Wikisource
nlwikisource
https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina
MediaWiki 1.47.0-wmf.7
first-letter
Media
Speciaal
Overleg
Gebruiker
Overleg gebruiker
Wikisource
Overleg Wikisource
Bestand
Overleg bestand
MediaWiki
Overleg MediaWiki
Sjabloon
Overleg sjabloon
Help
Overleg help
Categorie
Overleg categorie
Hoofdportaal
Overleg hoofdportaal
Auteur
Overleg auteur
Pagina
Overleg pagina
Index
Overleg index
TimedText
TimedText talk
Module
Overleg module
Event
Event talk
Wikisource:GUS2Wiki
4
40181
223445
223222
2026-06-20T18:23:26Z
Alexis Jazz
11203
Updating gadget usage statistics from [[Special:GadgetUsage]] ([[phab:T121049]])
223445
wikitext
text/x-wiki
{{#ifexist:Project:GUS2Wiki/top|{{/top}}|This page provides a historical record of [[Special:GadgetUsage]] through its page history. To get the data in CSV format, see wikitext. To customize this message or add categories, create [[/top]].}}
Deze gegevens komen uit een cache die voor het laatst is bijgewerkt op 2026-06-19 om 18:06:01Z. Er {{PLURAL:5000|is maximaal één resultaat|zijn maximaal 5000 resultaten}} beschikbaar in de cache.
{| class="sortable wikitable"
! Gadget !! data-sort-type="number" | Aantal gebruikers !! data-sort-type="number" | Actieve gebruikers
|-
|HideFundraiser || 9 || 0
|-
|HotCat || 24 || 5
|-
|LocalLiveClock || 4 || 1
|-
|PageCleanUp || 7 || 3
|-
|RTRC || 5 || 2
|-
|UTCLiveClock || 2 || 0
|}
* [[Speciaal:Gadgetgebruik]]
* [[m:Meta:GUS2Wiki/Script|GUS2Wiki]]
<!-- data in CSV format:
HideFundraiser,9,0
HotCat,24,5
LocalLiveClock,4,1
PageCleanUp,7,3
RTRC,5,2
UTCLiveClock,2,0
-->
7lqghb18cwex9qbig65z3nqdj28qzzi
Pagina:Album der Natuur 1861.djvu/75
104
41886
223422
131375
2026-06-20T14:58:28Z
DoekeHellema
16849
/* Gevalideerd */
223422
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" /></noinclude>{{dhr}}{{c|{{larger|OVER DE VERDEDIGINGS- EN AANVALSWERKTUIGEN DER MENSCHEN, GETROKKEN VUURWAPENS EN ANDER MOORDTUIG;}}
{{smaller|DOOR}}
[[Auteur:Félix Albert Théodore Delprat|{{sc|F. A. T. DELPRAT}}]],
{{smaller|''Kapitein der Artillerie.''}}}}
Wanneer wij een blik werpen op de verschillende tafereelen, die ons op zoo boeijende wijze in de achtereenvolgende jaargangen van dit Album uit het dierenleven werden geschilderd, komen wij onwillekeurig tot het besluit: dat honger, dorst, verdediging van eigen leven, van eigen nest en kroost de schering en inslag uitmaken van de handelingen in de dierenwereld, van de dierenpolitiek. Voor sommige diersoorten kunnen wij daar nog bijvoegen den trek naar vrijheid, naar gezelligheid, veredeld door trouw en dankbaarheid; terwijl er bij zulke dieren, die in familiën bijeen wonen, ook sporen zijn op te merken van iets, dat zweemt naar de zucht om te heersen, magt en invloed te verkrijgen.
Als de keerzijde dezer eigenschappen teekenen wij echter op: de wreedheid, niet altijd het gevolg van honger en dorst, maar eene wreedheid in den afzigtelijksten vorm, eene wreedheid ''con amore'', eene nuttelooze baldadige wreedheid, en dit niet alleen bij verscheurende dieren ''ex professo'', tijgers, hijena's, haaijen, arenden en andere roofdieren; neen! zelfs de hond, het dier, dat op zulke benijde schooten zetelt, dat stof geeft tot zulke zoetsappige uitboezemingen, vergelijkingen en liefkozingen — mijne lezeressen vergeven het mij, — die hond is somtijds wreed om wreed te zijn; hij maakt b.v. jagt op kippen en kanarievogeltjes, doodt ze onmeêdoogend en — laat ze verder liggen, zonder er de tanden een oogenblik aan te vergasten.
Doch hoe nu de mensch? Aan honger en dorst is hij niet minder cijnsbaar; kroost en haardstede verdedigt hij, en in den regel, wij willen het aannemen, hij verdedigt die als de moedigste viervoeter; in vrijheidszin, gezelligheid, trouw en erkentelijkheid overtreft hij hem, maar de zucht naar magt en invloed, aanzien, bezittingen, eer; — ziet! daarin is hij alle dieren ver vooruit. Bestaan dààr<noinclude></noinclude>
nph6s606ugfhgclddyng2cq1omb37az
223423
223422
2026-06-20T14:59:29Z
DoekeHellema
16849
223423
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" /></noinclude>{{dhr}}{{c|{{larger|OVER DE VERDEDIGINGS- EN AANVALSWERKTUIGEN DER MENSCHEN, GETROKKEN VUURWAPENS EN ANDER MOORDTUIG;}}
{{smaller|DOOR}}
[[Auteur:Félix Albert Théodore Delprat|{{sc|F. A. T. DELPRAT}}]],
{{smaller|''Kapitein der Artillerie.''}}}}
{{dhr|2}}
{{rule|5em}}
{{dhr}}
Wanneer wij een blik werpen op de verschillende tafereelen, die ons op zoo boeijende wijze in de achtereenvolgende jaargangen van dit Album uit het dierenleven werden geschilderd, komen wij onwillekeurig tot het besluit: dat honger, dorst, verdediging van eigen leven, van eigen nest en kroost de schering en inslag uitmaken van de handelingen in de dierenwereld, van de dierenpolitiek. Voor sommige diersoorten kunnen wij daar nog bijvoegen den trek naar vrijheid, naar gezelligheid, veredeld door trouw en dankbaarheid; terwijl er bij zulke dieren, die in familiën bijeen wonen, ook sporen zijn op te merken van iets, dat zweemt naar de zucht om te heersen, magt en invloed te verkrijgen.
Als de keerzijde dezer eigenschappen teekenen wij echter op: de wreedheid, niet altijd het gevolg van honger en dorst, maar eene wreedheid in den afzigtelijksten vorm, eene wreedheid ''con amore'', eene nuttelooze baldadige wreedheid, en dit niet alleen bij verscheurende dieren ''ex professo'', tijgers, hijena's, haaijen, arenden en andere roofdieren; neen! zelfs de hond, het dier, dat op zulke benijde schooten zetelt, dat stof geeft tot zulke zoetsappige uitboezemingen, vergelijkingen en liefkozingen — mijne lezeressen vergeven het mij, — die hond is somtijds wreed om wreed te zijn; hij maakt b.v. jagt op kippen en kanarievogeltjes, doodt ze onmeêdoogend en — laat ze verder liggen, zonder er de tanden een oogenblik aan te vergasten.
Doch hoe nu de mensch? Aan honger en dorst is hij niet minder cijnsbaar; kroost en haardstede verdedigt hij, en in den regel, wij willen het aannemen, hij verdedigt die als de moedigste viervoeter; in vrijheidszin, gezelligheid, trouw en erkentelijkheid overtreft hij hem, maar de zucht naar magt en invloed, aanzien, bezittingen, eer; — ziet! daarin is hij alle dieren ver vooruit. Bestaan dààr<noinclude></noinclude>
qgvc83xqljmxc3232uu1khdlfqz11oq
223424
223423
2026-06-20T14:59:49Z
DoekeHellema
16849
223424
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" /></noinclude>{{dhr}}{{c|{{larger|OVER DE VERDEDIGINGS- EN AANVALSWERKTUIGEN DER MENSCHEN, GETROKKEN VUURWAPENS EN ANDER MOORDTUIG;}}
{{smaller|DOOR}}
[[Auteur:Félix Albert Théodore Delprat|{{sc|F. A. T. DELPRAT}}]],
{{smaller|''Kapitein der Artillerie.''}}}}
{{dhr}}
{{rule|5em}}
{{dhr}}
Wanneer wij een blik werpen op de verschillende tafereelen, die ons op zoo boeijende wijze in de achtereenvolgende jaargangen van dit Album uit het dierenleven werden geschilderd, komen wij onwillekeurig tot het besluit: dat honger, dorst, verdediging van eigen leven, van eigen nest en kroost de schering en inslag uitmaken van de handelingen in de dierenwereld, van de dierenpolitiek. Voor sommige diersoorten kunnen wij daar nog bijvoegen den trek naar vrijheid, naar gezelligheid, veredeld door trouw en dankbaarheid; terwijl er bij zulke dieren, die in familiën bijeen wonen, ook sporen zijn op te merken van iets, dat zweemt naar de zucht om te heersen, magt en invloed te verkrijgen.
Als de keerzijde dezer eigenschappen teekenen wij echter op: de wreedheid, niet altijd het gevolg van honger en dorst, maar eene wreedheid in den afzigtelijksten vorm, eene wreedheid ''con amore'', eene nuttelooze baldadige wreedheid, en dit niet alleen bij verscheurende dieren ''ex professo'', tijgers, hijena's, haaijen, arenden en andere roofdieren; neen! zelfs de hond, het dier, dat op zulke benijde schooten zetelt, dat stof geeft tot zulke zoetsappige uitboezemingen, vergelijkingen en liefkozingen — mijne lezeressen vergeven het mij, — die hond is somtijds wreed om wreed te zijn; hij maakt b.v. jagt op kippen en kanarievogeltjes, doodt ze onmeêdoogend en — laat ze verder liggen, zonder er de tanden een oogenblik aan te vergasten.
Doch hoe nu de mensch? Aan honger en dorst is hij niet minder cijnsbaar; kroost en haardstede verdedigt hij, en in den regel, wij willen het aannemen, hij verdedigt die als de moedigste viervoeter; in vrijheidszin, gezelligheid, trouw en erkentelijkheid overtreft hij hem, maar de zucht naar magt en invloed, aanzien, bezittingen, eer; — ziet! daarin is hij alle dieren ver vooruit. Bestaan dààr<noinclude></noinclude>
t6diz2zgk6nu481k3w6cq796jfrpbpu
223425
223424
2026-06-20T15:00:10Z
DoekeHellema
16849
223425
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" /></noinclude>{{dhr}}{{c|{{larger|OVER DE VERDEDIGINGS- EN AANVALSWERKTUIGEN DER MENSCHEN, GETROKKEN VUURWAPENS EN ANDER MOORDTUIG;}}
{{smaller|DOOR}}
[[Auteur:Félix Albert Théodore Delprat|{{sc|F. A. T. DELPRAT}}]],
{{smaller|''Kapitein der Artillerie.''}}}}
{{rule|5em}}
{{dhr}}
Wanneer wij een blik werpen op de verschillende tafereelen, die ons op zoo boeijende wijze in de achtereenvolgende jaargangen van dit Album uit het dierenleven werden geschilderd, komen wij onwillekeurig tot het besluit: dat honger, dorst, verdediging van eigen leven, van eigen nest en kroost de schering en inslag uitmaken van de handelingen in de dierenwereld, van de dierenpolitiek. Voor sommige diersoorten kunnen wij daar nog bijvoegen den trek naar vrijheid, naar gezelligheid, veredeld door trouw en dankbaarheid; terwijl er bij zulke dieren, die in familiën bijeen wonen, ook sporen zijn op te merken van iets, dat zweemt naar de zucht om te heersen, magt en invloed te verkrijgen.
Als de keerzijde dezer eigenschappen teekenen wij echter op: de wreedheid, niet altijd het gevolg van honger en dorst, maar eene wreedheid in den afzigtelijksten vorm, eene wreedheid ''con amore'', eene nuttelooze baldadige wreedheid, en dit niet alleen bij verscheurende dieren ''ex professo'', tijgers, hijena's, haaijen, arenden en andere roofdieren; neen! zelfs de hond, het dier, dat op zulke benijde schooten zetelt, dat stof geeft tot zulke zoetsappige uitboezemingen, vergelijkingen en liefkozingen — mijne lezeressen vergeven het mij, — die hond is somtijds wreed om wreed te zijn; hij maakt b.v. jagt op kippen en kanarievogeltjes, doodt ze onmeêdoogend en — laat ze verder liggen, zonder er de tanden een oogenblik aan te vergasten.
Doch hoe nu de mensch? Aan honger en dorst is hij niet minder cijnsbaar; kroost en haardstede verdedigt hij, en in den regel, wij willen het aannemen, hij verdedigt die als de moedigste viervoeter; in vrijheidszin, gezelligheid, trouw en erkentelijkheid overtreft hij hem, maar de zucht naar magt en invloed, aanzien, bezittingen, eer; — ziet! daarin is hij alle dieren ver vooruit. Bestaan dààr<noinclude></noinclude>
dowu7wfzqmmnuahd43ip2zdriphj22b
223426
223425
2026-06-20T15:00:37Z
DoekeHellema
16849
223426
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" /></noinclude>{{dhr}}{{c|{{larger|OVER DE VERDEDIGINGS- EN AANVALSWERKTUIGEN DER MENSCHEN, GETROKKEN VUURWAPENS EN ANDER MOORDTUIG;}}
{{smaller|DOOR}}
[[Auteur:Félix Albert Théodore Delprat|{{sc|F. A. T. DELPRAT}}]],
{{smaller|''Kapitein der Artillerie.''}}}}
{{rule|5em}}
Wanneer wij een blik werpen op de verschillende tafereelen, die ons op zoo boeijende wijze in de achtereenvolgende jaargangen van dit Album uit het dierenleven werden geschilderd, komen wij onwillekeurig tot het besluit: dat honger, dorst, verdediging van eigen leven, van eigen nest en kroost de schering en inslag uitmaken van de handelingen in de dierenwereld, van de dierenpolitiek. Voor sommige diersoorten kunnen wij daar nog bijvoegen den trek naar vrijheid, naar gezelligheid, veredeld door trouw en dankbaarheid; terwijl er bij zulke dieren, die in familiën bijeen wonen, ook sporen zijn op te merken van iets, dat zweemt naar de zucht om te heersen, magt en invloed te verkrijgen.
Als de keerzijde dezer eigenschappen teekenen wij echter op: de wreedheid, niet altijd het gevolg van honger en dorst, maar eene wreedheid in den afzigtelijksten vorm, eene wreedheid ''con amore'', eene nuttelooze baldadige wreedheid, en dit niet alleen bij verscheurende dieren ''ex professo'', tijgers, hijena's, haaijen, arenden en andere roofdieren; neen! zelfs de hond, het dier, dat op zulke benijde schooten zetelt, dat stof geeft tot zulke zoetsappige uitboezemingen, vergelijkingen en liefkozingen — mijne lezeressen vergeven het mij, — die hond is somtijds wreed om wreed te zijn; hij maakt b.v. jagt op kippen en kanarievogeltjes, doodt ze onmeêdoogend en — laat ze verder liggen, zonder er de tanden een oogenblik aan te vergasten.
Doch hoe nu de mensch? Aan honger en dorst is hij niet minder cijnsbaar; kroost en haardstede verdedigt hij, en in den regel, wij willen het aannemen, hij verdedigt die als de moedigste viervoeter; in vrijheidszin, gezelligheid, trouw en erkentelijkheid overtreft hij hem, maar de zucht naar magt en invloed, aanzien, bezittingen, eer; — ziet! daarin is hij alle dieren ver vooruit. Bestaan dààr<noinclude></noinclude>
8dot6g0gp8e1qdnadtkaygxo8rclwd8
223427
223426
2026-06-20T15:00:51Z
DoekeHellema
16849
223427
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="4" user="DoekeHellema" /></noinclude>{{dhr}}{{c|{{larger|OVER DE VERDEDIGINGS- EN AANVALSWERKTUIGEN DER MENSCHEN, GETROKKEN VUURWAPENS EN ANDER MOORDTUIG;}}
{{smaller|DOOR}}
[[Auteur:Félix Albert Théodore Delprat|{{sc|F. A. T. DELPRAT}}]],
{{smaller|''Kapitein der Artillerie.''}}}}
{{rule|5em}}
{{dhr}}
Wanneer wij een blik werpen op de verschillende tafereelen, die ons op zoo boeijende wijze in de achtereenvolgende jaargangen van dit Album uit het dierenleven werden geschilderd, komen wij onwillekeurig tot het besluit: dat honger, dorst, verdediging van eigen leven, van eigen nest en kroost de schering en inslag uitmaken van de handelingen in de dierenwereld, van de dierenpolitiek. Voor sommige diersoorten kunnen wij daar nog bijvoegen den trek naar vrijheid, naar gezelligheid, veredeld door trouw en dankbaarheid; terwijl er bij zulke dieren, die in familiën bijeen wonen, ook sporen zijn op te merken van iets, dat zweemt naar de zucht om te heersen, magt en invloed te verkrijgen.
Als de keerzijde dezer eigenschappen teekenen wij echter op: de wreedheid, niet altijd het gevolg van honger en dorst, maar eene wreedheid in den afzigtelijksten vorm, eene wreedheid ''con amore'', eene nuttelooze baldadige wreedheid, en dit niet alleen bij verscheurende dieren ''ex professo'', tijgers, hijena's, haaijen, arenden en andere roofdieren; neen! zelfs de hond, het dier, dat op zulke benijde schooten zetelt, dat stof geeft tot zulke zoetsappige uitboezemingen, vergelijkingen en liefkozingen — mijne lezeressen vergeven het mij, — die hond is somtijds wreed om wreed te zijn; hij maakt b.v. jagt op kippen en kanarievogeltjes, doodt ze onmeêdoogend en — laat ze verder liggen, zonder er de tanden een oogenblik aan te vergasten.
Doch hoe nu de mensch? Aan honger en dorst is hij niet minder cijnsbaar; kroost en haardstede verdedigt hij, en in den regel, wij willen het aannemen, hij verdedigt die als de moedigste viervoeter; in vrijheidszin, gezelligheid, trouw en erkentelijkheid overtreft hij hem, maar de zucht naar magt en invloed, aanzien, bezittingen, eer; — ziet! daarin is hij alle dieren ver vooruit. Bestaan dààr<noinclude></noinclude>
dowu7wfzqmmnuahd43ip2zdriphj22b
Index:Album der Natuur 1864.djvu
106
86720
223443
223408
2026-06-20T17:56:52Z
WeeJeeVee
2844
pagelist
223443
proofread-index
text/x-wiki
{{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template
|Type=tijdschrift
|Taal=nl
|wikidata=
|Titel=[[Album der Natuur]], [[Album der Natuur/1864|13e jaargang, 1864]] en het [[Album der Natuur/1864/Wetenschappelijk Bijblad|Wetenschappelijk Bijblad van 1864]]
|Ondertitel=
|Deel=
|Auteur=
|Vertaler=
|Redacteur=
|Illustrator=
|Stroming=
|Jaar=
|Uitgever=
|Plaats=
|Druk=
|OorspronkelijkeUitgave=
|Key=
|doe_wikidata=
|ISBN=
|OCLC=
|LCCN=
|BNF_ARK=
|DBNL=
|Bron=djvu
|Afbeelding=
|Voortgang=C
|Delen=[[Index:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu|1852/3]], [[Index:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu|1854/5]], [[Index:Album der Natuur 1856 en 1857.djvu|1856/7]], [[Index:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu|1858/9]], [[Index:Album der Natuur 1860.djvu|1860]], [[Index:Album der Natuur 1861.djvu|1861]], [[Index:Album der Natuur 1862.djvu|1862]], [[Index:Album der Natuur 1863.djvu|1863]], [[Index:Album der Natuur 1864.djvu|1864]],
|Pagina's=;{{x-larger|13e jaargang, 1864}}
Voorwerk 1864<br /><pagelist from=10 to=27 10="Fr.t." 11="-" 12="T1864" 13="dr." 14="Inh" 15="-" 16="-" 17to24="Inh" 25="-" 26="-" 27="Inh" />
Hg - 1813 - 1863 </br><pagelist from=28 to=32 28="1"/>
Oudemans - De Bekerplanten </br><pagelist from=33 to=50 33="6"/>
R - Stuart's tweede ontdekkingsreis </br><pagelist from=51 to=55 51="24"/>
H. v. H. - Mieren in Brazilie </br><pagelist from=56 to=61 57="-" 58="-" 56="29" 59="30" />
S. - Vorming der gedachten</br><pagelist from=62 to=75 62="33"/>
Oudemans - De Bekerplanten </br><pagelist from=76 to=93 76="47" 85="-" 86="-" 87="56"/>
H. v. H - Snelle plantengroei </br><pagelist from=94 to=95 94="63"/>
F.W. van Eeden - De Kryptogamen </br><pagelist from=96 to=118 96="65"/>
R - Noordwest Australie </br><pagelist from=119 to=127 119="88" 121="-" 122="-" 123=90/>
Hg - Klimaatverschil in Afrika</br><pagelist from=128 to=129 128="95"/>
Reitsma - Natuurlijke gesteldheid der ligchamen van ons zonnestelsel </br><pagelist from=130 to=546 130="97"/>
|Opmerkingen={{c|{{xxx-larger|'''[[Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/14|Inhoud 1864]]'''}}}}
<div style="width: 380px; height: 1500px; overflow: auto; border:thin grey solid; padding: 0px 5px 0px 10px;">
{{Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/14}}
{{Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/17}}
</div>
{{dhr|3}}
{{c|{{xx-larger|'''[[Album der Natuur/1864/Wetenschappelijk Bijblad|Wetenschappelijk bijblad 1864]]'''}}}}
<div style="width: 380px; height: 1200px; overflow: auto; border:thin grey solid; padding: 0px 5px 0px 10px;">
{{Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/20}}
{{Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/21}}
{{Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/22}}
{{Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/23}}
{{Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/24}}
{{Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/27}}
|NestedInhoud=
|Breedte=
|Css=
|Header=
|Footer=
}}
lnzx2svo55g9ehqan43eeb49g1h1j3y
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/115
104
86917
223428
2026-06-20T15:49:46Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
223428
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh|84|DE KRYPTOGAMEN.|}}</noinclude>
toppen van muren, en de ''Orthotrichums'', wier zaaddoosjes zich tusschen het donkergroene loof verbergen, ziet men in de schors-spleten van oude boomen.
De gevinde, fijn verdeelde bladvorm der Dekmossen gaat in het Laddermos (''Climacium dendroïdes'') in een stam- en kroonvorm over—als 't ware tot een miniatuurboompje—en nadert tot den vorm der Wolfsklaauw-mossen (''lycopodiaceae''), die echter op hooger trap van ontwikkeling staan, zoowel door eene meer zamengestelde vrucht, als door het bezit van wezenlijke wortels. De Bladmossen hebben geene eigenlijke wortels. Het nieuwe geslacht rijst bij hen op uit de rottende overblijfselen van het vorige, evenals de natiën, die teren op de overleveringen van het voorgeslacht. Door deze groeiwijze geven de Mossen mede het aanzijn aan de uitgebreide plantaardige massa's, die wij veenen noemen. Het Turfmos, dat in het water groeit, heeft vruchtjes met een eenvoudig rond deksel, zonder tandjes. Zijne voorliefde tot het water, zijn forsche bouw en de meer regelmatige stand zijner blaadjes herinneren ons aan eene andere Kryptogame plant, de Paardestaart (''Equisetum''), waarvan sommige soorten door hun kiezelgehalte tot polijsten gebezigd worden en als schaafstroo bekend zijn en waartoe ook het lastige onkruid Hermoes of Kattestaart behoort. Bij onze heidensche voorvaderen had dit gewas eene geheimzinnige beteekenis en nog in de middeneeuwen werd het aan den invloed des duivels toegeschreven, vanwaar ook de namen Eunjer, Unjer en Eunjer-eijeren afkomstig zijn.
Het hoogere moeras-pijpkruid (''Equisetum limosum'') verheft zich als kleine boschjes boven het stilstaande met eendenkroos bedekte water onzer riviertjes en slooten. Zijn loof staat in kransen van afstand tot afstand rondom
{{image missing}}
Fig. 16. ''Equisetum fluviatile''.
den stengel en gelijkt veel op dennenaalden, en aan het uiteinde van den stengel verheft zich de spoelvormige vrucht, die uit kringswijze geplaatste sierlijke schubjes bestaat, waarin zich de kiemcellen ontwikkelen. Het Equisetum heeft een nederige standplaats, maar een edelen vorm en wanneer wij die kleine wiegelende heldergroene boschjes zien, glinsterend in het licht der middagzon,<noinclude></noinclude>
jwjloo9ndus4fz05bu5443u81h5clh1
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/116
104
86918
223429
2026-06-20T15:52:36Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223429
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE KRYPTOGAMEN.|85}}</noinclude>terwijl het teergevleugelde, azuurblaauwe waternimfje (''Libellula'') tusschen hunne kandelabre-vormige stengels zweeft, dan denken wij aan hun roemrijk tijdperk, toen zij in de steenkolenperiode der voorwereld stammen vormden zoo hoog en zoo dik als bamboezen, stammen, waarvan wij de overblijfsels in onze geologische verzamelingen nog met verbazing aanschouwen.
De kiemcellen der Equisetums, die in onnoemelijk aantal als een groenachtig wit poeder uit de vrucht te voorschijn komen, zijn voorzien van vier dunne vezeltjes, waardoor zij eenige overeenkomst hebben met een vierpootig diertje. Bij de minste vochtigheid krimpen deze vezeltjes schielijk ineen, om zich kort daarop weder uit te strekken en blijven dan eenigen tijd in eene trekkende beweging. Dit merkwaardig verschijnsel is zeer gemakkelijk waar te nemen, als men deze cellen onder het mikroskoop plaatst en even op het voorwerp-plaatje ademt.
De groep der Equisetaceeën vormt als het ware een middenpunt, waar zich vele afdeelingen der Kryptogamen vereenigen. Door haar loof, haar stam- en wortelvorming naderen zij tot de Phanerogamen, vooral tot de denneboomen, het vruchtje zelfs is in vorm bijna geheel gelijk aan de mannelijke bloem van den Taxus. Het Hermoes wijst op de Zwammen, door zijne vrucht, die, lang voor het harde, groene loof, op naakten steel, vaalkleurig en dun van weefsel, reeds in Februari of Maart als een spook uit den grond oprijst en spoedig verdwijnt. Aan den anderen kant nadert de groep tot de reeds genoemde Turfmossen en zelfs tot de Wieren, door de gelijkenis van hare kransvormig geplaatste bladen met die van het geslacht ''Chara'' (Kranswier), eene plant, die geheel in het water groeit, geene wortels heeft, maar van onderen verrot en boven nieuwe uitspruitsels vormt, in wier geledingen merkwaardige sapbewegingen plaats hebben.
De Equisetaceeën bezitten, in onderscheiding van de reeds genoemde Kryptogamen, vaten of buisvormig verlengde cellen en komen daarin overeen met de Varens en de Lycopodiaceeën, die door wortel-, stam- en bladvorm den naam van de edelsten der Kryptogamen verdienen.
De Lycopodiaceeën staan in zeker opzigt door hare afzonderlijke vrucht boven de Varens en naderen op merkwaardige wijze tot de<noinclude></noinclude>
bv6a9abc56phpsrgert89eb9rosa7lt
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/117
104
86919
223430
2026-06-20T15:55:45Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223430
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|86|DE KRYPTOGAMEN.|}}</noinclude>denneboomen, terwijl de Varens hunne vruchthoopjes aan de achterzijde van het loof ontwikkelen en slechts in enkele soorten (''Osmunda''), door het wegblijven van het loof op de vruchtstengels, zich afzonderlijk schijnen te vertoonen. Niettemin zijn de Varens door hun prachtigen vorm zeer veel indrukwekkender en zelfs onder de hoogst ontwikkelde planten zijn er weinigen, die hun in dit opzigt evenaren.
De Varens zijn eigenlijk de eenige Kryptogamen, wier gedaante zelfs op den minst gevoelenden mensch een aangenamen indruk maakt. De Wieren kunnen wij niet in al hunne pracht aanschouwen, tenzij wij ons onder water begeven om hunne grillige gedaanten en kleuren als beelden van eene andere wereld, uit een geheimzinnig, schemerend halfdonker te zien opdagen. De Korstmossen zijn te vaal van kleur, te eenvoudig van vorm, de Bladmossen zijn, hoe fraai gevormd, te klein; de Paddestoelen bezitten wel gloeiende kleuren, maar hun zonderlinge vormen, kort bestaan en schadelijke eigenschappen, de duistere sfeer van gisting en verrotting, die hen omringt, dat alles wekt eerder afkeer dan bewondering.
De Varens echter hebben iets eigenaardig schoons, dat in geene andere plant gevonden wordt. Hunne ligte en stout gewelfde lijnen en de fijne insnijdingen van hun duurzaam en glanzend loof vertoonen eene vereeniging van schoonheid en bevalligheid en maken hen tot schilderachtige planten. De bladeren van den Kokos- of Mauritia-palm zijn schoon, maar alleen op een afstand; de breede bladeren der Pisangs missen de bevallige insnijdingen en zijn, wanneer zij niet hier en daar een breede scheur vertoonen, lomp en stijf, de bladeren onzer woudboomen brengen alleen door hun groot aantal eenigen indruk te weeg, en bij de meeste zigtbaar bloeijende planten is het schoon der bladeren aan dat der bloemen opgeofferd. De wilde Geranium (''Geranium Robertianum'') doet ons door zijn sierlijk verdeelde bladeren aan de Varens denken, maar mist het stevige metaalachtige en de schilderachtige bogten.
Deze vereeniging van het schoone en bevallige in ééne plant maakt, dat een enkel varen ons oog meer voldoet dan de vereeniging van dozijnen van andere planten. Beproeven wij slechts in onze marmeren portalen, in plaats van de bonte opeenhoopingen van Pelargoniums<noinclude></noinclude>
5wtchuognue53e9m1za0hkx1oguxi75
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/118
104
86920
223431
2026-06-20T15:59:32Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
223431
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" /> {{rh||DE KRYPTOGAMEN.|87}}</noinclude>en Fuchsia's, een enkel groot exemplaar van het gemeene,
{{image missing}}
Fig. 17. ''Polystichum Filix Mas''.
overal in het wild groeijende Boschvaren (''Polystichum Filix mas''). De praktische Engelschen hebben dit reeds voor lang begrepen. Bij het zien van een dezer boschvarens, dat op een schralen November-morgen zijn nog vrolijk groene pluimen onder een verdord boschje tegen een witten muur uitspreidde, was het mij, als vond ik in die schoone lijnen den type van die ligte ijzeren kolommen met hare getraliede bogen, van die stoute bruggen en duizelingwekkende viaducten, van de eigenlijke bouworde der negentiende eeuw.
Zien wij in de Lycopodiaceeën eene toenadering tot de denneboomen, de Varens vertoonen door hunne bladstelling een overgangsvorm tot de mede aan de dennen verwante familie der Cycadeeën, waarvan in onze Nederlandsche plantentuinen zulke prachtige exemplaren gevonden worden en die als 't ware de grenspaal is tusschen de Kryptogamen en Phanerogamen. De Boomvarens der tropische gewesten, die hun heerlijke bladkroon op een dikken stam ontwikkelen, de Cycadeeën, de trotsche palmen en denneboomen zijn door vele kenmerken na aan elkander verwant.
Zoo vloeit het rijk der Kryptogamen onmerkbaar met dat der Phanerogamen ineen; zoo leidt ons de beschouwing van het eene gedeelte der natuur langzamerhand tot een overzigt van het volgende.
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude>
sjy3p45lhoea22x6mjwyzwxs3h2gncs
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/119
104
86921
223432
2026-06-20T17:12:21Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223432
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr}}
{{c|{{larger|FRANK GREGORY'S REIS IN NOORDWEST-</br>
AUSTRALIE, VAN MEI TOT OCTOBER 1861.}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
Het jaar 1861, hetwelk door de groote ondernemingen van {{sc|burke}} en {{sc|stuart}} over het binnenland van Australië zooveel licht heeft doen opgaan, heeft ook aan de noordwestkust van dat werelddeel een nieuw gebied voor de wetenschap en den ondernemingsgeest van onzen tijd geopend. Wij meenen den lezers van dit Tijdschrift geen ondienst te doen, indien wij hun een kort verslag van deze belangrijke ontdekkingsreis mededeelen, gelijk wij vroeger aangaande de reizen van {{sc|stuart}} en {{sc|burke}} hebben gedaan.
{{sc|Frank gregory}}, een jonger broeder van {{sc|augustus gregory}}, die zich door zijne groote reizen in de jaren 1856 en 1858 een roemvolle plaats onder de Australische landontdekkers had verworven, had zich aangeboden om aan het hoofd van eene expeditie de tot hiertoe bijna geheel onbekende oorden aan de noordwestkust te onderzoeken en zoo, ware het mogelijk, door te dringen tot de streken aan de Victoria-rivier, die in 1856 door zijnen broeder waren bezocht.
Hij was zeker bij uitnemendheid voor zulk eene onderneming berekend, daar hij reeds in 1858 de streken van de Gascoyne-rivier en hare bijvloeden onderzocht en daarbij zich als een geoefend en ervaren reiziger door Australië's wildernissen had doen kennen. De uitkomsten van deze reis hadden er niet weinig toe bijgedragen, dat reeds in 1861, vooral ook door tusschenkomst van het Londensche geographisch genootschap, eene nieuwe expeditie kon worden uitgezonden, waarvan de onkosten op ongeveer 4000 pond sterling of 48000 gulden werden geschat.
Nadat zij den 2 Mei met eene bark Champion-baai verlaten hadden,<noinclude></noinclude>
tf9h00p9a3douu03vbopd6k2r1tfdth
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/120
104
86922
223433
2026-06-20T17:17:39Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223433
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||FRANK GREGORY'S REIS IN NOORDWEST-AUSTRALIE, ENZ.|89}}</noinclude>landden zij den 11den in Nickol-baai op ongeveer 21½° zuiderbreedte aan dat gedeelte der kust, hetwelk onder den naam van De Witsland bekend is. Hier werd de expeditie aan land gebragt en de noodige voorbereiding tot de reis naar het binnenland gemaakt.
De eerste taak, die men zich voorstelde, was het land tusschen de kust en de Lyons-rivier, die {{sc|gregory}} in 1858 bezocht had, te onderzoeken en zoo de tegenwoordige expeditie aan de vroegere aan te te sluiten. Dit gedeelte der reis werd gelukkig volbragt. Nadat zij den 14 Mei het hoofdleger aan de Nickol-baai verlaten hadden, zagen zij den 25 Junij het dal van de Lyons-rivier voor zich uitgebreid en in het verschiet den berg Augustus, die zijn top verre boven alle andere hoogten verheft. Op den terugweg trokken zij voor een groot gedeelte door andere streken en bereikten den 19 Julij het leger aan de Nickol-baai.
Na eene rust van negen dagen, die vooral voor de paarden noodig was tot herstelling hunner krachten, gingen zij weder op ontdekking uit, en wel in eene oostelijke rigting. Verscheidene rivieren met breede stroombeddingen, aan welke zij de namen van Sherlach, IJule, Strelley, Shaw, Grey en Oakover gaven en die te zamen een zeer aanzienlijk stroomgebied vormen, werden bezocht. Hier en daar was het landschap aan de oevers der rivieren zeer bekoorlijk. Dit was inzonderheid het geval aan de Oakover-rivier. Golvende vlakten, rijk met gras bewassen, breidden zich noodwaarts uit, terwijl de oevers van een 200 yards breed stroombed van een gordel cajaputboomen omzoomd was, wier digt loof aan de reizigers, terwijl zij de schilderachtige wendingen van de rivier volgden, de aangenaamste verkwikking aanbood.
De afgematte toestand, waarin de paarden verkeerden, liet niet toe den togt verder oostwaarts uit te strekken. Vele paarden waren geheel onbruikbaar geworden en moesten achtergelaten worden, zoodat de helft van het reisgezelschap zonder paarden was. Tot bijna 122° oostelijke lengte van Greenwich doorgedrongen, zag {{sc|gregory}} zich in de noodzakelijkheid den terugweg aan te nemen, ofschoon hij uit zekere teekenen meende te kunnen opmaken, dat zich op 40 tot
50 mijlen afstand eene groote rivier moest bevinden, die welligt een<noinclude></noinclude>
jf9r1epvssv4lzpyeedxtgsx3gv7dt5
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/123
104
86923
223434
2026-06-20T17:22:23Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223434
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|90|FRANK GREGORY'S REIS IN NOORDWEST-AUSTRALIE, ENZ.|}}</noinclude>aanzienlijk gedeelte van de wateren van Centraal-Australie opneemt en zeewaarts voert.
Den 11 September werd de terugreis aangevangen, nu meer noordelijk langs de oevers van de Oakover- en Grey-rivier, en den 11 October bereikten zij weder hun opgeslagen leger aan de Nickolbaai. In het geheel had men op dezen togt een weg afgelegd van 1765 zeemijlen. Den 23 ging men onder zeil en den 9 November kwam men behouden te Frementle aan.
Wij willen hier nog eenige opmerkingen over het algemeen karakter, de voortbrengsels en de natuurlijke gesteldheid van de onderzochte landstreken bijvoegen met de woorden uit het voorloopig berigt, door {{sc|Frank gregory}} zelven in druk gegeven.
‚Het gedeelte des lands, hetwelk wij in de gelegenheid waren te onderzoeken, bestaat in eene opvolging van terrassen, die nagenoeg tot 200 zeemijlen landwaarts in opstijgen en naar de kust meer of min door vulkanische heuvels doorsneden worden. De eerste, aan de zee gelegen gordel van 10 tot 40 mijlen breedte is eene bijna effene vlakte, tegen het zuiden langzaam opstijgend met eene verheffing van 40 tot 100 voet; de bodem bestaat hier meestal uit ligt leem of zware klei, al naar dat hij ontstaan is uit de verweering der hier en daar aan de oppervlakte bloot liggende granietrotsen of der vulkanische zwarte slakken, die op vele plaatsen in de vlakte verspreid zijn. Uit dergelijke heuvelen bestaat ook het grootste gedeelte der hoogere eilanden aan de kust, zooals kaap Lambert en het voorgebergte, dat de Nickol-baai aan de westzijde beschut. Dit gesteente levert intusschen geen zoo vruchtbaren bodem, als men volgens zijn oorsprong zou kunnen verwachten; werkelijke lava namelijk is niet voorhanden; veel meer heeft de onderaardsche hitte slechts de primaire en tertiaire gesteenten der oppervlakte in glasachtige slakken veranderd.
‚Verder landwaarts in treft men op de naaste 50 tot 60 mijlen een granietland, dat oorspronkelijk met horizontale zandsteenen bedekt was en eene gemiddelde hoogte van ongeveer 1000 voet heeft, Het loopt tegen het zuiden in effene vlakten met een goeden bodem uit, het product van het daaraan grenzend hooger land, terwijl tegen<noinclude></noinclude>
1fybmo9qnlwhuxf9vjzlcabqpndlx1c
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/122
104
86924
223435
2026-06-20T17:22:35Z
WeeJeeVee
2844
/* Zonder tekst */
223435
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="0" user="WeeJeeVee" /></noinclude><noinclude></noinclude>
rvi0tk7vak27piuk7k5sj27iv6cunm9
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/121
104
86925
223436
2026-06-20T17:22:41Z
WeeJeeVee
2844
/* Zonder tekst */
223436
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="0" user="WeeJeeVee" /></noinclude><noinclude></noinclude>
rvi0tk7vak27piuk7k5sj27iv6cunm9
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/124
104
86926
223437
2026-06-20T17:26:43Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223437
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||VAN MEI TOT OCTOBER 1861.|91}}</noinclude>den noordrand graniet en zandsteen groote veranderingen hebben geleden door de inwerking van talrijke trap-aderen, welke de oppervlakte vrij wat verstoord en steenen hebben voortgebragt, die nu eens op jaspis gelijken, dan in den hoogsten graad slakachtig zijn.
"Ongeveer op 22° zuiderbreedte komt men onder den meridiaan van de Nickol-baai op eene andere, nog hoogere bodemverheffing, die zich naar het zuidoosten uitstrekt en gemiddeld 2500 voet boven de zee ligt. In tegenstelling met het vorig terras heeft zij eene zuidelijke afhelling van 500 tot 600 voet en bestaat uit horizontaal liggende zandsteenen en conglomeraten, die in evenredigheid weinig verandering ondergaan hebben. Hare breedte bedraagt 8 tot 10 mijlen; haar zuidelijke rand wordt van oneffene dalen met zware, leemachtige klei begrensd, die zuidwaarts van lieverlede tot aanzienlijke ruggen en heuvelen opstijgen. Sommige van deze heuvels hebben eene hoogte van bijna 4000 voet, het hoogste punt is Mount Bruce op 22½° zuiderbreedte. Van daar daalt het land langzaam tot aan de Ashburton-rivier, wier bed onder den meridiaan van Nickolbaai ongeveer 1600 voet boven de zee ligt, terwijl de naburige hoogten niet boven de 2200 stijgen. Deze streken hebben derhalve een gelijk niveau als het land aan de Gascoyne, de Liyons en de boven-Murchison.
"Van bruikbare metalen kon ik geene sporen ontdekken, behalve van ijzer. Kwartsriffen doorsnijden hier en daar het land van het noordoosten naar het zuidwesten, maar nergens zag ik een teeken, waaruit men met waarschijnlijkheid tot de aanwezigheid van goud kon besluiten; het gesteente aan de boven-Murchison is in dit opzigt veel gunstiger. Ook het bestaan van steenkool binnen de door ons bereisde landstreken is niet waarschijnlijk, behalve welligt naar den kant van de oostelijkste door ons bereikte punten.
"Wat de havens aan de kust betreft, kan ik slechts van de Nickolbaai en de ankerplaats onder het Rosemery- en andere naburige eilanden spreken. De eerste wordt naar mijn oordeel alleen door King-George-Sund overtroffen; want de invaart is bij elke weersgesteldheid zoowel van het noorden als noordwesten mogelijk en men heeft reden om aan te nemen, dat eene zekere doorvaart tusschen<noinclude></noinclude>
fmsidkj2798igkyutvfmuxmhhisiuxp
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/125
104
86927
223438
2026-06-20T17:31:26Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223438
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|92|FRANK GREGORY'S REIS IN NOORDWEST-AUSTRALIE,|}}</noinclude>de Legendre- en Dolphin-eilanden naar de Mermaid-straat bestaat, waar eene in alle jaargetijden voortreffelijke haven schijnt te zijn. De peilingen, die bij ebbe naar de oostelijke en westelijke oevers der Nickol-baai ten uitvoer werden gebragt, toonden eene voor schepen van aanzienlijken tonnen-inhoud genoegzame diepte aan binnen eene kabelslengte van den oever; de grond is fijn zand en week slijk. Veel ondieper is het water in den achtergrond der baai, waar men twee mijlen van den oever slechts twee vademen water vindt. Riffen komen in de baai alleen digt bij het land voor. Bij mijne verkenning van het westelijk voorgebergte ontdekte ik, dat het geheele noordelijk van Sloping Head gelegene deel van hetzelve een eiland is, door een kanaal van ½ tot 1 mijl breedte afgescheiden. Ik gaf het den naam van Dolphijn-eiland. De getijen zijn tamelijk regelmatig en bedragen gemiddeld 16 voet; de springvloed stijgt echter 21 voet; bij zulk eene gelegenheid is het geheele westelijke voorgebergte met de vele mijlen westwaarts zich uitstrekkende hoogten geheel van het land afgesneden, terwijl zich eene waterstraat van de baai tot aan een tegenover Enderby-eiland liggend punt vormt. Deze omstandigheid ontneemt de anders schoone havens veel van hare waarde; want men zou eenen 2 mijlen langen kunstweg moeten aanleggen om de beste landingsplaats, waar water gevonden wordt, met het vaste land te verbinden.
"De gemiddelde afwijking van de magneetnaald is 1° oostelijk. In de nabijheid van vulkanische heuvels vertoonde zich echter eene aanzienlijke plaatselijke attractie.
"Betrekkelijk het klimaat kan ik slechts zeggen, dat wij gedurende ons vijf maanden lang verblijf aan de kust daarvan weinig te lijden hadden. Het weder was meestal schoon, de hemel helder en slechts tweemalen vielen er regenbuijen, een tegen het einde van Mei en een in Junij. Uit de waarnemingen aan de Nickol-baai bleek, dat in October de hoogste gemiddelde thermometerstand 92" Fahr. en in Augustus de laagste 54° bedroeg. Op een der heetste October-dagen steeg de thermometer in de zon tot 178° Fahr. en in Junij daalde hij tegen zonsopgang tot 2° onder het vriespunt. De wind was de eerste vier maanden bijna onafgebroken oost- en zuidoost; later bij afwisseling<noinclude></noinclude>
mxpsereu8yvl1u9syijl0qfqvg2ki0t
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/126
104
86928
223439
2026-06-20T17:33:59Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223439
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||VAN MEI TOT OCTOBER 1861.|93}}</noinclude>zuidoost en des namiddags noordwest of west. De regentijd vangt met het begin van November aan en duurt tot aan Maart.
"Onder de natuur-voortbrengselen noem ik vooreerst de parelmosselen, daar zij waarschijnlijk eene onmiddellijke beteekenis voor den handel zullen verkrijgen. De manschap van de Dolphijn verzamelde in zijne vrije uren een aanzienlijk getal, welker waarde mij op 500 tot 600 pond sterling werd aangegeven. Daaronder was ééne parel van 25 pond waarde.
"Sandelhout van zeer sterken reuk werd in geringe hoeveelheid gevonden en te verstrooid om als uitvoer-artikel van belang te worden. Van inlandsche vruchten bemerkten wij de Adansonia, na verwant met den Afrikaanschen apen-broodboom; zoete en water-meloenen, eene wilde, smakelijke vijg en eene zeer aangename zoete pruim werden in menigte gevonden.
"De palmen aan de oevers van de Fortescue-rivier zijn tot 40 voet hoog. Tabak wast hier niet zoo welig als aan de Lyons-rivier; echter verzamelen, bereiden en kaauwen de inboorlingen ze, maar nooit zagen wij ze rooken.
"Er blijft mij nu nog over mijn oordeel over de geschiktheid van het land voor kolonisatie uit te spreken. De geheele uitgestrektheid van bruikbaar weideland binnen het door ons bereisd gebied schat ik op niet minder dan 8 millioen akkers en daarvan zijn zeker 200,000 akkers voor bebouwing geschikt. Het grootste gedeelte van dit laatste ligt aan de beide randen van de Hamersley-keten, aan de oevers van de Grey-rivier en hare nevenvloeden en aan de beneden-Sherlock. Voor de wolproduktie acht men deze streek, omdat zij tusschen de keerkringen ligt, in 't algemeen ongeschikt; maar ik meen te mogen opmerken, dat hare verheffing boven den zeespiegel waarschijnlijk zulk eene verbastering der schapen tegenwerkt, als men gewoonlijk in de keerkringslanden waarneemt. Men heeft toch ook in Queensland schapen-kudden tot op dezelfde breedte, zonder dat de wolproducenten daar over verbastering klagen. Wat den graanbouw betreft, is het wel waarschijnlijk, dat tarwe en gerst niet tot dezelfde volkomenheid zouden geraken, als op meer gematigde breedte, maar het lijdt geen twijfel, dat het land genoeg graan zou kunnen voortbrengen om eene<noinclude></noinclude>
rjqnbnihsuezi0hnq2j6jl4rgjxst81
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/127
104
86929
223440
2026-06-20T17:37:02Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223440
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|94|FRANK GREGORY'S REIS IN NOORDWEST-AUSTRALIE, ENZ.|}}</noinclude>talrijke bevolking te voeden. Het land schijnt voor den katoenbouw het meest geschikt te zijn. Na alles wat ik van de kultuur dezer plant in Egypte gezien, en in Engeland vernomen heb, ben ik overtuigd, dat een zeer aanzienlijk gedeelte van het land aan de Grey- en Sherlock-rivier juist den geschikten bodem oplevert voor de productie van dit kostbaar. artikel.
"Daar het getal en karakter der inboorlingen eenigen invloed op de eerste kolonisatie van eene streek kunnen uitoefenen, spreek ik het als mijne meening uit, dat deze lieden, als men ze vriendelijk behandelt, den kolonisten niet bijzonder lastig zullen vallen. Hun getal is niet groot, zij schijnen zich door Europeërs gaarne te laten bezig houden en zullen zonder twijfel spoedig even zoo bruikbaar zijn, als in andere distrikten. Hunne ligchaamsgrootte gaat boven de gewone; sommigen meten 2 tot 3 duim boven de 6 voet."
(Naar {{sc|petermann's}} ''Mittheilungen über wichtige neue Erforschungen auf dem Gesammtgebiete der Geographie'', 1862, VIII, bl. 281 en v.).
{{r|[[Auteur:Anne Tjittes Reitsma|{{sc|R.}}]]{{gap|5em}}}}
{{dhr}}
{{lijn|5em}}
{{dhr}}<noinclude></noinclude>
fxv7v01b3r2u528kan329ebs9uw4fem
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/128
104
86930
223441
2026-06-20T17:41:57Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223441
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr}}
{{c|{{larger|HET KLIMAAT IN VERSCHILLENDE STREKEN VAN AFRIKA.}}}}
{{dhr}}
{{lijn|5em}}
{{dhr}}
De heer {{sc|duveyrier}}, die, in {{sc|petermann's}} ''Geogr. Mittheil'', 1863, X, p. 378, een beknopt verslag over zijne reis in de noordelijke centrale Sahara geeft, zegt omtrent het klimaat aldaar het volgende:
"Het klimaat van de centrale Sahara is eer gezond dan voor den mensch nadeelig; echter maken daarop de laag gelegen Oasen-landen eene uitzondering. De lucht op de plateaux is inzonderheid zeer gezond en sterkend. Wegens de hooge ligging dezer plateaux is het daar des winters tamelijk koud, maar daarentegen gedurende den zomer zeer heet. De uitersten, die ik waarnam, waren: — 2,1° C. te Timelluten des morgens op den 18 December 1860 en tweemaal + 44,6° te Mursuk den 5 en den 26 Junij 1861 des namiddags. De luitenant {{sc|j. auert}} heeft gedurende vierenveertig maanden driemaal daags waarnemingen te Tuggurie gedaan, en ofschoon ik geloof, dat zijn thermometer niet voor den invloed der stad beveiligd was, Zoo zijn zijne waarnemingen toch zeer merkwaardig. Van 1855 tot 1859 heeft hij eenmaal een minimum van + 2° en een maximum van + 51° C. gehad. De bodem der Sahara ondergaat echter nog veel grootere temperatuurafwisselingen. Ik nam aan eenen ligt met zand overdekten thermometer tusschen Ghadames en Rhat den 22 Januarij 1860 een minimum van — 4,75° waar en te Mursuk den 20 Julij een maximum van + 66,4° in de zon. Zulk een verschil in de temperatuur des bodems, verbonden met gebrek aan water, verklaart voldoende, waarom het leven in de Sahara zoo spaarzaam is en de soorten van planten en dieren betrekkelijk zoo gering in aantal zijn."
Eene opmerkelijke tegenstelling met het klimaat der Sahara vormt dat in de omstreken van het onder de linie gelegen Nyanza-meer. Volgens de waarnemingen der bekende reizigers {{sc|speke}} en {{sc|grant}} (''Peterm, Mitth''., ibid., p. 388), die den oorsprong van den Nijl uit dit<noinclude></noinclude>
7f0yk9mutnn1rqc7x9gxbm64a6iso8v
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/129
104
86931
223442
2026-06-20T17:48:47Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223442
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|96|HET KLIMAAT IN VERSCHILLENDE STREKEN VAN AFRIKA.|}}</noinclude>meer ontdekten. Gedurende een verblijf van vijf maanden valdaar, namelijk te Karagwe op 1500 Ned. ellen boven het zeevlak, teekende de thermometer slechts eenmaal 29,5° C. Ook zijn de nachten niet koel; "in de koudste uren van den nacht daalde hij nimmer beneden 16°. De warmte gedurende den zomer in onze streken is derhalve niet zelden drukkender dan het klimaat van Karagwe. Ten deele verklaart zich dit uit de hoogte, waarop de plaats gelegen is. Maar ook de door GRANT te Uganda, dat 518 ellen lager ligt, verrigte waarnemingen geven nagenoeg gelijke uitkomsten. De gemiddelde jaarlijksche temperatuur in de landen rondom het Nyanza-meer bedraagt, volgens genoemde reizigers, 20° C.
Men heeft er geen scherp gescheiden drooge en natte jaargetijden. Van de 3 dagen valt op 2 regen, in ligte of zware buijen. Eene hevige regenbui, van 25 tot 50 millim., komt ongeveer in elke maand voor, en zulke buijen leveren ruim een derde gedeelte van de geheele jaarlijksche hoeveelheid regen. Iets benoorden de linie (op 3° N.B.) zijn echter de drooge- en regentijden scherp gescheiden, en het regelmatig stijgen en dalen van den Nijl moet derhalve worden toegeschreven aan de periodiciteit der regens, welke aldaar vallen en den hoofdstroom voeden, die wel is waar uit het meer Nyanza zijnen oorsprong neemt, maar aldaar slechts geringe verschillen ten aanzien der hoeveelheid water in onderscheiden jaargetijden aanbiedt.
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885)|{{sc|Hg}}]]{{gap|5em}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude>
qq5l6x8ih0ekozoypiix2sllxlenh4w
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/130
104
86932
223444
2026-06-20T18:01:40Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223444
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr}}
{{c|{{larger|OVER DE NATUURLIJKE GESTELDHEID </br>
DER LIGCHAMEN, TOT ONS ZONNE-</br>
STELSEL BEHOORENDE;}}
{{smaller|DOOR}}
[[Auteur:Anne Tjittes Reitsma|A. T. REITSMA.]]}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
{{c|{{larger|JUPITER.}}}}
Jupiter, het schitterende gesternte, dat ieder opmerkzamen beschou wer van den hemel terstond in het oog valt, overtreft in grootte en glans verreweg alle planeten, die tot ons zonnestelsel behooren.
Zijne loopbaan is meer dan vijfmaal zoo ver als onze aarde van de zon verwijderd. De gemiddelde afstand, waarop hij van het groote centraal-ligchaam geplaatst is, bedraagt 107,605,300 geogr. mijlen. Een gevolg van dezen verbazenden afstand is dan ook, dat de hoeveelheid licht en warmte naauwelijks {{smaller|{{frac|!|27}}}} bedraagt van die, welke wij op onze aarde van de zon ontvangen. Stellen wij de intensiteit van licht en warmte op onze aarde = 1, dan zou zij op Jupiter slechts 0.037 bedragen.
Hij is verreweg de grootste van alle planeten. Als hij onze aarde het naaste staat, vertoont hij zich als eene schijf van 46" middellijn. Op zijnen versten afstand heeft hij eene middellijn van slechts 30', op zijnen gemiddelden afstand eene van 38',4.
Hoewel de inhoud van Jupiter 1414 grooter is dan die onzer aarde en men derhalve uit het Jupiter-ligchaam 1414 bollen zou kunnen raaken, in uitgebreidheid aan onzen aardbol gelijk, zoo weegt toch zijne massa bij dien grooten omvang, volgens de opgaaf van {{sc|arago}}, slechts 388 maal zwaarder dan onze aarde. Daaruit volgt, dat de
{{rh|{{gap}}{{smaller|1864.}}||{{smaller|7}}{{gap}}}}<noinclude></noinclude>
6v7j5skpr32i5nqnof2v8pvlx4wcpjl
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/131
104
86933
223446
2026-06-20T18:31:12Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223446
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|98| OVER DE NATUURLIJKE GESTELDHEID DER LIGCHAMEN ,|}}</noinclude>stof, waaruit hij zamengesteld is, aanzienlijk ligter moet zijn dan die, waaruit onze aarde is gevormd. Stellen wij de laatste = 1, dan is die van Jupiter slechts = 0,239. Niettegenstaande deze geringe digtheid vallen de ligchamen op zijne oppervlakte met eene snelheid van 40 voeten in ééne sekonde, omdat de ontzaggelijke massa van Jupiter de kracht, waarmede hij de ligchamen aantrekt, aanmerkelijk versterkt. Als wij de zwaarte ‚ waarmede een ligchaam op de oppervlakte der aarde drukt, stellen = 1, dan is diezelfde zwaarte op de oppervlakte van Jupiter = 2.45, dat wil zeggen, dat een ligchaam, hetwelk op onze aarde 100 pond weegt, op Jupiter een gewigt van 245 pond heeft.
Uit sommige vlekken, die nu en dan op de schitterende oppervlakte van Jupiter worden waargenomen, heeft men opgemaakt, dat Jupiter zich in eenen tijd van nagenoeg 9 uren 55 minuten om zijne as wentelt. Alle vlekken, die men heeft waargenomen, om den omwentelingstijd te bepalen, leiden echter niet tot hetzelfde resultaat. {{sc|Herschel}} vond in 1788 bij de waarneming van eene en dezelfde donkere vlek nu eens een omwentelingstijd van 9 uur 55 min. 40 sekonden, dan weder van 9 uur 54 min. 53 sekonden; dus bij een en dezelfde vlek bij verschillende omwentelingen een verschil van 47 sekonden. In 1779 gaf eene heldere vlek, insgelijks in den omtrek van den equator gelegen, een omwentelingstijd nu eens van 9 uur 51 minuten 45 sekonden, dan weder van 9 uur 50 minuten 48 sekonden; dus een verschil van 57 sekonden.
Deze aanmerkelijke verschillen in de waarneming schijnen daaraan toe te schrijven, dat deze vlekken niet tot het vaste ligchaam van de planeet behooren, maar eigenlijk wolken zijn, die met zeer ongelijke snelheid in den dampkring van Jupiter, door winden, aan onze passaatwinden gelijk, worden voortgestuwd. Sommige van deze wolken hadden in tien uur eene beweging van bijna drie graden van den Jupiter-equator, dat is: eene snelheid van nagenoeg 96 mijlen in het uur.
De verbazende snelheid, waarmede Jupiter om zijne as wentelt, is te meer merkwaardig, omdat zijn ligchaam meer dan 1400 malen grooter is dan dat onzer aarde. Het laat zich daaruit dan ook<noinclude></noinclude>
8aisq5cl802gcpn3ffbw71zvkklgc1y
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/132
104
86934
223447
2026-06-20T18:38:39Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223447
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||TOT ONS ZONNESTELSEL BEHOORENDE.|99}}</noinclude>gemakkelijk verklaren, dat hij door die snelheid van omwenteling, gevoegd bij de mindere digtheid van de stof, waaruit hij is gevormd, eene veel sterker afplatting aan de polen heeft dan onze aarde. Bedraagt toch deze afplatting op onze planeet slechts {{smaller|{{frac|1|300}}}} van hare middellijn, bij Jupiter is zij niet minder dan {{smaller|{{frac|1|17}}}} volgens {{sc|arago}}, {{smaller|{{frac|1|300}}}} of {{smaller|{{frac|1|14}}}} volgens {{sc|struve}}, of {{smaller|{{frac|1|20}}}} volgens {{sc|beer}} en {{sc|mädler}}.
Hij volbrengt zijne loopbaan rondom de zon in 11 jaren, 10 maanden, 17 dagen, 14 uren, 24 minuten (volgens {{sc|arago}}). In dit tijdsbestek volbrengt hij niet minder dan 10,352 omwentelingen, met andere woorden, het Jupiter-jaar heeft 10,852 Jupiter-dagen. Daar zijn omwentelingsas bijna loodregt op zijne loopbaan staat, zoo namelijk, dat zijn equator met die loopbaan slechts een hoek van 3° 6' vormt, zoo volgt daaruit, dat op deze planeet bijna geen afwisseling van jaargetijden plaats heeft. Alleen voor de poolgewesten, die zich slechts 3° 6' van de polen uitstrekken, gaat gedurende een gedeelte van het jaar de zon niet op en gedurende een ander gedeelte van het jaar niet onder. Overal elders zijn op de geheele oppervlakte van Jupiter de dagen en nachten het geheele Jupiter-jaar door aan elkander gelijk, dat is nagenoeg vijf uren lang.
Als de zon voor een plaats op Jupiter opgaat, rijst zij met verbazende snelheid aan den hemel en is met 2½ uur reeds in haar toppunt gekomen, om na 24 uur weder onder den horizon te verdwijnen en plaats te maken voor den korten nacht van vijf uren. De warmtegraad zal voor hetzelfde gewest gedurende den zomer en den winter nagenoeg dezelfde zijn en geheel daarvan afhangen, of eene plaats nabij den evenaar of daarvan meer of minder verwijderd is. In den Jupiter-gordel, die het naast bij den evenaar ligt, zal de zon elken dag bijna door het toppunt van den hemel gaan en daarvan nimmer verder dan 3° 6' afwijken. Op hoe hooger breedte een plaats gelegen is, des te minder hoog zal de zon zich elken dag aan den hemel verheffen. Op eene breedte van 52 graden, de breedte die wij op aarde bewonen, zal de zon het geheele jaar door 38° boven den horizon klimmen. Maar aan de polen zal zij, zelfs als het daar zomer is, zich niet hooger dan tusschen 3° 6' boven den horizon<noinclude></noinclude>
rf88dy2aznq0uizzrjl4u12xv9mhn3q
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/133
104
86935
223448
2026-06-20T18:41:47Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
223448
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|100| OVER DE NATUURLIJKE GESTELDHEID DER LIGCHAMEN ,|}}</noinclude>verheffen, terwijl daar dan weder een winter aanvangt van bijna zes onzer jaren, in welke de zon niet boven den horizon wordt gezien.
Behalve de vlekken, waarvan wij boven melding gemaakt hebben, vertoont Jupiter ons nog een geheel eigenaardig verschijnsel. Men ziet namelijk op zijne schijf twee onregelmatige donkere strepen of banden, de eene ten noorden, de andere ten zuiden van den evenaar, en nagenoeg daarmede en met elkander evenwijdig. Tusschen deze beide strekt zich in dezelfde rigting een heldere streep uit, die derhalve de geheele streek van den equator omgeeft. In de nabijheid van deze strepen of banden ziet men nog andere, die aanmerkelijk flaauwer zijn en alleen in dezelfde rigting zich uitstrekken. Deze banden ondergaan eene gestadige, langzame verandering in grootte, in aantal en in ligging. Dikwijls laten zich in deze banden die kleine, donkere, wolkachtige vlekken onderscheiden, waarvan men gebruik heeft gemaakt om den omwentelingstijd van de planeet te berekenen. Somtijds zelfs verdwijnen deze banden geheel of grootendeels. {{sc|Hevelius}} vermeldt, dat hij in 1647 geene banden op Jupiter zag, ofschoon hij er wolkachtige vlekken opmerkte. {{sc|William Herschel}} verzekert, dat hij in 1793 de planeet eenmaal zonder eenig spoor van banden waarnam. In 1884 en 1835 bestond de geheele noordelijke band niet. In December 1835 zag {{sc|mädler}} den zuidelijken band zich over zijne lengte in tweeën scheiden. In December 1690 zag {{sc|cassini}} behalve de twee groote banden nog twee noordelijke en zuidelijke, zoodat de geheele planeet met zes evenwijdig loopende banden omgeven was. {{sc|Arago}} mat in eene reeks van waarnemingen in 1810 den afstand der beide banden van den noordelijken en zuidelijken rand der planeet en maakte daaruit op, dat de gemiddelde breedte van den zuidelijken band gelijk is aan 0,156, en van den noordelijken aan 0.121 van den diameter der planeet. Eene aanschouwelijke voorstelling van de planeet Jupiter met hare afplatting en banden vinden onze lezers in het bekende werk van onzen beroemden astronoom {{sc|kaiser}}.
Maar waarvoor hebben wij nu deze banden te houden? Wat kunnen wij uit dezelve aangaande de natuurlijke gesteldheid der planeet opmerken? Dit is een zeer moeijelijk vraagstuk. Gewoonlijk houdt men deze donkere strepen voor wolken. Prof. {{sc|kaiser}} laat zich daarover<noinclude></noinclude>
p2i8bd8y38w8nh3v4t6uyyt9zkz9dp6