Wikisource
nlwikisource
https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina
MediaWiki 1.47.0-wmf.6
first-letter
Media
Speciaal
Overleg
Gebruiker
Overleg gebruiker
Wikisource
Overleg Wikisource
Bestand
Overleg bestand
MediaWiki
Overleg MediaWiki
Sjabloon
Overleg sjabloon
Help
Overleg help
Categorie
Overleg categorie
Hoofdportaal
Overleg hoofdportaal
Auteur
Overleg auteur
Pagina
Overleg pagina
Index
Overleg index
TimedText
TimedText talk
Module
Overleg module
Event
Event talk
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/227
104
83968
223154
216409
2026-06-10T18:04:14Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
223154
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|194|''Schouburgh der''|}}</noinclude>Bouwkundig werd, ’t geen hy uit verscheiden stalen naderhant in zyne penceelwerken heeft doen blyken. Te Venetien was zyn penceelkonst inzonderheit gewilt, en hy door de zelve, en door zyn hups gedrag by alle grooten bemint. Na dat hy dus den tyd van tien jaren in Italien had doorgebracht, schryft ''du Pilé'', (maar zyn Zoon de Heer Willem Verschuuring meld in een brief aan my geschreven van vyf jaren) keerde hy te rug na zyn Vaderlant; doch volbracht toen zyn voornemen niet; want nemende zyn reis door Zwitzerlant op Vrankryk ontmoette hy tot Parys den Zoon van den Heer Borgermeester Maarzeveen, die een speelreis naar Italien ging doen. Deze lokte hem (zonder veel moeite) van zyn voornemen af, om hem te verzelschappen in Italien, gelyk hy deed. Hy bleef daar drie jaren, en kwam eindlyk in den Jare 1662 in zyn geboortestadt Gorkom gezont, en vol schildervuur (om aan alle Konstminnenden te doen zien wat hy gevorderd was) met voornemen van daar zyn rust te nemen.<br>{{gap}}Hy zette zig zonder lang dralen tot het oeffenen van zyn Konst, daar hy straks beminnaars toe vont, dat hem den lust meer en meer deed wakkeren, en dus geen moeiten ontzien om de byzondere voorwerpen, daar zyn Konstzucht op doelde, na te sporen. Dus begaf hy zich gins en herwaard in de legerplaatsen en waar schermutzelingen (inzonderheit onder de Ruitery) voorvielen; waar hy dan een afschetzing maakte in een Boekje dat hy tot dien einde altyd by zig had. Inzonderheit vont hy daar toe gelegenheit aan de hant in de jaren 1671 en 72, achtgevende op de wyze van ''Camperen'', orde in vechten, aftrekken, vluchten, en uitplonderingen der dooden en gekwetsten na den<noinclude>{{rechts|Velt-}}</noinclude>
ilgb305l9l1ipa3ul6a4brrlbfmt21g
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/29
104
86770
223147
2026-06-10T13:42:44Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223147
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|2|1813—1863.|}}</noinclude>Bij den aanvang van dit tijdvak wanhoopte men nog aan de mogelijkheid van immer den afstand van eenig buiten ons zonnestelsel gelegen hemelligchaam te bepalen. Thans kent men den afstand van een aantal dier zoogenaamde vaste sterren, zoo ver van ons verwijderd, dat men genoodzaakt is in de snelheid des lichts eenen nieuwen maatstaf te zoeken om eenigermate aan de verbeelding te hulp te komen.
In de eigenlijke Natuurkunde treden ons niet minder gewigtige ontdekkingen te gemoet. Ik behoef slechts de woorden "photographie" en "elektro-telegraphie" uit te spreken om u dadelijk twee der schoonste uitvindingen van den lateren tijd voor het geheugen te roepen, uitvindingen die, inzonderheid de laatste, tevens het bewijs leveren, hoe een zorgvuldig, proefondervindelijk onderzoek der natuurverschijnselen, aanvankelijk slechts vermeerdering van kennis ten doel hebbende, ten slotte leiden kan tot de belangrijkste praktische toepassingen, terwijl tevens een geheel nieuw onderdeel der Natuurkunde, de leer van het elektro-magnetisme namelijk, daaraan zijn ontstaan te danken had.
Doch grepen deze uitvindingen krachtig en weldadig in het maatschappelijk leven in, de geest, die naar eenheid streeft, vindt geene geringere voldoening in de uitkomsten van andere onderzoekingen, die hem in de geheele natuur een groot, innig zamenhangend geheel doet kennen, waarin elk verschijnsel het gevolg is van een of meer voorafgaande verschijnselen, en alle verschijnselen gezamenlijk slechts eene enkele oorzaak hebben, die, honderdvoudig gewijzigd, zich dan eens als warmte, dan eens als licht, dan weder als geluid, als elektriciteit, als magnetisme of diamagnetisme, als aantrekking of afstooting, als werktuigelijke of als scheikundige kracht, of eindelijk als leven openbaart, met één woord: als bewegingen, welke alle naar vaste wetten en in vaste maat uit elkander ontstaan en in elkander kunnen overgaan. Zoo heeft men reeds een diepen blik geslagen in het innige wezen der natuur, en zijn de zekere grondslagen gelegd, waarop latere geslachten veilig kunnen voortbouwen.
Bij het begin van dit tijdperk waren de Sterre- en Natuurkunde<noinclude></noinclude>
ihxn609ays04gc9gzscf7g2g83ku64p
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/30
104
86771
223148
2026-06-10T13:45:37Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223148
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||1813—1863.|3}}</noinclude>reeds achtbare matronen, vergeleken met de Scheikunde, die eerst eenige jaren vroeger de kinderschoenen had weggeworpen. Maar was zij als wetenschap nog jong, zij was vol kracht en leven en beloofde eerlang hare beide oudere zusters te zullen op zijde streven. En zij heeft die belofte gehouden. Moest het getal van nieuw gevonden feiten de schaal doen overslaan, welligt zoude geene andere natuurwetenschap de vergelijking met haar kunnen doorstaan.
Alleen het getal der bekende enkelvoudige stoffen is sedert 1813 met de helft vermeerderd. Het groote meerendeel dier nieuw ontdekte ligehamen zijn metalen, en daaronder zijn eenige, welker bestaan is aangetoond op eene wijze, waarvan men in het begin dezer eeuw zelfs nog geen voorgevoel kon hebben, namelijk door den invloed, dien hunne tegenwoordigheid op den gang der lichtstralen uitoefent. En gewapend met dit magtig herkenningsmiddel trad de Scheikunde, die reeds op aarde zich over het geheele gebied der stof, zoowel levende als doode, had uitgebreid, de hemelruimte in om haar onderzoek op de zon en zelfs op de vaste sterren voort te zetten.
{{dhr}}
De Meteorologie! Het is nog niet zeer lang geleden, dat menig natuurkundige, bij het hooren van dien naam, de schouders ophaalde en in hetgeen men daarmede bestempelde, geene wetenschap, maar slechts eene opeenhooping van vlijtig verzamelde cijfers zag, die ten hoogste als dienstig om daardoor de klimaten nader te bepalen konden worden beschouwd.
Thans is het anders geworden. De Meteorologie heeft eene eervolle plaats onder hare zusters ingenomen. De vraag, waarop men sedert duizende jaren meende, dat geen antwoord immer mogelijk zoude zijn, — de vraag: van waar komt de wind en waar gaat hij heen? — is beantwoord geworden; de weg, dien de stormen afleggen, is aangewezen; zelfs weervoorspelling heeft opgehouden eene belagchelijke poging te zijn, sedert het zonneklaar gebleken is, dat ook de schijnbaar grilligste natuurverschijnselen, de bewegingen in onzen dampkring, aan orde en wet gehoorzamen, en het niet boven het bereik van het verstand des menschen noch van de hem ten dienste staande middelen is, deze nader en nader te leeren kennen.
{{nop}}<noinclude></noinclude>
cb8sj07q53d4p3or4jncoi638zizw6t
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/31
104
86772
223149
2026-06-10T13:48:13Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223149
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|4|1818—1868.|}}</noinclude>wenden wij ons van den dampkring naar de daardoor omhulde aarde. Wat is zij in den loop des tijds klein geworden, sedert alle afstanden verkort zijn door spoorwegen en telegraaflijnen! Maar terwijl de aarde zelve ineenkromp, moest men de kaarten, die haar beeld voorstellen, gestadig vergrooten om er telkens de nieuw gemaakte ontdekkingen in op te nemen. De wereldkaart vertoont u thans de zoo lang te vergeefs gezochte noordwestelijke doorvaart, al verdient zij dien naam niet, daar eeuwig ijs haar voor het handelsverkeer sluit. Aan het tegenovergestelde einde der aarde zijn de kusten van het niet minder barre zuidpoolland met zijnen ijsgordel erkend geworden De binnenlanden van Afrika hebben weinig geheimzinnigs meer, sedert van het noorden en van het zuiden, van het oosten en van het westen moedige reizigers daarin zijn doorgedrongen, ofschoon ten koste van het leven van menigeen hunner. Het eeuwenoude vraagstuk van de bronnen van den Nijl is opgelost. Zelfs het vijfde werelddeel, dat onzen naam nog tot het verste nageslacht zal overbrengen, wanneer ons vaderland zelf welligt eenen anderen draagt, is in zijne geheele breedte doorsneden geworden. En niet alleen het land, maar ook de diepte der zee, die men gewoon was peilloos te noemen, heeft zich aan ons onthuld, en hare bergen en dalen zijn in kaart gebragt.
{{dhr}}
Met de kennis der aarde zelve breidde zich tevens de kennis der haar bewonende levende wezens in gelijke mate uit. Het getal van bekende soorten van dieren en planten heeft zich in den loop der laatste halve eeuw meer dan verdrievoudigd. Het bedraagt thans omstreeks driemaal honderdduizend! En van zeer vele dier tallooze soorten is niet alleen de uitwendige gedaante, maar ook de inwendige bewerktuiging onderzocht, tot in de allerfijnste bijzonderheden toe, waartoe het mikroskoop, welks grootste verbetering mede binnen dit tijdsbestek plaats greep of althans algemeen werd, in staat stelde.
Doch binnen den kring van het heden ten dage bestaande leven beperkt zich onze blik niet. Hij dringt ook door in de ingewanden der aarde en ontwaart daar de overblijfselen van andere vormen uit de dieren- en plantenwereld, die voor duizendtallen van eeuwen ook aan de oppervlakte onzer planeet gewoond en geleefd hebben. Reeds<noinclude></noinclude>
6u3edvrsnaix687n4xhlez7fblfm2l1
223151
223149
2026-06-10T13:51:52Z
WeeJeeVee
2844
header
223151
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|4|1813—1863.|}}</noinclude>wenden wij ons van den dampkring naar de daardoor omhulde aarde. Wat is zij in den loop des tijds klein geworden, sedert alle afstanden verkort zijn door spoorwegen en telegraaflijnen! Maar terwijl de aarde zelve ineenkromp, moest men de kaarten, die haar beeld voorstellen, gestadig vergrooten om er telkens de nieuw gemaakte ontdekkingen in op te nemen. De wereldkaart vertoont u thans de zoo lang te vergeefs gezochte noordwestelijke doorvaart, al verdient zij dien naam niet, daar eeuwig ijs haar voor het handelsverkeer sluit. Aan het tegenovergestelde einde der aarde zijn de kusten van het niet minder barre zuidpoolland met zijnen ijsgordel erkend geworden De binnenlanden van Afrika hebben weinig geheimzinnigs meer, sedert van het noorden en van het zuiden, van het oosten en van het westen moedige reizigers daarin zijn doorgedrongen, ofschoon ten koste van het leven van menigeen hunner. Het eeuwenoude vraagstuk van de bronnen van den Nijl is opgelost. Zelfs het vijfde werelddeel, dat onzen naam nog tot het verste nageslacht zal overbrengen, wanneer ons vaderland zelf welligt eenen anderen draagt, is in zijne geheele breedte doorsneden geworden. En niet alleen het land, maar ook de diepte der zee, die men gewoon was peilloos te noemen, heeft zich aan ons onthuld, en hare bergen en dalen zijn in kaart gebragt.
{{dhr}}
Met de kennis der aarde zelve breidde zich tevens de kennis der haar bewonende levende wezens in gelijke mate uit. Het getal van bekende soorten van dieren en planten heeft zich in den loop der laatste halve eeuw meer dan verdrievoudigd. Het bedraagt thans omstreeks driemaal honderdduizend! En van zeer vele dier tallooze soorten is niet alleen de uitwendige gedaante, maar ook de inwendige bewerktuiging onderzocht, tot in de allerfijnste bijzonderheden toe, waartoe het mikroskoop, welks grootste verbetering mede binnen dit tijdsbestek plaats greep of althans algemeen werd, in staat stelde.
Doch binnen den kring van het heden ten dage bestaande leven beperkt zich onze blik niet. Hij dringt ook door in de ingewanden der aarde en ontwaart daar de overblijfselen van andere vormen uit de dieren- en plantenwereld, die voor duizendtallen van eeuwen ook aan de oppervlakte onzer planeet gewoond en geleefd hebben. Reeds<noinclude></noinclude>
4ulu7cqca4un0h12p370hitjxkln68i
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/32
104
86773
223150
2026-06-10T13:51:28Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223150
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||1813—1863.|5}}</noinclude>noemt de wetenschap daarvan meer dan dertig duizend haar eigendom, en het zeer groote meerendeel is de vrucht der ontdekkingen na 1813. Naar gelang onze kennis der elkander opgevolgde scheppingen toeneemt, verdwijnt ook de vroeger schijnbaar onoverkombare kloof, die deze onderling en van de hedendaagsche scheen te scheiden.
Het plan des Scheppers wordt ons onthuld door de schepping zelve. Zij vertoont zich aan ons als een enkel zamenhangend en doorloopend geheel, en het daarin verwezenlijkt plan als geen ander dan dat eener gestadig voortgaande vervolkomening. Ziedaar de groote en gewigtige uitkomst van het vergelijkend onderzoek der vroeger en later geleefd hebbende wezens, van het eerste verschijnen der oudste dieren en planten, wier overblijfselen voor ons zijn bewaard gebleven, tot aan den mensch toe, die de laatste schakel van de onmetelijk lange keten is, maar die zelf op de baan der ontwikkeling nog steeds voorwaarts streeft.
Excelsior! steeds hooger! Ziedaar de leus der natuur zelve.
Excelsior! steeds hooger! Dat zij en blijve ook de leus van elk beoefenaar der natuurwetenschap, en al mogt hij dan ook slechts een droppel werpen in den oceaan der kennis, dan zal hij medegewerkt hebben tot bereiking van het groote doel des Scheppers zelven en niet te vergeefs hebben geleefd.
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude>
0yka2hl2pwh5r4043am3yo6lii23g0o
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/33
104
86774
223152
2026-06-10T14:06:48Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223152
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr}}
{{c|{{x-larger|{{sp|DE BEKERPLANTEN}};}}
{{smaller|DOOR}}
{{sc|C.A.J.A. OUDEMANS.}}
{{smaller|(''Vervolg van bl. 317 van den vorigen jaargang.'')}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
{{c|{{larger|SARRACENIA.}}}}
{{dhr}}
Het geslacht ''Sarracenia'' of ''Sarracena'' werd gegrondvest door {{sc|tournefort}} (''Institutiones Rei Herb''., 1719), en dat wel ter eere van Dr. {{sc|sarrasin}}, die tegen het einde der 18de eeuw te Quebec praktiseerde en de eerste was, die volledige exemplaren van de naar hem genoemde planten naar Europa overzond. {{sc|Sarrasin}} was corresponderend lid der "Académie des Sciences' en stond in briefwisseling met {{sc|tournefort}}. {{sc|Charlevoix}}, die hem op zijne reis naar Canada leerde kennen, spreekt over hem met den grootsten lof, zoo als blijken kan uit deze ontboezeming: "On est surpris de trouver dans une colonie un homme d'un mérite aussi universel, aussi habile dans la médecine, dans l'anatomie, dans la chirurgie et dans la botanique que Mr. {{sc|sarrasin}}, qui a esprit fort orné et ne se distingue pas moins dan le conseil supérieur, dont il est membre, que dans son habileté en tout ce qui est de sa profession." Volgens {{sc|kalm}}, die in het midden der 18de eeuw eene reis naar Canada deed, overleed {{sc|sarrasin}} aan eene kwaadaardige koorts, opgedaan bij een bezoek der hospitalen te Quebec.
Ofschoon het geslacht Sarracenia eerst tegen het einde der 17de eeuw voor goed door {{sc|tournefort}} gegrondvest werd, zoo kende men toch de bladen van eene zijner soorten reeds eene eeuw vroeger, hetgeen niet te verwonderen is, als men bedenkt, dat die organen, wegens hun zonderlingen vorm, steeds de aandacht trokken en door reizigers naar Europa herhaaldelijk waren medegebracht. In de "Adversaria" van de {{sc|l'obel}} (1576) vindt men die bladen, hoewel dan<noinclude></noinclude>
o7fdaa1j9xmk2cy2lla3n70x5dmr6fl
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/34
104
86775
223153
2026-06-10T14:20:28Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223153
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE BEKERPLANTEN.|7}}</noinclude>ook onder den vreemden naam van ''"Thuris limpidi folium"'', d.i. "Blad van den helderen balsem", afgebeeld. Die naam werd dáárom door den beroemden kruidkundige gekozen, dewijl de bedoelde bladen in zijn tijd gebruikt werden om den balsem van verschillende Noord-Amerikaansche naaldboomen, en vooral dien van ''Abies balsamea'', bij ons als Canada-balsem bekend, te bewaren en te verzenden, Na pe
{{sc|l'obel}} werden de bladen van sommige Sarraceniaas door {{sc|clusius}}
(''Historia plantarum rariorum'', 1601) onder den naam van ''"Limonio congener"'' (d.i. "plant uit het geslacht der Limoniums"), en door {{sc|c. bauhinus}} (1671) onder dien van ''"Limondum peregrinum foliis forma floris Aristolochiae"'' (d.i. "uitheemsche Limoniumplant met bladen gelijkende op de bloemen van Aristolochia") beschreven, en dat wel om de overeenkomst in vorm uit te drukken, welke er tusschen hen en de bloemen der Aristolochiaas bestaat.
Dat nu de namen van {{sc|clusius}} en {{sc|de l' obel}} niet behouden zijn gebleven om onze tegenwoordige Sarraceniaas aan te duiden, kan ons, wegens de verkeerde begrippen, waarvan zij de uitdrukking zijn, niet verwonderen; opmerkelijker echter is het, dat de beter gekozene, en uit niet meer dan één woord bestaande van ''Coilophyllum'', (d.i. "Holbad"), voorgesteld door {{sc|morison}} in zijne "Historia plantarum" (1683), en van ''Bucanephyllum'' (d.i. "Trompetblad"), uitgedacht door
{{sc|plukenet}} in zijne "Phytographia'" (1696), voor den naam van ''Sarracenia'' hebben moeten wijken, daar toch deze laatste, zoo als gezegd, eerst in 1719 werd voorgesteld en het recht van prioriteit dus aan de zijde was van den naam van {{sc|morison}}. De eenige verontschuldiging, die voor de schending van dat recht kan worden aangevoerd, is deze, dat {{sc|tournefort}} de namen van {{sc|Morison}} en {{sc|Plukenet}} niet kende, en dat hij zijn geslacht ''Sarracenia'' veel naauwkeuriger beschreef en afbakende, dan {{sc|morison}} en {{sc|Plukenet}} hunne geslachten ''Coilophyllum'' en ''Bucanephyllum''; de neiging echter om den naam van {{sc|sarrasin}} in eere te houden, zal er wel het meest toe hebben bijgedragen om den door {{sc|Tournefort}} gekozen naam te behouden en niet weder door een vroegeren te doen vervangen.
De Sarraceniaas behooren allen in Noord-Amerika te huis en tieren meer bepaaldelijk in de boschmoerassen van Florida, Georgië en Zuid-Carolina. Zij zijn overblijvend, met fijne wortelvezels in den<noinclude></noinclude>
ihd41lqp3m3865qg3j2i9l4999ww5ei
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/35
104
86776
223155
2026-06-10T18:11:07Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
223155
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh|8|DE BEKERPLANTEN.|}}</noinclude>grond bevestigd, en hebben daar boven volstrekt geen stengel. Hare bladen zijn tot eene zoogenaamde wortelrozet vereenigd (fig. 1), langer
{{image missing}}
Fig. 1. ''Sarracenia purpurea'', {{smaller|{{frac|1|3}}}} van de natuurlijke grootte, ontleend aan {{sc|schnitzlein}}'s ''Iconographia familiarum naturalium''; ''s'' schutblaadjes.<noinclude></noinclude>
eekskvuy2tr9iu8vvrqvoh8fyrj8saf
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/36
104
86777
223156
2026-06-10T18:21:55Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
223156
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE BEKERPLANTEN.|9}}</noinclude>of korter gesteeld en buis- of peperhuisvormig, Evenals bij de Nepenthessen, dragen zij een deksel, hoewel van dit laatste niet gezegd kan worden, dat het ooit de bekers afsluit, daar het toch, reeds in zijne vroegste jeugd, zich als een overlangs toegevouwen aanhangsel voordoet, 't welk òf over den mond der urnen heengebogen, òf in eene regte lijn met den rug der bekers gelegen is. Dat er dus ook van eene beweegbaarheid des deksels bij ''Sarracenia'' geene sprake wezen kan, behoeft geen betoog.
Behalve in den stand, althans den oorspronkelijken, hunner deksels, wijken de bekers der Sarraceniaas nog in eenige andere opzichten van die der Nepenthessen af,‚ en wel vooreerst daarin, dat hunne opening niet in een geribden, maar in een gladden boord gevat is; ten tweede, dat zij geen spoorvormig aanhangsel dragen op de plaats waar hunne rugzijde in den voet des deksels overgaat (fig. 2), en ten derde, dat zij aan hunne voorzijde altijd gevleugeld zijn, al bedraagt het aantal vleugels aan elken beker nooit meer dan één (fig. 3).
{{image missing}}
Fig. 2. Achterzijde van het deksel van ''Sarracenia flava'', ontleend {{sc|van houtte's}} ''Flore des Serres'', (natuurl. grootte).
Een blik op de figuren 2 en 3 overtuigt ons terstond, dat er, ook bij ''Sarracenia'', krachtige nerven door de bekers loopen, en dat deze op hare beurt door zijtakken met elkander verbonden zijn. Niet alleen in den beker zelven, maar ook in den vleugel worden die nerven aangetroffen, iets wat bijzonder duidelijk is bij ''S. variolaris'' (fig. 4), die zich door de breedte van het bedoelde orgaan onderscheidt.
Over het geheel zijn de Sarracenia-bekers groen. Niet weinig echter wordt hunne sierlijkheid verhoogd hetzij door purperen aderen, zoo als die bij ''S. purpurea, rubra'' en ''flava'', of door witte vlekken, zoo als die bij ''S. variolaris'' en ''Drummondii'', of wel door licht rozeroode vlekken, zooals die bij ''S. undulata'' aan 't breedst gedeelte der bekers en aan het deksel voorkomen. {{nop}}<noinclude></noinclude>
b8pemvbnksq6g8munkqngto9tapvvwq
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/37
104
86778
223157
2026-06-10T18:36:39Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
223157
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{image missing}}
Fig. 3 Grootst gedeelte van den beker van ''Sarracenia flava'', ontleend aan {{sc|van houtte's}} ''Flore des Serres''. — ''vl''. Vleugel, — (natuurl, grootte).
Eene afscheiding van water wordt, ook bij ''Sarracenia'', in de bekers opgemerkt, en dat wel dikwerf in zulk eene mate, dat men die bekers in Amerika bier en daar gebruikt om daarmede vliegen en andere insekten te vangen, door hen namelijk zeer laag af te snijden, en dan in een glas met water neêr te zetten in het vertrek, hetwelk men van die dieren zuiveren wil. Hierbij dient echter in het oog gehouden te worden, dat de ''Sarracenia''-bekers aan hunne inwendige oppervlakte en wel in de nabijheid van hun mond een zoet vocht afscheiden, en verder, dat voor die dieren, welke zich op de kleverige oppervlakte gewaagd hebben, wel het binnendringen gemakkelijk valt, maar het volgen van den omgekeerden weg onoverkomelijke bezwaren oplevert. Bij ons te lande is de afscheiding van water in de ''Sarracenia''-bekers bij lange na zoo aanzienlijk niet; zij ontbreekt echter nooit geheel en doet zich altijd kennen als eene uiting van het leven. {{nop}}<noinclude></noinclude>
3h3e3bjx98qe8dpt1lhjxrlzin54hij
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/38
104
86779
223158
2026-06-10T18:42:40Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
223158
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE BEKERPLANTEN.|11}}</noinclude>
Juist zoo als bij de Nepenthessen, vindt men ook bij de ''Sarraceniaas'' de inwendige oppervlakte der bekers in twee streken, eene doffe en eene glanzige, verdeeld, waarvan gene — de honig-afscheidende — de hoogste, deze de laagste plaats inneemt. Onderzoekt men deze streken mikroskopisch, dan blijkt, dat zij nergens werk
{{image missing}}
Fig. 4. Grootst gedeelte van een beker van ''Sarracenia variolaris'', ontleend aan {{sc|curtis}} ''Botanical Magazine''; (natuurl. grootte).
tuigen vertoonen, die met de vroeger beschreven kliertjes der Nepenthessen vergeleken kunnen worden, maar dat zij in tegenoverstelling daarvan haren dragen, die echter, voor beide streken, zoowel in aantal, vorm en grootte, als in groepering verschillen. Bij ''S. flava'' toch, die ik op dit punt naauwkeurig onderzocht, vond ik ''alle'' opperhuidscellen der doffe—hier slechts ongeveer een centim. breede — streek in haren veranderd, en dat wel in liggende haren, wier voet aanzienliijk gezwollen was en min of meer plotseling in den priemvormigen, naar beneden gekeerden top overging. Nog meer dan door hun bijzonder uiterlijk, trekken die haren de aandacht door hunne sierlijke teekening, daar zij toch, door de aanwezigheid van allerfijnste, dicht tegen elkander aan gedrongen en van onder naar boven recht doorloopende strepen, zich voordoen als overlangs geplooid. Aan de glanzige streek komen die als geplooide haren niet voor, maar ik trof aldaar, op groote afstanden van elkander, geheel andere aan, en wel dezulken, die, met hun dikwandigen, hoekigen voet tusschen de opperhuidscellen ingesloten, geheel het voorkomen hebben van naalden,<noinclude></noinclude>
2kw3o1tae9zlar5lhse0jgedzjw0l89
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/39
104
86780
223159
2026-06-10T18:46:31Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223159
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|12|DE BEKERPLANTEN.|}}</noinclude>die, ook wel met hare toppen naar onder gekeerd, maar niet zoo sterk tegen de opperhuid aan gelegen zijn. Naar beneden, d.i. in de richting van den bodem des bekers, zag ik die naaldvormige haren langzaam in aantal afnemen en eindelijk geheel ontbreken. — Ook aan de binnenzijde des deksels trof ik haren aan, die, vreemd genoeg, in hunne onregelmatige verspreiding en hunne grootte met die der glanzige streek overkomen, doch in vorm en teekening van die der doffe niet te onderscheiden zijn. Ook deze haren zijn met hun top naar onder gekeerd.
Of nu deze haren aan de afscheiding van het water en den honig, die beiden door de Sarracenia-bekers worden voortgebracht, deel hebben of niet, valt zeer moeijelijk uit te maken. Dat zij den honig afzonderen, is waarschijnlijk, omdat er, nevens hen, geene andere werktuigen aan de zamenstelling van de opperhuid der doffe streek deelnemen; of zij echter ook de waterachtige vloeistof leveren, die, althans in Amerika, de bekers tot op eene aanzienlijke hoogte vult, is eene tweede vraag, die voor geene dadelijke beantwoording vatbaar is. De dikte van den wand der naaldvormige haren in aanmerking genomen, komt het mij niet onwaarschijnlijk voor, dat de opperhuidscellen der glanzige streek bij Sarracenia het water der bekers afzonderen.
Wat de afscheiding van eene zoete vloeistof in de nabijheid van den mond der Sarracenia-bekers betreft, deze heb ik wel is waar zelf niet waargenomen, maar, daar Amerikaansche proefnemers, zooals {{sc|macbride}}, daarvan niet alleen gewagen, maar haar zelfs vrij aanzienlijk noemen, zoo bestaat er geene reden om daaraan te twijfelen. Daarenboven pleit voor zulk eene afscheiding de omstandigheid, dat de bedoelde urnen — althans in haar vaderland — zoo sterk door insekten bezocht worden. Dat deze hun snoeplust meest met den dood bekoopen en in het bekerwater verdrinken, kan ons thans, nu wij iets meer van den bouw dier werktuigen weten, niet verwonderen; want het zal iedereen toch wel in de oogen springen, dat de richting der haren, zoo als wij die hier boven hebben aangegeven, een ontwijken in de richting van den bekermond hoogst moeijelijk of zelfs onmogelijk maakt.
Omtrent de morphologische waarde van de urnen der Sarraceniaas kan nog weinig met zekerheid gezegd worden, omdat men die werktuigen nog niet stap voor stap in hunne ontwikkeling heeft nagegaan.<noinclude></noinclude>
0gp8eknk5dsyv4txdkepswllzynti7z
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/40
104
86781
223160
2026-06-10T18:50:24Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
223160
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE BEKERPLANTEN.|13}}</noinclude>Wel is het waar, dat zij, even als die kruikjes der Nepenthessen, welke onmiddellijk op de zaadlobben volgen, reeds in hunne prilste jeugd den bekervorm vertoonen, en dat aan dezen laatsten geen andere vorm voorafgaat, maar met deze kennis is nog niet veel gewonnen. Al neemt men toch met {{sc|hooker}} aan, dat de allereerste bekers der Nepenthessen, waarop wij zoo even zinspeelden, hol geworden middennerven vertegenwoordigen, dan ligt het toch voor de hand, dat men, uit analogie, niet tot hetzelfde bij de Sarraceniaas besluiten kan, en dat wel om de eenvoudige reden, dat de bedoelde Nepenthesbekers aan hunne bovenzijde rechts en links een bladachtigen horizontalen vleugel dragen, terwijl bij die der Sarraceniaas slechts één vertikale vleugel op het midden der urnen wordt aangetroffen. De richting van dien vleugel, de loop zijner nerven, in één woord zijne gelijkenis
{{image missing}}
Fig 5. Bloem van ''Sarracenia variolaris'', van voren gezien, ontleend aan {{sc|curiis}}
''Botanical Magazine''; ''k'' kelkbladen, ''b'' bloembladen, ''s'' stempelscherm (natuurl. grootte)<noinclude></noinclude>
ouray3p8e52svgoy9xqp3mebrseaau0
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/41
104
86782
223161
2026-06-10T19:02:03Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
223161
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh|14|DE BEKERPLANTEN.|}}</noinclude>met de phyllodiën (dat zijn stengelorganen, die het uiterlijk van bladen hebben,) zou aan het vermoeden, dat de bekers der Sarraceniaas holle bladstelen vertegenwoordigen, wel eenige waarschijnlijkheid kunnen bijzetten.
De bloemen der Sarraceniaas zijn elk afzonderlijk (zie fig. 1, bl. 8) op een langen steel gezeten en worden, aan den top diens steels, door drie schutbladen ondersteund. Zij bestaan (zie fig. 5, vor. bl.) uit 5 gekleurde blijvende kelkbladen (''k''), 5 kroonbladen (''b''), wier gekromde toppen min of meer tot elkander neigen, en die aan hun voet uitgehold zijn (zie fig. 6), talrijke onder den stamper gezeten meeldraden, en één stamper. De laatste, afzonderlijk voorgesteld in fig. 7, heeft een wonderlijk
{{image missing}}
Fig. 6. Bloemblad van ''Sarracenia flava'', van binnen gezien, natuurl. grootte (ontleend aan {{sc|schnitzlein}}'s ''Tconographia'').
uiterlijk, en dat wel ten gevolge van den schild- of regenschermachtigen vorm zijns stempels (''s''), die buitendien bladachtig van aard en nu eens groen, dan weder geel of rood gekleurd is, en daardoor, iets wat bij andere planten slechts zelden het geval is, tot de fraaiheid der bloemen aanmerkelijk bijdraagt. De steel (''a''), die zich als de drager van den eigenlijk gezegden stempel voordoet, vertegenwoordigt den stijl, en
{{image missing}}
Fig. 7. Stamper van ''Sarracenia flava'', natuurl. grootte (ontleend als voren); ''a'' stijl; ''d'' eijerstok; ''s'' stempelscherm.
is zelf weder ingeplant op een eirond ligchaampje (''b''), waarin men terstond den eijerstok herkent, en dat zich op eene dwarse doorsnede voordoet als in fig. 8 (volg. bl), dat wil zeggen, in 5 hokjes verdeeld is, die elk afzonderlijk talrijke eitjes herbergen. Eene bijzonderheid, die nog op den stempel (zie fig. 5 en 7 ''s'') betrekking heeft, en die wij niet mogen verzwijgen, bestaat hierin, dat de plaatsen, die, wegens het afscheiden eener kleverige vloeistof, alleen geschikt zijn om het stuifmeel op te vangen en vast te houden, niet aan zijne boven-, maar aan<noinclude></noinclude>
dtjbpyuzbxbfsmkjup2x0prqf7bjuck
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/42
104
86783
223162
2026-06-11T06:11:55Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
223162
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE BEKERPLANTEN.|15}}</noinclude>zijne ondervlakte voorkomen, en 5 bogen beschrijven, die juist gelegen zijn op de grenzen tusschen de 5 bolvormig uitstaande onderdeelen, die het schermvormige ligchaam zamenstellen. De vruchten der Sarraceniaas zijn (zie fig. 9) 5-hokkige, 5-kleppige 5-kleppige zaaddozen die hokverbrekend openspringen en talrijke kiemwithoudende zaden bevatten.
{{image missing}}{{image missing}}
Fig. 8. Dwarse doorsnede van den snede van den eijerstok van ''S. flava'', vergroot (ontleend als voren). Fig. 9. Vrucht eener ''Sarracenia'', natuurl. grootte (ontleend als voren).
Het behoort niet tot de zeldzaamheden, dat de Sarraceniaas in onze kassen bloeijen. Soms doen zij dit zelfs op eene voortreffelijke wijze. Nogtans zijn zij, om zoo te zeggen, in dit opzicht niet van wispelturigheid vrij te pleiten, hetgeen met andere woorden zeggen wil, dat men hare bloemen nu eens, zonder dat men er op durfde rekenen, voor den dag ziet komen, en dan weder, niettegenstaande de beste zorgen, niet vermag te voorschijn te roepen.
De plaats, die de Sarraceniaas in het natuurlijk stelsel behooren in te nemen, is door verschillende Schrijvers niet altijd op dezelfde wijze bepaald. Mij komt de meening van {{sc|planchon}}, dat men haar, zij het dan ook tot eene afzonderlijke groep, aan de ''Pyrolaceae'' behoort aan te sluiten, als de aannemelijkste voor.
Het aantal bekende soorten van ''Sarracenia'' bedraagt op dit oogenblik 7, te weten, ''S. flava, purpurea, Drummondii, rubra, variolaris, undulata'' en ''psittacina''. Hiervan worden de eerste vier veelvuldiger dan de anderen bij kweekers en in kruidtuinen aangetroffen. Wij wenschen echter, voor wij dit hoofdstuk eindigen, bij elk dier soorten nog een oogenblik stil te staan.
''Sarracenia flava'', eene bewoonster van Virginië, Carolina en Georgië, maar vooral van de vochtige dennebosschen van Florida, is eene der oudst bekende soorten van het geslacht. {{sc|De l'obel}} toch gaf, reeds in 1576, in zijne "Adversaria" eene afbeelding van eene urn dier soort en teekende daarbij aan, dat hij het bezit van dat vreemdsoortige blad (zie fig. 3, bl. 10) te danken had aan zekeren geneesheer {{sc|lacnat}} van La Rochelle, aan wien dit door een zeeman, die<noinclude></noinclude>
eeegr1zeihiw9999y3uage654gx11nz
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/43
104
86784
223163
2026-06-11T06:18:21Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223163
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|16|DE BEKERPLANTEN.|}}</noinclude>het, met Canada-balsem gevuld, uit Canada had medegebracht, was ter hand gesteld. Ofschoon {{sc|de l'obel}} er voor zich zelven aan twijfelde, of de urn wel afkomstig was van hetzelfde gewas, dat den daarin besloten balsem geleverd had, gaf hij haar toch, gelijk wij reeds zeiden, den oneigenlijken naam van ''"Thuris limpidi folium"'' (blad van den helderen balsem), een titel, die in 1650 door {{sc|joh. bauhinus}}
werd overgenomen.—De bloemen van ''S. flava'' werden het eerst beschreven door {{sc|morison}} (''Hist. Plantarum'', 1683), en dat wel naar aanleiding van inlichtingen en teekeningen, hem door een Engelsch kruidkundige, {{sc|john banister}}, uit Virginië verstrekt.
''S. flava'' is van de 6 andere soorten van het geslacht, waarvan alleen nog slechts ''S. variolaris'' gele bloemen draagt, zeer duidelijk onderscheiden. Zij heeft lange smalle bladen, wier urn van boven naar onder langzamerhand naauwer wordt en ongeveer halverhoogte het blad zeer spits eindigt, en wier eentoonig groen slechts aan de binnenvlakte van den mond der urnen en zoo ook aan de binnenzijde van het deksel door purperen nerven wordt afgebroken. De vleugel aan de voorzijde der urnen is, in vergelijking met dien van andere soorten, smal te noemen en neemt van den mond des bekers tot halverhoogte het blad in breedte langzamerhand toe, maar van daar dan ook weer even regelmatig af. Het deksel, eenigzins driehoekig van vorm, heeft een opgerichten stand en een naar achter omgeslagen boord. Onder het droogen nemen de bladen van ''S. flava'', die, in 't voorbijgaan gezegd, dikwerf 7 decim. lang worden, eene blaauwachtige tint aan; en tevens wordt hunne inwendige oppervlakte daarbij glanzig als zijde.
De eigenaardige wijze, waarop de bloembladen van ''S. flava'' (fig. 10 b, volg. bl.) over de inhammen van het stempelscherm (''a'') naar beneden hangen, zoo als {{sc|curtis}} zegt: "somewhat in the manner as a woman's leg hangs over the pummel of the side-saddle", gaf aanleiding tot den vreemden naam van "side-saddle-flower" (d.i. dameszadelbloem), waarmeê men gewoon is de Sarraceniaas in Engeland aan te duiden.
De kultuur der ''S. flava'' dagteekent van het jaar 1752, als wanneer levende exemplaren in 't bezit waren van {{sc|philip miller}}, den bekenden hortulanus van den apothekerstuin te Chelsea bij Londen.
''Sarracenia variolaris'', waarvan in fig. 4 (bl. 11) een blad is afgebeeld, gelijkt wel eenigzins op ''S. flava'', maar is daar toeh van onderscheiden<noinclude></noinclude>
ac8fpsa6hpfqadwm5jsuqz2yt0wsd88