troppen van vijf-
tigh oft sestigh by malkander gaen weyden.
Dese paerden hebben ons somtijts schrick aen-
gejaeght, vermits wy, hen van verre siende,
meenden dat het Tartarische paerden waren.
Zy sijn gantsch onnut tot d'arbeyt, hoewel sy
jong gevangen worden ; doch sy sijn alleenlijck
dienstigh tot spijse : want hun vleesch wordt
van sommige leckerder geacht dan kalfsvleesch,
maer niet desgelijcks by my ; vermits het een
quade reuck had, en al te soet was. Doch by de
Russen , die de peper soo veel, als de Franschen
d'erreten, gebruycken, heeft dit paerdevleesch,
dus kruydigh toegemaeckt, d'al te groote soe-
tigheyt verloren , en wordt by hen smaeckelijc-
ker om t'eten gemaeckt. Wat d'oude wilde paer-
den aengaet, dewijl sy niet getemt konnen wor-
den , soo verstrecken sy alleenelijck tot spijs,
welcker vleesch in de vleesch-hal omtrent even
dier verkocht wordt, als ossevleesch, oft scha-
penvleesch. Dese paerden sijn oock swack, en
bedorven van voeten; want sy lijden groot on-
gemack door het hoorn aen hun voeten, dat
niet ter rechter tijt besnoeyt wordt; en dies-
halven sijn sy onbequaem om te loopen. Men
moet dan Godts klaerblijckelijcke voorsienig-
heyt eeren , die dit beest tot de menschelijcke
dienst en spijse heeft geschickt, en hierom swack
van voeten gemaeckt, op dat het den mensch,
die 't vervolght, niet ontloopen soude.
Aen 't selfde gewest van de Borysthenes wort
een wilde vogel gevonden , aen welcks krop een
blaesje hangt, daer in hy, als in een sack, de vis-
schen , die hy voor die tijdt over heeft, inschiet,
om hen daer na, als 't de noot vereyscht, te ver-
slinden. lck heb diergelijcke vogelen oock in
Indien gesien. Men vind hier een seer groote
menighte van kranen , gelijck oock van wilde
stieren en buffels, en van andere groote wilde
beesten, maer voornamelijck op de grensen van
Moskovien. Oock sijn hier mede witte hasen,
en wilde katten. In dese gewesten, doch een
weynigh zuydewaerts, en naer Walachien , vind
|
men schapen , langer van wol, met een steert,
die wel korter , maer oock breeder, en dicker is,
en soodanigh , dat sy de gestalte van een drie-
hoeck vertoont. Dese steert is soo groot en
vleesch-achtigh , dat sy gemeenelijck tien pon-
den weeght. Sy is deurgaens ses duymen breet,
en een weynigh langer , en , soo groot als sy is,
vol van smakelijck vet. Men siet hier oock,
doch by d'adel , paerden en honden van ver-
scheyde koleur , die hair gelijck een panter oft
luypert hebben, en aengenaem om t'aenschou-
wen sijn. Sy spannen hen oock voor de wagen,
om hun pracht te toonen.
Dese gewesten hebben een eenigh ongemack,
dat is, dat'er in geheel Ukraine geen sout is,
't welck uyt Pokucia, een Poolsch landtschap,
aen Sevenbergen palende, tachtigh, ja hondert
mijlen verre, derwaerts gebracht wordt. In dit
Pokucia sijn byna alle putten en bronnen sout,
welcker water , als het behoorelijck gekoockt
is, in wit sout verandert, van 't welck kleyne
koeckjes, oft brootjes gemaeckt worden, die een
duym dick , en twee duymen lang sijn; en sy
verkoopen drie hondert van dusdanige koeck-
jes voor een stuyver. Dit sout is aengenaem van
smaeck, en niet soo scherp, als 't onse. De Rus-
sen maeken noch ander sout van else-boomen,
oft van eycke-boomen, oft van der selfder asch,
het welck, by broot gedaen , een aengename
smaeck heeft, en van de Cosacken gemeene-
lijck ''Kolomey'' genoemt wordt. Omtrent Kra-
kou, de hooftstadt van Polen, is seer treffelijck
sout, dat als uyt de mijnen gedolven wordt.
Ukraine heeft noch een ander gebreck , te we-
ten van water , dat ten meestendeel dick en
drabbigh is, en lelijcke stanck uytgeeft, om dat
het niet alleenelijck seer traegh in sijn loop is,
maer oock overvloet van visch heeft; 't welck,
gelijck ick acht , dickwils d'oorsaeck van de
sieckte is, die sy ''Koltun'' noemen, en het hair te
samen wart. In dese landen sijn noch ontallijc-
ke andere aenmerckens-waerdige dingen , soo
wel die de seden en 't leven der inwoonders aen-
gaen , als in d'andere wonderlijcke en voortref-
felijcke dingen; en ick oordeel dat, soo iemant
daer op het breetste wilde af spreken, hy ge-
heele boecken soude moeten beschrijven. Doch
ick hope dat de gunstige Leser het gene, dat ick
hier af geschreven heb, terwijl ick met andere
besigheden belemmert ben, in't goede sal ne-
men , en gelegentheyt verwachten om meer
dusdanige dingen in 't licht te brengen.
|}
{{center|Dese beschrijving van de Borysthenes is byna geheel getrocken uyt het ver-}}
{{center|hael van ''Willem le Vasseur'', Heer van Beauplan, in 't Frans beschreven.}}<noinclude></noinclude>
0v8693q7b140w30d9p0wwt3ghw0o2g7
222343
222342
2026-05-31T20:14:45Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Proefgelezen */
222343
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|B O R Y S T H E N E S}}
{|
|-----
|
geen gebeente in de neus , en gaet al achter-
waerts, als het in de weyde lijn voedsel neemt,
Ick heb van dit vleesch gegeten ; en 't is soo
goet van smaeck, als het vleesch van een wilde
geyt. Des selfs hoornen sijn wit en helder , ge-
lijck ick geseght heb, en blincken, dewelcke
ick, als iets dat vremt is, bewaere.
Men vindt in dese gewesten oock harten, das-
sen, wilde geyten, die in ordening gaen ; gelijck
oock wilde swijnen, die schrickelijck groot sijn,
en oock wilde paerden , die by troppen van vijf-
tigh oft sestigh by malkander gaen weyden.
Dese paerden hebben ons somtijts schrick aen-
gejaeght, vermits wy, hen van verre siende,
meenden dat het Tartarische paerden waren.
Zy sijn gantsch onnut tot d'arbeyt, hoewel sy
jong gevangen worden ; doch sy sijn alleenlijck
dienstigh tot spijse : want hun vleesch wordt
van sommige leckerder geacht dan kalfsvleesch,
maer niet desgelijcks by my ; vermits het een
quade reuck had, en al te soet was. Doch by de
Russen , die de peper soo veel, als de Franschen
d'erreten, gebruycken, heeft dit paerdevleesch,
dus kruydigh toegemaeckt, d'al te groote soe-
tigheyt verloren , en wordt by hen smaeckelijc-
ker om t'eten gemaeckt. Wat d'oude wilde paer-
den aengaet, dewijl sy niet getemt konnen wor-
den , soo verstrecken sy alleenelijck tot spijs,
welcker vleesch in de vleesch-hal omtrent even
dier verkocht wordt, als ossevleesch, oft scha-
penvleesch. Dese paerden sijn oock swack, en
bedorven van voeten; want sy lijden groot on-
gemack door het hoorn aen hun voeten, dat
niet ter rechter tijt besnoeyt wordt; en dies-
halven sijn sy onbequaem om te loopen. Men
moet dan Godts klaerblijckelijcke voorsienig-
heyt eeren , die dit beest tot de menschelijcke
dienst en spijse heeft geschickt, en hierom swack
van voeten gemaeckt, op dat het den mensch,
die 't vervolght, niet ontloopen soude.
Aen 't selfde gewest van de Borysthenes wort
een wilde vogel gevonden , aen welcks krop een
blaesje hangt, daer in hy, als in een sack, de vis-
schen , die hy voor die tijdt over heeft, inschiet,
om hen daer na, als 't de noot vereyscht, te ver-
slinden. lck heb diergelijcke vogelen oock in
Indien gesien. Men vind hier een seer groote
menighte van kranen , gelijck oock van wilde
stieren en buffels, en van andere groote wilde
beesten, maer voornamelijck op de grensen van
Moskovien. Oock sijn hier mede witte hasen,
en wilde katten. In dese gewesten, doch een
weynigh zuydewaerts, en naer Walachien , vind
|
men schapen , langer van wol, met een steert,
die wel korter , maer oock breeder, en dicker is,
en soodanigh , dat sy de gestalte van een drie-
hoeck vertoont. Dese steert is soo groot en
vleesch-achtigh , dat sy gemeenelijck tien pon-
den weeght. Sy is deurgaens ses duymen breet,
en een weynigh langer , en , soo groot als sy is,
vol van smakelijck vet. Men siet hier oock,
doch by d'adel , paerden en honden van ver-
scheyde koleur , die hair gelijck een panter oft
luypert hebben, en aengenaem om t'aenschou-
wen sijn. Sy spannen hen oock voor de wagen,
om hun pracht te toonen.
Dese gewesten hebben een eenigh ongemack,
dat is, dat'er in geheel Ukraine geen sout is,
't welck uyt Pokucia, een Poolsch landtschap,
aen Sevenbergen palende, tachtigh, ja hondert
mijlen verre, derwaerts gebracht wordt. In dit
Pokucia sijn byna alle putten en bronnen sout,
welcker water , als het behoorelijck gekoockt
is, in wit sout verandert, van 't welck kleyne
koeckjes, oft brootjes gemaeckt worden, die een
duym dick , en twee duymen lang sijn; en sy
verkoopen drie hondert van dusdanige koeck-
jes voor een stuyver. Dit sout is aengenaem van
smaeck, en niet soo scherp, als 't onse. De Rus-
sen maeken noch ander sout van else-boomen,
oft van eycke-boomen, oft van der selfder asch,
het welck, by broot gedaen , een aengename
smaeck heeft, en van de Cosacken gemeene-
lijck ''Kolomey'' genoemt wordt. Omtrent Kra-
kou, de hooftstadt van Polen, is seer treffelijck
sout, dat als uyt de mijnen gedolven wordt.
Ukraine heeft noch een ander gebreck , te we-
ten van water , dat ten meestendeel dick en
drabbigh is, en lelijcke stanck uytgeeft, om dat
het niet alleenelijck seer traegh in sijn loop is,
maer oock overvloet van visch heeft; 't welck,
gelijck ick acht , dickwils d'oorsaeck van de
sieckte is, die sy ''Koltun'' noemen, en het hair te
samen wart. In dese landen sijn noch ontallijc-
ke andere aenmerckens-waerdige dingen , soo
wel die de seden en 't leven der inwoonders aen-
gaen , als in d'andere wonderlijcke en voortref-
felijcke dingen; en ick oordeel dat, soo iemant
daer op het breetste wilde af spreken, hy ge-
heele boecken soude moeten beschrijven. Doch
ick hope dat de gunstige Leser het gene, dat ick
hier af geschreven heb, terwijl ick met andere
besigheden belemmert ben, in't goede sal ne-
men , en gelegentheyt verwachten om meer
dusdanige dingen in 't licht te brengen.
|}
{{center|Dese beschrijving van de Borysthenes is byna geheel getrocken uyt het ver-}}
{{center|hael van ''Willem le Vasseur'', Heer van Beauplan, in 't Frans beschreven.}}<noinclude></noinclude>
a5fna7f2g9i2q5xljggkhhedgi7jgkg
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/25
104
86620
222313
2026-05-31T18:06:11Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '??? M TAVRICA CHERSONESVS, Ofte PRECOPENSER TARTARIE. b naem van TauricaCherfonefus, welck eenlandtfchap der Scy-then is , komt van deTaurus, volckeren vanScythia Europiea. Pto-lemseus noemt het Tau-rica , en Strabo Scy-thica. Phnius in fijntweede Boeck, cap.^6,Taurorum Peninfula Appianus in Mithridaticis,Cherfonefus Pontka j Paulus Diaconus Cherfena he^densdaeghs wordt het Precopska en Gefara byAntonium Pinetum, en van andere Pra…
222313
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>??? M TAVRICA CHERSONESVS, Ofte PRECOPENSER TARTARIE. b naem van TauricaCherfonefus, welck eenlandtfchap der Scy-then is , komt van deTaurus, volckeren vanScythia Europiea. Pto-lemseus noemt het Tau-rica , en Strabo Scy-thica. Phnius in fijntweede Boeck, cap.^6,Taurorum Peninfula Appianus in Mithridaticis,Cherfonefus Pontka j Paulus Diaconus Cherfena he^densdaeghs wordt het Precopska en Gefara byAntonium Pinetum, en van andere Praecop , enkleyn Tartarien geheeten. Het is een groot enruym half-eylandt, tuifchen den Pontum Euxi-num , en M^eotidem Paludem , tot aen denBofphorum Cimmerium (welcke EuropamvanAfien fepareert) naer 't ooften gelegen, lang 24mylen, eni 5 breedt.Lficht. De Peninfula, welcke van 't ooften en zuy-den de middelfte van Pericopia is , heeft eenfachten winter en getemperde gelbnde lucht jwant in 't eynde van December begint daer dewinter, in 't midden van Februarius is hy op hetheftighfte , mede brengende veel fneeus , dochduurt gemeenlijck maer drie dagen , en eyn-dight in't begin van Martio.rrucht' Dit gantfche landt is korenrijck, en bequaemhaerheydt. om vee te wcyden*, en alhoewel de aerdbodemvruchtbaer is , wort doch weynigh bebouwt engefacyt. Paerden, kameelen, often, koeyen ,Ichapen, en andere beeften, zijn hier in over-vloedt, waer van de inwoonders lich geneeren :daer is oock een groote menighte van delicatevogelen , welcke de Chriftenen ofte Turckenfomtijdts , maer de Polen weynigh plachtente vangen. De jaghten van herten , wildegeyten, fwijnen, en halen zijn gemeyn in Tar-tarie naer de Turckfche zee toe. Defen Cherlb-nefum deelen die feer Ichrickelijcke rouwe ber-gen midden van malkanderen in het noorden enzuyden, gelijck den Apenninus Itahen. 't Zuyder deel, waer van Capha de hooftftadtis, heeft MahomxCt in 't jaer 1475 ingenomen,-maer in 't noordelijckfte deel, hebben de GrimTartars voor 400 jaren in de ftadt Grim harenKoninglijcken ftoel geplant, waer van fy-den'naem van Crimeifche Tarters hebben, gelegenop de wijde en ruyme velden tuftchen denBoryfthenes en Tanais, daer fy fomtijdts, derweyden halven, van plaetfe tot plaetfe haerwooninge veranderen. Defe hebben daer naeden Ifthmum van Taurica doorgegraven, en ge-lijck een eylant gemaeckt, by die graft een Stadtgefondeert , di.e fy Prscop noemden, en al-daer den Koninglijcken ftoel geftelt, daerfe Pre-copenfer Tartaren van heeten. Defer Tartaren Kohing , ftaende in 't verbont met de Turcken,als hy lijn eygen broeders, daer hy tegen oor-loghde, door ophitfen der Turcken, omgebrachthadde, en Capham belegerde , is hy van lijneygen Raetsheeren (die met groote fchencka-gien daer toe gekoft waren ) met lijne tweefoontjens, in ftucken gehouwen j en heeft al-lbo geftreckt tot een ongeluckigh exempel derOttomannifcher vriendtlchap. Want nae lijndoot zijn de Tartars, (die tot noch toe vry
wa-ren ) van bontgenoten en broeders, tot flavender Turcken gemaeckt. Behalven defe Precopenfers , en Cazan, enAftrachan , Koningrijcken der Tartaren, welc- ^Â?^ereker inwoonderen hare landen bouwen , en inhuyfen woonen , en nu onder 't gebiedt desMolcoviters ftaen, zij nder noch andere Tarta-ren, die met hoopen in de velden fwermen, geenvafte wooninge hebbende, en zjjn in horden, alsin provinci??n verdeelt, waer van ly den naemhebben. In dat deel van kleyn Tartarien, 't welck in't z??yden leght, is Capha de hooftftadt, eertijdts CaphadeTheodofta geheeten, een treffelijcke koopftadt,en oude colonie ofte voortplantinge der Genue-fen, gelegen aen de zee, en heeft tot noch toeeen bequame haven gehadt. Sy is rijck enbevolckt geweeft, toen de Genuefen daer over't gebiedt hadden j doch na dat de Turcken,voor100 jaren, die ingenomen hebben, zijndelta-haenlche Chriftenen daer foo gemindert, datterweynigh meer te vinden zijn, foo dat defe ftadthare oude heerlijckheyt en cieraet meeften-deels verlooren heeft want de kercken derRoomfche Chriftenen hggen vervallen, de huy-fen. muuren en torens , in welcke men nochveele wapenen en Latijnfche opfchriften fiet,verdeftrueert. Sy wordt hedensdaegs van Turc-ken , Armeniers, loden, Italianen en Grieck-fche Chriftenen bewoont, doch heeft weynighinwoonders; is anders van wegen de koophan-del , en treffelijcke haven, beroemt. Wijn waft daer in overvloet; boomgaerdenen fchoone tuynen lijnder ontallijck. Daer ftjn noch andere fteden , als Perocopia^ Andmby den ouden Griecken Eupatoria genaemtPompejopolis , Sacer Lucus, Dromon of CurfusAchillis , oft Gr^ecida Heracleum ofte Heraclea,en Coflovia een vermaerde koopftadt. Ingerme-num heeft een kafteel van fteen gebouwt , eneen kercke tegen over't felve : onder 't kafteelfijn holen konftelijck in de fteenen uytgehou- ^wen,- in vorigen tijden was 't een heerlijcke enrijcke ftadt. Cherfbnefus ofte Corf??inum is de oudfte ftadt Corfumm,van Taurica , defe hebben de Turcken ^acriGermenum genaemt, 't welck foo veel te feggenis als een geel flot, om dathetaerdrijck, on- L1 trent c I 4 i] 1 â– '?„<noinclude></noinclude>
q6hp6xv5cc6a6gpc1l3lh3q1rpoxjn0
222330
222313
2026-05-31T18:55:18Z
Nederlandse Leeuw
797
222330
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|TAVRICA CHERSONESVS}}
{{center|Ofte}}
{{center|PRECOPENSER TARTARIE.}}
{|
|-----
|
DE naem van Taurica Chersonesus, welck een
landtfchap der Scy-
then is , komt van de
Taurus, volckeren van
Scythia Europæa. Pto-
lemæus noemt het Tau-
rica , en Strabo Scy-
thica. Plinius in sijn
tweede Boeck, cap.96,
''Taurorum Peninsula''; Appianus in Mithridaticis,
''Chersonefus Pontica''; Paulus Diaconus ''Chersena''; he-
densdaeghs wordt het Precopska en Gesara by
Antonium Pinetum, en van andere Praecop , en
kleyn Tartarien geheeten. Het is een groot en
ruym half-eylandt, tusschen den Pontum Euxi-
num , en M^eotidem Paludem , tot aen den
Bosphorum Cimmerium (welcke Europam van
Asien separeert) naer 't ooften gelegen, lang 24
mylen, eni 5 breedt.
De Peninsula, welcke van 't ooften en zuy-den de middelfte van Pericopia is , heeft eenfachten winter en getemperde gelbnde lucht jwant in 't eynde van December begint daer dewinter, in 't midden van Februarius is hy op hetheftighfte , mede brengende veel fneeus , dochduurt gemeenlijck maer drie dagen , en eyn-dight in't begin van Martio.rrucht' Dit gantfche landt is korenrijck, en bequaemhaerheydt. om vee te wcyden*, en alhoewel de aerdbodemvruchtbaer is , wort doch weynigh bebouwt engefacyt. Paerden, kameelen, often, koeyen ,Ichapen, en andere beeften, zijn hier in over-vloedt, waer van de inwoonders lich geneeren :daer is oock een groote menighte van delicatevogelen , welcke de Chriftenen ofte Turckenfomtijdts , maer de Polen weynigh plachtente vangen. De jaghten van herten , wildegeyten, fwijnen, en halen zijn gemeyn in Tar-tarie naer de Turckfche zee toe. Defen Cherlb-nefum deelen die feer Ichrickelijcke rouwe ber-gen midden van malkanderen in het noorden enzuyden, gelijck den Apenninus Italien.
't Zuyder deel, waer van Capha de hooftftadtis, heeft MahomxCt in 't jaer 1475 ingenomen,-maer in 't noordelijckfte deel, hebben de GrimTartars voor 400 jaren in de ftadt Grim harenKoninglijcken ftoel geplant, waer van fy-den'naem van Crimeifche Tarters hebben, gelegenop de wijde en ruyme velden tuftchen denBoryfthenes en Tanais, daer fy fomtijdts, derweyden halven, van plaetfe tot plaetfe haerwooninge veranderen. Defe hebben daer naeden Ifthmum van Taurica doorgegraven, en ge-lijck een eylant gemaeckt, by die graft een Stadtgefondeert , di.e fy Prscop noemden, en al-daer den Koninglijcken ftoel geftelt, daerfe Pre-copenfer Tartaren van heeten. Defer Tartaren
|
Koning , ftaende in 't verbont met de Turcken,als hy lijn eygen broeders, daer hy tegen oor-loghde, door ophitfen der Turcken, omgebrachthadde, en Capham belegerde , is hy van lijneygen Raetsheeren (die met groote fchencka-gien daer toe gekoft waren ) met lijne tweefoontjens, in ftucken gehouwen j en heeft al-lbo geftreckt tot een ongeluckigh exempel derOttomannifcher vriendtlchap. Want nae lijndoot zijn de Tartars, (die tot noch toe vry
wa-ren ) van bontgenoten en broeders, tot flavender Turcken gemaeckt. Behalven defe Precopenfers , en Cazan, enAftrachan , Koningrijcken der Tartaren, welc- ^Â?^ereker inwoonderen hare landen bouwen , en inhuyfen woonen , en nu onder 't gebiedt desMolcoviters ftaen, zij nder noch andere Tarta-ren, die met hoopen in de velden fwermen, geenvafte wooninge hebbende, en zjjn in horden, alsin provinci??n verdeelt, waer van ly den naemhebben. In dat deel van kleyn Tartarien, 't welck in't z??yden leght, is Capha de hooftftadt, eertijdts CaphadeTheodofta geheeten, een treffelijcke koopftadt,en oude colonie ofte voortplantinge der Genue-fen, gelegen aen de zee, en heeft tot noch toeeen bequame haven gehadt. Sy is rijck enbevolckt geweeft, toen de Genuefen daer over't gebiedt hadden j doch na dat de Turcken,voor100 jaren, die ingenomen hebben, zijndelta-haenlche Chriftenen daer foo gemindert, datterweynigh meer te vinden zijn, foo dat defe ftadthare oude heerlijckheyt en cieraet meeften-deels verlooren heeft want de kercken derRoomfche Chriftenen hggen vervallen, de huy-fen. muuren en torens , in welcke men nochveele wapenen en Latijnfche opfchriften fiet,verdeftrueert. Sy wordt hedensdaegs van Turc-ken , Armeniers, loden, Italianen en Grieck-fche Chriftenen bewoont, doch heeft weynighinwoonders; is anders van wegen de koophan-del , en treffelijcke haven, beroemt. Wijn waft daer in overvloet; boomgaerdenen fchoone tuynen lijnder ontallijck. Daer ftjn noch andere fteden , als Perocopia^ Andmby den ouden Griecken Eupatoria genaemtPompejopolis , Sacer Lucus, Dromon of CurfusAchillis , oft Gr^ecida Heracleum ofte Heraclea,en Coflovia een vermaerde koopftadt. Ingerme-num heeft een kafteel van fteen gebouwt , eneen kercke tegen over't felve : onder 't kafteelfijn holen konftelijck in de fteenen uytgehou- ^wen,- in vorigen tijden was 't een heerlijcke enrijcke ftadt. Cherfbnefus ofte Corf??inum is de oudfte ftadt Corfumm,van Taurica , defe hebben de Turcken ^acriGermenum genaemt, 't welck foo veel te feggenis als een geel flot, om dathetaerdrijck, on- trent
|}<noinclude></noinclude>
mvht9wxp3mu1w8kc4zaeawey57ptmbx
222370
222330
2026-06-01T06:37:37Z
Nederlandse Leeuw
797
222370
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|TAVRICA CHERSONESVS}}
{{center|Ofte}}
{{center|PRECOPENSER TARTARIE.}}
{|
|-----
|
DE naem van Taurica Chersonesus, welck een
landtschap der Scy-
then is, komt van de
Taurus, volckeren van
Scythia Europæa. Pto-
lemæus noemt het Tau-
rica, en Strabo Scy-
thica. Plinius in sijn
tweede Boeck, cap.96,
''Taurorum Peninsula''; Appianus in Mithridaticis,
''Chersonefus Pontica''; Paulus Diaconus ''Chersena''; he-
densdaeghs wordt het Precopska en Gesara by
Antonium Pinetum, en van andere Praecop, en
kleyn Tartarien geheeten. Het is een groot en
ruym half-eylandt, tusschen den Pontum Euxi-
num, en Maeotidem Paludem, tot aen den
Bosphorum Cimmerium (welcke Europam van
Asien separeert) naer 't oosten gelegen, lang 24
mylen, en 15 breedt.
De Peninsula, welcke van 't oosten en zuy-den de middelste van Pericopia is, heeft een sachten winter en getemperde gesonde lucht; want in 't eynde van December begint daer de winter, in 't midden van Februarius is hy op het heftighste, mede brengende veel sneeus, doch duurt gemeenlijck maer drie dagen, en eyn-dight in 't begin van Martio.
Dit gantsche landt is korenrijck, en bequaem om vee te wyden; en alhoewel de aerdbodem vruchtbaer is, wort doch weynigh bebouwt en gesaeyt. Paerden, kameelen, ossen, koeyen, schapen, en andere beesten, zijn hier in over-vloedt, waer van de inwoonders sich geneeren: daer is oock een groote menighte van delicate vogelen, welcke de Christenen ofte Turcken somtijdts, maer de Polen weynigh plachten te vangen. De jaghten van herten, wilde geyten, swijnen, en halen zijn gemeyn in Tar-tarie naer de Turcksche zee toe. Desen Cherso-nesum deelen die seer schrickelijcke rouwe ber-gen midden van malkanderen in het noorden enzuyden, gelijck den Apenninus Italien.
't Zuyder deel, waer van Capha de hooftstadt is, heeft Mahomet in 't jaer 1475 ingenomen; maer in 't noordelijckste deel, hebben de Crim Tartars voor 400 jaren in de stadt Crim haren Koninglijcken stoel geplant, waer van sy den naem van Crimeische Tarters hebben, gelegen op de wijde en ruyme velden tusschen den Borysthenes en Tanais, daer sy somtijdts, derweyden halven, van plaetse tot plaetse haer wooninge veranderen. Dese hebben daer naeden Isthmum van Taurica doorgegraven, en ge-lijck een eylant gemaeckt, by die graft een Stadt gesondeert , die sy Praecop noemden, en al-daer den Koninglijcken stoel gestelt, daerse Pre-copenser Tartaren van heeten. Deser Tartaren
|
Koning, staende in 't verbont met de Turcken, als hy lijn eygen broeders, daer hy tegen oor-loghde, door ophitsen der Turcken, omgebracht hadde, en Capham belegerde, is hy van sijn eygen Raetsheeren (die met groote schencka-gien daer toe gekost waren) met sijne twee soontjens, in stucken gehouwen; en heeft al-soo gestreckt tot een ongeluckigh exempel der Ottomannischer vriendtschap. Want nae sijn doot zijn de Tartars, (die tot noch toe vry wa-ren) van bontgenoten en broeders, tot slaven der Turcken gemaeckt.
Behalven defe Precopenfers , en Cazan, enAftrachan , Koningrijcken der Tartaren, welc- ^Â?^ereker inwoonderen hare landen bouwen , en inhuyfen woonen , en nu onder 't gebiedt desMolcoviters ftaen, zij nder noch andere Tarta-ren, die met hoopen in de velden fwermen, geenvafte wooninge hebbende, en zjjn in horden, alsin provinci??n verdeelt, waer van ly den naemhebben. In dat deel van kleyn Tartarien, 't welck in't z??yden leght, is Capha de hooftftadt, eertijdts CaphadeTheodofta geheeten, een treffelijcke koopftadt,en oude colonie ofte voortplantinge der Genue-fen, gelegen aen de zee, en heeft tot noch toeeen bequame haven gehadt. Sy is rijck enbevolckt geweeft, toen de Genuefen daer over't gebiedt hadden j doch na dat de Turcken,voor100 jaren, die ingenomen hebben, zijndelta-haenlche Chriftenen daer foo gemindert, datterweynigh meer te vinden zijn, foo dat defe ftadthare oude heerlijckheyt en cieraet meeften-deels verlooren heeft want de kercken derRoomfche Chriftenen hggen vervallen, de huy-fen. muuren en torens , in welcke men nochveele wapenen en Latijnfche opfchriften fiet,verdeftrueert. Sy wordt hedensdaegs van Turc-ken , Armeniers, loden, Italianen en Grieck-fche Chriftenen bewoont, doch heeft weynighinwoonders; is anders van wegen de koophan-del , en treffelijcke haven, beroemt. Wijn waft daer in overvloet; boomgaerdenen fchoone tuynen lijnder ontallijck. Daer ftjn noch andere fteden , als Perocopia^ Andmby den ouden Griecken Eupatoria genaemtPompejopolis , Sacer Lucus, Dromon of CurfusAchillis , oft Gr^ecida Heracleum ofte Heraclea,en Coflovia een vermaerde koopftadt. Ingerme-num heeft een kafteel van fteen gebouwt , eneen kercke tegen over't felve : onder 't kafteelfijn holen konftelijck in de fteenen uytgehou- ^wen,- in vorigen tijden was 't een heerlijcke enrijcke ftadt. Cherfbnefus ofte Corf??inum is de oudfte ftadt Corfumm,van Taurica , defe hebben de Turcken ^acriGermenum genaemt, 't welck foo veel te feggenis als een geel flot, om dathetaerdrijck, on- trent
|}<noinclude></noinclude>
g2anomp170q37sc5ig8v6b9vutmrzf0
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/26
104
86621
222314
2026-05-31T18:09:45Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Proefgelezen */
222314
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|TAVRICA CHERSONESVS}}
{{center|Nostra aetate}}
{{center|P R Z E C O P S C A ,}}
{{center|et GAZARA dicitur.}}<noinclude></noinclude>
mzd0pxri7bjmji9qnis83dajxgt6zjw
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/27
104
86622
222315
2026-05-31T18:09:58Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '??? In 't uyterfte deel deles lands is Tanais, ge- in fy geen procureurs van noode hebben; want fylegen aen den uytga^ van de riviere Tanais, altijdt verhoort worden , en verkrijgen daeren wordt van de Ruf??en Azac geheeten : een oock korte expeditie. vermaerde koopftadt, daer veel kooplieden uyt De fonen worden van hare jeught in de Ara- Kindmnverfcheyden geweften komen; door dien yder bifche talen onderwefen, en de dochters niet…
222315
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>??? In 't uyterfte deel deles lands is Tanais, ge- in fy geen procureurs van noode hebben; want fylegen aen den uytga^ van de riviere Tanais, altijdt verhoort worden , en verkrijgen daeren wordt van de Ruf??en Azac geheeten : een oock korte expeditie. vermaerde koopftadt, daer veel kooplieden uyt De fonen worden van hare jeught in de Ara- Kindmnverfcheyden geweften komen; door dien yder bifche talen onderwefen, en de dochters niet bygeoorloft is daer te koopen en verkoopen. hare ouders, maer by hare naefte verwanten op- In dit landt zijn vele groote rivieren, komen- getrocken ,â€? als de fonen wat tot haer jaren ko-de meeft uyt de bergen loopen, onder welcke men, begeven fy haer in dienft van den Chai??iBoryfthenes, gemeenlijck Nieper genaemt, de ofte Sultanen; en als de dochters volwaffenprincipaelfte is, diep, enfneP; nemende fijnen en houwbaer zijn , wordenfe de voornaemfteoop van het noorden in den inham ofte ftroom Tartaren, en Turcken ten houwelijck gegeven.Careinitum, en verlieft fich by Oczacovia in In des Princen hofvoeren de Edele en princi-Pontus Euxinus. De andere rivieren zijn Don, paelfte Heeren fonderhng geen uytwendigeAriel, en Samara. pracht, maer dragen fich eerlij ck en cierlijck Bofphorus Cimmerius, tot welcken fich def?¨ na haeren ftaet.Cherfonefus ftreckt, is die engte der zee welcke De Tartars hexten hare wetten in groote Mammn,Europa van Afien fepareert, door welcke ftrate waerde ; fy eere'n en aenbidden hare VorftenPalus Mycotica in Pontum Euxinum loopt ; en als goden : de Richters worden, na de Mahome-heeft defen naem van de Cimmeriis, die het taenfche wet, voor heylige, oprechte en rede-koudtfte deel daer van bewoonen; oft van de lijcke perfoonen gehouden; fy onthouden haerftadt Cimerio, na het getuygeniffe van Volater- van afte twift en tweedracht , calumnien,ranus. ^ vyandtfchap, haet, fchande, en van alle over- Mseotis Palus is by den uytgang des ftrooms daet in koften kleederen. In't Princen hof, nochPhafidis , ontfangende den Tanaim, en wordt oock onder haer, dragen fy geen geweer , uy tge~van de Scythen, de moeder van Ponto gehee- fondert de vreemdelingen , ofte de reyf?¨ndeten, gelijck Dionyfius getuyght, om datter foo man, welcke fy alle beleeftheydt betoonen, engroote menighte -waters van daer in de Pontus gaftvry houden. Der rijcken fpijs is broodt enloopt, 't welck uyt verfcheyden geweften komt. vleefch , en haren drank gefoden wijn en meede :Pontus Euxinus (welcks bovenfte water foet de arme gebruycken in de plaets van broot,is , en 't onderfte fout) wierde eerft Arenus geftooten hierfe met melck en water vermengt,('t welck foo veel te feggen is, als onbewoont) 't welck fy Caffa noemen, en eten kaes; harengenoemt, of, naSophoch meening, Apoxenus, dranck is paerden melck.
Dekameelen, paer-om dat daer noyt fchepen aenquamen, of om den en offen, die niet meer bequaem fijn totdat de Barbarifche Scythen de vreemdelingen den arbeyt, dooden en eten fy. Scnapen vleefchdie daer quamen, doodden. Den naem Pontus nuttigen fy oock veel. Daer zijn weynigh am-heeft defe zee bekomen, als zijnde bynae een bachts-en veel minder koopheden ; want alletweede Oceanus; want toen ter tijdt meende deambachts- en koopheden, zijn Chriften ft a-men dat die defe zee overvoeren , iets mercke- ven ofte Turcken , Armeniers, loden, Czircaf^lijcks verricht hadden ; hebben hem deswegen , fen , Petig??renfes, Phyliftinen ofte Cyngani,als Strabo verhaelt, door uytaementheydt welcke aldaer feer veracht worden. E Y N D E T A V R ?• G A C H E R S O N E S V S. trent dat gewefte , geel fchijnt te zijn. De over- Pontm, 't welck een zee te feggen is, genoemt.blijffelen en ruinen betoonen noch hoe prach- In dit Kleyn Tartarien zijn vreeflijcke entigh, rijck , en cierlijck, defe Grieckfche co- rouwe bergen, infonderheydt, die den Cherfo-lonie eertijdts geweeft is. ' nefus midden door kloven. Daer zijn noch ee- lamboli ofte Balachaium, is een ftadt met een nige andere groote en vermaert; op de hoogh-kafteel. Mancopia oft Mangutum(gelijck het van fte van welcke een groot meyr is.de Turcken genoemt wordt) is een ftot met een De politie en juftitie der Tartaren wordt inftadt y Cercum is oock een flot met een ftadt. de fteden en vleckenbedient vande Cham, enCremum van de Tartaren Crim geheeten, is de andere Sultanen, na de Mahometifche wet:een ftadt en ftot, met een oude en hooge muur. in de dorpen zijn altijdt Cadiz of Richters en Schouten, die de particuhere injurienverhoo-ren en recht daer over ipreecken ,â€? de hals- of cri-minele faecken , als moordt, diefftal, oock de gc-Phnius Taficse fchillen van onroerende goederen , komen totkennifte van den Cham, en fijne Raden, waer Sy is in grootheyt en heerlijckheydt, by de an-dere fteden van Taurica Cherfonefo Mediterraneaniet te vergelijcken : mogelijckis'tdie, welc-ke Ptolemseus Taphros , en " ^noemt. rms. TalusM<sotiS' Bi I TontusEnxims.<noinclude></noinclude>
22rwz0r3k8a16ilc83uoyyeqzmi4i4t
222331
222315
2026-05-31T18:59:10Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Problematisch */
222331
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|T A V R I C A C H E R S O N E S V S}}
{|
|-----
|
trent dat gewefte , geel fchijnt te zijn. De over-
In 't uyterfte deel deles lands is Tanais, ge- in fy geen procureurs van noode hebben; want fylegen aen den uytga^ van de riviere Tanais, altijdt verhoort worden , en verkrijgen daeren wordt van de Ruf??en Azac geheeten : een oock korte expeditie. vermaerde koopftadt, daer veel kooplieden uyt De fonen worden van hare jeught in de Ara- Kindmnverfcheyden geweften komen; door dien yder bifche talen onderwefen, en de dochters niet bygeoorloft is daer te koopen en verkoopen. hare ouders, maer by hare naefte verwanten op- In dit landt zijn vele groote rivieren, komen- getrocken ,â€? als de fonen wat tot haer jaren ko-de meeft uyt de bergen loopen, onder welcke men, begeven fy haer in dienft van den Chai??iBoryfthenes, gemeenlijck Nieper genaemt, de ofte Sultanen; en als de dochters volwaffenprincipaelfte is, diep, enfneP; nemende fijnen en houwbaer zijn , wordenfe de voornaemfteoop van het noorden in den inham ofte ftroom Tartaren, en Turcken ten houwelijck gegeven.Careinitum, en verlieft fich by Oczacovia in In des Princen hofvoeren de Edele en princi-Pontus Euxinus. De andere rivieren zijn Don, paelfte Heeren fonderhng geen uytwendigeAriel, en Samara. pracht, maer dragen fich eerlij ck en cierlijck Bofphorus Cimmerius, tot welcken fich def?¨ na haeren ftaet.Cherfonefus ftreckt, is die engte der zee welcke De Tartars hexten hare wetten in groote Mammn,Europa van Afien fepareert, door welcke ftrate waerde ; fy eere'n en aenbidden hare VorftenPalus Mycotica in Pontum Euxinum loopt ; en als goden : de Richters worden, na de Mahome-heeft defen naem van de Cimmeriis, die het taenfche wet, voor heylige, oprechte en rede-koudtfte deel daer van bewoonen; oft van de lijcke perfoonen gehouden; fy onthouden haerftadt Cimerio, na het getuygeniffe van Volater- van afte twift en tweedracht , calumnien,ranus. ^ vyandtfchap, haet, fchande, en van alle over- Mseotis Palus is by den uytgang des ftrooms daet in koften kleederen. In't Princen hof, nochPhafidis , ontfangende den Tanaim, en wordt oock onder haer, dragen fy geen geweer , uy tge~van de Scythen, de moeder van Ponto gehee- fondert de vreemdelingen , ofte de reyf?¨ndeten, gelijck Dionyfius getuyght, om datter foo man, welcke fy alle beleeftheydt betoonen, engroote menighte -waters van daer in de Pontus gaftvry houden. Der rijcken fpijs is broodt enloopt, 't welck uyt verfcheyden geweften komt. vleefch , en haren drank gefoden wijn en meede :Pontus Euxinus (welcks bovenfte water foet de arme gebruycken in de plaets van broot,is , en 't onderfte fout) wierde eerft Arenus geftooten hierfe met melck en water vermengt,('t welck foo veel te feggen is, als onbewoont) 't welck fy Caffa noemen, en eten kaes; harengenoemt, of, naSophoch meening, Apoxenus, dranck is paerden melck.
Pontm, 't welck een zee te feggen is, genoemt.blijffelen en ruinen betoonen noch hoe prach- In dit Kleyn Tartarien zijn vreeflijcke entigh, rijck , en cierlijck, defe Grieckfche co- rouwe bergen, infonderheydt, die den Cherfo-lonie eertijdts geweeft is. ' nefus midden door kloven. Daer zijn noch ee- lamboli ofte Balachaium, is een ftadt met een nige andere groote en vermaert; op de hoogh-kafteel. Mancopia oft Mangutum(gelijck het van fte van welcke een groot meyr is.de Turcken genoemt wordt) is een ftot met een De politie en juftitie der Tartaren wordt inftadt y Cercum is oock een flot met een ftadt. de fteden en vleckenbedient vande Cham, enCremum van de Tartaren Crim geheeten, is de andere Sultanen, na de Mahometifche wet:een ftadt en ftot, met een oude en hooge muur. in de dorpen zijn altijdt Cadiz of Richters en Schouten, die de particuhere injurienverhoo-ren en recht daer over ipreecken ,� de hals- of cri-minele faecken , als moordt, diefftal, oock de gc-Phnius Taficse fchillen van onroerende goederen , komen totkennifte van den Cham, en fijne Raden, waer Sy is in grootheyt en heerlijckheydt, by de an-dere fteden van Taurica Cherfonefo Mediterraneaniet te vergelijcken : mogelijckis'tdie, welc-ke Ptolemseus Taphros , en " ^noemt. rms. TalusM<sotiS' Bi I TontusEnxims.
De
kameelen, paer-om dat daer noyt fchepen aenquamen, of om den en offen, die niet meer bequaem fijn totdat de Barbarifche Scythen de vreemdelingen den arbeyt, dooden en eten fy. Scnapen vleefchdie daer quamen, doodden. Den naem Pontus nuttigen fy oock veel. Daer zijn weynigh am-heeft defe zee bekomen, als zijnde bynae een bachts-en veel minder koopheden ; want alletweede Oceanus; want toen ter tijdt meende deambachts- en koopheden, zijn Chriften ft a-men dat die defe zee overvoeren , iets mercke- ven ofte Turcken , Armeniers, loden, Czircaf^lijcks verricht hadden ; hebben hem deswegen , fen , Petig??renfes, Phyliftinen ofte Cyngani,als Strabo verhaelt, door uytaementheydt welcke aldaer feer veracht worden.
{{center|E Y N D E.}}<noinclude></noinclude>
6w2q7t2khjs5d0evipmt26gh1nex0u2
222338
222331
2026-05-31T19:39:24Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Niet proefgelezen */
222338
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|T A V R I C A C H E R S O N E S V S}}
{|
|-----
|
trent dat geweste , geel schijnt te zijn. De over-
blijfselen en ruinen betoonen noch hoe prach-
tigh, rijck, en cierlijck, defe Griecksche co-
lonie eertijdts geweest is.
Iamboli ofte Balachaium, is een stadt met een
kasteel. Mancopia oft Mangutum (gelijck het van
de Turcken genoemt wordt ) is een slot met een
ftadt ; Cercum is oock een flot met een ftadt.
Cremum van de Tartaren Crim geheeten, is
een ftadt en flot, met een oude en hooge muur.
Sy is in grootheyt en heerlijckheydt, by de an-
dere fteden van Taurica Cherfonefo Mediterranea
niet te vergelijcken : mogelijck is 't die, welc-
ke Ptolemæus Taphros , en Plinius Tafica
noemt.
In 't uyterste deel deses lands is Tanais, ge-
legen aen den uytgang van de riviere Tanais,
en wordt van de Ruffen Azac geheeten : een
vermaerde koopftadt, daer veel kooplieden uyt
verfcheyden geweften komen; door dien yder
geoorloft is daer te koopen en verkoopen.
In dit landt zijn vele groote rivieren, komen-
de meeft uyt de bergen loopen, onder welcke
Boryfthenes, gemeenlijck Nieper genaemt, de
principaelfe is, diep, en fnel; nemende fijnen
loop van het noorden in den inham ofte ftroom
Careinitum, en verlieft fich by Oczacovia in
Pontus Euxinus. De andere rivieren zijn Don,
Ariel, en Samara.
Bofphorus Cimmerius, tot welcken fich defe
Cherfonefus ftreckt, is die engte der zee welcke
Europa van Afien fepareert, door welcke ftrate
Palus Mæotica in Pontum Euxinum loopt : en
heeft defen naem van de Cimmeriis, die het
koudtfte deel daer van bewoonen; oft van de
ftadt Cimerio, na het getuygeniffe van Volater-
ranus.
Mæotis Palus is by den uytgang des ftrooms
Phafidis, ontfangende den Tanaim, en wordt
van de Scythen, de moeder van Ponto gehee-
ten, gelijck Dionyfius getuyght, om datter foo
groote menighte waters van daer in de Pontus
loopt, 't welck uyt verfcheyden geweften komt.
Pontus Euxinus (welcks bovenfte water foet
is, en 't onderfte fout) wierde eerft Arenus
('t welck foo veel te feggen is, als onbewoont )
genoemt, of, na Sophocli meening, Apoxenus,
om dat daer noyt fchepen aenquamen, of om
dat de Barbarifche Scythen de vreemdelingen
die daer quamen, doodden. Den naem Pontus
heeft defe zee bekomen, als zijnde bynae een
tweede Oceanus; want toen ter tijdt meende
men dat die defe zee overvoeren, iets mercke-
lijcks verricht hadden ; hebben hem deswegen,
als Strabo verhaelt, door uytnementheydt
|
Pontum, 't welck een zee te feggen is, genoemt.
In dit Kleyn Tartarien zijn vreeflijcke en B
rouwe bergen, infonderheydt , die den Cherfo-
nefus midden door kloven. Daer zijn noch ee-
nige andere groote en vermaert; op de hoogh-
fte van welcke een groot meyr is.
De politie en juftitie der Tartaren wordtin
de fteden en vlecken bedient van de Cham, en
de andere Sultanen, na de Mahometifche wet :
in de dorpen zijn altijdt Cadiz of Richters en
Schouten, die de particuliere injurien verhoo-
ren en recht daer over fpreecken ; de hals- of cri-
minele faecken, als moordt, diefftal, oock de ge-
fchillen van onroerende goederen, komen tot
kenniffe van den Cham, en fijne Raden, waer
in fy geen procureurs van noode hebben; want fy
altijdt verhoort worden , en verkrijgen daer
oock korte expeditie.
De sonen worden van hare jeught in de Ara-
bische talen onderwesen, en de dochters niet by
hare ouders, maer by hare naeste verwanten op-
getrocken; als de fonen wat tot haer jaren ko-
men, begeven sy haer in dienft van den Cham
ofte Sultanen ; en als de dochters volwaffen
en houwbaer zijn , wordenfe de voornaemfte
Tartaren, en Turcken ten houwelijck gegeven.
In des Princen hof voeren de Edele en princi-
paelfte Heeren fonderling geen uytwendige
pracht, maer dragen sich eerlijck en cierlijck
na haeren staet.
De Tartars houden hare wetten in groote
waerde ; sy eeren en aenbidden hare Vorsten
als goden : de Richters worden, na de Mahome-
taensche wet, voor heylige, oprechte en rede-
lijcke perfoonen gehouden; sy onthouden haer
van alle twist en tweedracht , calumnien,
vyandtschap, haet, schande, en van alle over-
daet in kost en kleederen. In't Princen hof, noch
oock onder haer, dragen sy geen geweer , uytge-
sondert de vreemdelingen , ofte de reysende
man, welcke sy alle beleeftheydt betoonen, en
gastvry houden. Der rijcken spijs is broodt en
vleefch , en haren drank gefoden wijn en meede :
de arme gebruycken in de plaets van broot,
geftooten hierfe met melck en water vermengt,
't welck fy Caffa noemen, en eten kaes ; haren
dranck is paerden melck. De kameelen, paer-
den en offen, die niet meer bequaem fijn tot
den arbeyt, dooden en eten fy. Schapen vleefch
nuttigen fy oock veel. Daer zijn weynigh am-
bachts- en veel minder kooplieden ; want alle
de ambachts- en kooplieden, zijn Chriften fla-
ven ofte Turcken, Armeniers, Ioden, Czircaf-
fen , Petigorenfes, Phyliftinen ofte Cyngani,
welcke aldaer feer veracht worden.
|}
{{center|E Y N D E.}}<noinclude></noinclude>
8lebnb75w055rb6966h8gdouto6sjwe
222339
222338
2026-05-31T19:46:23Z
Nederlandse Leeuw
797
222339
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|T A V R I C A C H E R S O N E S V S}}
{|
|-----
|
trent dat geweste , geel schijnt te zijn. De over-
blijfselen en ruinen betoonen noch hoe prach-
tigh, rijck, en cierlijck, defe Griecksche co-
lonie eertijdts geweest is.
Iamboli ofte Balachaium, is een stadt met een
kasteel. Mancopia oft Mangutum (gelijck het van
de Turcken genoemt wordt ) is een slot met een
stadt ; Cercum is oock een slot met een stadt.
Cremum van de Tartaren Crim geheeten, is
een stadt en slot, met een oude en hooge muur.
Sy is in grootheyt en heerlijckheydt, by de an-
dere steden van Taurica Chersoneso Mediterranea
niet te vergelijcken : mogelijck is 't die, welc-
ke Ptolemæus Taphros , en Plinius Taficae
noemt.
In 't uyterste deel deses lands is Tanais, ge-
legen aen den uytgang van de riviere Tanais,
en wordt van de Russen Azac geheeten : een
vermaerde koopstadt, daer veel kooplieden uyt
verscheyden gewesten komen; door dien yder
geoorloft is daer te koopen en verkoopen.
In dit landt zijn vele groote rivieren, komen-
de meest uyt de bergen loopen, onder welcke
Borysthenes, gemeenlijck Nieper genaemt, de
principaelste is, diep, en snel; nemende sijnen
loop van het noorden in den inham ofte stroom
Careinitum, en verliest sich by Oczacovia in
Pontus Euxinus. De andere rivieren zijn Don,
Ariel, en Samara.
Bosphorus Cimmerius, tot welcken sich dese
Chersonesus streckt, is die engte der zee welcke
Europa van Asien separeert, door welcke strate
Palus Mæotica in Pontum Euxinum loopt : en
heeft desen naem van de Cimmeriis, die het
koudtste deel daer van bewoonen; oft van de
stadt Cimerio, na het getuygenisse van Volater-
ranus.
Mæotis Palus is by den uytgang des strooms
Phafidis, ontfangende den Tanaim, en wordt
van de Scythen, de moeder van Ponto gehee-
ten, gelijck Dionysius getuyght, om datter soo
groote menighte waters van daer in de Pontus
loopt, 't welck uyt verscheyden gewesten komt.
Pontus Euxinus (welcks bovenste water soet
is, en 't onderste sout) wierde eerst Arenus
('t welck soo veel te seggen is, als onbewoont )
genoemt, of, na Sophocli meening, Apoxenus,
om dat daer noyt schepen aenquamen, of om
dat de Barbarische Scythen de vreemdelingen
die daer quamen, doodden. Den naem Pontus
heeft dese zee bekomen, als zijnde bynae een
tweede Oceanus; want toen ter tijdt meende
men dat die dese zee overvoeren, iets mercke-
lijcks verricht hadden ; hebben hem deswegen,
als Strabo verhaelt, door uytnementheydt
|
Pontum, 't welck een zee te seggen is, genoemt.
In dit Kleyn Tartarien zijn vreeslijcke en
rouwe bergen, insonderheydt , die den Cherso-
nesus midden door kloven. Daer zijn noch ee-
nige andere groote en vermaert; op de hoogh-
ste van welcke een groot meyr is.
De politie en justitie der Tartaren wordt in
de steden en vlecken bedient van de Cham, en
de andere Sultanen, na de Mahometische wet :
in de dorpen zijn altijdt Cadiz of Richters en
Schouten, die de particuliere injurien verhoo-
ren en recht daer over spreecken ; de hals- of cri-
minele saecken, als moordt, diefstal, oock de ge-
schillen van onroerende goederen, komen tot
kennisse van den Cham, en sijne Raden, waer
in sy geen procureurs van noode hebben; want sy
altijdt verhoort worden , en verkrijgen daer
oock korte expeditie.
De sonen worden van hare jeught in de Ara-
bische talen onderwesen, en de dochters niet by
hare ouders, maer by hare naeste verwanten op-
getrocken; als de fonen wat tot haer jaren ko-
men, begeven sy haer in dienft van den Cham
ofte Sultanen ; en als de dochters volwaffen
en houwbaer zijn , wordenfe de voornaemfte
Tartaren, en Turcken ten houwelijck gegeven.
In des Princen hof voeren de Edele en princi-
paelfte Heeren fonderling geen uytwendige
pracht, maer dragen sich eerlijck en cierlijck
na haeren staet.
De Tartars houden hare wetten in groote
waerde ; sy eeren en aenbidden hare Vorsten
als goden : de Richters worden, na de Mahome-
taensche wet, voor heylige, oprechte en rede-
lijcke perfoonen gehouden; sy onthouden haer
van alle twist en tweedracht , calumnien,
vyandtschap, haet, schande, en van alle over-
daet in kost en kleederen. In't Princen hof, noch
oock onder haer, dragen sy geen geweer , uytge-
sondert de vreemdelingen , ofte de reysende
man, welcke sy alle beleeftheydt betoonen, en
gastvry houden. Der rijcken spijs is broodt en
vleefch , en haren drank gefoden wijn en meede :
de arme gebruycken in de plaets van broot,
geftooten hierfe met melck en water vermengt,
't welck fy Caffa noemen, en eten kaes ; haren
dranck is paerden melck. De kameelen, paer-
den en offen, die niet meer bequaem fijn tot
den arbeyt, dooden en eten fy. Schapen vleefch
nuttigen fy oock veel. Daer zijn weynigh am-
bachts- en veel minder kooplieden ; want alle
de ambachts- en kooplieden, zijn Chriften fla-
ven ofte Turcken, Armeniers, Ioden, Czircaf-
fen , Petigorenfes, Phyliftinen ofte Cyngani,
welcke aldaer feer veracht worden.
|}
{{center|E Y N D E.}}<noinclude></noinclude>
928eg00ojl8082fq5q8jk5hnjfiy3ms
222340
222339
2026-05-31T19:49:29Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Proefgelezen */
222340
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Nederlandse Leeuw" /></noinclude>{{center|T A V R I C A C H E R S O N E S V S}}
{|
|-----
|
trent dat geweste , geel schijnt te zijn. De over-
blijfselen en ruinen betoonen noch hoe prach-
tigh, rijck, en cierlijck, defe Griecksche co-
lonie eertijdts geweest is.
Iamboli ofte Balachaium, is een stadt met een
kasteel. Mancopia oft Mangutum (gelijck het van
de Turcken genoemt wordt ) is een slot met een
stadt ; Cercum is oock een slot met een stadt.
Cremum van de Tartaren Crim geheeten, is
een stadt en slot, met een oude en hooge muur.
Sy is in grootheyt en heerlijckheydt, by de an-
dere steden van Taurica Chersoneso Mediterranea
niet te vergelijcken : mogelijck is 't die, welc-
ke Ptolemæus Taphros , en Plinius Taficae
noemt.
In 't uyterste deel deses lands is Tanais, ge-
legen aen den uytgang van de riviere Tanais,
en wordt van de Russen Azac geheeten : een
vermaerde koopstadt, daer veel kooplieden uyt
verscheyden gewesten komen; door dien yder
geoorloft is daer te koopen en verkoopen.
In dit landt zijn vele groote rivieren, komen-
de meest uyt de bergen loopen, onder welcke
Borysthenes, gemeenlijck Nieper genaemt, de
principaelste is, diep, en snel; nemende sijnen
loop van het noorden in den inham ofte stroom
Careinitum, en verliest sich by Oczacovia in
Pontus Euxinus. De andere rivieren zijn Don,
Ariel, en Samara.
Bosphorus Cimmerius, tot welcken sich dese
Chersonesus streckt, is die engte der zee welcke
Europa van Asien separeert, door welcke strate
Palus Mæotica in Pontum Euxinum loopt : en
heeft desen naem van de Cimmeriis, die het
koudtste deel daer van bewoonen; oft van de
stadt Cimerio, na het getuygenisse van Volater-
ranus.
Mæotis Palus is by den uytgang des strooms
Phafidis, ontfangende den Tanaim, en wordt
van de Scythen, de moeder van Ponto gehee-
ten, gelijck Dionysius getuyght, om datter soo
groote menighte waters van daer in de Pontus
loopt, 't welck uyt verscheyden gewesten komt.
Pontus Euxinus (welcks bovenste water soet
is, en 't onderste sout) wierde eerst Arenus
('t welck soo veel te seggen is, als onbewoont )
genoemt, of, na Sophocli meening, Apoxenus,
om dat daer noyt schepen aenquamen, of om
dat de Barbarische Scythen de vreemdelingen
die daer quamen, doodden. Den naem Pontus
heeft dese zee bekomen, als zijnde bynae een
tweede Oceanus; want toen ter tijdt meende
men dat die dese zee overvoeren, iets mercke-
lijcks verricht hadden ; hebben hem deswegen,
als Strabo verhaelt, door uytnementheydt
|
''Pontum'', 't welck een zee te seggen is, genoemt.
In dit Kleyn Tartarien zijn vreeslijcke en
rouwe bergen, insonderheydt , die den Cherso-
nesus midden door kloven. Daer zijn noch ee-
nige andere groote en vermaert; op de hoogh-
ste van welcke een groot meyr is.
De politie en justitie der Tartaren wordt in
de steden en vlecken bedient van de Cham, en
de andere Sultanen, na de Mahometische wet :
in de dorpen zijn altijdt Cadiz of Richters en
Schouten, die de particuliere injurien verhoo-
ren en recht daer over spreecken ; de hals- of cri-
minele saecken, als moordt, diefstal, oock de ge-
schillen van onroerende goederen, komen tot
kennisse van den Cham, en sijne Raden, waer
in sy geen procureurs van noode hebben; want sy
altijdt verhoort worden , en verkrijgen daer
oock korte expeditie.
De sonen worden van hare jeught in de Ara-
bische talen onderwesen, en de dochters niet by
hare ouders, maer by hare naeste verwanten op-
getrocken; als de sonen wat tot haer jaren ko-
men, begeven sy haer in dienst van den Cham
ofte Sultanen ; en als de dochters volwassen
en houwbaer zijn , wordense de voornaemste
Tartaren, en Turcken ten houwelijck gegeven.
In des Princen hof voeren de Edele en princi-
paelste Heeren sonderling geen uytwendige
pracht, maer dragen sich eerlijck en cierlijck
na haeren staet.
De Tartars houden hare wetten in groote
waerde ; sy eeren en aenbidden hare Vorsten
als goden : de Richters worden, na de Mahome-
taensche wet, voor heylige, oprechte en rede-
lijcke persoonen gehouden; sy onthouden haer
van alle twist en tweedracht , calumnien,
vyandtschap, haet, schande, en van alle over-
daet in kost en kleederen. In't Princen hof, noch
oock onder haer, dragen sy geen geweer , uytge-
sondert de vreemdelingen , ofte de reysende
man, welcke sy alle beleeftheydt betoonen, en
gastvry houden. Der rijcken spijs is broodt en
vleesch , en haren drank gesoden wijn en meede :
de arme gebruycken in de plaets van broot,
gestooten hierse met melck en water vermengt,
't welck sy Caffa noemen, en eten kaes ; haren
dranck is paerden melck. De kameelen, paer-
den en ossen, die niet meer bequaem sijn tot
den arbeyt, dooden en eten sy. Schapen vleesch
nuttigen sy oock veel. Daer zijn weynigh am-
bachts- en veel minder kooplieden ; want alle
de ambachts- en kooplieden, zijn Christen sla-
ven ofte Turcken, Armeniers, Ioden, Czircas-
sen , Petigorenses, Phylistinen ofte Cyngani,
welcke aldaer seer veracht worden.
|}
{{center|E Y N D E.}}<noinclude></noinclude>
2j6q8fbsfir3xociuc6t50uo25u0wqr
Overleg index:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf
107
86623
222351
2026-05-31T21:06:23Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Vergelijk */ nieuwe subkop
222351
wikitext
text/x-wiki
== Vergelijk ==
[[:uk:Дніпрові пороги. Опис України і Дніпра коло 1640 р.]]
[[:uk:Індекс:Дніпрові пороги. Опис України і Дніпра коло 1640 р. 1925.pdf]]. [[Gebruiker:Nederlandse Leeuw|Nederlandse Leeuw]] ([[Overleg gebruiker:Nederlandse Leeuw|overleg]]) 31 mei 2026 23:06 (CEST)
sajieucftcow8cth5voi506d4l1dcon
222371
222351
2026-06-01T06:58:34Z
Nederlandse Leeuw
797
/* Vergelijk */ Reactie
222371
wikitext
text/x-wiki
== Vergelijk ==
[[:uk:Дніпрові пороги. Опис України і Дніпра коло 1640 р.]]
[[:uk:Індекс:Дніпрові пороги. Опис України і Дніпра коло 1640 р. 1925.pdf]]. [[Gebruiker:Nederlandse Leeuw|Nederlandse Leeuw]] ([[Overleg gebruiker:Nederlandse Leeuw|overleg]]) 31 mei 2026 23:06 (CEST)
:[[File:Borysthenes (Dnipro) river compiled map (Blaeu 1664).jpg|thumb|[[:File:Borysthenes (Dnipro) river compiled map (Blaeu 1664).jpg]]]] [[Gebruiker:Nederlandse Leeuw|Nederlandse Leeuw]] ([[Overleg gebruiker:Nederlandse Leeuw|overleg]]) 1 jun 2026 08:58 (CEST)
0wjg0eknyaj39nuput3ehqvx7vf5vul