Wikisource
nlwikisource
https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina
MediaWiki 1.47.0-wmf.5
first-letter
Media
Speciaal
Overleg
Gebruiker
Overleg gebruiker
Wikisource
Overleg Wikisource
Bestand
Overleg bestand
MediaWiki
Overleg MediaWiki
Sjabloon
Overleg sjabloon
Help
Overleg help
Categorie
Overleg categorie
Hoofdportaal
Overleg hoofdportaal
Auteur
Overleg auteur
Pagina
Overleg pagina
Index
Overleg index
TimedText
TimedText talk
Module
Overleg module
Event
Event talk
Hoofdportaal:Taal- en letterkunde
100
13410
222857
220141
2026-06-04T18:49:45Z
Vincent Steenberg
280
bronnen toegevoegd/verplaatst
222857
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox hoofdportaal
| afbeelding = P literature.svg
| informatie = Dit is een overzicht van alle op [[Wikisource:Over Wikisource|Wikisource]] aanwezige bronnen over letterkunde. [[Hoofdportaal:Overzicht van alle hoofdportalen|Overzicht van alle hoofdportalen]].
}}
== Taal- en letterkunde; algemeen ==
=== Taalwetenschap; algemeen ===
==== Geschiedenis van de taalwetenschap ====
*Anoniem (10 augustus 1881) [[Het Nieuws van den Dag/1881/Nummer 3515/Bij gelegenheid van het Taal- en Letterkundig Congres te Breda|‘Bij gelegenheid van het Taal- en Letterkundig Congres te Breda, […]’]], ''Het Nieuws van den Dag'', Eerste Blad, [p. 2].
==== Taalkundigen ====
Hierbij: filologen, linguïsten
;Scaliger, Josephus Justus (1540-1609)
*Anoniem (14 augustus 1921) [[De Telegraaf/Jaargang 29/Nummer 11286/Geleerde bullebijters der 16e eeuw|‘Geleerde bullebijters der 16e eeuw’]], ''De Telegraaf'', p. 9.
*Wijk, W.E. van (17 mei 1958) ‘Reissouvenir meer dan vier eeuwen bewaard. Leidse Universiteitsbibliotheek krijgt nieuwe aanwinst’, ''Het Vaderland'', p. 13 en 17.
;Schoppe, Caspar (1576-1649)
*Anoniem (14 augustus 1921) [[De Telegraaf/Jaargang 29/Nummer 11286/Geleerde bullebijters der 16e eeuw|‘Geleerde bullebijters der 16e eeuw’]], ''De Telegraaf'', p. 9.
;Schrijnen, Jos. (1869-1938)
*Anoniem (15 oktober 1912) [[Het Nieuws van den Dag/1912/Nummer 13143/Maandag|‘Maandag aanvaardde te Utrecht dr. J. Schrijnen […] het bijzonder hoogleeraarsschap in de vergelijkende klassieke taalstudie en de cultuurgeschiedenis der Christelijke oudheid, […]’]], ''Het Nieuws van den Dag'', 2e blad, p. 6.
== Literatuurwetenschap ==
=== Literaire techniek (inhoud) ===
==== Lyriek ====
*Smits, Arn. (1829) ''Vérskunde [Ars metrica]'', ’s Bosch: bij de Gebroeders Langenhuysen.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (12 januari 1829) [[Nederlandsche Staatscourant/1829/Nummer 10/Departement van Binnenlandsche Zaken|‘Departement van Binnenlandsche Zaken [advertentie]’]], ''Nederlandsche Staats-Courant'', [p. 4].
== Algemene kritiek en geschiedenis van de letterkunde ==
=== Tijdschriften en overige seriële publicaties ===
*''De Beweging''.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (8-9 juli 1916) [[De Avondpost/1916/Nummer 9560/Avond-editie/Uit de Tijdschriften|‘Uit de Tijdschriften’]], ''De Avondpost'', Avond-editie, p. C2.
*''Boekenschouw. Geïllustreerd letterkundig maandschrift voor godsdienst, wetenschap en kunst'' (1906-1942).<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (18 oktober 1924) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 81/Nummer 289/Avondblad/Bij Het Nederlandsche Boekhuis te Tilburg, is in voorbereiding|‘Bij Het Nederlandsche Boekhuis te Tilburg, is in voorbereiding: […]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p. 2.
*''De Nederlandsche Spectator'' (1856-1908).<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (5 september 1885) [[Venloosch Weekblad/Jaargang 23/Nummer 36/Het nummer van den 2. Augustus van den Nederlandschen Spectator|‘Het nummer van den 2. Augustus van den Nederlandschen Spectator […]’]], ''Venloosch Weekblad'', [p. 1].
*''De Nieuwe Gids''.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (8-9 juli 1916) [[De Avondpost/1916/Nummer 9560/Avond-editie/Uit de Tijdschriften|‘Uit de Tijdschriften’]], ''De Avondpost'', Avond-editie, p. C2.
*''De Stem'' (1921-1940).<br>Aankondigingen en recensies:
**[Theo van Doesburg] en B.[onset] (januari 1921) [[De Stijl/Jaargang 4/Nummer 1/Rondblik|‘Rondblik’]], ''De Stijl'', jrg. 4, nr. 1, p. 10-15.
=== Verzamelde opstellen ===
*Crenio, Thoma (red.; 1691) ''Fasciculus dissertationum historico-critico-philologicarum'' […], Rotterdami: Apud Petrum vander Slaart.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1691) [[Opregte Haarlemsche Courant/1691/Donderdageditie, nummer 17/Tot Rotterdam|‘Tot Rotterdam by Pieter van der Slaart is gedruckt en wert uytgegeven: […] [advertentie]’]], ''Extraordinaire Haerlemse Donderdaegse Courant'', [p. 2].
=== Geschiedenis van tijdperken; afzonderlijk ===
==== Ca. 1880-heden ====
*Drijkoningen, F. ''et al''. (1982) ''Historische avantgarde : programmatische teksten van het Italiaans futurisme, het Russisch futurisme, Dada, het constructivisme, het surrealisme, het Tsjechisch poëtisme'', Amsterdam: Huis aan de drie grachten, {{ISBN|9063881614}}.<br>Aankondigingen en recensies:
**T. van Deel (19 augustus 1982) ‘In verzet tegen de traditie’, ''Trouw'', Boeken, p. 10.
*Sakheim, Arthur (1919) ''Expressionismus, Futurismus, Aktivismus. 3 Vorträge'', Hamburg: Bimini-Verl.<br>Aankondigingen en recensies:
**[Theo van Doesburg] (oktober 1919) [[De Stijl/Jaargang 2/Nummer 12/Rondblik|‘Rondblik’]], ''De Stijl'', jrg. 2, nr. 12, p. 140-144, met name 142-143.
;Dadaïsme
*Bonset, I.K. (juni 1920) [[De Stijl/Jaargang 3/Nummer 8/Over het nieuwe vers en het aaneengeknoopte touw|‘Over het nieuwe vers en het aaneengeknoopte touw’]], ''De Stijl'', jrg. 3, nr. 8, p. 70-72.
*Bonset, I.K. (januari 1921) [[De Stijl/Jaargang 4/Nummer 1/Inleiding tot de nieuwe verskunst|‘Inleiding tot de nieuwe verskunst [1]’]], ''De Stijl'', jrg. 4, nr. 1, p. 1-5.
*Bonset, I.K. (februari 1921) [[De Stijl/Jaargang 4/Nummer 2/Inleiding tot de nieuwe verskunst|‘Inleiding tot de nieuwe verskunst [2]’]], ''De Stijl'', jrg. 4, nr. 2, p. 24-26.
*Boomsma, Graa (24 juli 1979) ‘Dada in Zürich, Berlijn, Parijs en... Alkmaar’, ''De Waarheid'', p. 4.
== Catalaanse taal- en letterkunde ==
=== Kritiek en geschiedenis van de Catalaanse letterkunde ===
==== Geschiedenis van tijdperken; afzonderlijk ====
===== Ca. 1880-2000 =====
====== Schrijvers; afzonderlijk ======
;Salvat-Papasseit, Joan (1894-1924)
*[Doesburg, Theo van] (februari 1920) [[De Stijl/Jaargang 3/Nummer 4/Rondblik|‘Rondblik’]], ''De Stijl'', jrg. 3, nr. 4, p. 24-28 [eigenlijk 36-40].
== Duitse taal- en letterkunde ==
*[[Hoofdportaal:Taal- en letterkunde/Duits]]
== Engelse taal- en letterkunde ==
*[[Hoofdportaal:Taal- en letterkunde/Engels]]
== Taal- en letterkunde van het Esperanto ==
=== Taal- en letterkunde van het Esperanto; algemeen ===
*Witteryck, A.J. (1902) ''[[Het Esperanto|Het Esperanto. Zegepralende oplossing van het vraagstuk der Wereldtaal, gegeven door Dr Zamenhof]]'', Brugge: A.-J. Witteryck-Delplace.
=== Taalkunde van het Esperanto ===
==== Geschiedenis van de taal ====
*Boon, N. (30 november 1911) [[Tubantia/Jaargang 40/Nummer 140/Esperanto|‘Esperanto’]], ''Tubantia'', 3e blad, [p. 1].
*N.B. (8-9 juli 1916) [[De Avondpost/1916/Nummer 9560/Avond-editie/Esperanto|‘Esperanto’]], ''De Avondpost'', Avond-editie, p. C2.
== Franse taal- en letterkunde ==
*[[Hoofdportaal:Taal- en letterkunde/Frans]]
== Hongaarse taal- en letterkunde ==
;Móricz, Zsigismond (1879-1942)
*Anoniem (26 maart 1931) [[Het Vaderland/Jaargang 62/26 maart 1931/Avondblad/Boycot van een schrijver|‘Boycot van een schrijver’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, [p. 1].
== Italiaanse taal- en letterkunde ==
=== Kritiek en geschiedenis van de Italiaanse letterkunde ===
==== Geschiedenis van tijdperken; afzonderlijk ====
===== Ca. 1880-2000 =====
====== Schrijvers; afzonderlijk ======
;Marinetti, Filippo (1876-1944)
*Anoniem (8 mei 1914) [[De Maasbode/Jaargang 46/Nummer 13053/Avondblad/Futuristische levensdronkenschap|‘Futuristische levensdronkenschap’]], ''De Maasbode'', Avondblad, derde blad, [p. 1].
*Anoniem (4 januari 1931) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 104/Nummer 33721/Futuristische kookkunst|‘Futuristische kookkunst’]], ''Algemeen Handelsblad'', [eerste blad], [p. 1].
*Doesburg, Théo van (26 april 1929) [[Het Bouwbedrijf/Jaargang 6/Nummer 9/Kunst- en architectuurvernieuwing in Italië|‘Kunst- en architectuurvernieuwing in Italië’]], ''Het Bouwbedrijf'', jrg. 6, nr. 9, p. 179-181.
;Papini, Giovanni (1881-1956)
*[Doesburg, Theo van] (juli 1919) [[De Stijl/Jaargang 2/Nummer 9/Rondblik|‘Rondblik’]], ''De Stijl'', jrg. 2, nr. 9, p. 104-108, met name 106.
;Pascoli, Giovanni
*Anoniem (9 april 1912) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 69/Nummer 98/Avondblad/Giovanni Pascoli|‘Giovanni Pascoli. †’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p. 2.
;Vasari, Ruggero (1898-1968)
*[Theo van Doesburg] (februari 1921) [[De Stijl/Jaargang 4/Nummer 2/Rondblik|‘Rondblik’]], ''De Stijl'', jrg. 4, nr. 2, p. 26-31.
====== Bijzondere onderwerpen ======
;Futuristische poëzie
*Anoniem (8 mei 1914) [[De Maasbode/Jaargang 46/Nummer 13053/Avondblad/Futuristische levensdronkenschap|‘Futuristische levensdronkenschap’]], ''De Maasbode'', Avondblad, derde blad, [p. 1].
;Schrijverssyndicaat
*Anoniem (23 mei 1933) [[Het Vaderland/Jaargang 65/23 mei 1933/Avondblad/Op het congres van het schrijverssyndicaat te Bologna|‘Op het congres van het schrijverssyndicaat te Bologna […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
== Nederduitse taal- en letterkunde ==
=== Kritiek en geschiedenis van de Nederduitse letterkunde ===
==== Geschiedenis van tijdperken; afzonderlijk ====
===== Ca. 1880-2000 =====
====== Schrijvers; afzonderlijk ======
;Tarnow, Rudolf (1867-1933)
*Anoniem (23 mei 1933) [[Het Vaderland/Jaargang 65/23 mei 1933/Avondblad/De Mecklenburgsche schrijver Rudolf Tarnow|‘De Mecklenburgsche schrijver Rudolf Tarnow […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
== Nederlandse taal- en letterkunde ==
*[[Hoofdportaal:Taal- en letterkunde/Nederlands]]
== Noorse taal- en letterkunde ==
=== Kritiek en geschiedenis van de Noorse letterkunde ===
==== Geschiedenis van tijdperken; afzonderlijk ====
===== Ca. 1880-2000 =====
====== Schrijvers; afzonderlijk ======
;Hamsun, Knut (1859-1952)
*Anoniem (7 augustus 1920) [[Het Vaderland/Jaargang 52/7 augustus 1920/Avondblad/De Noorsche schrijver Knut Hamsun|‘De Noorsche schrijver Knut Hamsun is 4 Augustus 60 jaar geworden. […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad A, [p. 1].
== Schotse taal- en letterkunde ==
=== Kritiek en geschiedenis van de Schotse letterkunde ===
==== Geschiedenis van tijdperken; afzonderlijk ====
===== Ca. 1600-ca. 1880 =====
====== Schrijvers; afzonderlijk ======
;Burns, Robert (1759-1776)
*''Catalogue of valuable autograph letters and historical documents. Including important examples of Thackeray, Dickens, Swift, Shelley, R. L. Stevenson, Rossetti, Washington, Franklin, and others, a very fine series of ninety letters from Charlotte Brontë to Miss Nussey, important correspondence of Georges Cadoudal, the Chouan leader, with Commodore Keats, an interesting collection of original documents relating to the notorious criminal Eugene Aram, a long series of letters from the poets W. Cowper and Alexander Pope, manuscripts of musical composers, collections in albums, etc.'', Sotheby, Wilkinson & Hodge, Londen, 6 juli 1910.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (10 juli 1910) [[De Maasbode/Jaargang 42/Nummer 10679/Veiling van handschriften|‘Veiling van handschriften’]], ''De Maasbode'', Ochtendblad, tweede blad, [p. 1].
== Russische taal- en letterkunde ==
=== Kritiek en geschiedenis van de Russische letterkunde ===
==== Geschiedenis van tijdperken; afzonderlijk ====
===== Ca. 1600-ca. 1880 =====
====== Schrijvers; afzonderlijk ======
;Derzjavin, Gavrila Romanovitsj (1743-1816)
*Anoniem (21 augustus 1834) [[Bredasche Courant/1834/Nummer 198/Rusland|‘Rusland’]], ''Bredasche Courant'', [p. 3].
;Karamzin, Nikolaj Michajlovitsj (1766-1826)
*Anoniem (21 augustus 1834) [[Bredasche Courant/1834/Nummer 198/Rusland|‘Rusland’]], ''Bredasche Courant'', [p. 3].
;Poesjkin, Aleksandr (1799-1837)
*Anoniem (7 december 1931) [[De Maasbode/Jaargang 64/Nummer 24049/Avondblad/Poesjkin|‘Poesjkin’]], ''De Maasbode'', Avondblad, p. 5.
===== Ca. 1880-2000 =====
====== Schrijvers; afzonderlijk ======
;Tolstoj, Lev (1828-1910)
*Anoniem (20 oktober 1910) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 83/Nummer 26405/Ochtendblad/Tolstoi|‘Tolstoi’]], ''Algemeen Handelsblad'', Ochtendblad, p. 6.
== Zweedse taal- en letterkunde ==
=== Kritiek en geschiedenis van de Zweedse letterkunde ===
==== Geschiedenis van tijdperken; afzonderlijk ====
===== Ca. 1880-2000 =====
====== Schrijvers; afzonderlijk ======
;Heidenstam, Verner von (1859-1940)
*Anoniem (24 december 1936) [[De Sumatra Post/Jaargang 38/Nummer 300/Nobelfeest in Stockholm|‘Nobelfeest in Stockholm’]], ''De Sumatra Post'', derde blad, [p. 2].
;Lagerlöf, Selma (1858-1940)
*Anoniem (23 mei 1933) [[Het Vaderland/Jaargang 65/23 mei 1933/Avondblad/Selma Lagerlöf|‘Selma Lagerlöf’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
*Anoniem (24 december 1936) [[De Sumatra Post/Jaargang 38/Nummer 300/Nobelfeest in Stockholm|‘Nobelfeest in Stockholm’]], ''De Sumatra Post'', derde blad, [p. 2].
== Volkssprookjes, sagen, legenden, mythen en fabels ==
*Sassen, D. (23 december 1925) [[De Maasbode/Jaargang 58/Nummer 20376/Avondblad/Limburgsche sagen|‘Limburgsche sagen’]], ''De Maasbode'', Avondblad, derde blad, [p. 1].
=== Algemene bloemlezingen en verzamelingen ===
*Anoniem ([ca. 1890]) ''[[Aardige sprookjes|Aardige Sprookjes]]'', Berlin: Adolph Engel.
*Asbjörnsen, P. Chr. (1875) ''[[Noorsche Volksvertellingen]]'', Haarlem: Kruseman & Tjeenk Willink.
*Grimm, Gebroeders ([ca. 1870]) ''[[Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans]]'', Leiden: A.W. Sijthoff.
=== Ca. 1600-ca. 1880 ===
*Anoniem (1852) [[Album der Natuur/1852/Arabische overlevering|‘Eene Arabische overlevering’]], ''Album der Natuur'', jrg. 1, p. 191.
== Gedichten ==
=== Tot circa 1600 ===
*Alighieri, Dante (1932) ''De goddelijke komedie'', Haarlem: H.D. Tjeenk Willink.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (6 april 1932) [[De Tijd/Jaargang 87/Nummer 26431/Nieuwe uitgaven|‘Nieuwe uitgaven’]], ''De Tijd'', derde blad, p. 9.
*Elegast (1932) ''Verzen'', Soest: Zonneveld.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (6 april 1932) [[De Tijd/Jaargang 87/Nummer 26431/Nieuwe uitgaven|‘Nieuwe uitgaven’]], ''De Tijd'', derde blad, p. 9.
*Spitz, R.J. (1916) ''Beatrijs. Het Middelnederlandsche gedicht in proza naverteld'', Apeldoorm: De Zonnebloem.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (4 april 1917) [[Het Nieuws van den Dag/1917/Nummer 15484/Avondblad/Nieuwe uitgaven|‘Nieuwe uitgaven’]], ''Het Nieuws van den Dag'', Avondblad, 2e blad, p. 6.
=== Ca. 1600-ca. 1880 ===
*Alphen, Hieronymus van (1778-1782) ''[[Kleine gedigten voor kinderen]]'', Utregt: Wed. Jan van Terveen en zoon.
*Anoniem (20 september 1838) [[Surinaamsche Courant/1838/Nummer 75/Verjaar-wensch aan een' jongen grutter|‘Verjaar-wensch aan een’ jongen grutter’]], ''Surinaamsche Courant'', [p. 2].
*Bilderdijk, Willem (1855) ''[[Mengelingen, deel 1|Mengelingen. Deel 1]]'', Schiedam: H.A.M. Roelants.
*Bredero, G.A. (1622) ''[[Bredero/Groot Lied-boeck|Groot Lied-boeck]]'', T’Amsteldam: Cornelis Lodewyx vander Plaße.
*Cats, Jacob, [[Cats/Huis- en zede-lessen|Huis- en zede-lessen]].
*[[Death Be Not Proud (John Donne)]] - Holy Sonnet X - naar het Nederlands vertaald door J. Grandgagnage.
*Gellert, C.F. (1781) ''Fabelen en vertelsels, in Nederduitsche vaerzen gevolgd. Eerste deel'', Amsterdam: Pieter Meijer.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (24 november 1785) [[Rotterdamsche Courant/1785/Nummer 141/Gellerts Fabelen|‘Gellerts Fabelen in een klein Formaat, […] [advertentie]’]], ''Rotterdamsche Courant'', [p. 2].
**Anoniem (24 november 1785) [[Rotterdamsche Courant/1785/Nummer 141/By J. Allart|‘By J. Allart, Boekverkooper te Amsterdam, is van de Pers gekomen en verzonden: […] [advertentie]’]], ''Rotterdamsche Courant'', [p. 2].
*Génestet, Petrus Augustus de (1851) [[De Génestet/Eerste gedichten|Eerste gedichten]].
*Génestet, Petrus Augustus de (1860) [[De Génestet/Leekedichtjes|Leekedichtjes]].
*Génestet, Petrus Augustus de (1861) [[De Génestet/Laatste der eerste|Laatste der eerste]].
*Gezelle, Guido (1862) ''[[Gezelle/Gedichten, gezangen en gebeden|Gedichten, gezangen en gebeden]]'', Bruge: [s.n.].
*Gezelle, Guido (1880) [[Gezelle/Liederen, eerdichten et reliqua|Liederen, eerdichten et reliqua]].
*Hall, H.C. van (1853) [[Album der Natuur/1853/Sneeuwklokje, van Hall|‘Het Sneeuwklokje’]], ''Album der Natuur'', jrg. 2, p. 191-192.
*Koets, P.J. (1867) [[De Katholieke Illustratie/Jaargang 1/Nummer 6/De biddende moeder|‘De biddende moeder’]], ''De Katholieke Illustratie'', jrg. 1, nr. 6, p. 41.
* [[De Sonnetten van Shakespeare]] (1609) naar het Nederlands vertaald door J. Grandgagnage (2009)
=== Ca. 1880-2000 ===
*Adama van Scheltema, C.S. (1906) ''[[Eenzame liedjes]]'', Rotterdam: W.L & J. Brusse.
*Adama van Scheltema, C.S. (1909) ''[[Uit stilte en strijd]]'', Rotterdam: W.L & J. Brusse.
*Adama van Scheltema, C.S. (1912) ''[[Eerste Oogst]]'', Rotterdam: W.L & J. Brusse.
*Adama van Scheltema, C.S. (1916) ''[[Zingende stemmen]]'', Rotterdam: W. L. & J. Brusse's Uitgevers-Maatschappij.
*Bakker-Elze, Betsy (30 januari 1915) [[Eenheid/Nummer 243/Visioen|‘Visioen’]], ''Eenheid'', nr. 243, z.p.
*Bonset, I.K. (mei 1920) [[De Stijl/Jaargang 3/Nummer 7/X-Beelden|‘X-Beelden’]], ''De Stijl'', jrg. 3, nr. 7, p. 57.
*I.K. Bonset (juli 1920) [[De Stijl/Jaargang 3/Nummer 9/X-Beelden|‘X-Beelden’]], ''De Stijl'', jrg. 3, nr. 9, p. 77.<br>Aankondigingen en recensies:
**G.C. (7 augustus 1920) [[Het Vaderland/Jaargang 52/7 augustus 1920/Avondblad/X-Beelden|‘X-Beelden. (Ingezonden.)’]], ''Het Vaderland'', Avondblad A, [p. 1].<br>Reactie:
***G.C. (10 augustus 1920) [[Het Vaderland/Jaargang 52/10 augustus 1920/Avondblad/X-Beelden|‘X-Beelden. (Ingezonden)’]], ''Het Vaderland'', Avondblad A, [p. 1].
*Bonset, I.K. (november 1921) [[De Stijl/Jaargang 4/Nummer 11|‘Anthologie-Bonset’]], ''De Stijl'', jrg. 4, nr. 11.
*Bonset, I.K. (mei 1922) [[De Stijl/Jaargang 5/Nummer 5/X-Beelden|‘X-Beelden. Herinnering der Nachtfonteinen. 2’]], ''De Stijl'', jrg. 5, nr. 5, p. 77.
*Boutens, Pieter Cornelis (1937) [[Een nieuwe lente op Hollands erf]].
*Clercq, René de (1916) ''De Vlasgaard. Een landelijk tafereel in verzen'', Amsterdam: S.L. van Looy.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (4 april 1917) [[Het Nieuws van den Dag/1917/Nummer 15484/Avondblad/Nieuwe uitgaven|‘Nieuwe uitgaven’]], ''Het Nieuws van den Dag'', Avondblad, 2e blad, p. 6.
*Clercq, René de (1916) ''Terwe. Een verhaal in verzen'', Amsterdam: Van Looy.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (4 april 1917) [[Het Nieuws van den Dag/1917/Nummer 15484/Avondblad/Nieuwe uitgaven|‘Nieuwe uitgaven’]], ''Het Nieuws van den Dag'', Avondblad, 2e blad, p. 6.
*Clercq, René de (1917) ''Uit zonnige jeugd'', Amsterdam: Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (4 april 1917) [[Het Nieuws van den Dag/1917/Nummer 15484/Avondblad/Nieuwe uitgaven|‘Nieuwe uitgaven’]], ''Het Nieuws van den Dag'', Avondblad, 2e blad, p. 6.
*Cohen, Josef (1923) ''Schemer'', Groningen: „De Ploeg”.<br>Aankondigingen en recensies:
**Is. Querido (22 september 1923) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 96/Nummer 31084/Avondblad/Letterkundige Kroniek|‘Letterkundige Kroniek’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p. 5.
*Feijs, A.H. (1915) ''[[Oorlog, Verzen in Staccato|Oorlog. Verzen in Staccato]]'', [s.l.]: [s.n.].
*Gezelle, Guido ([1901]) [[Gezelle/Laatste verzen|Laatste verzen]].
*Negri, Ada (1897) ''Stormen'', Leiden: Adriani.<br>Aankondigingen en recensies:
**C. (15 december 1897) [[De Telegraaf/Jaargang 5/Nummer 1810/Avond-editie/Kunst- en Letternieuws/Ada Negri|‘Ada Negri. Stormen. (Tempeste). Naar het Italiaansch vertaald door Betsy Juta. Leiden, A. H. Adriani, 1897’]], ''De Telegraaf'', Avond-editie, [Eerste blad], [p. 2].
*Reverdy, Pierre (1921) ''[[:s:fr:Étoiles peintes|Étoiles peintes]]'', Paris: Éd. du Sagittaire.<br>Aankondigingen en recensies:
**[Theo van Doesburg] (februari 1921) [[De Stijl/Jaargang 4/Nummer 2/Ontvangen boeken en tijdschriften|‘Ontvangen boeken en tijdschriften’]], ''De Stijl'', jrg. 5, nr. 2, p. 31-32.
*Speenhoff, J.H. ([1935]) [[Moderne lyriek/'t Broekie van Jantje|‘’t Broekie van Jantje’]], in: C.J. Kelk en Halbo C. Kool ([1935]) ''[[Moderne lyriek]]'', Amsterdam: Bigot en Van Rossum, p. 44.
*Vlaminck, Maurice De ([1921]) ''Communications'', Paris: Éditions de la Galerie Simon.<br>Aankondigingen en recensies:
**[Theo van Doesburg] (februari 1921) [[De Stijl/Jaargang 4/Nummer 2/Ontvangen boeken en tijdschriften|‘Ontvangen boeken en tijdschriften’]], ''De Stijl'', jrg. 5, nr. 2, p. 31-32.
=== 21e eeuw ===
* [[Chanson d'automne]] van Paul Verlaine naar het Nederlands vertaald door J. Grandgagnage (2011)
* [[Il pleure dans mon coeur]] van Paul Verlaine naar het Nederlands vertaald door J. Grandgagnage (2011)
* [[Guigemar (Marie de France)]] naar het Nederlands vertaald door J. Grandgagnage (2020)
* [[Darkness (Byron)]], gedicht van Byron naar het Nederlands vertaald door J. Grandgagnage (2020)
== Toneelstukken ==
=== Tot circa 1600 ===
* Anoniem (1916) ''Een abel spel van Esmoreit, sconincs sone van Cecilien'', Apeldoorn: De Zonnebloem.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (4 april 1917) [[Het Nieuws van den Dag/1917/Nummer 15484/Avondblad/Nieuwe uitgaven|‘Nieuwe uitgaven’]], ''Het Nieuws van den Dag'', Avondblad, 2e blad, p. 6.
* Marlowe, Christopher (1888) [[De tragische historie van Dr. Faustus. Door Christopher Marlowe (Albert Verwey, 1888)|‘De tragische historie van Dr. Faustus’]], ''De Nieuwe Gids'', jrg. 3.
=== Ca. 1600-ca. 1880 ===
*Shakespeare, William (1836) ''[[Othello, De Moor van Venetië (Jurriaan Moulin, 1836)|Othello, De Moor van Venetië]]'', Kampen: de Erven Aegidius Valckenier.
*Shakespeare, William (1886) [[Twee Edellieden van Verona (Burgersdijk, 1886)|‘Twee Edellieden van Verona’]], vertaling van Burgersdijk in: ''De werken van William Shakespeare'', eerste deel, Leiden: E.J. Brill, p. 203-316.
*Shakespeare, William (1886) [[Coriolanus (Burgersdijk, 1886)|‘Coriolanus’]], vertaling van Burgersdijk in: ''De werken van William Shakespeare'', tiende deel, Leiden: E.J. Brill, 1886, p. 1-177.
*[[Bekende monologen uit Shakespeares werk]] vertaald door J. Grandgagnage, 2012.
*Vondel, Joost van den (1931) ''Joseph in Dothan. Treurspel'', Amsterdam: Meulenhoff.<br>Aankondigingen en recensies:
**E.S. (2 april 1932) [[Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad/Jaargang 136/Nummer 77/Ochtendblad/Nieuwe uitgaven|‘Nieuwe uitgaven’]], ''Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad'', Ochtendblad, [1e blad], [p. 3].
=== Ca. 1800-2000 ===
*Mijnssen, Frans (1920) ''Ida Wahl. Een spel in vier gedeelten'', Bussum: Van Dishoek.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 juli 1920) [[Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad/Jaargang 124/Nummer 203/Letterkundige Kroniek|‘Letterkundige Kroniek’]], ''Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad'', tweede blad, [p. 1].
*Roland Holst van der Schalk, Henriette (1916) ''Thomas More. Een treurspel'', Rotterdam: W.L. & J. Brusse.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (4 april 1917) [[Het Nieuws van den Dag/1917/Nummer 15484/Avondblad/Nieuwe uitgaven|‘Nieuwe uitgaven’]], ''Het Nieuws van den Dag'', Avondblad, 2e blad, p. 6.
{{hoofdportalen}}
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal taal- en letterkunde]]
9l8ctbyq0jna3nfea4trj9whto8xv92
Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo
100
34760
222854
222716
2026-06-04T18:25:00Z
Vincent Steenberg
280
bronnen toegevoegd/verplaatst
222854
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox thema
| naam = Nederlandse schilderkunst;<br>Barok en Rococo<br>(ca. 1600-ca. 1750)
| afbeelding = Rembrandt-Belsazar.jpg
| beschrijving = Dit is een overzicht van alle op [[Wikisource:Over Wikisource|Wikisource]] beschikbare bronnen over Nederlandse schilderkunst uit de periode ca. 1600 tot ca. 1750.
| artikelwikipedia =
}}
== Algemeen ==
=== Tentoonstellingen ===
;1933
*''Kunsthandel Dorus Hermsen N.V.'', Den Haag, december 1933.<br>Aankondigingen en recensies:
**Gio. [=Jan Kalff] (16 december 1933) ‘Kunst in Den Haag’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 10.
;1935
*''Vermeer. Oorsprong en invloed Fabritius, De Hooch, De Witte'', Museum Boymans, Rotterdam, 9 juli-9 oktober 1935.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (24 mei 1935) [[Haagsche Courant/Nummer 16042/Boymans' openings-expositie|‘Boymans’ openings-expositie. Werken van Meesters van de Delftsche School’]], ''Haagsche Courant'', vierde blad, p. 3.
**Anoniem (21 juni 1935) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 108/Nummer 35334/Avondblad/Het Rijksmuseum leent aan Boymans|‘Het Rijksmuseum leent aan Boymans’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, p. 13.
**Anoniem (9 juli 1935) [[De Gooi- en Eemlander/Jaargang 64/Nummer 159/Schilderkunst|‘Schilderkunst. De Vermeer-tentoonstelling in Boymans’]], ''De Gooi- en Eemlander'', eerste blad, p. 3.
== Algemene geschiedenis van de Nederlandse schilderkunst uit de barok en rococo ==
*Houbraken, Arnold (1718-1721) ''[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen]]'', Amsterdam: [s.n.]
== Bijzondere onderwerpen ==
;Aelst, Willem van (1627-1683)
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
;Aldewereld, Herman van (1628/1629-1669)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Anthonisz., Aert
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Arentsz. genaamd Cabel, Arent
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Asch, Pieter van
*Arnold Houbraken (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Pieter Janze van Asch|"Pieter Janze van Asch"]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p. 235-236.
;Avercamp, Hendrick (1585-1634)
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Ban, Gerbrand
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Beck, David (1621-1656)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/David Beck|“David Beck”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 83-87.
;Beelt, Cornelis (voor 1612-na 1664)
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
;Beerstraaten, Anthonie
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
*Anoniem (13 juli 1898) [[Leeuwarder Courant/1898/Nummer 162/Leeuwarden, 12 Juli/Stadsnieuws/Ter afwisseling van de vorige verzameling|‘Ter afwisseling van de vorige verzameling is thans op het Prentenkabinet van het Friesch Museum tentoongesteld […]’]], ''Leeuwarder Courant'', [eerste blad, p. 1].
*Anoniem (8 mei 1985) ‘Tip voor Sneek’, ''Leeuwarder Courant'', [p. 17].
*Anoniem (22 mei 1985) ‘Beerstraatens stadsgezicht niet naar Sneek’, ''Leeuwarder Courant'', p. 15.
*''’t Is Winter'', Amsterdams Historisch Museum, Amsterdam, ....-2 maart 1987, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**Jan Bart Klaster (14 januari 1987) ‘Moralistisch lesje in pretverpakking. Het verdwenen Amsterdam op wintertaferelen’, ''Het Parool'', uit en thuis, p. 6.
;Beerstraaten, Jan Abrahamsz.
[[Bestand:Rotterdamsche Courant vol 1867 no 024 advertisement A. J. & Dirk A. Lamme.jpg|thumb|Advertentie uit de ''Rotterdamsche Courant'', 27 januari 1867]]
[[Bestand:Algemeen Handelsblad vol 1872 no 12851 advertisement Belangrijke kunstveilingen in de Brakke Grond.jpg|thumb|Advertentie uit het ''Algemeen Handelsblad'', 24 september 1872]]
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
*''Annual autumn exhibition of paintings by old Dutch and Flemish masters'', Alfred Brod Galerie, Londen, 5 oktober-4 november 1961.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (13 oktober 1961) ‘Londense expositie van oude meesters’, ''Het Parool'', p. 17.
*''’t Is Winter'', Amsterdams Historisch Museum, Amsterdam, ....-2 maart 1987, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**Jan Bart Klaster (14 januari 1987) ‘Moralistisch lesje in pretverpakking. Het verdwenen Amsterdam op wintertaferelen’, ''Het Parool'', uit en thuis, p. 6.
;Beest, Sybrand van
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
*Kramm, Christiaan (1857) [[De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters/Deel 1/Beest. (S... van)|“Beest. (S... van)”]], in: Christiaan Kramm (1857-1864) ''De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters'', Amsterdam: Gebroeders Diederichs, deel I, p. 68.
;Begeyn, Abraham
*Anoniem (3 oktober 1876) [[Algemeen Handelsblad/Nummer 14295/De heer de Stuers, schrijver van de uitmuntende Notice van het Mauritshuis|‘De heer de Stuers, schrijver van de uitmuntende ''Notice'' van het Mauritshuis, [...]’]], ''Algemeen Handelsblad'', [p. 2].
*Kramm, Christiaan (1857) [[De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters/Deel 1/Bega. (Abraham)|“Bega. (Abraham)”]], in: Christiaan Kramm (1857-1864) ''De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters'', Amsterdam: Gebroeders Diederichs, deel I, p. 68-69.
;Bemmel, Jacob Gerritsz. van
*Kramm, Christiaan (1857) [[De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters/Deel 1/Bemmel. (Joost van)|“Bemmel. (Joost van)”]], in: Christiaan Kramm (1857-1864) ''De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters'', Amsterdam: Gebroeders Diederichs, deel I, p. 73.
;Bemmel, Willem van (1630-1708)
*Kramm, Christiaan (1857) [[De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters/Deel 1/Bemmel. (van)|“Bemmel. (van)”]], in: Christiaan Kramm (1857-1864) ''De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters'', Amsterdam: Gebroeders Diederichs, deel I, p. 72-73.
;Berckheyde, Job (1630-1693)
*Anoniem (25 februari 1940) [[Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 63/Nummer 22259/Beroemde Haarlemmers|‘Beroemde Haarlemmers’]], ''Nieuwe Haarlemsche Courant'', [p. 3].
*Houbraken, Arnold (1721) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 3/Job en Gerard Berkheyden|“Job en Gerard Berkheyden”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel III, p. 189-198.
;Bergen, Dirck van
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
;Bergh, Matthijs van den (1618-1687)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathys vanden Berg|“Mathys vanden Berg”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 15-16.
;Bloemaert, Hendrick
[[Bestand:Opregte Haerlemsche Courant vol 1832 no 027 ad L. van Es en S. de Grebber.jpg|thumb|Advertentie uit de ''Opregte Haerlemsche Courant'', 3 maart 1832.]]
*''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies:
**Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p. 1-2].
*Houbraken, Arn. (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Abraham Bloemaart|"Abraham Bloemaart"]], in: Arn. Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p. 44.
;Borssom, Anthonie van
*Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p. 38-48.
;Brakenburgh, Richard (1650-1702)
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Bramer, Leonaert (1596-1674)
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
;Bray, Jan de
*''Tentoonstelling Bijbelsche Kunst'', Rijksmuseum, Amsterdam, 8 juli-8 oktober 1939.<br>Aankondigingen en recensies:
**M.V. (27 juli 1939) ‘Bijbelsche kunst in het Rijksmuseum’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 9.
;Breenbergh, Bartholomeus
*''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies:
**Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p. 1-2].
;Brekelenkam, Quiringh van (1622/30-1669/1670)
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
;Broeck, Elias van den (ca. 1650-1708)
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
;Buytewech, Willem (I) (1591/1592-1624)
*Anoniem (22 juli 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24505/Avondblad/"Rembrandt"|‘„Rembrandt”’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Eerste Blad, [p. 1].
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Carrée, Michiel (1657-1727)
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
;Claesz., Pieter (1597/1598-1661)
*''Catalogue des tableaux anciens des écoles allemande, anglaise, espagnole, flamande, française, hollandaise, italienne, suisse des XVe, XVIe, XVIIe, XVIIIe siècles composant la collection de Son Excellence feu Paul Delaroff, conseiller privé de Sa Majesté l'Empereur de Russie'', F. Lair-Dubreuil, Parijs, 23-24 april 1914.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Veiling-Delaroff|‘Veiling-Delaroff’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p. 7.
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Codde, Pieter
*''Catalogue tableaux anciens, porcelaines diverses, beau meuble Boulle - collection du Baron Liphart-Rathshoff à Dorpat; argenterie interessante, chales, tapis persans, porcelaines emaillées, meubles - provenances diverses'' [veilingcat.], A. Mak, Amsterdam, 11-13 oktober 1921.<br>Aankondigingen:
**Anoniem (29 september 1921) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 78/Nummer 270/Avondblad/De firma A. Mak te Amsterdam zendt ons den catalogus van de kunstveiling, welke 11 en 13 October in het gebouw „De Roos” zal worden gehouden|‘De firma A. Mak te Amsterdam zendt ons den catalogus van de kunstveiling, welke 11 en 13 October in het gebouw „De Roos” zal worden gehouden [...]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p. 1.
;Compe, Jan ten
*[''Stadsgezichten en genretaferelen''], Centraal Museum, Utrecht, ....-15 juli 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**H. de Jonge (12 juni 1934) ‘Centraal museum Utrecht. Stadsgezichten en genretafereelen’, ''De Tijd'', Avondblad, [p. 5].
;Croos, Anthonie van (1606/1607-1662)
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
*Anoniem (24 september 1902) [[De Zuid-Willemsvaart/Jaargang 22/Nummer 76/Veiling Heeswijk|‘Veiling Heeswijk’]], ''De Zuid-Willemsvaart'', [p. 2].
*''Catalogue des tableaux anciens des écoles allemande, anglaise, espagnole, flamande, française, hollandaise, italienne, suisse des XVe, XVIe, XVIIe, XVIIIe siècles composant la collection de Son Excellence feu Paul Delaroff, conseiller privé de Sa Majesté l'Empereur de Russie'', F. Lair-Dubreuil, Parijs, 23-24 april 1914.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Veiling-Delaroff|‘Veiling-Delaroff’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p. 7.
;Cuylenborch, Abraham van (I)
*''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies:
**Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p. 1-2].
;Delff, Jacob Willemsz. (II) (1619-1661)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakob Delff|“Jakob Delff”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 56-57.
;Diepraam, Arent (1622-1670)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Does, Jacob van der (I) (1623-1673)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakob vander Does|“Jakob vander Does”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 105-108.
;Donker, Jan
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan en Pieter Donker|“Jan en Pieter Donker”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 93.
;Donker, Pieter (ca. 1635-1668)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan en Pieter Donker|“Jan en Pieter Donker”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 93.
;Doomer, Lambert (1624-1700)
*''Kaarten, profielen en panorama’s van Amsterdam'', Museum Fodor, Amsterdam, 10 september-27 november 1932.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (1 oktober 1932) [[De Locomotief/Jaargang 81/Nummer 228/Amsterdam in Vroeger Eeuwen|‘Amsterdam in Vroeger Eeuwen. Eene belangwekkende tentoonstelling’]], ''De Locomotief'', Vijfde Blad, [p. 2].
;Drielenburg, Willem van (1632-1677)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem van Drillenburg|“Willem van Drillenburg”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 147-153.
*[''Stadsgezichten en genretaferelen''], Centraal Museum, Utrecht, ....-15 juli 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**H. de Jonge (12 juni 1934) ‘Centraal museum Utrecht. Stadsgezichten en genretafereelen’, ''De Tijd'', Avondblad, [p. 5].
;Droochsloot, Cornelis
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
*''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies:
**Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p. 1-2].
;Druyvestein, Aart Jansz. (1577-1627)
*Arnold Houbraken (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Aart Janze Druivestein|"Aart Janze Druivestein"]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p. 60-61.
;Dubbels, Hendrick Jacobsz.
*Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 1].
*''’t Is Winter'', Amsterdams Historisch Museum, Amsterdam, ....-2 maart 1987, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**Jan Bart Klaster (14 januari 1987) ‘Moralistisch lesje in pretverpakking. Het verdwenen Amsterdam op wintertaferelen’, ''Het Parool'', uit en thuis, p. 6.
;Duck, Jacob
*[''Stadsgezichten en genretaferelen''], Centraal Museum, Utrecht, ....-15 juli 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**H. de Jonge (12 juni 1934) ‘Centraal museum Utrecht. Stadsgezichten en genretafereelen’, ''De Tijd'', Avondblad, [p. 5].
;Duif, Jan Ariens (1617-1649)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Duive|“Jan Duive”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 90-91.
;Dullaert, Heyman
*Anoniem (31 maart 1915) [[Nieuwsblad van het Noorden/Jaargang 76/Nummer 28/Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot|‘Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot’]], ''Nieuwsblad van het Noorden'', [eerste blad, p. 2].
;Duynen, Isaac van
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Eeckhout, Gerbrand van den (1621-1674)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerbrant vanden Eekhout|“Gerbrant vanden Eekhout”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 100-101.
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Esselens, Jacob (1626-1687)
[[Bestand:Het Nieuws van den Dag 1878 no 2447 advertisement Belangrijke Verkooping van schilderijen door oude meesters.jpg|thumb|Advertentie uit ''Het Nieuws van den Dag'', 21 februari 1878.]]
*''Catalogue de douze tableaux anciens provenant de la célèbre galerie de tableaux de feu Madame la douairière Van Loon-van Winter, à Amsterdam, et d’autres tableaux anciens provenant de la famille Druyvesteyn, de Haarlem, de feu Monsieur Ed. Croese, d’Amsterdam, et d’autres successions'' […], C.F. Roos en C.F. Roos Jr., Amsterdam, 26 februari 1878.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (27 februari 1878) [[Opregte Haarlemsche Courant/1878/Nummer 50/In de heden (dingsdag) te Amsterdam gehouden veiling|‘In de heden (dingsdag) te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Opregte Woensdagsche Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Everdingen, Allaert van (1617-1675)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Aldert van Everdingen|“Aldert van Everdingen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 95-96.
;Everdingen, Caesar van (1616/1617-1678)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Cesar van Everdingen|“Cesar van Everdingen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 94-95.
*''Catalogus tentoonstelling van schilderijen en teekeningen van Nederlandsche Italianiseerende schilders uit de 16e en 17e eeuw'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 14 juli-16 september 1934.<br>Aankondigingen en recensies:
**M.V. (27 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 35008/Avondblad/Nederlandsche italianiseerende meesters|‘Nederlandsche italianiseerende meesters’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 9.
;Everdingen, Jan (I) (ca. 1618/1620-1656)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan van Everdingen|“Jan van Everdingen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 95.
;Fabritius, Barent
*''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Recensies en aankondigingen:
**Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p. 3.
;Feddes van Harlingen, Pieter
*Anoniem (13 juli 1898) [[Leeuwarder Courant/1898/Nummer 162/Leeuwarden, 12 Juli/Stadsnieuws/Ter afwisseling van de vorige verzameling|‘Ter afwisseling van de vorige verzameling is thans op het Prentenkabinet van het Friesch Museum tentoongesteld […]’]], ''Leeuwarder Courant'', [eerste blad, p. 1].
;Fromantiou, Hendrick de (1633/1634-na 1693)
*Anoniem (3 april 1937) [[De Telegraaf/Jaargang 45/Nummer 16746/Avondblad/Berlijn beleefde eens een periode van Nederlandsche cultuur|‘Berlijn beleefde eens een periode van Nederlandsche cultuur. Groot was de invloed van Louise van Oranje. Uiteindelijk is niet veel meer van dit alles te merken’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, derde blad, p. 5.
*Anoniem (25 februari 1940) [[Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 63/Nummer 22259/Beroemde Haarlemmers|‘Beroemde Haarlemmers’]], ''Nieuwe Haarlemsche Courant'', [p. 3].
;Gael, Barent (1630/1635-1698)
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
;Gaesbeeck, Adriaen van
*Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p. 38-48.
;Gelder, Arent de
*''Tentoonstelling Bijbelsche Kunst'', Rijksmuseum, Amsterdam, 8 juli-8 oktober 1939.<br>Aankondigingen en recensies:
**M.V. (27 juli 1939) ‘Bijbelsche kunst in het Rijksmuseum’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 9.
;Giselaer, Nicolaes de
*Anoniem (31 maart 1915) [[Nieuwsblad van het Noorden/Jaargang 76/Nummer 28/Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot|‘Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot’]], ''Nieuwsblad van het Noorden'', [eerste blad, p. 2].
;Gool, Jan van
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
;Graauw, Hendrik (1627-1693)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hendrik Graauw|“Hendrik Graauw”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 189-191.
;Grasdorp, Willem
*Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p. 38-48.
;Grebber, Anthonie Claesz. de
*Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p. 38-48.
;Grebber, Pieter de (ca. 1600-1652/1653)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 117-125, met name 122.
;Groot, Jan de (1650-1726)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan de Groot|“Jan de Groot”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 58.
;Hackaert, Jan
*''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Recensies en aankondigingen:
**Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p. 3.
;Hals, Dirck (1591-1656)
*''Collection de Mme Jean Cardon. Tableaux modernes & anciens, dessins, aquarelles, objets d’art, meubles'', Galerie J. et A. Le Roy, frères, Brussel, 24-25 april 1912.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (24 april 1912) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 69/Nummer 113/Ochtendblad/Men schrijft ons uit Brussel|‘Men schrijft ons uit Brussel: […]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Ochtendblad, A, p. 1.
*Anoniem (18 oktober 1924) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 81/Nummer 289/Avondblad/Kunsthandel Gebr. Douwes|‘Kunsthandel Gebr. Douwes’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p. 1.
;Hals, Frans (II) (1618-1669)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Hals, Harmen
*Anoniem (31 maart 1915) [[Nieuwsblad van het Noorden/Jaargang 76/Nummer 28/Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot|‘Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot’]], ''Nieuwsblad van het Noorden'', [eerste blad, p. 2].
;Hannot, Johannes
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Heck, Claes Jacobsz. van der (ca. 1575/ca. 1581-1652)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Nicolaas vander Hek|“Nicolaas vander Hek”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 7-8.
;Heck, Marten Heemskerck van der (ca. 1607-1656)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Marten Heemskerk vander Hek|“Marten Heemskerk vander Hek”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 8.
;Heem, Jan Davidsz. de (1606-1684)
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
*''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Recensies en aankondigingen:
**Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p. 3.
;Heer, Margareta de (voor 1603-voor 1665)
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
;Helmbreker, Dirck (1633-1696)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Theodoor Helmbreker|“Theodoor Helmbreker”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 108-109.
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Heusch, Willem de
*''Kersttentoonstelling van teekeningen van Utrechtsche meesters der 17e en 18e eeuw uit het bezit van Teyler's Stichting te Haarlem'', Centraal Museum, Utrecht, december 1927, geen catalogus bekend.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 december 1927) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 84/Nummer 358/Centraal Museum te Utrecht|‘Centraal Museum te Utrecht’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Ochtendblad, B, p. 1.
*[''Stadsgezichten en genretaferelen''], Centraal Museum, Utrecht, ....-15 juli 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**H. de Jonge (12 juni 1934) ‘Centraal museum Utrecht. Stadsgezichten en genretafereelen’, ''De Tijd'', Avondblad, [p. 5].
;Heyden, Jan van der (1637-1712)
*Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 1].
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Hillegaert, Paulus van (I) (1596-1640)
[[Bestand:Het Nieuws van den Dag 1878 no 2447 advertisement Belangrijke Verkooping van schilderijen door oude meesters.jpg|thumb|Advertentie uit ''Het Nieuws van den Dag'', 21 februari 1878.]]
*''Catalogue de douze tableaux anciens provenant de la célèbre galerie de tableaux de feu Madame la douairière Van Loon-van Winter, à Amsterdam, et d’autres tableaux anciens provenant de la famille Druyvesteyn, de Haarlem, de feu Monsieur Ed. Croese, d’Amsterdam, et d’autres successions'' […], C.F. Roos en C.F. Roos Jr., Amsterdam, 26 februari 1878.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (27 februari 1878) [[Opregte Haarlemsche Courant/1878/Nummer 50/In de heden (dingsdag) te Amsterdam gehouden veiling|‘In de heden (dingsdag) te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Opregte Woensdagsche Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Holsteyn, Pieter (II) (ca. 1614-1673)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 117-125, met name 124-125.
;Hondecoeter, Gijsbert Gillisz. de
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
*Anoniem (9 oktober 1928) [[De Maasbode/Jaargang 61/Nummer 22102/Ochtendblad/Centraal Museum te Utrecht|‘Centraal Museum te Utrecht. Het jaarverslag’]], ''De Maasbode'', Ochtendblad, derde blad, [p. 1].
;Hondecoeter, Gillis Claesz. de (ca. 1575-1638)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
*D.L. (1853) [[Album der Natuur/1853/Nieuwe afbeelding Dodo, Lubach|‘Over eene nieuw ontdekte afbeelding van den Dodo’]], ''Album der Natuur'', jrg. 2, p. 255.
;Hondecoeter, Melchior d’
*''Catalogue de tableaux anciens de premier ordre des écoles hollandaise et flamande provenant de différentes successions vente à Amsterdam à hôtel "De Brakke Grond" le mercredi 16 mai 1877'', Van Pappelendam & Schouten, Amsterdam.<br>Uitslagen:
**Anoniem (17 mei 1877) [[Algemeen Handelsblad/1877/Nummer 14517/Uitslag der veiling|‘Uitslag der veiling van oude schilderijen op heden, in „de Brakke Grond” alhier. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', [p. 3].
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
;Hoogstraten, Jan van (1629/1630-1654)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Samuel van Hoogstraten|“Samuel van Hoogstraten”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 155-170, met name 168-170.
;Hoogstraten, Samuel van (1627-1678)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Samuel van Hoogstraten|“Samuel van Hoogstraten”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 155-170.
;Houbraken, Arnold
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
;Huijsum, Jan van (1682-1749)
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
*Anoniem (4 juni 1930) [[De Telegraaf/Jaargang 38/Nummer 14271/Avondblad/Hooge prijzen bij Christie|‘Hooge prijzen bij Christie’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, derde blad, p. 9.
;Jacobsz., Jurriaan (1624-1685)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Juriaan Jakobze|“Juriaan Jakobze”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 49-50.
;Jardin, Karel du
*''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies:
**Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p. 1-2].
;Jongh, Ludolph de
*Anoniem (31 maart 1915) [[Nieuwsblad van het Noorden/Jaargang 76/Nummer 28/Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot|‘Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot’]], ''Nieuwsblad van het Noorden'', [eerste blad, p. 2].
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ludolf de Jong|“Ludolf de Jong”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 32-34.
;Jonson van Ceulen, Cornelis (I)
*Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 1].
;Jordaens, Hans (IV) (1616-1680)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hans Jordaans|“Hans Jordaans”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 28-30.
;Keirincx, Alexander (1600-1652)
*Houbraken, Arn. van (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Alexander Kierings|"Alexander Kierings"]], in: Arn. Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p. 130.
;Klomp, Albert Jansz.
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
;Knijff, Wouter (1605/1607-1694)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Koninck, Philips (1619-1688)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Philips de Koning|“Philips de Koning”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 53-55.
*''Catalogue des tableaux anciens des écoles allemande, anglaise, espagnole, flamande, française, hollandaise, italienne, suisse des XVe, XVIe, XVIIe, XVIIIe siècles composant la collection de Son Excellence feu Paul Delaroff, conseiller privé de Sa Majesté l'Empereur de Russie'', F. Lair-Dubreuil, Parijs, 23-24 april 1914.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Veiling-Delaroff|‘Veiling-Delaroff’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p. 7.
;Koninck, Salomon (1609-1656)
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
;Kraanevelt, N. (....-voor 1674)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/N. Kraanevelt|“N. Kraanevelt”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 52.
;Laer, Roeland van (1598-1635/1640)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 117-125, met name 124.
;Lastman, Pieter (1583-1633)
*''Catalogue des tableaux anciens des écoles allemande, anglaise, espagnole, flamande, française, hollandaise, italienne, suisse des XVe, XVIe, XVIIe, XVIIIe siècles composant la collection de Son Excellence feu Paul Delaroff, conseiller privé de Sa Majesté l'Empereur de Russie'', F. Lair-Dubreuil, Parijs, 23-24 april 1914.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Veiling-Delaroff|‘Veiling-Delaroff’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p. 7.
;Latombe, Abraham (1597-na 1628)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Latombe|“Latombe”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 27-28.
;Leemans, Anthonie (1631-1671/1673)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Lely, Peter
*Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 1].
;Leveck, Jacobus (1634-1675)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakob Lavecq|“Jakob Lavecq”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 153-155.
;Lisse, Dirck van der
*''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies:
**Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p. 1-2].
;Lundens, Gerrit (1622-1686)
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
;Luttichuys, Isaack (1616-1673)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Man, Cornelis de (1621-1706)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kornelis de Man|“Kornelis de Man”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 99-100.
;Marienhof, Aert Jansz. (ca. 1626-1654)
*Anoniem (15 oktober 1935) [[De Tijd/Jaargang 91/Nummer 28430/Avondblad/Utrechts Centraal Museum|‘Utrechts Centraal Museum’]], ''De Tijd'', Avondblad, [p. 6].
;Martens de Jonge, Jan
*Anoniem (22 juli 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24505/Avondblad/"Rembrandt"|‘„Rembrandt”’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Eerste Blad, [p. 1].
;Meerkerk, Dirk (1602 of 1620-na 1660)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Dirk Meerkerk|“Dirk Meerkerk”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 91-92.
;Meijer, Hendrick de (ca. 1620-na 1689)
*Anoniem (10 juli 1910) [[De Maasbode/Jaargang 42/Nummer 10679/Aanwinsten in het Haagsch Museum|‘Aanwinsten in het Haagsch Museum’]], ''De Maasbode'', Ochtendblad, tweede blad, [p. 1].
;Menton, Frans (ca. 1545-1615)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Frans Menton|“Frans Menton”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 15.
;Mieris, Frans van (I) (1635-1681)
*''Oude kunst'', Kunstzaal Bennewitz, Den Haag, ....-23 mei 1936, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (14 mei 1936) [[Het Vaderland/Jaargang 68/14 mei 1936/Avondblad/Oude kunst|‘Oude kunst’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Mieris, Willem van
[[Bestand:Rotterdamsche Courant vol 1867 no 024 advertisement A. J. & Dirk A. Lamme.jpg|thumb|Advertentie uit de ''Rotterdamsche Courant'', 27 januari 1867]]
*Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 1].
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Mijtens, Johannes (ca. 1614-1670)
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
;Molenaer, Klaes
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
;Mommers, Hendrick (1619/1620-1693)
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
;Moor, Carel de (II) (1655-1738)
*''Tentoonstelling van zeldzame en belangrijke schilderijen van oude meesters. In de kunstzalen der Maatschappij „Arti et Amicitiae.” Ten behoeve van het Weduwen- en Wezenfonds'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 12 april 1872-....<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (14-15 april 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 89/Amsterdam, 12 April|‘Amsterdam, 12 April’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', bijvoegsel, [p. 1].
;Murant, Emanuel (1622-ca. 1700)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Emanuel Murant|“Emanuel Murant”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 102.
;Naiveu, Matthijs (1647-1726)
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
;Nedek, Pieter Pietersz. (1617-na 1692)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Pieter Pieterze Nedek|“Pieter Pieterze Nedek”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 27.
;Neer, Eglon van der
*Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 1].
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Netscher, Caspar (1639-1684)
*Havelaar, Just (7 september 1921) [[Het Vaderland/Jaargang 53/7 september 1921/Avondblad/Collectie Van Maanen|‘Collectie Van Maanen’]], ''Het Vaderland'', Avondblad B, p. 2.
;Netscher, Constantijn
*Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 1].
;Nickelen, Isaak van (1632/1633-1703)
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
;Nieulandt, Adriaen van (ca. 1586-1658)
*Houbraken, Arnold (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Adriaan Nieulant|"Adriaan Nieulant"]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p. 42-43.
;Oosterwijck, Maria van
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Ossenbeeck, Jan van (ca. 1624-1674)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ossenbek|“Ossenbek”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 170-171.
;Pape, Abraham de (ca. 1620-1666)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Pardanus, Abraham (1673-1744)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gysbrecht Thys|“Gysbrecht Thys”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 144-145.
;Paulusz., Zacharias (ca. 1580-1648)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Zacharias Paulusz.|“Zacharias Paulusz.”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 55-56.
;Pijnacker, Adam (1620/1622-1673)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Adam Pynaker|“Adam Pynaker”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 96-99.
*''Kunsthandel Dorus Hermsen N.V.'', Den Haag, december 1933.<br>Aankondigingen en recensies:
**Gio. [=Jan Kalff] (16 december 1933) ‘Kunst in Den Haag’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 10.
;Poel, Egbert Lievensz. van der (1621-1664)
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
*''Oude kunst'', Kunstzaal Bennewitz, Den Haag, ....-23 mei 1936, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (14 mei 1936) [[Het Vaderland/Jaargang 68/14 mei 1936/Avondblad/Oude kunst|‘Oude kunst’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Poorter, Willem de (1608-na 1648)
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
;Post, Frans
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
*''Annual autumn exhibition of paintings by old Dutch and Flemish masters'', Alfred Brod Galerie, Londen, 5 oktober-4 november 1961.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (13 oktober 1961) ‘Londense expositie van oude meesters’, ''Het Parool'', p. 17.
;Pot, Hendrik Gerritsz. (1580/1581-1657)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 117-125, met name 123.
;Puytlinck, Christoffel
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Ravesteyn, Jan van (ca. 1572-1657)
[[Bestand:Rotterdamsche Courant vol 1867 no 024 advertisement A. J. & Dirk A. Lamme.jpg|thumb|Advertentie uit de ''Rotterdamsche Courant'', 27 januari 1867]]
*''Collection de Mme Jean Cardon. Tableaux modernes & anciens, dessins, aquarelles, objets d’art, meubles'', Galerie J. et A. Le Roy, frères, Brussel, 24-25 april 1912.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (24 april 1912) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 69/Nummer 113/Ochtendblad/Men schrijft ons uit Brussel|‘Men schrijft ons uit Brussel: […]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Ochtendblad, A, p. 1.
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Roestraeten, Pieter Gerritsz. van (1630-1700)
*Anoniem (25 februari 1940) [[Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 63/Nummer 22259/Beroemde Haarlemmers|‘Beroemde Haarlemmers’]], ''Nieuwe Haarlemsche Courant'', [p. 3].
;Romeyn, Willem
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Rotius, Jan Albertsz. (1624-1666)
*Anoniem (7 juni 1898) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 232/Nummer 131/Men meldt ons uit Amsterdam|‘Men meldt ons uit Amsterdam: [...]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', Eerste Blad, [p. 2].
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Albertsz. Roodtseus|“Jan Albertsz. Roodtseus”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 11-12.
;Ruysch, Rachel
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
*''Kunsthandel Dorus Hermsen N.V.'', Den Haag, december 1933.<br>Aankondigingen en recensies:
**Gio. [=Jan Kalff] (16 december 1933) ‘Kunst in Den Haag’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 10.
;Saftleven, Cornelis
*Anoniem (8 november 1905) [[Het Nieuws van den Dag/1905/Nummer 10999/Wetenschap en kunst|‘Wetenschap en kunst’]], ''Het Nieuws van den Dag'', p. 15.
;Sant-Acker, Frans (''fl''. 1648-1668)
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
;Santvoort, Dirck Dircksz.
*''Catalogue de tableaux anciens de premier ordre des écoles hollandaise et flamande provenant de différentes successions vente à Amsterdam à hôtel "De Brakke Grond" le mercredi 16 mai 1877'', Van Pappelendam & Schouten, Amsterdam.<br>Uitslagen:
**Anoniem (17 mei 1877) [[Algemeen Handelsblad/1877/Nummer 14517/Uitslag der veiling|‘Uitslag der veiling van oude schilderijen op heden, in „de Brakke Grond” alhier. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', [p. 3].
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
;Savoyen, Carel van (1618-1665)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Karel van Savoyen|“Karel van Savoyen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 53.
;Schagen, Gillis (1616-1668)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gillis Schagen|“Gillis Schagen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 30-32.
;Seghers, Hercules
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hercules Segers|“Hercules Segers”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 136-137.
*''Hercules Seghers. Omstreeks 1590-omstreeks 1640'', ’s Rijks Prentenkabinet, Amsterdam, 1 april-30 juni 1914.<br>Aankondigingen en recensies:
**M.V. (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Prentenkabinet Hercules Seghers|‘Prentenkabinet: Hercules Seghers’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p. 6.
;Sorgh, Hendrick Martensz. (ca. 1611-1670)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hendrik Martensz. bygenaamt Zorgh|“Hendrik Martensz. bygenaamt Zorgh”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 89-90.
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
;Stap, Jan Woutersz. genaamd
*''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p. 3.
;Staveren, Jan Adriaensz. van
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Streek, Juriaan van (1632-1687)
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
;Stoop, Dirk
*''Kersttentoonstelling van teekeningen van Utrechtsche meesters der 17e en 18e eeuw uit het bezit van Teyler's Stichting te Haarlem'', Centraal Museum, Utrecht, december 1927, geen catalogus bekend.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 december 1927) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 84/Nummer 358/Centraal Museum te Utrecht|‘Centraal Museum te Utrecht’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Ochtendblad, B, p. 1.
;Storck, Abraham
[[Bestand:Het Nieuws van den Dag 1878 no 2447 advertisement Belangrijke Verkooping van schilderijen door oude meesters.jpg|thumb|Advertentie uit ''Het Nieuws van den Dag'', 21 februari 1878.]]
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Storck, Jacobus
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
*Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p. 38-48.
;Swart, Pieter
*Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p. 38-48.
;Tempel, Abraham van den
*''Tentoonstelling van zeldzame en belangrijke schilderijen van oude meesters. In de kunstzalen der Maatschappij „Arti et Amicitiae.” Ten behoeve van het Weduwen- en Wezenfonds'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 12 april 1872-....<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (14-15 april 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 89/Amsterdam, 12 April|‘Amsterdam, 12 April’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', bijvoegsel, [p. 1].
*Anoniem (22 juli 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24505/Avondblad/"Rembrandt"|‘„Rembrandt”’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Eerste Blad, [p. 1].
;Troost, Cornelis
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Tulden, Theodoor van
*Anoniem (24 september 1902) [[De Zuid-Willemsvaart/Jaargang 22/Nummer 76/Veiling Heeswijk|‘Veiling Heeswijk’]], ''De Zuid-Willemsvaart'', [p. 2].
;Vaillant, Andries (1655-1693)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vaillant|“Wallerant, Jan, Bernard, Jaques en Andreas Vaillant”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 102-105.
;Vaillant, Bernard (1632-1698)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vaillant|“Wallerant, Jan, Bernard, Jaques en Andreas Vaillant”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 102-105.
;Vaillant, Jacques (1643-1691)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vaillant|“Wallerant, Jan, Bernard, Jaques en Andreas Vaillant”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 102-105.
;Vaillant, Wallerant (1623-1677)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vaillant|“Wallerant, Jan, Bernard, Jaques en Andreas Vaillant”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 102-105.
;Valkenburg, Dirk
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
;Velde, Jan van de (III) (1620-1662)
*Anoniem (18 oktober 1924) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 81/Nummer 289/Avondblad/Kunsthandel Gebr. Douwes|‘Kunsthandel Gebr. Douwes’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p. 1.
;Velde, Willem van de (II) (1633-1707)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Venne, Pieter van de
*''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Recensies en aankondigingen:
**Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p. 3.
;Verbeeck, Cornelis (ca. 1590-na 1637)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 117-125, met name 123.
;Verbijl, Jan Govertsz. (1634-1690)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Duive|“Jan Duive”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 90-91.
;Verboom, Adriaen Hendriksz. (1627/1628-1673)
[[Bestand:Het Nieuws van den Dag 1878 no 2447 advertisement Belangrijke Verkooping van schilderijen door oude meesters.jpg|thumb|Advertentie uit ''Het Nieuws van den Dag'', 21 februari 1878.]]
*''Catalogue de douze tableaux anciens provenant de la célèbre galerie de tableaux de feu Madame la douairière Van Loon-van Winter, à Amsterdam, et d’autres tableaux anciens provenant de la famille Druyvesteyn, de Haarlem, de feu Monsieur Ed. Croese, d’Amsterdam, et d’autres successions'' […], C.F. Roos en C.F. Roos Jr., Amsterdam, 26 februari 1878.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (27 februari 1878) [[Opregte Haarlemsche Courant/1878/Nummer 50/In de heden (dingsdag) te Amsterdam gehouden veiling|‘In de heden (dingsdag) te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Opregte Woensdagsche Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Verdoel, Adriaen (I) (1623-1675)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Adriaan Verdoel|“Adriaan Verdoel”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 57-58.
;Verkolje, Nicolaas (1673-1746)
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
;Verschuring, Hendrick (1627-1690
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
*''Catalogus tentoonstelling van schilderijen en teekeningen van Nederlandsche Italianiseerende schilders uit de 16e en 17e eeuw'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 14 juli-16 september 1934.<br>Aankondigingen en recensies:
**M.V. (27 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 35008/Avondblad/Nederlandsche italianiseerende meesters|‘Nederlandsche italianiseerende meesters’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 9.
;Verspronck, Johannes Cornelisz. (1600/1603-1662)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 117-125, met name 122-123.
;Verwilt, François
*''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies:
**Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p. 1-2].
;Victors, Jan
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
*''Catalogus tentoonstelling van schilderijen en teekeningen van Nederlandsche Italianiseerende schilders uit de 16e en 17e eeuw'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 14 juli-16 september 1934.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (14 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 34995/Avondblad/Tentoonstelling in "Arti"|‘Tentoonstelling in „Arti”. Italianisanten uit de 16de en 17de eeuw’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 9.
;Vinne, Vincent Laurensz. van der (I) (1628-1702)
*Anoniem (25 februari 1940) [[Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 63/Nummer 22259/Beroemde Haarlemmers|‘Beroemde Haarlemmers’]], ''Nieuwe Haarlemsche Courant'', [p. 3].
;Vliet, Hendrick van (1611/1612-1675)
*[''Stadsgezichten en genretaferelen''], Centraal Museum, Utrecht, ....-15 juli 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**H. de Jonge (12 juni 1934) ‘Centraal museum Utrecht. Stadsgezichten en genretafereelen’, ''De Tijd'', Avondblad, [p. 5].
*Anoniem (15 oktober 1935) [[De Tijd/Jaargang 91/Nummer 28430/Avondblad/Utrechts Centraal Museum|‘Utrechts Centraal Museum’]], ''De Tijd'', Avondblad, [p. 6].
;Vois, Ary de
*''Catalogue de tableaux anciens de premier ordre des écoles hollandaise et flamande provenant de différentes successions vente à Amsterdam à hôtel "De Brakke Grond" le mercredi 16 mai 1877'', Van Pappelendam & Schouten, Amsterdam.<br>Uitslagen:
**Anoniem (17 mei 1877) [[Algemeen Handelsblad/1877/Nummer 14517/Uitslag der veiling|‘Uitslag der veiling van oude schilderijen op heden, in „de Brakke Grond” alhier. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', [p. 3].
;Voort, Cornelis van der
*Anoniem (24 september 1902) [[De Zuid-Willemsvaart/Jaargang 22/Nummer 76/Veiling Heeswijk|‘Veiling Heeswijk’]], ''De Zuid-Willemsvaart'', [p. 2].
;Vrel, Jacob
*''Vermeer. Oorsprong en invloed Fabritius, De Hooch, De Witte'', Museum Boymans, Rotterdam, 9 juli-9 oktober 1935.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (24 mei 1935) [[Haagsche Courant/Nummer 16042/Boymans' openings-expositie|‘Boymans’ openings-expositie. Werken van Meesters van de Delftsche School’]], ''Haagsche Courant'', vierde blad, p. 3.
**Anoniem (9 juli 1935) [[De Gooi- en Eemlander/Jaargang 64/Nummer 159/Schilderkunst|‘Schilderkunst. De Vermeer-tentoonstelling in Boymans’]], ''De Gooi- en Eemlander'', eerste blad, p. 3.
;Waben, Jacobus (ca. 1575-ca. 1641)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jaques Wabbe|“Jaques Wabbe”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 10-11.
;Waes, Aert van (ca. 1620-1664)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Duive|“Jan Duive”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 90-91.
;Waterloo, Anthonie (1609-1690)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Antoni Waterloo|“Antoni Waterloo”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 51.
;Wieringa, Harmen Willems
*Anoniem (22 juli 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24505/Avondblad/"Rembrandt"|‘„Rembrandt”’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Eerste Blad, [p. 1].
;Wieringen, Cornelis Claesz. (1577-1633)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 117-125, met name 122.
;Wilkens, Theodoor (ca. 1690-1748)
*''Catalogus tentoonstelling van schilderijen en teekeningen van Nederlandsche Italianiseerende schilders uit de 16e en 17e eeuw'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 14 juli-16 september 1934.<br>Aankondigingen en recensies:
**M.V. (27 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 35008/Avondblad/Nederlandsche italianiseerende meesters|‘Nederlandsche italianiseerende meesters’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 9.
;Willaerts, Adam (1577-1664)
*Houbraken, Arnold (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Adam Willaarts|"Adam Willaarts"]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p. 60.
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
;Willaerts, Cornelis
*''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies:
**Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p. 1-2].
;Wit, Jacob de
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Withoos, Alida (ca. 1661/1662-1730)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathias Withoos|“Mathias Withoos”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 186-189, met name 188.
;Withoos, Frans
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathias Withoos|“Mathias Withoos”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 186-189, met name 189.
;Withoos, Johannes (1648-ca. 1688)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathias Withoos|“Mathias Withoos”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 186-189, met name 188.
;Withoos, Matthias (1627-1703)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathias Withoos|“Mathias Withoos”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 186-189.
;Withoos, Pieter (ca. 1657-1692)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathias Withoos|“Mathias Withoos”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 186-189, met name 189.
;Wittel, Caspar van (1653-1736)
*''Kunsthandel Dorus Hermsen N.V.'', Den Haag, december 1933.<br>Aankondigingen en recensies:
**Gio. [=Jan Kalff] (16 december 1933) ‘Kunst in Den Haag’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 10.
*''Catalogus tentoonstelling van schilderijen en teekeningen van Nederlandsche Italianiseerende schilders uit de 16e en 17e eeuw'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 14 juli-16 september 1934.<br>Aankondigingen en recensies:
**M.V. (27 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 35008/Avondblad/Nederlandsche italianiseerende meesters|‘Nederlandsche italianiseerende meesters’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 9.
;Worst, Jan (....-na 1686)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Worst|“Jan Worst”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 147.
;Wouwerman, Jan (1629-1666)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Philip Wouwerman|“Philip Wouwerman”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 69-76, met name 76.
;Wtewael, Joachim (1566-1638)
*''Catalogus tentoonstelling van schilderijen en teekeningen van Nederlandsche Italianiseerende schilders uit de 16e en 17e eeuw'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 14 juli-16 september 1934.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (14 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 34995/Avondblad/Tentoonstelling in "Arti"|‘Tentoonstelling in „Arti”. Italianisanten uit de 16de en 17de eeuw’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 9.
**M.V. (27 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 35008/Avondblad/Nederlandsche italianiseerende meesters|‘Nederlandsche italianiseerende meesters’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 9.
**Engelman, Jan (25 augustus 1934) ‘Italianiseerende schilders in Nederland’, ''De Tijd'', Avondblad, [p. 5].
*''Tentoonstelling van schilderijen der Utrechtsche School'', Centraal Museum, Utrecht, 21 juni 1941–1 oktober 1941.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (23 juni 1941) [[Het Volk, Socialistisch Dagblad/Jaargang 4/Nummer 833/Utrechtse schildersschool|‘Utrechtse schildersschool’]], ''Het Volk'' (''Socialistisch Dagblad''), p. 5.
;Wyck, Jan (1652-1700)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Tomas Wyk|“Tomas Wyk”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 16-18.
;Zuylen, J. Hendricksz. van (''fl''. 1644)
*Anoniem (7 december 1931) [[De Maasbode/Jaargang 64/Nummer 24049/Avondblad/Centraal Museum te Utrecht|‘Centraal Museum te Utrecht. Nieuwe aanwinsten’]], ''De Maasbode'', Avondblad, p. 6.
;Overige onderwerpen
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan Asselijn|Jan Asselijn]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Balthasar van der Ast|Balthasar van der Ast]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Justus van Attevelt|Justus van Attevelt]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Dirck van Baburen|Dirck van Baburen]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Ludolf Bakhuizen|Ludolf Bakhuizen]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Cornelis Bega|Cornelis Bega]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Abraham van Beijeren|Abraham van Beijeren]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Nicolaes Berchem|Nicolaes Berchem]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Gerrit Berckheyde|Gerrit Berckheyde]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Jan van Bijlert|Jan van Bijlert]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Abraham Bloemaert|Abraham Bloemaert]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Adriaen Bloemaert|Adriaen Bloemaert]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Ferdinand Bol|Ferdinand Bol]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Paulus Bor|Paulus Bor]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Gerard ter Borch (II)|Gerard ter Borch (II)]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Andries Both|Andries Both]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Jan Both|Jan Both]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Hendrick ter Brugghen|Hendrick ter Brugghen]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Aelbert Cuyp|Aelbert Cuyp]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Benjamin Cuyp|Benjamin Cuyp]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Simon van der Does|Simon van der Does]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Gerard Dou|Gerard Dou]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Joost Cornelisz. Droochsloot|Joost Cornelisz. Droochsloot]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Carel Fabritius|Carel Fabritius]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Govert Flinck|Govert Flinck]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jacob Gillig|Jacob Gillig]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Jan van Goyen|Jan van Goyen]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Frans Hals|Frans Hals]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Adriaen Hanneman|Adriaen Hanneman]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Willem Claesz. Heda|Willem Claesz. Heda]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Cornelis de Heem|Cornelis de Heem]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Bartholomeus van der Helst|Bartholomeus van der Helst]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Meindert Hobbema|Meindert Hobbema]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Gerard van Honthorst|Gerard van Honthorst]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Pieter de Hooch|Pieter de Hooch]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan van Huchtenburg|Jan van Huchtenburg]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Willem Kalf|Willem Kalf]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Hendrik van Limborch|Hendrik van Limborch]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Johannes Lingelbach|Johannes Lingelbach]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Nicolaes Maes|Nicolaes Maes]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Gabriël Metsu|Gabriël Metsu]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Michiel van Mierevelt|Michiel van Mierevelt]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan Miense Molenaer|Jan Miense Molenaer]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Aert van der Neer|Aert van der Neer]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jacob Ochtervelt|Jacob Ochtervelt]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Adriaen van Ostade|Adriaen van Ostade]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Isaac van Ostade|Isaac van Ostade]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Anthonie Palamedesz.|Anthonie Palamedesz.]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Cornelis van Poelenburch|Cornelis van Poelenburch]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Paulus Potter|Paulus Potter]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Pieter Potter|Pieter Potter]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Rembrandt|Rembrandt]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jacob van Ruisdael|Jacob van Ruisdael]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Salomon van Ruysdael|Salomon van Ruysdael]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Pieter Saenredam|Pieter Saenredam]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Herman Saftleven|Herman Saftleven]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Jan Steen|Jan Steen]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Johannes Torrentius|Johannes Torrentius]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jacob van der Ulft|Jacob van der Ulft]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Adriaen van de Velde|Adriaen van de Velde]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Adriaen van de Venne|Adriaen van de Venne]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Johannes Vermeer|Johannes Vermeer]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan Weenix|Jan Weenix]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan Baptist Weenix|Jan Baptist Weenix]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Thomas Wijck|Thomas Wijck]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan Wijnants|Jan Wijnants]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Emanuel de Witte|Emanuel de Witte]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Philips Wouwerman|Philips Wouwerman]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Pieter Wouwerman (II)|Pieter Wouwerman (II)]]
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal beeldende kunst]]
ph8ga8l1zfqg11bvua1xl5djzq3nvwd
Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Rembrandt
100
59541
222863
221111
2026-06-04T19:29:27Z
Vincent Steenberg
280
+bron
222863
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox thema
| naam = Rembrandt
| afbeelding = Rembrandt Self-portrait (Kenwood).jpg
| alt = Zelfportret met twee cirkels, ca. 1665-1669
| beschrijving = Bronnen bij de Noord-Nederlandse schilder, etser en tekenaar [[w:nl:Rembrandt van Rijn|Rembrandt van Rijn]].
| artikelwikipedia =
}}
== Algemeen ==
=== Bibliografieën - Bronnenonderzoek ===
*Bredius, A. (10 juni 1910) ‘An Max Lautner’, ''Kunstchronik'', Neue Folge, jrg. 21, nr. 30, [p. 481-482].<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 juli 1910) [[De Preanger-bode/Jaargang 15/Nummer 203/Ochtend-editie/Rembrandt en Bol|‘Rembrandt en Bol’]], ''De Preanger-bode'', Ochtend-editie, [p. 2].
== Inleidingen - Hand- en leerboeken ==
== Verzamelen - Musea - Tentoonstellingen ==
=== Verzamelen ===
==== Kunsthandel ====
*J.W. (12 april 1937) [[Arnhemsche Courant/Jaargang 124/Nummer 15586/Kunstzaal Fa. D. Katz te Dieren|‘Kunstzaal Fa. D. Katz te Dieren. Wederom aanwinsten’]], ''Arnhemsche Courant'', tweede blad, p. 3.
==== Veilingen ====
;1758
*''Catalogue de Tableaux, de Cabinet de feu Monsieur Martin Robyns; qui se Vendront publiquement en Argent de change'', Brussel, 22 mei 1758 ''sqq''.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (4 mei 1758) [[:s:fr:Avis au Public le 22 May 1758, et jours suivants on vendra à Bruxelles (…)|‘Avis au Public le 22 May 1758, et jours suivants on vendra à Bruxelles […]’]], ''Amsterdamse Donderdagse Courant'', [p. 2].
;1914
*''Catalogue des tableaux anciens des écoles allemande, anglaise, espagnole, flamande, française, hollandaise, italienne, suisse des XVe, XVIe, XVIIe, XVIIIe siècles composant la collection de Son Excellence feu Paul Delaroff, conseiller privé de Sa Majesté l'Empereur de Russie'', F. Lair-Dubreuil, Parijs, 23-24 april 1914.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Veiling-Delaroff|‘Veiling-Delaroff’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p. 7.
;1925
*''Ancient and Modern Pictures from the Collection of Henry Weigall'', Christie's, Londen, 6 juli 1925.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (3 juli 1925) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 82/Nummer 182/Avondblad/Veilingen|‘Veilingen’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad C, p. 1.
;1927
*''Collections de Feu le Baron Léon de Pitteurs Hugaerts d'Ordange et Autres Provenances'', Galerie Fievez, Brussel, 14-17 december 1927.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (3 december 1927) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 84/Nummer 334/Avondblad/Veilingen|‘Veilingen’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p. 1.
;1931
*''Seltene frühe deutsche und Italienische Graphik des XV. Jahrhunderts'', C.G. Boerner, Berlijn, 27-28 april 1931.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (26 maart 1931) [[Het Vaderland/Jaargang 62/26 maart 1931/Avondblad/Op 27 en 28 April|‘Op 27 en 28 April zal Boerner te Leipzig een veiling houden van Grafiek uit de Eremitage te Leningrad. […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, [p. 1].
*''Collections Marczell von Nemes. Catalogue des tableaux'', Mensing & Fils, Paul Cassirer en Hugo Helbing, München, 16-19 juni 1931.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (29 mei 1931) [[De Telegraaf/jaargang 39/nummer 14629/De a.s. Von Nemes-veiling|‘De a.s. Von Nemes-veiling’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, Derde Blad, p. 9.
=== Musea ===
;Groninger Museum, Groningen
*Anoniem (31 maart 1915) [[Nieuwsblad van het Noorden/Jaargang 76/Nummer 28/Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot|‘Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot’]], ''Nieuwsblad van het Noorden'', [eerste blad, p. 2].
;Holburne Museum, Bath
*Anoniem (12 januari 1907) [[De Preanger-bode/Jaargang 12/Nummer 10/Holbbourne Art Museum|‘Tot voor kort was het Holbbourne Art Museum te Bath in Engeland zeer rijk aan werken van de beroemdste schilders. […]’]], ''De Preanger-bode'', tweede blad, [p. 2].
;Mauritshuis, Den Haag
*Anoniem ([ca. 1900]) [[Anoniem/Mauritshuis 's-Gravenhage|''Mauritshuis The Hague Holland. Mauritshuis ’s-Gravenhage'']], ’s-Gravenhage: De Groot & Dijkhoff.
;Musée du Louvre, Parijs
*Anoniem (1834) ''Notice des tableaux exposés dans le Musée Royal'', Paris: Vinchon, fils et successeur de mme. ve. Ballard, p. 107-109, cat.nrs. 656-672.<br>Aankondigingen en recencies:
**Anoniem (21 augustus 1834) [[Bredasche Courant/1834/Nummer 198/Frankrijk|‘Frankrijk’]], ''Bredasche Courant'', [p. 3].
;Rijksmuseum Amsterdam
*Anoniem (1809) ''[[Catalogus der schilderijen, oudheden enz. op het Koninklijk Museum te Amsterdam]]'', Amsterdam: Gebroeders van Cleeff, p. 57-60.
*Dubourcq, P.L. (1858) ''[[Beschrijving der schilderijen op 's Rijks Museum te Amsterdam|Beschrijving der schilderijen op ’s Rijks Museum te Amsterdam met Fac Simile der Naamteekens]]'', Amsterdam: Frans Buffa & Zonen, p. 122-125.
=== Tentoonstellingen ===
;1872
*''Tentoonstelling van zeldzame en belangrijke schilderijen van oude meesters. In de kunstzalen der Maatschappij „Arti et Amicitiae.” Ten behoeve van het Weduwen- en Wezenfonds'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 12 april 1872-....<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (14-15 april 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 89/Amsterdam, 12 April|‘Amsterdam, 12 April’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', bijvoegsel, [p. 1].
;1890
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
;1894
*''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies:
**Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p. 1-2].
;1926
*''Tentoonstelling oude kunst in particulier bezit te Haarlem'', Frans Hals Museum, Haarlem, 18 december 1926-15 januari 1927.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (20 december 1926) [[De Tijd/Jaargang 82/Nummer 24268/Oude Kunst te Haarlem|‘Oude Kunst te Haarlem’]], ''De Tijd'', p. 8.
;1927
*''Catalogue de la collection Goudstikker d'Amsterdam'', Rotterdamsche Kunstkring, Rotterdam, 11-26 juni 1927.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 juni 1927) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 100/Nummer 32427/Avondblad/Collectie Goudstikker|‘Collectie Goudstikker. Nieuwe catalogus’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, p. 9.
;1932
*''Kaarten, profielen en panorama’s van Amsterdam'', Museum Fodor, Amsterdam, 10 september-27 november 1932.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (1 oktober 1932) [[De Locomotief/Jaargang 81/Nummer 228/Amsterdam in Vroeger Eeuwen|‘Amsterdam in Vroeger Eeuwen. Eene belangwekkende tentoonstelling’]], ''De Locomotief'', Vijfde Blad, [p. 2].
;1937
*''Catalogus van eenige schilderijen en kunstvoorwerpen uit de collectie van de Heer en Mevrouw Dr. A. F. Philips-de Jongh'', Stedelijk Van Abbemuseum, Eindhoven, 21 januari-8 februari 1937.<br>Recensies en aankondigingen:
**Anoniem (12 januari 1937) [[De Tijd/Jaargang 92/Nummer 29191/Avondblad/Kunst van heden|‘Kunst van heden’]], ''De Tijd'', Avondblad, [p. 10].
;1939
*''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Recensies en aankondigingen:
**Anoniem (8 juni 1939) [[Het Vaderland/Jaargang 71/8 juni 1939/Avondblad/Oude kunst|‘Oude kunst’]], ''Het Vaderland'', [Avondblad B, p. 1].
**Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p. 3.
*''Tentoonstelling Bijbelsche Kunst'', Rijksmuseum, Amsterdam, 8 juli-8 oktober 1939.<br>Aankondigingen en recensies:
**M.V. (27 juli 1939) ‘Bijbelsche kunst in het Rijksmuseum’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 9.
;1940
*''Verzameling Lanz. Verkorte catalogus'', Rijksmuseum, Amsterdam, juni-augustus 1940.<br>Aankondigingen en recensies:
** M.V. (12 juni 1940) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 113/Nummer 37136/Avondblad/Tentoonstelling in het Rijksmuseum|‘Tentoonstelling in het Rijksmuseum’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Derde blad, p. 5.
== Werken ==
=== Schilderkunst ===
;Borststuk van een oude vrouw, ca. 1628 (The Leiden Collection, New York)
*Anoniem (24 april 1912) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 69/Nummer 113/Ochtendblad/Rembrandt’s Moeder|‘Rembrandt’s Moeder’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Ochtendblad, A, p. 1.
;De Nachtwacht
*Anoniem (13 augustus 1898) [[De Opmerker/Jaargang 33/Nummer 33/De Nachtwacht|‘De Nachtwacht’]], ''De Opmerker'', jrg. 33, nr. 33, p. 261.
;Portret van de zus van de schilder
*Anoniem (12 april 1889) [[De Tijd/1889/Nummer 2688/Naar de N. Rott. Ct verneemt|‘Naar de N. Rott. Ct verneemt, […]’]], ''De Tijd'', [eerste blad], [p. 2].
=== Grafische kunst ===
;De predikende Christus (De Honderdguldenprent), ca. 1647-1649
*Anoniem ([augustus] 1867) [[De Katholieke Illustratie/Jaargang 1/Nummer 1/Eene kostbare kopergravuur|‘Eene kostbare kopergravuur’]], ''De Katholieke Illustratie'', jrg. 1, nr. 1, p. 8.
== Bijzondere onderwerpen ==
;Rembrandt en zijn tijd
*Loon, Hendrik Willem van (1931) ''R. v. R. Zijnde een relaas van de laatste jaren en den dood van een zekeren Rembrandt Harmenszoon van Rijn, schilder en etser van eenige bekendheid die leefde en werkte'' […] ''in de stad Amsterdam'' […] ''en stierf in algemeene vergetelheid en moeilijke omstandigheden op den vierden October van het jaar des Heeren 1669'' […] ''en die in zijn ziekte en leed werd bijgestaan door Joannis van Loon, doctor medicinae en chirurgijnsmeester'' […] ''die'' […] ''den tijd vond deze persoonlijke herinneringen aan den beroemdsten van zijn medeburgers neer te schrijven welke nu voor het eerst worden gepubliceerd '' [historische roman], Leyden: Sijthoff.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 maart 1932) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 105/Nummer 34165/Avondblad/Nieuwe Nederlandsche boeken|‘Nieuwe Nederlandsche boeken’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, bijvoegsel, p. 2.
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal beeldende kunst]]
am4twms03nryeqmm0fbt5pv85rzkcv0
Index:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu
106
67507
222850
220947
2026-06-04T13:26:16Z
WeeJeeVee
2844
klaar
222850
proofread-index
text/x-wiki
{{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template
|Type=boek
|Taal=nl
|wikidata=
|Titel=[[De boeken der kleine zielen]]
|Ondertitel=[[Couperus/De kleine zielen|De kleine zielen]] — [[Couperus/Het late leven|Het late leven]] — [[Couperus/Zielenschemering|Zielenschemering]] — [[Couperus/Het heilige weten|Het heilige weten]]
|Deel=
|Auteur=[[Auteur:Louis Couperus|Louis Couperus]]
|Vertaler=
|Redacteur=
|Illustrator=
|Stroming=
|Jaar=1935
|Uitgever=P. N. Van Kampen & Zoon N. V.
|Plaats=Amsterdam
|Druk=
|OorspronkelijkeUitgave=
|Key=
|doe_wikidata=
|ISBN=
|OCLC=
|LCCN=
|BNF_ARK=
|DBNL=
|Bron=djvu
|Afbeelding=7
|Voortgang=T
|Delen=
|Pagina's='''I. DE KLEINE ZIELEN'''
<Pagelist from=1 to=232
1=Omslag
2to4=—
5=Ft.
6=Volumes
7=Title
8=—
9="Vol. 1"
10=—
11=7
232=—
/>
'''II. HET LATE LEVEN'''
<Pagelist from=233 to=390
233="Vol. 2"
234=—
235=231
/>
'''III. ZIELENSCHEMERING'''
<Pagelist from=391 to=566
391="Vol. 3"
392=—
393=389
566=—
/>
'''IV. HET HEILIGE WETEN'''
<Pagelist from=567 to=758
567="Vol. 4"
568=—
569=565
566=— />
'''INHOUD'''
<pagelist from=759 to=762
759to762=Inhoud
/>
|Opmerkingen={{Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/759}}
{{Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/760}}
{{Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/761}}
{{Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/762}}
|NestedInhoud=
|Breedte=
|Css=
|Header=
|Footer=
}}
gr7mxmcq8blhnxdulr2xiwj152dpu88
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/673
104
68764
222763
188738
2026-06-04T12:51:13Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222763
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Herkent u me niet meer, meneer Brauws? — zij stak hem de hand toe -: herkent u me dan heus niet meer? Tante Constance... meneer Brauws herkent me niet meer, en toch hebben we dikwijls, vroeger, zo geredetwist.
— Freule... freule Van Naghel... freule Marianne... stamelde Brauws.
— Mevrouw Van Vreeswijck, zei zacht Marianne; en hier zijn mijn kinderen...
En zij toonde hem een meisje van acht en twee jongens van zeven en zes, en hij was er nauwlijks over verwonderd, maar hij voelde zeer de weemoed van de verledene dagen zwellen in het grote huis, toen Van der Welcke de trap afkwam, en Brauws hem hoorde zeggen, verrast:
— Zo Marianne... ben je daar met je kinderen...!
— Ja oom ... we waren in Utrecht om oom en tante Van Vreeswijck op te zoeken... ze zijn zo gesteld op de kinderen... Charles komt misschien vanmiddag nog aan... maar hij kon het niet zeker zeggen...
En zich tot Brauws wendend, ging zij voort, heel natuurlijk:
— Wij wonen bij Arnhem: komt u van de zomer ons niet opzoeken... Vreeswijck zal het aardig vinden...
Zij sprak heel natuurlijk en alles was heel gewoon, nu zij om de grote tafel zich zetten in de eetkamer, en Marianne zo rustig-weg verder vertelde:
— En Marietje... dezer dagen — mijn God, wat een Marietjes in de familie — ònze Marietje dan komt u gauw haar luitenant presenteren...
— Is het er door? vroeg Constance. Oom Van Naghel vond het niet goed.
— Oom heeft toegegeven... zei Marianne de schouders ophalend. Maar de goeie jongen heeft geen cent, en hoe zij moeten leven van zijn luitenants-traktement is ons allen een raadsel. En Marietje, die altijd beweerde, dat ze alleen een rijk man zou trouwen... En Karel maakt het heus goed in Indië...
O, wat was het leven gewoon, wat gewoonweg rolde het uit met zijn gestadige grauwe banen, meende nu Brauws, stil in zich, terwijl hij toezag hoe Guy het vlees sneed in rechte vlakke plakken... En zo gewoon als het rolde, wat werd het toch altijd een geheel ander leven, dan wie ook voor zich zijn leven gedacht had, zijn toekomst zich had verbeeld, zijn illuzie, hoog of klein, zich verlucht had — de klein-menselijke fantazie altijd zich de toekomst verluchtende naar zijn klein-menselijke illuzie-verlangens... O, als was geworden, volgens laat leven en uit zichzelf herboren worden, de illuzie, die zij, Constance, die hijzelf, Brauws, zich hadden gespiegeld, ongezegd tot elkaar, een enkel heel glanzend ogenblik — o, als was geworden de illuzie van Hans, en dat jonge vrouwtje nu, moedertje van drie kinderen — zou het alles beter zijn geweest, dan het nu was...<noinclude></noinclude>
8nj1nfzqoemi04acqa8yfzya4fr55fs
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/674
104
68765
222764
188739
2026-06-04T12:51:37Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222764
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>Wie weet het, wie weet het... en of het dromende bedenken ervan gaf heèl de weemoed der verledene dingen, toch was er in die weemoed de berusting, dat het leven, dat werd, het beter wist dan de mensen, die zich de toekomst spiegelden... Nu zaten zij daar allen, zo eenvoudig, om de grote tafel, aan het eenvoudige maal, waarover Constance zich verontschuldigde, zeggende dat Marianne haar was komen overvallen, en nauwlijks verwonderde Brauws zich, dat Marianne met Van Vreeswijck getrouwd was — hij wist het niet en het was hem verrassing, haar plotseling te zien met haar kindertjes -; nauwlijks verwonderde hij zich, dat zij en Hans zo eenvoudig-weg spraken met elkaar, oom en nichtje — als was er nooit een weven van gevoel geweest tussen hen: nauwlijks verwonderde hij zich, dat hijzelf tegen Constance zo eenvoudig-weg sprak, terwijl hij de weemoedigheid voelde om Addy, wiens grauwende ogen zo somberden: een hartstocht al had hij als kind voor hem opgevat, voelende in hem iets van toekomst, dat hij zelf nooit zo worden en wèl geleden had hij, omdat hij voelde Addy's ijverzucht, ijverzucht zijn vader ter wille — als hij, Brauws, bij zijn moeder zat, uren lang, in de schemerende kamer, in de intimiteit der elkaar zo dadelijk begrijpende en sympathisch aanvoelende woorden...
Nu waren de jaren voorbijgegaan, smart was verdoezeld, en smart werd geboren misschien, onbestaanbaar het leven zonder de smart, voor ieder als een erfdeel weggelegd, en toch was smart zo heel weinig, en werd smart zo heel klein, in de reusachtigheid van het alwijde leven. Zachtjes was er maar om te glimlachen, later, heel later, om àl de teleurstelling, zelfs die van het zoeken en niet-vinden en niet-verkrijgen... Het was om de kinderen een hele drukte, de drie Vreeswijckjes na den eten spelende met Jetje en Constant, en omdat de meisjes toch bij de kinderen waren, ging Constance, de arm om Marianne's middel, naar boven, naar haar eigen kamer...
— Een ogenblik hier rustig zitten... zei Constance.
Marianne glimlachte.
— U heeft het altijd druk, tante.
— Kind, ik weet niet waarom het zo is... Hier in Driebergen... we leven zo stil... en toch... toch is er altijd drukte. Soms verlang ik wel eens heel alleen te zijn... Maar het duurt nooit lang... en het schijnt niet te kunnen... Enfin, zo als het is, is het ook goed...
— Wat een weer is het, tante... Ik herinner me: zo regende het ook zo dikwijls als ik bij u kwam... in de Kerkhoflaan... Wat is dat nu lang geleden... Jaren, jaren geleden... Hier, tussen uw oude meubeltjes, komt het plotseling en vreemd tot me... als of het hetzelfde is gebleven... en als of toch alles is veranderd... Tante... tante...
In een impulsie, plotseling, wierp zij zich op de knieën naast Constance en greep haar hand.<noinclude></noinclude>
ivz550brk427vacep84xa17l93mxuyu
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/675
104
68766
222765
188740
2026-06-04T12:52:02Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222765
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Herinnert u zich... herinnert u zich... Met zulke regen... met zulke regen kwam ik bij u en bleef ik bij u... en ik kon het niet zien, dat u niet met oom gelukkig was... en weet u wel... ik sprak er over... ik zei onhandigheden... ik vroeg u te proberen met oom gelukkig te zijn omdat het mij zo een verdriet deed... Herinnert u zich... herinnert u zich... En nu, tante... nu komt het mij voor... of... al is er dan veel hetzelfde gebleven... dàt toch wel is veranderd... of het nu zo veel beter geworden is tussen u... en oom... tussen u... en oom...
— Kind... wij zijn oud geworden en alles heeft zich zo verzacht... en oom... oom is wèl heel goed.
— Ja, hij is goed...
— Hij is eenvoudig-weg goed...
— Dat ziet u nu in.
— Ja, dat zie ik nu... dat beken ik...
— O, dat doet mij pleizier... Ja, wij zijn oud geworden.
— Jij niet.
— Ik ook, zei zij zacht lachende. Ik ben jong, maar ik ben ouder dan mijn jaren... En tante, zeg, herinnert u zich... voordat wij naar Baarn zouden gaan, kwam u eens bij ons... wij waren juist in de verhuizing... u liet mij roepen en u vroeg mij... u zei mij... dat Charles... dat Charles van mij hield... en ik weigerde... herinnert u zich... herinnert u zich...
— Zou ik mij dat niet herinneren, kind... en nu... nu is het tòch zo geworden... en nu is het ook goed, niet waar...
— Ja, tante, het is goed tussen ons nu... en ik heb mijn kinderen... Herinnert u zich nu... herinnert u zich... eens kwam u te Baarn bij ons... en ik was heel melancholiek en u nam mij in uw arm, u nam mij tegen u aan... en u... vertelde mij... een sprookje... van de kleine ziel.. die liep door de ijdelheid... heen naar de extaze... Herinnert u zich... en toen de extaze... doofde... toen vond ze... de kleine ziel... een korrel... een grein... maar die haar toch genoeg was, omdat ze zelve zo klein was, de ziel... Herinnert u zich, tante... herinnert u zich...
— Ja kind, ik herinner mij... Het waren heel kleine woorden om je wat te troosten en op te beuren... En nu heeft de kleine ziel... de korrel gevonden, niet waar...
— Ik geloof het wel, tante... maar onder... onder dat alles... van kleine gewone dingen... blijft heel veel melancholie... Misschien is dat slecht... en moest het zo niet zijn...
— Maar als er verledene dingen zijn... als er geleéfd is vroeger, kind... dan is er altijd de melancholie, en hebben wij er ieder ons deel niet van... juist omdat wij diep voelen... heel diep voelen misschien... onder onze donkere luchten... en omdat ons gevoel àltijd bij blijft... en ook onze melancholie...
— Misschien, tante, is het zo... En zo gaat het voort,<noinclude></noinclude>
3ni8b69hkxleword767spz09w7ihtok
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/676
104
68767
222766
188741
2026-06-04T12:52:34Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222766
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>zo drijven wij voort... Ziet u... en toch zijn er goede dingen... Zeg mij, treft het u niet, dat u heeft gevonden...
— Wat...
— Dat wat u kwam zoeken, jaren geleden, in Holland... nadat u zo lang in den vreemde had heimwee gevoeld, tante, naar uw land en naar warmte... warmte van familie-liefde... Zeg mij, tante, treft u het niet, dat u het nu... het nu heeft gevonden... het land, ons grauwe donkere land... en àlles... waar u vroeger naar verlangde... Zijn wij nu niet allen om u... zelfs wij... al wonen wij verder... Zijn wij nu niet bijna... allen... allen om u...
— Ja, kind...
— En is u nu tevreden?
— Ja...
— Ik hoor in uw stem, iets, dat uzelf tegenspreekt... Zeg mij, wat is er.
— Ik ben bang... ik ben bang.
— En u heeft zoveel... àlles... alles nu gevonden! Waarvoor... waar— voor is u bang?
— Ik ben bang... ik voel een beklemming.
— Waarvoor.
— Voor dingen... die kunnen gebeuren.
— Waar...
— In ons huis...
— Wat zal er gebeuren.
— Treurige... treurige dingen...
— Tante, is dat nu redelijk...
— Ik kan er niet tegen, kind... ik ben bang... ik ben bang...
— Zeg mij... tante, u houdt niet van het huis...
— Dat is het niet.
— Maar het huis beklemt....
— Neen, dat is het niet, kind... Oom, Addy houden van het huis... Ik, ik wen er aan...
— Zeg mij, tante... men zegt...
— Wat...
— Dat het... in het huis...
Zij zag Constance diep aan.
— Kind... kind... neen, dat is het niet ... Het is een oud huis... Wij spreken daar nooit over...
— Maar juist dat beklemt u misschien.
— Eerst wel beklemde het... maar ik wen er aan... Addy is er zo heel kalm in... en Addy geeft ons allen van zijn kalmte... Wat onbegrijpelijk schijnt... is misschien zo heel eenvoudig... Maar dat... dat is het niet... Ik ben bang... bang om...
— Om wat...
— Om wat ik vrees... dat gebeuren zal...
— En wat vreest u...
— Onbestemde dingen... verdriet.<noinclude></noinclude>
b1u3lkqqmey8r1kacrzoa37vi3hdx57
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/677
104
68768
222767
188742
2026-06-04T12:52:55Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222767
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Waarom tante ... Waarom zou het zijn... en dan: àls er verdriet komt... zal u dan niet sterk zijn...
Constance, plots, nerveus, had een snik.
— Ik zal zwak zijn!!
— Tante, tante... Waarom is u zo zenuwachtig!
— Ik zal zwak zijn!!!
— Neen, tante, dat zal u niet... En u mag zo bang niet zijn... Er is niets om u heen dan liefde... en allen... allen zullen u helpen.
— Ik ben bang... en ik zal heel zwak zijn
— Neen tante... O, tante, wees nu stil... Wat vreest u... en wat zou er nu toch kunnen zijn? Voor wie... voor wie vreest u tante...
— Voor Addy... voor mijn jongen... voor Mathilde...
— Waarom tante... Waarom tante... o, wees niet zo bang... Het is immers wèl goed tussen hen... en Addy... Addy is zo rustig... zo flink, zo eenvoudig in zijn doen — in zijn denken.
— Misschien... o als hij maar sterk zal zijn!
— Is hij dan niet altijd sterk?
— Misschien... O, mijn kind, mijn kind, ik ben bang...
— Stil tante... stil... huil niet meer... Wees nu stil... wees nu stil in mijn arm... Zelfs al hebben wij verdriet door te maken... al hebben wij treurige dingen door te gaan... zelfs dan moet u denken... dat alles... dat alles weer zuiver wordt... daarna... Als wij allen ons deel hebben... waarom kunnen zij hun deel niet krijgen... En misschien... wie weet... is uw angst... overdreven, tantelief... omdat u wat nerveus is... de laatste tijd.
— Misschien is het dat...
— Is het alles... u wèl eens te druk...
— Ik ben zo zelden alleen...
— U is wel eens moe.
— Misschien is het dat...
— En moet u er niet meer aan denken... Zeg mij, tante... is Gerdy niet wel...
— Waarom?
— Ik vond, dat zij er bleek uitzag... betrokken.
Constance streek zich voor het hoofd.
— O, Marianne, zei zij. Ik wou, dat ik het weg kon praten... Dat ik het weg kon denken... Maar ik kan het niet... Ik ben bang... ik blijf altijd bang...
En zij snikte op Marianne's schouder, waar zij geknield bij haar lag. De regen viel in rechte stromen: als in een zondvloed bracht het rijtuig Marianne en haar kinderen naar de trein.<noinclude></noinclude>
dlg2y7d03k4sveh4s4vreba5082juxk
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/678
104
68769
222768
188744
2026-06-04T12:53:11Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222768
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
{{c|{{larger|'''IV'''}}}}
Sedert prikkelde ze in Mathilde altijd, de ijverzucht, en des morgens, als Addy naar boven ging, naar de kamer van Marietje Van Saetzema, wist zij hem altijd te volgen, sloop er naast binnen, in het kastenkabinet, altijd de sleutels in de hand, om zich, werd zij toevallig overvallen, een houding te geven, als zocht zij een kledingstuk in een der kasten. Zij hoorde aan het beschot, en zij verstond hun woorden soms, maar niet altijd, omdat Marietje heel zacht sprak, en zij haar niet altijd hoorde antwoorden. Werktuigelijk haar blik latende glijden langs de grote behangselbloemen van het beschot, bespeurde zij echter plotseling een brede reet, waar het hout was gesprongen en het papier was gekraakt en gescheurd, en haar hart kloppende tot in haar keel, keek zij uit, keek zij uit... Zij moest zich wringen tussen twee kasten, zij bonsde tegen het beschot met het hoofd, en was bang, of zij iets zouden gehoord hebben... maar zij hadden niets gehoord, of het geluid had hun niet getroffen, want hun stemmen klonken door... Nu legde Mathilde haar oog tegen de reet en zij zag, wel moeilijk, maar zij zag in de kleine kamer... zij zag Marietje zitten en zij zag Addy naast haar zitten, en haar hand rustte in zijn hand... Waarom houdt hij zo lang haar hand vast, dacht zij; of heeft hij zó lang nodig haar pols te voelen. Maar hij liet haar hand nog niet los, en zij werd ongeduldig, Mathilde, ook omdat zij hun woorden niet verstond... Wat praten zij toch zacht en levendig, dacht zij; en nu Marietje het hoofd wat oplichtte — als met een rank opbloeien van de lelielijn van haar hals — nu zag Mathilde haar glimlachen, haar ogen zacht glinsteren, de woorden als glimlachend worden geboren op haar lippen, en het scheen of die woorden de bleke lippen wat purperden en de bleke wangen wat blozen deden... Wat ziet zij er veel beter uit, dan toen zij hier kwam, dacht Mathilde, en zij had willen roepen tot Addy, Marietje's hand nu los te laten... Zij zijn zowat even oud, dacht Mathilde: ik, ik ben veel jonger dan zij... En toch had Marietje, zes-en-twintig, iets jongs, als van een heel jong meisje... en het was een gedachte, die Mathilde niet los van zich kon schroeven: zij zijn... bijna... even... oud... Het is belachelijk... zo een jonge dokter als Addy... voor een jonge vrouw... een jong meisje als zij... Het is belachelijk... Wat verliest hij zijn tijd bij haar nu... Nu zag zij de glimlach vergaan op Marietje's lippen, en, integendeel, keek zij heel ernstig, deed zij een ernstig, lang verhaal... Wat vertelt zij hem toch wel, dacht Mathilde... En zij zag hun gezichten naderen, en het was of Addy gerust stelde, verklaarde, en nu, nu legde hij zijn hand op Marietje's hoofd, en zij, zij legde zich neer op de rustbank... Het is bespottelijk, dacht Mathilde, die hypnose... en dat ze zo lang zijn alleen... Weldra, onder de hypnose, sliep Marietje, en Addy, stil, ging de kamer uit:<noinclude></noinclude>
t13iyttid5bs8exyqjizjt6i13bhkff
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/679
104
68770
222769
188745
2026-06-04T12:53:28Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222769
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>Mathilde, na enkele minuten, sloop ook weg: op de trap kwam zij niemand tegen...
En wat zij gezien had door het opengekraakte behangselpapier was niets, en toch, toch moest zij er telkens en telkens aan denken... Nu ook lette zij op, aan de lunch, hoe Marietje veel vrolijker was, hoe minder kwijnden haar gebaren, hoe zij lachte met de andere meisjes; hoe zij Adèletje na de lunch met de planten in de serre hielp, hoe zij mee te leven begon met hen allen, en zich niet meer als de eerste dagen dadelijk opsloot op haar kamer... En telkens weer, nu ook beneden, in de serre, bij de planten, trof haar een innigheid tussen haar en Addy... Zij was wel verstandig, Mathilde, al was zij haar man ijverzuchtig — zij was jaloers van àl zijn zieken — zij was wel verstandig en dacht: een zekere tederheid tussen een jong meisje, en een dokter, een jonge dokter, die zo klaarblijkelijk een invloed ten goede op haar heeft, als Addy heeft... is zo licht te begrijpen... en zo verstandig wilde zij blijven denken, zij, vrouw van gezond, normaal verstand, maar het was haar heel moeilijk, heel moeilijk... Want Addy ging uit en dadelijk zag zij Marietje's glimlach bezwijmen, zag zij haar blijde beweging als zakken... en Marietje ging gauw naar boven, tot zij met tante Constance en Adèletje beneden kwam, om te wandelen, als iedere middag, wanneer het weer niet te erg was... Mathilde dan bleef boven, speelde piano, zag uit naar de triestige, nevelige winterweg... O, zij hield van haar man, zij hield zelfs van hem hartstochtelijk, en zij woonde ter wille van hem hier, maar was het niet vreeslijk, was het niet vreeslijk... Zou het niet beter maar zijn een klein huisje in Den Haag... de kleine armoede dan maar in Gods naam... Zij ging in de aangrenzende kamer naar haar kinderen: ze waren uit geweest, ze speelden nu zoet, terwijl de kindermeid aan het raam zat te naaien... en nu, nu wist zij niet wat te doen... Wat een bestaan, 's winters, op zo een dorp... in een groot huis... een huis vol zieken en gekken -: door het raam zag zij juist op de weg oom Ernst lopen, met zijn gebogen rug in zijn lange jas, en pratende in zichzelf, terwijl hij terugging naar zijn kamers in de villa, waar hij verpleegd werd -: wat een bestaan, o wat een bestaan... voor een jonge gezonde vrouw als zij! Zij was nooit ontvankelijk voor melancholie, maar zij voelde, als van de algrauwe lucht, van boven, een schemering neerslaan over haar... Zij had kunnen schreien... En zij had het alles tòch kunnen uithouden, als zij Addy maar helemaal had gehad... Als zij hem maar helemaal vond, meende zij plotseling, en plotseling, kwam het tot haar, dat zij hem wel had... maar niet helemaal... niet helemaal... Hij ontsnapte haar als ten dele... Er was liefde, er was gloed tussen hen... er waren de kinderen tussen hen... er waren banden tussen van sympathie, sympathieën der lichamen bijna... Zij voelde in zijn armen gelukkig zich,<noinclude></noinclude>
83tj2boi3vehwcycu7jgpwi9wzfh3ei
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/680
104
68771
222770
188746
2026-06-04T12:53:47Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222770
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>hij zich gelukkig in haar armen — maar verder, verder ontsnapte hij haar... Iets van zijn innerlijkste wezen, iets van zijn ziel, de ziel van zijn ziel ontsnapte haar, terwijl zij zich geheel hem gaf, en niet voelde in zich zo geheime dingen, die zich niet geven wilden... Zij voelde het wel, zij begreep het nu wel, plotseling, onder de grauwe melancholie van de lucht, of in die schemering zij plots vreemd duidelijk zag: zij begreep het wel; hun liefde was alleen fyziek! O, hij ontsnapte haar en zij wist niet hoe hem ooit geheel voor zich te winnen, zo dat zij hem had alleen voor zich, alleen voor zich... Misschien, als zij zich interesseerde nu voor zijn zieken, daarin meeleefde met hem? Maar zij was jaloers van die zieken, die haar Addy uren ontnamen, dagen, en zij was jaloers, zij was jaloers van Marietje... Maar hoe dan, hoe zou zij hem winnen... En in de vrouw van rijk bloed, en wier zinnen bloeiden purper en fel, schoot als met een gloed van rode rozen het in haar op hem te winnen nog meer en nog meer door haar zoenen, door haar gehele lijf, door alles wat zij hem geven zou, door alles wat zij zou vinden voor hem, om hem te winnen, hem vast aan haar te kluisteren, voor altijd, voor altijd... En dan, dan hem ook jaloers te maken van haar, als zij was van hem... Door zijn rustige kalmte, van jonge, sterk-blonde man te verstoren met pijnlijke achterdocht, maar die hem geheel tot haar voeren zou, zodat zij hem helemaal winnen zou... O, was het niet vreeslijk, was het niet vreeslijk! Nu zat zij hier de hele dag en haar man alleen had zij des avonds, had zij des nachts, als was zij alleen goed daarvoor. Het stuitte haar tegen, en plotseling, intuïtief, voelde zij heel scherp haar ijverzucht op Addy's lange gesprekken met Marietje... Wat had hij zo lang te spreken met haar... O, hij moest haar niet zo verwaarlozen, en hij moest haar niet alleen goed genoeg vinden daarvoor... hij moest óok met haar spreken, lang, innig, vreemd, de ogen in de ogen, als hij sprak met Marietje... Waarom sprak hij zo niet met haar, zijn vrouw... Wat waren die gesprekken... Wat hadden zij tussen elkaar te spreken... Het was niet alleen over ziek zijn, en medicamenten, en zelfs niet alleen over hypnose...: hiervan was zij overtuigd... Tussen hen beiden bestonden geheime dingen, waarover zij spraken... dingen, die zij beiden wisten alleen... O, hoe voelde zij haar man haar ontsnappen, alsof zij de vingers krampte naar hem toe begerig, en als of zij hem wel greep in haar warme omhelzing — maar hem dadelijk daarna verloor...
De dagen, voor haar, gingen dezelfde voorbij. Zij was een gezonde, oppervlakkige, even ijdele, heel jonge vrouw, met een beetje vulgaire aspiraties, en zij leed in haar omgeving, omdat zij wèl behoefte had aan gezonde, en oppervlakkige sympathie. Zij zou gelukkig geweest zijn in een eenvoudig, zeer vleselijk, en zeer materieel huwelijksleven, met veel geld, veel genot, kinderen om zich heen, en dan zou zij trots gelachen<noinclude></noinclude>
8cesambujrp1ifl2dcig130xqyqiego
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/681
104
68772
222771
188747
2026-06-04T12:54:11Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222771
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>hebben, en goed zijn geweest, voor zo ver zij kon. Nu voelde zij zich, behalve fyziek, nauwlijks de vrouw van haar man, en trots haar kinderen, nauwlijks opgenomen in zijn familie, en nauwlijks geduld in hun huis. En zij gaf wrokkende de schuld aan hen allen, menende, dat zij niet lief voor haar waren, en zij begreep niet, dat wat haar scheidde van hen allen, onoverkomelijk was een gemis aan fluïde, aan samenstemming, aan harmonie, sympathie, omdat zij niets had wat hen ging tegemoet en zij niets hadden, dat haar ging tegemoet, omdat de stromen van haar ziel en de hunne elkaar nooit bereikten, maar vloeiden in tweeërlei richting, omdat alles wat zij begrepen in elkaar ook zonder woorden, zij niet begreep; ook al ware het haar in woorden verklaard, — omdat zij hen allen zag ziek, gek, egoïst en nerveus, omdat zij haàr zagen oppervlakkig, vulgair. Het was een antipathie van bloed en van ziel: schuld had niemand, en ook dàt begreep zij niet. Schuld misschien had Addy alleen; omdat hij, toen hij tot vrouw haar nam, niet geluisterd had naar de ziel in zijn ziel, zich alleen had laten leiden door instinct en de materiële filozofie zijner idee van regeneratie. Zij is een gezonde, eenvoudige vrouw... ik wil gezonde, eenvoudige kinderen hebben... zie, als zij, gezond en eenvoudig, zo moesten wij allen zijn — waren het niet die ideeën geweest, die hem haar hadden doen binnenleiden te midden van hen allen, een tot-voorbeeld-stellen zonder te luisteren naar de toen sluimerende stemmen van de ziel zijner ziel... En nauwlijks waren die wakker, of hij was als geschrikt uit zichzelf: hij had gemeend: ik heb haar toch gevonden — wat verlies ik haar nu... wie ben ik dan, de een of de ander, en als ik ben beiden, die ik voel in mij, hoe kan ik ze dan verenigen en dwingen tot éen liefde voor mijn vrouw: zij, die mij gezonde, eenvoudige kinderen geeft... En als met iedere dag had hij minder geweten voor zich, hoe hij ook wist voor hen allen, die hij naderde, en op wie hij oefende zijn vreemde invloed... Met iedere dag minder en minder... tot hij zichzelf zó duidelijk twee zag, dat hij niet meer streed, zich liet gaan, zijn ziel drijven liet naar de wil van de twee stromen, die hem sleepten, in zwakte en overwegingen en onwetingen-voor-zich, terwijl hij soms zo duidelijk wist — voor anderen. Voor hem ontsnapte hem het zelfweten. En had Mathilde het zo kunnen zien, in haar man, ze ware als gedeinsd en geschrikt, voor wat er in hem, onbegrijpelijk voor haar, geheim leefde in het diepste van hem. Zij ware er door geschokt als door nooit vermoed raadsel, zij had er van geduizeld als bij nooit vermoede diepte, die zij inzag en niet wist, waar eindigde — peilloos, voor haar onkundige blik en geheel daarvoor ongevoelige instincten. Dat er geen schuld was: zelfonvoldaanheid, en alleen zielen-tegenstrijdigheid, in stille botsing en antipathie, omdat Addy zich twee voelde — zij zou het niet hebben begrepen, zij zou het niet willen begrijpen. Zij zou schuld hebben willen geven... aan hèn, hen allen, "omdat zij niet lief<noinclude></noinclude>
pukq5i5cmbqz8h0lq00elh8jvcfu782
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/682
104
68773
222772
188752
2026-06-04T12:54:38Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222772
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><section begin="s1"/>voor haar waren." Niet aan haar man, want zij had hèm lief, om zijn jonge, sterk-blonde mannelijkheid, om zijn oudere ernst en degelijkheid — waarin zij de ziel-der-ziel niet zag. En zij wilde zich nu, ongelukkig, zo blijven voelen, te kort gedaan, gekrenkt, niet gewaardeerd, door allen, door allen, daar in het grote sombere huis, waarin alles — tot zelfs de donkere eiken deurposten toe — haar was vijandig en antipathiek — tot zij er bang was voor nauwlijks met hun aller woorden aangeroerde geheimzinnigheden, die de anderen zelfs bijna sympathisch waren en niet al te onbegrijpelijk in hun zielen-gemeenschapsgevoel — {{sp|zij}} buitengesloten onherroepelijk.
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''V'''}}}}
Die nacht had Marietje Van Saetzema een droom, die was als een nachtmerrie: zij liep langs een hellende berg, afgronddiep: zij ijlde en ijlde en achter haar ijlde Addy, achter Addy ijlde Mathilde aan, met razende kreten ijlde ze: achter haar ijlde Johan Erzeele, en het laatst ijlde Gerdy en voordat de een de ander bereikte, stortte Marietje, die het voorste liep, in de diepe, diepe afgrond, en zij stortten haar allen achterna. De dreunval — in de zwarte diepte — deed Marietje opschrikken in de om haar bevende kamernacht, de vreemde binnennacht, en zij was klam van zweet en zat op met grote ogen, terwijl het buiten fel waaide. Haar eerste impulsie was op te staan, de kamer uit te vluchten, naar tante Constance, naar Addy, om hulp... Maar kalmer, hoewel kloppende hoofd en hart, viel zij neer, achterover, en bemeesterde zij haar angsten... Zij zou stil blijven, in haar kamer... Een maand geleden had zij het nooit gedaan: in Den Haag na zulke dromen, slaakte zij kreten, liep het huis door, schreeuwde luid... Nu schreeuwde zij niet, bleef zij liggen, en joeg de koortsige gedachten voor zich uit... Ja, wel koortsig, maar toch, toch voelde zij zo spoedig een kalmte nu, zodra zij dacht aan Addy... Had hij haar niet zelf gezegd: Marietje, als je nerveus bent... denk dan aan mij... En zij dacht aan hem, en het glimlachte en het werd heel kalm om haar heen... Zij zuchtte diep op... Zij herhaalde zich zijn woorden van hypnose-verwekking: het lichaam wordt zwaar... de hand wordt zwaar... je kunt de hand niet oplichten... en — hoewel zij niet in slaap viel — werd zij heel rustig, glimlachte tevreden... Zij wist wel, dat hij dit zei aan al zijn patiënten, die hij hypnotisch behandelde: denk aan mij, in een nerveuze aanval — maar zij, als zij aan hem dacht, dan... dan... Had zij hem lief...? Misschien, zij wist het niet: misschien had zij hem lief, diep in zich, in de allerkuiste onderlagen van haar ziel, misschien had zij hem lief sedert jaren al, sedert hij vriendelijk tegen haar sprak, kleine jongen, zij wel groter meisje, maar zo wat even <section end="s2"/><noinclude></noinclude>
odiv778xk1vhfl2burpl62isfmx44kk
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/683
104
68774
222773
188751
2026-06-04T12:55:00Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222773
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>oud als zij — terwijl haar broers zo ruw tegen haar waren, en mama, Floortje en Caroline snauwden — zo als zij altijd waren gewend. In het luidruchtige, schreeuwerige, vulgaire huis was zij zachtjes opgeschoten als een bleek plantje, nederigjes-weg, onderdrukt, en zichzelf als verschuilend — tot zij plotseling, in een late crisis van bloedomwenteling, het huis had vol geschreeuwd met haar nerveuze kreten... Gevraagd hadden zij haar of zij gek was geworden... zij had zich opgesloten, verborgen, sedert, op haar kamer... En na haar crisissen bleef zij achter, als in een droom, zag zij niets meer, hoorde zij niets meer om zich heen, staarde zij... en toen zij gezien had, dat haar toestand ten laatste indruk maakte, was zij trots op die indruk geworden, had zich opgericht uit haar Assepoester-nederigheid, was zij in huis geworden de belangwekkende figuur, — sedert zij opwekte de angst van haar vader, het medelijden van haar moeder, de ergernis van haar zuster Caroline... En zij was fier op haar nevroze geworden; zij liet vader, moeder, zuster, bang zijn, medelijden hebben, zich ergeren, als met een soort van wraakzuchtige tevredenheid... Toch voelde zij zich diep ongelukkig, vaag-weg, omdat haar ziel als in afgrond wegzonk, de handen vaag tastende in het verschrikkelijk lege... Dagen bracht zij in tranen door... Toen was tante Constance gekomen, zo lief, zo zacht, zo redelijk — en zij had gestreden, omdat zij, misschien, wèl heel veel van Addy hield en altijd van hem had gehouden, in eenvoudige hopeloosheid, en niet wilde, uit kuise angsten, wonen en leven waar hij woonde en leefde. Maar tante Constance had aangedrongen, en zij had toegegeven... en Addy nu, Addy genas haar... o hij genas haar... alleen al als zijn hand zacht drukte op haar voorhoofd... En zij bekende hem de boze trotsheid, de fierheid op haar ziekte, die eindelijk ontroering, om haar, in het ouderlijk huis had teweeg gebracht — waar zij nooit geteld was geworden... Hoe innig had hij haar niet aangehoord, en haar gezegd, dat dit vooral niet goed was — en dat zij, met zulke slechte gevoelens, nooit zou genezen — en sedert, sedert sprak hij dagen — o met zo veel innigheid sprak hij, en zij hoorde hem aan, in een overheerlijke wieging, als van haar ziel op zijn heel diepe stem, die suste... En langzaam, langzaam aan, had zij geweten in hem — o, geen liefde voor haar, geen liefde of verliefdheid eenvoudig-weg — zij, lelijk, mager, zij zonder bekoring, terwijl Mathilde zo mooi was — een prachtige vrouw -! — maar een innige overeenstemming van sommige zijner gevoelens en ideeën, met wat zij, in haar stille leventje van eenzaam, terzij geschoven meisje had gevoeld, had gedacht — over allerlei mensen — dieren — dingen — over alles, waarmee zij in haar jonge ernst en overgevoeligheid, medelijden had kunnen voelen — over de wind, die de blaren geselde, over een voerman, die een paard mishandelde, over tante Adeline, oma, Emilie, kleine Klaasje, over arme mensen,<noinclude></noinclude>
0cdgc2oqwdfvrm5c41cgyj59zb2768o
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/684
104
68775
222774
188753
2026-06-04T12:55:16Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222774
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>die zij met tante Constance en Adèletje wel eens bezocht — en zo langzamerhand uit al die kleine, eenvoudige gevoelens had iets samengetrild met zijn gevoelens, had in hem wakker gemaakt verwante gevoelens — tot zij gesproken hadden over allerlei vreemds van voorgevoelens en dromen, van voorbestaan en nabestaan, van onzichtbare wereld en leven, die zich mengt dwars door zichtbare wereld en leven — en als zij wel eens week overdreven geweest was, had Addy haar toch altijd begrepen — maar haar tevens met al zijn rust, kracht, ernst, glimlachende degelijkheid, rustig gemaakt in overgevoel en overgedachte, in angst en in vermoeden, tot zij over àl die dingen met hem zó rustig nu sprak, in elkaar vlug begrijpende woorden, dat hij haar — zelfs in zulke gesprekken, die haar nog nerveuzer hadden kunnen maken — bevredigde, en effende al de angstige trillingen van haar zieke meisjeszenuwen, haar zieke meisjesziel. O, wat een geheime kracht was er in zijn stem, in zijn oog, in zijn handdruk — dat zij, zelfs na zulke gesprekken — achterbleef in haar zaligdiepe slaap, en er, na een half uur, uit wakker werd, als uit een stil en wijd bad van klare rust, vreemd element van luchtijlte, waterkoelte, gemengeld tot éen onbegrijpelijke, zalige weldadigheid.
En het rustige leven van sympathie was haar weldadig, terwijl het Mathilde ergerde. Zij dacht, dat het zo altijd wel voort zou vloeien, en wèl heel vreemd was het haar toen zij plotseling hoorde van een bal, dat te Utrecht zou plaats hebben, en waarvoor invitaties gekomen waren.
— Wie van jullie gaan? vroeg Constance. Ik blijf thuis, maar oom wil jullie chaperonneren.
Mathilde vond het heerlijk, ook al dacht Addy er helemaal niet aan. Van de meisjes echter wilde Gerdy alleen, maar Guy zou met haar gaan.
— Dus jullie niet, Adèletje... Mary... Marietje?
Neen, zij hadden geen lust, ook al animeerde tante Constance, zei, dat er zo zelden een pretje was, dat zij nu eens gaan moesten, nu er was een gelegenheid. Maar de meisjes wilden niet en tante Constance zei:
— Nu, dan zijn jullie, met oom, juist met je vieren: dan kan het rijtuig je brengen...
Maar Mathilde gaf de voorkeur zich in Utrecht, in een hôtel te verkleden, omdat haar japon in het rijtuig verkreukelen zou, en zij zou des middags gaan, met een koffer.
De avond van het bal bromde Constance op Adèletje, Mary, Marietje, dat zij geen pleizier hadden eens te gaan dansen, en dat als het zo doorging, zij naar Den Haag zouden verhuizen, omdat de meisjes hier zo saai werden... Zij was nerveus, Constance, zij zei driftige, onredelijke dingen, kreeg daarna de tranen in de ogen.
— Tante, zei Marietje, wij zitten hier nu zo heerlijk bij el-<noinclude></noinclude>
qcep3qhrbzxx3rrqhudcaa1e9rd4j1e
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/685
104
68776
222775
188754
2026-06-04T12:55:38Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222775
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>kaar... Waarom spreekt u van Den Haag, en wat geven wij nu om een bal...
— Juist... dat vind ik onnatuurlijk.
— Hoor, zei Adèletje; hoe het waait!
— En het regent, zei Marietje, — Mary.
— Daar rijden oom en Gerdy en Guy nu door heen, zei Adèletje.
— Arme paarden, zei Marietje, — Mary.
Zij lachten.
— Ja... de paarden worden nat... arme beesten, zei Marietje, — Mary.
— Dirk zal ze goed verzorgen, zei Constance. De paarden lopen zo weinig...
— Maar àls ze lopen... gaan ze door regen, zei Mary verwijtend.
Er was Paul, die speelde zacht voor de piano; er was Ernst, en het was vreemd hem te zien, vriendschap als hij stilletjes gesloten had met Klaasje; samen keken ze in haar prentenboeken, de zeer verouderde, vreemde man, en het jonge, kindse kindje.
— Ik kan al lèzen, zei het kind, heel fier, het achterlijke meisje van dertien.
— Zo, zei oom Ernst.
— Ja... oom Addy leert me lezen... Kijk... uit deze boeken... met mooie letters... blauwe, gele, rode... Dat is paars... En dat, zegt oom Addy, is purper... Dat is pùrper... Dat is een mooie kleur... purper... Oom Addy leert me lezen...
En, moeilijk, spelde zij de grootkleurige woorden.
— Leert oom Addy je lezen... met kleurige letters...? vroeg Ernst.
— Ja... want van zwarte letters hou ik niet... En kijk... mijn boeken ... allemaal met mooie platen... Dat is een koning... en een koningin Dat is een sprookje, oom... Dat is een fee... De koning en de koningin zijn purper... purper... en de fee... kijk oom... kijk eens de fee... is hemelsblauw... Oom Addy... zegt dat is...: azuur...
Zij streelde het woord heel lang met de stem, als hadden de kleurennamen een bizondere beduidenis voor haar, en als wekten ze in haar op vreemde herinneringen aan heel vroege kleuren, kleuren uit vrolijke, verre landen ... daarginds... daarginds...
— Meneer Brauws zal niet komen, zei Emilie.
Neen, het regent te veel, zei Adeline; hij zal vanavond niet komen.
— Hij hoort er zo bij...
De avond ging rustig voorbij; zij brachten de oude grootmoeder en Klaasje naar bed, maar omdat tante Constance opbleef, tot het rijtuig van Utrecht zou komen, wilden zij allen opblijven...<noinclude></noinclude>
b63b3riqxuxp4j54jmhdegf7z6xjuog
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/686
104
68777
222776
188755
2026-06-04T12:56:12Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222776
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Wat een idee! zei Constance nerveus en boos. Waarom gaan jullie niet naar bed.
Maar zij waren vriendelijk om haar heen, en zij bleven op, Addy, Emilie, Adeline, Marietje; maar Adèletje en Mary zond Addy naar bed.
En in de nacht zaten zij beneden te wachten. Het werd drie uur — toen zij, eindelijk, het rijtuig hoorden, en zij thuis kwamen, Van der Welcke, Gerdy, Guy...
— Mathilde slaapt vannacht in het hôtel, zei Van der Welcke.
— En oom is heel lief geweest, als balvader, plaagde Guy.
Maar Gerdy zei niet veel, zij was zeker moe, zij zag heel bleek, was gedwongen. Nu gingen zij naar boven, naar hun kamers en Gerdy zoende haar moeder... Maar zonder dat de anderen het zagen, ging zij met Adeline in haar kamer mèe, en, plotseling, zich niet meer kunnende houden, barstte zij in een smart van tranen uit.
— Mijn kind... mijn kind... wat is er.
En de moeder, gebroken, nam het kind, brekende nu, in haar armen, en het was of zij plotseling uit haar apathie ontwaakte, of zij zich heel diep, moeder, voelde... O, zij wist, dat zij niet veel kon voor haar kinderen, dat zij niet flink was, het nooit meer geweest was na Gerrits dood, — dat zij zonder Van der Welcke, Constance, Addy, niets van haar kinderen had kunnen maken — maar toch, toch bleven zij haar kinderen, en wist zij niet de carrière te leiden van haar zoons, zij wist mede te voelen met de snikken van haar arme Gerdy.
— Mijn kind...mijn kind...wat is er...
En vallende in haar stoel, terwijl Gerdy, in de kreukeling van haar witte tulle japonnetje, voor haar knielde, hield zij het bleke gezichtje tegen zich aan, en dwong zij te zeggen, te zeggen...
— Er is niets, zei Gerdy door haar snikken heen. Ik heb me niet geamuseerd...
— Heb je je niet geamuseerd... Wat is er dan gebeurd...
— Ik heb bijna niet gedanst.
— Waarom niet ...
— Mama... het is beter u het ronduit te zeggen... Ik ben erg ongelukkig... Het is Johan...
— Erzeele... Heeft hij je gevraagd...
Gerdy schudde het hoofdje.
— Neen... maar...
— Maar wat...
— Van de winter op het ijs... dacht ik, dat hij van me hield ... Het is mijn eigen schuld, ik was dom, ik was dom... Er was niets... Hij was met mij ... als met andere meisjes... en ik dacht, ik dacht... Het is niets, mama... Het is mijn eigen schuld, maar ik dacht alleen... Ik moest het me niet zo aantrekken... Maar het maakt me erg ongelukkig Hij heeft met me gedanst, éens... Maar hij danste met Mathilde, telkens...<noinclude></noinclude>
ge2yj5bvd3xbzjmrzupg5xyos4zzutu
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/687
104
68778
222777
188756
2026-06-04T12:56:43Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222777
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>Hij was telkens met haar... De mensen spraken er over... Het was net of ze gek was, of ze er niet aan dacht... dat ze zo niet mocht doen... met Johan... Het is oom ook opgevallen: ik zag het aan oom Henri's gezicht. Zij waren de hele avond samen, en... u begrijpt wel... Hij maakte haar het hof... brutaal... zoals hij dat doet... met getrouwde vrouwen... Met meisjes is hij weer anders... Een ogenblik haatte ik hem... Maar toen vroeg hij me, voor die éne dans... en toen dacht ik... Ik had niet zo moeten denken... Het is mijn eigen schuld... Maar ik ben erg ongelukkig, mama... Oom Henri was ook heel boos... op Mathilde... omdat ze niet mee naar Driebergen kwam... Hij heeft toegegeven, dat ze bleef, om geen scène te maken... Het was ook overdreven van haar: het rijtuig is ruim, ze zou zich niet zo gekreukeld hebben... O, ze was mooi, ze was mooi... Ze is wel mooi, zo in baltoilet... Addy had mee moeten gaan... Ze was wel mooi, maar niet... het is slecht, dat ik het zeg — niet zoals wij, ziet u...
— Hoe meen je kind...
— Niet zo als tante Constance, en Emilie, èn u... Ze was niet... niet gedistingeerd... Ze was mooi, maar ze was gemeen... Als Addy mee was geweest, had ze zich misschien ingehouden, zich niet zo laag gedecolleteerd. Ze was de enige, die zó laag was... Begrijpt u... er was iets in haar... dat mij nog meer terugstootte van haar dan anders: ik kàn het niet zeggen, en ik vind het slecht in mij... omdat ze toch is de vrouw van Addy, en dat wij van haar moeten houden... Maar heus, ze was niet gedistingeerd... en ik zag het wel aan de mensen... ze vonden haar wel mooi... maar niet... niet gedistingeerd... En toen ze altijd daarna... altijd danste met Johan... toen... o toen mama toen zag ze naar mij... en ze zag me zó aan... met een "sneer"... als zag ze op me neer... Ik wist wel, dat ik er niet goed uitzag, bleek en mager, mijn schouders zijn niet mooi... en Johan was zo vreemd, zo voor-de-gek-houdend tegen mij, o mama, hij was bijna wrèed...! En ik kon... ik kon niets zeggen ... Ik geloof wel... o mama... ik geloof wel... dat ik... dat ik van hem hou...! Maar ik moest het u niet zeggen, en ik moest niet zo zijn... ik moest niet zo huilen... maar ik kon niet meer... ik kon niet meer...: ik heb me goed willen houden, mama, voor oom Henri... en voor Guy... O mama...; o mama... het hele bal... het hele bal was een marteling!
{{c|— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — }}
— Kind, o mijn arm kind... samen snikten Adeline en Gerdy.
{{c|— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — }}
— Mama... o mama!
— Wat, mijn arm kind...
— Mama, hoor!
— Wat is er?<noinclude></noinclude>
2j4mzy2kfz16lxdg7jchxc01g8j7acn
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/688
104
68779
222778
188757
2026-06-04T12:57:17Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222778
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
<section begin="s1"/>{{dhr}}
— Hoort u niet...: het geluid... boven!
— Stil... stil... het geluid...
— Het sleept...
— Van boven af... Het is als een pas... Zo is het altijd hetzelfde...
— O mama, ik ben bang!
— Het is niets, kind...de wind... een tocht... het hout, dat kraakt...
— O, maar ik ben bang!
— Het is niets... Ik heb eens de deur opengemaakt... om te zien.
— U heeft dat gedurfd?
— Ja... Het was niets...
— Er was niets te zien...?
— Neen... Het tochtte alleen...
— En alles is toe...
— Het is niets... het is niets, mijn kind...
— Nu sleept het weg... naar beneden...
— Het is de tocht... O, mijn arm, mijn arm kind...
— O mama, ik ben ongelukkig... en ik ben bang, ik ben bang, ik ben bang!
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''VI'''}}}}
Toen Mathilde die morgen terug kwam, meende zij een zekere ontstemming, een koudheid te zien in haar man, in haar schoonmoeder — en in allen, maar misschien — besloot zij — vergiste zij zich, was zij moe, was zij nerveus, en nadat zij eerst de kinderen had gezien, hield zij zich in haar eigen kamer, waar zij wist, dat haar niemand zou lastig vallen, nu Addy uitging — naar zijn patiënten. En het was niet de geraden ontstemming, de ongewone vermoeidheid na het bal, die haar nerveus maakte — of zij overnam trilling van zenuwen van allen, die haar omringden — het was vooral om Johan Erzeele, dat zij nu, geagiteerd, haar kamer rondliep, zich zette aan het raam, weer opstond, ging naar de kinderen, weer terugkwam, zich zette voor haar piano, haar balboekje overzag, het daarna plotseling verscheurde... Nu, plotseling, verweet zij zich allerlei dingen van gisterenavond: dat zij zo dikwijls met Johan had gedanst — ook al kende zij hem van Den Haag reeds uit haar jonge-meisjesleven — hij, luitenant der grenadiers in Den Haag, zijn familie wonende te Utrecht — dat zij zich wèl met hem had geafficheerd tijdens het souper; dat zij geduld had de manier, waarop hij tot haar gesproken had, al de brutaliteit van zijn zinnen-opgezweepte hofmakerij, dat zij, willens, wetens hem gesterkt had in die brutaliteit — eindelijk, dat zij hem nauwlijks weerhouden had haar te voet — omdat het vlak bij was — te brengen naar het hôtel, waar zij zich een kamer besteld had.<section end="s2"/><noinclude></noinclude>
spjap1g8rq37h5s3r1j52zzbdlv1ubx
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/689
104
68780
222779
188759
2026-06-04T12:57:46Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222779
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
Zij was boos geworden, zij had niet gewild, zij had om een rijtuig gevraagd, zij was alleen gereden naar het hôtel, waar zij had overnacht — maar zijn aanbod, zijn woorden, ze hadden haar geschokt, ze hadden haar getroubleerd, heel die nacht, die korte nacht, zodat zij geen ogenblik had geslapen. En nu was zij boos op zichzelf, dat zij haar gewoon gezond-verstand niet had weten op te roepen, tot hij gezien had hoe zij was getroubleerd en geschokt, dat hij er om gelachen had, met de zoenlach van zijn mooie-mannenmond. En omdat zij boos op zich zelf was, woelden er allerlei nerveuze verontschuldigingen in haar na, staken alle grieven klein en groot in haar op, als wilden ze haar tegen zichzelf verdedigen, tegen haar eigen zelfverwijt. Waarom was Addy ook niet mee geweest... Waarom liet hij haar over aan haar lot... Waarom was zij alleen goed dàarvoor...! Waarom sprak hij zo lange gesprekken, vol vreemde innigheid, met zieke Marietje... Waarom voelde zij door zijn zoenen soms een vreemde kou uit hem haar bevriezen, zodat haar het spontane woord stolde in de mond, en zij niets meer wist te zeggen — zij alleen wist, dat zij hem verloor, telkens, telkens weer — terwijl zij hem àllen — daar beneden — wonnen, wonnen voor zich...! O, hoe woelden de grieven op, tegen haar zelfverwijt, tot zij eindelijk uitbarstte in tranen, in nerveuze tranen, als zij nooit nog geschreid had! En, of de grieven overwonnen, gaf zij plotseling de schuld aan Addy, aan hen allen, de hele familie van haar man, aan Driebergen, aan het huis vol gekken en zieken, het griezelige spookhuis, waarin zij niet ademen kon, terwijl zij allen — daar beneden — het er zo heerlijk vonden — gaf zij aan hen allen, aan dat alles de schuld, dat zij haar gezonde verstand verloor, en zich door Johan allerlei had laten zeggen, dat zij zich ànders niet had zeggen laten. En in haar tranen, hèm toch gevende de schuld, — omdat zij niet inzag, dat er geen schuld was en dat niemand aan wat ook had schuld; zij, zoekende op wie schuld te werpen — verlangde zij naar haar man, voelde zij, dat zij hem nog heel, heèl lief had, dat zij hem had willen omhelzen dicht aan zich aan — uithuilen aan zijn hart — horen zijn diepe, jonge, ernstige stem, zien in zijn diepe, jonge, ernstige ogen — om kalm weer te worden, om gelukkig te worden, met hèm, ver weg, en haar kinderen! Nu verlangde zij, dat hij terug zou komen; nu zag zij uit over de weg, en toen zij hem zag... juist klonk de bel voor de lunch, omdat Truitje hem zeker beneden ook had gezien op de weg — stortte zij zich naar beneden, wist hem even in de voorkamer te omhelzen en hem toe te fluisteren:
— Addy... Addy... je houdt wèl van me...?
— Maar zeker, kind-lief! antwoordde hij ernstig, en — meende zij — bijna treurig, en nu — stil aan de tafel — om zich voelende allerlei verwijt, vroeg zij zich af: was het niet zijn schuld, was het niet zijn schuld... Wàt eigenlijk zijn schuld zijn zou, was haar niet duidelijk, want het woelde alles door haar heen, en zij dacht<noinclude></noinclude>
kekndtm3pl0v3hvugusd0grcq6s4uab
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/690
104
68781
222780
188760
2026-06-04T12:58:14Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222780
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>telkens aan Johan Erzeele, zij voelde telkens haar zelfverwijt, en de grieven, als lansen, staken tallozer op om haar tegen dat zelfverwijt te verdedigen.
Gerdy was niet aan tafel, was moe, zei Adeline. De toon aan het maal was gedwongen, en Mathilde meende, het was altijd zo — zodra zij er bij was... dan keken zij elkander als schuins aan — in een stille verstandhouding tegen haar, tégen haar...
Na de lunch gingen de kinderen uit, Jetje en Constant, en Addy eerst speelde met ze... O, hij hield van de kinderen, maar hield hij van haar, zijn vrouw...
— Addy... Addy ... je houdt wèl van me...?
Zij vond nog eens de gelegenheid het hem te vragen, en hij antwoordde:
— Maar zeker, kind...
— Blijf vanmiddag bij me.
— Goed, wat wil je... Willen we wandelen... Het is goed weer.
— Goed, Addy... ik wil wel...
En zij gingen samen uit, verloren zich op stille wegen; zij nam zijn arm.
— Ik ben zo blij met je te zijn... Je had gisteren mee moeten gaan.
— Ik hou niet van bals... maar als je het me gevraagd had...
— Had je geweigerd...
— Misschien niet...
— O ja... Ik ga niet meer, zonder jou. Ik wil met jou dansen, met jou.
— Ik rijd liever schaatsen.
— Zie je wel, je weigert al.
— Neen, ik zal niet weigeren... ik zal meegaan, een volgende keer.
— Ik ben gelukkig met jou... Addy, zouden wij niet alleen kunnen wonen, met onze kinderen...
— Zodra je het wilt, lieveling.
— Ja, maar je hecht aan het huis.
— Ja, ik ben er aan gehecht.
— Het zou een opoffering voor je zijn...
Hij had een vaag gebaar.
— Alleen: jij zou zuinig in Den Haag moeten zijn.
— Je zou er toch gauw een mooie praktijk hebben.
— Maar ik zoek naar geen... mooie praktijk.
— Ja, dat is het juist
Hij had als een licht ongeduld.
— Het is wel jammer, Tilly, dat je het hier zo weinig kunt schikken... Goed, wij zullen naar Den Haag gaan.
— Maar als je je koppig verzet... gèld te willen verdienen, viel zij uit.<noinclude></noinclude>
dafnngh2y6as4t8t547414c9cjvrwdh
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/691
104
68783
222781
188762
2026-06-04T12:58:32Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222781
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Wij zullen wel genoeg hebben.
— Hoeveel?
Hij rekende het uit.
— Een vijfduizend gulden: meer niet.
— Daarvan kan ik niet leven... met twee kinderen...
— Het is genoeg, Tilly.
— Neen, het is onzin... van vijfduizend gulden in Den Haag te moeten bestaan... met twee kinderen.
— Wat wil je dan? vroeg hij brusk.
— Dat je praktijk zoekt... Je hebt maar te willen: je zou dadelijk in de mode zijn.
Hij zweeg.
— Waarom antwoord je niet?
— Omdat wij elkaar niet begrijpen, Tilly, zei hij treurig. Ik kan de praktijk, die ik heb, niet verlaten, om een modedokter te zijn.
— Waarom niet, als dat geld geeft...
— Omdat dat helemaal strijdt tegen alles... wat in mij is...
— Dat begrijp ik niet.
— Neen, dat begrijp je niet.
— Leg het mij dan uit.
— Dat is niet uit te leggen, Tilly. Dat is alleen te voelen.
— Dus ik heb geen gevoel.
— Daarvan... geen samengevoel... met mij...
— Waarom heb je mij getrouwd? vroeg zij ruw.
— Omdat ik van je hou...
— Omdat je van me houdt! zei zij ruw. Omdat ik goed genoeg ben... daàrvoor!
Haar ogen bliksemden.
— Tilly! smeekte hij, en het was of een plotselinge schrik hem verblindde, of een spook van schuld plotseling doemde uit al het zwart van de zelfonvoldaanheid der laatste jaren: die van zijn huwlijk.
— Omdat ik goed genoeg ben... in bed. Omdat je kinderen van me wilt hebben. Gezonde kinderen, kinderen, anders dan jouw familie... de familie van je moeder.
— Tilly...
— Addy! smeekte zij: hou van me, hou van me!
— Ik hou van je, Tilly...! riep hij uit, wanhopig.
— Hou van me helemaal!
— Ik hou van je helemaal! loog hij, in smart om haar.
— Neen, je houdt van me... half!
— Neen!!
— Ja...
— Neen. Je weet, dat het niet is... Ik wil door je helemaal worden liefgehad. En niet alleen ...
— Stil, Tilly, smeekte hij, ontzet. Tilly, laten wij niet ons geluk bederven!<noinclude></noinclude>
el6465r14ywea3l11brua81h0wpf6ch
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/692
104
68784
222782
188763
2026-06-04T12:59:05Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222782
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Ons geluk!... zij lachte minachtend.
— Zijn wij dan niet gelukkig?
En hij dwong haar als om jà te zeggen, maar zij leed te veel, en zij riep:
— Neen, ik ben niet gelukkig... Als ik je omhels, dan — zij krampte de vingers. Als ik je omhelsd heb... ging zij voort — is het uit, is het uit, dadelijk uit. Voel ik, dat je weer ver van me bent. Dat je niet van me houdt.
— Ik hou van je!!
— Praat dan met me...
— Maar ik praat met je...
— Neen, praat met mij, als je praat met Mary...
— Maar Tilly... ik praat met haar... om haar te kalmeren.
— Je liegt...
— Tilly!
— Je liegt... je praat met haar... je praat met haar... omdat je verliefd op haar bent!
— Tilly, wees stil...!
— Niet... als op mij... maar anders...
Plotseling greep hij haar pols. Zij kende zijn plotselinge driften, heel zeldzaam — maar zij kende ze. En omdat hij verblind was door het plotse licht, dat uit haar scheen, — omdat uit al het zwart zijner zelfonvoldaanheid een schuldbewustzijn opspookte, ontzaglijk:
— En nu stil!! riep hij, en schudde haar arm. Nu stil... ik gebied het je!!
Hij wist niet meer, het leven duizelde voor hem diep als een zwarte kolk. Op de eenzame weg stond hij voor haar, en het was of zijn grauwe ogen bliksemden, of van woede en angst blauwe vonken schoten na vonken. Zijn gehele gelaat trilde, zijn lichaam trilde, zijn stem trilde van woede en angst. Zij voelde een razende tegenstand opkomen in zich — tegelijk met een zwarte wanhoop. Zij had een impulsie zich nu te storten in zijn armen, uit te huilen aan zijn hart. Maar zij wilde niet zijn liefkozing: zij wilde, {{sp|dat wat haar ontsnapt}}e... Het ontsnapte haar — en nu zij het zei, nu zij het ronduit zei, gebood hij haar stil te zijn, het niet te zeggen. Was het niet zijn schuld, was het niet zijn schuld...! Had {{sp|zij}} niet gelijk... Zij rukte haar hand los.
— Je houdt niet van me, zei zij ruw.
— Neen... als je zo spreekt, niet. Ik ben niet verliefd op Marietje... ik beklaag haar...
Zijn stem was heel kalm en warm, en zij antwoordde, kalmer ook:
— Je voelt voor haar.
— Ja...
— Nu dan...<noinclude></noinclude>
71h6edo8t1t5cbr2a2h6xk0001khqbi
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/693
104
68785
222783
188764
2026-06-04T12:59:26Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222783
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Maar je hebt geen recht dàt tegen me te zeggen. Ik geef het je niet, dat recht... omdat... Tilly...
— Recht, recht... wat heb ik voor recht! ik heb er geen een... In je huis word ik geduld...
— Tilly... wees voorzichtig!!
— Waarom??
— Je breèkt ons geluk!!
— Het bestaat niet...
— Jawel... het bestaat... àls...
— Als wat?
Hij streek de hand over het hoofd. Het was koud, het woei, en zijn voorhoofd parelde.
— Als je redelijk zoudt willen zijn.
— Je delen?
— Mij delen... Met wie? donderde hij.
— Niet met haar misschien... hernam zij zich, bang; maar met... met...
— Met wie?
— Met hèn allen.
— Wie?
— Je familie... allen... die je liever hebt dan mij.
— Ik heb ze niet liever.
— Neen... maar je voelt met ze... niet met mij...
— Voel dan met me...! smeekte hij, als om haar en zich te redden. Voel, Tilly... dat ik geen modedokter kan zijn... maar dat ik een grote praktijk heb... voor wie ik nuttig ben...
— Ze betalen je niet...
Zijn mond, ondanks zich, trok een grijns van verachting.
— Ze betalen je niet, herhaalde ze. Je slooft je af... voor niets...
— Probeer te voelen, Tilly... dat ik me niet afsloof voor niets... omdat ik geen geld verdien...
— Leer mij dat dan te voelen...
Hij zag haar met wanhoop aan.
— Leer het mij!! smeekte zij. Om... jou... omdat ik van je hou... wil ik het proberen te leren... proberen te voelen... Ik hou van je... ik hou van je, Addy!!
— Kind, zei hij zacht. Ik zal mijn best doen... je het te leren te voelen... Ga mee met mij.
— Waar...
— Daar... naar die kleine huisjes.
— Wie wonen daar?
— Armen... zieken... die ik verzorg.
— Addy... neen... neen... neen...
— Waarom niet?
— Ik ben er niet op voorbereid... Je weet... ik kàn dat niet zien...<noinclude></noinclude>
mxd3mw5keyulv5oe07dn9ftwkz3932v
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/694
104
68787
222784
188766
2026-06-04T12:59:41Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222784
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
<section begin="s1"/>{{dhr}}
— Je bent een gezonde vrouw; je zenuwen zijn niet zwak: ga mee.
Zij ging met hem mee: zij dorst niet weigeren.
— Tilly... zei hij zacht, terwijl zij gingen en naderden. Ik wil het proberen te weten voor ons beiden... Als je gelukkig wilt zijn voor jou met mij... wij beiden gelukkig... dan...
— Dan...
— Dan moet je leren mij te begrijpen... heel diep te begrijpen, zoals ik ben. Dan moet je proberen te begrijpen... ons allen... ons lief te hebben. Mijn vader... mijn moeder... Tilly, Tilly, kan dat?
Zij antwoordde niet, bevende, bang, dieper ziende, na alles wat zij gezegd hadden. Haar mooie ogen zagen hem wanhopig aan, als met de smart van een gewond dier, dat lijdt. Nu had zij hem maar willen omhelzen, gewoon, heel vast en warm tegen zich aan, maar hij leidde haar voort als een kind. Hij klopte, hij opende de kleine deur en hij voerde haar binnen. Een zwoete walm van kleine armoede sloeg haar als met een slag in het gezicht: en het was niets dan ellende, tot welke hij haar bracht. Het scheen haar of zijzelf, in haar ziel, die nooit nog zo had getrild — meevoerde de ellende.
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''VII'''}}}}
O, hij had schuld, hij had schuld, hij had schuld! Hij zag het plotseling als met een wanhoop in, dat hij de vraag, die hij soms in zwarte en vage zelfonvoldaanheid had moeten stellen, zich toestemmend beantwoorden moest van ja, van ja, van ja... Omdat hij het niet voor zich geweten had, helemaal voor zich, voor zijn twee, die zo duidelijk hij zich voelde — had hij schuld, — omdat hij zijn vrouw alleen liefhad met de helft van zich! Had zij aan iets enige schuld? Was zij niet, die zij altijd geweest was? Neen, zij was veranderd, zij had zich verfijnd, als had zich haar ziel — trots de antipathie harer omgeving — toch vervormd en zich gelijker gemaakt aan allen en alles, dat haar omringde! En het was zijn schuld; gevoerd als hij haar had in deze omgeving, waar zich de sympathie niet weefde, en die haar niets had gegeven dan een verfijning van ziel, zinnen, zenuwen — zodat zij nu leed om dat, wat hij altijd gedacht had, dat verre van àl haar gewaarwording blijven zou. Hoe plotseling duidelijk, in haar eenvoud, had zij het alles ingezien, bijna onbewust, wierp zij het hem voor de voeten...! Hij wrong er de handen om, hij voelde er om een wanhoop. Nu, 's avonds, alleen op zijn kantoor, in het stille licht van zijn werklamp — in een hoek de tafel met de boeken en kaarten van Guy — liep hij op en neer, liep hij op en neer, wringende zijn handen, diep blikkende in die wanhoop, de zelfonvoldaanheid niet vaag meer, maar ziele-<section end="s2"/><noinclude></noinclude>
94uzt10y7zsfgpizeqgcdl052bcx91j
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/695
104
68789
222785
188768
2026-06-04T13:00:00Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222785
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>smartelijk in zelfontevredenheid, omdat hij zich fout zag, in die grote daad van zijn nog zo heel jonge leven: zijn huwelijk, fout voor hemzelf, en fout voor zijn vrouw. Haar trouwen, omdat zij gezond was en eenvoudig normaal, met dat idee van tot-voorbeeld-stellen — zie, zo moesten wij allen zijn, normaal, eenvoudig, gezond — o haar wèl liefhebben, maar liefhebben alleen met de helft van zichzelf, zonder haar oóit iets te geven van diepere zieledingen — dingen, die hij aan allen gaf, met wie hij zich zielsverwant voelde, zonder te tellen, als in ruime verspilling — hoe had hij het zo kunnen doen — hij, die het wist voor anderen! Duidelijker dan ooit zag hij in, dat hij het nooit voor zich had geweten, en duidelijk zag hij in, dat anderen — zijn vader, zijn moeder — het hadden vermoed, dat hij niet voor zich wist, niet geweten had, toen hij Mathilde als zijn vrouw tot hen bracht — in hun midden, in hun huis. En in zijn ontroering nu, in deze eenzame denkensstilte, werd wakker in hem de energie te herstellen, o te herstellen, als het kon... alles, alles voor haar te herstellen...
Nu, plotseling, ging hij tot haar kamer, waar zij na den eten een ogenblik was, vóor het theeuur, waar hij haar dikwijls vond om met haar te zijn, een moment alleen, en hij vond haar: zij zat lusteloos in een stoel, en de kamer was donker, er naast sliepen de kinderen al... Hij stak het gas op, en hij zag haar aan, als met àl de energie, die in hem opsprong als met veren, om te herstellen, te herstellen, en zonder inleiding zeide hij:
— Tilly... wij zullen naar Den Haag gaan...
— Wat meen je? vroeg zij verrast.
— Wij zullen in Den Haag gaan wonen. Ik zal doen als je zegt, ik zal me in Den Haag een praktijk zoeken.
Zij had hem nu alleen, voor het eerst na hun gesprek die middag, en plotseling, snikkende, omhelsde zij hem, drukte hem tegen zich aan.
— Hou van me! smeekte zij.
— Ik hou van je... Het is niet goed, dat we hier blijven... Het is beter als je geheel op jezelf bent, in je eigen huis... je eigen meesteres...
— Hoe dikwijls hebben wij daar al over gesproken! snikte zij.
— Er zal geld genoeg zijn, Tilly: ik zal verdienen...
— Je rekende vijfduizend gulden.
— Neen... het zal meer zijn. Wees niet bang, heb geen zorg, het zal genoeg zijn... en je zult kunnen doen als je wilt. Ik beloof het je, ik beloof het je.
— Het is een opoffering voor je...
— Het huis te verlaten...?
— Ja...
— Ik ben gehecht aan het huis... maar het is beter, dat wij gaan naar Den Haag.
— Je ouders ... ze zullen je àllen missen...<noinclude></noinclude>
1q6h7pia4rul4dzntzhhbyixtaguima
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/696
104
68791
222786
188771
2026-06-04T13:00:20Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222786
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Maak nu geen bezwaren, Tilly...
— Neen... Addy, neen.
— Wat neen?
— Ik wil niet naar Den Haag...
— Waarom niet?
— Het is te laat ... Het zou niets anders maken... Het is te laat.
— Wat is te laat...
Zij snikte en zij omhelsde hem. Zij prangde hem tegen zich aan, zij gloeide zijn mond met haar zoenen.
— Laat maar, zei zij tussen haar zoenen, en haar stem klonk moedeloos.
— Waarom Tilly, waarom laten... Ik wil je gelukkig zien... Het staat nu vast: wij gaan naar Den Haag. Ik zal er een huis voor ons zoeken...
Zij schudde het hoofd van neen.
— Zeg Tilly... waarom weiger je nu...
Zij haalde de schouders op.
— Ik weet niet, zeide zij.
— Je houdt toch van mij.
— Ik hou van je: ik ben dol op je, ik ben dol op je... Laat ons maar blijven hier en... en hou een beetje van me.
— Maar Tilly, ik hou van je, ik hou van je!
Hij zoende haar, heel warm, en zij ontving zijn zoenen, de ogen gesloten, en als mat, als moe in zijn arm. Plots weerde zij hem af.
— Laat me, zeide zij, en stond op.
— Tilly...
— Laat me... zoen me niet meer.
— Waarom mag ik je niet zoenen ...
— Ik wil niet.
— En je houdt van me!
— Ja maar... zoen me niet meer.
Hij zag haar als verbijsterd aan, en zij zeide:
— Het is niet alleen zoenen...
— Tilly! zei hij, en strekte zijn armen uit; wij zullen het voor elkaar vinden... met elkaar...
— Nietwaar?
— Ja...
— Dat geloof je immers? Als wij in Den Haag zijn... alleen... in ons huis.
— Ja... ja... goed.
— En zal je dan gelukkig zijn?
— Ja... als we het gevonden hebben.
— En we zullen het vinden...
— Kom bij me zitten, op mijn kamer... Ik heb te werken,<noinclude></noinclude>
e9vf181j91ea69r6d9ghbpwq6dlbyi3
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/697
104
68792
222787
188772
2026-06-04T13:00:37Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222787
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><section begin="s1"/>en zit dan bij me... Ik ga niet naar beneden om thee te drinken. Ik heb te studeren... ga mee — en blijf dan hij me... deze avond; wil je...
— Ja...
— Zo zal het zijn of we al thuis zijn... in ons eigen huis... in Den Haag...
Zij volgde hem, bleek, moe, lusteloos, zijn arm om haar middel.
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''VIII'''}}}}
Pasen naderde; voorjaar maakte zoeler de wind, en zoeler de regen, maakte zoeler de lucht, die laag hing als in grauwe drukkingen en er was veel veranderd in de laatste weken. Het grote huis, hoe ook vol van hen allen, scheen heel stil, nu Addy, Mathilde verhuisd waren naar Den Haag, hoewel hun kamers altijd klaar voor hen bleven, omdat Van der Welcke had gezegd, dat Addy altijd in huis zijn kamers klaar moest hebben, zodra hij komen wilde, al was het ook maar voor éen dag. Zo bleven de slaapkamers, de kinderkamer altijd als in een stille afwachting van zwijgende meubels en gesloten deuren, en alleen in Addy's grote studeerkamer, een van de mooiste van het huis, het vroegere kantoor van de Oude Man, werkte Guy nu, bij het raam. En het was of zij allen, ook al was er een rust in, dat Mathilde er niet was, somberden, omdat Addy weg was, als hadden zij hem allen verloren. Wel kwam hij, zelfs twee maal in de week, vooral om Marietje — Mary, maar dan nog had hij het zo druk buitenshuis, dat zij hem nauwlijks zagen dan aan de malen. En het was of zij allen Mathilde wel hadden willen dulden — zo zij Addy maar niet verloren. Klaasje duwde haar stoel niet meer weg, Gerdy morste niet meer met de melk, des avonds aan het theeuur — kleine bijna belachelijke ergernissen, die er zo dikwijls voor Constance geweest waren — zodra Mathilde binnenkwam, maar nu alles van ergernis weg was, was Addy ook weg, scheen hij verloren voor altijd. En zij leefden als in een grauwe harmonie voort, stil, rustig, maar nu, geregeld, zonder veel woorden, in een matte resignatie, die treurde in aller ogen en stemmen, terwijl, nu Gerdy stilletjes, stilletjes, kwijnde en kwijnde, het nog alleen Guy was met Van der Welcke, gedwongen, die wel eens heel vrolijk waren. Ook Paul had zijn triestige dagen: hij verscheen soms niet in een week, zei, dat hij ziek was, bleef op zijn kamers, liggen op zijn rustbank, een boek in de handen, het niet de moeite waard vindende brillant te praten of piano te spelen — maar zij zochten hem allen op, Constance, Brauws, de meisjes; zij drongen hem uit zijn kamers en uit zijn neerslachtig spleen en hij kwam weer, als een slachtoffer, bromde, dat Gerdy's piano altijd vuil was, vroeg een doek, wreef de toetsen, en speelde lijdzaam Grieg: week vielen de melodieën als van zijn <section end="s2"/><noinclude></noinclude>
twchjqyg3s4gzyz3err6jczs73t5pk5
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/698
104
68794
222788
188775
2026-06-04T13:00:54Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222788
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>vingers af. En al was het alles grauw, in de wat zwoele voorjaars-atmosfeer, het was er toch vreemd gelukkig nog van een stil gevoelde harmonie, een familie-eenheid, waarom Constance soms vochtige ogen kreeg, wanneer zij sprak met Brauws in de schemeringen boven op haar eigen zitkamer, in half doorklinkende gesprekken van vlugge halve woorden, die elkaar dadelijk begrepen. Kwam Addy dan, dan bracht hij mee als een schijn, als een licht, als een plotse glorie — en toch waren zijn ogen vol sombere grauwte ook, maar zij waren allen zo gelukkig hem te zien, dat zij er alleen glorie in zagen. Hij was tevreden in Den Haag, zei hij. Hij had praktijk, het ging alles goed, Mathilde was heel opgewekt, de kinderen maakten het goed. Hij vroeg hun toch eens te komen, want hoewel zij hem allen eens hadden opgezocht, om het huis te zien — kwamen zij niet meer, trokken zich terug als van hem... Hij zag het, had er leed van: in zijn ogen was als een omdwaling door de lieve bruine kamers, of dit grote huis bleef zijn huis en als Constance hem omhelsde, voelde zij in het hart van haar zoon een moeilijke strijd en een groeiing van zwaar verdriet. Nooit sprak hij daarover; hij hypnotiseerde Marietje, hij hielp geregeld bij de leeslesjes van Klaasje, en de boeken met kleurige letters schitterden als tot in de ontwakende verbeeldingen van het kind; hij sprak, Zaterdags, met Alex heel lang, of zat bij oude grootmama, en vond altijd iets tot haar te zeggen, dat haar zacht glimlachend het hoofd deed schudden, tevreden; hij vond een ogenblik voor zijn vader, voor zijn moeder, voor allen — ook daar buiten voor de arme zieken aan de stille buitenwegen; hij bemoeide zich eens met een oud ziek paard, waarom Marietje — Mary veel verdriet had, als zij het gemarteld zag voor een kar, en kocht het voor haar, en liet het voor haar lopen op een wei, bij een boer, die zij kenden. En zijn geregelde bezoeken waren dàt, waarnaar zij allen uit zagen, éen maal in de week, als naar een heerlijke dag, en de andere dagen sleepten grauw harmonisch voort in het stille familie-leven, zij allen in elkander aanvoelende eenzelfde gemis.
Pasen kwam, en de drie jongens, Constant, Jan, Piet kwamen met vacantie. En het was niet alleen voor Adeline, maar ook voor Constance, ook voor Addy — als hij eens over was — nu éen grote emotie — die hen nauwer nog verbond — een emotie om de carrière van al die jongens — een emotie om de examens, die zij hadden gedaan, die zij zouden doen. Constant, zeventien, zou dit jaar van de Hogere Burgerschool, in Den Haag, naar de Landbouwschool te Wageningen overgaan; Jan, nu vijftien, was nog op een kostschool te Barneveld, waar hij leerde om over een jaar zijn examen voor de Marine te doen; Piet, veertien, was in Den Haag, op de Hogere Burgerschool, bestemd voor de Polytechnische School. In Den Haag woonden Constant en Piet bij een leraar in, en Addy was er bijna blij om, dat hij nu zelf woonde in Den Haag, de jongens meer zag, want de leraar<noinclude></noinclude>
rvxgmqgkp0h6mygmh5y6ip1zuc38va6
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/699
104
68795
222789
188776
2026-06-04T13:01:13Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222789
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>was niet tevreden, de jongens leerden slecht, niet omdat zij niet wilden, maar omdat zij geen hoofden hadden voor boeken, voor werken, voor studeren, evenmin als Alex, evenmin als Guy: de drie jongsten nog meer dan zij beiden drie blonde warrelkoppen, — Constant wat peinzend, Jan de stevigste, Piet de helderste, maar geen van allen werkers. Het was eenzelfde onmacht tot volharding, die zij allen vertoonden, met de verschillende tinten hunner karakters: Alex, die nu wel Addy ter wille zijn best deed in Amsterdam op de Handelsschool, vol geheime vrees voor het leven, geslagen als kind door die vrees, sedert hij door open deuren heen het lijk van zijn vader gezien had, éen ogenblik van gruwel en bloed; Guy, goed, gul en vrolijk, luchthartig; Constant somber in zichzelf, stug, met een vreemde blik van achterdocht diep in zijn ogen; Jan, een jongen van sport, en Piet — op Klaasje de jongste — wel van verstand de verlichtste, maar teer, schuw, meisjesachtig, en die het meeste nog Constance deed denken aan de vlasblonde poppetjes van vroeger: de kinderen vrolijk, onbezorgd, buitelend in de eetkamer van de Bankastraat, terwijl Gerrit, groot, in uniform en rijlaarzen, wijdbeens stond tussen al hun ravotten in. En nu, nu waren de jongens al niet meer onbezorgd: het waren hun rapporten, het was hun daarginds in de toekomst opengaande carrière, die hen als dwong te denken aan ernstige dingen — en het was of zij er geen van allen in groeiden met het voortbloeien van hun jaren, of zij Alex, Guy, Constant en Jan, bleven week — luchthartig — somber — ruw — en Piet zo schuw en teer, terwijl het wrede leven zich opende voor hen — de maatschappij, waarin zij een plaats moesten winnen — zij, geen van allen volhardend in de jonge studie, die hun loopbaan voorbereidde. Het was voor Addy een hele zorg, en als de jongens niet van hem allen hadden gehouden, was die zorg hem zeker onmogelijk geweest. Was hij het niet geweest, die eigenlijk hun carrière voor hen gekozen had, omdat zij niet wisten — geen voorkeur hadden — bijna àllen misschien huiverend van die angst voor het leven van maatschappelijk mens — als Alex het voelde het diepste in de melancholie van zijn neerslachtigheid — of de zelfdood van hun vader — waarvan zij allen wisten — over àllen een schaduw geworpen had — een schemering over hun kinderzielen... En Addy, als een oudere broeder, als een jonge vader, hen raadplegende, had voor hen moeten kiezen, had het lang en breed moeten bespreken: — Indisch ambtenaar — had geen van allen gewild; voor de Akademie scheen het Addy toe, dat zij geen van allen koppen hadden — en zo werd het beslist: Alex kadet — maar dat was niet gegaan; nu op de Handelsschool ging het beter — Guy, posterijen, — Constant Wageningen — Jan, de marine — en Piet, in wie Addy zag de helderste intelligentie, had hij opgezweept voor de Polytechnische School. Maar behalve Alex, gaf Guy hem last — die wel wat sufte over zijn kaarten en boeken -; Constant,<noinclude></noinclude>
gxxhipl8it29g3mdhj2l8hz5sv7nzvi
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/700
104
68796
222790
188777
2026-06-04T13:01:28Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222790
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>somber, stug, deed zijn best, maar de vergelijkende examens voor Willemsoord zouden — meende Addy, — later heel moeilijk voor Jan kunnen zijn, terwijl Piet... Maar de jongen was nog een kind, zo aanhankelijk aan Addy, met zijn beetje meisjesachtige tederheid, met zijn schuwheid, die alleen in Addy vertrouwen stelde... Ja, dacht Constance, nu zij ze allen had bij elkaar — nu zij ze allen zag bij elkaar: het zou nog lang een hele moeite zijn, het zou voor Addy nog een hele last zijn, en Adeline — arme Adeline — ze had nooit alleen van haar jongens mensen kunnen maken.
Het was Pasen en het was vreemd, hoe zij allen thuis waren in het grote huis te Driebergen, het beschouwden als hun ouderlijk huis, naast hun moeder oom Henri en tante Constance beschouwden als ouders ook, — Addy beschouwden als een oudere broer, als hun jongste vader — van wie eigenlijk alles afhing. Tegen die beschouwing verzette zich niemand, en met alles, het minste, was het hun heel natuurlijk te zeggen:
— Dàt zal ik aan Addy vragen...
Tegen hun neef, die zij zo heel veel ouder van ziel dachten dan zijn leeftijd, zagen zij allen op natuurlijk-weg, — en zo vol vertrouwen, als moest hij het weten, als zou hij hun het leven wel effenen, de toekomst van loopbaan bij loopbaan, die zich daarginds voor hen opende als een strijdperk. Hoe zij ook verschilden van karakter, hierin, natuurlijkweg, voelden zij gelijk, als had het niet anders gekund, en als een vreemde zich soms verwonderde, dat Addy zo vaderde over hen, keken hun blikken verwonderd op, als vragende: hoe zou het dan anders kunnen: natuurlijk, Addy doet alles voor ons... En zij waren wel dankbaar, bijna onbewust, aan oom Henri, die betaalde, aan tante Constance, die in zo vele opzichten voor hen zorgde, aan Addy, die het leven zou effenen — maar toch vonden zij het heel natuurlijk, omdat het zo altijd geweest was — ook voor de meisjes, Marietje, Adèletje, Gerdy en Klaasje. Het was nu eenmaal zo: oom, tante, Addy zorgden voor hen — omdat mama zo treurig was en niet flink en zonder energie. Nog heel jong en klein waren zij het zo gewend, en het was zo: het kon nóóit anders geweest zijn.
Nu, wanneer hij uit Den Haag over was, sprak Addy met allen, ernstig, en zij luisterden met ernstige gezichten opkijkende naar hem, aannemende wat hij hun zeide, belovende beter te zullen werken, een volgende keer betere rapporten te zullen vertonen, hem in alles meer reden tot tevredenheid te geven... Dan gaf hij ze een hand, en met de handslag was het als een belofte, die zij allen zo gaarne zouden houden, om Addy pleizier te doen — omdat Addy toch al de verantwoordelijkheid voor hun leven en hun loopbaan had. Hem droegen zij het alles over, maar het werd hun meer en meer bewust, dat zij het hem wel wat gemakkelijker moesten maken. Vooral sprak hij zo met Piet:<noinclude></noinclude>
oo8lr55n4perozh29a45n70ortd1hf0
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/701
104
68798
222791
188779
2026-06-04T13:01:45Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222791
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
<section begin="s1"/>{{dhr}}
— Meneer Veghel is niet tevreden, Piet...
Dat was de leraar, bij wie Constant en Piet inwoonden.
De jongen bloosde, met de snelle blos over zijn ronde meisjes-wangen, zijn ogen zagen schuw, en angstig op...
— Je moest beter werken, Piet: je kan het wel... en als je het dus niet doet, kan je onmogelijk later in Delft komen... En ingenieur, dat is toch juist iets voor jou. Dat zou je toch juist willen worden, niet waar.
— Ja Addy.
— Maak nu, dat je over gaat vóor de grote vacantie. Als het zo voortgaat, ga je niet over, Piet.
— Ja Addy... ik zal mijn best doen...
Dan was de jongen heel zenuwachtig, omdat Addy niet tevreden was, en in het diepst van zichzelf had hij maar gewenst, dat Addy hem niet zo helder zag, zo knap van welkunnen, als hij maar wilde — en Piet vond de Polytechnische School wel heel moeilijk. Het zal nooit gaan, dacht hij heel stil, maar hij zei het niet, omdat hij, trots zichzelf, hoopte, dat het wèl gaan zou, alleen al omdat Addy het wilde — en omdat het nog zo heel lang was in het verschiet, — de Polytechnische School — en omdat Addy de laatste tijd zo een trek over zijn voorhoofd had, als had hij verdriet — misschien wel om hèn, de jongens — misschien wel om hèm, Piet.
— Addy, we geven je wel last, hè.
— Als je maar goed werkt, Piet... dan is het zo een grote last niet en dan gaat het vanzelf...
Maar evenals Piet zagen zij het allen, de jongens, de meisjes, en zij vroegen zich af: was het om hen allen, of was het om heel iets anders — om hemzelf, om Mathilde, dat zo zich zijn voorhoofd fronste, dat zo somberden zijn grauwe ogen...
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''IX'''}}}}
In Den Haag gevoelde Mathilde een zekere bevrediging, een voldoening, en de drukte der eerste weken bedwelmde haar aangenaam en deed haar vergeten de wanhopige gedachten van die laatste weken te Driebergen. Zij hadden een aardig, nieuw, klein huis, in een zijstraat van het Bezuidenhout en zij kon zich verbeelden, dat zij op het Bezuidenhout woonde. Het was fris in de verf, licht van kleur en zij vond het een genot het huis te meubileren, nu zij de zomer ingingen, met lichte moderne meubeltjes, die wat kinderachtig deden in de kleine kamers, met in salon en serre veel licht gekleurde mousseline, dat zij aardig vond staan, en vrolijk. De eerste voorjaarslichten vielen er schel en hard binnen en de nieuwe behangerskleuren bralden op in de eerste zonnige dagen, galmden uit, krijsten Addy tegen, als hij thuiskwam van zijn visites, met zijn zeer elegant mooi <section end="s2"/><noinclude></noinclude>
2ejfccfracvlw7p3ebj8p77r00j8yoo
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/702
104
68799
222792
188780
2026-06-04T13:02:01Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222792
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>coupétje. En zij had een zekere zorgzaamheid, dat hij, zich vooral netjes zou kleden, dat hij er heel correct uit zou zien: zij dwong hem zich een paar nieuwe pakken te bestellen. Hij had nog geen grote praktijk, maar dat zou wel komen: zij had goede hoop. Des middags ging zij uit, blij om Den Haag, blij om de winkelstraten, al de boodschappen, die zij te doen had, de vroegere kennissen, die zij tegenkwam — kennissen uit het ouderlijk huis — haar beide ouders nu gestorven — en iets lager staand in côterie dan de hare nu; blij vooral aan haar familie — een paar ooms en tantes, neven, nichten, — zich te tonen in haar nieuwe, drukke japonnen: barones Van der Welcke... En in haar bevrediging, in haar voldoening, in haar nieuwe omgeving, door haar geschapen en sympathisch aan de banaliteit harer illuzies, was het of zij plotseling uit haar leven dat alles van Driebergen had uitgewist — of ze niet hadden bestaan, de bijna drie volle eerste jaren haars huwelijks, daarginds, in het treurige, regennatte dorp, in het sombere huis, het spookhuis vol gekken en zieken. Een nieuwheid, banaal en fris, als de verf van haar huis, was om haar heen; zij ademde een nieuwheid, en zij was Addy wel dankbaar, maar dat wat zich trots haarzelf, had beginnen te verfijnen in haar door de wrijving met wel antipathieke maar toch fijnere naturen dan de hare, verstompte zich als dadelijk, en de dagen van werkelijke ellende, die zij had doorgemaakt, schenen in haar oppervlakkige bedenken, nu ver, heel ver, als nooit geleefd, als maar gedroomd, als ergens gelezen, als niet doorvoeld. Het voelen was niet uit haar geweest, als een plant, die ontkiemt, maar het had om haar gedreven, als een wind, die waait en een wolk, die verschiet. Het had haar wel bewogen, maar het had haar niet doorschoten. Nu, in haar nieuwe atmosfeer, bloeide zij op, vol: plant, overgeplant in de aarde, die zij had nodig, om vol op te bloeien.
En toch, al herkreeg zij zichzelf — geheel was zij zichzelf niet meer. Ook al verlangde zij niet meer te kennen en te ontvangen, {{sp|dat wat haar ontsnapte in Add}}y, toch bleef zij weten, dat hem iets in haar ontsnapte, en hoe zij ook, met haar eenvoudige smeking, gevraagd had, dat hij van haar zou houden, nu, ook al vroeg zij dezelfde vraag, en bijna als met een kinderlijke zeuring:
— Addy... je houdt toch wèl van mij...? bekennen moest zij zich, dat nu zij hem werkelijk hoog boven zich zag, — niet alleen in dat, wat haar ontsnapte, maar ook in dat, wat zij in hem begreep: de opoffering, die hij haar maakte, die hij haar iedere dag maakte, door te wonen in Den Haag, daar te doen als zij zei, zich een praktijk te zoeken, als zij wenste, door zijn leven als met een greep van sterke vuist te hebben van richting veranderd, in de richting, die haar gelukkig zou maken — zij hem niet meer liefhad als vroeger... Als vroeger, toen zij hem verwant aan zich had gevoeld, in de gezonde normaliteit der<noinclude></noinclude>
8ga7gf48emu2ebf7hd31nimagm8sqnn
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/703
104
68801
222793
188784
2026-06-04T13:02:16Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222793
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>physieke naturen... zo was hij nog wel, maar hij was anders ook — en dat andere was haar niet verwant, en niet verwant was haar de superioriteit, waarmee hij zich haar offerde... De superioriteit, het offer, drukten haar... Zij vergat gauw, en was zij op straat, liep zij langs de winkels, ontmoette zij de kennissen, die haar bewonderden — dan was zij gelukkig. Kwam zij thuis, wachtte zij Addy af, zij tussen haar twee kinderen, dan voelde zij zich plots gedrukt... Ik ben melancholiek in Driebergen geworden, dacht zij, maar nu was zij toch in haar nieuwe, frisvervige huis — en zij was gedrukt, zij voelde zich onbehagelijk; zij torste iets mee, dat zij niet af kon schudden... Nu dikwijls, weende zij, snikte zij — als in Driebergen — maar daar, wist zij, was het om haar alleen... om Marietje Van Saetzema -: hier wist zij niet meer, waarom zij snikte... Aan tafel, zij met hun beiden, was zij stil, of snauwde zonder te willen... Als hij werkte, zette zij zich niet bij hem, hoewel hij het vroeg... Als hij haar zoenen wilde, trok zij zich terug. Des nachts dikwijls sloot zij zich op, hield zich of zij sliep... Alleen in de kinderen, voelde zij zich met hem eens, was het eens met hem, met zijn systeem van voeden, van door wind en weer iedere dag uitgaan. De kinderen verenigden hen, nu en dan, enkele ogenblikken... Waren de kinderen naar bed, werd hun leven samen vreemd oneigenlijk, als voor beiden een afvraging: waarom, waarom? en iedere dag meer en meer. Hij leefde nu geheel als zij wenste, en het was hem of hij geen eigen leven meer had. Iedere avond het bijwerken van zijn studie, was als werktuigelijk, en als werktuigelijk ging hij nog eens, soms tweemaal per week naar Driebergen, bleef er een halve dag. Zij zagen er hem vaag, vreemd, oud, rimpels over zijn voorhoofd, een wanhopige sombering in zijn ogen.
— Mijn beste kerel, zei Van der Welcke eens; ik zie, dat het niet goed met je gaat. Herinner je je, hoe je vader nog niet zo heel lang geleden je met de weinige wijsheid, die zijn deel is, je een raad gaf: je leven voor jezelf te zoeken... Je zoekt het al minder en minder... voor jezelf. Het is daar niet goed met je... in Den Haag.
— Vader, ik heb zo weinig het recht mijn leven voor mijzelf te zoeken.
— En dat doen we toch allen.
— U heeft het indertijd... eens... niet gedaan. U gaf toen uw leven aan mij...
— Dat deed ik natuurlijk-weg... Ik weet niet wat er in je omgaat, maar het komt mij voor... dat het bij jou gedwongen gaat. Hier ben je thuis, hier voel je je éen... dit huis heb je lief... de werkkring, die je hier had...
— Ik behoor niet meer aan mezelf.
— Je hebt nooit aan jezelf behoord. Als kind behoorde je aan je onverstandige ouders, die zich helemaal van je meester<noinclude></noinclude>
9xwz7bm5ytufy94a6iy2ppuwqh6trvk
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/704
104
68802
222794
188785
2026-06-04T13:03:24Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222794
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>maakten — en nu behoor je aan je vrouw. Het zal je noodlot zijn.
— Als het dan zo moet...
— Ik zou je zo gaarne gelukkig zien, Addy, God kerel, wij zouden het allen zo gaarne zien. Wij lijden er allemaal om... Je arme moeder lijdt erom...
— Spreekt ze met u..
— Neen. Wij spreken nooit veel met elkaar, nietwaar, maar toch...
— Begrijpt u elkander beter...?
— Ja... maar dat is de kwestie niet. De kwestie op dit ogenblik is jouw geluk...
— Vader... ik ben niet ongelukkig... Het gaat heus heel goed met mij.
— Je hebt die koele, ver-affe stem, kerel, die ik zo goed van je heb leren kennen — die je hebt als je jezelf verbergt. Ik bedrieg me er niet meer in...
Van der Welcke stond op, hij liep nerveus de kamer, blauw van rook, op en neer, en plotseling bleef hij voor Addy staan, nam zijn hoofd in zijn beide handen.
— Mijn jongen... waarom moest het zo worden, dat je lot hetzelfde is als dat van je vader: een ongelukkig huwelijk...
— Vader...
— Spreek het niet tegen. Waarom zou je het doen, zijn we geen vrienden voor elkaar, die altijd alles van elkaar hebben afgeweten. Als kind was je mijn vriend. We waren altijd als twee broers. Waarom moet je lot hetzelfde zijn... als dat van je vader: een ongelukkig huwelijk. Jij, die zo knap voor anderen bent...
Plotseling krampte Addy zich als aan zijn vader vast...
— Waarom moest je het zo slecht voor je eigen weten... Indertijd... ik heb me niet verzet. Je hield van die vrouw... je wist altijd zo zeker je wil... ik dacht, dat je het voor jezelf wist... ik heb je je gang laten gaan. Ik was jaloers, omdat je trouwde... je moeder ook... wij zouden het van iedere vrouw zijn geweest... Wij hielden niet van het meisje, dat je ons bracht... we dachten: het is onze jaloezie, die ons niet van haar doet houden... De vrouw van Addy — ze neemt ons onze jongen af... We mochten zo niet denken. We hebben onze jaloezie proberen te doen zwijgen... We hebben Mathilde ontvangen, hopende, bijna zeker wetende, dat je je eigen-geluk in haar vond, omdat jij het altijd zo zeker wist... Jij hebt het niet voor je eigen geweten... Je wist alles zo goed voor ons... Je wist ook zo goed, zo zuiver, dat de betrekking, die ik je opdrong, niet voor je was: je vond je roeping... Je was een kind en je wist dat zo helder en zeker... Toen je een man was... geworden... heb je het niet meer geweten... Is het niet zo... Waarom moet je lot hetzelfde zijn van je vader... Ik was een kwajongen... toen ik me vergiste; jij was al een kalme, emstige man...<noinclude></noinclude>
i9b64d4kc1lzfkgm6vn2heoka74k2xq
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/705
104
68803
222795
188786
2026-06-04T13:03:45Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222795
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
En het was of zijn vader Addy alle kracht ontnam, maar hij zei alleen, met zijn bijna koele, effen, ingehouden stem:
— Beste vader, tussen Mathilde en mij... waarlijk, gaat het goed. Dat zij zich hier in huis niet gelukkig voelde — mama begreep het ook op het laatst, en mama gaf toe, dat zij in haar eigen huis, hoe klein ook, zich meer thuis, zich gelukkiger voelen zou...
— Maar ik spreek niet over het geluk van Mathilde... ik spreek over jouw geluk.
— Dat gaat samen, dat moet samen gaan, vader...
En zo was het altijd: meer sprak hij zich niet uit, meer gaf hij zich niet, uiterlijk bijna koud van koele ijzigheid en afwering, als men hem sprak over hemzelf. Dat hij zich vergist had, dat hij het niet voor zich had geweten, hij doorzag het wel, maar al zijn streven richtte zich om te herstellen wat hij in het leven van zijn vrouw had kunnen bederven, vernietigen door die onwetendheid voor zich.
Omdat hij wist, dat zij gauw vergat, meende hij: hij zou slagen, als hij zich geheel wijdde aan haar, als hij leefde volgens haar geluk en als hij niet leefde zijn eigen leven meer, volgens zijn eigen hogere instincten, zijn eigen sympathieën, zijn eigen roeping naar werkkring. Vergat zij ook nu niet dadelijk alles, hij zou hopen, dat, als hij volhield, zij geheel vergeten zou...
De dagen, dat zij opgeruimd was, was hij stil, somber in zich, voldaan, omdat het gaan zou als hij het dwong... De dagen, dat zij snauwde, zich opsloot, klaarblijkelijk ongelukkig was en zich nú dit verdriet niet meer wist te zeggen waarom, zag hij plotseling zijn jonge leven voor zich — als een sombere ruïne, als een woeste steenmassa in een donkere nacht, als een wanhopige opklimming en klimming in duisternis, zonder een doel van licht. Dan zag hij zijn zo jonge, kraaiende kinderen aan en vroeg zich af, of ze hem, of ze haar — hun ouders — eenmaal, spoedig misschien zouden troosten — als hij zijn ouders had moeten troosten... Mat deed hij zijn bezigheden, mat bezocht hij zijn patiënten — ook al zag niemand iets aan hem, nooit. In zijn elegant coupétje reed hij langs de straten van Den Haag, en dof blikten zijn ogen uit, en had hij heimwee naar zijn fiets, naar de wegen van Driebergen, de stille sombere wegen, verdronken in regen, en verdrukt onder de zware luchten — waar de arme zieken in kleine armzalige woningen hem wachtten, tevergeefs — hem alleen er zagen, éen enkel ogenblik in de week. Een bitterheid alsemde in hem: met een moede grijns dacht hij, hij had even goed aan de wens van zijn ouders kunnen voldoen, de wens van grootmama vroeger: diplomaat kunnen worden... Het was bijna hetzelfde geweest als hij nu deed: zich vooropstellen als jong mode-doktertje, die hypnotiseerde, en die men zocht, de dames vooral — omdat hij er goed uitzag, baron was.<noinclude></noinclude>
o4l0uaua6nnmhk6i1vwlsby94g9u8gu
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/706
104
68804
222796
188787
2026-06-04T13:03:59Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222796
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
<section begin="s1"/>{{dhr}}
Een moedeloosheid zonk in hem dieper en dieper; het wekte hem alleen op, als hij een ernstige patiënt had, voor dat ogenblik.
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''X'''}}}}
En Mathilde's gezonde evenwicht was geschokt. Gezonde, jonge vrouw met haar even vulgaire aspiraties, had zij hem lief gekregen, omdat haar natuur door de zijne sympathische voldoening meende te erlangen naar lichaam en ziel beide; geaarzeld had die liefde, toen zij langzamerhand had ingezien, dat zij hem deelde met zo velen, die hem beter schenen te begrijpen, toen zij plotseling in een verfijning van haar zielsgezicht, had gezien, dat zijn eigenlijkste haar ontsnapte. Gezond verstand had zij genoeg om te begrijpen en te waarderen, dat hij vooral wilde haar geluk, dat hij zich nu gehéel wijdde aan haar; dat hij hun tegenwoordige Haagse leven had gedwongen een richting uit, die niet de zijne was, maar de hare... Een zich verwonderende dankbaarheid daarover was in haar, maar toch drukte haar de dankbaarheid neer. De jaren te Driebergen doorgebracht in de familie van haar man hadden haar doen verweemoedigen tot een nerveuzere ontvankelijkheid, en nu zocht zij, nu weende zij en zij wist niet wat zij zocht, en waarom zij weende. Buien van drift volgden weke buien en buien van ontmoediging. In de vraag, die zij Addy niet meer stelde, maar die toch telkens oprees in haar hart — de vraag, of hij wèl van haar hield — school een tweede vraag, of zij wel van Addy hield... Dan dacht zij: ook al was haar liefde minder, zouden zij toch nog gelukkig zijn, nu in Den Haag, van haar leven maken een eenvoudig leven, van na-liefde nog... Maar zij zag hem, trots zich, somberen, trots al de pogingen, die hij zich deed. Zij maakte uren van wanhoop door, en als zij haar kinderen niet had gehad, was zij ergens gegaan, zij wist niet waar...
Haar gezonde evenwicht was geschokt. Nu meende zij, zou het goed zijn Addy te zeggen, dat zij zó, in Den Haag niet wilde zijn — omdat hij er niet gelukkig was — dat zij terug wilde naar Driebergen... En het idee hem terug te geven wat hij haar gaf, zich op te offeren als hij zich offerde, gaf haar een soort van cerebrale verluchting, alsof zij een oplossing had gevonden — een oplossing in de naaste toekomst, over een paar weken, een paar maanden. Ja, hem zeggen, dat het toch beter was terug naar Driebergen te keren... De kamers daar wachtten hen altijd af. Zij allen zouden hem gaarne terug zien... Zij gaf hem aan zijn familie terug... Maar zij...
Zij stelde zichzelf weer voor in het sympathieloze leven, dat zij er had gehad. En zij kon niet, zij kòn het hem niet zeggen. Nu waren er dagen, dat zij hem ontweek, hem nauwlijks zag dan aan tafel... Sommige ogenblikken, soms, speelden zij met de <section end="s2"/><noinclude></noinclude>
g8ox6abe373ghifbu9ehqldtud6xt9m
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/707
104
68808
222797
188807
2026-06-04T13:04:16Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222797
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><section begin="s1"/>kinderen; was er wèl wat liefs om de kleine blonde dreumesen: mooie kindertjes, Constant en Jetje, gezonde kinderen — zoals Addy verlangd had... Waren zij naar bed, dan ging zij uit, 's avonds naar haar familie, naar kennissen, theedrinken, alleen... Zij vroeg hem niet mee te gaan: hij moest ook werken, en zij kwam terug met een rijtuig.
Een leegte was in haar leven, en zij poogde met zich te redeneren, gezond verstandelijk, maar licht trillend. Kom, er waren honderden vrouwen als zij, met haar man niet zo heel gelukkig... heel gelukkige huwelijken waren zo zeldzaam... men leefde toch door met elkaar... Er waren de kinderen, van wie zij veel hield... Misschien later... als zij wat ouder waren, zou het beter gaan... zou Addy zich verzoenen met zijn werkkring, van zeer gezochte dokter... zou zij ook haar kalmte, haar evenwicht vinden terug... Het leven was zo insipide: opstaan, aankleden, eten bestellen, visites maken en boodschappen doen — alleen de kinderen, zo klein nog, gaven er een lachje door heen... verder was het insipide en zo was het voor allen... Een crisis, na een paar jaren van huwelijk, dat maakte bijna iedereen door... Zij zou zich schikken, Addy zich schikken: ze zouden blijven leven naast elkaar...
Maar er volgden de dagen van tranen, van wanhoop, en zij voelde zich veel te jong, zo vol levenssap, om zo maar het leven voort te slepen...
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''XI'''}}}}
Het was in het voorjaar en Marietje Van Saetzema zou nu eens naar Den Haag gaan, om haar ouders te zien; Constance ging met haar mee.
— Wat ziet Marietje er goed uit! riep Adolfine opgetogen.
Zeker, Marietje zag er goed uit. Zij zou altijd wel bleekjes blijven, tenger mager, met smalle schouders, maar haar wangen waren toch gevulder: een zachte kalmte blikte uit haar ogen; haar lippen bloeiden, hoe bleek ook, toch in een vriendelijke glimlach. Zij was als altijd stilletjes, maar zij sprak mee, haar gebaar was natuurlijker, minder pijnlijk gedwongen...
— Maar nu moet je haar ons van de zomer ook laten, zei Constance. Want van de winter heeft de arme meid niet veel genoten van buitenlucht. Nu, langzamerhand, wordt het mooi bij ons. Ze moet nu eerst een zomer meemaken, niet waar Adolfine, voordat je haar terug krijgt...
— Dat is goed, zei Adolfine dankbaar, maar zij vond gelegenheid een ogenblik later te zeggen tot haar zuster, alleen;
— Tenminste ... als er geen bezwaren zijn.
— Welke bezwaren?
— Om Addy...<section end="s2"/><noinclude></noinclude>
p3ujsqx30rv3jkjzd6n3bfa9788w21f
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/708
104
68809
222817
188795
2026-06-04T13:15:00Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222817
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Wat meen je...
— De mensen, zie je, zijn zo slecht soms. Ze zeggen...
— Wat zeggen ze?
— Ze zeggen, dat Addy op Marietje verliefd is. En dat Marietje hem wel tot zich trekt...
— Ik zou de mensen laten praten, Fine...
— Wat geloof je, Constance...
— Ik geloof er niets van; Addy houdt van zijn vrouw...
— Juist ... dat is het. De mensen zeggen...
— Wat nu weer?
— Dat het nu niet zo heel goed gaat tussen Mathilde en Addy...
— Ieder jong huishouden heeft wel eens moeilijke dagen. Een klein verschil nu en dan van mening... Ze zijn toch wel gelukkig met elkaar.
— O, geloof je...
— Ja...
— Het was Mathilde's wens om hier te komen wonen?
— Het was goed, dat ze eens op haar eigen was, in haar eigen huis.
— O, heeft ze geen scène met je gehad? Dat zeggen de mensen.
— Ik heb nooit met Mathilde een woord gehad...
— Ik zie haar wel eens. Ze praat niet lief over jullie... Ze zegt, dat ze opgeofferd werd aan de kinderen van Gerrit, dat ze niet meetelde in huis. Als ze zo praat, verdedig ik jullie, want ik weet, hoe lief jullie voor allen zijn... Van der Welcke en jij.
— Zij had misschien een bitter ogenblik om zo te spreken.
— Ze gaat veel uit, zei Adolfine.
— Wanneer? Bij wie?
— 's Avonds, bij kennissen. Ze is 's avonds bijna nooit thuis. Dat moest ze niet doen — zo zonder Addy. Ze is niet huiselijk, weet je...
— Ik weet, dat ze 's avonds nog al eens gaat thee-drinken... bij kennissen.
— Ja, juist... Ze is altijd uit. Maar wat ziet Marietje er goed uit, Constance... Addy heeft wel eer van haar. Hij krijgt al een hele reputatie... met zijn hypnoze... Iedereen wil door hem gehypnotiseerd worden. Ik hoor altijd met lof over hem spreken.
— Het doet me innig pleizier, Adolfine..
Zij ging nu: des middags zou zij terug komen om Marietje te halen, om samen terug te gaan naar Driebergen. Een open rijtuigje wachtte haar voor: het was mooi zacht, en de lente weefde groentjes tussen de bomen. Maar een zwaar gewicht lag op Constance's borst en zij had in snikken uitbarsten kunnen — om haar jongen, om Addy. Zij zou nu rijden naar hem toe, aan het<noinclude></noinclude>
03fyl0bbskc899egbyxrkjzikkmgvg1
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/709
104
68810
222798
188796
2026-06-04T13:05:21Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222798
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>andere einde der stad, de Emma-straat. Zij meende bij hem te gaan lunchen, en als zij de kleinkinderen had gezien, terug te gaan naar Adolfine. Het was elf uur. En zo zwaar voelde zij zich gedrukt door verdriet om arme Addy, die zij somberder iedere week zag komen bij hen in huis, dat zij nog niet kon, nog niet kon — na alles wat Adolfine had gezegd... O, wat zei ze toch altijd dingen, die zo schrijnden tegen de zenuwen... pijn deden... kratsten-aan tegen de ziel! Deed zij het opzettelijk... Was zij vals... Of was het omdat zij niet anders kon... geen tact had... of wellicht, onbewust, pleizier had een ander pijn te doen... Ach, misschien wist zij niet, dat zij pijn deed... Maar nu dadelijk naar Addy gaan, en naar Mathilde... neen, zij kon het niet... — Koetsier... rijd eerst maar eens de Bosjes wat door.
De koetsier wendde in de Javastraat, ging de Scheveningse weg op, verloor zich in de paden van de Bosjes... O, Den Haag was lief, de Bosjes waren haar lief... Juist zo als Addy lief had Driebergen, als met een ingeboren overgeërfde liefde voor woonplaats en huis voor huisgezin — hij het kleinkind wèl van zijn grootouders — zo had zij Den Haag heel lief... Zij had lief die groene wegen met villa's, zij had lief de zilte geur van de zee... Nu toerde zij langs de Waterpartij... nu langs de plek, plotseling, waar zij zich herinnerde jaren geleden, Brauws te hebben ontmoet, hij zittende op die bank daar... toen, zij zich, verschrikt, omgedraaid, hij haar ingehaald en haar bekentenis... dat zij Henri had voorgesteld te scheiden... O, die dagen, die dagen van leven, van leed en illuzie... zo ver... zo ver in het verre verleden... En nu, nu reed de koetsier met zijn sukkeldrafje van victoria per-uur langs de Kerkhoflaan... nu reed zij voorbij haar oude huis... O, haar oude huis — het was of het verleden, — de illuzie, het leed en het leven, het late, late leven er om heen nog dreven als een lage atmosfeer! Het waren de bomen van vroeger, en het waren de luchten van vroeger, het was het groene lenteweven van vroeger... Het huis, het huis... aan dàt raam had zij gemijmerd zo dikwijls, uitziende naar de grote luchten en haar ziel was gegaan als langs een pad van licht... Daar boven Addy's kleine torenkamer, haar slaapkamer: o die nacht, van illuzie, aan het open raam, met de geluideloze oplichtingen van hoop over de zee, de verre zee daarginds... zij had bijna willen ophouden, uitstappen, vragen het huis eens te zien, maar iets in de gordijnen, in de silhouet van een vrouw, tekenend voor het raam van haar vroegere kleine salon, hield haar tegen... en zij reed door. O, zij had lief haar Den Haag, en toch... en toch hoe had zij niet hier geleden... hoeveel antipathie was hier niet om haar geweest... Was er dan altijd die antipathie van kleine zielen tegen kleine zielen: moest haar arme jongen het nu ontgelden... ook al maakte hij zijn naam als dokter... O, hoe<noinclude></noinclude>
adr3tgj53x3qx6tkcuoqj3x4g6j9sgf
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/710
104
68811
222799
188797
2026-06-04T13:06:06Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222799
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>zwaar gedrukt voelde zij zich op haar hart, of de bonten mantel veel te warm was voor het zoele, lentewevende weer. Nu was het de Bankastraat en het oude huis van arme Gerrit en plots de vreeslijke sneeuwjacht haar wit en afgrijslijk voor de geest, purper gekleurd met het bloed van haar broer... Daar was het pension van Dorine en Constance belde even, maar Dorine was niet thuis... De koetsier sukkelde, moeiigjes door, — zij herkende hier en daar kennissen, ouder geworden, — nu zij met haar herinneringen terug dreef naar verledene jaren — en de koetsier, zeker om te rekken, volgde niet het Kanaal, maar sloeg in naar de Alexanderstraat. O, het huis, het ouderlijke huis... zo vòl van herinnering, zo vòl van verleden, en... zij zag — het stond leeg, te huur... Met een snelle blik naar de gordijnloze ramen boven, herkende zij zelfs het pleisterwerk van de plafonds, en het was of er het verleden nog neerhing, nog uitkeek naar haar, door de witte, kalkgestreepte ruiten... Moeitjes sukkelde het paard langs het Bezuidenhout nu, en het was het huis van arme Bertha, geheel dicht gesluierd met kille vitrage, koud en correct en afwerend een snelle blik van doordringing... Ja, Den Haag was haar een stad als een graf en toch als een graf was Den Haag haar lief... Een graf... en er woonde Addy, daar ginds aan het einde van die straat... Zij, had ze nog in Den Haag willen wonen...? Zij wist het niet, zij wist het niet: misschien wende zij wel aan Driebergen, wende zij aan het grote sombere huis daar, omdat er zo veel liefde was om haar heen — ook al bléef zij er zich voelen een vreemde... En een vreemde... zo voelde haar jongen zich hier!
Nu hield het rijtuig stil voor het huis van haar jongen. Vreemd, de huisdeur stond open... misschien was de meid even weg, had zij, slordig, voor het ogenblik, de huisdeur maar opengelaten. En Constance zeide de koetsier om half drie terug te komen, en ging naar binnen. Addy, zeker, was nog niet thuis van zijn visites. Zij klopte aan de deur van de salon, kreeg geen antwoord... Mathilde was zeker met de kinderen bezig, of met iets van het huishouden... Constance opende de salon, trad binnen om haar te zoeken.
Zij schrikte. Zij zag door de salon en de eetkamer in de serre Mathilde zitten en naast haar zat Johan Erzeele. Hij zat tot haar overgebogen en in zijn beide handen hield hij haar hand vast. Mathilde's ogen zagen ver uit, al starende en een weke weifeling scheen iets te breken in de gewoonlijke energie harer mooie, volle, even plompe vormen. Constance zag het éen ogenblik, vreemd visioen in een hel, grel serre-licht, hard van bonte mousseline gordijnen, grof goud en bont gevlakt met lelijke Japanse waaiers... Het was als een schrik voor Constance, en in het onverbiddelijke licht waren de schrik en het vizioen onverbiddelijk.
Dat duurde niet langer dan een seconde. Haar schaduw in de salon deed Mathilde, deed Johan opschrikken, en zij stonden op.<noinclude></noinclude>
srofvjtt101ji94t56qv4mcmk1z8lvf
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/711
104
68812
222800
188798
2026-06-04T13:06:36Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222800
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Mama...!
— Mevrouw Van der Welcke...!
Het klonk als een groet, maar hun stemmen waren ontroerd: omdat zij begrepen, dat Constance gezien had. Constance's stem beefde, maar zij zei alleen:
— Dag kind... meneer Erzeele — zij kuste Mathilde, gaf Erzeele de hand. Ik ben met Marietje gekomen... ze is bij haar ouders nu... en ik kom je eens opzoeken... en dacht bij je te lunchen... als het kan.
Zij dwong haar woorden en haar stem heel gewoon, en zij slaagde... en omdat zij slaagde, meende zij plotseling, dat het niets was, dat zij gezien had: een ogenblik van vertrouwelijkheid...: waren zij niet oude kennissen... had zij als heel jong meisje — hij nog kadet — zelfs niet met hem gedanst in hun dansclub... Er was niets, er was niets, en haar eigen gewoon klinkende stem stelde haarzelf gerust.
— U blijft dus lunchen, zei Mathilde.
— Als je me hebben kunt.
— Zeker... Addy is nog niet thuis.
— Zijn de kinderen boven...
— Ja... ik zal ze beneden laten komen...
Erzeele nam afscheid, zei, dat het zijn tijd was, herhaalde, natuurlijkweg, met Mathilde een afspraak elkaar morgen terug in de tennisclub te vinden. Constance, met éen blik, nam hem op: hij was, in zijn uniform, jong, breed en kort, zijn gezicht blond, bruin verbrand; ingedrongen, sterk van schouders, breed van nek, stond zijn kop pittig, flink, militair, met een paar blijde, kinderlijke grauwe ogen: een lange blonde snor schaduwde over zijn lippen, lachende blij, rood zinnelijk: een lach, die de kleine scherpe tanden ivorigjes glanzen liet... Zijn dik blond haar kroesde even... Het was heel vreemd, maar plotseling trof het haar, snel, dat Erzeele's blik geleek op die van haar eigen man, Van der Welcke, toen... toen hij jong was geweest... toen zij hem in Rome had leren kennen... Iets in de kinderlijkheid van zijn blik en zijn wat sensuele lach, iets in zijn figuur, in zijn tanden liet haar denken aan Henri, jong...
— Je kent hem al lang, nietwaar... vroeg Constance, toen hij gegaan was.
— O ja, zei Mathilde vaag.
Maar de bonne bracht Jetje beneden en Constant, om ze grootmama te tonen: daarna zouden de kinderen nog even uitgaan.
— Ze zien er goed uit, zei Constance gesmoord, een zware druk van onbegrijpelijke weemoed op haar hart — zo zwaar, dat zij er als om wenen wilde, trots zich haar ogen voelde vochtig worden.
— Ja, zei Mathilde; ze zijn ook gezond... Het is ook een heel systeem wat Addy en ik hebben met die bizondere voeding...<noinclude></noinclude>
kmaxo5mt6tf6l8a9buieb7i46r902jw
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/712
104
68813
222801
188799
2026-06-04T13:06:58Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222801
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>het geregelde uitgaan. Verleden stormde het... en Addy wilde absoluut, dat ze toch gingen... Ik ben het daarin wèl met hem eens...
Plotseling nam Constance, terwijl zij Jetje hield op de schoot, Constant aan haar rokken hing — Mathilde's hand:
— Het is dus wèl goed tussen jullie? vroeg zij zacht, bijna smekend.
— Hoe meent u...
— Je bent nu gelukkig, Mathilde... hier in Den Haag...?
— O zeker mama... U begreep zelf, niet waar, dat ik wel eens naar mijn eigen huis verlangde.
— Ja kind, ik begreep het...
— Alleen...
— Wat...
— Het spijt me, dat ik u Addy ontnomen heb...
— Maar kind... een zoon behoort niet aan zijn ouders.
— Toch verwijt ik het me... Maar ik kòn niet langer bij u blijven... U begrijpt wel, dat was niet... omdat... omdat u niet lief voor me was. U was wel lief... probeerde het te zijn, hoewel ik niet geloof, dat papa van mij houdt, dat Emilie, tante Adeline, al de anderen van mij houden... Ik neem het hun ook niet kwalijk: ik hou ook niet van hen.
Constance zweeg.
— Ik ben heel anders dan de neven en de nichtjes... en papa, papa is altijd jaloers geweest.
— Kind...
— U ook wel: maar u streed er tegen.
— Mathilde, ik heb nooit anders verlangd, dan dat je je thuis met ons zou voelen, dan dat er iets van je zou samensmelten met ons...
— Juist... en dat kon niet... ik verschilde van u allen te veel, en te Driebergen... zou ik op de duur bijna even nerveus zijn geworden... als Mary...
Een haat klonk door in haar stem.
— Neen kind, hernam Constance. Je was niet gelukkig bij ons. Maar omdat ik hoop, dat je nu gelukkig bent...
Zij was nerveus opgestaan; de bonne, binnen gekomen, nam de kinderen mee; zij zouden nog even op straat gaan, voor de lunch.
— Zeg Mathilde... bèn je gelukkig... hou je nu weer helemaal van Addy...
— Ik heb altijd van hem gehouden... Wat meent u?
— Dan is het goed... dan is het goed, kind...
— Waarom is u zo treurig... u heeft tranen in de ogen.
— Den Haag soms maakt me treurig... De koetsier toerde me om en ik zag allerlei oude huizen van vroeger... toen wij hier allen waren.
— Verlangde u terug naar Den Haag...<noinclude></noinclude>
s1qwrr079el5guydt9ccle9gy4onjv9
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/713
104
68814
222802
188800
2026-06-04T13:07:14Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222802
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Neen... neen, ik verlang niet meer terug.
— Zal u altijd te Driebergen blijven?
— Altijd... geloof ik...
— U heeft er uw geluk gevonden... ik vond het er niet. Ik bleef er een vreemde...
— Tilly... eens misschien... zal je er wonen als wij nu... Als wij er niet meer zijn...
— Neen, nooit...
— Waarom zou dat niet kunnen gebeuren.
— Het hele huis is mij antipathiek... Alles is mij er antipathiek... tot de deurposten toe. En ik kan niet wennen aan een griezelig huis... als u allen...
— Maar Addy...
— Juist: hij zal het huis nooit vergeten. Wat voelt hij er voor? Hij is er niet geboren...
— Hij voelt er zich verwant.
— Juist. Ik niet... O, ik had hem nooit moeten trouwen!
— Tilly, Tilly! Wat zeg je...
— Ik had hem noòit moeten trouwen!
— En je houdt van hem... je houdt van hem...
— Ik heb innig, innig van hem gehouden... Maar hij is te hoog voor mij! Ik bereik hem niet! Hij offert zich voor mij op. Ik ben wanhopig, dat ik dat moet aannemen. Het drukt me! O mama, vind iets, vind iets voor ons! Laat hem maar terug komen bij u allen... en laat mij hier blijven met mijn kinderen... Ik zal eenvoudig wonen... op een klein bovenhuis... en zuinig zijn. Het is alles mijn schuld, het is niet zijn schuld. Hij is lief, hij is goed, hij is edel... maar dat alles drukt me... Eerst dacht ik, dat we... hoe zal ik het u zeggen... dat we verwant waren... verwante naturen... Toen ik trouwde, dacht ik over die dingen niet na... maar van zelf, onbewust zeker, heb ik toch gedacht, dat we verwant waren... Hij was zo lief, zo eenvoudig, zo flink, en dat beetje ouwelijke in hem, daar hield ik zo van, daar zag ik tegen op, zonder dat het me drukte... Langzamerhand, langzamerhand ben ik gaan voelen... dat hij ver boven me staat. Dingen waar ik om geef, zeggen hem nièts: dingen van luxe, chic, van vrolijkheid, van de wereld... Die hypnose van hem, eerst dacht ik: dat is iets nieuws, een nieuwe methode... nu, ik weet het niet: ik word er bang voor! Ik word bang voor hem! Er is iets in hem, dat me bang maakt... O, ik weet het wel, het is alleen omdat hij zo goed is en zo groot, en dat ik maar heel klein en gewoon voel, dat ik niets begrijp van die fijne, hoge ideeën... van goed doen, en arme mensen en zich opofferen... Hèm is het natuurlijk... Nù offert hij zich aan mij op... hij houdt niet van Den Haag, van zijn werkkring hier... Ik, kan niet meer in Driebergen wonen... En zelfs al kon ik me enigszins thuis voelen bij u allen... dan nog, dan nog zou Addy... zou hij me drukken, zou hij me drukken! Begrijpt u<noinclude></noinclude>
19hab7x4tiun1yw5gel8lynv1a6r8z6
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/714
104
68815
222803
188801
2026-06-04T13:07:46Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222803
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>het? O, u huilt! Natuurlijk u is boos op me... u stelt uw zoon boven alles! Het is begrijpelijk en ik... ik heb nog genoeg liefde voor Addy... om het te begrijpen, om het alles te begrijpen... Maar ziet u, die liefde, die ik nog voor hem heb... dat is een angstige liefde, dat is zelfverwijt, dat ik zo ben en niet anders... dat is om allerlei dingen, die ik niet begrijp en niet zeggen kan en waarom ik huil, als ik alleen ben, en die mij drukken, die mij drukken... tot het soms is of ik stik!!
— Kind, kind, stil... daar is hij...
Zij zwegen beiden, luisterden... Zij hoorden Addy's stem: thuiskomende, op straat was hij zeker de kinderen tegen gekomen; Constance, Mathilde hoorden zijn diepe stem lief klinken, grappigjes als in spel — in de gang. Nu opende hij de deur, aan zijn hand wankeltrippelend kleine Constant, en Jetje droeg hij op de arm.
— Mama!
Het was een verrassing.
— Ik wist niet, dat u zou komen!
— Neen, mijn jongen... het is plotseling... opgekomen. Ik ben met Marietje in Den Haag; ze is nu bij haar ouders...
— Blijft u lunchen natuurlijk?
— Ja...
— Mama wat heeft u...?
— Wat ik heb...
— En wat heb jij, Mathilde?
— Ik...? Niets...
Hij zag, dat zij met elkaar hadden gesproken. Hij zei echter niets meer, en grappigjes stoeiend met de kinderen, maakte hij zich nu van hen los, gaf ze aan de bonne terug, die was binnengekomen.
— Ze zien er goed uit, de kleuters, niet waar...
— We eten dadelijk, mama, zei Mathilde dof.
Addy zette zich bij zijn moeder, nam haar hand, glimlachte... Mathilde, met haar sleutels, ging...
— Niet tobben, moesje, zei hij.
— Mijn jongen...
— U tobt... Wat ziet u er treurig uit.
— Mijn kind, mijn kind... ik...
— Wat...?
Zij had een snik, legde het hoofd tegen hem aan. Zij was bang, zo bang, dat het was of haar grote angst haar benauwde en zij niet kon ademen. Zij beefde in zijn arm.
— Niet tobben... niet tobben... niet waar?
— Neen... In de eetkamer kwam de meid de tafel dekken.
Zij bedwong zich.
— Mama, schertste hij, nu Mathilde ook weer binnenkwam, wat verlies je je coquetterie. Is dat een oude blouse om bij je zoon een visite te maken. Kijk, hij begint te slijten aan de ellebogen<noinclude></noinclude>
an85c2701dsrwxnavns6d1diifvaaz3
222804
222803
2026-06-04T13:08:17Z
WeeJeeVee
2844
typo
222804
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>het? O, u huilt! Natuurlijk u is boos op me... u stelt uw zoon boven alles! Het is begrijpelijk en ik... ik heb nog genoeg liefde voor Addy... om het te begrijpen, om het alles te begrijpen... Maar ziet u, die liefde, die ik nog voor hem heb... dat is een angstige liefde, dat is zelfverwijt, dat ik zo ben en niet anders... dat is om allerlei dingen, die ik niet begrijp en niet zeggen kan en waarom ik huil, als ik alleen ben, en die mij drukken, die mij drukken... tot het soms is of ik stik!!
— Kind, kind, stil... daar is hij...
Zij zwegen beiden, luisterden... Zij hoorden Addy's stem: thuiskomende, op straat was hij zeker de kinderen tegen gekomen; Constance, Mathilde hoorden zijn diepe stem lief klinken, grappigjes als in spel — in de gang. Nu opende hij de deur, aan zijn hand wankeltrippelend kleine Constant, en Jetje droeg hij op de arm.
— Mama!
Het was een verrassing.
— Ik wist niet, dat u zou komen!
— Neen, mijn jongen... het is plotseling... opgekomen. Ik ben met Marietje in Den Haag; ze is nu bij haar ouders...
— Blijft u lunchen natuurlijk?
— Ja...
— Mama wat heeft u...?
— Wat ik heb...
— En wat heb jij, Mathilde?
— Ik...? Niets...
Hij zag, dat zij met elkaar hadden gesproken. Hij zei echter niets meer, en grappigjes stoeiend met de kinderen, maakte hij zich nu van hen los, gaf ze aan de bonne terug, die was binnengekomen.
— Ze zien er goed uit, de kleuters, niet waar...
— We eten dadelijk, mama, zei Mathilde dof.
Addy zette zich bij zijn moeder, nam haar hand, glimlachte... Mathilde, met haar sleutels, ging...
— Niet tobben, moesje, zei hij.
— Mijn jongen...
— U tobt... Wat ziet u er treurig uit.
— Mijn kind, mijn kind... ik...
— Wat...?
Zij had een snik, legde het hoofd tegen hem aan. Zij was bang, zo bang, dat het was of haar grote angst haar benauwde en zij niet kon ademen. Zij beefde in zijn arm.
— Niet tobben... niet tobben... niet waar?
— Neen... In de eetkamer kwam de meid de tafel dekken.
Zij bedwong zich.
— Mama, schertste hij, nu Mathilde ook weer binnenkwam, wat verlies je je coquetterie. Is dat een oude blouse om bij je zoon een visite te maken. Kijk, hij begint te slijten aan de ellebogen.<noinclude></noinclude>
ntmjnzano6tb1c3dj0yd7tgzqqo1aos
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/715
104
68816
222805
188802
2026-06-04T13:09:13Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222805
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>Weet je wel, dat je niet chic meer bent... de laatste tijd?
— Ach... kind... Deze is toch heus nog goed.
— Nu, hij is op het kantje af... Wat zeg jij, Tilly?
— Wat zal ik nu nog elegant zijn... een oude vrouw, zei Constance.
— Je wordt nooit oud, moesje, en een elegante vrouw moet altijd elegant blijven... Herinner je je vroeger?
— Zeker... toen...
— Je mooie portret uit Nice . ..?
Zij had een lach als door tranen heen.
— Jongen... dat is zo lang geleden... Jij vond me toen een ijdeltuit.
— Het portret staat altijd... op mijn schrijftafel.. . Mama, je mag je niet zo laten gaan.
— Goed... mama zal deze blouse niet meer dragen... Maar het is zo duur je netjes te kleden en... en we hebben al zo heel veel lasten...
— Vroeger was u niet rijk, zei Mathilde, geërgerd om iets, dat zij niet begreep.
— En droeg mama tòch japonnen van zeshonderd francs... schertste Addy.
— Ja... en nu u gefortuneerd is...
— Nu doe ik dat heus niet meer, zei Constance zacht.
De lunch was stil, een beetje weemoedig, een beetje gedwongen -: na de lunch was er nog een vrolijkheid even, tussen allen, omdat Jetje en Constant de trap met de bonne weer afkwamen, in een héel blond jong vizioen plotseling, door de open deur zichtbaar — de stemmetjes kraaiden als van jonge vogels — en Constance kon zich niet weerhouden te zeggen, hoe zeer zij ze àllen te Driebergen miste... Omdat ze er ook jong en zo blond — als een toekomst — telkens gingen de trappen af, om te wandelen buiten, — zelfs in de winter telkens een gezicht van zon en van lente; iets verfrissends van jeugd en begin; belofte van toekomst in het oude huis, dat zo somberde vol dingen van het verleden, die dreven door de kamers, schenen uit de spiegels, sleepten, als vreemde tochten, langs de heel zacht krakende trappen... Mathilde zei niet veel, was stil, haar lippen gesloten en haar gehele gelaat — haar ogen half toe — gesloten, na die plotse onweerhoudbare opening van gevoelens tegenover haar schoonmoeder, tot wie zij zich toch niet sympathiek voelde aangetrokken.
Na de lunch kwam haar rijtuig Constance weer halen en Addy ging mee, om bij de Van Saetzema's te zien hoe Marietje het maakte...
— En wat doe jij, Mathilde? vroeg Constance zacht.
— Ik weet het niet... Ik ga denkelijk uit... Of ik blijf thuis...
Addy, even, naar boven, nam Constance Mathilde plotseling in haar arm.<noinclude></noinclude>
ec3o13muf9v4t9g62ag7yb49n54z1ko
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/716
104
68817
222806
188803
2026-06-04T13:09:31Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222806
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Kind...
— Mama...
— Je hebt goed gedaan je uit te spreken, zo even tegen me... Hoe bedroefd ik er om ben, je hebt goed gedaan...
— Ach... waarvoor is het geweest. Ik had liever moeten zwijgen.
— Nee... neen ... spreek... o spreek ook met Addy...
— Ik heb zo dikwijls met hem gesproken.
— Nu niet meer?
Zij haalde de schouders.
— Neen... niet zo dikwijls meer... Wat geeft het... Het is niet zijn schuld... het zijn dingen over en weer... en er is niets aan te doen.
— Jawel... jawel! Alleen...
— Wat mama... alleen...?
— Wees voorzichtig... Mathilde, ik bid je! O wees voorzichtig! Alles... alles kan weer terecht komen... Jullie zullen het samen wel later vinden... maar wees voorzichtig, wees voorzichtig... Bederf niet je leven...
Zij zagen elkaar diep in de ogen.
— Mathilde... ik mag je dat wel zeggen, niet waar? Juist ik... je moeder, kind... die heel... die heel veel geleden heeft... omdat ze haar leven zó bedorven heeft... zó bedorven... toen ze jong was... dat... o dat het als een marteling was...! Ik was een jonge vrouw, als jij, Mathilde... en... en ik was niet gelukkig... zoals jij, mijn arm kind, op het ogenblik... en...
— Ik weet het mama, antwoordde zij, heel hard.
— Je weet dat... je weet dat alles... natuurlijk kind, je weet dat... ook al heb ik er nooit met je over gesproken... Maar juist... om... òm dat alles... mag ik het wel zeggen... niet waar...: wees voorzichtig... o wees voorzichtig...
— U is bang voor dingen, die niet zijn...
— Neen kind... er is ook niets... ik weet wel, dat er niets is... alleen maar...
— Wat...
— Zie je... toen ik binnenkwam... van morgen...
— Zat Erzeele bij me...
— Ja...
— Hij is een oude kennis.
— Dat weet ik...
— Hij kwam een afspraak maken... om te tennissen... morgen.
— Ja... dat hoorde ik.
— Er was verder niets...
— Hij hield je hand vast...
— Hij is een oud vriend van vroeger... bijna van mijn kinderjaren...<noinclude></noinclude>
4qx1al7jhm693u5uo40x45tevgeei90
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/717
104
68818
222807
188804
2026-06-04T13:09:48Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222807
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Ja, kind... dat weet ik... maar...
— Wat bedoelt u...
— Het is gevaarlijk.
— Wat?
— Als je te veel met hem spreekt... in de gemoedsstemming, waarin je je nu voelt... Ben je ongelukkig, mijn kind, om allerlei... allerlei dingen... spreek dan met Addy...
— Ik heb dikwijls met hem gesproken.
— Vertrouw je aan hèm toe.
— Ik heb dat dikwijls gedaan.
— Niet ... niet aan Johan Erzeele...
Mathilde's ogen vlamden.
— Mama . . u heeft niet het recht!
— Jawel kind, ik hèb het recht! Ik heb niet alleen het rècht je dat te zeggen, als de moeder van Addy... maar ik heb vooral dat recht, omdat ik je begrijp... omdat ik je begrijpen kan... omdat ik me zelf mijn eigen allerongelukkigste, wanhopige jaren herinner... van jonge vrouw... onvoldaan, ongelukkig, wanhopig ... al was het om andere dingen... dan die er tussen Addy en jou, helaas, zijn... Omdat ik me dat alles herinner, Mathilde, omdat ik het nooit vergeten kàn... maar omdat ik het juist nu... me herinner... o me herinner, dat ik sprak... dat ik sprak... met papa... terwijl ik getrouwd was met mijn arme oude man... dat ik sprak met papa... troost zocht in die gesprekken... dat wij ons opwonden in die gesprekken... tot dat... o Mathilde, o Mathilde, laat het me je zeggen... Laat me, om het recht te hebben, met je te spreken... je dat àlles zeggen... eenvoudigweg... ook al weet je het... Ik sprak met papa... en... en wij kregen elkaar lief... we dàchten, dat we elkaar lief hadden...
— En als u het dàcht... waarom was het dan niet zo...
— Omdat het geen waarheid was, kind... geen warm gevoel... omdat het was een opgeschroefd gevoel... voortspruitende uit opgeschroefde woorden tussen een jonge vrouw... en een jonge man... tot dat... tot dat al die gesprekken hen elkaar in elkanders armen wierpen... en het verschrikkelijke onherroepelijk was...
— Mama!
— Ik zeg je àlles, kind
— Ik weet alles, mama... Maar u zegt zelf, dat u met papa... opgeschroefde gesprekken wisselde.
— Ja...
— Ik spreek {{sp|eenvoudi}}g... met Johan...
— Kind... kind... dat is het niet ...! {{sp|I}}k... {{sp|ik}} was opgeschroefd... toen... in mijn gevoelens... die waren als uit boeken... die ik had gelezen... Papa... papa antwoordde... uit die boeken... {{sp|Ji}}j... jij... je bent anders... je bent eenvoudig...: Erzeele... een vriend van je kinderjaren... is<noinclude></noinclude>
q03rn8y6vy5g9myzflxs9ebg0ao6bqo
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/718
104
68819
222818
188805
2026-06-04T13:15:15Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222818
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><section begin="s1"/>eenvoudig... een eenvoudige jongen... jullie gesprekken zullen anders zijn...
— Onze gesprekken zijn eenvoudig...
— ... Maar toen ik binnenkwam... zag ik, dat je vertrouwelijk sprak, innig... innig, met warmte... en dat hij je hand... dat hij je handen vasthield...
— Ja... u heeft dat gezien; hij troostte me...
— Dat mag juist niet... Dàt mag juist niet... O Mathilde, ik ben een oude vrouw, en ik ben je moeder... vooral nu je geen moeder meer hebt... en ik ben Addy's moeder... en ik begrijp, ik begrijp àlles... omdat ik zelf zo véel geleden heb...
— Daar komt Addy, mama...
— Beloof me, kind... wees voorzichtig...
— Ik... ik beloof het u.
— En vergeef me... vergeef me... alles wat ik je heb durven zeggen... Omhels me... O, ik verlang zo innig... dat jij en Addy... weer gelukkig worden...!!
Zij nam, hartstochtelijk, Mathilde in haar armen, en zoende haar twee, drie malen.
Addy kwam binnen.
— Ik ben klaar, mama ... Het rijtuig staat voor...
— Ik kom... ik kom... mijn jongen...
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''XII'''}}}}
Zomer viel in, plotseling: mooie, zonnige dagen volgden elkander op: alle ramen van het grote huis stonden open en het was of zomer binnenkwam en alles van winter wegjoeg, de open ramen uit. De grote tuin loverde dicht in een groene en gouden triomf van heel dichte bladeren, die, even, windbewogen, schaduwden over de vijverplas, als met een spelen van licht— en van schaduwplekjes en Van der Welcke, die wandelde langs de paden, had er pleizier in, dat Klaasje, grote meid van dertien, op haar stevige benen rende om het water heen, achtervolgd door Jack, de nieuwe terrier, die baste en baste met zijn droge keelbas, onophoudelijk.
— Het is net nog een kind, dacht Van der Welcke; en ze ontwikkelt zich al als een kleine vrouw. Het is vreemd, die invloed, die Addy op haar heeft... en hoe het kind opleeft nu met die mooie dagen. Maar het zijn niet de mooie dagen alleen, het is Addy vooral, die haar dat evenwicht ingeeft... door wat... door wat? Door zijn invloed alleen... door een soort fluïde van genezing, die uit hem stroomt... Het is wel vreemd. Verleden had ik een verschrikkelijke hoofdpijn... en toen hij kwam, en me even masseerde... was het over... was het over... En hoe de jongen dat kind haar geest heeft weten te ontwikkelen... met die prentenboeken ... die bonte dingen... het was of hij <section end="s2"/><noinclude></noinclude>
1p0bnw5ezj5if479n5str8fecpfgrnp
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/719
104
68820
222808
188808
2026-06-04T13:10:16Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222808
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>haar door kleuren wilde treffen... door schitteringen en... hoe dan ook... het is hem gelukt... ze leert nu al waarlijk aardig... en in alles wat ze zegt is meer iets gewoon-verstandelijks... Het is of ze zichzelf inhaalt... Ja, amuseer je maar, kleine... Kijk toch, hoe dol, hoe echt kinderlijk ze doet met die hond... ze geniet van de lucht, het mooie weer... het is net een natuurkind en ze ziet er goed uit... ze wordt een mooi meisje, al is ze wat grof... Ze kijkt niet meer zo dom uit haar ogen, en ze heeft iets liefs, iets hartelijks... zo in haar doen met oude mama en met Ernst, zo iets bemoederends en begrijpends tegelijkertijd... alsof ze zich verwant voelt aan hun geschokte intelligenties... Het is aardig om naar het kind te kijken... om het te zien opkomen, en opbloeien... net een plant, die nu staat in het juiste licht en juist genoeg water krijgt... en dat heeft ze toch maar alles aan Addy te danken en ze zal misschien nooit beseffen, dat ze het hem te danken heeft... Ja, de invloed van die jongen... Alex houdt zich nu goed te Amsterdam en het is of hij iets verliest van zijn melancholie, sedert Addy zo geregeld met hem praat: arm kind, hij was tien jaren toen hij zijn vader dood heeft zien liggen, in een plas bloed: dat heeft hem getroffen voor altijd... We hebben goed gedaan al die kinderen tot ons te nemen: zo heeft je leven een doel, zelfs mijn leven, ook al doe ik zelf niets... al zijn het Constance en Addy, die doen... ik voel toch zo een tevredenheid... ook al laàt ik ze maar doen als ze willen... Wie had het ooit kunnen denken, dat het zo worden zou... dat grote eenzame huis, waar vader en moeder zo heel lang treurigjes eenzaam hebben gewoond... nu zo vol... als een toevlucht... voor de familie van Constance. Het is zo vreemd, zo vreemd gelopen... Ach, als mijn jongen maar gelukkiger was... Wie had kunnen denken, dat hij... hij, die àlles voor zich heeft... nu juist verliefd zou worden op een vrouw... die hem niet gelukkig kan maken... Ik denk er altijd over... Ik sta er mee op, ik ga er mee naar bed: het wemelt altijd tussen de rook van mijn sigaret... en ik begin er over te tobben, te tobben... een bewijs wel, dat ik oud ga worden... En Constance, ik zie ook hoe zij er over tobt, hoe de gedachte aan Addy... aan die vrouw, altijd en altijd in haar boven drijft... Ach, alles had nu toch kunnen gelukkig zijn... Het mag niet, het mag niet... Zo een mooie zomermorgen als vandaag, dat maakt je bijna weemoedig... Ja, dat maakt je weemoedig... omdat je zeker weet, dat het niet lang zo blijft... die kalmte in de atmosfeer, die mooie reine lucht, dat groen en dat goud tussen de bomen... en dat het weer gauw anders wordt... weer gauw anders wordt... vol treurigheid en sombere dingen.
Hij breidde plotseling zijn armen open, want Klaasje, achtervolgd, stortte zich over de laan heen hem tegemoet — hem niet ziende in haar dolle spel, dat haar als verblindde.<noinclude></noinclude>
7arf8ujlojsinb4i9qf34y0pfl4fdqh
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/720
104
68821
222809
188809
2026-06-04T13:10:41Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222809
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Oom Henri, oom Henri, laat me! Jack zal me pakken...!
— Kind, wees voorzichtig voor het water! waarschuwde Van der Welcke, maar zij had zich al los gemaakt uit zijn armen, rende voort, de hond haar achterna.
— Ze is dol! dacht hij; dol van levenslust. Zij begint te ontwaken, phyziek en moreel... Het is of er een schemering van haar wegwijkt... een schemering, die over mij begint te komen... Wat heb ik? Wat voel ik? O, ik heb lust te fietsen, een grote tocht te doen... maar Addy is er niet, en zelfs als hij er is, heeft hij geen tijd en Guy zit te werken... Als ik Gerdy eens vroeg, die houdt wel van een tochtje.
Hij ging naar binnen, door de serre: de oude vrouw zat er stilletjes te turen; Adeletje was er met de planten bezig...
— Wel mamaatje, hoe gaat het... Wat zeg je van het mooie weer...
— Wat...?
— Wat zeg je, moedertje, van het mooie weer...
De oude vrouw knikte tevreden.
— Mooi, mooi... zeide zij. De regenmoesson is voorbij... Maar zeg aan Gertrude... dat zij oppast... voor de rivier... achter het Paleis...
Haar stem klonk als een stem van vroeger, zei dingen van vroeger.
— Waar is Gerdy? vroeg Van der Welcke Adèletje.
— In de salon... oom Paul is er en speelt...
Inderdaad klonk de piano: Paul fantaseerde. Van der Welcke vond er Gerdy; zij hing over de stoel, bleek...
— Kom... ga eens met me fietsen, kleine. Dat zal je opfrissen.
Zij zag hem lusteloos aan, schudde van neen.
— Ik heb hoofdpijn...
— Dan is het juist goed, dat je gaat, kleine. Kom, doe het... om mij pleizier te doen.
Hij streelde haar over het haar. Zij nam zijn hand en bracht die aan de mond.
— Kom, doe je het...
— Heus oom... ik heb te veel hoofdpijn...
— Waarom ga je dan niet in de tuin zitten... Hier is het warm...
— Tante Constance zou straks wat met me toeren, en dan gaat Mary mee...
— Paul, kan jij niet fietsen... Er staat een fiets van Addy hier...
— Neen, beste kerel, dat is zo warm... Veel transpireren, dat vind ik zo vies.
— Nu dacht Van der Welcke; dan ga ik maar in mijn eentje, maar gezellig is het niet... Als Guy nu maar niet zat te werken. Ik kan hem toch niet van zijn werk afhalen... om te fietsen...<noinclude></noinclude>
6qxlokt836u0dw6mi0iz8217rciyujm
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/721
104
68822
222819
188810
2026-06-04T13:15:26Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222819
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>Dan ga ik maar in mijn eentje... God, God, wat is dat vervelend... Wat is alles en iedereen vervelend... zonder mijn jongen! Wat treurt die arme Gerdy weg... Neen, ik hou het niet uit: ik kan het niet alleen: alleen fietsen... Ik vraag Guy om mee te gaan... Het zal hem goed doen: die jongen is te gezond om altijd in die boeken te zitten.
En Van der Welcke ging de trap op, denkende, dat Addy het helemaal niet goed zou vinden, als hij weten kon, dat hij, zijn vader, Guy van zijn werk afhield — om te fietsen; zo als hij indertijd Addy zelf ook dikwijls gedaan had.
— Maar Addy had zo veel methode, die verdeelde zijn tijd zo prachtig, tussen zijn werk... zijn moeder... en mij... dacht Van der Welcke. Toch... vandaag... kàn ik niet in mijn eentje fietsen... vandaag zal ik maar eens de duivel zijn voor Guy.
Hij was de trap naar de eerste verdieping opgegaan en ook daar stonden de ramen van de gang wijd open; de zomer kwam er geurig en lichtstromende binnen in het oude, sombere huis en de bruine schaduwen ervan verschoten in felle vakken van zonnigheid. De zonnigheid gleed langs de donkere muren, de eiken deuren, de afgesleten treden der trap, langs de verbleekte tapijten en gordijnen der openstaande kamers, en vreemd was het, maar al die nieuwe zomer, hoe Van der Welcke er ook naar verlangd had de lange, lange winter lang, de winter van wind en regen — wekte hem niet op, drukte hem integendeel met een onverklaarbare melancholie. Nu opende hij Addy's kantoor; de kamer was, sedert Addy en Mathilde woonden in Den Haag, dezelfde gebleven van meubels, maar ontzield als van leven: alleen aan zijn tafel zat Guy meestal 's morgens te werken bij het raam en Van der Welcke was zeker hem daar te zullen vinden, maar hij was er niet, en de boeken en kaarten, klaarblijkelijk, waren nog niet geopend en ingezien.
— Waar zit de jongen nu: hij ligt toch niet nog in zijn bed, dacht Van der Welcke.
De kamer zag er niet uit, of iemand er die morgen was binnengekomen. Op Addy's schrijftafel alleen lagen een paar brieven; zijn oude adres daar op die tafel, opdat hij ze er vond, als hij kwam, eens of tweemaal in de week, voor dat korte ogenblik, waar iedereen in huis naar uitzag... En Van der Welcke, ontstemd, deed de deur dicht.
— Ik zal toch eens zien, of hij nog boven is, dacht Van der Welcke, en ging de tweede trap op. Guy sliep, sedert hij Marietje Van Saetzema zijn kamer had afgestaan, in een klein kabinetje: de deur stond open; het bed was er al opgemaakt.
— De kerel is zeker al uitgegaan, dacht Van der Welcke: het is niet aardig, dat hij me niet heeft gewaarschuwd... Nu, dan ga ik maar alleen... ik heb behoefte aan lucht...
Hij ging, boos, de trappen af, door de gang, naar de schuur, waar de rijwielen stonden. Dat van Guy was er niet...<noinclude></noinclude>
qqzektzycaco3bwbkyl11lbqygievr2
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/722
104
68823
222810
188811
2026-06-04T13:12:35Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222810
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Zie je wel, hij is al uit en hij heeft me niet eens gewaarschuwd... Ach, zo is het altijd: die kinderen zijn altijd egoïst... Wij doen alles voor hen... Wij, die hun helemaal vreemd zijn... en wat voor dankbaarheid krijg je terug... De jongen weet, dat ik van hem hou, dat ik graag met hem fiets, als Addy er niet is, maar hij dènkt er zelfs niet aan me te zoeken en me te vragen om samen te gaan... Het is alles egoïsme... het is altijd denken aan hun eigen ikje... Betalen? Betalen, dat kan ik, dat kan oom Henri wel doen... maar de minste gedachte voor mij... heeft die niet... Zo gaat het, zo gaat het... ik heb Addy verloren... en hem terug willen vinden in een ander... dat is eenvoudig onmogelijk... bespottelijk...
Hij slingerde zich ruw, nog vlug en nog lenig, op zijn fiets en een ogenblik had hij wel het genot van het mooie, schitterende wiel, dat nu gleed langs de zomerlanen, maar ook heel spoedig dacht hij somber:
— Een automobiel... die had ik graag gehad... Om die beroerde jongens koop ik er geen; het leven is al duur genoeg... En in plaats, dat Guy nu eens aan mij denkt... Ach, als je goed wil doen aan een ander, dan moet je het maar doen alleen omdat het goed is... want een beetje dankbaarheid te willen eisen... dat is snert!
Neen, het fietsen-alleen troostte hem niet; zijn mooie, nikkel-glinsterend wiel gleed loom langs de zomerlanen, en plotseling keerde hij om.
— Ik heb er genoeg van... zo alleen, zonder iemand en iets...
En langzaam reed hij terug naar huis, zette het wiel weer weg, keek toen naar de lege plaats, waar Guy's wiel gewoon was te staan.
— Heb je Guy niet gezien? vroeg Constance, toen zij haar man in de gang ontmoette.
— Hij is uit, zei, boos en kort, Van der Welcke.
— Hij heeft niet gewerkt, antwoordde zij. Ik ga altijd even kijken in Addy's kantoor of hij wel werkt... Addy heeft me dat gevraagd...
— Neen, hij heeft niet gewerkt; hij is...
— Uit?
— Ja, met zijn fiets...
— Waarom heeft hij je dan niet gevraagd meé te gaan...
— Dat weet ik niet, zei Van der Welcke boos en haalde de schouders op.
Ook Constance vond het niet aardig van Guy.
— Wat betekent dat nu, dacht zij. Hij had wel moeten werken, maar als hij nu verlangde te fietsen... kon hij zijn oom toch wel waarschuwen.
En ook haar zonk een weemoed over de ziel, omdat kinderen, zo natuurlijk-weg, ondankbaar waren... Maar zij zei Van der<noinclude></noinclude>
kp78xhba28i6z5nqjrd54bd3udn12ka
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/723
104
68824
222811
188812
2026-06-04T13:13:03Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222811
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>Welcke niets, en zij wisten nooit, dat zij samen dikwijls hetzelfde dachten en voelden, als in een geleidelijke samenstelling van naderende ouderdom, die zich alleen negatief uitte: zij hadden zo zelden een scène meer, nauwlijks een enkel al te nerveus woord, ook al was er nooit innigheid tussen hen gekomen
Constance was in haar kamer een hoed op gaan zetten — het rijtuig zou voorkomen — zij wilde toeren met de meisjes; zij tobde over arme Gerdy, die zo in niets geen pleizier meer had...
— Het zal wel overgaan, dacht zij; wij hebben allen — in onze tijd wel eens zo een melancholie gehad... Adeline zei me, dat ze hield van Erzeele... maar hij schijnt niet aan haar te denken... O, ik tob, ik tob over dat alles... over mijn arme jongen... over Mathilde... Het kan wel niet anders of Erzeele... heeft een te grote sympathie voor haar Kom... ik heb nu behoefte aan lucht... met dit mooie weer... en toch die warme lucht... drukt mij: zomer, dat is altijd drukkend in ons land... Het weer in ons land... het wordt altijd iets... het is nooit tot iets geworden, zoals het weer in het Zuiden... het wordt, het wordt altijd iets... Nu is het zwoel, de zon steekt, vanavond zal er zeker onweer komen...
Zij verliet nu haar kamer, klaar, en zij dacht:
— Addy komt met de lunch vandaag: het is zijn dag... O, hoe verlang ik altijd naar die dag... Verleden had hij brieven te beantwoorden, en hij belde om inkt op zijn schrijftafel... Ik zal eens zien of er alles in orde is.
Zij trad in Addy's vroeger kantoor.
— Ja, er is inkt, dacht zij, met een blik naar de schrijftafel... Zo ongezellig, zo koud ziet de kamer er uit: alleen de oude meubels van vroeger... de meubels nog van de Oude Man... Er liggen weer brieven voor hem, de arme jongen heeft nooit eens rust...
En onwillekeurig een stap nader gaande, troffen haar de brieven...
— Wat is dat? dacht zij.
De brieven — er lagen er drie — waren zonder postzegels, niet gefrankeerd, en het trof haar...
— Rekeningen? vroeg zij zich af.
Zij huiverde...
En plotseling beefde zij, zó, dat zij neerviel in de kantoorstoel.
Zij had de hand van Guy herkend.
Er lagen drie brieven: de ene geadresseerd aan haarzelf en haar man: aan oom Henri en tante Constance... De tweede, aan Addy... De derde: aan mama...
Zij bleef, gek, staren, naar de drie brieven — wezenloos, zonder haar hand uit te steken. Het duizelde haar wit en vierkant: het was of de enveloppen in een cirkeling rondvlogen voor haar ogen... Een flauwte kwam over haar...
— Wat is er... wat betekent dat... vroeg zij, luid.<noinclude></noinclude>
febtz0e17x2zp2fuq254u8zz2xgikyt
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/724
104
68825
222812
188813
2026-06-04T13:13:26Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222812
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
Zij zag naar Guy's werktafel: de boeken lagen er, netjes, geschikt op de grote atlassen. Zij stond op, zij beefde zo, dat zij zich voelde zinken ineen, weg, in een afgrond. Zij drukte de bel, de deur was open. Zij hoorde de meid op de trap.
— Truitje...
— Mevrouw...
— Truitje... Ik ben hier... In meneer Addy's kantoor...
— Wat is er, mevrouw...
— Roep meneer... dadelijk.
— Mevrouw... wat ziet u bleek... Mevrouw, wat is er...
— Niets, Truitje... roep dadelijk... meneer...
— Is u niet wel...
— Jawel... roep alleen meneer...
De meid, ontsteld, ging: de trap kraakte onder haar haastige tred... Constance was terug in de stoel gezonken: zij wachtte. Beneden klonk, onder Pauls vingers, de piano: en zij volgde de wijze: Siegmunds Liebeslied...
— Hij speelt mooi... hij speelt mooi, dacht zij...
Zij was half flauw: de duizeling, vierkant en wit, duurde voort — om die drie brieven, daar, koud, op tafel...
Nu hoorde zij een stap op de trap, zij volgde de naderende krakingen... Het was haar man, eindelijk.
— Wat is er, Constance...
Haar keel was toe, zij wees alleen op tafel.
— Wat is er dan... Brieven... voor Addy?
Zij wees steeds.
Hij keek: herkende Guy's hand. Hij zag haar aan: zij zei niets. Nu opende hij de ene brief: aan oom Henri en tante Constance...
— Is de jongen gek geworden...!
Constance zag vragende op. Snel duizelden in haar allerlei gedachten, zo snel, dat zij ze niet volgen kon... Toch dwars door ze heen, meende zij een gedachte-flits te zien schieten: als daar van Alex... drie brieven zouden liggen... van Alex, altijd zo onder de indruk van het vizioen van verschrikking en bloed, dat in zijn kinderjaren zijn verbeelding geschokt had — dan zou zij voor het ergste hebben gevreesd. Nu...
— Wat schrijft hij? smeekte zij eindelijk.
Van der Welcke, zonder een woord, gaf haar de brief; gretig las zij Guy schreef kort: moeilijke innige woorden van dankbaarheid. O, hij was niet ondankbaar aan oom Henri en tante Constance, dat hij gegaan was... zonder afscheid, van allen die hem dierbaar waren... hij was niet ondankbaar aan Addy... maar het was juist, dat hij stil, onder al zijn vrolijkheid, zich voelde treurig worden om al hun weldaden... terwijl hij toch niet kon blijven werken... En hij wist wel, dat als hij aan Addy gezegd had: ik kan niet werken uit boeken... ik verlang, heel vaag, en hoe weet ik nog niet... mijn eigen weg te maken, dat<noinclude></noinclude>
q2am73rfe2ll31ihjuvkvnt67mhp7aa
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/725
104
68826
222813
188814
2026-06-04T13:13:46Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222813
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><section begin="s1"/>Addy hem had laten gaan... omdat Addy zo goed alles begreep... en iedereen... Maar juist dat alles... die gesprekken... dat afscheid... daarvoor vreesde hij... omdat er in hem sluimerde zo veel zwakheid... omdat hij niet zou kunnen gaan... als hij had moeten spreken... als hij had afscheid moeten nemen... en daarom ging hij zo, met zijn wiel en zijn beetje zakgeld.
— Maar de jongen is gek! riep Van der Welcke uit. Op zijn leeftijd... er van door te gaan... zonder geld en alleen met een fiets... De jongen is gek... Ik telegrafeer dadelijk aan Addy...
— Hij zal uit zijn... op weg naar ons hier: het is zijn dag, dat hij hier komt...
— Hij komt... met de trein van...
— Half twaalf; meestal...
De meisjes, Gerdy en Mary, kwamen binnen, hoeden op.
— Komt u, tante... het rijtuig staat voor.
— Het rijtuig...
— We kunnen als we getoerd hebben, Addy van het station halen, zei Mary.
Constance barstte in snikken uit.
— Tante, tante wat is er...!!
Van der Welcke ging; hij nam de brief voor Adeline mee...
— Hoe het haar te zeggen... dacht hij.
Boven had Constance een zenuwtoeval. Zij snikte zo — zij voelde zich zo diep rampzalig als of het een eigen kind was geweest, dat het ouderlijk huis had verlaten... voor altijd.
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''XIII'''}}}}
In de zomerende zonnedag daalde een zenuwtrillende treurigheid over geheel het grote huis. Addy was gekomen; hij had de brief van Guy gelezen, hij was dadelijk vertrokken... naar Rotterdam... Beneden, in de voorkamer, snikte Adeline aanhoudend, en uit de zonlichte serre staarde de oude grootmoeder, door het verschiet van de kamers, haar aan, omdat zij niet begreep... Adeline snikte in de armen van Emilie; Marie en Paul waren ook bij haar; boven bleven Adèletje en Mary bij Constance. Aan de deur verscheen Brauws:
— Wat is er gebeurd? vroeg hij zacht.
Van der Welcke greep zijn arm, nam hem mee in de tuin... Tegen de dikke stam van een beukenboom lag Klaasje half te slapen, Jack in haar rokje genesteld, beiden moe van het spel. Het kind neuriede zachtjes, kijkende naar boven, zich wegdromende in al het ronde goud, dat tussen de blaren, als een wemeling van ruizelende munten, neerregende over haar heen...
— Wat is er gebeurd ...? herhaalde Brauws.
Maar Van der Welcke kon niet spreken, zijn keel geschroefd.<section end="s2"/><noinclude></noinclude>
i04cvwwes42gotbg1shsqxkt9vgb4y2
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/726
104
68827
222814
188816
2026-06-04T13:14:03Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222814
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Dag oom Brauws... riep Klaasje dromerigjes. Kijk, oom Brauws ik ben heel rijk... Het regent gouden tientjes over me neer... Uit de beukenboom... uit de beukenboom... Uit de beukenboom regent het gouden tientjes... over Klaasje neer...! zong zij een beetje.
— Hans... zei hij. Wat is er dan... Hans!
— Het is die idioot van een Guy! sprak Van der Welcke eindelijk hees. Ik zoek hem vanochtend...: nergens. Zijn fiets weg... Hij is er van door. Drie brieven heeft hij achtergelaten, voor zijn moeder, voor Addy, voor ons... Hij schrijft, dat hij niet werken kan, dat hij zijn eigen weg wil zoeken... Ik heb al die brieven gelezen... Hij schrijft Addy, dat hij voelt... dat hij alleen moet staan... alleen moet staan om wat te worden... dat... hier in huis...
Van der Welcke snikte.
— Dat hierin huis...?
— Hij zich voelt zwak worden... omdat er te veel liefde... te veel toegeeflijkheid voor hem is... Zo iets schrijft hij... Wie had gedacht, dat de jongen zo een dolle kop had... Hij schrijft... dat er niets van hem worden zal... als hij hier blijft... Dat hij de wereld in wil... Een jongen van zijn leeftijd... en dan zo een dol idee...
— Misschien heeft de jongen gelijk... zei Brauws heel zacht, maar Van der Welcke hoorde niets.
— Ik zal hem missen, bekende hij. Ik mis hem nu al. Hij was mijn lieveling... van al die kinderen. Hij troostte me voor Addy... Ik had hem lief als mijn eigen zoon... Constance... Constance ook... Brauws zweeg.
— Het leven is een beroerde, lamme boel! vloekte Van der Welcke. Voor die kinderen... voor die jongen... we doen alles voor hem... en ineens... ineens gaat hij weg... in plaats van... in plaats van... bij ons te blijven... doet hij ons verdriet aan... breekt hij het hart van zijn arme moeder... Hij schrijft van Amerika... Addy is dadelijk gaan informeren aan het station... Hij wilde naar Rotterdam gaan... Addy... Addy heeft geen rust. Hij zag er al zo moe uit... zo treurig... en in plaats hier een dag te kunnen rusten... bij ons... bij ons... Ik heb met hem mee willen gaan... maar hij... hij ging liever alleen... Waarom nu... Addy niet gezegd... dat hij iets anders wilde doen... dan bij de Posterijen gaan... God, wij hadden hem immers geholpen... Hij... Addy... doet alles... doet àlles voor de kinderen... O, Brauws... het is of het een eigen zoon van me is... die me heeft verlaten... ons heeft verlaten in een dolle bui... Addy is naar Rotterdam... Het was een idee van Addy: Rotterdam... Maar Guy kan even goed naar Antwerpen, naar Havre zijn, God weet waar... Hij had niet veel geld... Wat zal hij doen, wat is zijn plan...<noinclude></noinclude>
rsaqu195sru9mpmn8ggl3lpmkp81q20
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/727
104
68828
222815
188817
2026-06-04T13:14:20Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222815
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
De zonnige zomerdag ging somber voorbij: een telegram van Addy meldde alleen: "ik kom morgen," zonder enige verdere verklaring. Constance had kracht gevonden Adeline in haar kamer op te zoeken; onder de meisjes was als een stille stupefactie, dat vrolijke Guy zo veel onder zijn luchthartigheid verborg: diepere dingen van levensontevredenheid, vaag en onduidelijk voor hen allen, die zo gaarne in huis waren bij oom Henri en tante Constance, hun ouderlijk huis al zo heel lang, van hun kleine kindjesjaren af, en toen Alex die avond kwam uit Amsterdam, begreep hij ook niet, dat Guy behoefte had gevoeld zo plotseling weg te gaan, van hen allen, zonder afscheid, met dat zonderlinge idee alleen zijn weg door de wereld te maken... Integendeel, hij, Alex, waardeerde ten hoogste alles wat oom, tante, Addy voor hem deden: zonder Addy was hij er niet gekomen en nu kwam hij er, meende hij: methodisch te Amsterdam werkte hij nu en bijna methodisch drong hij zijn melancholieën terug, — het was of Addy hem ingaf werklust, levenslust, hem suggereerde een zekere kracht om maatschappelijk mens te worden: o, hij voelde het zo duidelijk, altijd als hij met Addy gesproken had, voelde hij dat weer: kracht genoeg om een week alleen in Amsterdam te zijn, te werken, te leven: het bange leven — dat, waaruit zijn vader zich had weggemaakt — iedere dag meer en meer, dichter en dichter naar zich toe te zien komen als een perspectief, spookachtig, eerst angstig en donker ingeblikt, maar later, onvermijdelijk, ingegaan, ingelopen, tot àl het spooksel dicht heen om hem was... En als hij dacht aan zijn vader en hem altijd zag liggen, in een plas van bloed, met over zijn lijk het lichaam van zijn moeder geworpen in een wanhoopsschrik — dan dacht hij aan Addy tevens... en dat het leven wel niet vrolijk zou zijn... maar toch niet altijd behoefde te spoken uit zwarte angsten toe naar zijn jeugd... omdat Addy sprak van sterk zijn, en een man worden langzamerhand... En Guy was gegaan, juist uit die weldadigheid weg van Addy's sterkende invloed... Neen, ook Alex begreep niet, en hij bleef deze avond somber zitten, tussen zijn zusters, niet wetende wat voor troost tot zijn moeder te zeggen... Morgen was het Zondag, en als hij Addy morgen niet zag, dan, wist hij, zou de volgende week te Amsterdam niet goed voor hem zijn: een slechte, zwarte week...
En het waren alleen grootmama... Ernst... Klaasje, die niet voelden de druk van het somber plotse, onbegrijpelijke en onverwachte, dat zij àllen poogden te doordringen; de zomerdag was zonnigheid voor hen geweest en van somberheid hadden zij niets gezien.
De volgende morgen kwam Addy terug. Constance, nerveus, was reeds twee-, driemaal naar het station gegaan, tevergeefs. Eindelijk trof zij hem.
— Je hebt hem niet gevonden? vroeg zij, zeker.<noinclude></noinclude>
n82t43op66f8ai24xqecwopch7924or
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/728
104
68829
222816
188818
2026-06-04T13:14:39Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222816
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Jawel...
— Ja?! Heb je hem gevonden? Hoe? Hoe was het mogelijk?
— Ik had een idee, dat hij niet verder dan Rotterdam had kunnen gaan: hij moest niet veel geld bij zich hebben... Ik heb gezocht, gezocht: ik heb hem gevonden...
— En je brengt hem niet mee!
— Neen. Ik heb hem laten gaan.
— Laten gaan...
— Ik geloof, dat het het beste is: hij verlangde het zeer. Hij was boos, dat ik hem gevonden had. Ik heb met hem gesproken, heel lang. Hij zeide, dat hij geen verplichtingen meer wilde hebben, hoe lief hij ons had, hoe dankbaar hij was...
Constance had bevende Addy's arm genomen: zij gingen te voet naar huis: de weg zomerde warm onder de bomen.
— Hij sprak verstandig... Hij wilde als matroos, als stoker zich verhuren op een boot, een vaag idee... ik heb passage voor hem genomen. Hij zal ons blijven schrijven. Ik heb hem gezegd, dat meneer Brauws, als hij wil, hem zeer zeker introducties zou kunnen geven voor New-York... Hij zou zien. Hij had iets beslists... of hij iets bruskeerde in zijn eigen karakter. Het was vreemd... Ik heb gedacht, hem niet te moeten dwingen terug te keren. Hij zei me, dat hij zeker was niet door zijn examen te komen, en dat hij daarover zo het land had... Dat hij niet kon werken... Dat hij nu voor zichzelf zou zorgen. Er ging een boot naar Londen: ik heb hem geld gegeven... Het is zo het beste, mama. Laat hem op zijn eigen benen staan. Hier... zoals het ging, zou hij misschien blijven voortsukkelen...
Zij schreide nerveus.
— Wij zullen hem zo missen... Hij was de vrolijkheid in huis... Papa, papa zal hem zo missen... O, het is verschrikkelijk... Arme, arme Adeline!
Zij waren thuis.
— Laat mij eerst spreken met tante Adeline...
— Mijn kind... mijn kind... maak het alles in orde... O, maak het zo, zeg het zo, dat tante het goed vindt... er zich in schikken kan... Jij... o mijn kind... je kan alles...
— Neen... mama... ik kan niet alles...
— Ja... jij kan alles... Wat hadden wij gedaan zonder jou...? Nu heb je hem gevonden... met hem gesproken... het geëffend voor hem... nu zal het misschien goed voor hem worden! Als je hem niet gevonden had... Hoe wist je, dat hij naar Rotterdam was...
— Ik wist het bijna zeker, moesje... Het is toeval. Ik had me kunnen vergissen...
— Je ziet er moe uit...
— Ik heb een vermoeiende dag gehad...
— Addy... voor de mensen... de familie... zeggen wij...<noinclude></noinclude>
js6ela8lquzeuny54fizcybq9c627yc
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/729
104
68830
222820
188825
2026-06-04T13:15:54Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222820
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
<section begin="s1"/>{{dhr}}
— Dat hij naar Amerika is... Dat het een plotseling idee was... Met introducties van meneer Brauws...
— Kind, hoe kan je er zo kalm over zijn!
— Moesje, het is misschien beter zo... voor hem... Het ging hier niet. Hij werkte niet. En hij verweekte... in ons familieleven. Er is een energie in hem ontsprongen... het zou jammer zijn, die nu te breidelen... Ik... ik heb het niet over me verkregen... dat te doen...
— Kind... zeg jij het aan tante... Zeg jij het ook aan papa... aan allen... aan zijn zusters... aan Alex. Ik... ik kan het zo niet zeggen, Addy... Ik, ik zou niets doen dan huilen... Ik ga naar boven... naar mijn kamer... Jij zegt het, niet waar... Jij maakt het zo... dat het is of het in orde is... of het gewoon is... of het goed is...
— Ja, mamaatje... ga naar boven... Ik... ik zal het zeggen... aan allen...
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{Larger|'''XIV'''}}}}
Drukkende zwoele zomerdagen volgden elkaar op, regenloos, en ook de nachten waren als in drukkende afwachtingen van geboren wordende dingen, die zouden gebeuren en altijd uitbleven, of de dadelijke toekomsten weken en verder weken, en alleen met zware onweersluchten hingen over huizen en mensen: luchten van brandend morgenblauw, tot grote, grauwwitte wolken aanwaaiden uit geheimzinnig wolkenland, hoog trokken voorbij; aan de verdere horizonnen alleen lichtte het, later op de dag, geluidloos; wat onweer had kunnen worden, dreef verder; het gebladerte verschroeide in stoffige verzomering en verflensende veroudering, en er was, bijna, als een verlangen naar najaar en in herfststormen purperen sterven-gaan: een natuur, moe van zwaar slepend zomerleven, nooit geworden, en altijd wordende, nooit uitschitterend in een helle zomerdaad, en van zware dag op zware dag onder zware immensiteit van luchten haar wordingen slepende voort, naar de latere uitbarstende heerlijkheden van herfst: zware wind, zware regen; dan tragische doodsstrijd, en niet willen sterven van wat nooit zonne-vrolijk geweest was, en tòch geen gouden herinnering achterliet...
Dikwijls in de drukkende nachten kon Marietje Van Saetzema niet vallen in slaap, of werd zij wakker met een plotse schrik. Dan had zij gedroomd, dat zij in een afgrond viel, van een trap afzweefde of bonsde met haar hoofd tegen de zoldering aan, gelijk aan een grote bromvlieg. Dan stond zij op, trok op het gordijn en zag uit in de zware bomennacht, grauw van duister tegen duister aan: de weg voor het huis was grauw, Als een pad van as; de eiken en beuken grauwden, windstille de lover-<section end="s2"/><noinclude></noinclude>
7nvzo1xu46u4kgl3vbvebz2hec294os
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/730
104
68831
222821
188820
2026-06-04T13:16:08Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222821
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>toppen; in de voortuin, verstoft, stonden de stamrozen recht en piekerig en de rozen dropen er aan, grauw, met moe kwijnensgebaar van zware bloemen aan slappe stengels. Het was alles grauwstil: een hond, heel ver, alleen blafte. En de kamer, donker van nacht nog — het lichtje al uitgegaan — benauwde Marietje zo, dat zij zachtjes de deur opende, over de zolder ging, hoewel Addy haar dit had verboden, 's nachts zo rond te dwalen. Zij ging voorzichtig op doffe pantoffels, bleek in haar nachthemd, met ogen groot starend in de grijze nachthuisschemering. Zij ging langs de deuren der meidenkamers, en de eerste trap af, en zo licht liep ze, dat de treden niet kraakten... Op de trap al herademde zij, in een voldoening van wijdere dan kamerlucht, een voldoening van beweging en ommedwaling, hoewel zo vreemd de grauwe stilte weefde grote spinnewebben om haar heen, waardoor zij heen liep, de heel lange gangen langs. Langs de deuren van oom, tante, mama, van de meisjes ging zij nu, langs de lege kamers van Addy en Mathilde... en zij voelde, dat zij Addy, stil, en verlangenloos heel lief had... altijd aan hem dacht... hoewel zij niet altijd deed als hij zei... omdat zij niet kòn in haar kamer blijven, en verlangde naar buitenlucht zelfs te laten waaien over haar bijna blote meisjeslichaam heen. En hoe verlangenloos ook, omdat Addy voor haar het onmogelijk-bereikbare bleef, bloeiden toch in haar zenuwleven tedere hysteriën op, als vreemde orchidee-achtige leliën, hysteriën, die waren als wakende dromen, niet-wetende meisjesdromen over liefde van zacht en weemoedig liggen in elkanders armen en aandruk voelen van borst tegen borst, of mond tegen mond, en stromingen door heel het extatische lichaam heen... Dan verlangde Marietje naar Addy, opdat hij haar zou leggen de hand op het hoofd: meer niet, het was haar voldoende, omdat zij ook héel veel van hem hield, van zijn stem en zijn blik en zijn woorden, hield van zijn zorg, van zijn sympathie, van alles wat er abstract van hem toeging naar haar; zij wist, van zijn kant, was het niets dan zachte belangstelling, maar het was haar genoeg: zij leefde van weinig: noch haar lichaam, noch haar ziel hadden behoefte aan overdadigheid, in beider lelie-achtige anemieën. Nu wist zij wel, dat zij deed als zij niet mocht, zo dwalen heen door het huis, als in wakende slaapwandel, omdat het zo fris en koel was zo te gaan en te dwalen half naakt: door de ramen der gangen grauwde de nacht en geheel het binnenhuis grauwde van duister, en diepere schaduw in de hoeken, maar zij was niet bang, nadat zij met Addy gesproken had over het huis en hij haar had uitgelegd, dat als er zweefde iets om van verleden, het niet boos kon zijn en kwaadwillend, maar eerder ten goede geneigd en ten wakens, wanneer het zou nodig wezen... Zo sprak hij met niemand dan haar, dat wist zij, en dat gaf haar een diepe liefde voor hem, vooral omdat hij het had gezegd zo heel eenvoudig, en zonder wat ook van overdrijving, als was het maar<noinclude></noinclude>
fkk9zs4vtpko7y013ebz9szbi7v9mve
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/731
104
68832
222822
188821
2026-06-04T13:16:28Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222822
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>het allereenvoudigste, dat hij had willen spreken... Ook niet dikwijls sprak hij zo; een keer... twee keer slechts had hij zo gesproken... maar het had haar geheel gerustgesteld, sedert zij op de kleine trap geschrikt was en was flauw gevallen, voor plotse schaduw, die zij had menen te zien en toch niet geweten had òf zij gezien had... Nu ging zij naar beneden langs datzelfde kleine binnentrapje, bijna verlangend schaduw te zien en altijd denkend aan Addy, maar zij zag niets; zij tastte, witjes en slaapwandelachtig de nauwe treedjes af... ze kraakten even... nu opende zij de deur, die uitkwam in de lange vestibule-gang... dat was als van een oud kasteel, zo mooi met de eikenhouten betimmering... een lange Deventer loper, verbleekt door het jarenlange gaan van voeten erover... de voordeur week weg als in grauw verschiet... op het eiken kabinet glazuurden bleekjes de pullen... Zij liep dromende-wakende op haar doffe pantoffels en zij opende nu de deur van de voorkamer, donker, de blinden toe... zij was witjes nu in de donker en zag naar haar eigen witheid... en zij zag door de achterkamer heen in de serre, waar oma altijd gewoon was te zitten. De serre-glazen schemerden als transparante grauwigheden en daarachter, in een verheldering van heel vroege morgen, wemelde weg iets van de duistering van de tuin: in het héel vroege licht was het alles van as: serre vol aswemeling en tuin vol as... van ommelijn was nog niets te zien en zij keek en zij keek... en zo vreemd vond zij het... en toch misschien niet zo heel vreemd... dat wat er van ommelijn zich tekende in de serre tegen de grauwte der ramen, er bewegingloos was als de ommelijn van twee donkere schaduwen, zittende, elk aan een raam, als van een oude man en een oude vrouw, uitkijkende naar het begin van de morgen, die heel in de verte even gaf een weerschijn van blekere schemering... Nu sloot Marietje de ogen, even, opende ze weer de oogleden en staarde naar de serre en er was altijd dàt: de ommelijn der donkere zittende schaduwen, zo heel ijl als van niet-weten, of zij zag heen door atmosfeer in atmosfeer. onzichtbaar in andere uren dan in grauwte van nacht-einde en aanvang van morgen-weemoed... De twee onwezenlijkheden bleven grauw aan tegen grauw, en plotseling werd Marietje heel koud en rilde zij, half naakt; en in haar rilling, meende zij, dat even, heel snel, de schaduwen zelf rilden, als van een schrik en verrassing, en wegwisten, omdat zij had wagen er heen te staren. Nu lijnde er niets meer tegen de serreglazen aan; alleen de morgen tussen de bomen werd bleker; er was zelfs een streep van wit...
Marietje had het koud. Zij ging de kamer uit, vergat de deur achter zich te sluiten; en, de gang aflopende, liep zij op het binnentrapje toe, en ook daar vergat zij te sluiten de deur. Naar boven, naar boven sloop zij, rillende, op de geluideloze stap van haar doffe pantoffels, over de zolder nu, en zij kroop<noinclude></noinclude>
fgh12satsmggfwecflwdynhv5yjsw5t
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/732
104
68833
222823
188826
2026-06-04T13:16:51Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222823
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><section begin="s1"/>in bed, geheel opgekoeld, en maar even nadenkende over wat er geschemerd had — misschien — tegen de grauwe serre-glazen, sliep zij dadelijk in, rustig, en sluimerde tot laat in de morgen, kalm, en als een koude maagd nu, onder de tot haar kin getrokken deken.
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''XV'''}}}}
Addy was uit des middags, toen Mathilde het telegram van Constance openmaakte.
"Overkomst voor Emilie gewenst".
— Het is ook altijd wat, bromde Mathilde. Addy is de lijfarts van zijn familie. Als het niet voor Klaasje is, is het voor Adèletje, voor Mary, voor Emilie. Het is altijd wat. Wat zou ze nu weer hebben... Hij is waarachtig pas naar huis geweest... O ja, ze wordt altijd ziek in de zomer. Het zal wel hetzelfde zijn als verleden jaar...
En zij had een kwade opwelling, om het telegram te verscheuren, er niets van aan Addy te zeggen, later te zeggen, dat het zeker weg was geraakt...
Zij deed het echter niet, legde het telegram zichtbaar op tafel, ging daarna uit naar de tennisclub. Zij nam dan meestal de stoomtram, steeg uit bij de Witte Brug. Nu, op het Bezuidenhout, kwam zij Erzeele tegen, zijn racket in de hand.
— Ik wachtte je op, zei hij.
— Dat is aardig van je... We zullen de stoomtram nemen.
— Laten we liever lopen.
Zij liepen op, langs de Hertenkamp.
— Is er wat? vroeg hij.
— Waarom?
— Je kijkt zo strak.
— Neen, er is niets.
— Je bent uit je humeur.
— Ze hebben thuis natuurlijk weer Addy nodig...
— Wie is er ziek?
— Emilie...
— Mevrouw Van Raven?
— Ja... Ze noemt zich mevrouw Van Naghel nu.
— Jawel. Die er indertijd vandoor is gegaan met haar broer.
— Daar is veel over gesproken, niet waar?
— De mensen wisten niet precies...
— Ik hou niet van haar... Ze wordt iedere zomer ziek. Dan is ze raar. En dan heeft ze natuurlijk mijn man weer nodig. Er kwam een telegram van mama...
— Verleden... zag ... mevrouw Van der Welcke, dat...
— Zag wat...
— Dat ik je hand vasthield.<section end="s2"/><noinclude></noinclude>
4weq0439ylb0g7u2e3do5ktkjmdzqyr
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/733
104
69110
222824
189219
2026-06-04T13:17:05Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222824
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Wat is daar aan... Je bent een vriend... Kennen we elkaar niet van vroeger, toen we heel jong waren... Weet je... mama heeft me voor je gewaarschuwd.
— Voor mij?
— Ze was bang, dat...
— Dat...
— Dat je verliefd op me zou worden.
— Dat ben ik ook.
— Stil, Johan ...
— Je weet, dat ik het altijd geweest ben...
— Je bent verliefd op Gerdy geweest...
— Een ogenblik... Op jou ben ik altijd verliefd geweest. Van vroeger al. Van onze kinderbals... Verliefd? Ik heb altijd van je gehouden.
— Je moest zo niet praten... Ik, ik hou van mijn man...
— Ja, dat weet ik... Maar hij maakt je niet gelukkig...
Zij zweeg. Zij wilde niet verder zeggen, dat zij Addy zo hoog boven zich voelde, onbereikbaar en onbegrijpelijk, dat het haar alles ontsnapte de laatste tijd, dat haar liefde haar ontsnapte, dat zij zich voelen zonk, langzaam, langzaam weg, in een vaagheid van afgrond — dat het alleen de kinderen waren, die haar weer Addy deden vinden, iedere dag, een ogenblik... Zij zweeg. Maar zij had de tranen in de ogen. Haar gezond, en maar even verzenuwd temperament had behoefte aan veel geluk voor zichzelf zo als een gezonde plant behoefte heeft aan veel lucht en veel water en niet kwijnen kan. De melancholie, die haar soms overviel, was haar sfeer niet...
— Laten wij liever de tram nemen, zei zij: ik word moe.
— Het is beter, dat je wandelt, zei hij.
Er was een autoriteit in zijn stem en zij liet zich meevoeren door zijn dwang. De middag was heel warm, werktuigelijk sleepte zij zich naast hem voort, beiden de racket in de hand.
— Mama heeft gelijk, Johan, zei zij plotseling. Het is niet goed, dat wij elkaar zo veel zien, dat ik zo... vertrouwelijk met je spreek...
— En waarom niet... als je je ongelukkig voelt... als je tegenover mij je hart uitstort.
— Neen, neen... het is niet goed... Kom, laten wij de tram nemen: wij komen te laat voor de tennis...
Hij zag werktuigelijk uit naar de tram. Zij waren bij de Waalsdorpse weg, en hij zei:
— Kom, loop wat met me op: ik heb toch geen lust te tennissen... Jij? Zij liet zich als meevoeren, sloeg de eenzame, groene weg in. Er was in haar als een weke overgave aan wat hij wilde, en zij werd zich bewust, dat zij was in een diepe melancholie: weifeling van niets meer weten, van wankelen, en zich heel ongelukkig voelen.<noinclude></noinclude>
m392vnn5d3hvttudqbu6n660wcv92am
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/734
104
69111
222825
189220
2026-06-04T13:17:39Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222825
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Alles had anders kunnen zijn... zei zij, bijna wenend.
— Wat meen je... Wanneer?
— Als Addy...
— Als hij wat...
— Ik weet het niet, zeide zij. Ik ben moe er over te denken. Het is niet zijn schuld...
— Neen, het is jouw schuld...
— Mijn schuld?
— Ja!... Indertijd... heb je absoluut hèm willen trouwen. Ik hield van je...
— Jij... Maar je hebt me nooit gevraagd...
— Maar je wist, dat ik van je hield... Alles had anders kunnen zijn, o ja, alles had anders kunnen zijn...
Zij begon plotseling te wenen.
— Tilly...
— O! zei zij, snikkende. Laat ons niet zo spreken! Laat ons naar de tennisclub gaan...
— Neen, neen, ik wil niet...
Zij keerde om.
— Tilly...
— Neen, ik wil niet verder. Ik wil naar de club. Het zal me verstrooien... te tennissen.
Zij keerde terug, hij volgde haar.
— Tilly... je bent zo zenuwachtig. Als je kalmer was... zou ik je zeggen...
— Wat?
— Dat ik je niet ongelukkig kàn zien... O, ik hou van je. Laat ons weggaan... samen.
— Weggaan... waarheen?
— Met elkaar. Ik hou van je, ik hou van je. Ik heb altijd van je gehouden.
Zij schrikte.
— Je bent gek, zei zij.
— Waarom ben ik gek...
— Omdat je me voorstelt... dingen... — zij lachte schamper -: je bent gek. Te kunnen denken, dat ik...
— Dat je je hele leven ongelukkig wilt zijn...
— Dat ik met je zou willen weglopen. Ik hou van mijn man... van mijn kinderen en ik zou...
— Ja, zei hij. Het was gek van me... dat voor te stellen. Je houdt van je man... niet van mij. Nooit sta je iets toe... niet het minste...
— Het minste...? vroeg zij schamper.
— Het meeste dan? antwoordde hij, hees, ruw.
Zij haalde de schouders op.
— Jullie mannen willen altijd... dàt. Ons geluk... bestaat niet altijd... uit dàt.
— Neen maar... als je mij lief had... helemaal...<noinclude></noinclude>
m9jd9zvcxkwq1ww97k0zk2d9pi13yz2
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/735
104
69112
222826
189221
2026-06-04T13:17:58Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222826
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Ik wil niet, zeide zij kort.
Ze liepen de Brug nu over, zij gingen de Bosjes in.
— Ik verbied je zo te spreken, vervolgde zij.
— Goed... ik zal nooit meer zo spreken.
— En je komt daar altijd op terug... Het is beter, dat we elkaar niet meer zien.
— Niet meer zien?
— Neen...
— Ik kan niet, zei hij. Ik wil ook niet.
— En als ik het wil?
— Dan kan ik het nog niet.
— Met zo te spreken... maak je me niet gelukkig. Maak je me nog ongelukkiger dan ik ben...
— O, Tilly, ik kan je niet ongelukkig zien... Wat dan, wat dan!
— Ik weet het niet, zei zij dof.
— Je houdt niet van me.
— Jawel, maar niet zo. Waarom kan vriendschap niet zijn.
— Dat is onzin. Vriendschap tussen man en vrouw? Dat zijn ideeën, die je misschien hebt opgedaan... te Driebergen, tussen zenuwzieke mensen. Tussen man en vrouw is niets dan willen hebben... Ik wil je hebben... en ben ongelukkig... omdat ik je niet heb...
— Ja... het is altijd dàt, zei zij, en zij dacht aan Addy.
— O... als je met me mee ging... ergens.
— Dat zou me gelukkig maken...?
— Ik zou helemaal leven... voor je. Ik heb geld... een beetje.
— Dat zou me gelukkig maken... mijn man te verlaten... mijn kinderen te verlaten...?
— Je man... je kinderen... Maar zou ik er dan niet zijn?
— Ja... maar...
— Je houdt niet van me.
— Niet zo...
— Je zou toch gelukkig worden... In je man... heb je nooit voldoening gevonden — je zegt het zelf — omdat je hem niet begrijpt... Mij, mij zou je begrijpen...
Zij begon weer te wenen.
— O, zei zij. Praat zo niet meer!
— Je houdt van me, je houdt van me, Tilly?
— Jawel...Johan... ik hou van je...
— Maar wat...
Zij stond stil.
— Hoor, zei zij, en zag hem vlak aan, in zijn ogen. Ik hou van je...
Haar stem, ondanks zich, was teder.
— Ik hou van je.... zelfs innig veel. Op dit ogenblik... misschien meer dan van Addy... Ik weet het niet... Misschien... misschien zal ik later... later... nog {{sp|meer}} van je houden... zeker meer dan van Addy.<noinclude></noinclude>
p2yf9awy3nfh47hbt3xseug89o5mwxu
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/736
104
69114
222827
189223
2026-06-04T13:18:14Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222827
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
<section begin="s1"/>{{dhr}}
— O! riep hij uit. Maar dan...
— Stil, zei zij: hoor naar me. Maar wat je me vraagt... weiger ik...
— Waarom...
— Omdat ik een fatsoenlijke vrouw ben... Omdat ik in mijn bloed een fatsoenlijke vrouw ben... Omdat ik altijd... een fatsoenlijke vrouw wil zijn... Ik zou niet kunnen doen wat je me vroeg... Omdat ik... al verloor ik mijn man... mijn kinderen nooit zou willen verliezen, nooit zou willen verliezen.
— Je houdt meer van je kinderen?
— Meer...? Ik hou van ze... zo... als een man... als jij niet begrijpen kan.
— Tilly, Tilly!
— Stil... Er komen daar mensen... Wandelaars... Stil...
— O Tilly, maar wat dan, wat dan?
— Ik weet het niet, zeide zij dof. O kom mee, naar de club, laten wij tennissen!!
Zij verhaastte de pas: hij volgde als een dronken man.
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''XVI'''}}}}
Toen Addy het telegram vond, had hij dadelijk de trein naar Driebergen genomen: hij kwam 's avonds aan.
— Wat heeft Emilie? vroeg hij zijn moeder.
— Zij huilt de hele dag, zei Constance; het is net als verleden jaar.
Hij ging dadelijk naar boven, naar de kamer van Emilie. Hij vond haar snikkende, snikkende in de armen van Adeline.
— Ik weet geen raad met haar, zei Adeline.
— Laat haar een ogenblik alleen met mij, tante, fluisterde Addy. Hier — hij zocht in zijn zak — hier is een brief van Guy, uit New-York. U zal zien, hij heeft werk gevonden, door de recommandatie van meneer Brauws.
Adeline ging, Emilie snikte steeds. Zij wierp zich over de grond, haar gezicht tegen een stoel, haar haren los: haar magere handen grepen de stoel vast.
— Addy! riep zij. Addy! Ben je daar?
— Ja, Emilie
— O... het stikt me, het stikt me... laat het me je zeggen!
Hij zette zich, en zij kroop als naar hem toe... Zij stamelde onsamenhangende woorden, maar hij begreep ze: hij kende de woorden, hij wist wat zij hem zei: het was verleden jaar, het was vóor verleden jaar hetzelfde geweest. Het was met de eerste zomerdagen als een opwelling van krankzinnigheid, die zich meester van haar maakte, een opwelling, waarin zij terugleefde dingen van het verleden van jaren her... O, het was een ver-<section end="s2"/><noinclude></noinclude>
0zfk2558nuxrb3omlcf3g67uj7t0ynr
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/737
104
69115
222828
189224
2026-06-04T13:18:28Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222828
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>schrikkelijk geheim, dat zij altijd met zich ronddroeg, dat niemand wist, waarvan niemand ooit had geweten... In de donkerende kamer, de jalouzieën gesloten, benauwde haar het geheim, en moest zij het zeggen, omdat het haar benauwde op het hart, in de keel...
— Ik moet het je zeggen, Addy... Het was gedurende die laatste dagen, die vreeslijke dagen te Parijs... Eduard, mijn man... hij was in Parijs... en... en hij had me gedreigd... Je herinnert je, je herinnert je... Dàt heb ik je gezegd, niet waar... Hij was mij komen zoeken, in Parijs... Hij haatte mij... en hij haatte, o hij haatte Henri... O, Henri, mijn arme broer, mijn broer! Addy... Addy... o laat het me je zeggen Van al wat de mensen hebben gedacht, van al wat ze hebben gesproken is niets waar, is niets waar! Hij was mijn broer, mijn eigen broer, en ik hield van hem als een broer, maar misschien te veel, en hij hield van mij als van een zuster, maar te veel, misschien te veel... O, de mensen zijn slecht, de mensen zijn slecht... Ze hebben gedacht, ze hebben gezegd... Ik, ik heb nooit willen spreken... O, Addy... je ouders... en jij... je innig goede, lieve ouders, die nooit hebben gevraagd, die mij hebben opgenomen bij hen in huis... in hun huis, dat mijn toevluchtsoord is geworden... waar ik kan zijn als in een klooster... O Addy... eeuwig — eeuwig ben ik dankbaar aan je lieve ouders... en aan jou! Ze hebben nooit, ze hebben nooit gevraagd... en zijn voor me geweest als ouders... ik heb kunnen leven... onder hun dak... al is mijn leven niet anders geweest dan wroeging... dan pijn... O, Addy, Addy... laat het me je zeggen... Henri was clown in het circus... je weet wel... ik, ik schilderde... we leefden... we leefden samen... we waren gelukkig... toen is Eduard gekomen... O, hij was als een kwade geest... o, als ik van hem droom nu, droom ik als van een duivel! Addy, Eduard is gekomen! En hij is het... hij is het geweest...
— Ik weet het, Emilie, ik weet het.
Zij schreeuwde het uit.
— Hij is het geweest... hij... hij... die Henri heeft vermoord!!!
— Stil Emilie...
— O, altijd zwijgen, altijd zwijgen: het stikt me, het stikt me, hier!
Zij slaakte luide zenuwkreten, zij wreef zich tegen de stoel, haar ogen stonden als gek; haar haren hingen los om haar wangen, verbleekt, geheel haar verwrongen gezicht...
— Het was na een avond... dat hij gespeeld had in het circus... en Eduard... Eduard...
— Ik weet het... stil, Emilie.
— Hij wachtte hem op... in de gang, vóór het huis... waar wij woonden... en... hij schold hem uit... zij hadden<noinclude></noinclude>
rbin5fro7l3upkd0m8ihh0xvpc4v0if
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/738
104
69116
222829
189225
2026-06-04T13:18:45Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222829
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>woorden ... Toen... met een mes... {{sp|stak hij hem!!}}
— Stil, Emilie... stil...
Maar zij kreet het uit: haar kreten kermden door de kamer. Zij wrong als gek tegen zijn knieën, hij streek haar over haar losse haren, als om haar te bedaren.
— O je ouders... o je lieve ouders... Addy... o ze hebben nooit iets gevraagd...!! Ze zijn gekomen... o die reis terug... met zijn kist tussen ons in... o die formaliteiten aan de grenzen... o Addy... o je lieve ouders... ze hebben mij gered... ik was gek, ik was gek, ik was gek toen...! Nu... nu komt het terug... ik kàn het niet meer in mij houden!! Weet je... hij wachtte hem op... hij kreeg woorden met hem over mij... en... en zij waren op eens als wilde beesten...! Henri vloog op hem toe... en Eduard stak hem toen met zijn mes...!! De ellendeling, de ellendeling... hij is weg sedert die tijd... ik heb hem niet meer gezien... alleen 's nachts... 's nachts zie ik hem met {{sp|zijn me}}s... O, Addy, Addy, help me!
Hij greep haar met al zijn kracht bij de armen, en weerhield haar, maar zij stribbelde tegen. Zij was als gek; in de warme zomerzwoelte overweldigde haar de dagenlange nachtmerrie, die opdoemde met de eerste zoeligheden des voorjaars, telkens weer. Zij was als gek... zij zag alles voor zich... zij leefde jaren terug...
— Niemand heeft ooit geweten... Addy... dan jij ... dan jij!
— Stil, Emilie, stil...
Hij poogde haar in de ogen te zien, maar haar ogen ontweken zijn ogen. Zij kronkelde als in de greep van een schaker; zij sleurde zich over de grond, terwijl zijn handen haar armen vasthielden... Plotseling ontmoetten zijn ogen haar ogen, en doorpriemde hij ze diep met zijn grauwblauwe blik. Zij viel als machteloos aan tegen een stoel; haar trekken, ontspannen, hingen slap als van een oude vrouw, haar lippen dropen omlaag. Zij kwakte als ineen en zij kreunde nu, met een monotone kreun van pijn... Toen schudde zij met het hoofd, op en neer, het achterhoofd schurende tegen de stoel...
— Sta op Emilie...
Zij liet zich zeggen, zij liet zich doen, zij hing als een lap in zijn handen. Nu was zij neergevallen op haar bed, de ogen toe en hij belde. Het was Constance zelf, die binnenkwam.
— Wij zullen haar uitkleden, mama: zij zal nu kalm worden... Ik zal tante Adeline ook bellen, om u te helpen.
Hij belde nog eens, vroeg Truitje tante boven te zenden. Maar zodra Emilie Constance's vingers voelde aan haar lichaam, kreunde zij opnieuw, opende zij de ogen.
— O tante, o tante... u is lief... u is lief... U heeft het nooit... u heeft het nooit gevraagd,..
— Het is misschien beter haar maar te laten, mama, fluisterde<noinclude></noinclude>
6o4h552fifdd8fn7lyso247vny937ue
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/739
104
69118
222830
189227
2026-06-04T13:18:59Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222830
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>Addy, en Constance ging, beloofde in de buurt te blijven, met Adeline.
Nu lag Emilie op het bed, en haar ogen keken recht voor zich uit, als zag zij steeds de afschuwelijkheid van het verleden, en zij kreunde steeds als was zij bang, als had zij pijn.
— Addy... Addy... het is Eduard... het is Eduard... die Henri vermoord heeft... O, niemand weet het, niemand weet het... Oom... tante... hebben er nooit naar gevraagd... In Den Haag zeggen ze, dat ik Eduard heb ongelukkig gemaakt, dat hij daarom weg is, verdwenen... Het is mogelijk, het is mogelijk, dat ik hem heb ongelukkig gemaakt... Ik weet het niet... ik weet het niet... Zie je... ik wist niet, wat ik deed, toen ik Eduard trouwde... Ik dacht... ik dacht, dat het goed zou zijn... ik dacht, dat ik van hem hield... Stil, Addy... zeg het aan niemand: ik hield... ik hield van Henri... van mijn broer... maar o... ik zweer je... het was alles mooi... wat wij voelden voor elkaar... en er is nooit tussen ons geweest... iets van schande... iets van schande! Maar mijn leven, Addy... mijn arme leven... ach, mijn arme, kleine leven... het is helemaal verongelukt... omdat ik niet wist... omdat ik zo vreemd voelde... omdat ik mij verweerd heb... tegen de gewone dingen van het leven... tegen mijn huwelijk, tegen mijn man... en omdat dat alles sterker was... dan waarheen ik wilde... en wat ik zelf eigenlijk niet wist, noch ik... noch Henri... noch Henri...
Het radeloze gekerm om haar leven kreunde weg in klagende woorden en het was als zonk zij, na zich te hebben geuit, in een doffe wezenloosheid, de ogen groot, starende door de kamer heen, als zag ze nog àl de dingen van het verleden, maar als waasden zij al weg, nu zij zich had geuit... En het was ieder jaar hetzelfde, het was ieder voorjaar als dezelfde vreemde, geheimzinnige kracht, die haar dwong het te zeggen, het uit te zeggen, heel het treurige geheim van haar jammerlijk mislukt en verongelukt vrouweleven, alsof zij een heel kleine ziel ware, verpletterd onder te veel tragiek, te grote smart, al te ongewone gebeurlijkheid, die haar verpletterd had, en toch niet had dood verpletterd. Zij leefde voort, sedert jaren, zij leefde stilletjes na, haar belangeloze en toch jonge leven nog; banden schenen haar lichaam, haar ziel nog aan het leven te binden, en er was niets meer voor haar, dan het medelijden van wie haar omringden; een doffe gelatenheid, die alleen éens, éens in het jaar, als gewekt door de warme stromingen van voorjaar, van zomer, uitbarstte in een opwolkend onweer... Het kwam op, het kwam op, zij voelde het dagen te voren dreigen als barstte het los in haar brein, zij klampte de slaaploze nacht het hoofd in de handen... en het kwam op, het kwam op... een zenuwtoeval, een zenuwcrisis... zij riep, om Addy, de enige, die wist... en zij zei, zij zei het weer... en als zij gezegd had... en was<noinclude></noinclude>
s5fxq8g4n0q8n97tjndsrdc262p6hvr
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/740
104
69119
222831
193326
2026-06-04T13:19:16Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222831
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><section begin="s1"/>ingesluimerd onder zijn blik... ontwaakte zij... iets kalmer... stilden na dagen en langzame dagen zich haar trillende zenuwen... gaf zij zich over aan de grotere machten... en de doffe gelatenheid weefde weer rondom haar heen de zomer zwoelde om haar heen... de trage stromen der eentonige dagen sleepten haar verder voort, verder... men sprak in huis niet meer daàr over... en op een avond, in de tuin, vond zij zich terug, vreemd, gelaten nu, de armen, de handen slap, naast zich arme tante Adeline, al zo blij met een kort briefje van Guy... terwijl de meisjes en tante Constance oude oma brachten naar bed... en Klaasje daarna, grote meid, die nog altijd wilde worden gebracht naar bed... en terwijl oom Ernst dwaalde langs de vijver, sprekende in zichzelf... en Paul zich in drie dagen niet had vertoond, en zich opsloot in zijn kamer... daarginds in de villa, verder op...
Alsof zij ontwaakte uit een vreeslijke droom, zo vond zij zich terug, zo werd ze zich bewust, op een avond, zittende in de tuin naast tante Adeline, lezende en herlezende de woorden van Guy, en verderop, zaten meneer Brauws en oom Henri... oom Henri, die zich maar niet kon wennen, dat Guy zo was heengegaan... en die er om mokte, soms, met de tranen vocht in zijn ogen ...
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|'''XVII'''}}}}
Die avond keerde Addy terug naar Den Haag en zelden had hij zich zo dof gevoeld, alsof hij voor zichzelf niets wist... Neen, nu wist hij niets en niets meer voor zijn arme zelf, alsof hij, ouder wordende, iedere dag meer en meer het weten verloor, dat heilig is voor eigen ziel, en dat als een vèr lichtende lamp zijn stralen schiet over de zelfwegen, die in de toekomst duisteren... Wist hij voor anderen zo dikwijls en zo zuiver, voor zich wist hij niet, niets meer. Eens had hij zich twee geweten; nu wist hij niet meer wat en wie hij van die beiden was... Hij voelde zich als een verouderde zieke jonge man, verouderd en ziek, omdat het leven te vroeg hem was ernstig geweest en te vroeg hem was opengeweken, zodat hij het in had gezien: verouderd en ziek, omdat zijn eigen leven later niet gegewiegd had in het reine evenwicht zijner eigen twee zielemachten! Gekluisterd voelde hij zich aan de ene, en ze trok hem neer, zonder dat de andere macht kracht had, hem tot de zuivere zelfhoogte te beuren...
Nu, van het station, 's avonds laat, liep hij naar huis. Hij sleepte zich voort, zijn pas was loom; over de donkere massa's van het Bos parelde lichtgrijs een zwoele zomernacht, de huizen van het Bezuidenhout blankten in avondzwijgen weg. Er droomden aan de lucht lichte regenwolken — zeker zou het <section end="s2"/><noinclude></noinclude>
oldcciiw8dtl26hha7p0xhs5e8baew1
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/741
104
69120
222832
189229
2026-06-04T13:19:33Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222832
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>morgen regenen, — en heel ver achter ze school de dreiging van het zomeronweer. Nu dreef de somberheid van de avond als in suizende afwachtingen voort. Het was alles heel stil, de bomen, de huizen, de wolken. De mensen gingen er nauwlijks: een laatste tram rinkelde aan uit de verte, van Scheveningen, en zijn bel rammelde als door een avondleegte, heel ver achter Addy.
Hij liep voort, sleepte zich langs de huizen. Hij was heel moe, als altijd wanneer hij hypnose had uitgeoefend; daarbij, telkens weer, brak het zijn hart Driebergen te verlaten... Hoe voelde hij zich éen met allen daar en met alles. Het huis was er, van zijn vader en van hem, de familie was er, die zijner moeder en de zijne... Het kind zijner beide ouders voelde hij wel degelijk zich daar, in dat grote, sombere huis... Maar hij woonde er niet, hij werkte er niet meer. In het kleine, lichte bontvervige huis, ginds, wachtte hem zijn vrouw, en zou hij vinden zijn kinderen...
Gezonde kinderen, een gezonde vrouw... hij had ze. Dat wat hij had verlangd, angstig om wat hij in zijner moeder familie zag, had hij nu wel: vrouw, kinderen, gezond... Hoe hadden zij beiden de kinderen lief; hoe waren zij het, in wat hen betrof, éens! Al het verschil was om het diepste van oorzaak, en van eenmaal niet hebben geweten... Weten, wist hij nu? Wist hij, dat hij nooit een vrouw als Mathilde had moeten nemen... Wist hij niet, dat het was zijn schuld?
Er was voor hem niet anders te doen, dan de opoffering voort te zetten, zijn leven lang, maar de opoffering was heel zwaar: leven en werken tegen zijn aandrang in, in een sfeer, die niet was de zijne... Dat was het wat hem ziek maakte, verouderde... Hij zag geen toekomst meer voor zich... De opoffering doodde hem in zich.
Hij voelde een opstand plotseling: het was niet aan een mens, zich op te offeren, zo. Wat gedaan was, was gedaan. Mathilde zou zich hebben te schikken. Zeggen zou hij haar, dat het niet ging; dat Den Haag hem doodde. Dat hij terug wilde naar het huis daarginds, het dorp, de streek, waar hij van nut was, en werken kon. Zij zou mee hebben te gaan...
Maar hij zag haar, als slachtoffer, ten offer gebracht in de haar antipathieke sfeer, ter wille van zijn levensvergissing. Neen, neen, nooit zou hij kunnen: haar zeggen, dat Den Haag hem doodde, haar zeggen, dat zij te schikken zich had. Hij, hij had zich te schikken; wilde hij enigszins rechtvaardig blijven, dan moest hij zich blijven offeren, ook al putte hem dat uit ten dode...
Hoe was het somber en vreugdeloos... Hoe was het grauw, wijd, wijd om hem heen, als de nacht zelf, die parelde vlak bij, en verder weg zich weggroef in kolken van duisterende dreiging...
Dichter bij huis, sleepte zwaarder zijn voet. En plotseling, voor hij de straat insloeg, waar hij woonde, liet hij zich vallen op een bank, en bleef als zittende verlamd, en viel zijn hoofd neer in zijn hand.<noinclude></noinclude>
28z3vv5idlyd6sf9ymwt9z35dqpqdkp
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/742
104
69122
222833
189231
2026-06-04T13:19:49Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222833
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
Hoe dof was het hem en hoe zwaar, dat hij terug naar zijn huis zou moeten! O, zo maar blijven zitten, zo maar blijven zitten tot hij eenmaal het weten zou. Hij sloot zijn ogen.
Hij voelde zich overwonnen, overweldigd... Plotseling, als in een droom, troffen stemmen zijn oor en was het hem of hij de stemmen herkende... Werktuigelijk stond hij op, zag, langs de huizen, over het stille trottoir de donkere silhouetten aankomen van twee langzame wandelaars, een man en een vrouw... Hun stemmen klonken duidelijk, zonder dat hij de woorden opving; hij herkende de trage gestalten. Het was Mathilde en het was Johan Erzeele.
Zij zagen hem niet. Zij liepen heel langzaam voort, en Addy achter hen volgde... Het was of Johan, steeds aandrong, het was of Mathilde weigerde. Addy's hart klopte bang, terwijl hij achter hen aanliep, en een ijverzucht laaide plotseling in zijn doffe geslagenheid op. Was zij zijn vrouw niet, was zij zijn vrouw niet, en waarom, altijd, de laatste tijd, zocht zij Johan, zocht hij haar... Was het niet altijd zo, samen tennissen, elkaar telkens veel ontmoeten in huizen van kennissen bij wie hij nooit kwam... Waar kwamen zij nu vandaan? Waar waren zij geweest? Bracht hij haar thuis? Wat klonk hun gesprek zo vertrouwelijk, wat klonk het treurig bijna... Hielden zij van elkaar, in een opkomende gevaarlijke vriendschap...
Hij volgde hen, ongemerkt, bijna blij hen te betrappen, wantrouwend in zijn eigen verdriet van ijverzucht... Beminde hij, trots hun innerste verschil, niet altijd zijn vrouw... Hij hield zijn passen in. Hij volgde heel langzaam... Na zijn eerste opkoming van ijverzucht, meende hij meer in zich te voelen een nieuwsgierigheid... om stil te observeren... een diagnose vast te stellen... werd geheel zijn natuur hem te machtig... de natuur van een, die is geboren om te genezen... en voor hij geneest, doordringt het ziektegeval... Ja, ijverzucht smeulde in hem steeds... maar meer dan die voelde hij de zucht om te weten... Hield hij niet altijd van Mathilde...? Was zij hem levensonmisbaar?
Dàt werd plotseling klaar voor hem: levensonmisbaar was zij hem niet... Zijn kinderen... ja die... die behoorden tot hen allen... hen allen daarginds... in het oude huis... het oude huis van familie... Zij... zijn vrouw niet. Zijn kinderen waren hem levensonmisbaar... O dat voelde hij duidelijk... Mathilde, Mathilde niet. Om Mathilde... nu achter haar en Johan lopende, alleen die nieuwsgierigheid, te weten en vast te stellen... Niet anders dan dat... Zelfs de ijverzucht doofde uit, in hem, kind zijner ijverzuchtige ouders... Hij volgde ze steeds... Hij zag, dat Erzeele zijn arm in die zijner vrouw stak...
Nu verhaastte hij even zijn pas. Zijn hakken klonken op het trottoir, de nacht in, haastiger, regelmatig... Zij beiden daar voor zagen om. Zij schrikten. Hij haalde ze in.<noinclude></noinclude>
lx5nqlppb4npb2zynmlt0v5btiitv8j
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/743
104
69123
222834
189232
2026-06-04T13:20:05Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222834
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Ik meende je te herkennen... van verre, zei hij, kalm en natuurlijk, terwijl zij niet spreken konden, Erzeele zijn arm terugtrok. Ik kom van het station...
— Ik verwachtte je morgen, zei, bleek, Mathilde, ondanks zichzelf.
— Neen, ik had niets meer te doen. Emilie is veel kalmer... Hoe gaat het met de kinderen?
— Goed...
— Waar ben je vanavond geweest?
— Bij Johans zuster heb ik thee gedronken... Johan bracht me naar huis...
— Maar nu Van der Welcke er is... om je thuis te brengen... zei Erzeele.
— Zeker niet, antwoordde Addy. Loop nog een eindje mee op...
Zij liepen voort, Mathilde tussen de beide mannen. Addy sprak gewoon-weg. Zij antwoordden nauwlijks. Onderwijl bestudeerde hij hen. Zijn nieuwsgierigheid wekte hem op, gaf hem een plots nieuw belang, als ware het een geval van emstige ziekte.
— Hier neem ik afscheid, zei Erzeele, toen zij de zijstraat insloegen.
Zij drukten hem beiden de hand, gingen nu stiller naar huis, plotseling slepend de voeten.
Addy zocht in zijn zak naar de sleutel.
— Het is al laat, zei hij werktuigelijk.
— Bij twaalven, antwoordde Mathilde dof.
Hij zag, dat haar ogen rood waren van het wenen. Hij zei niets. Zwijgend gingen zij naar boven. In de kinderkamer, een ogenblik, slopen zij binnen, op de tenen beiden, zagen in de kleine bedjes. Open de tussendeur, sliep de kindermeid in het kabinet. Zij lachten even tot elkaar, omdat de kindertjes zo lief er sliepen. Toen gingen zij in Mathilde's slaapkamer. De drempel over, was het hem of zij vreemden waren.
— Ik ben moe, zei Mathilde.
— Ik ook, zei Addy.
Hij gaf haar een kus, liet haar alleen, ging in zijn eigen slaapkabinet. Door de dichte deur volgde hij haar bewegingen, hoorde hij haar zich uitkleden, het ritselen van haar kleren. Hij zonk in een stoel, staarde voor zich.
— Ik weet het, dacht hij, zijn ogen heel groot. Zij houdt van hem, hij van haar. Ik... ik hou niet meer van haar... Zij is mij nooit levensonmisbaar geweest... Ik heb me vergist... Ik heb het voor mijzelf niet geweten.
Hij sliep niet die nacht. De volgende dag, vroeg, zei hij tot Mathilde:
— Tilly... ik wou je spreken...
— Waarover...
— Over ons beiden.
Zij trok ongeduldig de wenkbrauwen.<noinclude></noinclude>
tmlglivhwypen2l5whf8cupyg78j290
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/744
104
69124
222835
189233
2026-06-04T13:20:21Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222835
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Waarom, zeide zij. Wij hebben zo dikwijls al zo gesproken. Het geeft niets. Het vermoeit me.
— Ja... je ziet er moe uit... slecht... Je voelt je niet gelukkig.
— Laat mijn geluk toch...
— Waarvoor zijn wij anders hier gekomen... Tilly... dan voor je geluk...
— Het is waar, zei zij vaag. Je deed dat voor mij. Het was lief van je...
— Maar het heeft niet gegeven...
— Neen... het gaf niet... Ook... ook is het beter...
— Wat...
— Dat je terug keert... naar Driebergen, Addy
— Juist, zei hij zacht.
Zij schrikte op.
— Wat meen je?
— Dat was mijn gedachte ook....
— Welke gedachte...
— Dat ik terug zou keren naar Driebergen...
Zij zag hem verbaasd aan.
— En ik? vroeg zij.
— Blijf hier... met de kinderen.
— Ik begrijp je niet
— Blijf in Den Haag... en blijf met de kinderen.
— En jij...?
— Ik ga... daarheen...
— Ik begrijp je niet, herhaalde zij.
— Ik meen het zo, Tilly, zei hij. Het is beter...
— Wat...
— Dat wij van elkaar gaan...
— Van elkaar...
— Misschien... Voor korte... voor langere tijd...
Zij staarde hem aan.
— Je wilt scheiden?
— Ik geloof het wel.
Zij staarde hem aan, altijd, slikte tranen op...
— Addy... hou je niet meer van me...
— Neen... zeide hij zacht.
Zij zag hem diep in de ogen, beledigd.
— Wat meen je?
— Dat ik niet van je hou. Niet meer. Om samen te leven. Ik vraag je vergiffenis, Tilly, als ik je leven heb bedorven. Als ik je leven heb gebroken. Ik hèb het bedorven... gebroken. Ik vraag je vergiffenis... als je me die geven kàn...
— Nog kort geleden... zei je, dat je van me hield.
— Ik dacht het toen zo... Ik wilde het zo.
— En nu?
— Nu... niet meer.<noinclude></noinclude>
69avypnlk926iljqwp9iu2h3qwkq8q3
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/745
104
69125
222836
189234
2026-06-04T13:20:43Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222836
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
Er was in haar de gekrenkte trots.
— Waarom heb je me dan gevraagd... tot je vrouw...
— Ja... dat was het.
— Wat ...
— De vergissing... Zeg mij, hou je nog van mij?
— Neen, zeide zij trots.
— Je ziet dus: het is beter...
— Te scheiden...
— Niet waar?
— De kinderen...? vroeg zij.
— Dat is mijn straf, zei hij zacht. Ze blijven bij je.
— Je vertrouwt me ze toe...
— Helemaal.
— Addy! kreet zij uit, en snikte.
— Je houdt nog een beetje van me... Tilly...
Zij snikte slechts.
— Maar niet meer zo als vroeger... verzekerde hij. Je houdt van Erzeele.
— Erzeele...?
— Ja...
— Hij is een vriend.
— Hij kan meer zijn... later... dwong hij zich te zeggen, en hij voelde toch de ijverzucht, omdat ze zijn vrouw was — nog nu...
— Addy, zeide zij. Ik heb schuld. Als ik me had weten te wennen... met jullie allen... te Driebergen... was ik gelukkig geweest.
— Ja... maar het is niet je schuld... dat je dat niet kon.
— Ik wil niet scheiden, zeide zij.
— Waarom niet?
— Ik wil niet... Voor mijzelf. En voor de kinderen.
— Voor de kinderen?
— Vooral voor hen. Neen, Addy... ik wil niet. Tenzij...
— Tenzij...
— Jij het wilt... voor jezelf. Om vrij te zijn. Om een ander te trouwen.
— Neen...
— Dan wil ik ook niet. Als je me dàt verzekert.
— Ik verzeker het je.
— Dan wil ik ook niet.
— Erzeele? vroeg hij.
— Neen... schudde zij het hoofd. Het is niet, dat wat de mensen zeggen.
— Wat zeggen de mensen?
— Dat hij mijn amant is. Dat is hij niet.
— Ik geloof je.
— Ik hou wel van zijn vriendschap... Maar ik zou zijn vrouw niet kunnen zijn.<noinclude></noinclude>
7un4wiw6qm70sbfcuif3o2jwxt9a1zl
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/746
104
69126
222837
189235
2026-06-04T13:21:25Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222837
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Waarom niet?
— Omdat ik je vrouw ben...
— Voel je je zo...
— Altijd.
— Arm kind! zei hij, ondanks zich.
— Waarom beklaag je me? vroeg zij trots.
— Omdat ik aan je misdaan heb. Omdat ik het niet goed kan maken.
— Je hebt niet misdaan aan mij. Wij hebben... indertijd veel van elkaar gehouden. Toen... dacht ik, dat ik je begreep. Nu... begrijp ik je niet meer. Je staat te hoog voor mij.
— Neen... ik sta niet hoog. Maar...
— Wat...
— Niets. Dus... Tilly... je wilt niet scheiden.
Zij zag hem angstig aan.
— Neen, smeekte zij.
— Goed kind, sprak hij zacht. Dan niet. Alleen... zoals het leven nu is... is het geen leven. Het is dus beter...
— Wat...
— Dat ik niet bij je blijf. Dat ik wegga.
— En ik...
— Je blijft hier. Hier in huis... waar alles is als je het wenst. Je blijft... met onze kinderen...
— Onze kinderen... stamelde zij.
— Misschien later...
— Later?
— Om onze kinderen... kunnen wij elkaar terugvinden... als zich alle vergissing heeft vereffend.
— Ik begrijp je niet.
— Misschien zal je het later begrijpen... Maar misschien ook... zal je van Johan Erzeele zó houden... dat...
Zij schudde het hoofd, staarde voor zich uit.
— Wij weten niets... zei Addy zacht.
— Neen, zeide zij peinzend. Ik weet niets... niets meer. Ik dacht... dat jij àlles wist!
— Ik weet... wel eens... voor anderen. Ik heb voor mij niet geweten.
— En... nu...
— Nu... weet ik beter... voor jou.
— Voor mij?
— Ja... nu weet ik, Tilly... dat het beter is voor jou... dat ik je verlaat...
— Voor altijd...?
— Misschien... Misschien voor lànge tijd... alleen...
— En de kinderen... Zal je niet naar ze verlangen? vroeg zij.
Zijn hart brak. Hij zei niets, knikte van ja... alleen.
— Maar ze zullen goed zijn... bij jou, Tilly, zei hij.
Ook haar brak het hart. Zij viel in een stoel, snikte.<noinclude></noinclude>
o4slc1s1deiskqtv2qjvuyjozoojenj
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/747
104
69127
222838
189236
2026-06-04T13:21:43Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222838
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Wees niet treurig, Tilly, zei hij. Er mòet een verandering komen. Blijven wij zo... dan zullen wij elkander gaan haten... Wees niet treurig om het afscheid... als je bedenkt... dat er geen eigenlijk samenzijn meer is.
— Je hebt gelijk, zei zij, koud. Dus...
— Je blijft hier. Je woont hier. Als je wilt.
— Jij...
— Ik... ik ga naar huis...
Haar ijverzucht voelde zij om hen allen, daarginds.
— Ze zullen je er troosten, zei zij bitter.
— Ja... antwoordde hij zacht.
— Als je niet van me houdt... viel zij uit; zullen ze niet lang behoeven te troosten.
— Ik zal verdriet hebben... omdat ik je leven bedorven heb... en omdat ik de kinderen niet meer zien zal.
— Mijn leven bedorven... zei zij trots. Dat heb je niet.
Hij zweeg.
— De kinderen... ging zij voort. Waarom zou je ze niet kunnen zien... wanneer je wilt...
— Zou je mij dat toestaan.
— Toestaan? Het zijn je kinderen. Ik heb niets toe te staan. Zelfs...
— Zelfs?
— Zou ik het niet goed vinden... als je ze niet dikwijls zag.
— Dan zal ik komen...
— Natuurlijk. Maar... hier blijven wonen... dat is te duur.
— Neen, dat is het niet. Ik... ik heb niets nodig... daar. Wat ik verdien is voor jou...
— Dat kan ik niet aannemen... zo.
— Jawel... voor de kinderen... Het is beter als alles zo blijft, Tilly.
— Goed, gaf zij toe. Alleen, Addy... een oplossing is het niet...
— Een oplossing kan er alleen zijn... als je weet, dat je zo veel van Johan Erzeele houdt...
— Neen... neen, dat doe ik niet...
— Dat je zo veel van hem zal houden...
— Ik weet het niet, ik weet het niet... en ik wil daarover niet spreken.
— Dat begrijp ik, Tilly. Dan... kan er nog geen oplossing zijn, niet waar. Wij weten dan ook niets van een oplossing. Ik geef je alleen, zo veel ik kan, je leven terug en jij doet mij hetzelfde. Later zullen wij zien wat het wordt. Het wordt alles vanzelf. Wat weten wij... Wij weten niets... voor ons. Het wordt alles vanzelf. Begrijp je?
— Neen...
— Je zal later begrijpen... Je zal hier wonen... met de kinderen; mij zal je nauwlijks zien. De kinderen... zal ik een<noinclude></noinclude>
elz6ypxgq41ij3na5735c9hmefbhun3
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/748
104
69128
222839
189237
2026-06-04T13:22:00Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222839
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>tijd niet zien... Het zal zijn of ik op reis ben. Ze zijn zo klein... o, ik hoop, dat ze mij niet zullen missen... en dat, àls ze me terugzien, ze toch mij nog herkennen... Je zal dus alleen... zijn met de kinderen... Misschien verlang je dan naar me, komt de liefde van vroeger weer op... Ook bij mij, misschien. Wij zullen zien. Het wordt... het wordt alles vanzelf en wij... wij weten niets... Over jaren misschien... leven wij weer rustig... met elkaar... en met onze kinderen. Of...
— Of...
— Je bent ver van mij... en hebt met een ander je geluk gevonden...
Zij sloeg de handen voor de ogen.
— Ik zie het niet... Ik weet het niet...
— Nu ben je eerlijk. Neen, je weet het niet... of je zo veel van Johan zal houden... En ik, ik wil ook eerlijk zijn: ik weet niet of ik weer van je zal houden gaan... Maar wij moeten wachten, Tilly... en het beste is dus... dat wij elkaar verlaten... en niet meer spreken met elkaar... voordat het van zelf geworden is... en wij wéten... Alleen zal je niet zijn... want zodra ik iets voor je doen kan... ben ik bij je... Ik zal je nooit vergeten.
— Zo is het misschien het beste, zei zij dof. Ik zal proberen het zo in te zien. Alleen te wonen, met de kinderen... Johan zal ik niet meer zien.
— Neen, neen... juist: je moet hem zien.
— Waarom?
— Om te weten... zwak zal je niet zijn.
— Neen, dat zal ik nooit...
— Je weet, wat hij voor je voelt.
— Hoe weet je.
— Dat weet ik... Je weet, wat hij voor je voelt... Maar je weet niet wat je voor hem voelt — Addy... o Addy...
— Spreek het niet tegen. Wees eerlijk. Dit zijn voor lange tijd... misschien de laatste woorden, die er tussen ons vallen... Ik ga nu weg
— Nu...
— Ja... Schrijf mij, als er iets is...
— Goed...
— Dag Tilly...
Zij zweeg, zag voor zich uit... de handen om de knieën. Neen, zij begreep hem niet, maar zij kon niet anders doen dan hij wilde.
Hij was gegaan, en plots voelde zij zich heel eenzaam. Zij hoorde hem boven pakken, stommelen in zijn kasten...
— Hij doet anders en hij spreekt anders, dan een ander, dacht zij nu, treurig. Scheiden... o, neen, ik wil het niet... als hij het niet wil voor zich... Ik, tenminste... nu nog niet... Neen,<noinclude></noinclude>
e9jnpn2uwccvm6v8qc2xznc91sexpdn
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/749
104
69129
222840
189238
2026-06-04T13:22:18Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222840
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>neen, toch nooit... O, ik weet het niet, ik weet het niet... Ik hou wel van Johan... nu, als ik vrij was... jong meisje nog... Maar... Addy... de kinderen... Ik weet het niet, ik weet het niet... Daarom juist meende Addy... dat het goed zou zijn... enige tijd... elkaar niet te zien...? Hoe zal hij de kinderen missen!... O God, gaat hij... gaat hij werkelijk?! Ja... ik hoor hem boven... pakken... Wat zullen de mensen zeggen... Het komt er niet op aan... Zeggen, dat hij studeren moet... daar... kalm te Driebergen... Zo... iets vinden... om de mensen te zeggen... ook al zullen ze begrijpen... Ik... ik kan niet meer naar Driebergen... O, hoe moet het worden, hoe moet het worden... Juist... dat weet Addy ook niet... Weet ik het — weet ik het?... Neen... o God... ik ook niet... Johan... hou ik van hem... zàl ik van hem gaan houden... nu ik minder van Addy hou...? Ik weet het niet... ik weet het niet... O, als ik mijn kinderen niet had... Nu... nu zou ik wensen... o God... nu zou ik zo gaarne wensen... om hem... voor mijn kinderen... daar ... in Driebergen... in het huis... bij hen àllen... gelukkig te kùnnen zijn... er terug te keren... er terug te keren?! Zàl ik er ooit terugkeren...? Zal ik later... toch Johans vrouw zijn... O, het is alles zwart... onduidelijk... Addy zegt, het wordt van zelf... Wij weten niets, zegt hij... Moet ik het zo laten worden... als het wordt... Maar wat zal het worden... O, Addy... die zo knap is... hij kan zelfs geen oplossing vinden...! Er is... er is nog geen oplossing! Zal er ooit een oplossing komen... O, als ik terug kon gaan... naar het huis... daarginds... Zou ik het ooit kunnen... Misschien na jaren...? Misschien toch nooit? Wie weet het? Houdt Johan... van mij... veel? Niet alleen... omdat hij mij mooi vindt... niet alleen... daàrom...?! O, zo alleen heeft Addy van mij gehouden... Nu weet ik het, nu weet ik het... met dàt idee alleen: gezonde kinderen... Nu... zijn wij nu gescheiden... gescheiden... voor altijd? Of... komen wij weer... bij elkaar terug...?? Zal het weer goed worden tussen ons... als tussen man en vrouw... Of niet... Ik hou wel van Johan... Hij is zo gewoon, zo eenvoudig: ik zou met hem... heel gelukkig... eenvoudig zijn geworden... zonder al dit... bedenken... van dingen... die ik niet grijpen... niet tasten kan... en die daar... in het huis... daarginds... in Driebergen... over mij zijn komen spoken... langzamerhand... O, als ik mij kon dwingen... zo, dat ik... daar weer leven kon...! Of zal ik dat toch nooit kunnen... En zal ik over twee, drie, vier jaren... Johans vrouw zijn... misschien... en de kinderen, de arme kinderen... aan Addy... aan hem alleen afstaan...
Nu snikte zij, niet wetende.
De dagen, de maanden, zouden voortweven lang en langer aaneen, voordat zij weten zou...<noinclude></noinclude>
sapu8bp0anvjyxzmi780y96oo96vwns
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/750
104
69130
222841
189239
2026-06-04T13:22:36Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222841
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
<section begin="s1"/>{{dhr}}
Er is een heilig weten voor onszelf... zo heilig, dat wij het weten alleen ... wanneer de toekomst geworden is.
{{dhr}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{c|{{larger|'''XVIII'''}}}}
De maanden weefden voort...
— Het is vreemd, zei Brauws; dat we in lange tijd niets van Addy hebben gehoord.
— In hoeveel dagen niet...? vroeg Constance vaag.
— Het wordt een week...
— Ja, het wordt zeker al een week...
— Zijn laatste brieven waren goed...
— Zou hem het reizen goed doen...
— Hij reist niet als een ander... In deze drie maanden, dat hij weg is...
— Ja... hij zal geleerd hebben... veel... voor zich... in zijn vak.
— Zijn brieven waren opgeruimd.
— Ik verlang nu erg... naar hem terug... Hoor de wind...
— Het is de herfst...
— De zomer is voorbij... Dat is ons eigenlijke weer... Kijk, hier uit mijn raam — zie je de wolken zo aankomen over de hei, als nooit beneden, omdat daar de bomen van de tuin alle uitzicht benemen.
— Hier is het soms als in Den Haag... de Kerkhoflaan.
— Maar wijder... wijder...
— En mooier...
— Kijk, ze komen aan... de wolken... Dat zal regen zijn... Dat is alles grauw en donker violet. Ik heb nooit zulk violet gezien... als in onze luchten hier...
— Nu kan je onder ze leven...
— Nu wel... Maar zó lang heeft het geduurd... dat ik eerst oud ben moeten worden... Nu ben ik oud... en nu is het goed... Kijk... kijk, de wolken drijven aan... Dat geeft storm...
— Dagen lang...
— O, ik verlang naar Addy... Hoe lang hebben we hem niet gezien... Drie maanden, niet waar... Drie maanden! Zo lang...! We verlangen allen naar hem...
— Zijn vader telt de dagen af... Arme Hans!
— Arme Henri... Zelfs mama zei verleden: waar is Addy...
— Zij herkent hem altijd...
— Ernst, Paul kunnen niet buiten hem...
— Op Alex heeft hij een goede invloed... de jongen maakt het heel goed...
— Ja... hij is zo kalm flink geworden... de laatste tijd.<section end="s2"/><noinclude></noinclude>
lr4jaw2pqa47zbui7rpfxp7ok7mjcj5
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/751
104
69131
222842
189240
2026-06-04T13:23:01Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222842
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Van Guy goede brieven... niet waar?
— Ja... Hoe lief van je, Brauws... zo belang... in ons allen te stellen!
— Ik leef met jullie... allen.
— Je hoort er bij.
— Het is als éen familie...
— Familie... Ja, er is wel familie... Vroeger dikwijls, dacht ik, dat het was een woord...
— Neen... het is er... alleen...
— Ja... ik begrijp je... Het wordt soms, als wijzelf niet jong meer zijn... Voor mama was het er... terwijl het voor ons... toen... Maar voor mama was het een illuzie... en...
— Voor ons... wèl werkelijkheid...
— In zo verre... wij dènken het... wij, oude mensen...
— Neen, neen, het is zo...
— Ik wil wel geloven, dat het zo is... Ja... Addy zal nu toch wel gauw komen.
— En dan...?
— Ik denk... hier blijven...
— En Mathilde?
— Daar... met de kinderen...
— Het is geen oplossing...
— Neen... Addy zegt...
— Dat dat worden moet...
— Later... vanzelf...
— Hij heeft misschien gelijk... Hoe is zij...
— Kalm... kalmer... Ik heb haar verleden gezien...
— Haar niet alleen laten.
— Neen... Dat doen wij niet... Jet is niet haar schuld... En zij is een goede moeder... voor haar kinderen...
— Neen... het is niet haar schuld.
— Ook niet... van Addy... het is onze schuld... van Henri en van mij.
— Waarom?
— O, dat voel ik zo... Het is alles onze schuld... Het is altijd de straf nog, die sleept.
— Neen, neen!
— O ja... Ons kind mòcht niet gelukkig worden... om ons...
— Neen...
— Je weet wel... dat jij ook... het toch zo beschouwt.
— Niet helemaal... Indien hij het geweten had voor zich...
— Hij kòn het niet weten... voor zich... omdat...
— Stil... Niet meer daarover... Er is wèl een weten... dat zo heilig is... Wie van ons weet het voor zich... Wij laten het àllen worden...
— Zie... hoe donker het wordt.
— Daar regent het...
— Dat striemt tegen de ruiten...<noinclude></noinclude>
l6ylqwwpuge69qjle1m20wuikibnjy3
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/752
104
69132
222843
189241
2026-06-04T13:23:34Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222843
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Zo vreemd, dat zelfs met zulk weer... het huis... deze kamer... niet somber is... voor mij...
— Er is wel wat genegenheid in huis... O, als Addy nu maar kwam! Als hij nu maar kwam. Zeg mij, Brauws... wat zou je denken... Hoe toch zou het worden... Zouden zij ooit weer terugkomen... tot elkaar... — Misschien... later...
— Je kan het niet zeggen... beslist...?
— O, neen...
— Geloof je, dat zij houdt van Erzeele...
— Het is moeilijk...
— Zij weet het zelf niet... O, verleden zei hij het mij zelf: zij weet het zelf niet... Zullen de kinderen haar terug houden...
— Wie zal het zeggen.
— Is het goed... dat Addy... het wòrden laat...
— Ja, dat is goed.
— Zeg mij... zeg het mij nog eens? Soms twijfel ik... Is het goed, dat Addy het worden laat...?
— Ja... ik geloof vast... dat dat goed is...
— Zal zij niet zwak zijn...
— Niet zwak, zó... Zij zal te strijden hebben... Zij zal zich te vinden hebben...
— O, als zij maar sympathisch zijn kon met ons... Als zij ooit terugkomt... o dan zweer ik het... dan zal ik maken...
— Wat?
— Niets... Ik dacht... dan hoop ik zo... dat het sympatisch zijn zal... tussen haar en ons allen... En vreemd... dat voel ik ook in alles... Dat willen wij allen... Als zij terugkomt... ben ik bijna zeker... dat wij — allen — veel zullen doen... om haar te winnen...
— Gelukkig te maken...
— Als zij terug komt... Wat zou het heerlijk zijn... als zij terug kwam ... met de kinderen...
— Heerlijk...
— Ik bedoel: goed... ja heerlijk... Levens, eenmaal in elkaar gestrengeld...
— Ja... dat trekt zich slecht uit elkaar... En Hans...
— O zelfs hij! Zelfs hij... zal proberen...
— Wie weet... Misschien wordt het eenmaal zo...
— Nu... nu is er nog niets van te zeggen...
— Neen... niets...
— Het is alles nog... geheim... donker...
— Hoor de regen...
— De lucht is zwart...
— Hoe laat is het nu...
— Bijna etenstijd...
— Daar gaat de bel...
— Kom... willen we naar beneden gaan...<noinclude></noinclude>
7kbnf8lrm4k844vsyt2dyikokk40lwu
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/753
104
69134
222844
189243
2026-06-04T13:24:02Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222844
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
Zij gingen, de donkere trappen af. De wind huilde om het huis. In de serre van de achterkamer zat de oude vrouw aan het raam, toen Constance en Brauws binnenkwamen.
— Het waait, zeide zij. Er vallen... in de tuin... grote takken...
— Heeft u het hier niet te koud, mama...
De oude vrouw verstond niet, en Constance legde haar een shawl om de schouders.
— Zal u naar binnen gaan, als u het te koud heeft... mama...
De oude vrouw knikte, zonder te verstaan... Zij bleef daar zitten. Zij had al iets gegeten, geholpen door Marietje: aan tafel kwam zij nooit.
De tweede bel ging.
— Kom, zei Constance.
Er was ook Paul, en hij lette op, hoe treurig Van der Welcke er uitzag.
— Wat is er? vroeg hij.
Van der Welcke sneed het vlees.
— Ik vind het ellendig... om vlees te snijden, zei Van der Welcke. Vroeger deed Addy het... of Guy.
— Ik heb het nooit gekund, zei Paul, inwendig bang voor jus.
— Geef het mij, Hans, zei Brauws.
Het was aan tafel stil: de wind huilde buiten.
— Het gas brandt slecht, zei Constance.
— Wat gaat die Mary er hier nu goed uitzien! zei Paul. Nu, krijg maar geen kleur, je oude oom mag dat wel zeggen...
— Nu, oom Paul, mijn jeugd loopt al naar de dertig toe.
— En Klaasje, zei Paul; kind, je eet als een groot mens.
— Ik eet nu netjes, niet waar, tante, zei grote Klaasje trots. Constance knikte haar toe, met een lachje.
— Alleen Gerdy... die doet het niet, dacht Paul. Wat ziet ze er bleekjes uit... Ach, later misschien komt het alles terecht... voor het arme kind... Hij... of een ander. Liefde... dat is wel vreemd. Ik heb dat nooit gevoeld...
Hij voelde zich rillen, en zei:
— Het is koud, vandaag, Constance...
— Ja... we zullen morgen stoken.
— Het waait buiten bar. Wat tocht het toch... Je zou zeggen, dat het tocht door het huis... Wat zeg je ervan, Ernst?
Ernst zag op.
— Het tocht niet, zeide hij. Ik heb het warm. Jullie voelen altijd dingen, die niet zijn...
— Waarom is het zo somber, vandaag, vroeg Adeline, als wakend uit een droom.
— Het gas brandt slecht, zei Constance.
— Truitje, zei Van der Welcke. Draai eens de sleutel van de gasmeter goed open.
— Grootmama was heel moe, vandaag, meende Marietje.<noinclude></noinclude>
gtg4g19a8fcg50vrwlrd6047hlt7jao
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/754
104
69135
222845
189244
2026-06-04T13:24:20Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222845
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Grootmama heeft bijna niets gegeten, zei Adèletje.
— Zij wordt heel oud, zei Constance treurig.
Het maal sleepte voort; nauwlijks wisselden zij enkele woorden.
— Wij zijn toch gezellig, zo samen, zei Constance vertederd. Ach, ik wou, dat Dorine hier kwam wonen.
— Ze wil niet, zei Paul.
— Neen, ze wil niet...
Buiten rolde een rijtuig aan, rolde de tuin binnen...
— Hoor! zei Constance.
— Dat is Addy!! zei Van der Welcke.
— Maar hij heeft niet getelegrafeerd!
Gerdy was opgestaan, zij vloog naar buiten, liet de deur open. Een koude tocht woei. Zij stonden allen op. De bel was overgehaald. Truitje opende.
— O, Addy, Addy! riep Gerdy uit. Ben je daar? Ben je daar eindelijk?? Wij missen je zo vreselijk!
Hij was het. Zij stortte zich in zijn armen, en omhelsde hem, snikkend. Zij verwelkomden hem allen, zij voelden de tocht niet, zij hoorden de wind niet. Nu aten zij nauwlijks, haastten af het maal.
— In de voorkamer is het warm! zei Constance; kom mee. Ik weet niet, waarom de eetkamer zo kil is.
— Wij zullen morgen de vulkachel laten aanmaken, zei Van der Welcke.
Zijn gelaat was geheel verhelderd.
— Laat mij eens zien, hoe je er uit ziet, kerel...
Hij was zo ontroerd, de vader, dat hij tranen in de ogen kreeg. En zij lieten hem allen alleen, met Van der Welcke, voor, terwijl in de achterkamer, flauwtjes verlicht, de oude vrouw scheen te slapen.
— Hoe gaat het, mijn jongen...
— Goed, vadertje...
— En nu... nu blijf je hier?
— Ja... ik blijf... bij u allen...
— Ja... je hoort hier thuis. En je vrouw...
— Wij zullen zien... Dat zal worden...
— Dus omtrent Mathilde... nog niets zekers?
— Neen... niets zekers... Ik schrijf haar eens in de maand, zij mij veel, over de kinderen. Zij is goed voor ze.
— Dus... van scheiden... nog altijd geen sprake?
— Neen... geen sprake. Misschien... later... wordt het goed tussen ons. Misschien... ook voelt zij, dat zij vrij zijn wil — trots de kinderen.
Zij dachten beiden aan Erzeele.
— Dus je weet nog niets.
— Neen... nog niets. Het wordt. Het moet eerst worden.
— ie je, mijn kind. Ik, ik ben anders. Ik, ik had met Erzeele<noinclude></noinclude>
188stxsx7rvo7dxonlb9sm0j6ktsfz9
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/755
104
69136
222846
189245
2026-06-04T13:24:46Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222846
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude>geduelleerd. Ik was gescheiden van mijn vrouw... als ze niet van me hield, als ze hield van Erzeele.
— Ja, vader, zo ben je, dat weet ik. Ik, ik ben anders.
— Je bent beter.
— Neen, dat niet. Maar wat ik ook ben... Ik ben vooral je kind.
— Jij, mijn kind? Je bent mijn kameraad... mijn vriend altijd geweest.
— En als ik nu eens wilde zijn... je kind...? Ik kom terug... heel moe en heel treurig, omdat ik voel, dat ik heel veel schuld heb.
— Er is niets gebeurd.
— Neen...
— Wat is er gebeurd, niets. Je denkt te veel. Nu moet je zoeken... je eigen geluk. Egoïst-weg.
— Misschien... als ik dat kan. Misschien wordt het dan ook het geluk van Mathilde. We zullen zien. Maar wijs voel ik me niet. Weten doe ik niet. En ik voel me nu... niet je kameraad... maar je kind, vader. Alsof ik het voel voor het eerst.
— Vroeger wist je het.
— Voor jou, vadertje, voor mama. En nu... nu...
— Nu ben je mijn kind...
— Ja...
— Mijn grote jongen.
— Vader...
Van der Welcke stond voor hem; hij zat. En in zijn handen nam Van der Welcke het hoofd van zijn zoon.
— Vader, zei Addy. Als je wist... hoe innig ik van je hou. Mijn gevoel is misschien alleen voor mijn ouders... en voor mijn kinderen. En niet voor een vrouw.
— Je bent vreemd aangelegd, zei Van der Welcke. Maar het is niet jouw schuld. Het is de schuld van je ouders.
— Als je wist... herhaalde Addy; hoe innig ik van je hou. En van mama Ook een beetje van hen allen hier... Als ik mijn kinderen hier had, dan... Misschien... misschien... dat ze... later... heel later... terugkomen... met Mathilde... Zie je... als dat gebeurt... dan moeten wij... àllen... anders tegen haar zijn.
— Ja, mijn kerel...
— Proberen...
— Ja, mijn jongen, ik vat je. Wij zullen het àllen doen... om jou...
— Zie je... ze is mijn vrouw. Ik... ik ben de schuld van alles. Als je het proberen wilt, vriendelijk...
— Ja...
— Als ze terug komt... Misschien komt ze niet...
— Zou je het graag hebben?
— Ja... ik zou het graag hebben. Ik kan mijn kinderen niet missen... zo.<noinclude></noinclude>
mkaoju8n5bn1yecuhxacr9hw02kbf95
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/756
104
69137
222847
189246
2026-06-04T13:25:03Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222847
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Maar je zal ze wel eens zien... nu en dan.
— Ja... Dus... als ze terug komt... dan beloof je me... vadertje
— Dat ik het zal proberen...
— En als ze het allen proberen... dan... dan zou ik zo gelukkig zijn...
— Ja... ze zullen het kunnen... om jou... Maar zij...
— Als ze terug komt... dan... dan geloof ik wèl... dat zij geleerd zal hebben... het ook te proberen... enige sympathie voor ons te voelen.
— Je moet niet boos zijn, Addy, dat het niet dadelijk zo is geworden... Ze is zo anders dan wij... wij allen.
— Ja... het is mijn schuld...
— Nu ... maar niet daarover zo denken en tobben, mijn jongen.
— Neen vader...
— Zie je... nu proberen wat gelukkig bij ons allen te zijn... Te werken ... je werk hier opnieuw te hervatten, nietwaar.
— Ja, juist...
— En het dan stilletjes... zo laten worden... zo als je het zegt. Zal het je veel verdriet doen... als zij Erzeele...
— Ja... Omdat ik dan nog meer mijn schuld zal voelen tegenover haar... En om mijn kinderen.
— Misschien wordt het wel... goed... later, mijn jongen...
— Misschien...
— Nu kalm dat alles beschouwen... er niet over tobben... En rustig je werk hier doen.
— Ja, vader... O, ik voel, je bent mijn vader!
— Misschien voor het eerst... Een zware rol voor je kwajongen van een vader.
— Je bent geen kwajongen... Je bent...
Hij stond op, omhelsde hem.
— Druk me niet dood, zei Van der Welcke. Sterk ben je nog wel. Je ziet er ook goed uit. In je ogen is weer iets van belang stellen, al zijn ze somber. En rustig waren ze altijd... Je hebt in het buitenland veel gezien...
— Veel ellende... maar ook veel pogen...
— Juist... Doe wat je kunt, hier... eenvoudig-weg... in je omgeving. O, kerel, wat ben ik blij, dat je terug bent...
Gerdy zag in de deur.
— Mogen wij nu binnenkomen... Oom Hans, u accapareert zich van Addy...
— Zo, kleine...
Addy nam haar de handen.
— Zal je sterk zijn, Gerdy?
Zij snikte, lachte door tranen heen.
— Ik heb al die tijd geprobeerd, het te zijn, Addy... fluisterde zij. Zonder jou...<noinclude></noinclude>
tt3ltdi2rdwjsyq8c4ysxm3wk123br6
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/757
104
69138
222848
189247
2026-06-04T13:25:27Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222848
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Je weet... het eerste leed is geen leven...
— Neen... dat zeg je...
— En dat moet je geloven... dat moet je rust geven... Toekomst is er zó ruim nog...
— Ja... O, Addy, Addy... zonder jou...
— Wat...
— Was ik gestorven! Ik heb zo geleden... ik heb zo geleden...
— En leed, dat zie je om je heen... zo veel... Maar het eerste leed...
— Is geen leven... zo zeg je...
— En zo moet je het geloven.
— Ja...
Constance kwam binnen...
— Ik mag mijn jongen niet hebben... vanavond... schertste zij.
Hij omhelsde haar heel vast.
— Je hebt hem voor altijd nu...
Zij snikte.
— Arm kind... heb ik je dan niet verloren...
— Verloren... Waarom?
— Een zoon...
— Bang ben je altijd geweest... dat je me zou verliezen. En verloren heb je me nooit...
— Neen, nooit... Zeg kind, heb ik schuld? Ik heb schuld, niet waar...
— Waaraan?
— Aan Mathilde.
— Neen, je hebt niet schuld... Maar, als zij terug komt... later... met de kinderen, mama, laat ons dan proberen ...
— Ja kind, ja...
— Niet waar? Laat ons dan proberen... haar zo veel tegemoet te komen...
— Ja, ja... ik zal het proberen...
— En wij allen.
— Ja, wij allen.
— Niet waar, Gerdy... wij allen...
— Wat zeg je, Addy?
— Ik zeg, Gerdy... Als Mathilde terug komt ... later...
— Ja...
— Zou je dan willen proberen... met ons allen... met papa... met mama... met ons allen... haar zo véel tegemoet te komen, dat zij...
— Ja... o Addy... ja! Ik zal het proberen!
— Niet waar...
— O ja... als zij terug komt... dan zal ik het proberen, dan zal ik het proberen Addy...
— O mijn kind, hoor hoe het waait...<noinclude></noinclude>
ckz0em0o8pgthwsvpznucjt6iiebvdv
Pagina:Couperus, De boeken der kleine zielen (1901-1903).djvu/758
104
69140
222849
189249
2026-06-04T13:25:46Z
WeeJeeVee
2844
/* Gevalideerd */
222849
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="WeeJeeVee" /></noinclude><nowiki />
— Dat is onze wind, mama...
— Ja... altijd...
In de achterkamer waren Marietje, Adèletje nu binnengekomen, en Adeline, Emilie volgden haar.
— Waarom is het hier zo donker... vroeg Marietje.
— Grootmama zit wat te dutten.
— Wij moeten haar brengen... naar bed, zei Constance.
Adèletje draaide het gas hoger.
— Tante!! riep Marietje uit, verschrikt.
— Wat is er, kind...
— O, tante... tante... kom hier!!
Constance kwam, Addy, Gerdy...
— Is grootmama... is grootmama...? stamelde Marietje ontzet.
{{c|— — — — — --— — — -— — — — — — — — — — }}
Zij zagen allen naar de oude vrouw. Zij zat als gewoonlijk, stil in haar grote stoel, de gerimpelde aderige handen gevouwen in de zwarte schoot. Het hoofd rustte achterover, wit in het witte haar omlijst. Zij wist véel heilig weten en haar oude mond glimlachte er om, bemoedigend...
{{gap|3em}}Nice,<br>
Jan. — Aug. 1902.<noinclude></noinclude>
ggjtq0t8sdp59b7bssbwfqwsmbtyjzk
Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Philips Wouwerman
100
81571
222865
215281
2026-06-04T19:36:18Z
Vincent Steenberg
280
+bron
222865
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox thema
| naam = Philips Wouwerman
| afbeelding = Philips wouwerman zelfportret-red-chalk.jpg
| alt = Zelfportret, ca. 1640
| beschrijving = Bronnen bij de Noord-Nederlandse schilder en tekenaar [[w:nl:Philips Wouwerman|Philips Wouwerman]]
}}
== Algemeen ==
== Inleidingen - Hand- en leerboeken ==
*Anoniem (25 februari 1940) [[Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 63/Nummer 22259/Beroemde Haarlemmers|‘Beroemde Haarlemmers’]], ''Nieuwe Haarlemsche Courant'', [p. 3].
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Philip Wouwerman|“Philip Wouwerman”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 69-76.
== Verzamelen - Musea - Tentoonstellingen ==
=== Verzamelen ===
==== Kunsthandel ====
*J.W. (12 april 1937) [[Arnhemsche Courant/Jaargang 124/Nummer 15586/Kunstzaal Fa. D. Katz te Dieren|‘Kunstzaal Fa. D. Katz te Dieren. Wederom aanwinsten’]], ''Arnhemsche Courant'', tweede blad, p. 3.
==== Veilingen ====
;1697
*Anoniem (11 mei 1697) [[Oprechte Haerlemsche Courant/Jaargang 1697/Nummer 19/Men is van meeninge, op Vrydag, den 17 Mey, 1697, by openbare Opveylinge te verkopen|‘Men is van meeninge, op Vrydag, den 17 Mey, 1697, by openbare Opveylinge te verkopen [...]’]], ''Oprechte Haerlemsche Courant'', [p. 2].
;1758
*''Catalogue de Tableaux de Cabinet de feu ... Robyns'' ..., Brussel, 22 mei 1758 ''sqq.''<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (4 mei 1758) [[:s:fr:Avis au Public le 22 May 1758, et jours suivants on vendra à Bruxelles (…)|‘Avis au Public le 22 May 1758, et jours suivants on vendra à Bruxelles […] [advertentie]’]], ''Amsterdamse Donderdagse Courant'', [p. 2].
;1837
*Anoniem (14 april 1837) [[Leydse Courant/1837/Nummer 45/Frankrijk|‘Frankrijk’, alinea 2]], ''Leydsche Courant'', [p. 2].
;1925
*''Ancient and Modern Pictures from the Collection of Henry Weigall'', Christie's, Londen, 6 juli 1925.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (3 juli 1925) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 82/Nummer 182/Avondblad/Veilingen|‘Veilingen’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad C, p. 1.
=== Musea ===
;Musée du Louvre, Parijs
*Anoniem (1834) ''Notice des tableaux exposés dans le Musée Royal'', Paris: Vinchon, fils et successeur de mme. ve. Ballard, p. 132-134, cat.nrs. 806-816.<br>Aankondigingen en recencies:
**Anoniem (21 augustus 1834) [[Bredasche Courant/1834/Nummer 198/Frankrijk|‘Frankrijk’]], ''Bredasche Courant'', [p. 3].
;Rijksmuseum Amsterdam
*Anoniem (1809) ''[[Catalogus der schilderijen, oudheden enz. op het Koninklijk Museum te Amsterdam]]'', Amsterdam: Gebroeders van Cleeff, p. 83-86, cat.nrs. 352-361.
*Anoniem (1830) ''[[Aanwijzing der schilderijen, berustende op 's Rijks Museum, te Amsterdam (1830)|Aanwijzing der schilderijen, berustende op 's Rijks Museum, te Amsterdam]]'', [s.l.: s.n.], p. 79-82, cat.nrs. 356-364.
*Dubourcq, P.L. (1858) ''[[Beschrijving der schilderijen op 's Rijks Museum te Amsterdam|Beschrijving der schilderijen op ’s Rijks Museum te Amsterdam met Fac Simile der Naamteekens]]'', Amsterdam: Frans Buffa & Zonen, p. 164-168, cat.nrs. 364-372.
=== Tentoonstellingen ===
;1872
*''Tentoonstelling van zeldzame en belangrijke schilderijen van oude meesters. In de kunstzalen der Maatschappij „Arti et Amicitiae.” Ten behoeve van het Weduwen- en Wezenfonds'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 12 april 1872-....<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (14-15 april 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 89/Amsterdam, 12 April|‘Amsterdam, 12 April’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', bijvoegsel, [p. 1].
;1881
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
;1894
*''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies:
**Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p. 1-2].
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal beeldende kunst]]
ewf0bx4cx1p2knjgy427keuq08y0p2n
Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Pieter Wouwerman (II)
100
83907
222866
216287
2026-06-04T19:37:56Z
Vincent Steenberg
280
+bron
222866
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox thema
| naam = Pieter Wouwerman (II)
| afbeelding =
| alt =
| beschrijving = Bronnen bij de Noord-Nederlandse schilder en tekenaar [[w:nl:Pieter Wouwerman|Pieter Wouwerman (II)]]
}}
== Algemeen ==
== Inleidingen - Hand- en leerboeken ==
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Philip Wouwerman|“Philip Wouwerman”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 69-76, met name 75-76.
== Verzamelen - Musea - Tentoonstellingen ==
=== Verzamelen ===
==== Veilingen ====
;1877
*''Catalogue de tableaux anciens de premier ordre des écoles hollandaise et flamande provenant de différentes successions vente à Amsterdam à hôtel "De Brakke Grond" le mercredi 16 mai 1877'', Van Pappelendam & Schouten, Amsterdam.<br>Uitslagen:
**Anoniem (17 mei 1877) [[Algemeen Handelsblad/1877/Nummer 14517/Uitslag der veiling|‘Uitslag der veiling van oude schilderijen op heden, in „de Brakke Grond” alhier. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', [p. 3].
;1886
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
=== Musea ===
;Musée du Louvre, Parijs
*Anoniem (1834) ''Notice des tableaux exposés dans le Musée Royal'', Paris: Vinchon, fils et successeur de mme. ve. Ballard, p. 134, cat.nrs. 817.<br>Aankondigingen en recencies:
**Anoniem (21 augustus 1834) [[Bredasche Courant/1834/Nummer 198/Frankrijk|‘Frankrijk’]], ''Bredasche Courant'', [p. 3].
;Rijksmuseum Amsterdam
*Anoniem (1809) ''[[Catalogus der schilderijen, oudheden enz. op het Koninklijk Museum te Amsterdam]]'', Amsterdam: Gebroeders van Cleeff, p. 86-87, cat.nrs. 362-364.
*Dubourcq, P.L. (1858) ''[[Beschrijving der schilderijen op 's Rijks Museum te Amsterdam|Beschrijving der schilderijen op ’s Rijks Museum te Amsterdam met Fac Simile der Naamteekens]]'', Amsterdam: Frans Buffa & Zonen, p. 169, cat.nr. 373.
=== Tentoonstellingen ===
;1881
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal beeldende kunst]]
qm5v9cncctmdmt465ix2g92r6dea22k
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/224
104
83964
222851
216404
2026-06-04T18:02:51Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
222851
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilderessen''.|191}}</noinclude><section begin="s1"/>bers van de Konst was, en gelegentheit vont om over het schoone, de ziel van de Konst, te spreken.<br>{{gap}}Hy is tot Alkmaar gestorven, ongetrout, na dat hy acht of tien jaren daar gewoont, en weinig geschildert had.
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{gap}}In die zelve Jaar 1627 werd tot Haarlem geboren {{sp|....}} ROESTRATEN. Deze heeft de Konst geleert by Frans Hals, wiens Dochter hy ook naarmaals getrout heeft: de zelve welke den potzigen Adriaan Brouwer, wanneer zy noch jong was, bescheet, en die van Brouwer weer bescheten werd. Mic. Carreé die in den jare 1695 in Engelant woonde, en gemeenzamen omgang met hun hield, heeft my gezegt, dat hy ’t dus uit hun beider mond, dikwils om de klucht, heeft hooren verhalen. Dat de Vrouw van F. Hals, iets anders te doen hebbende, aan Brouwer, die toen nog jong was, en by F. Hals de konst leerde, belaste het kint te torschen op dat het onderwyl niet kryten zoude. Brouwer sprong daar mee om zoo hy best kon, en droeg het dan op zyn arm, dan op zyn schouders om het zelve te stillen, en schokte het zoo lang dat het hem eindelyk van boven tot onderen bevuilde. Brouwer dus bestelt, ley het kind op den vloer, streek zyn broek af, en betaalde het zelve met gelyke munt. De Vrouw daar op inkomende ziende dit klugtig bedryf aan, vraagde wat hy dee? die hy tot antwoord gaf: ''Wy beschyten malkander''.<br>{{gap}}{{sc|Roerstraten}} was een braaf schilder van pourtretten en stillevens, inzonderheit Zilverwerk, Schotels, Vazen, Schalen enz, die hy zoo natuurlyk door ’t Penceel wist na te bootzen, dat het natuurlyk Zilver scheen te wezen. Aan het laatste<section end="s2"/><noinclude>{{rechts|hielt}}</noinclude>
id85e8xeh9a5n1ci8ejyf990p0krea5
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/179
104
85159
222919
218688
2026-06-05T09:07:16Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222919
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr|2}}
{{c|{{x-larger|DE WORTELS DER PLANTEN;}}
{{x-smaller|DOOR}}
{{larger|[[Auteur:Nicolaas Willem Pieter Rauwenhoff|{{sc|N.W.P. RAUWENHOFF.}}]]}}}}
{{dhr|2}}
{{rule|5em}}
{{dhr}}
Van oudsher heeft de kruidkunde den naam gehad van ''scientia amabilis'' of beminnelijke wetenschap, en met zeker welbehagen hebben hare beoefenaars zich dien naam toegeeigend, zoodat bijna in elke redevoering over botanische onderwerpen de plantenkunde als de liefelijke wetenschap wordt aangeprezen.
De oorsprong van dien naam zal wel gezocht moeten worden in hooge ingenomenheid met de schoonheden van dit deel der natuur, want bij den grooten {{sc|linnaeus}}, van wien de benaming afkomstig is, kan men geene andere drijfveer onderstellen. Maar de bijval aan dien naam geschonken is niet zoo zeer een gevolg van open zin voor de schoonheden der kruidkunde, als van het aanlokkelijke, waardoor het bevallige plantenkleed elken regtgeaarden mensch weet te boeijen. Geen twijfel of de fraaije, bevallige bloemen hebben dien naam het burgerregt geschonken. Kleurenpracht, rijkdom van vormen, aangename geuren, fijn en teeder maaksel, in één woord, al wat de zinnen streelt en den smaak veredelt, is hier vereenigd. Immers wordt niet in overdragtelijken zin door de bloemen het edelste, het beste, door<noinclude>{{rh|{{gap|2em}}1863.||11{{gap|2em}}}}</noinclude>
t8i14hgavyohvhwk3mqe1fnsob7uwf5
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/210
104
85160
222942
218689
2026-06-05T09:58:51Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222942
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr}}{{c|{{larger|ACCLIMATISATIE VAN ALPACAS IN AUSTRALIE.}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
In het jaar 1858 bragt zekere heer {{sc|legder}} eene kleine kudde alpacas (''Auchenia alpaca'') uit Peru naar Australië en legde daarvan eene fokkerij te Arthursleigh in Nieuw-Zuid-Wales aan. Dit nuttige, aan de lama verwante dier, dat men reeds in Europa op onderscheidene plaatsen vruchteloos getracht heeft te acclimatiseren, schijnt in Australië zeer goed te gedijen en daar bij eene geschikte behandeling zelfs eene betere wol te leveren dan in zijn vaderland. De heer {{sc|ledger}} kreeg voor zijne op de laatste wereld-tentoonstelling te Londen geleverde wol eene medaille en voor talk en pomade, die hij uit de alpacas gewonnen had, eene eervolle vermelding. Dit schijnt de opmerkzaamheid gewekt te hebben; de regering van Nieuw-Zuid-Wales heeft zich nu de zaak meer aangetrokken en heeft een terrein van 25 vierk. Eng, mijlen bij Arthursleigh tot de kweeking van alpacas bestemd. Maar bovendien hebben de regeringen van Peru en Bolivia het verbod tegen den uitvoer van alpacas, dat tot dusver streng gehandhaafd werd, opgeheven, zoodat deze dieren van nu af, tegen een regt van tien dollars het stuk, in zoo groote hoeveelheid als men wil uit hun vaderland kunnen worden uitgevoerd. Reeds moeten meer dan drieduizend stuks ingescheept zijn geworden, waarvan 500 naar Melbourne, 300 naar Tasmania, andere transporten naar Algiers, Frankrijk, Natal, Kalifornië en Schotland bestemd zijn.
(Uit {{sc|petermann's}} ''Geogr. Mitth''., 1863, III, S. 103).
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude>
hqkplraudaj3hsvprd6g9u63sgx9z4d
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/174
104
85170
222914
218701
2026-06-05T08:56:53Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222914
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|156|UIT HET LAND VAN DEN GORILLA.|}}</noinclude><section begin="gorilla"/>geworden, dat zijne werkzaamheden als natuurkenner zeer de opmerking verdienen, en dat hij zich gedurende zijn verblijf in Afrika de genegenheid der inboorlingen en de achting van hen, die 't meest achting verdienen, te weten der zendelingen, verworven heeft. En men veroorlove een bescheiden mede-arbeider zijn leedwezen te betuigen, dat de heer {{sc|du chaillu}}, uit dwaze ijdelheid, of gevolg gevende aan slechten raad, beproefd heeft kunstmatige bloemen te vlechten in den lauwerkrans, dien hij met inspanning en eerlijk verdiend heeft."
{{sc|Du chaillu}} doet denken aan {{sc|le vaillant}}, den hoogst verdienstelijken ornitholoog en ijverigen jager en verzamelaar, die, zoo lang hij zich op zuiver natuur-historisch terrein beweegt, volkomen te vertrouwen is, maar in wiens reisverhalen waarheid en verdichting zoo aardig dooreen gemengd zijn, dat men ze moeijelijk van elkander kan onderscheiden. Ook hij schreef de verhalen zijner beide reizen in Zuid-Afrika niet zelf; een zekere ''abbé'', wiens naam mij ontgaan is, stelde ze uit de aanteekeningen van den reiziger zamen, en tooide ze op met de uitvindingen zijner eigene verbeelding. {{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
{{lijn|5em}}
{{dhr}}
<section end="gorilla"/>
<section begin="oorzaak"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|OVER DE OORZAAK VAN DE JAARLIJKSCHE OVERSTROOMING DES NIJLS.}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
Opmerkelijk is het, dat men het over de ware oorzaak van de jaarlijksche overstrooming des Nijls nog niet eens is geworden. De laatste theorie, die daarvan te berde is gebragt, is in 1859 door {{sc|murchison}} voorgesteld geworden. {{sc|Murchison}} houdt het door kapitein {{sc|speke}} ontdekte meer Nyanza, welks zuidelijkste grens op 2° 30' Z.Br. en 33° 30' O.L. ligt, en dat, gelijk de inboorlingen verzekeren, zich 300 mijlen ver noordwaarts zou uitstrekken, voor de eigenlijke bron van den Nijl, en de overvloedige ontlasting van water uit dit meer, gedurende den regentijd, zou de oorzaak zijn van de jaarlijksche overstrooming dier rivier.
De heer {{sc|w. ferrel}}, van Cambridge in Massachusets, brengt tegen deze theorie in, dat, volgens kapit. {{sc|speke}}, het regensaizoen een weinig<section end="oorzaak"/><noinclude></noinclude>
sie9xeeohk9e5o9ktg63veopzkc75gr
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/175
104
85171
222915
218702
2026-06-05T08:58:49Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222915
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||OVER DE OORZAAK VAN DE JAARL. OVERSTROOMING DES NIJLS.|157}}</noinclude>bezuiden het meer Nyanza van November tot Maart plaats grijpt, en dat dit saizoen dus ter plaatse van het meer zelf ook omstreeks dien tijd heerschen moet. Daarentegen begint het water in het laagste gedeelte des Nijls eerst in het laatst van Junij te rijzen. Dat echter het water omstreeks zeven maanden werk zou hebben om van het ongeveer 4000 voet boven de oppervlakte der zee gelegen meer het laagste gedeelte des Nijls te bereiken, en dus nog minder dan ééne mijl per uur zou afleggen, is, in aanmerking genomen wat men van de snelheid van den loop des waters in andere rivieren weet, volstrekt niet aan te nemen.
In hetzelfde, in ''The American Journal of Science and Arts'' (Januarij 1863, pag. 62) geplaatste opstel, waarin de heer {{sc|ferrel}} de theorie van {{sc|murchison}} wederlegt, stelt hij tevens eene andere theorie voor, die ik hier kortelijk zal mededeelen.
Het is bekend, dat de aarde, digt bij den aequator, waar de noordoostelijke en zuidoostelijke passaten elkander ontmoeten, omgeven wordt door een regengordel, waar dagelijks eene verbazende hoeveelheid water uit de wolken nedervalt. In de streek der passaten aan weêrszijde van dien gordel valt zeer weinig regen; de waterdampen worden door den wind steeds weggevoerd naar de plaats waar de beide passaten elkander ontmoeten, worden daar door de opstijgende luchtstroomen naar de koude gewesten des dampkrings omhoog gedreven en vallen van daar, tot regen verdigt, op de aarde neder. Met de saizoenen verandert die regengordel van plaats, over eene uitgestrektheid van ongeveer 1000 mijlen breedte; zijne noordelijkste stelling valt in het midden des zomers, zijne zuidelijkste in het midden der winters, — wel te verstaan des zomers en winters van het noordelijk halfrond. Overigens worden de uitgestrektheid der verplaatsing, de breedte van den gordel en de hoeveelheid des regens zeer gewijzigd door plaatselijke omstandigheden, b.v. vaste landen, maar vooral door hooge bergen. In den Atlantischen Oceaan ligt het midden des gordels in zijne noordelijkste stelling op omstreeks 12° N.Br., in zijne zuidelijkste een weinig bezuiden den aequator, en zijne breedte bedraagt ongeveer 8 graden.
Wanneer nu in Zuid-Amerika de regengordel omstreeks het begin van Augustus zijne noordelijkste stelling bereikt heeft, wordt dit de<noinclude></noinclude>
r1rfbsp7ephmy0pu2kf1tmdvhxjmcuw
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/176
104
85172
222916
218703
2026-06-05T09:00:47Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222916
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|158|OVER DE OORZAAK VAN DE JAARL. OVERSTROOMING DES NIJLS.|}}</noinclude>oorzaak van de overstrooming van den Orinoco, welke overstrooming aan den mond der rivier in September haar maximum bereikt. Is de gordel in het begin van Februarij in zijne zuidelijkste stelling, dan ontvangen de stroomen, die zich in de Amazonen-rivier uitstorten, zoo veel water, dat die rivier buiten hare oevers treedt, en die overstrooming klimt aan den mond der rivier omstreeks het laatst van Maart tot haar hoogste punt.
Ter plaatse van het zuidelijkst gedeelte van het meer Nyanza, weten wij, dat de regentijd van November tot April duurt. Naar aanleiding van hetgeen wij van de verplaatsing van den regengordel in meer bekende streken der aarde weten, mogen wij veilig aannemen, dat in dat gedeelte van Afrika die gordel van Mei tot November tusschen de paralellen van omstreeks 5° en 17° N. Br. moet gelegen zijn. En nu ligt vooral tusschen deze breedten het groote stroomgebied, waaruit de Blaauwe Nijl en de rivieren, die aan hem schatting betalen, het water wegvoeren, — een gebied, dat bijna geheel Abyssinie omvat, — benevens verscheidene aanmerkelijke stroomen, die zich in den Witten Nijl uitstorten, Dus moet de ontzaggelijke hoeveelheid regen, die in den regentijd in deze streken valt, eene overstrooming van den Nijl veroorzaken, even als dit met den Orinoco en de Amazonen-rivier het geval is. Het midden van den regentijd valt, volgens het boven gezegde, omstreeks het begin van Augustus; de grootste hoogte van de overstrooming der lagere gedeelten des Nijls heeft plaats omstreeks het begin van October. Dus heeft het water ongeveer twee maanden noodig om naar de monden des Nijls te stroomen, een tijd, die zeer goed overeenstemt met hetgeen men bij andere rivieren waarneemt,
De bron van den Nijl, of enkele der zich in hem uitstortende rivieren, moeten zóó ver zuidelijk liggen, dat zij zich in den tijd van November tot Mei in de streek van de zuidelijke plaatsing des regengordels bevinden, anders zou de Nijl, die meer dan 1000 mijlen door eene op dezen tijd den regen ontberende streek vloeit, dan geen water kunnen ontvangen. Dit pleit voor het gevoelen, dat de Nijl zijne eigenlijke bron in het meer Nyanza heeft, dat evenwel, naar het gevoelen van {{sc|ferrel}}, slechts in staat is den Nijl in den tijd van laag water te voeden.
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude>
8wrs2u666l4gpxt1ybfk3lo5a9cu6us
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/172
104
85173
222912
218704
2026-06-05T08:51:35Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222912
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr}}
{{c|{{larger|UIT HET LAND VAN DEN GORILLA.}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
In het ''Athenaeum'' van den 22 November 1862 leest men een brief van {{sc|w. winwood reade}}, geschreven te Loanda den 7 September 1862, waarin onder het opschrift: ''News from the Gorilla Country'', een en ander voorkomt over den bekenden Franschen reiziger {{sc|du chaillu}}, wiens geloofwaardigheid in de laatste tijden sterk betwijfeld en door enkelen bepaald ontkend is geworden, en over den Gorilla, aangaande welk dier {{sc|du chaillu}}, gelijk bekend is, veel heeft medegedeeld, dat door den een zonder veel bedenken gaaf is aangenomen, door anderen daarentegen met mistrouwen is ontvangen geworden. Ik acht het in dit tijdschrift niet ongepast het voornaamste mede te deelen, wat
{{sc|winwood reade}} daaromtrent zegt, en dat in elk opzigt den stempel van zaakkennis en onpartijdigheid draagt.
"Ik ben," dus zegt hij, "in de gelegenheid te kunnen verzekeren, dat de heer {{sc|du chaillu}} noch luipaarden, noch buffels, noch gorillas geschoten heeft, dat de gorilla niet op zijne borst slaat als op een trommel, dat de kulu-kamba (mede een groote aap) niet het geluid koeloe of iets dergelijks geeft, dat de jonge gorilla in gevangenschap niet wild is, en dat de heer {{sc|du chaillu}} in den tijd, toen hij verzekert een ongelukkige koortslijder aan de Camma geweest te zijn (1 Junij 1859), inderdaad frisch en gezond aan de Gabon woonde." {{sc|Reade}} is zelf, gedurende de vijf maanden, die hij jagend aan de oevers van de Moeni, Gabon en Fernand Vaz doorbragt, meermalen, doch altijd vruchteloos op de gorilla-jagt en vaak op het spoor van dat dier geweest. Wat hij van de inlandsche jagers over den gorilla vernemen kon, komt hoofdzakelijk op het volgende neder. De gorilla houdt zich steeds in het digtste der bosschen op en leeft uitsluitend van plantenvoedsel; eene zekere soort van gras is, als men het ergens aantreft, een zeker teeken van de nabijheid van gorillas. In den morgen en 's avonds begeeft hij zich naar de dorps-plantagiën om zich op yams te vergasten. Daarbij laat hij van tijd tot tijd een woesten kreet hooren, die, als hij boos is, eene soort van snel en<noinclude></noinclude>
342ofggef1keufs3f1tim2jr928wv7d
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/173
104
85174
222913
218705
2026-06-05T08:54:15Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222913
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||UIT HET LAND VAN DEN GORILLA.|155}}</noinclude>scherp blaffen wordt. Des nachts slaapt hij op een grooten boom. Op den vlakken grond loopt hij steeds op vier pooten. Hij is zeer waakzaam en scherp van reuk. Als het wijfje zwanger is, bouwt de gorilla tusschen de takken van een boom een nest, gelijk ook de kúlu-kamba en de chimpanzé doen; dit nest bestaat slechts uit ruwe stukken droog hout en kleine takjes, die van den boom, die het nest draagt, afgetrokken worden. Wanneer men op den gorilla schiet en hem mist of slechts verwondt, dan valt hij op den jager aan, en wel op alle vier pooten loopende. Een inlandsch jager, {{sc|etia}} genoemd, had eene verminkte hand, doordien een gorilla met een zijner achterpooten hem bij die hand gepakt en deze, even als of het een yam was, — zoo drukte {{sc|etia}} zich uit, — tusschen zijne tanden gestoken had. "Twee zaken," dus vervolgt {{sc|reade}}, "zijn in elk geval zeker, dat de gorilla minder gevreesd wordt dan de luipaard, en dat de vertelling van een man, die aan de Camma door een gorilla gedood zou zijn, eene onwaarheid is. Er bestaan overleveringen aangaande zulk een geval, doch sedert menschengeheugenis is er niets dergelijks geschied. De vertelling van den gorilla, die de houding van een bokser aannam en op zijne borst sloeg als op een trommel, is afkomstig van {{sc|quengueza}}, den hoofdeling van Ngumbi, en werd door alle jagers van den Moeni in het noorden tot den Fernand Vaz in het zuiden tegengesproken. Zoo kon in een onbekend Afrikaansch dorpje een oude wilde een leugen vertellen, die zich door geheel Europa verspreid heeft."
Nadat {{sc|reade}} als ooggetuige verzekerd heeft, dat de beschrijving, die {{sc|du chaillu}} van den volksstam der Fan (Bafanh) geeft, zeer goed is, laat hij zich op deze wijze over het boek van {{sc|du chaillu}} uit. "Dit boek, een zonderling mengsel van waarheid en verdichting, is door een in de letterkundige wereld van New-York welbekenden heer naar de talrijke door {{sc|du chaillu}} op zijne reis gemaakte aanteekeningen bewerkt. En ik moet den laatsten regt doen wedervaren, door te erkennen, dat ik uit dezelfde bronnen, die mij de bewijzen van zijne onware opgaven leverden, tevens vernam, dat hij een goed schutter was, in geen gewone mate moed en volharding bezat, en vele ontberingen en moeijelijkheden ondergaan had, waarvan hij niets gezegd heeft; verder dat zijn karakter als handelaar ten onregte berispt is<noinclude></noinclude>
tw4wwsyeqg261w6n7ptcvle75d6j37g
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/177
104
85175
222917
218715
2026-06-05T09:03:02Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222917
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr}}
{{c|{{larger|SALOMON DE CAUS.}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
Deze merkwaardige man, die in zijnen tijd als wis-, natuur- en bouwkundige veel naam heeft gemaakt, werd in den jare 1576 uit protestantsche ouders geboren, vermoedelijk te Dieppe of in hare omstreken, of volgens anderen te Blois in Normandië, welk laatste echter minder waarschijnlijk is. Van zijn leven en zijne bedrijven is niet veel bekend geworden; het weinige, dat wij daarvan weten, is door zijne eigene hand opgeteekend en wordt gevonden aan het hoofd van zijne geschriften, hetzij in de opdragt aan vorstelijke personen, hetzij in de voorberigten aan zijne lezers. Naar men zegt, gaf hij in zijne vroege jeugd reeds blijken van een gelukkigen aanleg voor de wis- en natuurkundige wetenschappen, inzonderheid voor de werktuig- en waterbouwkunde, die zijne geliefkoosde studiën waren. De werken van {{sc|archimedes, euclides}} en {{sc|vitruvius}} dienden hem daarbij hoofdzakelijk tot gids. Door reislust aangespoord, verliet hij op jeugdigen leeftijd zijn vaderland met het doel om aan vorsten, tot zijn geloof behoorende, zijne diensten als ingenieur aan te bieden. Aanvankelijk reisde hij naar Londen, waar wij hem in 1612 aantreffen als teekenmeester bij prins {{sc|hendrik}}, die in datzelfde jaar overleed. Later begaf hij zich naar Duitschland, waar de keurvorst van den Paltz, {{sc|frederik V}}, hem tot ingenieur en directeur zijner gebouwen en tuinen aanstelde. In deze betrekking schijnt hij zich met der woon te Heidelberg gevestigd te hebben; althans wordt aldaar, volgens opgave van {{sc|j.c. poggendorf}}<ref>Zie zijn ''Handwörterbuch zur Geschichte der exacten Wissenschaften'', erste lieferung, S. 404.</ref>, in het kabinet of de verzamelings-galerij van oudheden zijn afbeeldsel en eene beknopte biographie gevonden. Na voornoemd ambt eenige jaren te hebben waargenomen, keerde hij in 1624 naar Frankrijk terug en vestigde zich te Parijs, waar hij van koning {{sc|lodewijk XIII}} eene aanstelling ontving als ingenieur en architekt van de vorstelijke gebouwen. Dit laatste blijkt uit het<noinclude></noinclude>
bbqc92qgc2tevoniu4lnirllhygrkxf
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/178
104
85176
222918
218716
2026-06-05T09:06:00Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222918
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|160|SALOMON DE CAUS.|}}</noinclude>voorberigt eener nieuwe uitgave van zijn werk, getiteld: ''Les raisons des forces mouvantes'' etc., hetwelk in laatstgenoemd jaar te Parijs in het licht verscheen; de eerste uitgaaf werd in 1615 te Frankfort gedrukt, onder den titel: ''Les raisons des forces mouvantes avec diverses machines tant utiles que plaisantes auxquelles sont adjoints plusieurs desseings de grottes et fontaines''.
Te rekenen van het jaar 1624 tot aan zijn overlijden vindt men weinige of geene berigten van onzen geleerde opgeteekend; alleen weet men, dat hij, behalve voornoemd werk, nog de volgende geschriften bezorgd heeft, als: a) ''La perspective avec la raison des ombres et miroirs'', Londen en Frankfort, 1612, in fol.; b) ''Instutution harmonique, divisée en deux parties'', ibd. 1615, in fol.; c) ''Hortus Palatinus, Heidelbergae exstructus'', ibd. 1620, in fol., met onderscheidene platen van
{{sc|theodore de Bry}}; d) ''La pratique et demonstration des horloges solaires'', Paris, 1624, in fol. Dit laatste werk is opgedragen aan den kardinaal {{sc|de richelieu}}, onder dagteekening van den 1 Julij 1624; in het voorberigt aan den lezer zegt {{sc|caus}}, dat hij sedert een geruimen tijd werkzaam is geweest aan het vertalen der geschriften van {{sc|vitruvius}}, dien hij als schrijver zeer hoogacht en van wiens arbeid hij bij het zamenstellen zijner geschriften veel gebruik heeft gemaakt.
Over het land, waar {{sc|caus}} geboren is, is in der tijd veel strijd geweest tusschen de Duitschers en Franschen; beiden wilden hem tot hun landsman verklaren. Deze onzekerheid evenwel is thans opgeheven, want uit de opdragt van zijn boek (''raisons des forces mouvantes'') aan {{sc|lodewijk XIII}} blijkt duidelijk, dat hij een geboren Franschman is.
Sommigen meenen (zie {{sc|arago}}, ''Annuaire'' 1829 et 1837), dat deze {{sc|salomon de caus}} het eerst op het denkbeeld is gekomen om den stoom als beweegkracht aan te wenden, doch dit kan niet waar zijn, daar de kennis der stoomkracht van veel vroegeren tijd dagteekent.
Het juiste tijdstip van zijn overlijden was tot nu toe niet met zekerheid bekend, doch onlangs is gebleken, dat hij te Parijs gestorven en aldaar des avonds voor het feest der Heilige Drievuldigheid 1626 (den laatsten Februarij 1626) ter aarde besteld is.
{{r|{{s.f.k.}}{{gap|6em}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude>
cfc19ibuatut5x00da3t5z4qjmwcbu5
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/180
104
85177
222920
218717
2026-06-05T09:09:23Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222920
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|162|DE WORTELS DER PLANTEN.|}}</noinclude>den bloeitijd het schoonste tijdperk aangeduid? En ontleent ook niet de dichter een tal zijner treffendste beelden aan de bloemen dezer aarde? Teregt zingt dan ook {{sc|goethe}} in zijn onovertroffen ''Metamorphose der Pflanze'', na de beschrijving van het ontluiken der bloemen "Also prangt die Natur in hoher, voller Erscheinung."
De nadere kennis nu dier liefelijke vormen en tallooze verscheidenheden van bloemen kan, zeide men, niet anders dan aangenaam wezen, en vandaar dat men algemeen instemde met den naam, door {{sc|linnaeus}} zonder twijfel aan de kennis der geheele plant gegeven.
Verre van mij, dat ik aarzelen zou, het den grooten Zweed toe te stemmen, dat de plantenkunde dien naam met volle regt verdient. Wanneer zelfs leeken de juistheid daarvan erkennen, dan mag men wel van zelf verwachten, dat degene, die de beoefening dier wetenschap zich tot levenstaak heeft gesteld, genoeg ingenomen zal zijn met het gebied zijner keuze om daaraan den naam van beminnelijk niet te ontzeggen.
Maar, vraagt men, of er reden is om zich te verheugen, dat die naam het burgerregt heeft verkregen, dan aarzel ik, daarop een bevestigend antwoord te geven. Want, zoo ik het geschiedboek der kruidkunde opsla, dan kan ik het vermoeden niet onderdrukken, dat deze benaming, gewis tegen de bedoeling van haren grooten stichter, voor de wetenschap zelve meer kwaad dan goed heeft gedaan, vooral in een tijd, toen die tak van kennis minder zelfstandig optrad en meer dienaresse der maatschappelijke belangen was. Men heeft namelijk, gedachtig aan dien schoonen naam, naar kennis gezocht van het uitwendig schoone der plant en hetgeen voor het oog verborgen was of door uiterlijken vorm minder aantrok veel te veel verwaarloosd. Hierdoor zijn wij met de vormen en het maaksel van bladeren, bloemen en vruchten beter bekend dan met dat der overige deelen van de plant. Ten opzigte van den stam of stengel, die de schoone vormen draagt, heeft men in lateren tijd hier en daar de leemten onzer kennis trachten aan te vullen, maar voor die gedeelten der plant, welke onder den grond gelegen en die voor het oog verborgen zijn, heeft men dit nog niet in die mate verrigt, hoewel het niet te ontkennen valt, dat in den laatsten tijd ook hierop de aandacht veel<noinclude></noinclude>
49gk11ammg9inigdpaua9zs4kzffr30
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/181
104
85178
222921
218718
2026-06-05T09:11:04Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222921
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE WORTELS DER PLANTEN.|163}}</noinclude>meer dan vroeger gevestigd is. Ten gevolge dezer eenzijdigheid blijft menig punt uit de levensgeschiedenis der plant ons nu nog duister; ja zelfs aangaande den groei en de leefwijze van die geliefkoosde bloemen ontbreken ons daardoor nog gegevens, die wij bij eene gelijkmatige studie van alle deelen der plant waarschijnlijk reeds zouden gehad hebben. Want de plant is in zeker opzigt één organisch geheel, en eerst uit de kennis van de geheele plant kan men komen tot een juist begrip van de groeiwijze en van de verrigtingen van een harer deelen. Gelijk zonder fondament geen duurzaam gebouw, zoo ook in het algemeen zonder onderaardsche deelen, die steun en voedsel geven, geene bloemen. Dit is zoo waar en zoo algemeen erkend, dat de naam, dien de genoemde organen dragen, ook als zinnebeeld van het fondament, van. den grondslag in overdragtelijken zin wordt gebezigd. Een ieder weet, hoe door den wortel de steun, de basis, ja somwijlen zelfs het levensbeginsel van eene zaak wordt aangeduid; doch van het maaksel en van de verrigtingen van dien belangrijken wortel is weinig kennis verspreid.
Ik heb het daarom niet onnut geacht, in dit veel gelezen tijdschrift het een en ander aangaande de wortels der planten mede te deelen. Dit zal mij de gelegenheid aanbieden om eenige vragen uit het gebied der planten-physiologie toe te lichten en tevens om enkele vraagpunten van den dag te bespreken.
Misschien zullen deze mededeelingen sommigen mijner landgenooten kunnen opwekken om ook aan de onderaardsche deelen der plant meer bijzonder hunne aandacht te wijden. Wie weet, of ook niet voor den jeugdigen beoefenaar der wetenschap, wiens zucht naar kennis wel opgewekt, maar niet bevredigd is, dit opstel eene aanleiding kan zijn om door eigen waarnemingen en proeven onze kennis te vermeerderen!
{{dhr}}
{{c|DE HOOFDVORMEN VAN DEN WORTEL.}}
{{dhr}}
Ik vang aan met eene korte beschouwing van de vormen, waaronder zich de wortel bij onderscheidene planten vertoont. Wanneer men den wortel van onze gewone peen (''Daucus Corata'') of van de raap (''Brassica Rapa'') vergelijkt met dien van het kweekgras<noinclude></noinclude>
hdr2948whi5i76hkkk5relaasqk9ge6
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/183
104
85180
222922
218720
2026-06-05T09:13:44Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222922
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE WORTELS DER PLANTEN.|165}}</noinclude>de plant schijnt gehecht op een aantal in waarde gelijke, allen secundaire wortels.
Het verschil nu, dat wij hier opmerken tusschen de genoemde planten, komt bij een groot aantal gewassen voor en hangt naauw zamen met de geheele organisatie van het overige der plant. Zelfs geheele groepen zijn op die wijze van elkander onderscheiden, zoodat men òf een penwortel vindt (al is die ook niet altijd dik en vleezig als bij de gekweekte peen of biet), welke op verschillende hoogten zijwortels afgeeft, die zelve zich weder meer of min vertakken, òf wel een aantal in rang gelijke vezelwortels, die zich niet of in mindere mate vertakken. Dit verschil hangt dikwijls zamen met het al of niet vertakt zijn van den stam of stengel, en even zoo als men bij de Dicotyledonen in den regel een veelvuldig vertakten stam, bij de Monocotyledonen een enkelvoudigen stam in de meeste gevallen aantreft, zoo wordt de paalwortel ook meer algemeen bij de Tweelobbige, de bundel van vezelwortels grootendeels bij de Eenlobbige planten gevonden <ref> {{sc|richard}} heeft zelfs deze overeenkomst in verband gebragt met de vermeende groeiwijze van Mono- en Dicotyledonen, en de penwortels ''exorrhizes'', de bundelwortels ''endorrhizes'' genoemd. Deze onderscheiding, zoowel als die van {{sc|decandolle}}, welke de phanerogamen in endogenen en exogenen verdeelde, berust echter op eene verkeerde voorstelling van den groei der plant.</ref>.
Bij diegenen der Tweelobbigen echter, waar de boven den grond groeijende stengel jaarlijks afsterft en de plant door een onderaardschen voortkruipenden stengel blijft voortleven, draagt deze gewoonlijk een aantal vezelwortels. Men vindt daarvan onder anderen een voorbeeld bij de Sleutelbloem (''Primula'').
Men zou dus dwalen, wanneer men meende hierin een standvastig en goed kenmerk tusschen de beide hoofdafdeelingen der zigtbaar bloeijende planten te vinden, en nog veel minder gaat dit op bij de gewassen, die gekweekt worden. Bij deze namelijk wordt dikwijls de plant met penwortel kunstmatig veranderd in eene met een bundel secundaire wortels, terwijl sommigen, zoo als de komkommerplanten, van nature alras den eerst gevormden penwortel door afsterving verliezen. Bij die gewassen, die verpoot of verplant moeten worden, is<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude>
82tk1ki33bjj6gc4qmk7a8mevfz217b
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/184
104
85181
222923
218721
2026-06-05T09:16:49Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222923
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|166|DE WORTELS DER PLANTEN.|}}</noinclude>het veel voordeeliger, en de kans van welslagen is veel grooter, wanneer zij geen paalwortel hebben. Want anders moet men zeer diepe gaten graven om den geheelen wortel uit te nemen, en het is bovendien zeer moeijelijk dien wortel ongeschonden op de nieuwe standplaats in den grond te brengen. Daarom neemt men bij eikenplantsoen reeds vroeg den paalwortel weg; er vormt zich dan in plaats van dezen een aantal secundaire wortels, die in den onmiddellijken omtrek van den stam tot eene digte massa bijeen staan, alzoo eene groote oppervlakte hebben, en de aardkluit gemakkelijk bijeen houden, terwijl deze secundaire wortels, aan de uiteinden afgesneden, weder een aantal tertiaire wortels doen ontstaan.
Overigens worden van dit verschil der wortels onderscheiden nuttige toepassingen in den landbouw gemaakt. Zoo zaait men op denzelfden akker klaver of lucerne, die een diepgaanden penwortel hebben, en rogge, haver of gerst, die niets dan bundels vezelwortels bezitten. De eersten nemen het voedsel uit de diepere lagen van den bodem, de laatsten meer van de oppervlakte. — Evenzoo tracht men ook de uitputting van den bouwgrond te voorkomen, door in de vruchtwisseling planten met diepgaande penwortels en gewassen met horizontaal onder de oppervlakte voortgaande vezelwortels op elkander te laten volgen.
Wil men eindelijk zijn huis tegen den wind beschermen, dan plante men boomen met diepe paalwortels, welke aan den storm veel meer weerstand aanbieden, dan die met wortels, welke slechts weinig onder de oppervlakte van den grond groeijen.
Wanneer men het eerste begin van den wortel in zijne onderscheiden vormen wil leeren kennen, dan moet men dit opzoeken in de kiem van het zaad en in de eerste perioden der kieming.
Daar vindt men een klein, voor het ongewapend oog dikwijls naauw merkbaar, gedeelte, dat gewoonlijk kegelvormig eindigend en met de punt naar de oppervlakte van het zaad gekeerd, zich begint te verlengen en het omhulsel van het zaad verbreekt, zoodra door gunstige omstandigheden het sluimerend leven daarin wordt opgewekt. Dit gedeelte nu is het eerste worteltje van de jonge plant, want, gelijk men weet, zijn in het rijpe zaad reeds de hoofdorganen van de jonge plant in niet ontwikkelden toestand aanwezig, en in beperkte ruimte is daar<noinclude></noinclude>
qkla3820c4izrjunj2sydwnt7uf9ju6
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/185
104
85182
222924
218722
2026-06-05T09:19:26Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222924
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE WORTELS DER PLANTEN|167}}</noinclude>als het ware het essentiële van de toekomstige plant zaamgedrongen.
Vergelijkt men nu in dit opzigt de zaden van welbekende planten met elkander, b.v. amandelen, boonen en erwten aan den eenen kant, granen aan de andere zijde, dan bespeurt men reeds terstond verschillen, die nog duidelijker worden, zoodra het eerste tijdperk der kieming is doorloopen. Bij de genoemde peulgewassen vindt men één worteltje, dat, wanneer het eenmaal het zaad heeft doorboord, loodregt naar beneden gaat, zich in die rigting steeds verlengt en weldra een aantal takken afgeeft of zijwortels doet ontstaan. Bij de granen daarentegen (bijzonder duidelijk bij de rogge) zijn reeds vóór de kieming meer worteltjes aanwezig. Aanvankelijk verlengen zij zich een weinig, maar weldra sterven zij af, en, de overblijfselen van den gestorven wortel doorborende, komen nu gelijktijdig verscheidene secundaire wortels voor den dag, die bij de ontwikkeling der plant nog in aantal vermeerderen, maar allen aan den voet van den stengel bij elkander ontspringen.
Op dergelijke wijze geschiedt ook de wortelvorming bij de palmen, zoo als {{sc|v. martius}} ons geleerd heeft. Aanvankelijk ziet men bij de kieming der palmzaden een paalwortel te voorschijn komen, maar weldra sterft deze af om plaats te maken voor een tal van kleine wortels, die rondom ontspringen en later aan den voet van den stam nog aanzienlijk in aantal vermeerderen. Dien ten gevolge ziet men aan de basis van andere palmen dikwijls een gansch bosch van wortels, die gedeeltelijk zelfs boven den grond ontspringen.
Behalve op de genoemde wijze, onderscheidt men de wortels der planten ook naar de middenstof, waarin zij zich bevinden, en naar de verrigtingen, die zij dien ten gevolge voor de plant te vervullen hebben. Men verdeelt zoo de wortels in grond-, water- en luchtwortels, terwijl als eene 4° soort daarbij gevoegd kunnen worden de zuigwortels der ware en valsche woekerplanten. Men ziet uit deze optelling reeds, dat de wortels niet alleen onder de aarde voorkomen, maar ook in de lucht worden gevonden. Ook hiervan wil ik eenige bijzonderheden vermelden, maar, voordat ik hiertoe overga, zij het mij geoorloofd mijne lezers opmerkzaam te maken op het onderscheid tusschen stengel en wortel, zoo als: dit in kruidkundigen zin behoort te worden opgevat. Dit<noinclude></noinclude>
7l8a1240z3s07n1g6zcx8v6c0ue5v8s
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/186
104
85183
222925
220825
2026-06-05T09:19:57Z
WeeJeeVee
2844
typo
222925
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|168|DE WORTELS DER PLANTEN|}}</noinclude>zal mij tevens de gelegenheid aanbieden om te wijzen op de kenmerken, waardoor de wortel van de overige deelen der plant zich onderscheidt.
{{dhr}}{{c|ONDERSCHEID TUSSCHEN WORTEL EN STENGEL.}}{{dhr}}
Bij het algemeen heet gewoonlijk het gedeelte der plant, dat zich onder den grond bevindt, {{sp|worte}}l, en de asgedeelten {{sp|boven}} den grond {{sp|stenge}}l.
Bij de kruidkundigen echter is het begrip, dat aan deze woorden {{Img float
| style =
| above =
| file = Albumdernatuur63 192.png
| width = 100px
| align = left
| alt = Fig. 3
| cap = {{fine block|Fig. 3. Gekiemde cikel (naar {{sc|paver}}).}}
| capalign = center}} gehecht wordt een ander. Hunne voorstelling komt hoofdzakelijk hierop neder: Bij de jonge kiemplant, zoodra deze zich begint te ontwikkelen, ziet men groei in twee tegengestelde rigtingen (z. fig. 3.) De jeugdige stengel groeit naar boven en zoekt het licht, de wortel naar beneden. Zoo komt allengs polaire tegenstelling tusschen de twee uiteinden der as, en tusschen beiden bevindt zich eene plaats of streek, die noch in de eene, noch in de andere rigting zich verlengt. Aan dit gedeelte, collum of nodus vitae (levensknoop) geheeten, werd vroeger ten onregte de oorzaak dier twee rigtingen toegeschreven.
Terwijl nu de stengel aanhoudend nieuwe knoppen voortbrengt en bladeren, bloemen en vruchten draagt, ziet men den waren wortel zich verlengen, digt bij zijn uiteinde, en zich in takken verdeelen, maar geenszins, zoo als de stengel, in de oksels der bladeren en takjes nieuwe knoppen vormen. Gelijk zoo straks bij het anatomisch onderzoek nader blijken zal, is de knop van den jongen wortel daardoor onderscheiden van den knop van den stam, dat de eerste steeds bedekt is met eene soort van kapje of wortelmuts (''calyptra''). De wortelknoppen staan aan den wortel niet op geregelde afstanden en in regelmatige spiralen, maar onregelmatig, althans bij de oudere wortels, die een houtring hebben. Bij zeer jonge komen zij alleen te voorschijn,<noinclude></noinclude>
e0hmpjs12r6l6cold8w0h84erb4ists
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/191
104
85188
222926
218730
2026-06-05T09:22:07Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222926
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE WORTELS DER PLANTEN.|173}}</noinclude>Keeren wij na deze uitweiding tot den wortel terug om dezen te onderscheiden naar de middenstof, waarin hij voorkomt.
{{dhr}}
{{c|ONDERSCHEIDING DER WORTELS NAAR DE MIDDENSTOFFEN, WAARIN ZIJ VOORKOMEN.}}
{{dhr}}
Bij de meeste planten bevinden zich de wortelen in den grond en ontwikkelen zich daarin, terwijl zij steeds dieper naar beneden doordringen. Waar de paalwortel blijft bestaan, gaat deze gewoonlijk loodregt naar onderen; de zijwortels groeijen uit in schuinsche of horizontale rigting. Naar mate bij den groei der meerjarige plant de eerste zich bijzonder ontwikkelt of de laatsten meer de overhand hebben, ziet men de boomen diep geworteld of meer oppervlakkig in den grond gehecht; zoo gaat b.v. de eik met zijne wortels zeer diep, de beuk breidt de zijne meer in de bovenlagen van den grond uit. Hierop heeft echter ook de geaardheid van den ondergrond een grooten invloed, en het is een bij de landbouwers wel bekend feit, dat, wanneer de bouwgrond diep los gemaakt is, de gekweekte gewassen daarin veel dieper met hunne wortels doordringen. Overal, waar zich de gelegenheid daartoe aanbiedt, trachten de wortels bij hunnen groei verder door te dringen. Zoo weet b.v. iedereen, hoe bij vele planten, die in bloempotten besloten in den grond geplaatst zijn, een gansche bundel fijne wortelen uit de onderste openingen van den bloempot in den grond indringt.
Ten anderen komen de wortels voor {{sp|in het wate}}r, hetgeen men natuurlijk alleen bij waterplanten aantreft. Waar dit het geval is, en waar de wortels vrij hangen in het vocht, kunnen zij alleen als voedingsorgaan dienen. Vele waterplanten (''Hydrocharis, Stratiotes'') hebben behalve deze ook wortels, die in den bodem gehecht zijn, en de plant bevestigen. Ten opzigte van haar maaksel wijken echter de beide soorten van wortels niet noemenswaard van elkander af, en dit verklaart ook, hoe het mogelijk is, dat {{sc|julius sachs}} landplanten in water heeft gekweekt met goed gevolg, zoo hij slechts in het water de noodige voedingsstoffen aanbragt en bovendien de plant steun verschafte. De in de natuur voor den bodem bestemde wortels groeiden dan goed in het water en de plant bragt rijpe en kiembare zaden voort. Dat hun opslorpingsvermogen echter onder die gewijzigde<noinclude></noinclude>
3d3v4y43e135ydo1pe85k3hh3qnuja9
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/192
104
85189
222927
218731
2026-06-05T09:25:38Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222927
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|174|DE WORTELS DER PLANTEN.|}}</noinclude>omstandigheden een weinig veranderd was, bleek daaruit, dat, zoo hij de in water gekweekte plant in den grond bragt, of omgekeerd, de plant aanvankelijk kwijnde en eerst na eenigen tijd, na vorming van een aantal nieuwe wortelen, hare normale verrigtingen hervattede <ref> Over dit onderwerp is in de laatste jaren een hevige strijd gevoerd tusschen den genoemden geleerde en dr. {{sc|w. knop}}, die het vermogen van landplanten om in water te kunnen groeijen ontkende, en die beweerde, dat de proeven van {{sc|sachs}} ten dien opzigte niet bewijzend waren. Het zou ons te ver afleiden de argumenten, die van wederzijde aangevoerd zijn, nader te ontwikkelen en aan te toonen, hoe aan beide kanten overdrijving heerschte en hoe de strijd maar al te zeer in een persoonlijken strijd ontaardde. Degene, die de bijzonderheden van dezen strijd wil leeren kennen, vindt de opstellen van {{sc|sachs}}, in ''Sitzungsber der Kais, Akademie der Wissensch. zu Wien'', 1857; ''Landwirthsch. Versuchsstationen'', Heft 4; ''Chem. Centralblatt'',, 1860, p. 719; ''Landw, Versuchsstat'',, Heft. 7, en die van {{Sc|knop}} in ''Landw. Versuchsstat''., Heft. 4; ''Chem. Centralbl''., 1860, p, 673; ''Landw. Versuchsstat''. Heft, 6 en 11, en
{{sc|erdmann}}, ''Journal f. pract, Chemie'', Bd, 81, p. 321. Ook anderen, zoo als {{sc|stohmann}}, hebben zich daarin gemengd.</ref>. De in het water gevormde wortels waren dus niet geschikt om in den grond onmiddellijk nuttig te zijn, en omgekeerd konden de in den grond ontstane, in het water overgebragt, de plant niet dienen.
Dat er dus eenig verschil tusschen beide wortels moet bestaan, al wijst het morphologisch noch het anatomisch onderzoek ons dit aan, is hieruit duidelijk.
Bij sommige waterplanten, zoo als bij het eendenkroos, is het uiteinde van den wortel op eene bijzondere wijze gevormd. Men vindt daar eene soort van schede, uit onderscheiden lagen dunwandig celweefsel bestaande, die slechts aan de uiterste punt met den wortel zamenhangt en overigens vrij is. Volgens {{sc|schleiden}} scheidt zich deze zoogenaamde ''calyptra'' in zeer jeugdigen toestand, wanneer de wortel nog onder de schors verborgen is, van het overige weefsel, maar blijft levend en aan de uiterste punt met den wortel in voortdurende gemeenschap. Zij bekleedt in normalen toestand altijd de wortelspits, maar eenmaal afgescheurd, verjongt zij zich niet meer, en de wortel sterft af.
Geheel anders dan de tot nu toe beschouwde wortels zijn echter de teregt zoogenoemde lucht wortels.
Iedereen weet, hoe bij oudere lindenboomen soms een deel van de wortels boven den grond komt, en dan aldaar kan aanleiding geven<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude>
6yultm5zkv0h0xsfo5bfcwz6bc85fog
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/193
104
85190
222929
218732
2026-06-05T09:28:23Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222929
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE WORTELS DER PLANTEN.|175}}</noinclude>tot een bosch van jonge eenjarige uitloopers, die den voet van den eeuwen heugenden boom met frisch groen bedekken.
Nog merkwaardiger zijn die boomen, wanneer de oude stam hol en verteerd is voor een groot gedeelte, en vervolgens op den top van den met humus bedekten stam een nieuwe loot zich ontwikkelt, die zijne wortels langs den ouden stam benedenwaarts zendt. Deze wortels, eigenlijk voor den grond bestemd, worden dan gedwongen om gedeeltelijk in de lucht zich te ontwikkelen, zoo als men dit op schoone wijze kan aantreffen bij een lindeboom in den Haarlemmerhout, en in een vroegeren jaargang van dit tijdschrift (1853, bl. 145) beschreven.
Nog meer in het oog loopend zijn de voorbeelden, die hiervan in de bosschen in Boheme worden aangetroffen en waarvan {{sc|wagner}} ons verhaalt. Daar vindt men oude sparren, die de stormen van minstens een vijftal eeuwen reeds moedig getrotseerd hebben. Een reusachtige boom is aan zijn voet in onderscheiden takken gespleten, en rust op dezen als eene reusachtige poort op zijne pijlers. Wij kunnen veilig onder die poort met opgerigten hoofde doorgaan, want tot 8 voet hoog opent zich die zuilengang van wortelen. De boom schijnt uit de diepte opgestegen, als ware het hem te eng in den donkeren bodem, als zocht hij naar boven het noodige licht, dat de naburige reuzen hem zijdelings niet gunnen. Gaan wij een weinig verder, dan ontdekken wij spoedig de oplossing van dit raadsel. Daar zien wij een reuzenstam, die, van ouderdom inwendig vergaan, omgevallen was. Zijn wortel met een stuk van den stam, ter hoogte van 5 ellen, bleef nog in den grond, en op dezen, waarvan het grootste deel reeds in vruchtbare aarde was veranderd, schiet een gansche bundel van jonge sparren op, die elkander den voorrang op deze beperkte oppervlakte betwisten. Dit zijn geen uitloopers, welke de sparren niet maken, maar zij zijn ontstaan uit zaad, dat op dien vruchtbaren bodem ontkiemd is. Allengs verliezen de zwakkeren het in den strijd en eindelijk blijft de krachtigste alleen over op den ouden stam. Zijne wortels gaan als zuilen rondom naar beneden en winnen jaarlijks in omvang en stevigheid, en wanneer nu eindelijk de oude stam, wiens zamenhang lang verbroken is, geheel is verdwenen, staat de jonge boom, hoog en sterk<noinclude></noinclude>
t5lcs8ls3e1403o9kcn82m0hei9t1m5
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/195
104
85192
222931
218734
2026-06-05T09:31:17Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222931
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE WORTELS DER PLANTEN.|177}}</noinclude>Men vindt deze wortels bij allerlei planten uit de keerkringsgewesten. Zoo b.v. de Lianen, klimplanten, die in de vochtige boschstreken de boomen omslingeren en tot een digt vlechtwerk vereenigen. De talrijke Orchideen met hare prachtige bloemen, op allerlei boomen gehecht, en desgelijks de vele soorten uit de groote familie der Aroïdeen, die zoowel door afwijkende bladvormen als door vreemde bloeikolven zich onderscheiden, zenden gansche bundels van luchtwortels uit, welke dikwijls nog een bijzonder anatomisch maaksel hebben.
Bijzonder magtig en sterk zijn de luchtwortels bij de meeste Pandaneen en evenzoo bij sommige Palmsoorten.
Aan den voet van den zuilvormigen stam, die slechts weinige takken draagt, aan hun top met een kroon van stijve bladeren voorzien, komen bij ''Pandanus odoratissima'' een aantal stijve, schuins naar onder gaande luchtwortels voor, die bij hunnen groei den stam een geruim eind naar boven dringen, terwijl zij zelve door hunne zijwortels opgestuwd worden. Aldus staan die boomen, welke een kenmerkend voorkomen aan vele koraal-eilanden der Zuidzee geven, als op een aantal zuilen van den grond geheven.
Eene dergelijke ontwikkeling van luchtwortels komt bij de Vorsten der plantenwereld voor. De Hoornpalm van Venezuela b.v. (''Iriartea altissima'') zendt uit den stam, op de plaats van het lidteeken der afgevallen bladeren, luchtwortels uit, die, in den grond komende, elk een tal van wortelvezels vormen en hierdoor den stam steun verschaffen. De oudere sterven allengs af, en alleen die der jongste jaren, welke den stam dakvormig omgeven, blijven dan overig. Het belangrijkste verschijnsel der luchtwortels treft men echter aan bij den Banianen-vijgboom (''Ficus religiosa''). Hier (z. fig. 9, volg. bl.) zendt elke tak van de weelderig groeijende plant eene menigte van luchtwortels uit, die loodregt naar beneden hangen en die, in den grond gekomen, zich veelvuldig vertakken en dan niet alleen den pijler van den luchtwortel ras in omvang doen toenemen, maar ook een aantal jonge uitloopers doen ontstaan, die spoedig opgroeijende tot boomen worden, welke hetzelfde proces herhalen. Hierdoor kan één boom een geheel bosch doen ontstaan, dat als het ware op een onnoemelijk aantal palen staat, welke veelvuldig ineensmelten, maar ook even veelvuldig zich weder splijten. Reeds<noinclude></noinclude>
lwidwd9d52dnozl8yfhvd457ib226oz
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/198
104
85195
222933
218744
2026-06-05T09:34:12Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222933
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|180|DE WORTELS DER PLANTEN.|}}</noinclude>Wanneer men in het vroege voorjaar in beukenbosschen komt, dan vindt men daar meermalen aan den voet der boomen planten met eene vleeschroode bloementros. Deze gewassen (''Lathraea squammaria'') zijn, wanneer men naauwkeuriger onderzoekt, met de wortels op die der beuken gehecht en zuigen uit deze het noodige voedsel. Er zijn een aantal dergelijke planten, welke grootendeels tot de familiën der ''Orobancheae'' en der ''Rhinanthaceae'' behooren. Van de eersten is de in Duitschland voorkomende ''Orobanche ramosa'' (Hanfwürger) eene der gevaarlijkste, omdat zij, voortwoekerende, een geheel hennipveld kan verwoesten. Bij ons vindt men uit die familie onder anderen de kleine Bremraap (''Orobanche minor''), die op rooden klaver en de groote Bremraap (''Orobanche major''), die op de wortels van eiken hakhout woekert. Onder de ''Rhinanthaceae'' noem ik ''Euphrasia odontites'' en ''officinalis'' (Oogentroost), die de Rogge, en ''Melampyrum arvense'' (Zwartkoorn), die andere granen belaagt. Het zaad kiemt in den grond en vormt zelfstandig een wortel, maar weldra zoekt deze de wortels van gerst of van eene andere graansoort. De fijne wortels omvatten deze, ontwikkelen aan de aanhechtingspunten een aantal verdikkingen en schijnen het vermogen te hebben om door innige aansluiting uit de genoemde wortels het voedsel op te nemen. Is de moederplant krachtig, dan kan zij somwijlen ook in leven blijven, terwijl zij den kostganger voedt, maar in den regel sterft zij door de woekerplant. Vindt deze niet spoedig zulk eene voedster (waartoe de Euphrasia soms wortels van een voet en meer lengte maakt), dan gaat zij zelve als een klein, jong plantje te gronde. Want, hetgeen merkwaardig is, elke woekerplant heeft gewoonlijk hare eigen plantensoort, waarop zij alleen woekeren kan, en slechts weinigen kunnen zich ook ten koste van andere gewassen voeden.
Gelijk alle verschijnselen der plantenwereld, zoo treden ook de woekerplanten in warmere gewesten krachtiger en grootscher op. In de streken aan de Middellandsche zee gelegen ziet men in het voorjaar uit den wortelstok van Cistus den scharlakenrooden ''Cytinas Hypocistis'' te voorschijn komen; elders leeft ''Balanophora'' op de wortels van den Vijgeboom en aan de Kaap wordt eene ''Hydnora'' (eene Cytinee) door de vergiftige Euphorbia's gevoed. Doch de gewigtigste dezer Wortelparasiten is gewis het geslacht ''Rafflesia'', dat op de eilanden van den<noinclude></noinclude>
6ftqz68ig4f33ptofc7je2z0odtbpr2
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/199
104
85196
222934
218745
2026-06-05T09:36:31Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222934
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE WORTELS DER PLANTEN.|181}}</noinclude>Indischen Archipel in talrijke, grootendeels nog onbekende soorten voorkomt. Eene daarvan (''R. Arnoldi'') is het eerst door dr. {{sc|joseph arnold}}, een natuuronderzoeker in het gevolg van sir {{sc|raffles}}, op Sumatra ontdekt, en eene andere soort, ''Rafflesia Patma'', is door den overleden hoogleeraar {{sc|blume}} op een eiland bij Java gevonden en in zijne ''Flora Javae'' afgebeeld en beschreven<ref> Van deze Rafflesia is de bloem afgebeeld in den jaargang 1854 van dit Tijdschrift, bl. 306.</ref>. De Rafflesia komt voor op de wortels van Cissus-soorten, welke als dikke touwen door de digte tropische bosschen slingeren en deze letterlijk ondoordringbaar maken. Het zaad der Rafflesia, op deze wortels gekomen, begint te kiemen en brengt daardoor op deze eene prikkeling te weeg, die eene woekering van celweefsel veroorzaakt, waardoor de jonge Rafflesia geheel ingesloten wordt. Aldus groeit de plant binnen hare voedster, totdat zij den knop van hare bloem heeft aangelegd, waarna zij de schors doorboort en nu snel zich ontwikkelt tot reusachtige afmetingen, zoodat de steenroode bloem eene middellijn kan bereiken van 3 voet en een gewigt van 10 pd. Gelijktijdig groeit dan het wortelgedeelte wigvormig uit en begeeft zich gewoonlijk tot in de jongste lagen van den Cissuswortel, met welke het dan voortgroeit.
De luchtwortels, waarvan boven gesproken is, komen in ons vaderland en over het algemeen in ons klimaat niet dan hoogst zeldzaam voor, maar zoo men luchtwortels wil noemen alle wortelorganen, die in de lucht zich ontwikkelen, dan moeten als zoodanig ook vermeld worden eene soort van zuigwortels, aan sommigen onzer inlandsche planten eigen. Wil men een bekend voorbeeld hiervan, zoo behoef ik slechts te wijzen op de roode draden van het zoogenoemde Warkruid (''Cuscuta Epithymum''), dat onze heideplanten omslingert. Van dit geslacht bestaan onderscheiden soorten, zooals ''C. epilinum'', die op het Vlas woekert en door de landbouwers: Duivelsch naaigaren genoemd wordt; ''C. verrucosa'' uit warmer gewesten, die in onze kassen op planten met saprijke opperhuid zich hecht. Deze planten ontwikkelen zich uit zaad in den grond, maar hare stengels, die niet dan schubvormige rudimenten van bladeren dragen, hechten zich innig aan den<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude>
g383u4jc02vb0vh549uop9q2w5ibjid
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/201
104
85198
222935
218747
2026-06-05T09:38:59Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222935
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE WORTELS DER PLANTEN.|183}}</noinclude>schijf en uit het midden van den grond van deze de wortel, die nu in de schors indringt, zich veelvuldig vertakt en dikwijls meer dan een voet ver in de lengte-rigting van den tak voortgroeit. Verder dan het cambium dringt de wortel niet door, en terwijl elk jaar de tak een nieuwen houtring vormt, ontstaan ook telken jare nieuwe zuigwortels, die grootendeels ten koste van de moederplant de Vogellijm voeden. Een deel van het noodige voedsel ontvangt de plant ook uit de lucht, want zij heeft groene bladeren, die, zooals {{sc|liebig}} bewezen heeft, koolzuur ontleden.
{{dhr}}
{{c|HET INWENDIG MAAKSEL VAN DEN WORTEL.}}
{{dhr}}
Reeds meermalen is in het bovenstaande sprake geweest van het inwendig maaksel der wortels, en bepaaldelijk bij het geven eener bepaling van het karakter van den wortel heb ik niet kunnen nalaten te wijzen op het anatomisch verschil tusschen wortel en stamknop, als een der belangrijkste en standvastigste kenmerken. Het is dus niet overbodig, dat wij na het overzigt der uitwendige vormen ook eenigzins nader stil staan bij het inwendig maaksel.
De wortel is een asorgaan en moet dus in zijne inwendige zamenstelling met die van den stam vergeleken worden. Uitwendig is de wortel bruin en bedekt met kurkweefsel, uit luchthoudende cellen bestaande; alleen het jongste gedeelte heeft eene dunwandige opperhuid zonder spleetopeningen. Hier vindt men gewoonlijk een aantal wortelharen, die ongekleurd en doorschijnend zijn bij de phanerogame planten en steeds uit ééne cel bestaan. Bij enkelen, zooals ''Calendula micrantha'' en ''Brassica Rapa'', zijn zij, volgens {{sc|casparini}}, vertakt. Gewoonlijk yindt men een groot aantal dier wortelharen (zooals bij de Cacteen, Euphorbiaceen, bij ''Pinus, Alnus, Hydrocharis'' enz.), soms echter ontbreken zij ook geheel (b.v. bij ''Abies pectinata, Monotropa, Cicuta virosa'').
Deze wortelharen komen voor over het geheele jongere deel van den wortel, maar zij ontbreken steeds aan de wortelspitsen; trouwens dit gedeelte behoort ook niet tot de jongste van den wortel. Het bestaat uitwendig uit luchtvoerende, bruin geworden en verdroogde cellen, die buitenwaarts afvallen, terwijl de wortelspits van binnen vernieuwd<noinclude></noinclude>
3nq2octrx2y3acsnxs097a5zlbuyfkn
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/204
104
85201
222936
218750
2026-06-05T09:41:58Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222936
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|186|DE WORTELS DER PLANTEN.|}}</noinclude>Die cellenrij is zeer sterk ontwikkeld bij de familie der Smilaceen, en {{Sc|schleiden}} heeft zelfs in de vormen daarvan een middel gevonden om de hoofdsoorten van den Salsaparille-wortel van elkander te onderscheiden. Deze kring komt echter, meer of min ontwikkeld bij de meeste Monocotyledone wortels voor. Ik vond ze bij de wortels van ''Dracaena Draco'', bij ''Cyperus, Juncus, Arundo Donax'' en anderen. Bij deze planten en in het algemeen waar een rhizoma wordt gevonden, komt deze cellenrij duidelijk voor, soms op eene eigen wijze gekleurd. {{sc|Schacht}} vond die rij zelfs bij Dicotyledone wortels terug, namelijk bij ''Cicuta virosa'' en ''Menianthes trifoliata'', en ik heb zijne waarneming bevestigd gevonden. Door deze rij wordt blijkbaar eene grens gesteld aan de verdikking van den wortel, ten minste wanneer niet algemeen plaats heeft, wat {{sc|caspary}} (''Pringsheims Jahrb''., 1, 448) voor Dracaena heeft opgemerkt, dat namelijk later die ring (door hem ''Schutzscheide'' genoemd) springt en in afzonderlijke stukken verdeeld wordt.
Binnen de genoemde kernscheede liggen de vaatbundels, buitenwaarts grenzende aan den cambiumring. Die vaatbundels schijnen bij den wortel in het algemeen niet zoo ordeloos verspreid te zijn als in den stam der Monocotyledonen; bovendien zijn de buitensten digter in een kring aaneengesloten.
De wortel onderscheidt zich dus anatomisch van den stam: 1° door de scheiding der schors in twee gedeelten, 2° door het aanwezen eener kernscheede, 3° door eene meer regelmatige plaatsing der vaatbundels. Hierbij voegt zich voor de jeugdige gedeelten nog 4° het afwezig zijn van spleetopeningen en het aanwezen van talrijke haren.
Bij de Dicotyledonen is het verschil tusschen wortel en stam, vooral bij de oudere stukken, niet zoo in het oog loopend. Ook de wortel ontwikkelt kurk en korst en vormt houtlagen, die zich jaarlijks vermeerderen, terwijl het anatomisch maaksel van deze in de hoofdtrekken overeenkomt met de houtstructuur in den stam, hoewel ook somwijlen belangrijke afwijkingen plaats hebben in verband met stand, groeiwijze enz., zoodat zelfs nu en dan alleen door zeer naauwkeurig onderzoek de analogie tusschen stam- en wortelhout te ontdekken is. Algemeen echter is het merg in den jeugdigen wortel minder ontwikkeld dan in den stam, zoodat het door sommige schrijvers wel geheel overzien is,<noinclude></noinclude>
3ef8eq5km8fnwcq02il7705k4snbgjw
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/205
104
85202
222938
218751
2026-06-05T09:49:54Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222938
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE WORTELS DER PLANTEN.|187}}</noinclude>en hieruit de verkeerde meening is geboren, alsof den wortel het merg ontbrak. Voor oudere wortels kan dit echter geen kenmerk opleveren, aangezien, gelijk bekend is, ook in den meerjarigen stam het merg in verhouding van het hout zeer weinig ruimte inneemt.
De jaarringen zijn gewoonlijk bij de wortels veel smaller dan bij het stamhout, en vooral in de buitenste lagen is dit verschil sterk in het oog loopend. Bij oudere wortels zijn de jongere houtlagen dikwijls zóó weinig ontwikkeld, dat zij ter naauwernood of niet met de loupe te onderscheiden zijn; ja, zelfs bij excentrisch gegroeide wortels ontbreken niet zelden aan de smalle zijde sommige jaarringen geheel, en tien en meer jaarringen zijn tot eene niet meer te onderscheiden massa ineengevloeid.
Gewoonlijk is het hout van den wortel weeker en ligter dan dat van den stam derzelfde plant. De oorzaak van dit een ieder bekende verschil is echter, volgens {{sc|v. mohl}}, niet te zoeken in grooter afmetingen der elementair-organen, als zouden deze (met name de vaten en houtcellen), zooals {{Sc|schacht}} beweert<ref>{{sc|Schacht}} heeft in de laatste dagen de bovengenoemde voorstelling, die reeds in zijn welbekend handboek vermeld staat, in een nader artikel (''Bot. Zeit''., 1862, no. 48, 49) tegen {{Sc|v. mohl}} staande gehouden en verdedigd, zoodat de strijd op dit gebied nog niet geëindigd is.</ref>, de gelijksoortige deelen in den stam 2 tot 4 maal in breedte overtreffen. Wel hebben in vele gevallen, bij de Naaldhouten de houtcellen, bij de Loofhouten de vaten in den wortel eene iets grooter middellijn dan in den stam, maar dit verschil is, zoo als dezer dagen bekend gemaakte naauwkeurige metingen van {{sc|hugo von mohl}} geleerd hebben, hoogstens {{smaller|{{frac|1|4}}}} of {{smaller|{{frac|1|5}}}} van de afmetingen in den stam. Aangezien nu hierdoor de inhoud der cellen tweemaal grooter kan worden, zoo zal bij de Naaldboomen, wier hout bijna uitsluitend uit houtcellen bestaat, het wortelhout gewis hieraan voor een deel zijne grootere poreusheid kunnen ontleenen. De hoofdoorzaak bestaat echter bij de Naaldboomen in de verhouding tusschen het aantal dunwandige en dikwandige cellen in den jaarring. Terwijl in den stam het buitenste uit dikwandige cellen bestaande deel van den jaarring een des te grooter gedeelte van dezen uitmaakt, naarmate de jaarring dunner is (ten gevolge waarvan het<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude>
n6beiqb9fjelnaj314n7tdmjk4q87ky
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/206
104
85203
222939
218752
2026-06-05T09:52:52Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222939
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|188|DE WORTELS DER PLANTEN.|}}</noinclude>langzaam gegroeide dennenhout steeds harder en zwaarder is), heeft in den wortel juist het omgekeerde plaats. Het buitenste, vaste gedeelte ontwikkelt zich des te meer, hoe dikker de jaarring is, en in zeer dunne jaarringen, gelijk men steeds in oudere wortels vindt, ontbreekt het bijna geheel. De wortel van Denne- en andere Naaldboomen heeft dus zijne grootere poreusheid nog meer aan het bijna geheel ontbreken der dikwandige cellen dan aan de grooter afmetingen der elementair-organen te danken.
Bij de Loofhouten wordt de grootere weekheid van het wortelhout te weeg gebragt door andere omstandigheden, die evenzoo met de structuur van het hout innig zamenhangen. Geenszins heeft men hier te denken aan grooter afmetingen der vaten, zoo als velen verkeerdelijk meenen. Door naauwkeurige metingen kwam {{sc|von mohl}} in tegendeel tot de verrassende uitkomst, dat, althans bij den esch en den eik, de vaatcellen enger zijn in den wortel dan in den stam.
Wil men zich rekenschap geven van de meer poreuse geaardheid dezer wortels, dan dient men in het oog te houden, dat in den wortel der Loofhouten, evenals in dien der Naaldboomen, de jaarringen gewoonlijk veel minder breed zijn dan in den stam, en dat eene zoodanige gebrekkige of minder krachtige ontwikkeling van den jaarring steeds geschiedt ten koste van het middelste gedeelte van het weefsel. Het binnenste of oudste gedeelte blijft nagenoeg even groot, hetzij de jaarring dikker of dunner is, terwijl eindelijk de buitenste laag van den jaarring zoo weinig dikte heeft, dat zij gewoonlijk niet meer dan een smalle grensstreep vormt.
Vindt men nu, zooals bij den eik en den esch, aan de binnenzijde van den jaarring een poreus weefsel, bestaande uit groote, digt bijeen geplaatste vaten, met betrekkelijk weinig celweefsel daartusschen, en is daarentegen het midden van den jaarring gevormd uit dikwandige houtcellen en een niet te groot aantal naauwe vaten, die te zamen eene vrij digte massa uitmaken, dan is het duidelijk, dat met het verminderen of ontbreken van dit laatste weefsel, in elken jaarring, de houtmassa allengs zeer poreus moet worden.
Bij den beuk is de zaak eenigzins anders. In het hout van den stam ontbreekt de door groote vaten gekenmerkte laag, die wij bij eik en<noinclude></noinclude>
brj2svs63dx3a9r8mikcy9fty8okdue
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/207
104
85204
222940
218753
2026-06-05T09:55:07Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222940
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE WORTELS DER PLANTEN.|189}}</noinclude>esch bespeurden. De binnenste en middelste lagen, die tamelijk gelijkvormig gebouwd zijn, vormen eene soort van tegenhanger tegen het meer compacte buitengedeelte van den jaarring. Met het smaller worden van dezen kan dus niet zulk eene plotselinge toename van poreusheid gepaard gaan, als in de genoemde voorbeelden van eik en esch.
Het wortelhout van den beuk onderscheidt zich van het stamhout door een minder gelijkmatig weefsel en door grooter poreusheid. Waar de jaarring goed ontwikkeld is, daar vindt men in het binnenste gedeelte één of twee kringen van zeer wijde, met het bloote oog waarneembare vaten, terwijl van daar af de vaten in het overige van den jaarring allengs in grootte afnemen. Dit reeds moet het wortelhout van den beuk poreuser maken, maar daarbij komt nog (en dit geldt vooral ook van de smalle jaarringen), dat het aantal vaten veel grooter is in verhouding tot het overige van den jaarring, en dat de in het stamhout van den beuk reeds zoo breede mergstralen hier nog talrijker en breeder zijn, zoodat de hoeveelheid dikwandige houtvezelcellen in den wortel uiterst gering wordt.
Aldus hebben de wortels van eik, esch en beuk alle een poreuser weefsel dan de stam derzelfde plant, maar deze grootere poreusheid wordt bij allen niet door dezelfde middelen bereikt. Bij de twee eersten zijn de vaten niet wijder dan in den stam, maar het houtcellenweefsel daaromheen is veel dunwandiger; bij den beuk daarentegen zijn de houtcellen veel dikwandiger, zoodat zij op zich zelve den wortel digter zouden maken, maar haar aantal is zeer gering, en de aanzienlijke wijdte en het groote aantal der vaten veroorzaakt hier de meerdere poreusheid.
Men ziet alzoo, dat de wortels onzer meest gewone boomen, nevens belangrijke overeenkomst met den stam, in het inwendig maaksel ook merkwaardige afwijkingen vertoonen. Het bovenstaande moge als eene kleine bijdrage tot de anatomische kennis der wortels en de toepassing daarvan voldoende zijn. Wie zich opgewekt mogt gevoelen om ook andere wortels naauwkeurig te onderzoeken, zal gewis nog een aantal belangrijke bijzonderheden vinden.
Aan den hoofdwortel ontstaan neven- en bijkomende wortels, zooals<noinclude></noinclude>
6kv7z7rabxay8qqfq6dmp4k676850eh
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/209
104
85206
222941
218755
2026-06-05T09:56:50Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222941
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE WORTELS DER PLANTEN.|191}}</noinclude>Zoo in onze kassen eene plant een langen spilligen stam heeft gevormd zonder bladeren, dan kan men de plant een meer gewenscht voorkomen geven, door op de verlangde hoogte adventiefwortels te doen ontstaan. Men behoeft daartoe slechts op die plaats eenige insnijdingen te maken en de gewonde plek met aarde te omgeven, door een in twee helften gespleten bloempot met aarde gevuld hierom te bevestigen. Na eenigen tijd zijn in de aarde een aantal gezonde wortels ontstaan en men kan nu het boveneinde met zijne adventiefwortels afsnijden en verpotten. Men verkrijgt dan dikwijls twee stammen, die beide voortgroeijen.
Wanneer echter eenmaal een stam- of een wortelknop met zijne eigenaardige kenmerken is aangelegd, dan wordt deze knop niet meer veranderd, maar groeit, of volgens zijne bestemming voort, of sterft af, wanneer de omstandigheden geheel veranderd worden.
In dezen zin moet ook het verhaal worden opgevat van boomen (zoo als b.v. de Spanjaardslaan in den Haarlemmerhout), die omgekeerd zouden zijn, zoodat hun tegenwoordige stam eenmaal wortel, en hun wortel eenmaal stam zou geweest zijn. Indien dergelijke omkeering werkelijk heeft plaats gehad, hetgeen door sommigen betwijfeld wordt, dan kunnen de boomen niet anders in leven gebleven zijn, dan doordien de takken, onder den grond gebragt, adventiefwortels gemaakt en de verhoute wortels (want de jeugdige doen het niet), in de lucht geplaatst, adventief-stamknoppen gevormd hebben.
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude>
icpntxfiii5oppx2njrc6tv4gea0ndo
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/227
104
85207
222896
218756
2026-06-05T07:20:14Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222896
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr|2}}
{{c|{{xx-larger|IETS OVER VUURBOLLEN IN HET ALGEMEEN EN DIEN VAN DEN 4 MAART IN HET BIJZONDER;}}
{{smaller|DOOR}}
{{larger|[[Auteur:Frederik Wilhelm Christiaan Krecke|F.W.C. KRECKE]].}}}}
{{dhr|2}}
{{rule|5em}}
{{dhr}}
Op den 4 Maart j.l., des avonds omstreeks 6 uur 55 minuten, vertoonde zich aan den hemel een vuurbol van eene ongewone helderheid, die in weinige oogenblikken een groot gedeelte van het zigtbare hemelgewelf doorliep en met een' geweldigen slag vaneen barstte. Hij werd door ons geheele land, in België, Westphalen en zelfs in Engeland gezien. Wij willen niet trachten den zoo hoogst verschillenden indruk te schetsen of te raden, dien dit prachtige natuurverschijnsel op de duizenden van menschen maakte, die het min of meer naauwkeurig konden waarnemen, noch gewagen van de niet minder uiteenloopende gissingen, die velen aangaande den oorsprong en het wezen daarvan maakten. Ofschoon die indruk nog versch in het geheugen ligt, zal het misschien niet overtollig zijn hier te vermelden, dat sommige personen, door den glans van het onverwachte verschijnsel verrast, in onmagt vielen en zelfs, zooals de dagbladen vermeldden, eene vrouw door den schrik gestorven is; dat de een meende, dat de maan in tweeën was gesprongen, een ander, dat de duivel op een paard met vurigen staart door de lucht reed en dergelijke meer.
Wij zouden gaarne aan het billijk verlangen der lezers van dit Album voldoen, die ter bevrediging van hunne weetgierigheid of tot uitbreiding hunner kennis hier eene naauwkeurige uiteenzetting van den oorsprong, aard, loop en einde van deze verschijnselen zouden zien. Om echter teleurstelling te voorkomen, moeten wij echter reeds vooraf mededeelen, dat onze kennis dienaangaande nog zeer onvolkomen is en dat er dus een aantal van vragen onbeantwoord moet blijven.
Reeds sedert de vroegste tijden heeft men de vuurbollen kunnen<noinclude>{{rh|{{gap|2em}}1863.||14{{gap|2em}}}}</noinclude>
mcrht923o2nbk1m3nsprfnlcozec4vr
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/228
104
85238
222897
218820
2026-06-05T07:22:10Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222897
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|210|IETS OVER VUURBOLLEN IN HET ALGEMEEN|}}</noinclude>waarnemen, daarover veronderstellingen maken, deze aan de waarnemingen en de bekende waarheden toetsen en daaruit eenige uitkomsten afgeleid, die wel is waar niet boven allen twijfel verheven zijn, maar toch zeer veel waarschijnlijkheid voor zich hebben. Eene uiteenzetting daarvan willen wij hier beproeven.
Ofschoon vuurbollen zich zeer verschillend van glans en grootte vertoonen en de omstandigheden, die hunne verschijning vergezellen, zeer onderscheiden zijn, doen zij zich in het algemeen op de volgende wijze voor.
Er verschijnt een lichtend punt aan den hemel, zooals bij eene dusgenoemde vallende of verschietende ster, of een klein, licht en als ontvlammend wolkje, of wel een of meer evenwijdige lichtstrepen, waaruit zich weldra een lichtend ligchaam vormt. Dit ligchaam beweegt zich met groote snelheid, soms langs eene regtlijnige of eenigzins gebogene baan, soms als het ware met sprongen; het wordt grooter en vormt een vurigen bol, die vlammen, rook en vonken uitwerpt. Deze vuurbol heeft meestal een staart, die aan de achterzijde spits uitloopt en als in rook of damp schijnt te eindigen. Somtijds bestaat die staart uit afzonderlijke deelen, die kleinere vuurbollen vormen. In vele gevallen verdwijnt het verschijnsel, zonder eenig spoor achter te laten, in andere laat het eene lichtende streep na, die nog gedurende eenige seconden zigtbaar blijft. De kleur van de vuurbollen is zeer verschillend; men vindt roode, blaauwe en witte vermeld en in de onderscheidene deelen zijn meestal verschillende kleuren. Het licht, dat zij verspreiden, verschilt mede aanmerkelijk; van sommigen wordt het met dat van de planeten Venus of Jupiter vergeleken, van andere bij dat der volle maan, terwijl er ook bij dag zijn gezien, die zulk een sterk licht verspreidden, dat de voorwerpen zelfs in den zonneschijn nog schaduw wierpen, zoodat hun licht met dat der zon eenigermate te vergelijken was. In eenige gevallen barst de vuurbol vaneen met een sterken knal, die door sommigen met den donder, door anderen met het rijden van een spoortrein over eene brug of met hét instorten van gebouwen wordt vergeleken, zoodat de grond daarvan dreunt. Daarbij vallen dan de stoffen, die zich niet als rook of damp in de lucht hebben verbreid, als steen- of ijzermassa's<noinclude></noinclude>
t5fbgtoxuvrvzoayw2i7pcbcuf3jkg4
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/230
104
85239
222899
218821
2026-06-05T07:25:58Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222899
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|212|IETS OVER VUURBOLLEN IN HET ALGEMEEN|}}</noinclude>tevreden stellen. Om echter een denkbeeld te geven van de wijze, waarop zoodanige baan kan worden bepaald, willen wij een voorbeeld nemen. Stellen wij, dat er een vuurbol van het Noorden naar het Zuiden over ons land trok, dat hij langs eene regte lijn zich voortbewoog en uit eene aanzienlijke hoogte allengs tot de oppervlakte der aarde naderde, zoodat hij aan de zuidelijke grenzen van ons land, b.v. ten zuiden van Tilburg, den grond bereikte. Een waarnemer, die te Tilburg stond, zou dan, omdat hij de beweging naar zich toe niet kan waarnemen, den vuurbol zich eerst langzaam en daarna met toenemende snelheid zien verheffen, over zijn hoofd zien heengaan en vervolgens in het zuiden tot de aarde naderen. Van de werkelijke daling zou hij niets bemerken, voordat de vuurbol over zijn hoofd was heengegaan. Indien de waarnemer daarentegen in het noorden van ons land geplaatst ware, b.v. op Terschelling, en wel met zijn aangezigt naar het zuiden gekeerd, dan zou hij den vuurbol met groote, doch allengs afnemende snelheid van uit het zenith naar het zuiden zien gaan. Het zou hem toeschijnen, dat hij eerst snel en daarna langzaam viel, en daar hij niet over den afstand zou kunnen oordeelen, zou hij al ligt meenen, dat de vuurbol op eenen kleinen afstand van zijne standplaats gevallen ware. Hij zou te meer in die dwaling geraken, indien hij niet vermoedde, dat de bol zich met zoo groote snelheid voortbewoog. In dit geval hebben zeer velen verkeerd bij de verschijning van den vuurbol op den 4 Maart l.l. Denkt men zich ergens in het oosten van ons land geplaatst, b.v. te Almelo, Oldenzaal, Enschedé of daaromtrent, dan zal men den vuurbol, die de veronderstelde baan doorloopt, eerst in het noordwesten op eene zekere hoogte zien en hem vervolgens naar het westen en zuidwesten zien gaan, terwijl hij voortdurend daalt. Een waarnemer in het westen van ons land, b.v. te 's Hage geplaatst, zou den vuurbol achtereenvolgens in het N.N.O., N.O. O. en Z.O. zien, en mede dalend. Het is nu ligt in te zien, dat de baan van zoodanig meteoor zou kunnen worden bepaald, indien men naauwkeurige opgaven bezat van een of meer punten der baan; dat is van de hoogte, die het meteoor had, toen het zich in eene bepaalde rigting bevond. Door verbinding van meerdere zoodanige opgaven onderling kan dan de baan min of meer naauwkeurig worden<noinclude></noinclude>
94wqzyjwobm56hx57gv96750dcn6t8i
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/232
104
85240
222901
218822
2026-06-05T07:34:42Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222901
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|214|IETS OVER VUURBOLLEN IN HET ALGEMEEN|}}</noinclude>die 32, 98, 215, 2200, 2500 en zelfs 3000 meters middellijn hadden.
Reeds sedert de vroegste tijden werd er nu en dan melding gemaakt van het vallen van steenen, nadat een vuurbol met eenen knal was uiteen gebarsten. Aan de Grieken en Romeinen was dit verschijnsel bekend en ook in de jaarboeken der Chinezen zijn gevallen daarvan opgeteekend. Uit de middeleeuwen hebben vooral de Arabische schrijvers vele gebeurtenissen van dien aard geboekt, zonder daaromtrent echter bepaalde meeningen te uiten of de toedragt met bijvoegsels te vermengen. Ook in latere tijden werd door de geschiedschrijvers meermalen melding gemaakt van het vallen van steenen, en op vele plaatsen werden stukken bewaard, die nedergevallen waren. In de laatste helft der vorige eeuw en in het begin van deze was er echter een zeer algemeene twijfel daaromtrent ontstaan. Deze werd uitgelokt en aangewakkerd door het beweren van sommigen, dat de vuurbollen en de meteoorsteenen in den dampkring zouden ontstaan. Velen twijfelden niet alleen, maar ontkenden het geheele feit van het neêrvallen van meteoorsteenen. Uit eenige kabinetten werden de vroeger bewaarde stukken verwijderd, omdat men vreesde voor ligtgeloovig te worden gehouden, als men die langer daarin bewaarde. Te Bern ging men zelfs zoo ver, dat men niet slechts de steenen wegwierp, maar ook de daarbij behoorende oorkonden. Het waren vooral de {{sc|de luc}}'s, die tegen het geloof aan meteoorsteenen ijverden. {{sc|J. a. de luc}} schreef er vijf opstellen tegen, en {{sc|g.a. de luc}} ging zelfs zoo ver van te verklaren: "al zag ik een steen voor mijne voeten vallen, dan zou ik het toch niet gelooven." De beroemde geoloog {{sc|werner}} was voorzigtiger in het uiten zijner meening; hij zeide: "daar wij zulke steenen niet op aarde hebben, moeten ze wel daar van daan komen, waar men ze heeft." Op vele plaatsen had men steenen gevonden, die de grootste overeenkomst hadden met de meteoorsteenen, en daar deze met geene bekende mineralen in vorm en zamenstelling overeenkwamen, had men ze op dien grond voor meteorische massa's verklaard. {{sc|Pallas}} had op zijne reis door Siberië, op den rug van een hoog leigebergte tusschen Krasno-jarsk en Abakansk, dus op eene plaats waar geen ijzer kon voorkomen, eene ijzermassa van onregelmatigen vorm gevonden, die omstreeks 1600 ponden woog. De Tartaren van die streken vereerden<noinclude></noinclude>
6oxr3ucc2pnve4ipt89a01p6sa3r28g
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/234
104
85241
222903
218823
2026-06-05T07:45:46Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222903
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|216|IETS OVER VUURBOLLEN IN HET ALGEMEEN|}}</noinclude>gemeente van l' Aigle beklaagd, die een zoo dommen maire had, dat hij aan zulke sprookjes geloofde. Er kwamen echter zoovele berigten van dit voorval en deze trokken zoozeer de algemeene aandacht, dat de bekende natuurkundige {{sc|biot}}, als commissaris van het Fransche instituut, werd afgevaardigd om de zaak op de plaats zelve te onderzoeken. De hier vermelde bijzonderheden zijn aan zijn berigt dienaangaande ontleend. Dit geval, hetwelk met zeer veel naauwkeurigheid door
{{sc|biot}} is nagegaan, zou nog met vele andere uit vroegeren en lateren tijd kunnen worden vermeerderd. {{sc|chladni}} gaf in 1819 een werk uit: "Over vuurmeteoren en de daarbij nedergevallen massa's." Daarin komt eene opsomming voor van zoodanige, die vóór het begin van onze tijdrekening zijn vermeld, en van omstreeks 158 na het begin daarvan tot 1818. Het verdient de opmerking, dat de gevallen in elke volgende eeuw steeds menigvuldiger worden, wat een natuurlijk gevolg is van de meerdere bekendheid, die zij allengs bekwamen. Van 1706 tot 1797 komen in de lijst 33 en van 1800 tot 1818, 37 gevallen voor.
In eene lijst, door {{sc|arago}} gegeven, komen er 657 voor, waarvan alleen van 1802 tot 1852 296. Deze lijst bevat niet alleen de gevallen, waarin steenen zijn nedergevallen, maar ook de vuurbollen in het algemeen. Het is echter ontwijfelbaar, dat er zich zeer vele vertoond hebben, die niet vermeld zijn, zoodat men veilig mag besluiten, dat hun aantal veel aanzienlijker is dan het hier opgegevene, te meer nog, omdat daarin slechts die zijn vermeld, die op het land en in de meest bevolkte streken zijn voorgekomen.
Het voornoemde werk van {{sc|chladni}} bevat voorts nog eene lijst van ijzermassa's, die, uit hoofde van hare van de gewone mineralen afwijkende zamenstelling, voor meteoormassa's moeten gehouden worden, benevens een aantal berigten van stofachtige of weeke zelfstandigheden, die of droog of in vochtigen staat nedergevallen zouden zijn. Door {{sc|arago}} is die lijst aangevuld en uitgebreid.
Aangaande de scheikundige zamenstelling der meteoorsteenen is onze kennis volkomener dan betreffende hunnen loop, grootte en verdere bijzonderheden. De ontleding der meteoorsteenen heeft ons geene stoffen leeren kennen, die niet reeds van elders op aarde bekend waren. Zij bevatten namelijk zuurstof, zwavel, phosphorus, koolstof,<noinclude></noinclude>
7bsr7b9mg8t44fxao1ack1kga2k6a8q
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/236
104
85242
222905
218824
2026-06-05T07:52:58Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222905
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|218|IETS OVER VUURBOLLEN IN HET ALGEMEEN|}}</noinclude>en vuurbollen wijdt, heeft er tot in September 1853 168 gezien.
Het gezamenlijk getal van vuurbollen, waarvan de tijd van het jaar bekend is, waarin zij zich vertoond hebben, bedraagt 813. Gaat men na, hoeveel er zich in de verschillende maanden hebben vertoond, dan blijkt het, dat dit getal zeer onderscheiden is. Het kleinste aantal, 43, komt voor in Junij, het grootste, 123, in Augustus. In de zes eerste maanden van het jaar is het getal mede kleiner dan in de zes laatste, want van Januarij tot en met Junij bedraagt het 305 en in de overige maanden des jaars 508. Voor September is het getal echter veel geringer dan voor Augustus, namelijk slechts 64.
In het voorgaande zijn in een kort bestek de voornaamste bijzonderheden bijeengebragt, die de waarneming en het onderzoek der vuurbollen ons hebben leeren kennen. Men heeft kunnen opmerken, dat die kennis nog vrij oppervlakkig is, voor zoover zij den loop, de grootte en de snelheid dezer verschijnselen betreft. Alleen de scheikundige zamenstelling is met meer zekerheid bekend. Er blijven dus aangaande de eerstgenoemde punten nog vele vragen ter beantwoording over. Doch het behoeft naauwelijks gezegd te worden, dat aan de waarneming zeer groote moeijelijkheden verbonden zijn, die vooral in het onverwachte en plotselinge van het verschijnsel gelegen zijn, alsmede in het snelle verloop. Indien het mogelijk ware de plaats van het ontstaan en nog eenige andere punten der baan met juistheid te bepalen, dan zouden wij weldra de ligging dier banen kunnen leeren kennen en daaruit belangrijke gevolgtrekkingen afleiden. Doch hoezeer de gegevens de noodige juistheid missen en slechts eenige grenzen zijn aangegeven, kunnen wij door middel daarvan reeds sommige gewigtige vragen, zoo al niet met zekerheid, dan toch met groote waarschijnlijkheid beantwoorden, terwijl door het uitsluiten van datgene wat onmogelijk of althans hoogst onwaarschijnlijk is, tevens andere meeningen in kracht winnen.
Eene eerste vraag is deze: Van waar komen de vuurbollen en waar gaan zij heen, indien zij niet op aarde vallen?
Boven is reeds opgemerkt, dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat zij in den dampkring zouden worden gevormd, omdat de bestanddeelen,<noinclude></noinclude>
jwjq8606i6307oso63mwnbc59rd407t
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/238
104
85243
222907
218833
2026-06-05T07:56:46Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222907
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|220|IETS OVER VUURBOLLEN IN HET ALGEMEEN|}}</noinclude>bedraagt 631 meters in ééne seconde. Indien dus de maanvulkanen aan de uitgeworpene massa's eene viermalen grootere snelheid kunnen mededeelen dan wij aan onze kanonskogels, dan zouden ze buiten de grens kunnen worden geworpen, waar de aantrekking der maan de overhand heeft boven die der aarde en dus naar de aarde kunnen vallen. Dit behoort dus niet onder de onmogelijke zaken. {{sc|Olbers}}, die reeds in 1795 in eene voorlezing te Bremen op de mogelijkheid van den oorsprong der meteoorsteenen uit de maan had gewezen, betwijfelde zelf de waarschijnlijkheid daarvan, op grond dat er zoovele omstandigheden moeten zamenloopen om een door de maan uitgeworpen steen op aarde te doen vallen. Want, behalve dat de maanvulkaan juist naar de aarde zou moeten zijn gerigt, deelt de uitgeworpen massa in de beweging der maan zelve, zoodat de steen een elliptische baan rondom de aarde zou moeten beschrijven en dus zelf eene kleine maan zou worden. Het nederstorten zou dus alleen dan kunnen plaats hebben, indien het perigaeum, d.i. het punt, waarin de loopbaan het digtst bij het middelpunt der aarde kwam, binnen de aarde zelf gelegen was. Het is dus onwaarschijnlijk, dat deze zeldzame omstandigheden zoo dikwijls zouden zamentreffen om daaruit de inderdaad veel minder zeldzaam nedervallende meteoormassa's te verklaren.
Er blijft dus niet veel anders over dan om de vuurbollen en meteoorsteenen te houden voor kosmische massa's, dat is: verzamelingen van stof, die in de hemelruimte rondzweven. Van de banen, die zij beschrijven, is ons niets bekend, omdat zij, behalve wanneer ze zeer nabij de aarde komen, niet zigthaar zijn. Er ligt niets vreemds in het denkbeeld, dat er behalve de grootere planeten en kometen nog een oneindig aantal van stofmassa's door de ruimte van ons planetenstelsel en daar buiten rondloopt. De ouden kenden reeds eenige planeten, die zich door hare bewegingen en lichtsterkte spoedig als dusgenoemde dwaalsterren aan hen kenbaar maakten. Later werd het aantal der groote planeten met twee vermeerderd, Uranus en Neptunus. Van 1800 tot 1807 werden er vier kleine ontdekt tusschen de loopbanen van Mars en Jupiter. Sedert het jaar 1845 tot den 15 Maart l.l. is het aantal daarvan reeds tot 78 geklommen en het is hoogst waarschijnlijk, dat dit getal, door de ijverige bemoeijingen van<noinclude></noinclude>
g3jrdl8nw5cq3nva446lml5qphku4tp
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/240
104
85244
222909
218826
2026-06-05T08:44:08Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222909
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|222|IETS OVER VUURBOLLEN IN HET ALGEMEEN|}}</noinclude>niet slechts ontbrandt, maar zelfs ontploft, zooals dit bij vele is vernomen? Wij zouden nog een aantal andere vragen kunnen doen, die bij den tegenwoordigen staat onzer kennis aangaande dit onderwerp toch niet kunnen worden beantwoord. De uitbreiding van onze kennis aangaande de vuurbollen hangt grootendeels van de naauwkeurigheid der toekomstige waarnemingen af. De juiste bepaling van het punt waar zij ontstaan of eindigen, of van eenig ander punt der baan, de hemelstreek en de hoogte, of wel de sterren, waarlangs men den vuurbol heeft zien heentrekken, zijn goede aanwijzingen, als men die van verschillende plaatsen, die niet te digt bij elkander liggen, kan bekomen, omdat door verbinding daarvan de ware baan kan worden afgeleid.
En nu ten slotte nog een woord over den vuurbol van den 4 Maart j.l.
Volgens een berigt uit Manchester werd hij aldaar in het oost-zuidoosten gezien en nabij Londen in het oost-noordoosten. Naar de in Engeland gedane bepaling zou hij ten N.N.O. van Londen op eene hoogte van 90 Eng. mijlen, d.i. 30 uren gaans of 166½ kilometers, begonnen zijn zigtbaar te worden, dus van de Noordzee over ons land zijn gekomen en ten noorden van Luik zijn verdwenen. Deze bepalingen zijn echter slechts als eerste benaderingen te beschouwen, die weinig naauwkeurig zijn. Professor {{sc|heis}} te Munster, die zich sedert eene reeks van jaren met de studie der vallende sterren en vuurbollen heeft bezig gehouden, verzamelde niet slechts uit ons land, maar ook uit vele deelen van Rijnland, Westphalen en Belgié berigten aangaande dezen vuurbol. Behalve uit ons land ontving hij die uit Kleef, Eupen (bij Aken), Minden, Paderborn, Coblentz en zelfs uit Trier, in welke laatste plaats het verschijnsel echter slechts zwak werd gezien. Volgens de bepalingen van professor {{sc|heis}} (waarvan hij de goedheid had mij een kaartje met de daarbij behoorende opgaven te zenden), ging het meteoor nagenoeg in de rigting van het noorden naar het zuiden over ons land en wel zoodanig, dat het nagenoeg over de volgende plaatsen trok, — gelegen in eene lijn, die men van het noordoostelijke uiteinde van het eiland Vlieland naar Alphen in Noord-Brabant of naar Turnhout trekt, — namelijk Medemblik, Hoorn, Edam, Weesp, Gorinchem, 's Grevelduin-Kapelle en Alphen. De baan<noinclude></noinclude>
akxhynikxt21dlsb7yyjb34alele3kf
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/242
104
85245
222911
218827
2026-06-05T08:48:27Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222911
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|224|IETS OVER VUURBOLLEN IN HET ALGEMEEN enz.|}}</noinclude>gekraak of geknetter werd gevolgd, hetwelk eenigen tijd aanhield. Naarmate men er verder van verwijderd was, was het geluid zwakker en vergeleek men het met een doffen donderslag. Indien wij aannemen, dat de vuurbol omstreeks boven Besoijen gesprongen is en dan de verste punten zoeken, waar men den slag nog heeft gehoord, dan verkrijgen wij (voor zoover onze berigten gaan) in noordwestelijke rigting Scheveningen en in oostzuidoostelijke rigting op nagenoeg gelijken afstand Horst, in Limburg. Deze plaatsen liggen aan de grenzen van eenen cirkel met eenen straal van 9,9 Duitsche geographische mijlen of bijna 73 kilometers. Te Maastricht en te Middelburg, die buiten dezen kring liggen, werd geen slag gehoord. Het spreekt van zelf, dat het tijdsverloop tusschen het oogenblik, waarop men den vuurbol zag vanéén springen en dat, waarop men den slag hoorde, grooter en grooter was, naarmate men zich verder van de plaats bevond, waar het geluid ontstond. Voor de verst verwijderde plaatsen kan dit ongeveer drie minuten en 20 seconden hebben bedragen. Het is ligt in te zien, dat men omgekeerd, indien het tijdsverloop bekend was, uit de bekende snelheid van het geluid den afstand zou kunnen bepalen.
Door verschillende personen werd de duur van het verschijnsel op zes of acht seconden geschat. Nemen wij nu aan, dat men den vuurbol gezien heeft gedurende den tijd dat hij van boven Vlieland tot aan de Belgische grenzen ging, dat is over eenen weg van meer dan 200 kilometers, dan volgt daaruit, dat zijne snelheid ongeveer 25,000 tot 30,000 meters per seconde zou hebben bedragen, dat is 2500 tot 3000 malen sneller dan een spoortrein of 40 tot 48 malen sneller dan een kanonskogel.
Er zouden nog een aantal bijzonderheden hier kunnen worden vermeld, zooals het draaijen van den bol om zijne as, dat sommigen meenen te hebben waargenomen, en dergelijke; doch wij moeten hier eindigen om niet buiten het bestek van dit tijdschrift te gaan. Uit het voorgaande is echter reeds genoegzaam gebleken, dat onze kennis aangaande deze raadselachtige ligchamen nog zeer onvolkomen en alles, wat wij dienaangaande weten, vrij onbepaald is, zoodat er voor beminnaren der natuurstudie ook hierin nog een ruim veld van onderzoek overblijft, waarop zij met vrucht kunnen werkzaam zijn.
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude>
ctagxic94sl3gj2zxjbb58dm93qdfdj
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/229
104
85246
222898
218828
2026-06-05T07:23:47Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222898
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||EN DIEN VAN DEN 4 MAART IN HET BIJZONDER.|211}}</noinclude>massa's neder. Soms valt er, naar het schijnt, slechts eene enkele massa neder, soms vallen er daarentegen honderden, ja duizenden van steenen, die te zamen eene aanzienlijke massa uitmaken. De aldus nedergevallen massa's bevatten geene ons vreemde stoffen, dat is geene zoodanige, die niet reeds op aarde bekend zijn. Zoowel de vorm als de verhouding van de bestanddeelen dezer aërolithen of meteoorsteenen is verschillend van die van alle andere mineralen, zoodat zij daardoor vrij gemakkelijk van andere steenen zijn te onderscheiden. Meermalen schijnen deze meteoren als stof of in anderen vorm te zijn nedergevallen. De schijnbare grootte, waaronder de vuurbollen zich vertoonen, verschilt niet minder dan hun licht. Nu eens hebben zij eene middellijn van geringe afmeting, dan eens is die als ¼, ½, ¾ der maan, soms zoo groot als die der maan, naarmate van den afstand des waarnemers.
Op de hier beschrevene wijze vertoonen zich in het algemeen de vuurbollen. — Uit de enkele waarneming laat zich weinig meer dienaangaande afleiden. Wat wij verder daarvan weten is drieërlei, en wel vooreerst datgene wat wij met zekerheid kennen; ten tweede wat wij binnen bepaalde grenzen daarvan weten en ten derde wat wij als waarschijnlijk kunnen achten. De volgende beschouwingen zullen dit nader toelichten.
Letten wij in de eerste plaats op den weg, dien deze ligchamen doorloopen gedurende den tijd dat zij zigtbaar zijn. Daar het stoffelijke voorwerpen zijn, zooals door het nedervallen van een groot aantal bewezen is, moeten zij ook aan de wetten der aantrekkings- of zwaartekracht gehoorzamen. Indien zij vóór hunne zigtbaarheid in de ruimte rondzweefden, wordt de baan die zij doorloopen gestoord, wanneer zij tot de aarde naderen, en die storing kan zoodanig zijn, dat zij op onze planeet nederstorten. Indien het nu mogelijk ware om de baan, die een vuurbol gedurende den tijd van zijne zigtbaarheid doorloopt, met naauwkeurigheid te bepalen, dan zouden daaruit ook gevolgen aangaande zijnen vroegeren loop kunnen worden afgeleid. Wegens het onverwachte van het verschijnsel, en vooral om de groote snelheid van zijne schijnbare beweging, is dit echter niet mogelijk en men moet zich dus met weinig naauwkeurige bepalingen dienaangaande<noinclude></noinclude>
2kogvx61cl8lgvqc4blzyu82h8tx55d
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/231
104
85247
222900
218829
2026-06-05T07:31:19Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222900
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||EN DIEN VAN DEN 4 MAART IN HET BIJZONDER.|213}}</noinclude>bepaald. Daar de schijnbare snelheid meestal zeer groot is, is dit echter zeer moeijelijk. Zonder hieromtrent in verdere bijzonderheden te kunnen treden, willen wij alleen vermelden, dat door verbinding van gelijktijdige waarnemingen gebleken is, dat de snelheid, waarmede de vuurbollen zich bewegen, zeer groot is, en wel veel grooter dan die van eenige andere beweging op aarde, zoodat er voorbeelden zijn, dat vuurbollen eene snelheid van 2700 tot 76000 meters in eene seconde hadden. Indien men nu in aanmerking neemt, dat de aanvangssnelheid van een kanonskogel, die uit een getrokken stuk geschut wordt geschoten, slechts 631 meters in de seconde bedraagt, dan ziet men ligt in, dat er geene waarschijnlijkheid bestaat, dat de vuurbollen door eenige kracht op aarde de genoemde snelheid zouden verkrijgen; deze komt nader bij die, waarmede de hemelligchamen zich in hunne banen bewegen. Een punt onder den evenaar doorloopt, ten gevolge van de dagelijksche wenteling der aarde om hare as, 464 meters in eene seconde, en de aarde doorloopt hare baan om de zon met eene snelheid van 30400 meters in elke seconde.
De hoogte boven de oppervlakte der aarde, waarop de vuurbollen zich beginnen te vertoonen, is zeer onderscheiden. Er zijn voorbeelden van sommige, die zich op 3, 4, 5, 10, 20, 30, 60, 70, ja op meer dan 100 uren gaans boven de oppervlakte der aarde begonnen te vertoonen. Van 23 voorbeelden waren er twee, die meer dan 100, vijf, die meer dan 50, vijf, die meer dan 20, zes, die meer dan 50 en vijf, die tusschen 3 en 10 mijlen hoogte hadden, toen zij zich begonnen te vertoonen. Wij zullen hierop later nog terug komen.
Indien de baan, die eenig ligchaam doorloopt, bekend is, dan kan men den afstand van elk punt der baan tot den waarnemer bepalen. Kent men nu bovendien den hoek, waaronder dat ligchaam in eenig punt zijner baan wordt gezien, dan kan men daaruit, in verband met den afstand, de ware grootte van het ligchaam afleiden. Op deze wijze is b.v. de grootte der zon en der planeten bepaald. Men vergelijkt de Schijnbare grootte van eenen vuurbol het best met die der zon of maan en schat, of die ¼, ½ of wel gelijk aan die van een dezer hemelligchamen is; de ware grootte kan dan, althans bij benadering, berekend worden. Men heeft op die wijze gevonden, dat er vuurbollen waren,<noinclude></noinclude>
dithjyf22fuy0rr4qzpiyf82cm6ojg7
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/233
104
85248
222902
218830
2026-06-05T07:37:53Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222902
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||EN DIEN VAN DEN 4 MAART IN HET BIJZONDER.|215}}</noinclude>haar als een heiligdom en beweerden stellig, dat zij van den hemel gevallen was. In het jaar 1794 werd door {{sc|chladni}} het vallen van meteoormassa's en de kosmische oorsprong van eenige derzelve, waaronder ook de zooeven vermelde, ter sprake gebragt. De tegenspraak, die hij van alle zijden ondervond, wekte hem op om een nader onderzoek in te stellen. Hij bezocht vele landen van Europa om zelf de meteoorsteenen te zien, die op vele plaatsen worden bewaard, en in bibliotheken en archieven het daaromtrent vermelde na te sporen. De natuur bleef echter, te midden van dien strijd der geleerden, niet achter met zelf de bewijzen voor de waarheid te leveren en daaronder vele zeer tastbare. Te l' Aigle in Frankrijk viel op den 26 April 1803 te een ure des namiddags eene geweldige massa steenen neêr. Te Caen, Pont-Audemer, bij Alençon, Falaise en Verneuil zag men eenen vuurbol van zeer helderen glans, die zich met eene groote snelheid bewoog. Eenige oogenblikken daarna hoorde men te l' Aigle en in eenen omtrek van 30 uren gaans een hevig gekraak, dat met drie of vier slagen als van kanonschoten begon en vervolgens naar het geknetter van klein geweervuur geleek en als in een getrommel eindigde. Gedurende dit geraas, dat 5 of 6 minuten aanhield, was de vuurbol niet meer zigtbaar, maar de ontladingen kwamen uit eene kleine langwerpige wolk, die zich niet scheen te bewegen. Zij scheen bij elke ontlading uiteengestooten te worden en vereenigde zich daarna weder. Daar men deze wolk op twee plaatsen, die eene mijl van elkander gelegen waren, te gelijker tijd nabij het zenith zag, moet zij zeer hoog zijn geweest. Te midden van dit gekraak en geraas vielen er omstreeks 2000 à 3000 steenen neder; de zwaarste woog 17½ kilogrammen, de ligtste vier oncen. {{sc|Biot}} schatte het gewigt van de gezamenlijke steenen op 10000 kilogrammen; zij vielen brandend heet neder, waren aanvankelijk week, doch werden allengs hard, zoodat zij sporen van die verandering aan zich droegen. Ook hadden zij een zwavelreuk en gaven in den beginne dampen af. Deze steenen lagen over eene streek verspreid, die eene langronde gedaante had van 24 mijlen lengte en eene mijl breedte. De maire van l' Aigle gaf van deze gebeurtenis een officieel berigt; de meesten wilden het echter niet gelooven en in een dagblad, dat te Parijs uitkwam, werd zelfs de<noinclude></noinclude>
9vety8gh4vuqgn9cy4hcxrq8z0e2jvu
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/235
104
85249
222904
218831
2026-06-05T07:48:20Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222904
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||EN DIEN VAN DEN 4 MAART IN HET BIJZONDER.|217}}</noinclude>silicium, aluminium, magnesium, calcium, potassium, sodium, ijzer, nikkel, kobalt, chromium, manganesium, koper, tin en titanium. Er zijn dus te zamen 18 verschillende stoffen daarin gevonden. Deze bestanddeelen zijn echter meestal zoodanig verbonden, dat men er in vindt ijzer met nikkel vermengd, eene verbinding van phosphorus met ijzer en nikkel, zwavelijzer en magnetische pyriten; onder de met zuurstof verbonden bestanddeelen komt voor: magnetisch ijzer en chroomzuur ijzer; onder de kiezelzuurverbindingen komt voor: olivin, anortit, labrador en augit. Ofschoon de meteoorsteenen in het algemeen eene zekere overeenkomst met elkander in hunne bestanddeelen vertoonen, wijken zij toch onderling daarin vrij veel van elkander af.
De ijzermassa's, die men om het daarin aanwezige nikkel, om haar bijzonder weefsel, hare smeedbaarheid en hare bijzondere ligging ver van ander ijzer en van plaatsen waar ijzer gevonden wordt, voor nedergevallen meteoren houdt, zijn spons- of celachtig. Hare holten zijn opgevuld met eene steenachtige massa, die met peridot overeenkomt. Andere hebben een digter weefsel; sommige daarvan zijn zeer aanzienlijk, Bij Bitborg, niet ver van Trier, vond men er eene, die 1650 kilogrammen weegt. Volgens {{sc|abel remusat}} bevindt zich in het oostelijk gedeelte van Azië, niet ver van den oorsprong der Gele rivier, eene massa van 15 meters hoogte. De Mongolen zeggen, dat zij bij de verschijning van een vuurmeteoor is nedergevallen.
De zelfstandigheden, die in meer verdeelden toestand als stof nedergevallen zijn, schijnen niet van die der meteoorsteenen onderscheiden te zijn. Somtijds vielen daarbij ook steenen neder. Het voornaamste verschil schijnt ook hierin gelegen te zijn, dat zij niet met zoo groote snelheid op de aarde nederkomen. De roode en zwarte kleur schijnt aan ijzer-oxyde en koolstof te moeten worden toegeschreven. Er heerscht echter aangaande deze nedergevallen stoffen nog veel onzekerheid, te meer, daar dit ook door andere oorzaken kan worden teweeggebragt, zooals vulkanische uitbarstingen, hoozen enz.
Vuurbollen komen in alle tijden van het jaar en op alle uren van den dag voor. In sommige maanden schijnen zij echter menigvuldiger dan in andere. De heer {{sc|coulvier-gravier}} te Parijs, die sedert het jaar 1841 eene bijzondere zorg aan de waarneming van vallende sterren<noinclude></noinclude>
5n4hkpbifh6w0vrpntw92mdsmmgowxs
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/237
104
85250
222906
218832
2026-06-05T07:54:43Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222906
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||EN DIEN VAN DEN 4 MAART IN HET BIJZONDER.|219}}</noinclude>waaruit de meteoorsteenen bestaan, daarin niet aanwezig zijn of, indien dit het geval mogt zijn, dat zij dan in zoo verspreiden en verdeelden staat daarin zouden moeten voorkomen, dat zij tot heden aan alle onderzoekingen ontsnapt zijn. En gesteld, dat zij daarin aanwezig waren, dan zou het nog zeer moeijelijk zijn eene oorzaak aan te wijzen, waardoor die stoffen zich tot groote massa's zouden verzamelen, terwijl er nog veel minder eene oorzaak zou kunnen opgegeven worden, waardoor zij eene zoo groote snelheid zouden bekomen als die, welke werkelijk is waargenomen. Zijn dus de vuurbollen niet van aardschen oorsprong, dan moeten wij ze als vreemdelingen beschouwen, die uit de hemelruimte tot ons komen.
Toen de hypothese van den atmospherischen oorsprong der vuurbollen en meteoorsteenen moest vervallen, begon men eenen wantrouwenden blik op de maan te werpen. Dit hemelligchaam toch vertoont, indien men het door eenen sterk vergrootenden kijker beschouwt, bergen, die in vorm en in andere opzigten veel overeenkomst met de vulkanen der aarde bezitten, en nu meende men, dat deze vulkanen bij hunne uitbarstingen ons wel steenen zouden kunnen toewerpen. Indien wij ons het middelpunt der aarde en der maan door eene regte lijn verbonden voorstellen, en wij denken ons een vulkaan op de maan juist ter plaatse waar deze lijn hare oppervlakte doorsnijdt; dan zal, indien deze nu met groote kracht een steen opwerpt, die steen minder en minder door de maan worden aangetrokken, naarmate hij zich daarvan verwijdert, terwijl de aantrekking, die de aarde op dien steen uitoefent, toeneemt naar gelang hij tot haar nadert. Er is dus een punt, waar de aantrekking van beide gelijk is. Werd een steen niet tot dien afstand door de maan opgeworpen, dan zou die weder op dit hemelligchaam terug vallen; indien echter de aanvankelijke snelheid der uitwerping groot genoeg ware om voorbij dit punt te komen, dan zou de steen sterker door de aarde dan door de maan worden aangetrokken en op aarde moeten nedervallen. Door
{{sc|laplace}} werd, in 1802, de aanvangssnelheid der beweging, die zoodanige steen zou moeten hebben, berekend, en hij vond daarvoor 2525 meters in ééne seconde. De grootste snelheid, die wij, met het tegenwoordig zooveel vermogend geschut aan een kogel kunnen geven,<noinclude></noinclude>
fo39oxed74xu8wlkivivean8kri2kcl
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/239
104
85251
222908
218834
2026-06-05T07:58:52Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222908
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||EN DIEN VAN DEN 4 MAART IN HET BIJZONDER.|221}}</noinclude>een aantal beoefenaars en liefhebbers der sterrekunde (ik had bijna gezegd planetenjagers) nog aanmerkelijk zal worden vergroot. Vele dezer hemelligchamen zijn zeer klein, zelfs veel kleiner dan onze maan, en ofschoon zij daarom niet met de grootere planeten kunnen worden vergeleken, nemen zij toch eenen rang daaronder in. Er is dus geene grens van kleinheid, die een om de zon loopend ligchaam niet zou kunnen hebben. Ligt nu een gedeelte der baan van zoodanig ligchaam digt bij die der aarde, dan bestaat de mogelijkheid, dat beide zich te eeniger tijd in elkanders nabijheid bevinden. In verreweg de meeste gevallen zal door de aantrekking der aarde de loop van het kleinere ligchaam of liever van het ligchaam, dat minder massa heeft, worden gestoord en zijne baan worden gewijzigd; in sommige zal het op de aarde kunnen nedervallen of zelfs, even als eene maan, rondom haar blijven rondloopen. Sommige sterrekundigen hebben zelfs gemeend, dat de vuurbollen moeten beschouwd worden als satellieten of manen van onze aarde, die zich met eene groote snelheid rondom haar bewegen en dus bij herhaling konden worden waargenomen. Men heeft zelfs in de laatste jaren gepoogd de loopbanen dezer satellieten te bepalen. Het verdient hier opgemerkt te worden, dat van de achthonderd vuurbollen, die in de jaarboeken zijn opgeteekend, er slechts vijfendertig voorkomen, waarvan het nedervallen van meteoren is gezien en bewezen.
Het is er verre af, dat met het aannemen der veronderstelling, dat de vuurbollen kosmische massa's zijn, die in de hemelruimte omzweven, alle bezwaren zouden zijn opgeheven en deze zaak als verklaard zou kunnen worden beschouwd. Er doen zich integendeel een aantal van nieuwe vraagstukken op, waarvan de beantwoording aan de toekomst moet worden overgelaten. Zoo kan men b.v. vragen: Bezitten de vuurbollen een eigen licht of ontleenen zij dit aan de zon, of wel, worden zij eerst lichtend, wanneer zij in onzen dampkring treden? Op dit laatste zou men kunnen antwoorden, dat sommige reeds op hoogten zijn gezien, die veel grooter zijn dan die, welke men aan den dampkring toekent, ofschoon deze in den laatsten tijd veel hooger dan vroeger wordt gesteld. Bezitten de vuurbollen een vaste kern, of is het slechts eene ijle massa, die bij het indringen in den dampkring<noinclude></noinclude>
9e73jslpp27o84eomngoq94tf4jf8ek
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/241
104
85252
222910
218835
2026-06-05T08:46:19Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222910
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||EN DIEN VAN DEN 4 MAART IN HET BIJZONDER.|223}}</noinclude>was naar de aarde hellend. Zij had boven Vlieland eene hoogte van 16 Duitsche geographische mijlen (118,5 kilometers), boven Medemblik 12½ mijlen (92,6 kilometers), boven Weesp 9½ mijlen (68,5 kilometers); zij ging op eene hoogte van 8 mijlen (59,25 kilom.) over Vleuten, op eene hoogte van 6 mijlen (44,5 kilom.) over Gorinchem. Boven Besoijen of 's Grevelduin-Kapelle barstte de vuurbol vanéén op eene hoogte van 5¾ mijlen (42,6 kilom.) met een geweldigen slag, terwijl hij zich allengs bij het voortgaan onder sterk gekraak oploste en verdween tusschen Alphen en Turnhout op eene hoogte van 4¼ mijlen (31,5 kilom.). Op zeer vele plaatsen meende men, door het sterke licht misleid, dat de vuurbol in de nabijheid was nedergevallen. Niet slechts in de provinciën Groningen en Utrecht, maar zelfs te Bruhl bij Keulen was dit het geval.
Indien er meteoorsteenen zijn gevallen, dan kan dit slechts in de streek tusschen Besoijen en Alphen het geval zijn, alsook in de omstreken van 's Grevelduin-Kapelle, Waalwijk enz. Ofschoon professor {{sc|heis}} beweert, dat de bepaling van het eindpunt vrij naauwkeurig is, meenen wij toch uit eenige andere berigten te mogen opmaken, dat de baan van het meteoor niet zoo nabij van noord naar zuid ging als hier is opgegeven, maar meer van N.N.W. naar Z.Z.0., zoodat ook het einde verder oostwaarts ligt en dus de meteoorsteenen, indien ze gevallen zijn, meer in de rigting naar Eindhoven moeten worden gezocht. Wij merken nog hierbij op, ten behoeve van hen, die er naar mogten zoeken, dat, behalve aan de eigenaardige, reeds vroeger vermelde scheikundige zamenstelling, zulke meteoorsteenen zelfs vrij goed op het oog te onderkennen zijn. Zij zijn namelijk uitwendig met eene zwarte of zwartachtig bruine korst bedekt, min of meer alsof ze in het vuur hadden gelegen.
Ofschoon de ware grootte van den vuurbol niet met juistheid is op te geven, kan men aannemen, dat zijn middellijn ongeveer vierhonderd Nederlandsche ellen heeft bedragen.
Wat den slag betreft, waarmede het verschijnsel uiteen spatte, deze werd, zooals van zelf spreekt, met zeer verschillende kracht gehoord, naar gelang van den afstand, waarop men zich van de plaats bevond, waar de vuurbol vanéén sprong. Op de plaatsen, die er het naast bij waren, werd het geluid gehoord als van een kanonschot, dat door een<noinclude></noinclude>
5srlnxen6q9iuxp45c628odopickrqv
Index:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf
106
85343
222932
219068
2026-06-05T09:32:20Z
Havang(nl)
4330
222932
proofread-index
text/x-wiki
{{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template
|Type=boek
|Taal=nl
|wikidata=
|Titel=De Middelnederlandsche dramatische poëzie
|Ondertitel=
|Deel=
|Auteur=[[Auteur:Henri Ernest Moltzer|H. E. Moltzer]]
|Vertaler=
|Redacteur=
|Illustrator=
|Stroming=
|Jaar=1875
|Uitgever=
|Plaats=
|Druk=
|OorspronkelijkeUitgave=
|Key=
|doe_wikidata=
|ISBN=
|OCLC=
|LCCN=
|BNF_ARK=
|DBNL=
|Bron=pdf
|Afbeelding=1
|Voortgang=C
|Delen=
|Pagina's=<pagelist 1=Titel 2=- 3=fr.t 4=- 5to6=Inh 7to8=- 9to70=roman 9=1 71=1 208=- 209=141 682=-/>
|Opmerkingen={{Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/5}}
{{Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/6}}
|NestedInhoud=
|Breedte=
|Css=
|Header=
|Footer=
}}
b48xuhjw570714m3fpu54l2hh9vuw7d
Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/5
104
85351
222928
219449
2026-06-05T09:26:28Z
Havang(nl)
4330
222928
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{{c|{{larger|{{sp|INHOUD.}}}}}}
{{r|Bladz.}}
{{dotlist||{{asc|INLEIDING}}|I.}}
{{dotlist||{{gap|05.em}}§ 1. {{asc|KERKELIJK (GEESTELIJK) DRAMA. (MYSTERIE EN MIRAKELSPEL.)}}| I.}}
{{dotlist||{{gap|05.em}}§ 2. {{asc|WERELDLIJK DRAMA (ABELE SPELEN, SOTTERNIEN, CLUYTEN)}}| XXXIV.}}
{{dotlist||{{asc|EEN ABEL SPEL VAN [[Esmoreit|ESMOREIT]], SCONINCS SONE VAN CECILIEN, ENDE ENE SOTTERNIE DAER NA VOLGHENDE}}|{{pli|1|70}}.}}
{{dotlist||hier beghint die sotternie ([[Lippijn|{{asc|LIPPIJN}}]])|{{pli|60|70}}.}}
{{dotlist||{{asc|EEN ABEL SPEL ENDE EEN EDEL DINC VAN [[Gloriant|DEN HERTOGHE VAN BRUYSWIJC]], HOE HI WERT MINNENDE DES ROEDELIOENS DOCHTER VAN ABELANT, ENDE ENE SOTTERNIE NA VOLGHENDE}}|{{pli|75|70}}.}}
{{dotlist||hier beghint die sotternie [[Buskenblazer|({{asc|BUSKENBLASER}})]]|{{pli|126|70}}.}}
{{dotlist||{{asc|EEN ABEL SPEL VAN [[Lanseloet van Denemerken|LANSELOET VAN DENEMERKEN]], HOE HI WERT MINNENDE ENE JONCFROU, DI MET SYNDER MOEDER DIENDE, ENDE ENE SOTTERNIE NA VOLGHENDE}}|{{pli|141|68}}.}}
{{dotlist||Hier beghint die sotternie [[Hexe|({{asc|HEXE}})]]|{{pli|183|68}}.}}
ENE SOTTE BOERDE ENDE ENE GOEDE SOTTERNIE (DRIE DAGHE HERE) 190.
<br>ENE SOTTE BOERDE ENDE ENE GOEDE SOTTERNIE (TRUWANTEN) 210.<noinclude></noinclude>
a2aiilj8r2ss4up3857d7hkzb4w0dp3
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/356
104
85704
222880
219657
2026-06-05T06:55:35Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222880
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|338|MAGIE.|}}</noinclude>erlangde, en het geloof aan den duivel en zijn invloed een vast staand geloofsartikel werd, dat nog heden ten dage bij velen als zoodanig geldt.
Het was ook gedeeltelijk ten gevolge daarvan, dat het geloof aan tooverij en heksen bij de Germanen eene eigenaardige kleur aannam, die overigens, niet minder dan door het geloof aan den duivel, bepaald werd door het volkskarakter en andere omstandigheden. Over het geheel was het bijgeloof der Germanen, al vertoonden er zich van tijd tot tijd de meer bevallige en liefelijke figuren van elfen en nixen, donker en somber, — en terwijl bij de Grieken, ofschoon ook hun bijgeloof soms aan leelijke en afschuwelijke gedrogten het leven gaf, toch doorgaans het aangeboren gevoel voor het schoone zich gelden deed, zoo stelden de Germanen in 't bijzonder alles wat tot tooverij betrekking had zich als leelijk en afschuwelijk voor. De Germaansche heksen geleken weinig op {{sc|circe}} en {{sc|medea}} en hare navolgsters; het ideaal eener heks was bij hen een leepoogig, uitgemergeld, morsig oud wijf. De daemonen der Grieken, de tusschenwezens tusschen Goden en menschen, werden bij de Germanen vervangen door den duivel, — niet den gevallen engel, wiens sombere schoonheid nog de sporen draagt van zijne oorspronkelijk verheven natuur, — maar eene soort van monster, dat, ook bij de meest gematigde opvatting, toch het satersgelaat en de paarden- of bokkenpooten niet ontberen kon, waar velen dan nog horens en een staart bijvoegden. Tooverij berustte, volgens de Christelijk-Germaansche denkbeelden, op een verbond met den duivel, aangegaan op zijn best ter bevrediging van een hoogmoed, die er zich op wilde verheffen meer te weten en te kunnen dan anderen, maar meestal bedoelende de voldoening van grove zinnelijke lusten en de bevrediging van eene, waardoor dan ook, ontstane en steeds gevoede kwaadwilligheid jegens de menschen in het algemeen. Kwaad te stichten, anderen op allerlei wijze te benadeelen, overal dood, ziekte en ellende te verspreiden was, naar men dacht, steeds het oogmerk en de bezigheid der heks. Ook de toovenaar werkte vaak tot hetzelfde doel, ofschoon doorgaans deze een minder afschuwelijk uiterlijk bezat, meestal meer door hoogmoed en zucht tot voor den gewonen mensch onverkrijgbare wetenschap en magt gedreven werd, en hij, waar hij het toelegde op het verderf van<noinclude></noinclude>
n7s1oo25y40yd0devnfscf3lyztvt8y
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/357
104
85705
222882
219692
2026-06-05T06:57:28Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222882
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />
{{rh||MAGIE.|339}}</noinclude>een mensch, doorgaans meer de vernietiging van het heil zijner ziel, dan van zijn aardsch geluk op het oog had.
Neemt men nu dit alles in aanmerking, dan laten zich de vrees, de afschuw en den haat, die de Germaansche volken in de middeneeuwen vooral jegens heksen koesterden, zeer gemakkelijk begrijpen en verklaren. En dat bij het alom heerschende bijgeloof, dat voor de meest natuurlijke verschijnselen liefst geheimzinnige bovennatuurlijke oorzaken zocht, allerlei rampen: ziekte, krankzinnigheid, brand, hagelslag en nog veel meer aan kwaadwillige betoovering werden toegeschreven, — dat er weinig toe noodig was om het vermoeden op zich te laden, dat men met een boozen geest een verbond tot verderf des naasten gemaakt had, — en dat hij of zij, die dit ongeluk had, bloot stond aan de wraakoefening en vervolging der menigte, — dit alles is zeer natuurlijk. Wat in de middeneeuwen zij, die van tooverij verdacht werden, te lijden hadden, en van welken aard de heksenprocessen waren, die in lateren tijd, vooral na het verschijnen in 1484 van de beruchte bul van paus {{sc|innocentus}} VIII, in optima forma door geheel Europa heen gevoerd werden naar de aanwijzingen en voorschriften van den in 1489 in het licht verschenen ''Malleus maleficarum'' of Heksenhamer, is zoo algemeen bekend, dat ik er mijne lezers niet mede wil ophouden. Ook van de gruwelen, op grond van die bul en het genoemde boek, met verkrachting van alle regtsbeginselen en van alle gezond verstand gepleegd, zal ik geen tafereel ophangen. Men weet, dat het echter niet ontbrak aan stemmen, die zich tegen die waanzinnigheid des tijds verhieven, ofschoon in de zeventiende eeuw de vroome jesuit {{sc|spee}} nog te vergeefs daartegen predikte, — en dat later onze landgenoot {{sc|balthasar bekker}} in 1691 door zijne "Betooverde wereld" zich met beter gevolg er tegen hooren deed, en eindelijk {{sc|christiaan thomasius}}, hoogleeraar te Halle, in het begin der 18de eeuw met het meest gezegende gevolg de heksenprocessen bekampte, ofschoon nog na hem zich hier en daar nog een en ander voorbeeld er van opdeed, en het geloof aan heksen en beheksten nog in onzen tijd niet geheel vernietigd is; — dat alles is zoo algemeen bekend, dat ik het tijdverspilling zou achten er bij te blijven stilstaan.
Intusschen vertoonde zich ook bij de Germaansche volken de tooverij<noinclude></noinclude>
il4krgwhbogg9glph0y9rwyev7edc4i
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/358
104
85706
222884
219693
2026-06-05T06:59:13Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222884
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|340|MAGIE.|}}</noinclude>niet altijd in dien gemeenen, afzigtelijken vorm, dien het volksgeloof daaraan gewoonlijk toekende. Er waren er enkelen, voor wie zij als wetenschap, als hooge, verhevene wetenschap gold. Behalve dat de eigenlijke magie, zoo als die in den lateren tijd in de Grieksch-Romeinsche wereld door sommigen beoefend werd, onzen voorouderen niet geheel onbekend blijven kon, vloeiden hun, daargelaten wat de kruistogten daaraan zonder twijfel hebben toegebragt, nog de oorspronkelijk Oostersche denkbeelden dienaangaande toe uit eene andere bron, te weten uit Spanje. Onder de opvolgers van {{sc|mohammed}} toch begonnen ook de Arabieren met ernst en met uitstekend gevolg deel te nemen aan het wetenschappelijk streven van hun tijd. Zij herstelden de in 640 door {{sc|amrou}} opgeheven school te Alexandrië en stichtten andere geleerde scholen op de noordkust van Afrika, op Sicilië, maar vooral in Spanje.
Het is hier de plaats niet om over de ontwikkeling der Arabische en Arabisch-Joodsche wetenschap, waarvan {{sc|aristoteles}}, maar in verbasterden, met neo-platonisme verbonden vorm, weldra het rigtsnoer werd, uit te weiden. Genoeg is het, dat de wetenschap, die de Arabieren van de Grieken hadden ontvangen, reeds een Oostersch-mythisch neoplatonisch karakter bezat, en dat zij in de verdere ontwikkeling er van hun Oosterschen oorsprong niet verloochenden. Alle takken der natuur-wetenschap werden door hen met vlijt beoefend, en de wetenschap dankt hun in menigerlei opzigt veel. Maar met hunne astronomie mengde zich astrologie, hunnne chemie was nog alchemie, hunne physica althans gedeeltelijk magie, hunne geneeskunde ontving inmengsels van die allen. En gelijk de alchemie, die slechts een tak der wetenschappelijke magie is, in noordelijk Europa niet alleen uit Italië, maar ook en vooral uit Spanje den aanstoot ontving, die haar in de middeneeuwen zulk eene gezette en ijverige beoefening verzekerde, en de astrologie met de astronomie door geheel Europa heen de Spaansche Arabieren als leidslieden erkende, zoo drongen ook, ofschoon in veel mindere mate, Oostersche magische denkbeelden uit Spanje tot in het noorden van Europa door.
Daarvandaan, dat wij te midden van die tot het gemeene plebs der magiers behoorende toovenaars en heksen ook in de Germaansche<noinclude></noinclude>
byph6xf1yg0iz9tnwb6vptqkg9pdamt
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/359
104
85707
222885
219694
2026-06-05T07:01:05Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222885
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||MAGIE.|341}}</noinclude>landen nu en dan eene figuur zien opdagen, grooter en edeler, en, ofschoon gewijzigd door tijd en volkskarakter, meer herinnerende aan de Oostersche Magiers en aan de enkele navolgers van dezen onder de Grieken, zooals b.v. {{sc|apollonius}} van Tyana was, Van de zoodanigen is {{sc|faust}} de type. Over het geheel kwam de tooverij der Germaansche volken, hoever zij dan ook in het uiterlijke van die der Grieken verschild moge hebben, toch dáárin met haar overeen, dat zij bij beide volken, — daargelaten de oudste tijden, — over het algemeen slechts door lieden van geringe ontwikkeling en weinig aanzien beoefend werd, en de toovenaars en heksen niet alleen werden gevreesd en gehaat om het kwade, dat zij deden of geacht werden te kunnen doen, maar ook veracht werden. Maar ook bij beide volken sprak zich de algemeene opinie geheel anders uit ten aanzien van die enkele zich met tooverkunst afgevende personen, wier onbetwistbaar hooge ontwikkeling en uitgestrekte kennis zich aan uiterlijk edeler vormen paarden. Het verschil tusschen dezen en de gewone heksen en duivelskunstenaars was dan ook zeer groot. Het is het verschil tusschen den grooten {{sc|arbaces}} uit {{sc|bulwers}} Pompeji, den gevreesden, maar geëerden wijze, den in alle menschelijke en bovenmenschelijke wetenschap ervaren magier, die het beneden zich acht zijne kennis en magt anders dan tot groote doeleinden aan te wenden, — en de verachte, bekrompene en kwaadaardige heks van den Vesuvius, die slechts praktisch bedreven is in zekere specialiteiten van het vak, die zij beoefent zonder er den grond van te kennen. Het is het onderscheid tusschen den in de wetenschap van zijn tijd volleerden en door zijne reizen veelzijdig ontwikkelden {{sc|apollonius}} van Tyara en den als een Zigeuner rondreizenden zoogenaamden Isispriester, die een ezel met een Isisbeeld beladen voor zich heendrijft, aan de meisjes hare toekomstige minnaars doet verschijnen, haar liefdedranken verkoopt en voor koppelaar speelt. Het is de afstand tusschen {{sc|faust}, den geleerden, maar zelfdenkenden en door de traditionele wetenschap van zijn tijd onbevredigden wijze, die wat hij langs den gebaanden weg niet verkrijgen kan, op nieuwe onbegane wegen opspoort, — en de arme roodoogige heks, die op een bezemsteel of een bok naar den duivelssabbath rijdt, om daar met jonker Satan te dansen en van hem kunstenarijen te leeren, waarmede zij hare buren benadeelen en plagen kan. {{nop}}<noinclude></noinclude>
50salsurc3xk000bu1ndg5ttk5wbc29
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/360
104
85708
222887
219695
2026-06-05T07:02:43Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222887
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|342|MAGIE.|}}</noinclude>Dat verschil brengt mij tot de beantwoording der vraag: hoe het geloof aan Magie is ontstaan, of met andere woorden, hoe de Magie zelve ontstond, — eene beantwoording, die ons tevens opheldering zal geven aangaande den eigenlijken aard van de Magie in haren meest oorspronkelijken vorm. Ik kan hier, na het reeds aangevoerde, zeer kort zijn.
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
Om te begrijpen, waaraan het geloof aan Magie, als eene voor het gros der stervelingen ontoegankelijke en voor het gewone verstand onbegrijpelijke wetenschap zijn oorsprong te danken heeft, moet men zich in gedachten verplaatsen te midden van een verstandelijk goed georganiseerd, maar zich nog uit den toestand van barbaarschheid ontwikkelend volk.
Op de laagste trappen van beschaving is al het denken en streven der menschen gerigt op het verkrijgen van de middelen, waardoor zij aan hunne meest dringende stoffelijke behoeften kunnen voldoen. Later komt de zorg voor de stoffelijke gemakken des levens, die weldra ook behoeften worden, en alle overschietende krachten en tijd ter harer aanschaffing in beslag nemen. Er is dan nog geene plaats voor zuiver verstandelijke werkzaamheid, die of geen ander doel heeft dan het weten en kennen op zich zelve, of waarvan althans het praktisch doel verder ligt dan de vervulling van oogenblikkelijke en dadelijke behoeften. Maar juist die trap van beschaving, waarop men den toestand van eigenlijke barbaarschheid, van wildheid, als ik het zoo noemen mag, te boven is, en de maatschappelijke verhoudingen zich beginnen te vermenigvuldigen en te compliceren, valt zamen met het ontstaan van drie groote ontwikkelingsmomenten, die voor den verderen vooruitgang der beschaving van het grootste gewigt zijn. Het eene is de eerst zeer langzaam ontstaande, maar zich van lieverlede meer en meer uitbreidende verdeeling van den arbeid, waardoor de mensch gedwongen en gewoon wordt aan meer op één punt gerigte onderzoekingen en proefnemingen, waardoor ten gevolge daarvan ieder bedrijf steeds in volkomenheid toeneemt, en de uitoefenaar van zulk een<noinclude></noinclude>
oxuv0wyojjkb9n9ao4d94kqpv9rdrcw
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/361
104
85709
222888
219696
2026-06-05T07:04:31Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222888
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />
{{rh||MAGIE.|343}}</noinclude>bedrijf kennis erlangt van handgrepen en praktijken, die aan anderen onbekend zijn. Het tweede, — en dit hangt zamen én met de behoefte aan eene organisatie der uitwendige gemeenschappelijke godsvereering, én met de reeds genoemde verdeeling van den arbeid, — is het ontstaan van een afzonderlijken priesterstand. Het derde is de meer en meer toenemende maatschappelijke ongelijkheid, ten gevolge waarvan eenige weinigen tot zulk een welstand geraken, dat zij zich aan de moeijelijkste en meest tijdroovende bezigheden des levens kunnen onttrekken. Daardoor, door het ontstaan van een priesterstand en het ontstaan van eene bemiddelde volksklasse, zijn er nu menschen, die den tijd en de gelegenheid hebben ook aan iets anders te denken en iets anders te doen, dan wat onmiddellijk door de dagelijksche eischen des levens gevorderd wordt. Het is onder dezen, dat de bij elken mensch in meerdere of mindere mate bestaande zucht tot het ''causas cognoscere rerum'', het kennen van de oorzaken der dingen, het indringen in het wezen der natuur, tot ontwikkeling komt en gelegenheid vindt naar bevrediging te zoeken. Onder hen staan mannen op, die, na zich eerst de geheele onder het algemeen verspreide massa van empirische kennis te hebben eigen gemaakt, daarover en over al hetgeen zij rondom zich zien beginnen na te denken. Waarneming, vergelijking van het waargenomene, en nadenken daarover brengen hen tot dieper inzigt in hetgeen bestaat en geschiedt, dan bereikbaar is voor hunne overige stam- en volksgenooten, — en zoo is het, dat overal, bij alle volken, de personen zijn ontstaan, die met den naam van wijzen betiteld worden.
Veel van die verkregene kennis moest uit den aard der zaak minder geschikt zijn om aan het algemeen te worden medegedeeld. Maar bovendien bevonden die wijzen, gelijk men ze noemde, zelve zich nog altijd op een betrekkelijk laag standpunt van ontwikkeling en waren alzoo vaak ruim bedeeld met die in onze oogen egoïstische en kleingeestige jaloezij, die altijd en overal eene der eigenschappen is van weinig beschaafde menschen, en zich in onze maatschappij ook openbaart in het gewigt, dat b.v. sommige ambachtslieden hechten aan het aan hun, naar zij meenen, alleen bekend zijn van sommige geheimen en kunstgrepen, en in de zorg, waarmede zij hunne wijze van handelen voor anderen verbergen, zelfs al hebben zij geen voordeel hoegenaamd<noinclude></noinclude>
mrgo97jej96089il3vecagyv132em16
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/362
104
85710
222891
219697
2026-06-05T07:14:18Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222891
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|344|MAGIE.|}}</noinclude>van die geheimhouding. Daarvan kwam het, dat vele ontdekkingen dier oorspronkelijke wijzen door hen voor zich zelven werden gehouden, en alleen werden medegedeeld aan eenige uitverkorenen, die zij die mededeeling waardig achtten, — en zoo ontstond in den loop der tijden eene telkens door nieuwe resultaten van onderzoek en nadenken aangevulde traditie, die slechts in het bezit van eenige weinigen was. Het algemeen had geen begrip van de wijze, waarop die wetenschap was verkregen, en daar hare bezitters veelal priesters waren of althans menschen, die met goddelijke zaken, naar men dacht, meer vertrouwd waren dan anderen, zoo bragt men haar in verband met eene gemeenschap met bovenaardsche wezens, en zij werd alzoo tot bovenmenschelijke, zoo niet bovennatuurlijke wetenschap.
De Magie was dus in haren eersten oorspronkelijken vorm niets anders dan de wetenschap op haren eersten trap van ontwikkeling, meer bepaaldelijk de natuurwetenschap, maar verbonden met theosophie, of met andere woorden, het was de eerste schrede op het gebied der wijsbegeerte in den meest uitgestrekten zin, waarbij men de beschouwing van het zinnelijk waarneembare nog innig verbond met bespiegelingen over het bovenzinnelijke. Gelijk wij gezien hebben, kon op een hoogeren trap van beschaving zulk eene geheime wetenschap of wijsbegeerte bij de Grieken niet blijven bestaan; de wijsbegeerte legde bij hen weldra den geheimzinnigen sluijer af‚ waarmede zij zich vroeger omhuld had, en werd toegankelijk voor iedereen. Met dien sluijer bleven alleen zij zich omhullen, die op het bijgeloof van het volk speculeerden: de toovenaars, waarzeggers, goochelaars, om van de priesters niet te spreken. De eigenlijke mannen der wetenschap versmaadden dien, met uitzondering van enkelen in den lateren tijd, die zich onder Oosterschen invloed en op Oostersche wijze vormden. — Bij de Oostersche volken, bepaaldelijk bij de Chaldeën, Meden en Perzen, bleef de priesterorde der Magiers nog lang in het uitsluitend bezit der eigenlijke wetenschap en der wijsbegeerte, — een bezit, dat die priesters niet ligt lieten varen, daar het hun een blijvend overwigt over de overige standen des volks verzekerde. Wat zij daarvan den volke mededeelden, bestond slechts in praktische voorschriften en regelen, van zoodanigen aard en op zoodanige wijze voorgesteld, dat<noinclude></noinclude>
6xtix9st1omw6ds6kif1ebnnppyxvwf
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/363
104
85711
222894
219698
2026-06-05T07:16:06Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222894
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||MAGIE.|345}}</noinclude>er geen gevaar was, dat de priesters ooit de concurrentie van anderen zouden te vreezen hebben.
Welk een groot verschil er dus moest wezen tusschen de eigenlijke, Oostersche Magie en de tooverij der Grieken, der Romeinen en der latere Germanen, behoeft na het gezegde geene nadere toelichting; de eene was de wetenschap op het hoogste standpunt harer toenmalige ontwikkeling, de andere bestond in kunstgrepen, hoogstens in toepassingen van niet algemeen bekende feiten uit de natuurwetenschap, aangewend met het doel om de menigte te bedriegen.
Neemt men in aanmerking de hooge oudheid, tot welke de beschaving van vele Oostersche volken, b.v. der Hindoes, der Egyptiers der Chaldeën opklimt; houdt men daarbij in het oog, dat die volken het in velerlei kunsten en vele takken van industrie tot eene groote hoogte hadden gebragt, toen de Grieken nog betrekkelijk barbaren waren, en bedenkt men daarbij, dat zoodanige vorderingen noodzakelijk veronderstellen navorsching, proefnemingen en eene zich gestadig meer en meer uitbreidende empirische kennis, dan mag men het er voor houden, dat de Oostersche orden van priesters en geleerden, die noodzakelijk bekend waren met de totale som van kennis, die het eigendom van het algemeen was, en van nog veel bovendien, wat zij als geheime wetenschap verborgen hielden, inderdaad in het bezit zijn geweest van eene zeer groote menigte kundigheden. In hoe ver deze alleen bestaan hebben in eene onzamenhangende massa van geheimen, vernuftige kunstgrepen en praktijken, en in het geheel op empirische wijze ontdekt gebruik maken van zekere op dezelfde wijze ontdekte natuurverschijnselen, — of in hoe ver zij geacht kunnen worden bestanddeelen uitgemaakt te hebben van eene zekere ''wetenschap'', laat ik onbeslist. Maar zeker schijnt het, dat zij, en andere oude magiers en toovenaars met hen, goheimen gekend hebben, die, langen tijd daarna voor de wetenschap verloren, eerst in den nieuweren tijd weder ontdekt zijn geworden. Als voorbeelden voer ik aan een aantal elektrische proefnemingen, wier ontdekking men aan de wetenschap van den nieuweren tijd toeschrijft, en die toch naar alle aanzien aan de oude Magiers, priesters en toovenaars bekend zijn geweest, — en voorts de aanwending van het zoogenaamde dierlijk<noinclude></noinclude>
oubgwu8y832lzw94f8e7l2s85v1qqvu
Pagina:Album der Natuur 1863.djvu/364
104
85716
222895
219734
2026-06-05T07:17:55Z
WeeJeeVee
2844
/* Proefgelezen */
222895
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|346|MAGIE.|}}</noinclude>magnetisme of de biologie, van welks aanwending de sporen reeds in de hoogste oudheid te vinden zijn.
Wanneer men bij een oud schrijver reeds duidelijk het waarzeggen door middel van kloppende tafels vermeld ziet, dan wordt men bijna genoopt om toe te stemmen, dat er niets nieuws onder de zon is, en vindt men het gevoelen van enkelen niet zoo vreemd, dat de oude Magiers ook kennis zullen gedragen hebben aan verschijnselen, die wij bij den tegenwoordigen toestand onzer wetenschap nog niet kennen.
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
Ik hoop, dat ik in het gezegde den aard en het wezen der Magic genoegzaam heb toegelicht om vooreerst het onderscheid te doen opmerken tusschen haar en de wel naauw met haar verbondene en van haar afstammende, maar toch inderdaad van haar verschillende populaire Magie of hekserij, en om ten tweede te doen inzien, hoe het geloof aan Magie, wel verre van louter en alleen in dwaling en verdichting zijn grond te hebben, inderdaad berustte op een feit, het werkelijk ''bestaan'' eener geheime wetenschap, die, daar zij voor gewone menschen ontoegankelijk scheen en in het bezit was van personen, die geacht werden met het goddelijke en bovenmenschelijke in naauwe betrekking te staan, niet dan van hoogeren oorsprong geacht kon worden te wezen. Als zoodanig behoort de Magie tot de geschiedenis der wetenschap, geenszins alleen tot de geschiedenis der menschelijke dwalingen.
De tijd is voorbij, toen men met een medelijdend schouderophalen alles voorbijging, wat men kort weg, en om er zich van af te maken, met den naam van bijgeloof betitelde, daar men is begonnen in te zien, dat dit alles toch een grond heeft, 't zij in den menschelijken geest zelven, 't zij in werkelijke feiten, al zijn ook die feiten onvolledig en al werden zij verkeerd geduid. Mogt ik iets hebben toegebragt tot de overtuiging, dat dit ook met de Magie het geval is, dan zou ik doel hebben bereikt.
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude>
c0hgbntocxv6shbfqmhw0pewsewswyf
Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/België/Barok en Rococo/Peter Paul Rubens
100
86085
222864
220761
2026-06-04T19:34:49Z
Vincent Steenberg
280
+bron
222864
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox thema
| naam = Peter Paul Rubens
| afbeelding = Sir Peter Paul Rubens - Portrait of the Artist - Google Art Project.jpg
| alt = Zelfportret
| beschrijving = Bronnen bij de Zuid-Nederlandse schilder, tekenaar, ontwerper en diplomaat [[w:nl:Peter Paul Rubens|Peter Paul Rubens]]
}}
== Algemeen ==
== Inleidingen - Hand- en leerboeken ==
*Houbraken, Arnold (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Petrus Paulus Rubens|“Petrus Paulus Rubens”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I (1718), p. 61-76.
*Vloten, J. van (1874) ''[[Nederlands schilderkunst van de 14e tot de 18e eeuw|Nederlands schilderkunst]]'', Amsterdam: P.M. van Kampen & Zn., p. 99-118.
== Verzamelen - Musea - Tentoonstellingen ==
=== Verzamelen ===
==== Kunsthandel ====
*J.W. (12 april 1937) [[Arnhemsche Courant/Jaargang 124/Nummer 15586/Kunstzaal Fa. D. Katz te Dieren|‘Kunstzaal Fa. D. Katz te Dieren. Wederom aanwinsten’]], ''Arnhemsche Courant'', tweede blad, p. 3.
==== Veilingen ====
;1758
*''Catalogue de Tableaux de Cabinet de feu ... Robyns'' ..., Brussel, 22 mei 1758 ''sqq.''<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (4 mei 1758) [[:s:fr:Avis au Public le 22 May 1758, et jours suivants on vendra à Bruxelles (…)|‘Avis au Public le 22 May 1758, et jours suivants on vendra à Bruxelles […] [advertentie]’]], ''Amsterdamse Donderdagse Courant'', [p. 2].
;1888
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;1914
*''Catalogue des tableaux anciens des écoles allemande, anglaise, espagnole, flamande, française, hollandaise, italienne, suisse des XVe, XVIe, XVIIe, XVIIIe siècles composant la collection de Son Excellence feu Paul Delaroff, conseiller privé de Sa Majesté l'Empereur de Russie'', F. Lair-Dubreuil, Parijs, 23-24 april 1914.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Veiling-Delaroff|‘Veiling-Delaroff’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p. 7.
;1927
*''Collections de Feu le Baron Léon de Pitteurs Hugaerts d'Ordange et Autres Provenances'', Galerie Fievez, Brussel, 14-17 december 1927.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (3 december 1927) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 84/Nummer 334/Avondblad/Veilingen|‘Veilingen’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p. 1.
;1931
*''Collections Marczell von Nemes. Catalogue des tableaux'', Mensing & Fils, Paul Cassirer en Hugo Helbing, München, 16-19 juni 1931.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (29 mei 1931) [[De Telegraaf/jaargang 39/nummer 14629/De a.s. Von Nemes-veiling|‘De a.s. Von Nemes-veiling’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, Derde Blad, p. 9.
=== Musea ===
;Groninger Museum
*Anoniem (31 maart 1915) [[Nieuwsblad van het Noorden/Jaargang 76/Nummer 28/Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot|‘Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot’]], ''Nieuwsblad van het Noorden'', [eerste blad, p. 2].
;Mauritshuis, Den Haag
*Anoniem ([ca. 1900]) ''[[Mauritshuis 's-Gravenhage|Mauritshuis The Hague Holland. Mauritshuis 's-Gravenhage]]'', 's-Gravenhage: De Groot & Dijkhoff, [p. 41-43].
;Musée du Louvre, Parijs
*Anoniem (1834) ''Notice des tableaux exposés dans le Musée Royal'', Paris: Vinchon, fils et successeur de mme. ve. Ballard, p. 110-119, cat.nrs. 677-718.<br>Aankondigingen en recencies:
**Anoniem (21 augustus 1834) [[Bredasche Courant/1834/Nummer 198/Frankrijk|‘Frankrijk’]], ''Bredasche Courant'', [p. 3].
;Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam
*Anoniem (7 september 1921) [[Het Vaderland/Jaargang 53/7 september 1921/Avondblad/Het Museum Boijmans|‘Het Museum Boijmans’]], ''Het Vaderland'', Avondblad B, p. 2.
*Anoniem (18 juli 1935) [[De Indische Courant/Jaargang 14/Nummer 255/Museum Boymans|‘Museum Boymans’]], ''De Indische Courant'', Tweede blad, [p. 4].
;Rijksmuseum Amsterdam
*Anoniem (1809) ''[[Catalogus der schilderijen, oudheden enz. op het Koninklijk Museum te Amsterdam]]'', Amsterdam: Gebroeders van Cleeff, p. 61-62, cat.nrs. 264-266.
*Anoniem (1830) ''[[Aanwijzing der schilderijen, berustende op 's Rijks Museum, te Amsterdam (1830)|Aanwijzing der schilderijen, berustende op 's Rijks Museum, te Amsterdam]]'', [s.l.: s.n.], p. 59-60, cat.nrs. 269-271.
*Dubourcq, P.L. (1858) ''[[Beschrijving der schilderijen op 's Rijks Museum te Amsterdam|Beschrijving der schilderijen op ’s Rijks Museum te Amsterdam met Fac Simile der Naamteekens]]'', Amsterdam: Frans Buffa & Zonen, p. xiv, 119-120, cat.nrs. 266-268.
=== Tentoonstellingen ===
;1872
*''Tentoonstelling van zeldzame en belangrijke schilderijen van oude meesters. In de kunstzalen der Maatschappij „Arti et Amicitiae.” Ten behoeve van het Weduwen- en Wezenfonds'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 12 april 1872-....<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (14-15 april 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 89/Amsterdam, 12 April|‘Amsterdam, 12 April’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', bijvoegsel, [p. 1].
;1926
*''Tentoonstelling oude kunst in particulier bezit te Haarlem'', Frans Hals Museum, Haarlem, 18 december 1926-15 januari 1927.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (20 december 1926) [[De Tijd/Jaargang 82/Nummer 24268/Oude Kunst te Haarlem|‘Oude Kunst te Haarlem’]], ''De Tijd'', p. 8.
;1927
* [tentoonstelling van Vlaamse en Belgische kunst], Boedapest, 12 mei 1927-....<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (6 mei 1927) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 84/Nummer 124/Avondblad/Vlaamsche en Belgische kunst te Boedapest|‘Vlaamsche en Belgische kunst te Boedapest’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, C, p. 1.
;1935
*''Tentoonstelling van kunstwerken uit Antwerpsche verzamelingen. Catalogus'', Stedelijke Feestzaal, Antwerpen, 20 april-19 mei en 10 augustus-22 september 1935.<br />Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (18 april 1935) [[De Tijd/Jaargang 90/Nummer 28131/Avondblad/Kunsttentoonstelling te Antwerpen|‘Kunsttentoonstelling te Antwerpen’]], ''De Tijd'', Avondblad, [p. 5].
;1939
*''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Recensies en aankondigingen:
**Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p. 3.
**Anoniem (8 juni 1939) [[Het Vaderland/Jaargang 71/8 juni 1939/Avondblad/Oude kunst|‘Oude kunst’]], ''Het Vaderland'', [Avondblad B, p. 1].
== Werk ==
;Cimon en Pero (Rijksmuseum Amsterdam, inventarisnummer SK-A-345)
*Dubourcq, P.L. (1858) ''[[Beschrijving der schilderijen op 's Rijks Museum te Amsterdam|Beschrijving der schilderijen op ’s Rijks Museum te Amsterdam met Fac Simile der Naamteekens]]'', Amsterdam: Frans Buffa & Zonen, p. xiv.
;''De tenhemelopneming van Maria'' (Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, inventarisnummer 162)
*Alex. Pinchart (1858) [[s:fr:Archives des arts, des sciences et des lettres|‘Archives des arts, des sciences et des lettres’]], ''Messager des sciences historiques ou archives des arts et de la bibliographie de Belgique'', Année 1858, p. 154-182, met name 178-181.
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal beeldende kunst]]
l8cydmmwlsfc2w9zwiyhtujnvnhrt9i
Index:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf
106
86588
222893
222709
2026-06-05T07:15:03Z
Havang(nl)
4330
/* Gevalideerd */
222893
proofread-index
text/x-wiki
{{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template
|Type=boek
|Taal=nl
|wikidata=
|Titel=[[Beschrijving van Oekraïne]]
|Ondertitel=Beschrijving van de Rivier Borysthenes, gemeenelijck genoemt Niepr oft Dniepr; en van de zeden der Zaporovische Cosacken
|Deel=
|Auteur=Guillaume Le Vasseur de Beauplan
|Vertaler=Joan Blaeu
|Redacteur=
|Illustrator=Guillaume Le Vasseur de Beauplan
|Stroming=
|Jaar=1664
|Uitgever=Joan Blaeu
|Plaats=Amsterdam
|Druk=
|OorspronkelijkeUitgave=
|Key=
|doe_wikidata=
|ISBN=
|OCLC=
|LCCN=
|BNF_ARK=
|DBNL=
|Bron=pdf
|Afbeelding=1
|Voortgang=T
|Delen=
|Pagina's=Borysthenes (Dniepr)
<pagelist from=1 to=24 1=29r 2="Kaart 1" 3=29v 4=30r 5="Kaart 2" 6=30v 7=31r 8="Kaart 3" 9=31v 10=32r 11="Kaart 4" 12=32v 13=33r 14=33v 15=34r 16=34v 17=35r 18=35v 19=36r 20=36v 21=37r 22=37v 23=38r 24=38v/>
Taurica Chersonesus
<pagelist from=25 to=27 25=92r 26=Kaart 27=92v/>
|Opmerkingen={{c|{{larger|INHOUD}}<br>{{smaller|(''maakt geen deel uit van het oorspronkelijke werk'')}}}}
[[Beschrijving van Oekraïne]]<br>Nederlandse bewerking van delen van het Franstalig origineel uit 1651 (''Description des contrees du Royaume de Pologne'')
<br><br>
[[Beschrijving van Oekraïne/Borysthenes (Dniepr)|Borysthenes (Dniepr)]] <br>
[[Beschrijving van Oekraïne/Taurica Chersonesus|Taurica Chersonesus]]
|NestedInhoud=
|Breedte=
|Css=
|Header=
|Footer=
}}
ofikic2ep72sum09tl0jukx7zjq6478
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/6
104
86600
222868
222734
2026-06-05T06:37:26Z
Havang(nl)
4330
222868
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" />{{center|B O R Y S T H E N E S}}</noinclude>handen voor hun Heer te wercken, en een gedeelte van alderhande vruchten, naer de grootte van 't landt, dat sy besitten, aen hun te geven; daer by kapoenen, hoenders, eyeren, en kieckens, te weten, op de feesten van Paesschen, Pinxsteren, en Christus geboorte: sy worden ook gedwongen om hun wagens te leenen, tot hout voor hun meesters, ten gebruyck van de koken, te voeren: en sy sijn, tegen recht en billijckheyt, tot ontallijcke andere diensten verbonden; behalven het gereet gelt, ende tienden der hamelen, der varckens, van de honigh, en van d'andere vruchten; en yder derde jaer de
derde os, en het derde schaep. Eyndelijck, dese elendigen sijn gehouden aen hun meesters te geven al 't gene dat hun lust; in voegen dat het geen wonder is, dat sy, onder soo swaeren last gedruckt, in bitteren haet tegen hun meesters ontsteecken sijn.
Maer dit schijnt noch seer weynigh, in vergelijcking van de onbepaelde macht, die aen
den Poolschen Adel over 't leven en de doot van hun ondersaten, naer hun believen, toegestaen is: in voegen dat, soo iemant deser ellendigen een geemelijck en wreet meester gekregen heeft, hy in erger staet is, dan een slaef, tot de galey verwesen: soo streng een dienstbaerheyt dwingt dese ongeluckigen ten meestendeel, die moeds genoegh hebben, de vlucht te kiesen, en sich naer Zaporoüy, oft naer de bosschen van
de Borysthenes, de vertreckplaetsen der Cosacken tusschen de rivier, te begeven; en na dat sy daer eenige jaren overgebracht, en een zeetocht op d'Euxinische zee gedaen hebben, worden sy in de Cosackische krijghsordening aengenomen; en in deser voegen sijn de Zaporovische krijghsbenden seer groot geworden, gelijck de hedendaeghsche beroerten opentlijck getuygen. Want dese Zaporovianen, het Quartiaensche heir der Polen, met de beyde Velt-oversten, verdelght hebbende, sijn, door d'oproer der Russen, geheel Ruslant deur te streng van hun Heeren gehandelt, tot een getal van twee hondert duysent strijdbare mannen opgeklommen; en, als sy in de strijt d'overhant op de Polen verkregen hadden, soo hebben se hun palen tot over de hondert en twintigh mijlen in de langte, en sestigh in de breette uytgebreyd. Wy vergaten te seggen, ('t welck oock de
seden der Cosacken aengaet,) dat sy in tijdt van vrede sich tot de jaght van wilde beesten, en tot de visschery begeven.
Maer om weêr te keeren, daer wy 't gelaten hebben, men gelooft dat, toen 't oude Kiow
noch in bloeyende staet was, dese mont van de Hellespontus, die naer Constantinopelen strekt, noch niet aen d'inwoonders van Ruslandt bekent was; en men houd voor seker, (gelijck ick, op eygen ervarentheyt steunende, oock voor ontwijffelijck acht) dat de vlackten, aen den slincken oever van de Borysthenes gelegen, eertijdts met zeewater bedeckt sijn geweest; 't welck klarelijck blijckt, soo door d'anckers, als 't ander scheepstuygh, veel jaren daerna ontrent Lofficza gevonden, 't welk een stadt is, aen
de rivier Sula gelegen; en alle, soo steden, als dorpen, in dat gewest van de Borysthenes geplaetst, gelijcken nieuwe wooningen, en schijnen nauwelijcks eenige hondert jaren out te sijn. Ick, door een gerechtige nieusgierigheyt bewogen, heb gepooght de geschiede saecken der Russen t'ondersoecken, om daer uyt eenigh licht in d'oude geschiedenissen te bekomen; maer mijn arbeyt was vergeefs: want ick, een van hun geleertsten ondervragende, kreegh tot antwoort, dat door de gedurige oorlogen van hun voorouders met hare gebueren, alle hun geschriften verdelght waren; maer dat hy echter by ware overlevering van hant tot hant uyt sijn voorouders had verstaen, dat alle dese landen, de welcke beneden Kiow van de Borysthenes bespoelt worden, eertijts van de zee ingeswolgen waren, gelijck wy oock hier voor geseght hebben; en dat dit voor drie duysent jaren was geschied. Hy voeghd 'er by, dat, toen omtrent negen hondert jaren geleden, d'oude stadt Kiow geheel verdelght was, sonder dat 'er iets overbleef, dan de twee kercken, die wy hier voor breeder beschreven hebben.
Sy seggen dit oock niet sonder reden: want alle de puynhoopen der oude kasteelen en burgten, tusschen de Borysthenes en Moscovien gelegen, sijn op hooge en uytsteeckende bergen gebouwt, sonder dat men een sal vinden, in de vlackte staende. Hier uyt spruyt dit vermoeden, dat alle vlacke landen eertijts onder 't water bedolven hebben geweest. Dit wordt bevestight door de menighte van munt, in een der geseyde kuylen gevonden, 't welck, van koper gemaeckt sijnde, dus geteeckent was, sonder dat
<br />
[[File:Description of Ukraine coins.jpg|300px|center]]
ick weet welck beelt het vertoont. Maer dit durf ick versekeren, dat alle dese landen, aen de slincke sijde van de Borysthenes, tot aen Moscovien uytgestreckt, laeger en sandiger sijn, dan degene die daer tegen over leggen, uytgesondert het landt aen de noortsijde van de rivier Sula, en de steden Worsko en Psczol; gelijck men beter uyt de landtkaert van dese plaetsen kan sien.
't Is oock aenmerckens-waerdigh, dat alle de rivieren van dit gewest soo langsamelijck afloopen, dat sy schijnen te twijffelen naer welcke sijde yder sich keeren sal, hoewel in tegendeel, de gemeene kolck van alle dese rivieren, namentlijck de Pontische zee, met soo groote geswintheyt voortgedreven wordt, dat sy, somtijts door d'afschutselen van de Hellespontus deurgebroocken, sich in de Middellantsche zee stort. En indien men dit neerstighlijck overweeght, soo sal men seggen, dat alle dese vlackten eertijts
een zee hebben geweest.
Omtrent een mijl boven Kiow, aen de slincke sijde van de Borysthenes, wordt dese rivier vergroot van de beeck Dziesna, die, als sy de gebuerige stadt Mostho voorby vloeyt, wel hon<includeonly>dert</includeonly><noinclude></noinclude>
hfrcl0ji6k6g8thjkm50jbxsnn0wcsc
222869
222868
2026-06-05T06:37:52Z
Havang(nl)
4330
222869
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" />{{center|B O R Y S T H E N E S}}</noinclude>handen voor hun Heer te wercken, en een gedeelte van alderhande vruchten, naer de grootte van 't landt, dat sy besitten, aen hun te geven; daer by kapoenen, hoenders, eyeren, en kieckens, te weten, op de feesten van Paesschen, Pinxsteren, en Christus geboorte: sy worden ook gedwongen om hun wagens te leenen, tot hout voor hun meesters, ten gebruyck van de koken, te voeren: en sy sijn, tegen recht en billijckheyt, tot ontallijcke andere diensten verbonden; behalven het gereet gelt, ende tienden der hamelen, der varckens, van de honigh, en van d'andere vruchten; en yder derde jaer de
derde os, en het derde schaep. Eyndelijck, dese elendigen sijn gehouden aen hun meesters te geven al 't gene dat hun lust; in voegen dat het geen wonder is, dat sy, onder soo swaeren last gedruckt, in bitteren haet tegen hun meesters ontsteecken sijn.
Maer dit schijnt noch seer weynigh, in vergelijcking van de onbepaelde macht, die aen
den Poolschen Adel over 't leven en de doot van hun ondersaten, naer hun believen, toegestaen is: in voegen dat, soo iemant deser ellendigen een geemelijck en wreet meester gekregen heeft, hy in erger staet is, dan een slaef, tot de galey verwesen: soo streng een dienstbaerheyt dwingt dese ongeluckigen ten meestendeel, die moeds genoegh hebben, de vlucht te kiesen, en sich naer Zaporoüy, oft naer de bosschen van
de Borysthenes, de vertreckplaetsen der Cosacken tusschen de rivier, te begeven; en na dat sy daer eenige jaren overgebracht, en een zeetocht op d'Euxinische zee gedaen hebben, worden sy in de Cosackische krijghsordening aengenomen; en in deser voegen sijn de Zaporovische krijghsbenden seer groot geworden, gelijck de hedendaeghsche beroerten opentlijck getuygen. Want dese Zaporovianen, het Quartiaensche heir der Polen, met de beyde Velt-oversten, verdelght hebbende, sijn, door d'oproer der Russen, geheel Ruslant deur te streng van hun Heeren gehandelt, tot een getal van twee hondert duysent strijdbare mannen opgeklommen; en, als sy in de strijt d'overhant op de Polen verkregen hadden, soo hebben se hun palen tot over de hondert en twintigh mijlen in de langte, en sestigh in de breette uytgebreyd. Wy vergaten te seggen, ('t welck oock de
seden der Cosacken aengaet,) dat sy in tijdt van vrede sich tot de jaght van wilde beesten, en tot de visschery begeven.
Maer om weêr te keeren, daer wy 't gelaten hebben, men gelooft dat, toen 't oude Kiow
noch in bloeyende staet was, dese mont van de Hellespontus, die naer Constantinopelen strekt, noch niet aen d'inwoonders van Ruslandt bekent was; en men houd voor seker, (gelijck ick, op eygen ervarentheyt steunende, oock voor ontwijffelijck acht) dat de vlackten, aen den slincken oever van de Borysthenes gelegen, eertijdts met zeewater bedeckt sijn geweest; 't welck klarelijck blijckt, soo door d'anckers, als 't ander scheepstuygh, veel jaren daerna ontrent Lofficza gevonden, 't welk een stadt is, aen
de rivier Sula gelegen; en alle, soo steden, als dorpen, in dat gewest van de Borysthenes geplaetst, gelijcken nieuwe wooningen, en schijnen nauwelijcks eenige hondert jaren out te sijn. Ick, door een gerechtige nieusgierigheyt bewogen, heb gepooght de geschiede saecken der Russen t'ondersoecken, om daer uyt eenigh licht in d'oude geschiedenissen te bekomen; maer mijn arbeyt was vergeefs: want ick, een van hun geleertsten ondervragende, kreegh tot antwoort, dat door de gedurige oorlogen van hun voorouders met hare gebueren, alle hun geschriften verdelght waren; maer dat hy echter by ware overlevering van hant tot hant uyt sijn voorouders had verstaen, dat alle dese landen, de welcke beneden Kiow van de Borysthenes bespoelt worden, eertijts van de zee ingeswolgen waren, gelijck wy oock hier voor geseght hebben; en dat dit voor drie duysent jaren was geschied. Hy voeghd 'er by, dat, toen omtrent negen hondert jaren geleden, d'oude stadt Kiow geheel verdelght was, sonder dat 'er iets overbleef, dan de twee kercken, die wy hier voor breeder beschreven hebben.
Sy seggen dit oock niet sonder reden: want alle de puynhoopen der oude kasteelen en burgten, tusschen de Borysthenes en Moscovien gelegen, sijn op hooge en uytsteeckende bergen gebouwt, sonder dat men een sal vinden, in de vlackte staende. Hier uyt spruyt dit vermoeden, dat alle vlacke landen eertijts onder 't water bedolven hebben geweest. Dit wordt bevestight door de menighte van munt, in een der geseyde kuylen gevonden, 't welck, van koper gemaeckt sijnde, dus geteeckent was, sonder dat
<br />
[[File:Description of Ukraine coins.jpg|300px|center]]
ick weet welck beelt het vertoont. Maer dit durf ick versekeren, dat alle dese landen, aen de slincke sijde van de Borysthenes, tot aen Moscovien uytgestreckt, laeger en sandiger sijn, dan degene die daer tegen over leggen, uytgesondert het landt aen de noortsijde van de rivier Sula, en de steden Worsko en Psczol; gelijck men beter uyt de landtkaert van dese plaetsen kan sien.
't Is oock aenmerckens-waerdigh, dat alle de rivieren van dit gewest soo langsamelijck afloopen, dat sy schijnen te twijffelen naer welcke sijde yder sich keeren sal, hoewel in tegendeel, de gemeene kolck van alle dese rivieren, namentlijck de Pontische zee, met soo groote geswintheyt voortgedreven wordt, dat sy, somtijts door d'afschutselen van de Hellespontus deurgebroocken, sich in de Middellantsche zee stort. En indien men dit neerstighlijck overweeght, soo sal men seggen, dat alle dese vlackten eertijts
een zee hebben geweest.
Omtrent een mijl boven Kiow, aen de slincke sijde van de Borysthenes, wordt dese rivier vergroot van de beeck Dziesna, die, als sy de gebuerige stadt Mostho voorby vloeyt, wel hon-<noinclude></noinclude>
0hvzd9m079dipuoea60s28wo3c2kekb
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/7
104
86601
222870
222733
2026-06-05T06:38:34Z
Havang(nl)
4330
222870
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" />{{center|B O R Y S T H E N E S}}</noinclude>dert mijlen van haer oorspronck voortgeloopen is, en daer in de Borysthenes valt. Een half mijl beneden de stadt is een dorp, Pieczary genoemt, met een klooster van Basilius Monicken, in 't welck d'Abt, een Aertsbisschop en Russische Grieck sijnde, de stoel der afgescheurden besit. Beneden aen de bergh, die by dit klooster leght, sijn veel holen vol lijcken, over meer dan vijftien hondert jaren daer begraven, in hun volle gestalte, gelijck de Mumien van Egypten. Men seght deurgaens dat d'oude Christelijcke heremijten dese holen hebben gemaeckt, en bewoont, om de vervolging der heydenen t'ontvluchten, en de ware Godt in stilte te dienen.
Men siet hier oock het lichaem van sekeren S. Ioannes, dat noch geheel is, en tot aen de lendenen gesien wordt; want het beneden deel van 't lichaem, met aerde bedeckt, kan niet gesien worden, als oft hy begeerde dat het verborgen sou sijn. De Monicken van dese plaets verhaelden, dat desen heyligen Ioannes, de tijdt van sijn overlijden voorsien hebbende, voor sich self sijn graf maeckte, niet in de langte, gelijck de gewoonte is, maer in de diepte; en dat hy, toen hy sterven sou, van sijn broeders,
by hem sijnde, afscheyt heeft genomen, en sich daer in begeven; doch dat, door Godts believen, hy, hoewel de kuyl diep genoegh was, niet geheel daer in is geraeckt, maer half buyten is gebleven, op dat het overige deel tot een voorbeelt van heyligheyt sou verstrecken. Hier wordt oock sekere S. Helena getoont, die by hen in hooge eerbiedigheyt is; met een ysere keten, daer meê, gelijck men seght, als met een geessel, de duyvel S. Antonius heeft geslagen; dese keten (gelijck men gelooft) heeft soo grooten kracht, dat sy, van de besetenen aengeraeckt, de boose geesten verdrijft. Men siet hier oock drie beckeneelen van menschen, in schuttels geleyt, daer dagelijcks veel olie afdruypt, die seer dienstigh is om alderhande sieckten te verdrijven. In dese selfde holen leggen oock de lichamen van seer veel groote en deurluchtige mannen verborgen, onder de welcke twee, de bouwmeesters van dese kerck, uytmunten; welcker lichamen gelijck kostelijck heylighdom gehouden, en aen alle de gene, die derwaerts
komen, getoont worden; gelijck aen my self dickwijls is geschiedt, als ick in de winter mijn verblijf te Kiow had, daer ick toen met gemack mijn nieusgierigheyt voldoen kon.
Wat my aengaet, ick acht dat 'er naeuwelijcks eenigh onderscheyt tusschen de geseyde
lighamen, end d'Egyptische mumyen is, uytgesondert in de swartheyt, en hardigheyt, die
aen d'Egyptische lijcken eygen is; en ick geloof dat het gene, 't welck hen soo lange tijt onbederffelijck bewaert , d'eygenschap van dese plaets en van dese holen is, die, ten deel uyt sant en drijfsandt bestaende, in de winter warm, en des somers koel, en altijt droogh sijn. In dit klooster sijn veel Monicken, onder de welcken d'Abt, Aertsbisschop van geheel Russen, en alleenlijck onder d'Aertsbisschop van Konstantinopolen staende, uytmunt. Niet verre hier af is een ander klooster van Bagynen, die, omtrent hondert in getal sijnde, de kost met hun eyge handen winnen, en voornaemelijck met naeltwerck, 't welck sy daer na aen de gene, die hen komen besoecken, verkoopen. Het staet hen vry, als 't hen lust, buyten het klooster te gaen, gelijck sy dickwijls naer de stadt doen, die niet veerder dan een half mijl van daer is. Sy sijn in 't swart gekleedt, en gaen niet uyt, dan twee gelijck, op de wijse der Katholijcke Monicken. My heught oock dat ick eenigen van haer soo schoon van aengesicht gesien heb, dat sy nergens in voor de Poolsche vrouwen wijcken.
Tusschen Kiow en Pieczary is seecker dorp, Tripoli genoemt; en een weynigh laeger
Stayki, op d'afgang van de bergh. Dese stadt is seer oudt; en men vindt hier oock een deurwading over de Borysthenes.
Daer na volgt Rychow, oock op een bergh gebouwt. Dese plaets is bequaem om een vesting te bouwen, dewijl men daer lichtelijck over de rivier kan komen.
Dan volgt Tretimirow, een klooster, in 't midden van een afgront gelegen, en aen alle
sijden van onbeganckelijcke klippen besloten. De Cosacken brengen in dese plaets het kostelijckste dat sy hebben, soo dickwijls als 'er beroerte of gevaer is. Hier is oock een deurwaeding van de rivier te vinden.
Een mijl van hier, aen de slincke sijde van de rivier, leght Pereaslaw, een stadt, die, als het schijnt, niet seer oudt is, om dat sy in een vlacke plaets is, doch echter seer bequaem van gelegenheyt, en soo wel veyligh van natuur, als om dat men daer lichtelijck een vesting sou konnen maken, die tegen het woeden der Cosacken en Moskoviters sou dienen. Dese stadt bestaet uyt ontrent ses duysent huysen; en de Cosacken hebben daer een van hun regimenten in besetting.
Een weynigh laeger naer Russen is Kanjow, een seer oude stadt en kasteel, daer oock een regiment van Cosacken in besetting is. De Borysthenes heeft hier oock een deurwading.
Een weynigh nederwaerts, aen de slincke sijde van de rivier, siet men Bobunska, en Domontow, plaetsen van weynigh belang.
Noch laeger, aen de rechte sijde van de rivier, legt Cirkacze, een seer oude stadt, van aengename gelegenheyt, diemen lichtelijck verstercken kan. Ick heb dese stadt gesien, toen sy noch in haer oude glans was. Sy was als het middelpunt van 't geheel gewest der Cosacken, en de woonplaets van hun Hartogh, of Velt-overste. Wy verdelghden haer met vuur in 't jaer 1637, op de 18 van December, twee dagen na dat wy de Cosacken in de vlucht hadden geslagen, tegen de welcken wy echter elders hadden geoorloght, sonder hen schade aen te doen. Sy heeft een regiment van Cosacken tot besetting, en een deurwading over de Borysthenes.
Daer beneden legt Borowick, Bokin, Woronowk, en op d'andere oever Czeherin, Dombrow, omtrent het vierde deel eens mijls vandaer: gelijck oock Krylow aen d'over-oever,<noinclude></noinclude>
1bsljfy5v2khz9kf5vebsjupogrcoox
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/9
104
86603
222871
222732
2026-06-05T06:39:13Z
Havang(nl)
4330
222871
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" />{{center|B O R Y S T H E N E S}}</noinclude>op de rivier Ytazemen, een mijl van de Borysthenes af gelegen.
Een weynig laeger aen de sijde van Moskovie siet men Krzemienczow, en seer oude muren,
daer ick, de saeck naeukeurelijcker ondersoeckende, in 't jaer 1635 een kasteel vond. Dese plaets is seer aengenaem te bewoonen, en oock gemackelijck. Dit is de leste der steden van de Borysthenes: want alle d'anderen, naer Tartarien gelegen, sijn woest.
Een eenige mijl hier boven is de vischrijcke rivier Pfeczol, die daer sijn water met de Borysthenes vermengt: maer wat laeger, aen d'oever van Ruschlant, is de beeck Omielnik, die overvloet van kreeften heeft, en haer water in de selfde Nieper stort. Aen de selfde strandt van de Borysthenes is een ander beeckje, by de Russen Druhi Omielnik genoemt, die, mede rijck van kreeften, sich oock daer in ontlast. De rivier daer tegen over, Worsko genoemt, seer vischrijck sijnde, vergroot de Borysthenes door de menighte van sijn golven.
Aen de selfde strandt is noch een andere rivier, Orel genoemt, die in overvloet van visch niet voor de voorgenoemde wijckt, en oock in de Borysthenes stroomt. Ick heb 'er eens by geweest, dat, aen de mont van de geseyde rivier, met het uytsetten van een net twee duysent visschen gevangen wierden, van de welcken de kleynste een voet lang was.
Aen de rechte sijde van de Borysthenes, oft aen de strandt van Ruschlandt, siet men veel poelen, soo vol gepropt van visschen, dat het water self, byna doot en onbewegelijck sijnde, bederft; 't welck oock dickwijls de visschen doet sterven. Dese plaets wordt van d'inwoonders Zamolkam genoemt. Omtrent dese poelen vindt men kleyne karsseboomen, van omtrent dardehalf voet hoogh, die seer soete karssen voortbrengen, de welcke soo groot als pruymen sijn, en echter niet, dan in 't begin van Augustus, rijp worden. Men vindt hier overal geheele bosschen van karsseboomen, die oock elders een half mijl lang, maer echter niet meer dan twee of drie hondert schreden breet sijn. Warelijck, men moet bekennen, dat soo groot een menighte van karsseboomen, welcker vruchten smaekelijck sijn, seer aengenaem om te sien is, die echter weynigh op de hooghten, maer meest in de vlackten staen. Men vindt daer oock amandelboomen, die kleyn sijn, en een bittere vrucht geven; doch niet in soo groot een menighte, dat sy geheele bosschen konnen uytmaeken, gelijck de karsseboomen doen. Ick, door soodanigh een nieusgierigheyt aengedreven, die een vrygebore mensch past, deê eenige karsseboomen en amandelboomen, uyt dese plaetsen opneemen, en naer Bare (welck
toen mijn gewoone verblijfplaets was) voeren, en daer met behoorlijcke sorgvuldigheyt weêr insetten, de welcke daer na smakelijcker, en oock grooter wierden. Een weynigh hooger boven dese plaetsen vindt men sekere rivier, Demokant genoemt, rijck van kreeften, die wel negen vingeren lang sijn. Men pluckt hier oock waternooten, die seshoeckigh, en, een weynigh gekoockt sijnde, aengenaem van smaeck worden bevonden.
Als men nederwaerts reyst, ontmoet men Romanow, een groote heuvel van aerde, daer de Cosacken, als sy van gemeene saeken sullen spreken, of tegen de vyandt trecken, naer toeloopen, en hun krijgsbenden oversien. Dese plaets sou seer bequaem tot de bouwing van een vesting en stercke stadt sijn.
Een weynigh laeger is een eylant, een half mijl lang, en hondert en vijftigh schreden breet, het welck echter in de winter onderloopt. D'inwoonders noemen dit oock Romanow. Hier komen veel visschers, soo van andere plaetsen, als voornamelijck van Kiow. Aen 't achter-eynde van dit eylant heeft de rivier Borysthenes een vrye loop, sonder van eenige eylanden belemmert te worden. Hier is 't dat de Tarters, voorgenomen hebbende een roof uyt Ruschlant te halen, gemeenlijck hun benden overvoeren, vermits sy onder d'eylanden de gedurige overvallingen der Cosacken, die sich daer verbergen, vreesen.
Een weynigh laeger, aen de rechte sijde van de rivier, siet men sekere plaets, Tarowky
Rog genoemt, een der aengenaemste plaetsen, die ick ooyt gesien heb, om te bewoonen,
en oock seer bequaem om een vesting te bouwen, die een krachtige breydel voor de snelle vloet sou sijn. Want de Borysthenes heeft daer geen uytsteekende eylanden, en is niet boven de twee hondert schreden breet, soo dat men lichtelijck met een musket daer over schieten kan. D'oever aen d'andere sijde is een weynigh hooger, en wordt van d'inwoonders Sorokagore genoemt. De menighte der beeckjes, die overvloet van visch hebben, vermeerderen de bequaemheyt van dese plaets, en sijn oock in groote menighte in d'eylanden van de Borysthenes.
Een weynigh laeger vint men 't Eylandt van 't klooster genoemt, dat geheel een klip is, gantsch steyl afgebroken, in sommige plaetsen vijf-en-twintigh, en in andere dertigh voeten hoogh; 't welck oorsaeck is van dat het niet van de rivier ondergeset wordt. Hier op was eertijts een oudt klooster, van 't welck het eylant de naem heeft, waer van men echter in dese tijdt gantsch geen overblijfsel vindt. Dit sou een bequaeme wooning sijn, soo 't vaste landt niet soo hoogh en na daer aen was. Het is duysent schreeden lang, en hondert breet. Men vindt daer veel slangen, en andere kruypende dieren.
Hier na volght een ander eylandt, ''Konski Ostrow'' genoemt, drie mijlen lang, en voor aen een mijl breet: het is boschachtigh en poelachtigh, en wordt echter in de Lente van de Borysthenes overloopen. Hier sijn veel visschers, die, by gebreck van sout, de visschen eerst met asch souten, en daer na in de wint doen droogen. Dese visschers hebben een rijcke visschery in de rivier Samar genoemt, die tegen over dit eylant
in de Borysthenes valt. Dese rivier, met het geheel gewest daer rontom, verdient een groote naem, niet alleenlijck om de menighte van visch; maer oock om d'overvloet van was, ho-<noinclude></noinclude>
j5u9ett980y0oporam1dr5a087nmj4s
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/12
104
86607
222872
222738
2026-06-05T06:40:16Z
Havang(nl)
4330
222872
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" />{{center|B O R Y S T H E N E S}}</noinclude>uyt: en onder dese dartien watervallen sijn niet meer dan twee, namelijck de tiende, ''Bodilow'' genoemt, en d'elfde, Tawolesan geheeten, daer de Tartars over de rivier konnen swemmen, uyt oorsaeck van de gemackelijcke opkomst aen de oevers, en dit van d'eerste tot aen de leste. De rivier set, als het water hoogh wordt, alle eylanden onder, behalven twee, 't eerste aen d'eerste waterval, ''Strzeky'' genoemt, het welck in 't geheel een steyle klip is, dartigh voeten hoogh, vijf hondert schreden lang, en zeventigh of tachtigh breet. Men weet niet of daer water op is, om dat niemant, behalven 't gevogelte, daer op kan komen. Men siet echter dat dit eylandt rontom met wilde wijngaerden beset is. 't Ander eylandt is grooter dan 't eerste, en heeft in de langte omtrent twee duysent schreden, en hondert en vijftigh in de breette. Dit is oock gantsch klippigh, doch lichter om aen te komen. Dese plaets is sterck van natuur, en bequaem om te bewoonen. Hier wast een boom, van d'inwoonders Tavola genoemt, roodt van koleur, en soo hardt als ebbenhoudt, 't welck kracht heeft om de paerden te doen pissen. Dit eylandt word ''Trawolczanil'' genoemt, welcke naem oock aen d'elfde waterval van de Borysthenes gemeen is, gelijck hier voor is geseght. De tiende waterval wordt Wolvy, dat is. Vry genoemt, een plaets, die seer bequaem is tot de bouwing van een vesting.
Een weynigh hooger, soo wijt als men met een stuck geschuts beschieten kan, leght een eylandt, geheel van klippen, van de Cosacken ''Kuczanowice'' genoemt, als of men plaets der Bacchanten of stempers seyde, om dat de Cosacken, alle de watervallen deurgeraeckt, daer van blyschap hippelen en springen, en daer feestdagh houden, met groen om 't hooft verciert, en sich, volgens de gewoonte van hun landt, in 't sant, gelijck een meulen, rontom wentelen.
Een weynigh laeger dan ''Kuczanowice'', tot aen ''Kuczkosow'', sijn seer vermakelijcke plaetsen. ''Kuczkosow'' is een kleyne rivier, van de sijde van Tartarien in de Borysthenes vloejende, van de welcke een gedeelte van 't landt de naem voert, en 't ander deel van de Borysthenes, van daer het met ontoeganckelijcke klippen besloten is, gelijck uyt de kaert blijckt. De toegang tot dit landt is soo steyl, dat men daer niet dan van een plaets aen de lantsijde inkomen kan. Het is omtrent twee duysent schreden lang, en in de laeghte gelegen. Hier sou bequaemheyt sijn om een treffelijcke en stercke stadt te bouwen. Het landt self, ongelijck sijnde, vertoont sich in een ronde gestalte. 't Is wel waer dat alle de rivieren van Tartarien hooger sijn, en dieshalven daer over te gebieden hebben; maer men sou dit lichtelijck, met het bouwen van een vesting, konnen weeren: want hier worden uytsteeckende plaetsen gevonden. De Borysthenes heeft hier sijn volle loop, sonder door watervallen belet te worden; maer is echter eng ter plaets, daer hy sich zuydwaerts keert, gelijck degene, die de kaert besiet, lichtelijck sal bevinden. Dese rivier is hier seer eng, gelijck ick self gesien heb, ja soo, dat de pijlen van eenige Polen, uyt een boogh geschoten, hondert schreden verre op d'over-oever neer vielen. Men kan op dese plaets seer gemackelijck over de rivier komen; oock is 'er de gewoone overtocht der Tartars, dewijl het water daer naeuwelijcks hondert en vijftigh schreden breet is, en hier geen andere rivieren sijn, die hen hinderen. Het landt is oock niet met sterckten besloten, uyt de welcke men, soo met openbaer gewelt, als met belagingen, de vyanden bespringen kan. Dese overtocht voert ook de naem van ''Kuczkosow''. Een weynigh laeger, namelijck een half mijl van daer, neemt het hooft van Chorticza sijn begin. Doch dewijl ick niet veerder die wegh heen heb geweest, soo sal ick dat seggen, 't welck ick uyt het geloofwaerdigh verhael van anderen verstaen heb, 't gene ick echter niet voor sekerheyt toeseggen wil. Men seght dat dit eylandt seer veyligh is, soo om sijn hooghte, als om sijn steylte van alle sijden, om de welcke het oock onbewoont is. Het is twee mijlen lang, en een half mijl breedt, en noch meest van voren; want ter plaets, daer het sich westvvaerts streckt, wordt hetsmalder. Het wordt nooit van de rivier ondergeset. Het sou seer bequaem om te bewoonen sijn, en oock dienftigh om vestingen tegen de tochten der Tartaren te maeken. Beneden dit eylandt spreydt de Borysthenes sich wijder uyt. Een weynigh laeger leght ''Weliki Ostrow'', of 't groot eylandt, twee mijlen in de langte uytgestreckt, en gantsch onvruchtbaer en onnut. Het loopt in de lenten oock onder, behalven in 't midden, daer het met een hooghte van omtrent vijftien hondert oft twee duysent schreden in de lijn, die over dwars deurgaet, bovenwater blijft. Aen d'oversijde van dit eylandt, uyt het gewest van Tartarien, vloeyt de rivier Konskawoda in de Borysthenes. Dese rivier, die seer snel is, behoudt in de Borysthenes, aen de sijde van Tartarien, de loop van sijn eygewater besonder, twee mijlen verre, en tot aen 't eylandt Tawan. Doch hy, eyndelijck in sijn loop vermoeydt, en een groote santbanck tusschen sijn eyge gracht en de Borysthenes gemaeckt hebbende, vermengt sich eyndelijck met de Neper.
''Tomachowka'' is een eylandt, byna geheel ront gelijck een halve maen, in sijn middellijn omtrent drie vierendeel van een mijl groot, en hoogh, met boomen beset. Als men op desselfs hooghte staet, soo kan men wijt en breetde geheele Borysthenes, van Chorticza tot aen Tawan, beschouwen. Dit eylandt is seer aengenaem van gelegenheyt, schoon des selfs oevers niet aen my bekent sijn. 't Is echter naerder aen de Russen, dan aen de Tartars. Chmielnichi, Velt overste der Cosacken, daer na door soo veel overwinningen vermaert, met sijn aenhang van de Polen afgevallen, hadt dese plaets boven anderen tot sijn wijck geschickt, toen hy vreesde dat hy belegert sou worden; 't welck in 't jaer 1648 in May-maent gebeurde, in de<noinclude></noinclude>
9k9sdnfrw75tfjiba0bdcto5f3ynbiz
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/13
104
86608
222867
222397
2026-06-05T06:33:04Z
Havang(nl)
4330
/* Gevalideerd */
222867
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" />{{c|B O R Y S T H E N E S}}</noinclude>welcke oock de Polen, met groote bloetstorting, by Corsune, verslagen wierden.
Een weynigh beneden de genoemde rivier legt Czortomielick, oft Duyvelsmolen, in 't midden van de Borysthenes, een groot eylandt, en door d'oude muren vermaert. Dit eylandt is van meer dan tien duysent kleyne eylantjes in de langte en breette omringt, welcker stant ongelijck en verwart is. Sommigen daer af hebben poelen, anderen leggen droogh, en het meeste deel is met biesen, oft met riet, een pieck hoogh, beset, daer door men qualijck kan sien waer sy van malkander scheyden. De kromme gelegenheyt deser eylanden geeft aen de Cosacken een veyligh vertreck, 't welck sy Slearbnica Woyskowa, oft Krijgs-thresoor noemen. Alle dese eylanden worden in de lenten van de Borysthenes ondergeset, behalven ter plaets, daer d'oude muren staen, die boven water blijven. De Borysthenes is hier een mijl wijdt van d'een tot aen d'ander oever. Alle de Turcksche macht soude in dese plaets machteloos sijn: en hier sijn oock veel galeyen vergaen, die de Cosacken, met rijcke roof weder naer hun landt keerende, vervolghden. Want sy, in dese doolhoven verwart, konden niet wederkeeren; maer wierden van de Cosacken, met hun schuyten in dese ruyghten verborgen leggende, verdelgt. En hier uyt spruyt het dat de Turcksche galeyen de Cosaksche roovers niet veerder durven vervolgen dan vier of vijf mijlen van de Pontus Euxinus. De Polen achten, doch uyt een onseecker gerucht, dat dit eylandt het Krijgs-thresoor genoemt wort, om dat de Cosacken daer hun geschut verbergen. Want behalven dat de Poolsche krijgslieden niet soo verre komen, soo willen de Cosacken, die hun geheymenissen wel verswijgen konnen, dit geheym niet aen hen openbaren: oock sijn 'er weynigh Cosacken, die dit weten. Sy begraven echter alle het geschut, dat sy de Turcken afnemen, in dese plaets; gelijck oock hun gelt, 't welck sy niet van daer halen, dan in d'uyterste noot, elck uyt sijn eygen hol: want na dat sy op de Turcken roof gehaelt hebben, en weêrgekeert sjn, deelen sy de roof, die yder voor sich self onder 't water verberght, op dat sy niet lichtelijck van anderen gevonden sou worden. De Cosacken maken in dese plaets oock hun schuyten, Czolny genoemt, omtrent sestigh voeten lang, en tien of twaelf voeten breedt, doch maer acht voeten diep, yder met twee riemen, voor en achter, gelijck hier na uyt d'afbeelding sal blijcken.
Kier is een eylant, vijf of ses mijlen lang, geheel vlack, en met riet en wilgen bedeckt. 't Eylandt is breeder naer de sijde van Ruslant, dan van Tartaryen, en des selfs west sijde loopt nooyt onder.
Welika Woda, of Grootwater, legt tegen over Skorouka. De rivier is hier vol van kleyne eylantjes. In 't midden siet men een aengenaeme plaets.
Nosokowka is twee mijlen lang, sonder eenige boomen, en loopt gemenelijck onder in 't begin van delenten. De Tartars trecken hier over de rivier, gelijck oock over 't eylant Kier. Kosmatka is een half mijl breet, tusschen het welck, en tusschen Ruschlant seekere arm van de rivier is, oock Kosmatka genoemt, langs de welcke de Cosacken sich heymelijck ter zee begeven, uyt vrees van de Turckfche besetting, die gedurighlijck de wacht houdt in een oudt kasteel. Ostan Karadenis genoemt, by d'oude puynhoopen, tegen over 't eylandt Tawan, gelegen.
Tawan is sekere engte, en groote overtocht der Tartaren, om dat de geheele rivier sich daer intreckt, en naeuwelijcks vijf hondert schreden wijt is. D'oever van Ruslant is seer hoogh en steyl; maer d'andere oever over 't eylant Tawan is laegh. Wat het eylandt Tawan aengaet, dewijl het in de lenten niet onderloopt, soo sou het seer bequaem sijn om het stroopen der Cosacken op de zee te beletten. De rivier vloeyt hier in een gracht, twee mijlen verre, daer hy weêr door eylanden gedeelt wordt, en verscheyde waterloopen heeft.
Tawan is dardehalf mijlen lang, en een half mijl breet. De stroom, tusschen Tartarien en dit eylant word Konskawoda genoemt, van de welcke hier voor gesproken is. Men kan dese stroom deurwaden, behalven dan, als de Borysthenes overvloet van water heeft. Het westerlijck deel van dit eylant loopt onder water.
't Eylant, Kosaki genoemt, is omtrent een half mijl lang, en echter 't ondervloeyen onderworpen.
Burnhauka beslaet de plaets van omtrent een half mijl, en loopt oock onder. Hier is een gewoone overtocht der Tartaren over de rivier; en hier sijn drie armen van de rivier, die men deurwaden kan. Konskawoda is d'eerste; en twee van de Borysthenes, van de welcken d'een niet deurwadelijck is.
Van Kuczkasow tot aen Oczakow sijn vijf deurwadingen, daer de Tartars overtrecken. D'eerste is Kuczkosow, en de tweede Nosowka, de welcke seer kommerlijck is, drie vierendeel van een mijl lang, en vol van eylantjes, met biesen beset, behalven noch de verscheyde armen van de rivier, ontsachelijck voor de Tartaren, uyt oorsaeck van de Cosacken, die sich daer verbergen: in voegen dat dese woeste volckeren selden dese overtocht soecken.
De derde en beter overtocht is Tawan, soo om dat sy niet veerder dan drie dagh-reysen van de stadt Crim is, als om dat men lichtelijck daer over kan geraeken. Sy bestaet uyt twee armen; d'eerste wordt Konskawoda genoemt, daer men deurwaden kan; de tweede is de Borysthenes, die men overswemt, als naeuwelijck vijf of ses hondert schreden breet sijnde.
De vierde overtocht is Burnhawka, niet soo gemackelijck als de voorgaende. Hier sijn drie armen van de rivier: d'een is Konskawoda; en de Borysthenes tweemael, van de welcke geen deurwadelijck is.
De vijfde en leste overtocht is Oczakow, die de mont van de Borysthenes is, een Fransche mijl breet. De Tartaren trecken 'er dus over: Sy hebben platte schuyten, daer sy balcken<noinclude></noinclude>
1xz3qms5o8hbp87hi2yox3udnw486e9
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/14
104
86609
222873
222415
2026-06-05T06:42:11Z
Havang(nl)
4330
/* Gevalideerd */
222873
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" />{{c|B O R Y S T H E N E S}}</noinclude>dwars overleggen, aen de welcken sy hun paerden binden, die aen weêrsijden op een rijgh even veel sijn, om de fchuyten in gelijck gewicht te houden. Sy doen hun reystuygh daer in: en steken eyndelijck hun schuyt van de wal af, en de paerden begeven sich oock allengs tot swemmen, om over te geraken. Doch sy souden hun lichtelijck verdrincken, soo sy niet aen de schuyt gebonden waren; 't welck echter niet gedaen wordt, dan als de Borysthenes stil water heeft, en niet door de winden bewogen wordt. De Turcken voerden in mijn tijdt met dusdanige schuyten hun ruytery over, in een getal van veertigh duysent bestaende, toen de Groote Turck de stadt Assow, aen de mont van de Tanais gelegen, (die door de Tanaische Cosacken, welcke onder de Moskoviter staen, ingenomen was,) weêr deê belegeren, en haer oock won; dat in 't jaer 1642 gebeurde.
Drie mijlen boven Oczakow vloeyt de rivier Boh in de Borysthenes. Hier leght oock een eylandt, dat een driehoeckige gestalte vertoont, een half mijl breet, en tegen over Siemienowrok gelegen.
Boven Siemienowrok, aen de rivier Bokus siet men Winokrad Krynica, of sekere springbron op een steylte. De plaets is aengenaem, en bequaem om te bewonen, soo om d'overvloet van 't hout, als om dat men daer lichtelijck molen-werck toestellen kan. Andrey Ostrow is een eylandt van omtrent een mijl lang, en een vierendeel mijls breet, met bosschen beset.
Pieczonybrodt is oock een gemackelijcke overtocht. De rivier is hier niet dieper dan drie voeten, eng, en d'oevers gemackelijck om aen te komen; ja soo, dat men oock groot geschut daer over voeren kan. Beneden dese plaets is de rivier bevarelijck, en kan op veel plaetsen deurwaed worden, gelijck men uyt de kaert kan sien.
Krzemienczow is een eylandt, omtrent vijftien hondert schreden lang, en duysent breet, en twintig of vijf-en-twintig voeten hoogh, aen de noordsijde seer steyl, maer aen de suydsijde laeg. Hier is geen hout, dat bequaem is om huysen te bouwen, 't welck echter een half mijl van hier, uyt het gewest van Oczakow, gehaelt wordt. Aen de noortsijde van't eylandt is seker gewest van 't vaste lant, seer bequaem om een vesting te bouwen, dewijl het van alle sijden met wallen, als seer steyl sijnde, omringt is.
Owczy Sorom, of nieu Konicipole is de beste plaets der gener die, naer Oczakow, onder de heerschappy der Polen staen: welcke plaets ick in 't jaer 1634 eerst gesticht heb; en daer na heb ick die met een vste vesting versterckt. Dese plaets sou als een sterck wapenhuys tegen de Turck konnen dienen.
Wat Oczakow aengaet, dit is een stadt, onder het gebiedt van de Turcken, aen de mont van de Borysthenes gelegen, van hen Dzian Crimenda genoemt. De Turcksche galeyen, tot bewaring van de mont van de Borysthenes gestelt, op dat d'Euxinus niet voor de roveryen der Cosacken bloot sou sijn, hebben hier hun verblijf, daer wel geen haven is, maer echter een veylige ree voor de schepen, die aen ancker leggen. Onder 't kasteel selve siet men twee steden, beyde op d'afgang van de bergh, die soo steyl is van 't zuydoosten tot aen 't noortoosten, dat het schijnt dat men daer af sal vallen. De muren van't kasteel sijn omtrent twintigh voeten hoogh, maer die van de stadt veel laeger. 't Getal der inwoonders is omtrent van twee duysent. Aen de zuydsijde van de stadt is een ander kasteel, plat van gedaente, echter met eenige stucken geschuts versien, om de beyde oevers van de Borysthenes, die daer byna een geheele mijl wijt is, in plicht te houden. Dit kasteel heeft een toren, daer Turcksche wacht op is, om eenigh teken te geven, als de Cosacken pogen sich op d'Euxinus te begeven. Doch de Cosacken spotten hier meê, want sy konnen op de wijse, die ick hier na verhalen sal, lichtelijck in en uyt d'Euxinus komen.
Omtrent een mijl van Oczakow, naer het zuydoosten, is een bequame haven, van d'inwoonders Berezan genoemt. De mont daer af is omtrent twee duysent schreden groot; en men kan daer niet overkomen, dan te scheep; tamelijck diep, en dienstigh voor de galeyen. Desen arm van de rivier wordt Anczakrik genoemt.
Iezero, oft de poel Teligol is lang acht mijlen, en breet van het sevende tot het achtste deel van een mijl. De natuur heeft hier oock een afscheyding gestelt, op dat de poel sich niet met de zee vermengen sou. Men vind hier sulck een overvloet van visch, dat het water daer af eenige stanck geeft, dewijl 'er noch vloeying noch deurtocht is.
Daer is een andere poel. Kuialik genoemt, twee duysentschreden van de zee, oock vischrijck, gelijck de voorgaende. De visschers trecken, om veyligh te sijn, in groote hoopen derwaerts, van omtrent vijftigh mijlen en veerder. Men vangt daer karpers, en brasems van wonderlijcke grootheyt.
Bialogrod is een mijl van de zee gelegen, aen de rivier Tyra, van de Turcken Kierman genoemt. Dese stadt staet oock onder 't gebiedt van den Turck.
Kilia is oock een Turcksche stadt, met wallen en punten, op de wijse van Europa, versterckt. Het kasteel, aen de Donau gelegen, heeft gebiedt over de stadt, en is een mijl van de mont der rivier. Aen welcks andere oever het oudt Kilia leght, van't welck men noch heden d'oude puynhoopen kan sien.
Budziak leght tusschen Bialogrod en Kilia, en is een vlackte van omtrent twaelf mijlen lang, en vijf oft ses mijlen breet. Sy wordt van de Tartars bewoont, de welcke noch de Turck, noch de Cham gehoorsamen, maer van de roof leven. Hier sijn omtrent tachtigh of tnegentigh dorpen. Dit sijn dese ongebonde Scythen, eeuwige stroopers en plonderaers der Christenen; want sy sijn gelijck de vogelen, die van den roof leven, en verkoopen de Podoliers en Russen, die sy konnen vangen, om op de galeyen gebruyckt te worden. Maer sy konnen echter niet lang in Ruslant blijven, ja sy wijc-<noinclude></noinclude>
csljae92wb6jv26upk5jq6gogm75spa
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/15
104
86610
222874
222421
2026-06-05T06:44:18Z
Havang(nl)
4330
/* Gevalideerd */
222874
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" />{{c|B O R Y S T H E N E S}}</noinclude>ken, soo haest sy iets gerooft hebben, weer naer hun hutten, om dat sy nauwelijcks het getal van vier of vijf duysent overtreffen. Sy bewoonen altijdt de wildernissen, en dragen alles met sich, ja oock hun wooningen selve. Hun huysen sijn in twee straten onderscheyden, op de wijse van de Europische heydenen: want als sy, met paerden, d'een weyde kael gegeten hebben, soo verhuysen sy elders, gelijck wy op sijn plaets breeder sullen beschrijven.
Tendra is een eylandt, vier mijlen van de mont van de Borysthenes gelegen, drie oft vier mijlen lang; maer echter onvruchtbaer, en met hagedoorn beset. Daer is goet en versch water, en een veylige ree voor de schepen.
Twee mijlen van de Donau is een laeg eylandt, omtrent twee mijlen groot in d'ommetreck, daer oock soet water is. By de Turcken wordt het ''Illanada'', en by de Latijnen 't Slangen-eylandt genoemt.
Smil is een Turcksche stadt, sonder mueren. Een mijl boven Smil is een plaets, in de welck ede Keyser der Turcken, Osman genoemt, in 't jaer 1620, omtrent de scheut van een grof-geschut beneden Obliczyca, een brugh deê maken, toen hy met een heir van ses hondert duysent mannen naer Podolien trock, sonder iets anders, dat gedenckwaerdigh was, uyt te rechten, dan een stecht kasteel gemaeckt te hebben, Kosin genoemt, aen d'oever van de rivier Tyra in Walachien gelegen 't welck echter toen van de Polen ingenomen wierdt, sonder dat sy 't weder overgaven, dan na dat de vrede gemaeckt, en Osman weder te Constantinopolen gekeert was, met verlies van tachtigh duysent mannen, die ten deel door 't stael, en ten deel door de honger en pest, in 't Turcksche leger woedende, vergingen. De rivier is in dese plaets ten hooghsten ses hondert schreden breet: want de Turcken konden van hun brugh met een pijl van d'een aen d'andere oever schieten. De Donau wordt hier in veel grachten verdeelt, van de welcke de voornaemste sich naer Kilia ontlast.
Tusschen Renen en Oblizyca siet men twee eylanden, 't een Palleka genoemt, 't welck tusschen de Donau en Pontus leght, omtrent twee duysent schreden groot: 't is ront, steyl, echter met boomen beplant, en elders sant-achtigh, in voegen dat de Donau, door sijn snelle loop het uytholt, en jaerlijcks een gedeelte daer van mede neemt. 't Ander, Galas genoemt, heeft sijn uytsicht naer Walachien, wordt van Griecksche Christenen bewoont, en leght aen d'oever van de Donau, tusschen twee monden van rivieren, te weten van de rivier Pruthi, en Seretki.
Aen de zuydsijde siet men Varna, een haven van de Pontische zee in Bulgarien. Voorts, aen dese zee vindt men, tot aen Constantinopolen toe, niet een plaets, die aenmerckens-waerdigh is.
Nu is noch overigh te seggen, gelijck wy belooft hebben, hoe de Cosacken hun Generael oft Velt-overste kiesen, en oock hoe sy sich op d'Euxinus begeven, en in Natolien invallen, om op de Turcken te stroopen, en hen te verdelgen. De Generael van de Cosacken wordt dan dus verkosen. D'oude krijghslieden, en Oversten, te samen vergadert, geven yder hun stem aen de genen, die sy bequaem achten om dit ampt te bedienen; en de gene, die de meeste stemmen heeft, wordt terstont Generael oft Velt-overste verklaert. Indien hy, sich op sijn ouderdom, oft onbequaemheyt verontschuldiggende, weygert dit ampt aen te nemen, soo wordt hy, sonder eenige genade, en vertoeving, in de selfde plaets, als een verrader, gedoot; hoewel de Cosacken selven dickwils hun Velt-oversten verraden; gelijck men uyt hun gewoonten en daden, die wy hier voor aengeraeckt hebben, bemerckt. Maer indien hy, verkosen sijnde, d'eer aenneemt, soo bedanckt voor eerst de geheele vergadering, om dat sy hem, hoewel hy 't niet verdient, to dese hoogheyt hebben verheven; daer hy by betuyght, dat hy maken sal dat sy niets in hem te wenschen sullen hebben, om soo wel het voordeel van alle in 't gemeen, als een yder in 't besonder te bevorderen, als oock om sijn eygen leven voor de welstant sijner broeders (want dus sijn sy gewoon malkander te noemen) te besteden. Als dit gedaen is, juyght yder hem toe, en men roept gemeenelijck, ''dat hy lang leef''. Daer na gaet yder hooft voor hooft by hem, en groet hem; en hy reyckt een yder de handt toe, 't welck hun gewoonte in 't groeten is. In deser voegen verkiesen de Cosacken hun Generael in d'oorlogh; 't welck ten meestendeel in de woeste velden geschiedt. De Cosacken, hun Velt-overste dus verkosen hebbende, sijn hem seer gehoorsaem, en sy noemen hem gemeenelijck Hetman. Hy gebruyckt dan over alle een volkomen macht, met d'een 't hooft af te slaen, en d'ander, na dat de misdaet swaer is, aen een pael vast te maeken. De Cosacken onderhouden seer strenge krijgstucht, doch sy beginnen niets, sonder berading van de Krijghsraet, die gemeenelijck Rada genoemt wordt. By de Cosacken is 't een lastigh en gevarelijck ampt een Velt-overste te sijn: want behalven dat hy groote voorsichtigheydt en schranderheyt behoeft, soo dient hy oock wel van 't geval begunstight te wesen, op dat hem in alle sijn tochten en strijden geen tegenspoet sou overvallen: ja hy moet sijn saken met soo grooten dapperheydt beleyden, dat, soo men bevind dat hy terstont onverhoort, als een verrader, gedoot, en een ander, op de voorverhaelde wijse, in sijn plaets gestelt wordt. En in de tijdt van sevendient jaren, die ick daer in d'oorlogh gedient heb, sijn byna alle de Velt-oversten der Cosacken, om geringe oorsaeken, van hun eyge volck rampsaliglijck gedoot.
Als sy sich toerusten om op d'Euxinische zee te trecken, 't welck buyten des Konings last geschied, soo halen sy hun verlof by hun Velt-overste, en, hun Raedt vergadert hebbende, verkiesen een Overfte tot dese tocht voor soo langen tijt als die duren sal: in welcke verkiesing sy de felve plechteiijckheden gebruycken, die sy gemenelijck in de verkiesing van hun Generael onderhouden. Eyndelijck trecken sy naer Skarbnica Woyskow, de plaets, daer sy ge-<noinclude></noinclude>
3ioemju5llezfqxv685emzmo8029rst
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/16
104
86611
222875
222412
2026-06-05T06:45:55Z
Havang(nl)
4330
/* Gevalideerd */
222875
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" />{{c|B O R Y S T H E N E S}}</noinclude>wonelijck te samen komen, en groote schuyten maken, van sesligh voeten lang, en tien oft twaelf voeten breet, en omtrent tien voeten diep. Dese schuyten hebben onder geen kiel, gelijck d'anderen, maer worden opgeboeyt op een bodem van wilgen, of van linden-hout, en vijfenveertigh voeten lang, daer sy plancken van tien of twaelf voeten lang, en omtrent een voet breet, op de gewoone wijse, opsetten, en aen malkander valt maeken, tot dat de schuyt twaelf voeten hoogh, en sestig voeten lang geworden is; 't welck alles bequamelijcker in dese bygevoegde afbeelding, hoewel in 't ruw door my afgeteekent, gesien kan worden.
<br/>
[[File:Chajka kozacka 1664.jpg|600px|center]] Men siet aen dese schuyten bundelen van biesen, soo groot als een wijnvat, die malkander raken, en met touwen, die van de schors van lindeboomen gemaeckt sijn, aen de sijden van de schuyten, van voren tot achter, gebonden sijn. Dese biesbossen drijven op 't water, en maken by sware storm, dat deschuyten, die sy door hun lichtigheyt in 't gewicht houden, niet te gront gaen, noch omslingeren. De Cosacken bouwen dese schuyten byna op de selfde wijse, als onse timmerlieden, soo veel de boorden en naden, en 't pecken aengaet. Sy gebruycken oock twee riemen, in de plaets van een roer, die aen de beyde stevens uytsteecken. Want dewijl de schuyten lang sijn, soo souden sy, als de vyandt hen op de hals viel, niet soo lichtelijck konnen keeren en wenden. Sy hebben gemenelijck aen yder boort twaelf of sestien andere riemen, met de welcken de schuyt voortgeroeyt wordt, en dat soo snel, dat de Turcksche galeyen hen niet konnen achterhalen. Sy hebben oock in hun schuyten een mast, daer een slecht seyl aengeknoopt wordt, doch niet dan als de zee slecht is, maer als het hardt waeyt, soo roeyen sy voort. Dese schuyten sijn sonder verdeck. Sy gebruycken op zee biskuyt, in groote vaten van tien voeten lang, en vier voeten breet, die wel gebonden sijn. Dit broot wordt aen yder uytgedeelt. Sy voeden sich oock met sekere spijse van geers, gelijck mede van meel, met water gekoockt, het welck sy, met geers vermengt, met malkander eten; en dese spijse is by hen een lecker gerecht, dat sy, soo tot spijs, als tot dranck, gebruycken. 't Is suur van smaeck, en wordt gemenelijck van hen Salamake genoemt, als of men leckere spijse seyde. Doch het heeft my nooyt seer wel gesmaeckt, en ick heb het niet gebruyckt, dan als ick geen beter hadt. Dit volck is seer sober, en lijdt niet dat iemant op zee droncken is, en indien men iemandt sodanigh bevind, soo wordt hy van d'Admirael buyten geset. En dieshalven is 't hen oock niet geoorloft eenige brandewijn mee te nemen; op dat sy, sich nuchter houdende, voorspoediger in hun reyse souden sijn.
Als de Cosacken sich toerusten, om sich aen de Tartaren te wreken, soo verkiesen sy de herfst, en senden hun lijftocht, en 't gene, dat hen tot d'oorlogh nootsakelijck is, voorby de watervallen van de Borysthenes, van daer sy, hun schuyten gemaeckt hebbende, hun regementen, in vijf of ses duysent mannen bestaende, sich te velt begeven. Alle desen sijn meest uytgekosenen, en oude soldaten. De gene, die tot dese tocht geschickt worden, oeffenen sich in de wapenen, en in al 't gene, dat tot d'oorlogh dienstigh is. Dese schuyten worden omtrent in de tijdt van vijftien dagen, en met hun eyge handen gemaeckt want sy sijn in dat werck, en in alle andere ambachten geoeffent; in voegen dat sy in de tijt van drie weken tachtigh of hondert dusdanige schuyten, gelijck wy beschreven hebben, vaerdigh maken. Sy begeven sich in dese schuyten, en in yder vijftigh of sestigh mannen, elck met een musket en sabel gewapent. In yder schuyt sijn vier of ses vaten, vol van lijftocht. Hun zeekleeding is een slechte rock over hun hemdt: hun schoenen sijn ten meestendeel van schorssen van lindeboomen gemaeckt. Sy hebben een hoet op 't hooft, van wolle laken toegestelt. Yder draeght ses pont bussekruyt, en soo veel loot, als noodigh is; 't welck sy alles in vaetjes doen, die sy ter sijden van hun groote vaten leggen. Yder heeft oock een sonnewijseer. Dit is de scheeps-vloot der Cosacken, die, dus toegerust sijnde, een schrick is, niet alleenlijck voor de Pontische zee, maer oock voor geheel Natolien, hoe groot het oock is.
Sy, dus toegerust sijnde, varen de Borysthenes af. D'Admirael heeft sijn teeken aen de mast, diens schuyt gemenelijck de derde in dese tocht is. De schuyten houden soo dicht by malkander, dat sy d'een d'ander byna raken. De Turck, door 't gevaer schrander geworden, houdt aen de mont van de rivier veel galeyen, om den Cosacken de deurtocht naer de Pontische zee te be-<noinclude></noinclude>
4gyt3r3d57iy5qkmyg6pjiffaq30kz7
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/17
104
86612
222876
222452
2026-06-05T06:47:39Z
Havang(nl)
4330
/* Gevalideerd */
222876
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" />{{c|B O R Y S T H E N E S}}</noinclude>te beletten. Maer de Cosacken, hier op verdacht, verschuylen sich ondertusschen in 't riet, dat omtrent drie mijlen verre in de Borysthenes wast, daer de Turcksche galeyen niet durven komen, vermits sy op dese plaets dickwils qualijck onthaelt sijn: maer sy sijn vernoeght met de Cosacken aen de mont van de rivier te verwachten, die, hoewel zy by nieuwe maen sich in zee begeven, echter door geen beleyt noch snelte de mont van de rivier konnen uyt komen, sonder van de Turcken vernomen te Worden, die terstont raet teeckenen te kennen geven, dat de Cosacken in zee geloopen sijn. Dit gerucht wordt terslont over de gewesten, aen de zee gelegen, verspreydt, en geraeckt tot in Konstantinopelen, daer den Grooten Heer terstont aenalle de Gouverneurs en inwoonders van Asia, Bulgarien en Thracien doet vermanen dat sy sich sullen toerusten, om het stroopen der Cosacken te beletten. Doch dit is dickwils vergeefs; want sy nemen de tijdt van hun vaert en van 't jaer soo wel van pas, dat sy ten hooghsten binnen veertigh uren aen Natolien sijn, daer sy sich aen d'oever begeven, en, tot bewaring van yder schuyt, twee mannen en twee jongens gelaten hebbende, yder met sijn musket sich lantwaert in begeven, de steden overvallen, uytplonderen, en verbranden, ja dickwils een mijl verre van de zee. Maer sy keeren terstont met hun roof wederom, die sy in hun schuyten doen, en treckennaer een andere plaets, om andere gelegentheden te versoecken, en daer oock te stroopen. Indien sy op zee eenige Turcksche galeyen oft koopvaerdy-schepen ontmoeten, soo vervolgen sy hen, tasten hen aen, en veroveren die op dese wijse: Dewijl hun schuyten niet meerdan derdehalf voet boven 't water uytsteecken, en sy eerder het vyandelijck schip sien, dan sy van de vyant gesien worden, soo strijcken sy de seylen en mast, en, op de wint lettende, maken dat sy de son achter sich hebben en dan wenden sy, omtrent een uur voor d'ondergang van de son, met hun schuyten op des vyants schip oft galey aen, tot dat sy niet veerder dan een mijl daer af sijn. En sy komen soo na aen de vyant, op dat sy hem niet uyt hun gesicht souden verliesen. Sy rusten sich ondertusschen toe, en roeyen by nacht met groote geswintheyt, als het teecken gegeven is, op de Turcken aen. De vyanden, de menighte van de schuyten der Cosacken siende, en sich tusschen sestigh oft hondert van dusdanige schuyten als besloten vindende, worden verbaest en wanhopigh, en geven sich terstont over aen de Cosacken; die de beste goederen, de welcke sy daer in vinden, en niet veel plaets beslaen, gesamentlijck met het geschut, en d'oorlogsrusting, in hun schuyten overnemen; en de schepen en galeyen, om dat sy hen niet weten te gebruycken, met de bootsgesellen, en d'andere menschen te gront boren. Maer sy, weder naer huys keerende, bevinden dat ondertusschen de vloot der Turcken, aende mont van de rivier de wacht houdende, de helft grooter geworden is; daer sy echter medespotten, hoewel sy veel swacker sijn. Want het is niet mogelijck, oft sy hebben, in hun strijden,
veel van haer volck verloren, en oock eenige schuyten, die van de zee ingeswolgen sijn. Sy begeven sich dieshalven aen ancker in een plaets, die drie oft vier mijlen oostwaerts van Oczakow is. Hier is een laeg dal, drie vieren-deel van een mijl van de zee af, en seer lang, daer somtijts een half voet water inkomt, en dat sich drie mijlen verre naer de Borysthenes opstreckt. De Cosacken dan, tot twee oft driehondert uytgetreden, en touwen aen hun schuyten gebonden hebbende, trecken by beurtende selfde deur dese laeghte, met de roof, en komen dus binnen drie oft vier dagen heymelijck in de Borysthenes, en, 't gewelt der Turcken aen de rivier gemijdt hebbende, voeren hun roof veyligh naer huys, en tot aen Karbenicza, oft aen hun schatplaets, daer sy, yder naer sijn verdiensten, den roof onder malkander deelen. De Cosacken hebben noch een andere middel, om uyt de zee te geraken, en de Turcksche vloot te mijden. Want sy keeren weder deur de binnenzee, de Limen oft Don genoemt, en, een engte deur reysende, die tusschen Taman en Kercy is, varen de Limen op tot aen de rivier Mius, die sy soo verre, als sy bevarelijck is, optrecken, naer de rivier Taczawoda, die niet meer dan een mijl te landt van de rivier Mius af is. Sy trecken deshalven hun schuyten van hier over 't landt henen, tot in de rivier Samare, die een mijl boven Koudak in de Borysthenes stroomt, en varen dus voort naer huys. Sy keeren echter selden wederom deur alle dese bochten, om dat de wegh seer lang is van hier tot aen de waterval van de Borysthenes. Sy kiesen somtijdts oock dese wegh naer d'Euxinische zee, als de mont van de Borysthenes met een groote Turcksche vloot is beset, en de Cosacken niet meer dan twintigh oft vijf-en-twintigh schuyten by sich hebben.
Indien de Turcksche galeyen by daegh de schuyten der Kosacken ontmoeten, soo doen sy hen door hun geschut soo verstuyven, gelijck een harde wint de muggen; in voegen dat 'er veel van de zee ingeswolgen worden, en d'anderen hun behoudenis in de vlucht soecken. De Cosacken wijcken in 't vechten niet uyt hun plaets, noch van d'overloop; maer als sy hun musquet op de vyant hebben gelost, soo geeft men hen't'elckens weder een ander, dat van hun mackers geladen is, en dus schieten sy, sonder ophouden, en konstelijck naer hun tegenstrevers. De Turcken konnen ondertusschen niet aen boort komen, 't en sy datse uyt de galeyen in de boot willen springen: maer sy treffen echter met hun grof geschut de Cosacken soodanigh, dat sy, by daegh aengetast, wel twee van hun drie deelen verliesen, en selden met de helft van de gene, daer mede sy naer d'Euxinische zee trecken, wederkeeren; Sy brengen echter kostelijcke roof weer t'huys, als Spaensche realen. Arabische goutstucken, tapijten, goude en kattoene laeckens, verscheyde sijdestoffen, en andere waren. Daer siet ghy de gewoonte van leven der Cosacken, en oock de middel om sich te verrijcken: want sy, al 't ander ter sijden stellende, dat dienstigh tot het<noinclude></noinclude>
l2fbfjfcsy7ivybb1iaqxmngk2nx9y0
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/18
104
86613
222877
222374
2026-06-05T06:49:56Z
Havang(nl)
4330
/* Gevalideerd */
222877
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" />{{c|B O R Y S T H E N E S}}</noinclude>leven is, begeven sich tot suypen en swelgen met de hunne, als sy uyt de zee wedergekeert sijn.
Maer om onse belofte, hier voor gedaen, te voldoen, soo sullen wy hun gewoonte, die sy in de voltrecking van hun huwelijcken onderhouden, beschrijven; de welcke hen eygen is, en van geen andere volcken gebruyckt wort. Men siet daer dat een vryster een vryer vrijt die haer behaeght, geheel anders, dan andere volcken. Een seker waengeloof, 't welck onder hun is, en dat sy naukeurighlijck onderhouden, maeckt dat sy selden mistasten,en van hun voornemen versteken blijven. Ende dochters sijn hier in geluckiger, dan oft sy sulcks door tusschenspraeck van magen en vrienden bevorderden. De vryster dan, op eenigh vryer verliest sijnde, gaet naer sijn huys, als sy bemerckt dat sijn vader en moeder, en oock de vryer self, t'huys is, en, in huys tredende, seght ''Pomagabog'', dat is, ''Godt segen u''; 't welck de gewoone groetenis der Russen is. En sy, op een gevoeghelijcke wijse haer vryer geëert hebbende, spreekt hem dus aen: ''Ivan. Fedor. Demetre. Woitek. Mikita,'' (oft met eenige andere naem, die by de Russen gemeen is) dewijl ick uyt uw aengesicht uw inwendige goetheyt heb bemerckt, en oock uw verstant, door 't welck, gelijck ick vertrou, ghy een goede huysvader sult worden, en uw gemalin in eeren houden, soo kom ick, door dese dingen bewogen, in alle ootmoedigheyt by u, om van u te versoecken dat ghy my tot uw huysvrou sult nemen; en oock van uw vader en moeder, op dat die oock in de selfde verbintenis toestemmen. Indien sy afgewesen wort, en tot antwoort krijght, dat hun soon noch te jong is, om de last van 't huwelijck te dragen; soo antwoort sy, dat sy niet van daer sal gaen, tot dat sy en haer vryer te samen gevoeght sijn. Als dese redenen geseght sijn, en de dochter hardneckighlijck aenhoudt, en sweert dat sy niet uyt de kamer sal gaen voor dat sy haer wensch verkregen heeft, soo worden, na verloop van eenige weken, de vader en moeder van de jongeling gedwongen in 't huwelijck toe te stemmen, en hun soon't'overreden oock wederliefde tot haer te toonen, als aen de gene, die noch sijn huysvrou sal worden. De jongeling oock, de volstandigheyt van de dochter, en haer brandende liefde tot hem siende, wordt mee gedwongen haer t'eeren, en lief te hebben, gelijck de gene, die sijn bedgenoot sal worden. Hy versoeckt dieshalven ernstelijck aen sijn ouders, dat het aen hem geoorloft sy onderlinge liefde aen de maeght te bewijsen. Hier uyt volght, dat de dochters van dit gewest noyt hun ooghwit missen, en, voor sich selven sorgende, door hun aenhouden en gedienstigheyt by de ouders en vryers, veerdiger een gemael voor sich verkrijgen. Hier komt noch't wangeloof deser volcken by, datse meenen dat sy, door het weygeren van dese dochter. Godt grootelijcks vertoornen, en, door dese smaet, het geheel geslacht van de dochter sullen quetsen: ja d'ouders selven hebben hier in oock geen macht om de maeght uyt haer huys te drijven. Want de kerckelijcke tucht en ordening is tegen de soodanigen, die daer door van de kerck swarelijck gestraft fouden worden; behalven dat dit noch tot laster van 't geheel huys sou strecken. D'ouders dan, door dese waengelovigheden beknelt, en vreesende dat sy, om dese weygeringe, van Godt sekerlijck gestraft fullen worden, 't welck sy seer vastelijck gelooven, bewilligen in 't versoeck van de dochter. Men moet echter weten dat dit onder persoonen van gelijcke staet onderhouden wordt: want de landtbouwers in dit gewest sijn alle omtrent even rijck; en daer is geen groote verscheydenheyt onder hare goederen en besittingen. Doch dat eenigh boer met een edele dochter eenigh huwelijck aengaen sou, dat is verboden; en gebeurt oock niet dan by eenigh voorval, 't welck wy hier na sullen beschrijven, en dit om seker besonder en oudt voorrecht, 't sy dat het waer is, oft dus voorgewend wordt.
In dese gewesten is een oude gewoonte, dat in alle sondagen en feestdagen na de maeltijdt, de mannen en vrouwen, en oock de kinderen, in een plaets, tot suypen bestemt, te samen komen, daer sy 't overige van de dagh in uytgelatenheyt overbrengen. Terwijl de mannen en wijven suypen en swelgen, maeckt de jeught, yder met een dochter gevoeght, een dans, op 't geluyt van een ruyspijp, daer gemeenelijck de Heer van de plaets, met sijn gesin, en kinderen, sonder onderscheyt, by komt, om dese danssen der boeren te sien; ja dese danssen worden somtijts oock voor sijn kasteel, oft hof gehouden, daer hy self, met sijn kinderen en gemalin, danst. In dese tijdt sijn d'edelen en boeren onder malkanderen vermengt. Hier staet aen te mercken, dat byna alle de dorpen van Podolien en Ukraine met heggen en dichte bosschen omringt sijn, daer in holen en schuylhoecken sijn, in de welcke d'inwoonders van de plaets sich des somers verschuylen, als sy voor de Tartaren vreesen. Dese bosschen sijn een half mijl breet. En hoewel byna alle de boeren als slaven dienstbaer sijn, soo hebben sy echter een oudt voorrecht, dat sy in dese danssen een edele dochter, alwaer 't van hun eygen Heer, mogen weghvoeren; 't welck nochtans soo behendigh en voorsichtigh moet geschieden, dat de roover niet van de gene, die de roof vervolgen, betrapt en wordt; andersins sou 't hem het leven kosten. Indien dan de gene, die dese schaecking gedaen heeft, sich in 't bygelegen bosch begeeft, en daer vierentwintigh uren kan blijven, sonder van iemant gevonden te sijn, soo wordt hy vansijn schaecking vry gesproken. Indien de geschaeckte de gene, die haer geschaeckt heeft, tot een gemael voor sich begeert, soo mach de schaecker dat niet weygeren, op verbeurte van 't leven, maer indien de geschaeckte haer schaecker niet wil trouwen, soo wordt de schaecker vry gesproken. Maer indien de schaeker binnen de gestelde tijdt van sijn verschuyling gevat wordt, soo moet hy dit misdrijf met sijn hooft te verliesen boeten; en hy wordt in de selfde tijdt en plaets, daer in men hem krijgt, sonder eenige rechtsvordering gedoot. Doch ick heb in de tijdt van seventien jaren, die ick<noinclude></noinclude>
3vtavlzylpnpze5m38k3dkwj9cf6ias
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/19
104
86614
222878
222375
2026-06-05T06:53:07Z
Havang(nl)
4330
/* Gevalideerd */
222878
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" />{{c|B O R Y S T H E N E S}}</noinclude>daer geweest heb, niets soodanigh sien gebeuren, oft gehoort dat het gebeurt is. Ick heb wel gesien dat de vrysters de vryers vrijden, en dat door dese middel bruyloften daer uyt voortsquamen. Maer 't ander is vol gevaer. Want een edele dochter uyt soo groot een geselschap te rooven, en sich met haer in't bosch te verbergen, vereyscht niet alleenlijck een geswinde loop, maer oock een goede kennis en overeenkoming met de dochter. Hier komt noch by, dat de boeren nu harder van hun Heeren gehandelt worden, en dat d'Adel daer de hooghste macht heeft verkregen. 't Is gelooffelijck dat dit toen aen de lantheden veroorloft heeft geweest, wanneer by de Polen de gene tot Koning wierdt verkosen, die in 't loopen alle d'anderen overtrof, en dit blootsvoets; welcke snelheyt van voeten by dese oude voor groote gaeuwigheyt, en het Rijck waerdigh wierdt geacht; als oft de voortreffelijckheyt van te heerschen, meer in de geswintheyt der voeten,dan in d'uytsteeckentheyt van 't gemoet bestondt. En hier uyt spruyt, nae mijn oordeel, dat tot noch toe de Poolsche edelen hun Koning, in de tijdt van sijn verkiesing, doen sweeren voor d'autaer, dat hy niemant van d'Adel, om wat misdrijf het oock is, uytgesondert om verraet tegen de Vorst, en tegen het Vaderlant, na de tijdt van vierentwintigh uren sal mogen vangen, om dat, nae mijn gevoelen, de genen, die seer snel konden loopen, by hen in hooge achting wierden gehouden. Men bemerckt dit noch in de snelloopende paerden; want sy, alle d'andere dingen in een paert overslaende, letten alleen seer nauw op de geswintheyt van dit beest, misschien hierom, om hun vyant, de rugh keerende, te achterhalen; en, van hun tegenstrever vervolgt, hem t'ontkomen. Eer ick dit verhael sluyt, sal ick noch een ander voorrecht, 't welck de Poolsche edelen hebben, verhalen, dat is, dat, als een edelman, aen eenigh misdrijf schuldigh, niet binnen de vieren-twintigh uren wordt gevangen, hy wel de straffe des doots ontkomt; maer dat hy echter, als sijn saeck bepleyt en afgedaen is, sijn goederen verlieft; en dat, soo hy niet uyt het Rijck wijckt, aen yder, wie't oock is, vryheyt wordt gegeven om hem te dooden, sonder dat eenigh inwoonder, op verbeurte van 't leven, hem mach verschuylen, oft eenige gemeenschap met hem hebben. Daer siet ghy by de Polen de strafheyt met vryheyt vermengt; 't welck het gene is, dat wy by dese gelegentheyt te seggen hadden. Dewijl wy 't gevry der boere-dochters verhaelt hebben, soo laet ons oock iets van hun feestdagen en bruyloften spreken.
Als de tijdt van de bruyloft genaeckt, soo wordt de jeught van wedersijden genoodight, aen de welcke belast wordt de magen van de bruydegom en bruyt ter bruyloft te nooden. Sy dragen, tot bewijs van dit ampt, een bloemkrans aen d'arm, en hebben een register van de gene, die sy noodigen sullen: sy gaen des daeghs voor de bruyloftsdagh, en twee in 't getal, van de welcke de voornaemste, een ring aen de hand dragende, het woort doet. Ick sal my hier niet verletten met te verhaelen, hoe veelderhande gerechten en dranck daer voortgebracht wordt; maer alleenelijck seggen, dat de bruyt, naer hun gewoonte wel opgetoyt sijnde, te weten met een lang kleedt, van blaeuw laken gemaeckt, dat tot op d'aerde hangt, en aen d'uyterste hoecken met walvisbeen uytgestreckt, en met boorden van sijde en wol gemaekt, verciert is, blootshooft, met een bloemkrans op 't hooft, en met uytgekemt hair tot op de schouders, van haer vader oft broeder, oft van iemant der naeste magen naer de kerck wordt geleydt, terwijl 'er op lieren, oft op een ruyspijp voor haer gespeelt wordt. Als in de kerck de samenvoeging geschiedt is, soo neemt de naeste van de bruydegoms magen haer by de handt, en leydt haer naer huys, terwijl het selfde gespeel voor haer heen gaet. Ick swijgh hier van de danssen, die gewoonelijck op dese bruyloften geschieden, en byna onse danssen en gewoonte overtreffen, en daer in sy voor geen andere volcken wijcken. Dit staet alleenlijck aen te mercken, dat vele naer 't huys, daer de bruyloft gehouden wordt, loopen, niet soo feer om aen de nieuwe gehuwden eer te bewijsen, als om te drincken en te suypen; 't welck seer gemeen by hen is, ja self in de tijdt, als sy hun kinderen hebben doen doopen. De Grontheer self geeft dan aen hen verlof van't'huys bier te brouwen, soo van gerst als van honigh, 't welck sy dan in overvloet indrincken: want in andere tijden is verboden eyge dranck in huys te brouwen, oft yder moet voor elck vat in het besonder sekeren tol betalen.
Als d'uur van dat de nieuwgehuwden te bedt sullen gaen gekomen is, soo nemen de vrouwen, die magen van de bruydegom sijn, de bruyt naer sich, en leyden haer in de bestemde kamer, daer sy haer de kleederen weder uyttrecken, ja oock het hemdt, en haer aen alle de leden besoecken, namelijck in't hair, in d'ooren, neusgaten, aen de toonen, en aen d'overige deelen van haer lichaem, om te sien oft'er oock iets,in bloet, oft root sap gedoopt, verborgen is; en indien'er iets dusdanigh gevonden wordt, soo sou de geheele bruyloft ontroert, en alles overhoop geworpen worden. Indien sy niets vinden, soo wordt de bruyt weêr gekleedt, en met een wit schoon hemt te bedt gebracht; en dan wordt de bruydegom geroepen, om by sijn bruyt te gaen slapen; en als de bruyt dus by haer bruydegom leght, soo wordt de gordijn door d'ouders toegeschoven. Terwijl dit geschiet,komt het grootste deel der bruyloftsgasten, met ruyspijpen en kroesen in de hant, al danssende ter kamer in; en de vrouwen klappen met de handen, terwijl men singt en springt, en dit soo lang, tot dat het huwelijck ten vollen voltrocken is. Indien ondertusschen de bruyt eenigh teecken tot danssen geeft, soo springen sy terstont alle, klappen met de handen, en beginnen met groot gedruys van nieuws te singen. D'ouders van de bruydegom staen ondertusschen gedurigh aen de sijde van het bedt, om te luysteren wat'er gedaen wordt; en, als het spel van de nieuwe-gehuwden uytgespeelt is, de gordijnen weder t'openen, en met<noinclude></noinclude>
dnat3t541qviv4qh2khamj4bssgnt3t
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/20
104
86615
222879
222571
2026-06-05T06:54:33Z
Havang(nl)
4330
/* Gevalideerd */
222879
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" />{{c|B O R Y S T H E N E S}}</noinclude>eenen aen de bruyt een schoon hemt toe te reycken. Indien sy in 't hemt, 't welck de bruyt dan uyttreckt, de teeckenen van de maeghdelijcke schaemte vinden, soo vervullen sy het geheele huys met gedans, en vrolijck geroep, en roepen 't maeghschap tot getuygh. Sy kleeden eyndelijck weder de bruyt, setten haer een hulsel op 't hooft; en dus wordt sy onder de huysmoeders aengenomen. De nieuwe gehuwde behoud namaels de selfde hooftverciering, de welcke de maeghden, volgens de gewoonte, niet mogen gebruycken; en oock soude 't aen hen tot schande strecken: want de maeghden gebruycken geen ander hooft-cieraet, dan hun hair, oft een bloemkrans.
Op den tweeden dagh van de bruyloft wordt een ander vrolijck spel gespeelt, 't welck groote verwondering in de gene sou veroorsaken, die noyt iets diergelijck hadden gesien. Sy dragen 't hemt van de bruyt, met de smetten van de maeghdom besprengt, op een kruysstock, door de mouwen heen stekende, gelijck een vaendel, oft triumphteecken, langs alle de kruyswegen van het dorp oft vleck, om aen alle menschen te toonen, soo wel d'eerbaerheyt van de bruyt oft nieugehuwde vrouw, als de mannelijckheyt van de bruydegom. Sy sijn alle by dit schouspel, met speelgereetschap, gesangen en danssen. De jongelingen hebben ondertusschen yder een dochter by sich, en sy, dus als in zegeprael 't geheele dorp deur gewandelt hebbende, keeren alle weder naer't huys van de nieugehuwde man.
Doch indien, na de byslaping, de teeckenen van de maeghdelijcke eerbaerheyt niet te voorschijn komen, soo smijt yder sijn kroes ter aerden, de vrouwen houden op van singen, de bruyloft raeckt overhoop, en neemt een eynde, d'ouders van de bruyt sijn beschaemt, en lijden smaet, en yder keert bedroeft weder naer huys, maer voornamelijck d'ouders van de dochter. De bruydegom heeft dan vryheyt om sijn bruyt te verstooten; en indien hy haer wil behouden, soo moet de nieugehuwde vrouw alle de gemelijckheden van haer man verdragen, en alle haer levenstijdt smaet uytstaen.
Wat de seden van dese boere-wijven aengaet, ick wil hen geerne in't algemeen de prijs van kuysheyt toestaen. En hoewel sy, uyt oorsaeck van hun overvloedigh drincken van gemaeckte wijn en meê, lichtelijck te genaken souden sijn, soo worden sy echter door dese openbare schande des huwelijcks afgeschrickt, om hun eerbaerheyt ongekrenckt hun bruydegom toe te brengen.
Na dat wy de seden der Russen en Cosacken hebben vertoont, soo is 'er noch iets van hun gebruyck, in 't genesen van hun sieckten, te seggen: ick heb seer veel Cosacken gesien, die, in koorts gevallen sijnde, geen andere remedie daer toe gebruyckten, dan van bussekruyt, in siedende brandewijn gemengt, daer af sy droncken, en op hun elleboogh gingen leggen, en in de volgende uchtent gesont opstonden. Ick self had een koetsier, die, eenige malen van de koorts aengetast, door de geseyde dranck tot sijn voorgaende gesontheyt herstelt wierdt;
welcke verborgentheyt aen geen van d'onsen, soo Medicijnen, als Apotekers, oyt bekent heeft geweest. Ick heb eenige sien asch drincken, in brandewijn gemengt, en dat daer op de selfde wercking is gevolght. Ick heb hen dickwils de selfde neerstigheyt van sich selven te genesen sien toonen, als sy eenige wonden, 't sy van een slagh, oft van een stock ontsangen hadden, maer voornamelijck als sy met een pijl gewont sijn. Sy, geen wondheelders omtrentsich hebbende, nemen een weynigh kley, 't welck sy met speecksel weeckmaken, en dus op de wondt leggen; en sy worden hier af soo wel genesen, als oft sy de beste playsters daer toe gebruyckten. Daer uyt blijckt dat de noot, die 't verstant schrander maeckt, oock in dese gewesten haer gewoone wercking doet. My heught dat ick sekere Cosack aen de rivier Samar heb sien visch koken in een houte vat, oft schuttel, de welck de Cosacken en Polen achter te paert voeren, soo om hun paerden te drencken, als oock tot ander gebruyck geschickt. En dewijl men de schuttel niet op't vuer kan setten, uyt vrees van dat sy branden soude, en echter de krijghsknecht de spijs gekoockt wilde hebben, soo wierp hy groot drijfsant, uyt de rivier gehaelt, in de haert,'t welck hy,soo heet als 't was, in de schuttel, vol water sijnde, wierp, en dit soo dickwils, tot dat het water koockte, en de visch gaer en bequaem om t'eten was: een ruwe en grove wijse van spijs te koocken, maer die echter haer geestigheyt heeft.
My heught dat ick hier voor van sekere sieckte, onder de Russen gemeen, gesproken heb, die Koltun, oft Warhair genoemt wordt. 't Sal niet ongevoeghelijck sijn iets daer af te seggen. De gene, die van dese sieckte aengetast wordt, is't geheel jaer, gelijck een lam mensch, van het gebruyck van alle sijn leden berooft; doch echter met groote pijn in de senuwen, in voegen dat hy geduerigh krijt. Maer ten eynde van een jaer krijgen sy een groote sweeting in 't hooft, in voegen dat in de volgende uchtent al hun hair te samen gekrult, en dick gerolt is, gelijck een staert, oft gelijck de stronck van een boom, oft gelijck de Spaensche zeekatten, en knobbelig en geklontert bevonden wordt. De siecken gevoelen dan merckelijcke verlichting van pijn, en geraken, na verloop van eenige dagen, weder tot volkomen gesontheyt, ja soo, dat sy, uytgesondert het ongemack aen hun hair, geen pijn meer gevoelen. Sy moeten dan hun hair niet kemmen, veel min het afsnijden voor twee dagen, tot dat de vocht, die gemeenelijck door de pijpjes van 't hair deurgaet, uytgevloeyt is: andersins sou de vocht, dus binnen gebleven, en op de senuwen vallende, hen blint maken.
Dese sieckte wordt by hen ongeneesselijck geacht. Maer ick heb echter seer veel daer af genesen, op de selfde wijse daer meê men in Vranckrijck de gene, die de kinderpocken hebben, geneest. En veel van dese sieckte geraeckt, veranderen van wooning, en lucht; 't welck een ongevoelijcke, doch echter langdurige remedie is. Men krijght dese sieckte niet, als iemant, gesont sijnde, met de gene, die daer af geraeckt<noinclude></noinclude>
9yxd0alvxv9v6lkk30z867i3hjtohzp
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/21
104
86616
222881
222584
2026-06-05T06:56:47Z
Havang(nl)
4330
/* Gevalideerd */
222881
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" />{{c|B O R Y S T H E N E S}}</noinclude>is, uyt een selfde beeker drinckt: maer de man, van dese sieckte getroffen, besmet in 't byslapen sijn vrou, en de besmette vrou haer man. Dese sieckte is oock tweederley, want sy is mannelijck en vrouwelijck. Sy gelooven oock dat men dese sieckte door de betoveringen der oude wijven krijgt, die gewent sijn veel menschen te besmetten, met hen seekere koecken tot hun spijs te geven; als oock door de damp van seeker warm
water, 't welck, tot de neus ingekomen, naer de harstenen treckt, die kort daer na sich daer af besmet gevoelen. Daer sijn oock kinderen, die met dese quael, en met gedraeyt hair geboren worden, 't welck een goed voorteecken is: want sy, ouder geworden, laten dit hair vallen, en sijn daer na alle hun leven lang tegen dese sieckte bevrijdt.
Dit is oock in dese gewesten aenmerckens-waerdigh, dat langs de geheele Borysthenes verscheyde soorten van ontellijcke vliegen gevonden worden. Des uchtens siet men daer gemeene vliegen, niet seer schadelijck, maer op de middagh andere, omtrent een vinger groot, en die de paerden soo pijnigen, dat sy hen de huyt deurbyten, en gantsch bloedigh maken: maer op d'avont sijn 'er muggen en wespen, die soo op de lighamen vallen, dat men niet slapen kan, dan in hutten, die van de Cosacken ''Polne'' genoemt worden. De genen, die de nacht onder de blaeuwe hemel overbrengen, staen 's uchtens op met een aengesicht, dat door het byten der muggen gantsch geswollen is. Ick heb eens
soo van dese wespen gesteken geweest, dat mijn geheel aengesicht drie dagen lang soo geswollen was, dat ick niet kon sien, ja d'oogen niet kon openen, om dat d'ooghdecksels geswollen waren, ja soo, dat ick geen mensch, maer een gedrocht geleeck.
<br />
[[File:Description of Ukraine Cossack hut frame.jpg|450px|center]]
De Cosacken maken dus hun hutten: Sy setten sestien gaffel-palen, een vinger dick, en
derdehalf voeten lang, in d'aerde vast, twee voeten verre van malkander. Op dese gaffelstocken leggen sy tien andere dwarsstocken, vijf en vijf kruyswijse over malkander, die sy met bint-roeden te samen binden. Sy decken dese hutten met een doeck, die van alle sijden tot op d'aerde nederhangt, en met een bant daer over heen streckende, vastgemaeckt wordt, op dat sy nergens voor de vliegen open souden sijn.
[[File:Description of Ukraine Cossack hut.jpg|300px|left]]
Dese hut kan twee bevatten, die alleenlijck voor de voornaemste der Cosacken opgerecht wordt: want d'andere, en de gemeene krijghslieden rechten een gemeene haertstede op, om door de roock dese lastige vliegen te verdrijven. Als sy voor de regen vreesen, soo wordt de hut met een lang kleet overdeckt, dat over een dwarsstock hangt, gelijck men lichtelijcker uyt dese twee bygestelde afbeeeldingen sal sien.
De letteren A B C D vertoonen dat deel van de hut, over 't welck het linne kleet gespreydt wort. E F en G wijsen twee gaffels aen, daer een dwarsstock H I op leght, die het Turcks tapijt draeght, 't welck van wedersijden nederhangt; in voegen dat dus de hut van alle sijden gesloten is, en voor een huys verstreckt, daer in men 't gebijt der vliegen ontgaet.
Laet ons van de vliegen en wespen tot de sprinckhanen overgaen, die hier somtijts in soo groote menighte sijn,<noinclude></noinclude>
6aspwen8slp1l23rpc1quxh1xwapqoi
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/22
104
86617
222883
222456
2026-06-05T06:59:08Z
Havang(nl)
4330
/* Gevalideerd */
222883
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" />{{c|B O R Y S T H E N E S}}</noinclude>dat sy dickwils de geheugenis van de schrickelijcke plaegh der sprinckhaenen, eertijdts van Godt in Egypten gesonden, vernieuwt. Ick heb daer in twee achtereenvolgende jaren, namelijck in 't jaer 1645, en 1646, dese geessel van Godt sien woeden. Dese bloedeloose beestjens komen in sulcke ontallijcke menichten aen, dat men hen niet soo seer in benden kan deelen, als wel by wolcken gelijcken: in voegen dat sy vijf oft des mijlen in de langte, en twee oft drie in de breette beslaen. Sy komen gemeenelijck uyt de gewesten van Tartarien, en dan, als de Lenten seer droogh is. Geheel Tartarien, de Circassen. Astrakanensen en Megrekiers worden byna alle jaren van dese pest geplaeght. Als d'ooste oft zuydooste wint waeyt, soo komen dese sprinckhanen, van de selfde winden gedreven, oock in Ruschlant, daer sy alle vruchten en gewas verslinden, ja self het gras en groen kruyt: in voegen dat sy ter plaets, daer sy sich nedersetten, alles, dat groen is, af-eten; het welck niet alleenlijck dierte in de lijftocht, maer oock gebreck en hongersnoot veroorsaeckt.
Indien sy, in 't voorjaer gekomen, tot in de Herfst en in October (in welcken tijt de sprinckhanen sterven, na dat sy yder wel drie hondert eyeren geleyt hebben) gebleven sijn, soo wort het landtschap arm en kael gemaeckt. Indien de Lenten droogh is, sooo komt 'er leven uyt d'eyeren; maer indien het vijf oft ses dagen achter malkander regent, soo vergaen alle d'eyeren. Hun menighte is soo wonderlijck, dat de gene, die 't self niet met sijn oogen gesien heeft, nauwelijcks het gene, dat men daer af verhaelt, gelooven sal. Sy worden, gelijck een groote wolck, van de wint gedreven, oft vallen neder in groote menighte, gelijck dicke sneeuw uyt de wolcken: in voegen dat men op 't midden van den dagh, en by heldere sonneschijn, het licht daer af verduystert siet. Sy volgen altijdt de drift van de wint, en overal, daer sy sich nedersetten, hebben sy 't in twee uren tijdts kael gemaeckt. Terwijl sy eten, hoort men seker gedruys, als oft iemant het gras met een seissen afsloegh.
Toen ick in 't jaer 1646, in Iunius, te Novogrod, 't welck een nieuwgeboude stadt is, daer ick oock een vesting deê bouwen, twee weken stil was, sagh ick, tot mijn groote verbaestheydt, soo groot een menighte van sprinckhanen, daer in 't begin van de Lenten te voorschijn gekomen, (welker vleugelen noch soo swack waren, dat sy niet konden vliegen) dat het geheele landt daer rontom van dese beestjens bedeckt, en de lucht soo vol was, dat ick by daegh niet in mijn kamer kon eten, dan by de kaers. Geen plaets van mijn huys was vry van sprinckhanen. De kamers waren vol, de stallen waren vol, en oock alle holen en hoecken van 't huys. Ick dede wel bussekruyt, en swavel branden, maer vergeefs want als men de deur van de kamer opende, soo vloogh 'er een ontallijcke menighte van sprinckhanen in, die sich hier en daer verspreyden. Sommige vlogen tegen d'oogen aen, en in de neusgaten, andere gingen op de wangen sitten, en vlogen oock in de mont, als die eenighsins open was. Dit was noch eenigsins te lijden, doch dat men geen spijse kon nuttigen, dit was onverdragelijck: want als men een stuck vleesch wilde snijden, soo sneedt men oock met eenen deur de sprinckhanen heen; ja men kon de mont niet open doen, om een brock daer in te steeken, of daer vloogh oock ter selfde tijdt een sprinckhaen in.
In 't kort, de schrandersten selven waren als radeloos, en sonder hoop van eenige hulp tegen dese schadelijcke beesten te vinden. Eyndelijck, nadat sy omtrent Novogrodt alles verwoest hadden, en dit binnen twee weecken, in welcke tijdt sy groot geworden waren, en bequaem om te vliegen, wierden sy, van een wint opgenomen, naer andere plaetsen gevoert, om daer oock alles te verdelgen. Ick heb somtijts op d'avont, als sy, om de nacht over te brengen, op d'aerde gevallen waren, alle de wegen met sprinckhanen beset, en 't geheele landt als van stof overdeckt gesien, in voegen dat sy wel een handt hoogh op malkander lagen; soo dat de paerden niet voort wilden, dan met veel slagen geslagen sijnde, en echter niet sonder schrick en vervaertheyt, maer met opgerechte ooren, en met snuyvenden neus. Dese sprinckhanen, door de raderen van onse wagens, en de voeten der paerden verplet, veroorsaeckten soo lelijck een stanck, dat sy de neusgaten en harssenen besmetten, en dat men nergens kon komen, dan met de mont gesloten, en een neusdoeck, in edick nat gemaeckt, voor de neus te houden. De varckens houden dese spijse voor een leckerny, en worden 'er vet af, en dieshalven wil 'er niemandt af eten; ick geloof uyt schrick en afkeer van soo schadelijck een landtverderf.
Laet ons nu seggen op welcke wijse dese sprinckhanen voortkomen. In alle plaetsen, daer sy tot aen de maent van October blijven, maecken sy, met hun staert, een gat in d'aerde, daer sy drie hondert eyeren in leggen, die sy met de voet weder decken, met stof daer over te schrabben, en als sy dit gedaen hebben, sterven sy; want dese bloedelose beesjes leven niet langer dan ses maenden, en een half: en hoewel 'er dan regen koomt, soo vergaen echter dese eyeren niet; ja de koude selve, hoe groot en streng oock, brengt hen geen schade toe; maer sy blijven in hun geheel tot aen 't begin van de nieuwe lenten, tot dat 'er, omtrent in 't midden van April, als de son d'aerde verwarmt, jonge sprinckhanen uyt voortkomen, die overal springen, daer sy konnen, en dus, terwijl sy niet konnen vliegen, geheele ses weecken, ter plaetse daer sy uytgebroedt sijn, blijven. Maer als sy groot geworden sijn, en vliegen konnen, soo nemen sy hun vlucht ter plaets, daer de wint hen drijft. Indien in de tijdt, als sy eerst beginnen te vliegen, de windt uyt het noorden waeyt, soo worden sy naer d'Euxinische zee gedreven, daer in sy verdrincken: maer indien 'er een ooste of zuydewindt waeyt, soo worden sy naer de gewesten van Ruslandt gevoert, daer sy alles verderven. Doch indien het in de tijt, daer in dese sprinckhanen uyt d'eyeren voortkomen, acht oft tien dagen achter malkander regent, soo verderven alle d'eyeren. Desgelijcks in de somer, indien<noinclude></noinclude>
p9mvspz0y9ilmca983u9aoxh7elbj13
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/23
104
86618
222886
222461
2026-06-05T07:01:11Z
Havang(nl)
4330
/* Gevalideerd */
222886
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" />{{c|B O R Y S T H E N E S}}</noinclude>het dan acht oft tien dagen achter malkander regent, soo is dit oock d'ondergang van dese sprinckhanen, schoon sy dan al groot geworden sijn, vermits sy, van de koude regen overvallen, niet konnen vliegen; en dese regen is seer heylsaem voor d'inwoonders van de plaets. Doch indien de somer droogh is, gelijck daer ten meestendeel gebeurt, soo worden d'elendige menschen daer seer swarelijck geplaeght van dese kleyne beesjens, tot aen de maent van October, in de welcke dit schadelijck gedierte ten meestendeel sterft. Hier staet oock t'aenmercken, dat men somtijts sprinckhanen vind van een vinger dick, en drie oft vier vinger leden lang; oock dat sy vleugels hebben, daer Chaldeeusche letteren op staen, van de welcke dit de sin is, ''om d'oogst te verdelgen'', gelijck de gene seggen, die inde selfde tael kundigh sijn; doch ick wil dit niet verder versekeren, dan dat de Schrijvers sulcks seggen.
Men moet oock niet met swijgen voorbygaen, dat tusschen de rivieren Sula en Suporo, die beyde in de Borysthenes stroomen, beesjens gevonden worden, gemeenelijck ''bobaki'' genoemt, van gestalte en grootheyt gelijck de konijnen van Lybien, die niet meer dan vier tanden, twee boven en twee onder hebben, en van hair en verwe tusschen geel en root. Sy onthouden sich, gelijck oock de konijnen, in de holen van d'aerde; en in de maent van October vertrecken sy sich voor de geheele winter in hun holen, daer sy niet uytkomen, dan in de maent van April, in welcke tijdt sy sich weder over het velt aen alle sijden begeven, om hun lijftocht te soecken, en sich in de somer tegen d'aenstaende winter te versorgen. Dese beesjens sijn seer lang stapende, en neerstigh in hun voorraet te besorgen: want sy sijn insonderheyt schrander, door een naturelijcke drift en neerstigheyt, soo in spijse op verscheyde wijsen te vergaderen, als voornamelijck hier in, dat sy slaven oft dienstbare beesjens gebruycken. Want sy dwingen degene, die traegh onder hen sijn, op de rugh te gaen leggen, en laden dan een bundel van groen kruyt op hun buyck, 't welck dit beesjen met sijn poten, oft om eygentlijck te spreken, met sijn handen vast houd; want sy gebruycken hun pooten gelijck de meerkatten de haere. D'andere trecken dan dit beesjen, dus nederleggende, by de staert tot in hun hol; in voegen dat de gene, die luy sijn, aen d'anderen als tot een treckstede verstrecken.
Ick heb dickwils dese beesjens dus sien wercken, en, vermaeck in dit schouspel hebbende, somtijts geheele dagen daer mede deurgebracht, ja ick heb hen oock tot in hun hol doen nagraven, om te sien wat sy daer deden. Ick vond daer ('t welck aenmerckens-waerdigh was) seer groote kuylen, in kleyne holen, gelijck vertrecken verdeelt, van de welcke sy sommige tot spijs-kamers, andere tot slaepkamers, en andere tot hun begraefplaetsen gebruyckten; want sy begraven hun dooden byna op een selfde wijse, als de menschen. Acht oft tien maken een huysgesin, en woonen by malkander, van de welcke yder sijn beonder vertreck heeft; in voegen dat sy in de wijse van te leven en te wandelen, soo in 't heymelijck, als in 't openbaer, geensins voor de republijck der byen en mieren behoeven te wijcken. Dese beesjens sijn alle van de beyde geslachten, dat is, soo wel mannetjes als wijfjes. Indien men hen in de Meymaent vangt, soo konnen sy lichtelijck tam gemaekt worden. Op de marckt gelden sy deurgaens niet meer dan omtrent anderhalve stuyver. Ick had veel van dese beesjes in huys. Sy sijn vermaeckelijck, gelijck de simmen en meerkatten, en nuttigen omtrent een selfde spijse, als de menschen. Ick had byna vergeten te seggen, dat dit beesjen seer loos is: want sy komen noyt uyt hun holen, dan na dat sy een bespieder vooruyt gesonden hebben, die sy op eenige hooghte setten, op dat het daer rontom sou konnen sien; en als het bemerckt dat 'er eenigh gevaer voor sijn medegesellen is, soo gaet het op sijn achterste beenen staen, en piept, om d'andere te vermanen dat sy sich met de vlucht sullen verschuylen, en dit volght de leste in hun schuylhoecken, daer sy sich soo lang in houden, tot dat de menschen voorby gegaen sijn, en 't gevaer verdwenen is. De rivier Sula is niet meer dan ses mijlen van Supoy, en daer is ten hooghsten niet meer dan twintigh mijlen van de Borysthenes, tot aen de grensen van Moskovien. Dit beesjen, van 't welck ick gesproken heb, wordt nergens anders, dan tusschen dese rivieren gevonden. 'tis hier ongemackelijck te paert, oft met de wagen te rijden, dewijl overal veel kuylen en holen sijn, daer de paerden veeltijdts invallen, en in gevaer sijn van de beenen te breken, 't welck my, te paert rijdende, dickwils gebeurt is. De landtheden vangen hen in Meymaent, en in Iunius, op dese wijse: sy gieten, met eenige vaten, water in dese holen, en setten een sack oft net aen de mont van de selve. Dit beest, het water ontvluchtende, valt in dese netten, die voor de holen gespannen sijn. Hoewel sy jong gevangen en getemt worden, soo vergeten sy echter niet hun seden, noch trecken hun natuer niet uyt. Want indien men hen niet wel gebonden houdt, soo verbergen sy sich in de holen, om hun slaep van ses maenden te slapen; 't welck sy met de vledermuysen en wilde katten gemeen hebben. De gene, die in mijn huys getemt waren, verberghden sich dickwils twee weken lang, en wierden, als men hen neerstighlijck socht, in een kuyl, en gantsch wilt en onhandelbaer gevonden.
In dese gewesten vindt men oock seker slagh van schiltpadden, met blaeuwe voeten, die schadelijck om t'eten sijn.
Ick heb oock in dese landen, naer de watervallen en lantstreeck van de Borysthenes, seker wilt beest gevonden, de geyt niet ongelijck, maer echter seer dun van hair, en daer by soo sacht als sijde, als het nieu hair gekregen heeft, het welck jarelijcks gebeurt; andersins is het hair wat harder, en van kastanie-verwe, geheel anders dan dat van de geyt. Dit wilt heeft twee hoornen, die wit en helder sijn, en wordt van de Russen gemeenelijck Sunaky geheeten. Het is seer sacht en teer van beenen en voeten, heeft<noinclude></noinclude>
butaxlilk97nnlt94paetdt0kwggo8x
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/24
104
86619
222889
222437
2026-06-05T07:04:53Z
Havang(nl)
4330
/* Gevalideerd */
222889
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" />{{c|B O R Y S T H E N E S}}</noinclude>geen gebeente in de neus, en gaet al achterwaerts, als het in de weyde lijn voedsel neemt. Ick heb van dit vleesch gegeten; en 't is soo goet van smaeck, als het vleesch van een wilde geyt. Des selfs hoornen sijn wit en helder, gelijck ick geseght heb, en blincken, dewelcke ick, als iets dat vremt is, bewaere.
Men vindt in dese gewesten oock harten, dassen, wilde geyten, die in ordening gaen; gelijck oock wilde swijnen, die schrickelijck groot sijn, en oock wilde paerden, die by troppen van vijftigh oft sestigh by malkander gaen weyden. Dese paerden hebben ons somtijts schrick aengejaeght, vermits wy, hen van verre siende, meenden dat het Tartarische paerden waren. Zy sijn gantsch onnut tot d'arbeyt, hoewel sy jong gevangen worden; doch sy sijn alleenlijck dienstigh tot spijse: want hun vleesch wordt van sommige leckerder geacht dan kalfsvleesch, maer niet desgelijcks by my; vermits het een quade reuck had, en al te soet was. Doch by de Russen, die de peper soo veel, als de Franschen d'erreten, gebruycken, heeft dit paerdevleesch, dus kruydigh toegemaeckt, d'al te groote soetigheyt verloren, en wordt by hen smaeckelijcker om t'eten gemaeckt. Wat d'oude wilde paerden aengaet, dewijl sy niet getemt konnen worden, soo verstrecken sy alleenelijck tot spijs, welcker vleesch in de vleesch-hal omtrent even dier verkocht wordt, als ossevleesch, oft schapenvleesch. Dese paerden sijn oock swack, en bedorven van voeten; want sy lijden groot ongemack door het hoorn aen hun voeten, dat niet ter rechter tijt besnoeyt wordt; en dieshalven sijn sy onbequaem om te loopen. Men moet dan Godts klaerblijckelijcke voorsienigheyt eeren, die dit beest tot de menschelijcke dienst en spijse heeft geschickt, en hierom swack van voeten gemaeckt, op dat het den mensch, die 't vervolght, niet ontloopen soude.
Aen 't selfde gewest van de Borysthenes wort een wilde vogel gevonden, aen welcks krop een blaesje hangt, daer in hy, als in een sack, de visschen, die hy voor die tijdt over heeft, inschiet, om hen daer na, als 't de noot vereyscht, te verslinden, lck heb diergelijcke vogelen oock in Indien gesien. Men vind hier een seer groote menighte van kranen, gelijck oock van wilde stieren en buffels, en van andere groote wilde beesten, maer voornamelijck op de grensen van Moskovien. Oock sijn hier mede witte hasen, en wilde katten. In dese gewesten, doch een weynigh zuydewaerts, en naer Walachien, vind men schapen, langer van wol, met een steert, die wel korter, maer oock breeder, en dicker is, en soodanigh, dat sy de gestalte van een driehoeck vertoont. Dese steert is soo groot en vleesch-achtigh, dat sy gemeenelijck tien ponden weeght. Sy is deurgaens ses duymen breet, en een weynigh langer, en, soo groot als sy is, vol van smakelijck vet. Men siet hier oock, doch by d'adel, paerden en honden van verscheyde koleur, die hair gelijck een panter oft luypert hebben, en aengenaem om t'aenschouwen sijn. Sy spannen hen oock voor de wagen, om hun pracht te toonen.
Dese gewesten hebben een eenigh ongemack, dat is, dat 'er in geheel Ukraine geen sout is, 't welck uyt Pokucia, een Poolsch landtschap, aen Sevenbergen palende, tachtigh, ja hondert mijlen verre, derwaerts gebracht wordt. In dit Pokucia sijn byna alle putten en bronnen sout, welcker water, als het behoorelijck gekoockt is, in wit sout verandert, van 't welck kleyne koeckjes, oft brootjes gemaeckt worden, die een duym dick, en twee duymen lang sijn; en sy verkoopen drie hondert van dusdanige koeckjes voor een stuyver. Dit sout is aengenaem van smaeck, en niet soo scherp, als 't onse. De Russen maeken noch ander sout van else-boomen, oft van eycke-boomen, oft van der selfder asch, het welck, by broot gedaen, een aengename smaeck heeft, en van de Cosacken gemeenelijck ''Kolomey'' genoemt wordt. Omtrent Krakou, de hooftstadt van Polen, is seer treffelijck sout, dat als uyt de mijnen gedolven wordt. Ukraine heeft noch een ander gebreck, te weten van water, dat ten meestendeel dick en drabbigh is, en lelijcke stanck uytgeeft, om dat het niet alleenelijck seer traegh in sijn loop is, maer oock overvloet van visch heeft; 't welck, gelijck ick acht, dickwils d'oorsaeck van de sieckte is, die sy ''Koltun'' noemen, en het hair te samen wart. In dese landen sijn noch ontallijcke andere aenmerckens-waerdige dingen, soo wel die de seden en 't leven der inwoonders aengaen, als in d'andere wonderlijcke en voortreffelijcke dingen; en ick oordeel dat, soo iemant daer op het breetste wilde af spreken, hy geheele boecken soude moeten beschrijven. Doch ick hope dat de gunstige Leser het gene, dat ick hier af geschreven heb, terwijl ick met andere besigheden belemmert ben, in 't goede sal nemen, en gelegentheyt verwachten om meer dusdanige dingen in 't licht te brengen.
{{c|{{larger|{{fine|Dese beschrijving van de Borysthenes is byna geheel getrocken uyt het verhael van ''Willem le Vasseur'', Heer van Beauplan, in 't Frans beschreven.}}}}}}<noinclude></noinclude>
spd0mgrrozfrq6kl17nfu9uf5djpbmf
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/25
104
86620
222890
222388
2026-06-05T07:10:47Z
Havang(nl)
4330
/* Gevalideerd */
222890
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" /></noinclude><nowiki />
{{c|{{xx-larger|{{sp|TAURICA CHERSONESUS}}}}<br>Ofte<br>{{larger|{{sp|PRECOPENSER TARTARI}}E.}}}}
{{Initiaal|D}}E naem van Taurica Chersonesus, welck een landtschap der Scythen is, komt van de Taurus, volckeren van Scythia Europæa. Ptolemæus noemt het Taurica, en Strabo Scythica. Plinius in sijn tweede Boeck, cap.96, ''Taurorum Peninsula''; Appianus in Mithridaticis, ''Chersonesus Pontica''; Paulus Diaconus ''Chersena''; hedensdaeghs wordt het Precopska en Gesara by Antonium Pinetum, en van andere Praecop, en kleyn Tartarien geheeten. Het is een groot en ruym halfeylandt, tusschen den Pontum Euxinum, en Maeotidem Paludem, tot aen den Bosphorum Cimmerium (welcke Europam van Asien separeert) naer 't oosten gelegen, lang 24 mylen, en 15 breedt.
De Peninsula, welcke van 't oosten en zuyden de middelste van Pericopia is, heeft een sachten winter en getemperde gesonde lucht; want in 't eynde van December begint daer de winter, in 't midden van Februarius is hy op het heftighste, mede brengende veel sneeus, doch duurt gemeenlijck maer drie dagen, en eyndight in 't begin van Martio.
Dit gantsche landt is korenrijck, en bequaem om vee te wyden; en alhoewel de aerdbodem vruchtbaer is, wort doch weynigh bebouwt en gesaeyt. Paerden, kameelen, ossen, koeyen, schapen, en andere beesten, zijn hier in overvloedt, waer van de inwoonders sich geneeren: daer is oock een groote menighte van delicate vogelen, welcke de Christenen ofte Turcken somtijdts, maer de Polen weynigh plachten te vangen. De jaghten van herten, wilde geyten, swijnen, en halen zijn gemeyn in Tartarie naer de Turcksche zee toe. Desen Chersonesum deelen die seer schrickelijcke rouwe bergen midden van malkanderen in het noorden enzuyden, gelijck den Apenninus Italien.
't Zuyder deel, waer van Capha de hooftstadt is, heeft Mahomet in 't jaer 1475 ingenomen; maer in 't noordelijckste deel, hebben de Crim Tartars voor 400 jaren in de stadt Crim haren Koninglijcken stoel geplant, waer van sy den naem van Crimeische Tarters hebben, gelegen op de wijde en ruyme velden tusschen den Borysthenes en Tanais, daer sy somtijdts, derweyden halven, van plaetse tot plaetse haer wooninge veranderen. Dese hebben daer naeden Isthmum van Taurica doorgegraven, en gelijck een eylant gemaeckt, by die graft een Stadt gesondeert , die sy Praecop noemden, en aldaer den Koninglijcken stoel gestelt, daerse Precopenser Tartaren van heeten. Deser Tartaren Koning, staende in 't verbont met de Turcken, als hy lijn eygen broeders, daer hy tegen oorloghde, door ophitsen der Turcken, omgebracht hadde, en Capham belegerde, is hy van sijn eygen Raetsheeren (die met groote schenckagien daer toe gekost waren) met sijne twee soontjens, in stucken gehouwen; en heeft alsoo gestreckt tot een ongeluckigh exempel der Ottomannischer vriendtschap. Want nae sijn doot zijn de Tartars, (die tot noch toe vry waren) van bontgenoten en broeders, tot slaven der Turcken gemaeckt.
Behalven dese Precopensers, en Cazan, en Astrachan , Koningrijcken der Tartaren, welcker inwoonderen hare landen bouwen, en in huysen woonen, en nu onder 't gebiedt des Molcoviters staen, zijnder noch andere Tartaren, die met hoopen in de velden swermen, geen vaste wooninge hebbende, en zijn in horden, als in provincien verdeelt, waer van sy den naem hebben. In dat deel van kleyn Tartarien, 't welck in 't zuyden leght, is Capha de hooftstadt, eertijdts Theodosia geheeten, een treffelijcke koopstadt, en oude colonie ofte voortplantinge der Genuesen, gelegen aen de zee, en heeft tot noch toe een bequame haven gehadt. Sy is rijck en bevolckt geweest, toen de Genuesen daer over 't gebiedt hadden; doch na dat de Turcken, voor 100 jaren, die ingenomen hebben, zijn de Italiaensche Christenen daer soo gemindert, datter weynigh meer te vinden zijn, soo dat dese stadt hare oude heerlijckheyt en cieraet meestendeels verlooren heeft want de kercken der Roomsche Christenen liggen vervallen, de huysen, muuren en torens, in welcke men noch veele wapenen en Latijnsche opschriften siet, verdestrueert. Sy wordt hedensdaegs van Turcken, Armeniers, Ioden, Italianen en Griecksche Christenen bewoont, doch heeft weynigh inwoonders; is anders van wegen de koophandel, en treffelijcke haven, beroemt. Wijn wast daer in overvloet; boomgaerden en schoone tuynen sijnder ontallijck. Daer sijn noch andere steden, als ''Perocopia'', by den ouden Griecken Eupatoria genaemt, Pompejopolis, Sacer Lucus, Dromon of Cursus Achillis, oft Græcida Heracleum ofte Heraclea, en Coslovia een vermaerde koopstadt. Ingermenum heeft een kasteel van steen gebouwt, en een kercke tegen over 't selve: onder 't kasteel sijn holen konstelijck in de steenen uytgehouwen; in vorigen tijden was 't een heerlijcke en rijcke stadt. Chersonesus ofte Corsunum is de oudste stadt van Taurica, dese hebben de Turcken Sacri Germenum genaemt, 't welck soo veel te seggen is als een geel slot, om dat het aerdrijck, ontrent<noinclude></noinclude>
dwsob3307dzpmohcbs7300qa8sbd4ok
Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/27
104
86622
222892
222391
2026-06-05T07:14:34Z
Havang(nl)
4330
/* Gevalideerd */
222892
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" />{{c|TAURICA CHERSONESUS}}</noinclude>trent dat geweste, geel schijnt te zijn. De overblijfselen en ruinen betoonen noch hoe prachtigh, rijck, en cierlijck, dese Griecksche colonie eertijdts geweest is.
Iamboli ofte Balachaium, is een stadt met een kasteel. Mancopia oft Mangutum (gelijck het van de Turcken genoemt wordt) is een slot met een stadt; Cercum is oock een slot met een stadt. Cremum van de Tartaren Crim geheeten, is een stadt en slot, met een oude en hooge muur. Sy is in grootheyt en heerlijckheydt, by de andere steden van ''Taurica Chersoneso Mediterranea'' niet te vergelijcken: mogelijck is 't die, welcke Ptolemæus Taphros, en Plinius Taficae noemt.
In 't uyterste deel deses lands is Tanais, gelegen aen den uytgang van de riviere Tanais, en wordt van de Russen Azac geheeten: een vermaerde koopstadt, daer veel kooplieden uyt verscheyden gewesten komen; door dien yder geoorloft is daer te koopen en verkoopen. In dit landt zijn vele groote rivieren, komende meest uyt de bergen loopen, onder welcke Borysthenes, gemeenlijck Nieper genaemt, de principaelste is, diep, en snel; nemende sijnen loop van het noorden in den inham ofte stroom Careinitum, en verliest sich by Oczacovia in Pontus Euxinus. De andere rivieren zijn Don, Ariel, en Samara.
Bosphorus Cimmerius, tot welcken sich dese Chersonesus streckt, is die engte der zee welcke Europa van Asien separeert, door welcke strate Palus Mæotica in Pontum Euxinum loopt: en heeft desen naem van de Cimmeriis, die het koudtste deel daer van bewoonen; oft van de stadt Cimerio, na het getuygenisse van Volaterranus.
Mæotis Palus is by den uytgang des strooms Phafidis, ontfangende den Tanaim, en wordt van de Scythen, de moeder van Ponto geheeten, gelijck Dionysius getuyght, om datter soo groote menighte waters van daer in de Pontus loopt, 't welck uyt verscheyden gewesten komt.
Pontus Euxinus (welcks bovenste water soet is, en 't onderste sout) wierde eerst Arenus ('t welck soo veel te seggen is, als onbewoont) genoemt, of, na Sophocli meening. Apoxenus, om dat daer noyt schepen aenquamen, of om dat de Barbarische Scythen de vreemdelingen die daer quamen, doodden. Den naem Pontus heeft dese zee bekomen, als zijnde bynae een tweede Oceanus; want toen ter tijdt meende men dat die dese zee overvoeren, iets merckelijcks verricht hadden; hebben hem deswegen, als Strabo verhaelt, door uytnementheydt ''Pontum'', 't welck een zee te seggen is, genoemt.
In dit Kleyn Tartarien zijn vreeslijcke en rouwe bergen, insonderheydt, die den Chersonesus midden door kloven. Daer zijn noch eenige andere groote en vermaert; op de hooghste van welcke een groot meyr is.
De politie en justitie der Tartaren wordt in de steden en vlecken bedient van de Cham, en de andere Sultanen, na de Mahometische wet: in de dorpen zijn altijdt Cadiz of Richters en Schouten, die de particuliere injurien verhooren en recht daer over spreecken; de hals- of criminele saecken, als moordt, diefstal, oock de geschillen van onroerende goederen, komen tot kennisse van den Cham, en sijne Raden, waer in sy geen procureurs van noode hebben; want sy altijdt verhoort worden, en verkrijgen daer oock korte expeditie.
De sonen worden van hare jeught in de Arabische talen onderwesen, en de dochters niet by hare ouders, maer by hare naeste verwanten opgetrocken; als de sonen wat tot haer jaren komen, begeven sy haer in dienst van den Cham ofte Sultanen; en als de dochters volwassen en houwbaer zijn, wordense de voornaemste Tartaren, en Turcken ten houwelijck gegeven. In des Princen hof voeren de Edele en principaelste Heeren sonderling geen uytwendige pracht, maer dragen sich eerlijck en cierlijck na haeren staet.
De Tartars houden hare wetten in groote waerde; sy eeren en aenbidden hare Vorsten als goden: de Richters worden, na de Mahometaensche wet, voor heylige, oprechte en redelijcke persoonen gehouden; sy onthouden haer van alle twist en tweedracht, calumnien, vyandtschap, haet, schande, en van alle overdaet in kost en kleederen. In 't Princen hof, noch oock onder haer, dragen sy geen geweer, uytgesondert de vreemdelingen, ofte de reysende man, welcke sy alle beleeftheydt betoonen, en gastvry houden. Der rijcken spijs is broodt en vleesch, en haren drank gesoden wijn en meede: de arme gebruycken in de plaets van broot, gestooten hierse met melck en water vermengt, 't welck sy Caffa noemen, en eten kaes; haren dranck is paerden melck. De kameelen, paerden en ossen, die niet meer bequaem sijn tot den arbeyt, dooden en eten sy. Schapen vleesch nuttigen sy oock veel. Daer zijn weynigh ambachts- en veel minder kooplieden; want alle de ambachts- en kooplieden, zijn Christen slaven ofte Turcken. Armeniers, Ioden. Czircassen. Petigorenses. Phylistinen ofte Cyngani, welcke aldaer seer veracht worden.
{{c|{{larger|E Y N D E.}}}}<noinclude></noinclude>
38zkl1p13h65mesen1efnvi2gvprcuf
De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hendrik Graauw
0
86657
222852
2026-06-04T18:03:55Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
222852
wikitext
text/x-wiki
<pages index="De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu" from=222 to=224 fromsection=s2 tosection=s1 header=1/>
[[Categorie:Schouburg]]
g7lfasum3mwvuttrrburkr7lsggwuu0
Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Pieter Saenredam
100
86658
222853
2026-06-04T18:24:49Z
Vincent Steenberg
280
begin
222853
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox thema
| naam = Pieter Saenredam
| afbeelding = Pieter Saenredam by Jacob van Campen.jpg
| alt = Portret van Saenredam door Jacob van Campen, 1628
| beschrijving = Bronnen bij de Noord-Nederlandse schilder, tekenaar, prentkunstenaar en taxateur [[w:nl:Pieter Saenredam|Pieter Saenredam]]
}}
== Algemeen ==
== Inleidingen - Hand- en leerboeken ==
*Arnold Houbraken (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Pieter Zaenredam|"Pieter Zaenredam"]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p. 174-175.
== Verzamelen - Musea - Tentoonstellingen ==
=== Verzamelen ===
=== Musea ===
;Rijksmuseum Amsterdam
*Anoniem (1809) ''[[Catalogus der schilderijen, oudheden enz. op het Koninklijk Museum te Amsterdam]]'', Amsterdam: Gebroeders van Cleeff, p. 63, cat.nrs. 270-271.
*Anoniem (1830) ''[[Aanwijzing der schilderijen, berustende op 's Rijks Museum, te Amsterdam (1830)|Aanwijzing der schilderijen, berustende op 's Rijks Museum, te Amsterdam]]'', [s.l.: s.n.], p. 61, cat.nrs. 275-276.
*Dubourcq, P.L. (1858) ''[[Beschrijving der schilderijen op 's Rijks Museum te Amsterdam|Beschrijving der schilderijen op ’s Rijks Museum te Amsterdam met Fac Simile der Naamteekens]]'', Amsterdam: Frans Buffa & Zonen, p. 125-126, cat.nrs. 276-277.
=== Tentoonstellingen ===
;1927
*''Kersttentoonstelling van teekeningen van Utrechtsche meesters der 17e en 18e eeuw uit het bezit van Teyler's Stichting te Haarlem'', Centraal Museum, Utrecht, december 1927, geen catalogus bekend.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 december 1927) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 84/Nummer 358/Centraal Museum te Utrecht|‘Centraal Museum te Utrecht’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Ochtendblad, B, p. 1.
== Werken ==
;''Het oude stadhuis in Amsterdam'' (Rijksmuseum, SK-C-1409)
*Anoniem (22 april 1895) [[De Tijd/Nummer 14507/Voordracht over Oud-Holland|‘Voordracht over Oud-Holland’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p. 3].
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal beeldende kunst]]
k9ldjstrudgnwry3yjayetl98tsj1ab
Bredasche Courant/1834/Nummer 198/Rusland
0
86659
222855
2026-06-04T18:33:42Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
222855
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Rusland’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit de ''Bredasche Courant'', donderdag 21 augustus 1834, [p. 3]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Bredasche Courant 1834 no 198.pdf" from="3" to="3" fromsection="s4" tosection="s4"/>
[[Categorie:Bredasche Courant, 1834, Nummer 198]]
mk54jveyee49depxzfbd8qhc6qv461o
Hoofdportaal:Taal- en letterkunde/Frans
100
86660
222856
2026-06-04T18:49:12Z
Vincent Steenberg
280
begin
222856
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox thema
| naam = Franse taal- en letterkunde
| afbeelding = Jean Molinet presents his book to Philip of Cleves.jpg
| alt = Jean Molinet presenteert zijn boek aan Filips van Kleef
| beschrijving = Dit is een overzicht van alle op [[Wikisource:Over Wikisource|Wikisource]] aanwezige bronnen over [[w:Frans|Franse taal-]] en [[w:Franse literatuur|letterkunde]]
}}
== Kritiek en geschiedenis van de Franse letterkunde ==
=== Algemeen ===
==== Tijdschriften en overige seriële publicaties ====
*''L'art libre'' (1919-1922).<br>Aankondigingen en recensies:
**[Theo van Doesburg] (juli 1919) [[De Stijl/Jaargang 2/Nummer 9/Rondblik|‘Rondblik’]], ''De Stijl'', jrg. 2, nr. 9, p. 104-108, met name 105-106.
**Redactie (november 1919) [[De Stijl/Jaargang 3/Nummer 1/Overzichtelijke beschouwing bij de intrede van den derden jaargang|'Overzichtelijke beschouwing bij de intrede van den derden jaargang']], ''De Stijl'', jrg. 3, nr. 1, p. 1-5, met name 3-4.
**[Theo van Doesburg] (februari 1920) [[De Stijl/Jaargang 3/Nummer 4/Rondblik|‘Rondblik’]], ''De Stijl'', jrg. 3, nr. 4, p. 24-28 [eigenlijk 36-40].
*''Littérature'' (1919-1924).<br>Aankondigingen en recensies:
**[Theo van Doesburg] (oktober 1921) [[De Stijl/Jaargang 4/Nummer 10/Rondblik|‘Rondblik’]], ''De Stijl'', jrg. 4, nr. 10, p. 152-159.
*''Lumière'' (1919-1923).<br>Aankondigingen en recensies:
**[Theo van Doesburg] (november 1920) [[De Stijl/Jaargang 3/Nummer 12/Rondblik|‘Rondblik’]], ''De Stijl'', jrg. 3, nr. 12, p. 102-103.
*''Projecteur'' (21 mei 1920).<br>Aankondigingen en recensies:
**[Theo van Doesburg] (juli 1920) [[De Stijl/Jaargang 3/Nummer 9/Rondblik|‘Rondblik’]], ''De Stijl'', jrg. 3, nr. 9, p. 78-80, met name 79.
*''La vie des lettres et des arts'' (1920-1926).<br>Aankondigingen en recensies:
**[Theo van Doesburg] (juni 1921) [[De Stijl/Jaargang 4/Nummer 6/Rondblik|‘Rondblik’]], ''De Stijl'', jrg. 4, nr. 6, p. 87-93, met name 88-89.
**[Theo van Doesburg] (oktober 1921) [[De Stijl/Jaargang 4/Nummer 10/Rondblik|‘Rondblik’]], ''De Stijl'', jrg. 4, nr. 10, p. 152-159, met name 155.
=== Inleidingen - Hand- en leerboeken ===
==== Bijzondere onderwerpen ====
;Prix Goncourt
*H.B. (23 mei 1933) [[Het Vaderland/Jaargang 65/23 mei 1933/Avondblad/De Academie Goncourt en de prefect|‘De Academie Goncourt en de prefect’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
=== Geschiedenis van tijdperken; afzonderlijk ===
==== Ca. 1600-ca. 1880 ====
===== Schrijvers; afzonderlijk =====
;Balzac, Honoré de (1799-1850)
*Anoniem (23 mei 1933) [[Het Vaderland/Jaargang 65/23 mei 1933/Avondblad/Zooals men weet|‘Zooals men weet, is het grafmonument van Honoré de Balzac […] gerestaureerd. […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Hugo, Victor (1802-1885)
*Anoniem (27 februari 1878) [[Opregte Haarlemsche Courant/1878/Nummer 50/Heden, 26 Februarij|‘Heden, 26 Februarij, viert Victor Hugo zijnen zes-en-zeventigsten verjaardag. […]’]], ''Opregte Woensdagsche Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Legouvé, Ernest (1807-1903)
*Anoniem (18 januari 1867) [[Rotterdamsche Courant/1867/Nummer 16/Parijs 16 Januarij|‘Parijs 16 Januarij’, alinea 8]], ''Rotterdamsche Courant'', [p. 1].
;Mérimée, Prosper (1803-1870)
*Anoniem (23 mei 1933) [[Het Vaderland/Jaargang 65/23 mei 1933/Avondblad/Prosper Mérimée|‘Prosper Mérimée […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Méry, Joseph
*Anoniem (1 januari 1852) [[Rotterdamsche Courant/Jaargang 1852/Nummer 1/Twee Fransche schrijvers van naam, de heeren Méry en Gérard de Nerval|‘Twee Fransche schrijvers van naam, de heeren Méry en Gérard de Nerval, […]’]], ''Rotterdamsche Courant'', [p. 3].
;Nerval, Gérard de
*Anoniem (1 januari 1852) [[Rotterdamsche Courant/Jaargang 1852/Nummer 1/Twee Fransche schrijvers van naam, de heeren Méry en Gérard de Nerval|‘Twee Fransche schrijvers van naam, de heeren Méry en Gérard de Nerval, […]’]], ''Rotterdamsche Courant'', [p. 3].
;Prévost-Paradol, Lucien-Anatole (1829-1870)
*Anoniem (18 januari 1867) [[Rotterdamsche Courant/1867/Nummer 16/Parijs 16 Januarij|‘Parijs 16 Januarij’, alinea 7]], ''Rotterdamsche Courant'', [p. 1].
==== Ca. 1880-2000 ====
===== Schrijvers; afzonderlijk =====
;Apollinaire, Guillaume (1880-1918)
*[Theo van Doesburg] en Gino Severini (december 1918) [[De Stijl/Jaargang 2/Nummer 2/Guillaume Apollinaire|‘Guillaume Apollinaire. †’]], ''De Stijl'', jrg. 2, nr. 2, p. 14.
;Baie, Eugène (1874-1964)
*Anoniem (15 december 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24651/Avondblad/Nederland en België|‘Nederland en België’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, eerste blad, [p. 1].
;Bailly, Auguste (1878-1967)
*Anoniem (23 mei 1933) [[Het Vaderland/Jaargang 65/23 mei 1933/Avondblad/August Bailly|‘August Bailly […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Bernard, Tristan (1866-1947)
*Anoniem (23 mei 1933) [[Het Vaderland/Jaargang 65/23 mei 1933/Avondblad/De nieuwe roman van Tristan Bernard|‘De nieuwe roman van Tristan Bernard […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Chambe, René (1889-1983)
*Anoniem (16 maart 1936) [[Het Vaderland/Jaargang 67/16 maart 1936/Avondblad/De jury|‘De jury heeft den Grand Prix littéraire […] toegekend aan René Chambe […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Doff, Neel (1858-1942)
*Anoniem (23 mei 1933) [[Het Vaderland/Jaargang 65/23 mei 1933/Avondblad/De Prix populiste|‘De Prix populiste […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Fabre, Paul
*Anoniem (16 maart 1936) [[Het Vaderland/Jaargang 67/16 maart 1936/Avondblad/De jury|‘De jury heeft den Grand Prix littéraire […] toegekend aan René Chambe […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;France, Anatole (1844-1924)
*Anoniem (23 mei 1933) [[Het Vaderland/Jaargang 65/23 mei 1933/Avondblad/Aan het huis 19 Quai Malaquais te Parijs|‘Aan het huis 19 Quai Malaquais te Parijs, waar Anatole France zijn eerste levensjaren heeft gewoond, is een gedenkplaat onthuld. […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Georges-Michel, Michel (1883-1985)
*Anoniem (23 mei 1933) [[Het Vaderland/Jaargang 65/23 mei 1933/Avondblad/We hebben reeds melding gemaakt|‘We hebben reeds melding gemaakt, dat Michel Georges-Michel van plan was dit jaar één boek per maand uit te geven. […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Malraux, André (1901-1976)
*Anoniem (23 mei 1933) [[Het Vaderland/Jaargang 65/23 mei 1933/Avondblad/De nieuwe roman van André Malraux|‘De nieuwe roman van André Malraux […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Mauriac, François (1885-1970)
*Anoniem (23 mei 1933) [[Het Vaderland/Jaargang 65/23 mei 1933/Avondblad/Van François Mauriac verschijnt|‘Van François Mauriac verschijnt […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Pollès, Henri (1909-1994)
*Anoniem (23 mei 1933) [[Het Vaderland/Jaargang 65/23 mei 1933/Avondblad/De Prix populiste|‘De Prix populiste […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Porto-Riche, Georges de (1849-1930)
*Anoniem (15 augustus 1930) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 103/Nummer 33579/Avondblad/Georges de Porto-Riche|‘Georges de Porto-Riche ernstig ongesteld’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, [p. 9].
;Simenon, Georges (1903-1989)
*Anoniem (23 mei 1933) [[Het Vaderland/Jaargang 65/23 mei 1933/Avondblad/Georges Simenon|‘Georges Simenon vervolgt zijn nieuwe serie […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Supervielle, Jules (1884-1960)
*Anoniem (23 mei 1933) [[Het Vaderland/Jaargang 65/23 mei 1933/Avondblad/Jules Supervielle|‘Jules Supervielle […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Tzara, Tristan
*Anoniem (12 februari 1926) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 83/Nummer 43/Avondblad/"Wij nu" en Tristan Tzara|‘„Wij nu” en Tristan Tzara’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p. 1.
*[Doesburg, Theo van] ([ca. oktober] 1922) [[Mécano/Nummer 3/Chroniek-Mécano|'Chroniek-Mécano']], ''Mécano'', No 3 Rouge, Rood, Rot, Red, z.p.
;Vivier, Robert (1894-1989)
*Anoniem (23 mei 1933) [[Het Vaderland/Jaargang 65/23 mei 1933/Avondblad/De Prix populiste|‘De Prix populiste […]’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Zaccone, Pierre (1817-1895)
*Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/In Bretagne|‘In Bretagne heeft, naar gemeld wordt, de Parijsche romanschrijver Pierre Gaccone een eigenaardig tooneelspelersgezelschap ontdekt, […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Zola, Émile
*Anoniem (12 februari 1898) [[De Zuid-Limburger/Jaargang 4/Nummer 39/Frankrijk/Het proces Zola|‘Het proces Zola’]], ''De Zuid-Limburger'', Eerste blad, [p. 2].
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal taal- en letterkunde]]
42k4loh2s6v29b0gdqabbig1qpquzly
Categorie:Bredasche Courant, 1834, Nummer 198
14
86661
222858
2026-06-04T18:50:54Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
222858
wikitext
text/x-wiki
[[Categorie:Bredasche Courant, 1834]]
74vvef0wb5genem92uthiv1ag44tmnl
Categorie:Bredasche Courant, 1834
14
86662
222859
2026-06-04T18:51:09Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
222859
wikitext
text/x-wiki
[[Categorie:Bredasche Courant]]
h0oore6ew9kuq5eqck0e2k4vc4ijpv4
Bredasche Courant/1834/Nummer 198/Italië
0
86663
222860
2026-06-04T18:52:02Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
222860
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Italië’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit de ''Bredasche Courant'', donderdag 21 augustus 1834, [p. 3]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Bredasche Courant 1834 no 198.pdf" from="3" to="3" fromsection="s5" tosection="s5"/>
[[Categorie:Bredasche Courant, 1834, Nummer 198]]
8u5b7jv58h7b2sn9pw0n9bcaifgglwu
Bredasche Courant/1834/Nummer 198/Frankrijk
0
86664
222861
2026-06-04T18:56:52Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
222861
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Frankrijk’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit de ''Bredasche Courant'', donderdag 21 augustus 1834, [p. 3]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Bredasche Courant 1834 no 198.pdf" from="3" to="3" fromsection="s6" tosection="s6"/>
[[Categorie:Bredasche Courant, 1834, Nummer 198]]
3y4u49h5wszekc51cp402v4985ly7w5
222862
222861
2026-06-04T19:00:40Z
Vincent Steenberg
280
Vincent Steenberg heeft de pagina [[Bredasche Courant/1834/Frankrijk]] hernoemd naar [[Bredasche Courant/1834/Nummer 198/Frankrijk]] zonder een doorverwijzing achter te laten: +nummer
222861
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Frankrijk’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit de ''Bredasche Courant'', donderdag 21 augustus 1834, [p. 3]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Bredasche Courant 1834 no 198.pdf" from="3" to="3" fromsection="s6" tosection="s6"/>
[[Categorie:Bredasche Courant, 1834, Nummer 198]]
3y4u49h5wszekc51cp402v4985ly7w5
Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/208
104
86665
222930
2026-06-05T09:29:19Z
Havang(nl)
4330
/* Zonder tekst */
222930
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="0" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude></noinclude>
6fy8ix6czju8r0lz5ain22z7t1pjvxr
Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/145
104
86666
222937
2026-06-05T09:48:08Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
222937
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude><nowiki />
{{c|'''EEN ABEL SPEL ENDE EEN EDEL DINC VAN DEN HERTOGHE VAN BRUYSWIJC, HOE HI WERT MINNENDE DES ROEDELIOENS DOCHTER VAN ABELANT, ENDE ENE SOTTERNIE NA VOLGENDE'''<ref>''Abel spel'' en ''edel dinc'' zijn verschillende benamingen van eene en dezelfde zaak, beide staan tegenover ''sotternie'' of ''klucht''.<br>''Roedelioen'' is ''roode leeuw'', verg. vs. 239 vlg., 278, 443, 726, kennelijk de bijnaam van den hoghe gheboren baroen van ''Abelant'' d. i. wellicht ''Avondland''.</ref>.}}
<poem>
{{Gap|7em}}_____
Ic bidde gode den oversten vader
Dat hi ons moet<ref>''Moet'', zie op ''Esm.'' vs. 115.</ref> bewaren alle gader.
Heren ende vrouwen, groet ende clene,
Ic bidde u allen int ghemene,
{{sup|5}}Dat ghi wilt maken een ghestille<ref>''Ghestille'' d. i. ''stilte'': ''Rein.'' vs. 2193:
::::Indien dat die coninc milde
::::Een ''ghestille'' maken wilde;
''Ferg.'' vs. 5556 :
::::Ginder wert stappans (''terstond'') een ''gestille''.
''Een ghestille maken'' beteekent zoowel ''Stille machen'' als ''Ruhe gebieten'', zie ''Flor.'' en ''Rijmb. Gloss.''; ''een ghestille doen'' of ''maken'' met den tweeden nval of met ''van'' geeft te kennen ''ergens van zwijgen'', zie ''Ferg.'' en ''Rein. Gloss.''</ref>
Ende merct daer na diet merken wille.
Men sal u hier spelen een suverlijc<ref>''Suverlijc'' d. i. ''keurig'', hetgeen in het opschrift door ''edel'' wordt uitgedrukt.</ref> dinc
Van enen hoghen jonghelinc
Die hertoghe was van Bruyswijc.
10 Hem dochte dat niemen sijns ghelijc
Op eertrike niet vinden en mochte,
Ende sprac uut overmoedege gedochte<ref>''Gedochte'' d. i. ''waan''.</ref>,
Roemeghe<ref name=Roem>''Roemeghe'' d. i. ''grootsprakige'', immers ''roem'' d. i. ''bluf; roemen'' d. i. ''grootspreken'' en ''roemer'' d. i. ''grootspreker'', verg. ''M. Lp.'' en ''Rein. Gloss.'' De koning zegt tot Reinaert vs. 2613:</ref> worden ende onbekint,
</poem><noinclude></noinclude>
2i0se8aiwyb71n50b1nxyvb222oib72
Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/146
104
86667
222943
2026-06-05T10:11:01Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
222943
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />76</noinclude><poem><ref follow=Roem>{{gap|4em}}So smekedi (''praat gij mooi''), Reinaert, ende ''roemt (bluft)'',
v.w. zegt {{asc|JONCKBLOET}} — de winderige hopman bij Breêroo nog ''Roemer'' heet, verg. ''Wb. Bred.'' in voce, alwaar: ''Roemer'' vol van ''Roemen. Roemeghe'' of ''beroemeghe wort (woorden)'' d. i. ''grootspraak, pocherij, zwetserij:'' {{asc|BLOMMAERT}} ''Orl. Ged.'' bl. 48 vs. 253:
::::Ic wilde si metten helschen viere
::::Haer tonghen ontstaken, die bringhen vort
::::Van vrouwen in enegher manieren
::::Onhovesch ende ''beroemeghe wort.''
K{{asc|IL}}. heeft nog ''roemsaem'' en ''roemachtig'' in dezelfde beteekenis. Het volgende onbekint i. ''stuursch, onvriendelijk'', ook ''wreed'': {{asc|STOKE}} I vs. 195
::::Die ''onbekende'' wilde Vriesen
::::Die, ghelike verwoeden riesen,
::::Hem versloeghen ende sine ghesellen,
alwaar de verandering van {{asc|HUYD.}} ''onbekeerde'' onnoodig is; ''M. Lp.'' IV vs. 2116:
::::Een vijantlic dier ende ''onbecant''
::::Dat verdarff wijn ende coern;
''Carel'' vs. 228:
::::Des was ic harde ''onbecant,''
{{asc|KAUSLER}} ''Denkm.'' III bl. 210 vs. 195 :
::::Die coninc seide: "ghi secht waer,
::::Dies es leden menech jaer
::::Dat ic in ''ombekender'' overden (''hoovaardij'')
::::Hebbe gheregneerd up der eerden,
::::Ende Gode dane noch lof gheseit;"
verg. t. a. pl. bl. 528 nº. 71.</ref>Daer dicke die menege es bi ghescint.
{{sup|15}}Want wie dat hem te hoghe beroemt<ref>''Hem — beroemt'' van ''hem beroemen'' d. i. ''bluffen'': {{asc|KIL.}}</ref>,
Als dan die sake anders coemt
Soe wort hi bi den roeme ghescant :
Alsoe ghevielt desen hoghen wigant :
Al was hi rike<ref>''Rike'' d. i. ''machtig, veelvermogend'': zie ''M. Lp. Gloss.''</ref> ende hoghe gheboren,
{{sup|20}}Uut groten roem soe quam hem toren.
Om dat hi sprac roemeghe woert,
Wert vrouwe Venus op hem ghestoert,
Soe dat sijt namaels op hem wrac,
Die roemeghe<ref>''Die roemeghe worde'': over de constructie in verband met het voorg. vs., zie op ''Esm.'' vs. 972.</ref> worde, die hi sprac,
{{sup|25}}Alsoe ghi nu hier selt bescouwen.
Daer omme radic heren ende vrouwen,
Dat hem nieman te hoghe en sal beroemen,
Want daer es selden ere af comen.
</poem><noinclude></noinclude>
l0m8hiw41z1p1wsogq63liqmhf2r0f1
Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/147
104
86668
222944
2026-06-05T10:25:14Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
222944
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />77</noinclude><poem>
Te hoghen roem en wert nie ghepresen.
{{sup|30}}Nu bidden wi gode, die wert ghesleghen<ref>''Ghesleghen'' d. i. ''geslagen, gehecht.''</ref>
Ane een cruce om onsen sonden,
Dat wi alle salich werden vonden
Te Josepat in dat soete dal,
Daer God sijn oerdeel besitten<ref>''Besitten'' d. i. ''houden'', zie {{asc|NOORDEWIER}} ''Regtsoudh.'' bl. 333, 337, 364, alwaar evenzoo ''Heemstede besitten ende houden'', en ''de waarheid bezitten'' enz. enz.</ref> sal :
{{sup|35}}Dies biddic Maria der coninghinnen.
Nu hoert ende swijcht, wi gaen beghinnen.
{{gap|5em}}~~~~~~~~~~
{{gap|2em}}{{sp|Gheraert, shertoghen oem}}.
Waer sidi, lieve vrient Godevaert ?
{{gap|5em}}{{sp|Godevaert}}.
Ic ben hier, heer Gheraert,
Nu segt mi, wats die raet<ref>''Raet: wats die raet''? d. i. ''was ist zu berathen''? dus zooveel als ''wat wilt gij ? wat is er?'' verg. vs. 857. Zoo beteekent ''hets beter raet'' eenvoudig ''het is beter'' en ''U es die beste raet: het is 't best voor u: Rein. Gloss.''</ref>?
{{gap|5em}}{{sp|Gheraert}}.
{{sup|40}}Godevaert, het en dochte mi niet quaet,
Dat ons hertoghe, die hoghe baroen,
Enen huwelijc woude doen
Ende dat hi nemen woude een wijf.
Hi heeft soe scone vromen lijf
{{sup|45}}Ende es een sterc jonc man van daghen :
Hadde hi een wijf, si mochte draghen
Kindren<ref>''Draghen kindren'': {{asc|KIL.}} ''ferre uterum, ferre ventrem, praegnantem esse, gravidam esse.''</ref>, dat ware des lants profijt.
Hets een lantscap groet ende wijt,
Het ware scade, bleeft sonder gheboert.
{{sup|50}}Daer omme hebbic u gheroepen voert,
Dat ghi ons daer toe sout gheraden<ref>''Gheraden'' d. i. ''raad geven, Rein. Gloss.''</ref>.
</poem><noinclude></noinclude>
qfztex27he21txfyg7sfjb2j6mowg2k