Wikisource
nlwikisource
https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina
MediaWiki 1.47.0-wmf.11
first-letter
Media
Speciaal
Overleg
Gebruiker
Overleg gebruiker
Wikisource
Overleg Wikisource
Bestand
Overleg bestand
MediaWiki
Overleg MediaWiki
Sjabloon
Overleg sjabloon
Help
Overleg help
Categorie
Overleg categorie
Hoofdportaal
Overleg hoofdportaal
Auteur
Overleg auteur
Pagina
Overleg pagina
Index
Overleg index
TimedText
TimedText talk
Module
Overleg module
Event
Event talk
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/265
104
87308
224052
2026-07-17T19:02:10Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
224052
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|232|OVER DE NATUURLIJKE GESTELDHEID DER LIGCHAMEN,|}}</noinclude>dampomkleedsel gehuld, dikwijls met een korteren of langeren staart voorzien zijn.
De ouden hielden ze op voorgang van {{sc|aristoteles}} voor verschijnselen, aan onzen dampkring eigen, die daarin geboren en weder vernietigd werden. Het waren {{sc|tycho de brahe}} en {{sc|kepler}}, die het eerst van twee kometen, die tegen het einde der zestiende en in het begin van de zeventiende eeuw aan den hemel verschenen, het bewijs leverden, dat ze niet tot onzen dampkring behoorden, maar althans veel verder dan de maan van ons afstonden.
Eerst na {{sc|newton}} leerde men de kometen kennen als hemelligchamen, die hunnen loop in zeer langwerpige banen rondom de zon volbrengen. Men begon van verscheidene kometen de grootte en rigting dier banen, en den tijd, waarin zij die doorloopen, te berekenen. Ja! men is in onzen tijd door voortgezet onderzoek zoo ver gekomen, dat men althans van enkele dezer ligchamen vrij naauwkeurig den tijd vooraf kan aangeven, waarop ze hunnen naasten stand bij de zon in het hemelruim innemen; met andere woorden, waarop zij door hun perihelium gaan.
Maar met opzigt tot de natuurlijke gesteldheid dezer ligchamen verkeert de sterrekundige wetenschap nog in hare kindsheid; en wie weet, of het ons wel ooit gegeven zal worden dienaangaande tot zekere resultaten te komen.
Het ligchaam van eene komeet bestaat vooreerst uit een zoogenaamd dampomkleedsel. Het is het meest wezenlijke deel van alle kometen, en vertoont zich als eene ligte vlek aan den hemel, zonder scherp geteekende omtrekken. Het licht is in het midden altijd min of meer opgehoopt, en vervloeit dan van lieverlede aan de randen. Bij sommigen vertoont het zich zoo helder, dat het met het bloote oog gemakkelijk kan worden waargenomen, bij anderen zoo flaauw, dat het alleen door middel van goede teleskopen kan worden gezien. Somtijds. merkt men in het dampomkleedsel twee of meerdere ringen, die, naar het schijnt, door donkere ruimten van elkander gescheiden zijn. Het zijn dus verschillende dampomkleedsels, die als schalen op o elkander liggen en elkander omsluiten.
De zoogenoemde kern van eene komeet doet zich meestal voor<noinclude></noinclude>
na0is5ti5q3wmighs3aj5iocse1mmb6
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/267
104
87309
224053
2026-07-17T19:04:15Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
224053
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|234|OVER DE NATUURLIJKE GESTELDHEID DER LIGCHAMEN,|}}</noinclude>heengaande, de minste straalbreking ondervond, zoo als zulks plaats heeft, als de lichtstraal door den dampkring onzer aarde heen gaat. Men mag dus met grond aannemen, dat de kometen-kernen over 't algemeen doorschijnend zijn, en dat, zoo zich daarin ook al een vast en donker gedeelte mogt bevinden, dit eene buitengewoon kleine uitgebreidheid hebben moet.
Het kan zeer wel zijn, dat niet alle kometen in natuurlijke gesteldheid geheel aan elkander gelijk zijn. Er zijn, zegt {{sc|arago}}, kometen zonder merkbare kern, die over hare geheele uitgebreidheid nagenoeg hetzelfde licht hebben en die zonder twijfel niet anders zijn dan eenvoudige ophoopingen van eene gasachtige stof. Een tweede trap van verdigting dezer dampen heeft aanleiding kunnen geven, dat er zich in het middenpunt van het dampomkleedsel eene kern vormde, merkwaardig door de levendigheid van haar licht, maar die, nog vloeibaar zijnde, eene groote doorschijnendheid bezat. In een meer gevorderd tijdperk zal de vloeistof, genoegzaam afgekoeld, omgeven worden van een vaste korst, en van dit oogenblik af zal alle doorschijnendheid van de kern moeten opgehouden hebben. Dan moet de plaatsing van die kern tusschen den waarnemer en eene ster eene verduistering veroorzaken, even wezenlijk, even volkomen als die, welke dagelijks door de verplaatsingen van de maan en de planeten voorvallen. Niets toch, volstrekt niets bewijst, dat er geene kometen van deze derde soort, dat is met vasten kern, zouden bestaan. De groote verscheidenheid van aanzien en glans, welke deze hemelligchamen vertoond hebben, kan in dit opzigt alle vooronderstellingen wettigen, die men voegzaam oordeelen zal dienaangaande te maken."
{{sc|Hevelius}} had reeds de opmerking gemaakt, dat de middellijn der dampomkleedsels der kometen vermeerdert, naarmate de kometen zich van de zon verwijderen. {{sc|Newton}} nam deze opmerking aan en verklaarde het verschijnsel daaruit, dat de hoofden der kometen in omvang verminderen, naarmate zij nader aan de zon komen, omdat de staarten der kometen zich juist in dienzelfden tijd vormen uit de stof, waaruit het dampomkleedsel bestaat. Als de komeet derhalve in hare grootste nabijheid tot de zon gekomen is, moet haar ligchaam den kleinsten omvang hebben, omdat de staart, dien zij heeft uitgescho-<noinclude></noinclude>
h1oa2l43a7jv78vx275viveeecq6un1
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/266
104
87310
224054
2026-07-17T19:06:41Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
224054
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||TOT ONS ZONNESTELSEL BEHOORENDE.|233}}</noinclude>als eene heldere stip, of als een klein lichtend schijfje zonder scherp geteekende grenzen en in het midden van het dampomkleedsel geplaatst. Somtijds heeft de kern eene minder regelmatige gedaante en staat ook niet volkomen in het midden van het dampomkleedsel. Zij is het meest lichtgevend deel van de geheele komeet. Zeer ele, ja verre weg de meeste kometen hebben in het geheel geen kern, zoodat men de kern niet als een wezenlijk bestanddeel van alle kometen kan aanmerken. Het dampomhulsel met de kern maken te zamen het hoofd van eene komeet uit.
De staart der kometen vertoont zich als een uitvloeisel en verlenging van het dampomkleedsel. Hij loopt gewoonlijk breed uit, is meestal eenigzins krom gebogen en doet zich in de meest verschillende gedaanten voor. Vele kometen hebben in het geheel geen staart; anderen hebben er eenen van verbazende lengte. Men heeft dien bij sommige kometen op meer dan 20 millioenen geogr. mijlen geschat. Anderen hebben een staart, die in twee of meer staarten schijnt verdeeld te zijn. Zoo vertoonde zich in het jaar 1744 eene komeet, met zes staarten voorzien, die zich in den vorm van een waaijer uitbreidden.
De staart der kometen heeft de opmerkelijke eigenschap, dat hij zich altijd aan die zijde bevindt, die van de zon afgekeerd is. Hij begint zich eerst uit het dampomkleedsel te ontwikkelen, als de komeet in de nabijheid der zon gekomen is. Als zij zich daarvan verwijdert, wordt de staart allengskens kleiner en verdwijnt eindelijk geheel. Het schijnt dus hieruit te blijken, dat hij door de werking der zon op het kometenligchaam geboren wordt en dus ook met de vermindering dier werking weder verloren gaat.
De stof, waaruit de kometen bestaan, is van een buitengewoon ligte, nevelachtige zelfstandigheid, bij welke zelfs onze dampkring-lucht niet vergeleken kan worden. Ofschoon het dampomkleedsel zulk een verbazenden omvang heeft en de stof, waaruit het bestaat, zich als in de kern opgehoopt voordoet, is die stof toch zoo ijl en dun, dat men zeer dikwijls heeft waargenomen, dat de sterren, voor welke eene komeet voorbij trok, met een geheel onverminderd licht door de kern heen schijnen, zonder dat het licht der ster, door die kern<noinclude></noinclude>
ggcj72l4i7t10lthdmdssgx0jnusnrh
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/268
104
87311
224055
2026-07-17T19:10:29Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
224055
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||TOT ONS ZONNESTELSEL BEHOORENDE.|235}}</noinclude>ten, zijne grootste uitgebreidheid heeft. Maar zijn zij eenmaal dien naasten stand voorbij gegaan, dan nemen zij in omvang toe, omdat de staart, dien zij hebben afgescheiden, langzamerhand wederom door haar ligchaam wordt ingezwolgen.
Deze opmerking is door de waarneming van vele kometen bevestigd. Bij eene komeet, die in 1828 werd waargenomen, was de grootte, die zij den 28 October had, op den 24 December tot 16 duizendste deelen van haren oorspronkelijken omvang teruggebragt. Of nu dit verschijnsel met {{sc|newton}} verklaard moet worden, als veroorzaakt door de ontwikkeling van den staart uit het ligchaam der komeet, of met {{sc|valz}} door de wederstandbiedende kracht van den ether, die de hemelruimte vervult, en die rondom het zonneligchaam een ware atmospheer zou vormen, wier benedenste lagen digter zouden worden, al naar mate zij nader aan de zon gelegen zijn, wagen wij niet te beslissen. Door den tegenstand van dien ether zou dus het ligchaam der kometen in de nabijheid der zon worden zamengedrukt.
Reeds {{sc|e}}, een Grieksche geschiedschrijver, verhaalt, volgens
{{sc|seneca}}, dat eene komeet, in het jaar 371 voor C. verschenen, zich. in twee hemelligchamen verdeeld heeft, van welke ieder zijn bijzonderen loop nam. {{sc|Seneca}} zelf betwijfelt dit verhaal, maar {{sc|kepler}} verdedigde het in later tijd, omdat naar zijne overtuiging eene dergelijke verdeeling in de komeet van 1618 had plaats gehad. Men beschouwde in het eerst deze geheele waarneming voor een zelfbedrog. Maar toen in 1846 eene dergelijke scheuring in twee deelen bij de komeet van Biela, of, zooals {{sc|arago}} meent hem te moeten noemen, van Gombart werd waargenomen, begon men op dergelijke verschijnselen meer acht te geven en men vond, dat ook uit vroegeren tijd voorbeelden konden worden bijgebragt, dat kometen zich in twee of zelfs in meerdere hebben gescheiden.
Wat de komeet van Biela betreft, had, zoo als {{sc|alexander von humboldt}} verhaalt, de sterrekundige {{Sc|hund}}, te Greenwich, reeds den 19 December 1845 eene soort van opzwelling aan hare noordelijke zijde ontdekt. In het begin van Januarij 1846 merkte men in Noord-Amerika en Europa op, dat zij zich in tweeën had gescheiden. Het nieuwe hemelligchaam was het kleinste en ging het groote in eene<noinclude></noinclude>
5zc0f3p87iq3aiugsmvmspm42txlryr