Wikisource nlwikisource https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina MediaWiki 1.47.0-wmf.12 first-letter Media Speciaal Overleg Gebruiker Overleg gebruiker Wikisource Overleg Wikisource Bestand Overleg bestand MediaWiki Overleg MediaWiki Sjabloon Overleg sjabloon Help Overleg help Categorie Overleg categorie Hoofdportaal Overleg hoofdportaal Auteur Overleg auteur Pagina Overleg pagina Index Overleg index TimedText TimedText talk Module Overleg module Event Event talk Index:Ridder metter swane (1931).pdf 106 85881 224167 220419 2026-07-23T19:06:45Z Havang(nl) 4330 224167 proofread-index text/x-wiki {{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template |Type=boek |Taal=nl |wikidata= |Titel=[[De Ridder metter Swane]] |Ondertitel= |Deel= |Auteur= |Vertaler= |Redacteur=Gerrit Jacob Boekenoogen |Illustrator= |Stroming= |Jaar=1931 |Uitgever=N.V. Boekhandel en drukkerij voorheen E. J. BRILL |Plaats=Leiden |Druk= |OorspronkelijkeUitgave= |Key= |doe_wikidata= |ISBN= |OCLC= |LCCN= |BNF_ARK= |DBNL= |Bron=pdf |Afbeelding=1 |Voortgang=C |Delen= |Pagina's=<pagelist 1="omslag" 2=- 3to10=highroman 3=f.t. 4=Serie 5=Titel 6=4 7=Inhoud 11=1 188to189=- 190="achter"/> |Opmerkingen={{Pagina:Ridder metter swane (1931).pdf/7}} |NestedInhoud= |Breedte= |Css= |Header= |Footer= }} pb5fbtebvtt96vkl2m9kiq5glz8dk7w Pagina:Ridder metter swane (1931).pdf/11 104 85922 224166 220420 2026-07-23T19:06:00Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 224166 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{{c|{{xxxx-larger|{{xxxx-larger|Eenschone}}}}<br>{{xxxx-larger|Ende Miraculeule Historie}}<br>{{x-larger|vanden Ridder metter Swane, diete Nimme-}}<br>ghen in Gelderlandt t'scheep quam, by den geleyde<br>vaneen Swaen, uit den lande van Lille-<br>foort, twelck men feydt te wesen<br>Ryssel, Duway ende Orchy<br>ghelegen in Vlaen-<br>{{smaller|deren.}}}} [[Bestand:Ridder metter swane (1931) (page 11 crop).jpg|center|450px]] {{c|{{larger|t' AMSTELREDAM.}}}} {{lijn|20em}} {{c|Gedruckt by Cornelis Dircksz. Cool, woonende inde<br> Warmoestraet, inden vergulden Passer. Anno 1651.}}<noinclude></noinclude> bs4fss8zkh6vakygcoaigwo09int32a Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/283 104 87391 224159 2026-07-23T18:02:17Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 224159 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|246|''Schouburgh der''|}}</noinclude>''Mitra'', uit ''Naso'' verbeelt; daar dat gebruik van Haring en anderen Vis in te zouten, pas 300 jaren geleden uitgevonden is door eenen ''Willem Beukelsen'' van Biervliet. Zie ''Batavia Illustrata'' pag. 365.<br>{{gap}}Diergelyke misslagen van schilders, nog in leven willen wy niet op de kaak zetten. Dog wie oulings den Duivel, daar hy den Heere Kristus in de Woestyn door verzoekingen aan boort klampt, met een Monnikskap verbeelt heeft, is onder de Konstoeffenaars, en Printbeminnaars bekent, als ook dat groote meesters gekapte broeders by het Kruis van Kristus en de Hemelvaart van Maria hebben geplaatst; dat even zoo veel te pas komt als of men Jonas den Boetprediker onder den boom der Niniviten verbeeldde met een bef en mantel als thans by zulke luiden in gebruik is. Dog datmen gekapte broeders by de Hemelvaart van Maria heeft verbeeld, vind noch eenigzins verschooning, als men bedenkt dat zulke tafereelen voor de Geestelyken gemaakt zyn, die het licht dus hebben gewilt, en dat zulke luiden die gewoon zyn alleen te praten, geen tegenspraak dulden willen.<br>{{gap}}De groote ''Paulo Veronees'' heeft meermalen de beelden, in oudtydsche Historien, naar de ''Moden'' van zyn tyd gekleed. Dus doet hy ze ook met geleibande kasjakken, gepikeerde broeken, en Spaansche kragen aanzitten, daar hy de Bruiloft te Kana in Galilea verbeelt. Dat ook zoo min te pas komt, als ’t geen Pater Abraham in zyn Boekje van de ''Ambachten'' van een Schilder uit Oostenryk vertelt, die de opwekking van Lazarus had verbeelt, en daar by een Doodbaar, waar op een gekruist Kristus beeltje lag, en nevens het zelve twee brandende kaarsen, met een wywatervat.<br>{{gap}}My gedenkt ook een stuk van den grooten<noinclude>{{rechts|{{sc|Rem}}-}}</noinclude> lkmqpy73nwgsmiag6vzd6o2nvrf3wym Pagina:Ridder metter swane (1931).pdf/32 104 87392 224160 2026-07-23T18:19:12Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 224160 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|22}}</noinclude>niet meer te komen die ick so seer beminde. De ridder die by hem was, hadde hem geerne vertroost, maer hy ginck legghen op een bedde, daer hy ontsliep<ref>In slaap viel</ref> van druck ende weemoedicheyt. Ende [de] edel vrouwe Beatris was in ccn ander kamer die niet min rouwe en hadde. Ende tot haer quam een schild-knecht die haer lange gediendt hadde, ende zeyde dat de koninc komen was. Doen wertse seer ontset, ende vracghde offer yet van haer gescyt was, ende hy seyde jae, ende vertelde haer al dat de valsche Matabrune den coninck geseyd hadde. Doen riep Beatris deerlijck tot Godt almachtich, seggende aldus: <poem> Godt van hemelrijck mijn toeverlaet Die den verlosser gesonden hebt t'onser vrome<ref>Lees: vrame, d. i. bate</ref>. Als u vader bequame<ref>Gelijk u, Vader, beliefde</ref>. Welck is de cause, welck de misdacdt Oft vileynich quaedt. Dat ick teghen u oft uwen sone ecrsame. Buyt de betame. Ghedaen mach hebben? dat dies ick my schame UIt mijnen lichame seven honden komen sijn. Waer by ick mijns heeren vriendtschap van hoogher fame Verloren heb? lacen ic en weet wat ic rame. Al dat mijn is en is niet dan swaer gepijn. O kostelijck carbonckel, o klaer robijn. Verleent my dat ick mijns mans vrientschap ghewinne. Dat bid ick u sone der hemelscher coninginne. O Jesu Christe, opperste Heere ghebenedijt. Die verlosser zijt, En om onse sonden hebt ghestort u bloet,</poem><noinclude></noinclude> bqjrvnqe3royjct2wbi5q413mtww43m Pagina:Ridder metter swane (1931).pdf/33 104 87393 224161 2026-07-23T18:23:49Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 224161 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude><poem> Dies wy verkregen spoet<ref>Bate</ref>, U ghebenedijde moeder, shemels jolijt<ref>Vreugde</ref>, Kreegh droefheyt int hart als volle vloet, Des ben ick wel vroet, Ick bid u Heere door minnen gloet, Die ghy tot ons waert had, dat ghy al mijn sonden Afwasschen wilt, die noyt dede onspoet<ref>Iemand nadeel deed</ref> Door svyants bedrieghen o vader soet, Dat bid ick u minlijck door u vijf wonden O Gods tresoor, tswereldts troost bevonden, Zijt mijn advocact, ende ick u vriendinne, Dat bid ick u sone der hemelscher koninginne. Alsoo waerlijck Heere als ghy door u propoost<ref>Woorden</ref>, U moeder hebt vertroost, Op den Paesdach doen ghy u hebt vertoont, Glorieuselijck verschoont<ref>Verklaard</ref>, Voor de vrouwen en apostelen onghenoost<ref>Ongedeerd</ref>, Nochtans elcken kroont, Die u met herten aenroepen ongehoont: Ick onweerdighe dienersse<ref>Dienares</ref> van woorden kleyn<ref>Lees: kleen</ref>, Roepe u aen Alderhoochste ghekroont, Dat ghy my wilt verwerven reyn ghepersoont, De gratie mijns mans in eeren alleen, Want ic noyt peynsde hem onweerde geen, Oft onghelijcke te doen met herte of zinne, Dat bidt ick u sone der hemelscher koninginne. Princelije prince der engelenscharen, Wilt my bewaren, </poem><noinclude></noinclude> hu58wlzhshn5b9hjgtmse5evbk7o7w9 Pagina:Ridder metter swane (1931).pdf/34 104 87394 224162 2026-07-23T18:31:23Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 224162 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude><poem> Ick sette my onder u beschermen voort, Spreeckt doch mijn woort, Dat de vriendtschap mijns mans mach varen T'mywaert sonder sparen: Ghy kendt my ontschuldich, dies maeckt accoort, Mijn bede aenhoort, Vertroost my Christe zijt mijn comfoort<ref>Hulp</ref> Want ic bedruct ben, ten eynde van beginne, Dat bid ick u sone der hemelscher coninginne. </poem> {{larger|H{{asc|OE DE KONINCK}} O{{asc|RIANT ZIJNEN RAEDT DEDE VERGADEREN, OM TE WETEN WAT HY DOEN SOUDE MET ZIJNDER CONINGINNE, DIE ONRECHTELIJCX VAN ZIJN MOEDER}} M{{asc|ATABRUNE WAS BESCHULDIGHT}}.}} {{initiaal|H}}Ier nae dede de koninck zijnen raedt vergaderen geestelijck ende weerlijck<ref>Wereldlijk</ref> ende zeyde: Ick heb u al doen komen om mijnder koninghinne wil, want my is gheseyt datse ghelegen is van eenen hont alsmen haer opleydt<ref>Ten laste legt</ref>, daerom soud' ick my schamen haer te houden in mijn gheselschap, daerom wilt my hier in t'beste raden. Doen was daer een wijs man een bisschop, die ghekoren was om t'woort te doen die seyde, heer koninck onder correctie van u, ende van u heeren, zoo sal ick u seggen tgoetduncken van ons allen van uwer coninginne, welck men seyd ontfanghen te hebben {{SIC|vij.|7}} honden, zoo bid ick datse niet sterven en sal, want tis mogelijck dat in haren slaep eenighe beest komen is, die haer dees overdaet ghedaen heeft buyten haren weten ende wille, hierom en is zijs<ref>Zij des</ref> niet schuldich, ende oock u edel lichaem heeft by haer gherust nac inhouden des houwelijcx. Hierom dunckt my by uwer waerdicheydt dat ghijse niet en sult laten dooden, maer sultse doen bewaren in een<noinclude></noinclude> ri7hzv01ckjjdf7m673avn6estvmqew Pagina:Ridder metter swane (1931).pdf/35 104 87395 224163 2026-07-23T18:41:32Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 224163 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>eerlijcke plaetse, ende gheven t'recht Godt op, die een oprecht rechter is, want de waerheydt sal noch wel openbaer worden. Van desen raet was de koninck vertroost, ende was hem seer behaechlijck, want hy de koninginne seer beminde. Doen stondt een ander ridder op, die seer straffelijc seyde: Heer koninck wildy dit wijf laten leven, die u soo grooten schande aenghedaen heeft? Indien zy altijdt gevangen blijft, soo en meuchdy nimmermeer ander wijf nemen ende soo soude t'koninckrijck blijven sonder hoyr<ref>Erfgenaam</ref> van u: Hierom want zijt wel verdiendt heeft als blijckt, zout ghyse doen verbernen, dan meuchdy een ander trouwen, daer ghy uwen druck mede vergeten sult. De koninck en prees dien raedt niet, maer besloot ende seyde, als die de koninginne beschudden<ref>Beschermen</ref> wilde: Mijn heere oft sy schuldich waer de doot soo heb ick belooft ende noch beloove dat ick na haer doodt nimmermeer ander wijf trouwen en sal om geene goedt der werelt. Doen besloten de heeren datse gevangen zoude blijven als de bisschop uytghesprooken hadde, ende doen wertse ghevangen geset in een eerlijcke plaetse daerse van twee ridders gediendt werdt als een koninginne. Ende als Matabrune verhoorde dat de bisschop alzoo de wtsprake gedaen had, versprac sy hem schandelijck met fellen woorden. Niet te min de twee ridders leyden Beatris soetelijck in een schoon kamer als ghevanghen, ende sy seyden haer hoe al den raedt ghesloten was, ende hoe haer de koninck bevrijdt had vander doot, ende hoe hy belast hadde dat mense eerlijcken dienen soude. Nochtans bleefse jammerlijc weenende, ende besloten inder kamere, maer zy geboot<ref>Deed groeten</ref> dickwils totten coninck hem danckende vander gratie die hy haer bewesen had, nae der grooter overdaet<ref>Misdaad</ref> diemen haer overseyde, ende sy beloofde altoos voor hem te bidden.<noinclude></noinclude> kf0gtbzule9rcrpma6bo960c7k9s0ie Pagina:Ridder metter swane (1931).pdf/37 104 87396 224164 2026-07-23T18:45:03Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 224164 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>soo liepen zy int bosch ghecleet met een rocxken van bladeren ghemaeckt, ende baervoet, bloots hoofts, ende ginghen altoos tsamen. Ende tgheviel op eenen tijdt dat een jager van Matabrune Savari gheheeten quam jaghen int bosch daer de heremijt woonde: Soo wilde Godt schepper alder creatueren dat dese jagher soude vinden dese seven kinderen die onder eenen boom waren gheseten ende hadden elc een silveren keten aenden hals, ende onder desen boom rapende wilde appelen die sy aten met broodt, ende de jager kreegh groot genuchte als hyse sach, ende groetense vriendelijck, maer sy en antwoorden hem niet, ende liepen wech voor hem, ende hy volchdese totter cluysen om dat hy weten soude van waer sy quamen. Als de heremijt hem sach, soo seyde hy: O goede vriendt ick bid u om Godts wil dat ghy dese arme kleyn kinderkens geen quaet en doet. Neen ick in trouwen seyde de jager, maer ick verwonder my aen te sien haren armen staet, ende oock om de silveren ketenen die ic hun sie dragen aen haren hals. Doen seyde de heremijt, mijn vrient soo ghyse siet, so heb ickse vonden kleyn, ende nieu geboren inden bossche, ende om hun te voeden zoo quam by miraculen, een witte gheyte diese opghevoedt heeft, met haer selfs melc den tijt van dry jaren ende daer na heb ickse opgehouden na mijn macht winter ende somer. Doen zeyde de jager: Godt sal u goeden loon geven, ende hy vertrac vanden heremijt. Als hy weder te Lillefoort komen was, zo vertelde hy Matabrune hoe hy ghevonden hadt seven kinderen int bosch elck met een silveren keten aen den hals die hy vandt onder eenen boom speelen. Waer af Matabrune verwondert [was], ende wist wel dat<ref>Dat het</ref> de seven kinderen waren die koninck Oriant hadde van Beatris diese meende doodt te wesen. Maer Godt die hem alle beschermt<noinclude></noinclude> 9clrhft96ejk1bak3uach2yl1gbppcz Pagina:Ridder metter swane (1931).pdf/38 104 87397 224165 2026-07-23T18:47:47Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 224165 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>die hem dienen, hadse behoedt voor alle quaedt: Waer af Matabrune verstoort was, ende ontboot heymelijc den jager, ende seyde: O mijn vrient ic en wilde om geen goet ick en had dese tijdinghe ghehoort, maer wildy mijn vrientschap hebben, soo neemt noch met u ghesellen die ghy wilt, ghy moet dese seven kinderen gaen dooden, ende ist dat ghyse niet dooden en wilt, ick sal u terstont doen dooden, ende ist dat ghy doet ick sal u loonen, ende ghy en sult nimmermeer gebrec lijden. Hy seyde: Ick salse dooden nae uwen wil, ende ghy sult wel weten dattet waer is. Doe ginc Matabrune met dullen zinnen, tot hem die sy de seven kinders hadt wech doen draghen om te dooden dat hy niet ghedaen en hadt door ontfermherticheydt, waerom zy hem beyde zijn ooghen uytstack. {{larger|H{{asc|OE DE JAGHER SAVARI DOORT GHEBODT VAN}} M{{asc|ATABRUNE GINCK OM TE DOODEN DE SEVEN KINDEREN, ENDE HOE SY IN SWAENEN VERKEERDEN}}.}} {{initaal|B}}Y tgebot van Matabrune nam de jagher Savari met hem seven mannen om te dooden de seven kinderen, ende dese jagher quam in een dorp daer sy saghen groote vergaderinghe van volc, ende sy gingen derwaerts, ende vraechden wat daer te doen was, ende hun wert geseyt datmen ginck een vrou verbernen by recht om dat zy haer kint gedoot had. Doe ginck Savari van daer, ende dacht om de moort daer hy om ghesonden was, om te dooden de seven kinderkens ende seyde: ziet hier eenen goeden spiegel voor ons, want men gaet verbernen dit wijf, om datse haer kindt ghedoot heeft, wat oordeel souden wy verbeyden, dooden wy de seven kinderen die ick int bosch vonden heb, hebbende elc een silveren keten aen den hals, maer vermaledijdt moet hy zijn van Godt die hun eenich quaet doen sal. Als<noinclude></noinclude> jkzxsedezrso7qub94n1ul4en6k2kx5 Index:Het Vaderland 1869 no 220.pdf 106 87398 224168 2026-07-24T07:30:42Z Vincent Steenberg 280 nieuw 224168 proofread-index text/x-wiki {{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template |Type=tijdschrift |Taal=nl |wikidata= |Titel=Het Vaderland |Ondertitel= |Deel= |Auteur= |Vertaler= |Redacteur= |Illustrator= |Stroming= |Jaar=1869 |Uitgever= |Plaats= |Druk= |OorspronkelijkeUitgave= |Key= |doe_wikidata= |ISBN= |OCLC= |LCCN= |BNF_ARK= |DBNL= |Bron=pdf |Afbeelding=1 |Voortgang=C |Delen= |Pagina's=<pagelist 1=1 5="bijvoegsel, 1" 6="bijvoegsel, 2" /> |Opmerkingen=Zie [[:Categorie:Het Vaderland, 1869, Nummer 220]] |NestedInhoud= |Breedte= |Css= |Header= |Footer= }} tgaqnomtoaxsz2eljblm5bikhev1c04 Pagina:Het Vaderland 1869 no 220.pdf/1 104 87399 224169 2026-07-24T07:35:11Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 224169 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" /></noinclude>{| style="width:100%;" | style="width:25%;" | {{c|Maandag 27 December. {{smaller|Abonnements- en Advertentie-prijs.}}}} {{lijn|4em}} {{c|{{smaller|'''PRIJS der COURANT:'''}}}} {{smaller|Per drie maandan voor ’s Hage ƒ '''4,20.'''<br>{{gap|1em}}»{{gap}}»{{gap}}»{{gap}}franco p. post ƒ '''4,90.'''<br>{{gap|1em}}»{{gap}}»{{gap}}» voor België »{{gap}}»{{gap}}»{{gap|1em}}fr. '''12.—.'''}} {{c|{{smaller|Voor Indië ƒ50— per jaar bij vooruitbetaling.<br>Afzonderlijke Nommers aan het Bureel en aan de Stations langs den ''Hollandschen'' Spoorweg 5 cents; op andere plaatsen 10 cents.<br>Verschijnt dagelijk.<br>uitgenomen ZON- en FEESTDAGEN.<br>Prijs der Advertentiën 20 cents per gewonen regel en 5 cents voor een No. der Courant. Advertentiën betreffende liefdegiften 10 cents per regel. Groote letters naar plaatsruimte.<br>Reclames (boven de advert.) 50 cents p. regel.<br>»{{gap}}(na de binnenl. berichten) ƒ1{{gap|1em}}»{{gap}}»}}}} | style="width:50%;" | {{c|{{xxxx-larger|'''HET VADERLAND'''}}}} {{c|{{xx-larger|Staat- en Letterkundig Nieuwsblad.}}}} {{rechts|{{smaller|Het Vaderlandt ghetrouwe<br>Blijf ick tot in den doot.}} {{smaller|''Wilhelmuslied.''}}}} | style="width:25%;vertical-align:top;" | {{c|{{larger|1869. N{{sup|r}}. 220}}}} {{c|Uitgevers:<br>M. NIJHOFF, A. W. SIJTHOFF, D. A. THIEME.<br>{{sp|Administrateu}}r:<br>C. A. VAN REYN.<br>Bureel:<br>{{smaller|HOOGE NIEUWSTRAAT, 6, ’s GRAVENHAGE.}}<br>Hoofdagenten:<br>{{smaller|'''Amsterdam,''' Blikman & Sartorius; '''Rotterdam,''' P. M. Bazendijk; '''Utrecht,''' J. L. Beijers; '''Batavia,''' G. Kolff & Cie.; '''Soerabaija,''' Thieme & Cie., Gebr. Gimberg; '''Keulen,''' Adolf Baedeker; '''Bonn,''' Max Cohen & Sohn; '''Hamburg, Berlijn, Weenen, Frankfort a/M., Basel,''' etc., Haasenstein & Vogler; '''Wiesbaden,''' Jurany & Hensel; '''Stuttgart,''' &c. Sachse & Co.; '''Antwerpen,''' Louis Legros; '''Brussel,''' Office de Publicité; '''Parijs,''' Schmitz en Bullier Jeune, — Havas, Laffite, Bullier et Co., Place de la Bourse, enz.}}}} |} {{lijn|height=5px}}{{lijn}} {{c|''Bij dit nummer behoort een Bijvoegsel''.}} {{lijn|height=5px}}{{lijn}} <section begin="s1"/>{{c|{{larger|'''BERICHT.'''}}}} {{gap}}Zij die zich met 1 Januari a.s. op '''Het Vaderland''' abonneeren, zullen de gedurende deze maand nog verschijnende Nommers '''gratis''' ontvangen.<noinclude>{{lijn}}{{lijn|height=5px}}</noinclude> <section end="s1"/> <section begin="s2"/>{{c|{{larger|’s Gravenhage, 24 December.}}}} {{lijn|4em}} {{c|{{x-larger|Suriname.}}<br>II.}} {{gap}}Een van de groote voordeelen van de vaststelling der begrooting voor de Oost-Indische bezittingen bij eene afzonderlijke wet, waarbij dan uit den aard der zaak alle belangen van die bezittingen meer in détail in behandeling komen, is stellig wel dat ze, bij de behandeling der Staatsbegrooting voor Koloniën, — wanneer daar althans tijd voor is, — meer de aandacht doet vallen op de Nederlandsche koloniën en bezittingen in andere werelddeelen, op Suriname en op de Kust van Guinea, welke tot dusverre noch in, noch buiten het parlement die belangstelling ondervonden, welke haar zoo ruimschoots toekomt. <br>{{gap}}Zóolang zelfs hebben de belangen, vooral van onze West-Indische koloniën op den achtergrond gestaan, dat een verregaande onverschilligheid, ja volslagen onkunde aangaande deze bij onze natie bestaat. En we moeten erkennen, dat deze onverschilligheid uit onwetendheid ook in de Staten-Generaal vertegenwoordigd wordt, sedert we een lid van de Eerste Kamer van Suriname als van »een eiland” hoorden spreken. Trouwens, »de West heeft nimmer de eer genoten van bij het moederland hoog aangeschreven te zijn; de Guiaansche koloniën zijn het onderwerp geweest van zooveel financiëel spel, en het lokaas, waardoor zoovelen geruïneerd werden, dat reeds in de dagen van Pieter De la Court het rijmpje op de West-Indische Compagnie werd toegepast: {{gedicht|{{fine|»Tweemaal vijf is tien,}} {{fine|Ik set nul en houd ien.}} {{fine|Een voor de quanten}} {{fine|En 0 voor de participanten.”}}}} {{gap}}Echter, we moeten dankbaar erkennen, dat de omstandigheden veranderd zijn, dat sedert de emancipatiewet het Moederland aandacht aan de belangen dier kolonie is gaan wijden. <br>{{gap}}Suriname is die aandacht ten volle waardig. Een rijk door de natuur bedeeld land, productief in hooge mate en grootendeels geheel onontgonnen, door zijne ligging in de onmiddellijke nabijheid van de Vereende Staten van Noord-Amerika en dicht aan Europa, uiterst gunstig gelegen om het Westelijk halfrond zijne koloniale producten aan te brengen, heeft het slechts behoefte aan dat eerste en onmisbaar element van ontwikkeling: werkkracht. <br>{{gap}}De slavernij hield tot nog toe alle werkrachten aan de plantages verbonden, terwijl ze tegelijk, door de vooroordeelen welke zij bevorderde, den veldarbeid van vrije lieden en van blanken, voor zooveel het klimaat dien toeliet, uitsloot<ref>{{fine|Een voorbeeld van zoodanig vooroordeel levert de heer Lans in zijn »Bijdrage tot de kennis der kolonie Suriname” (bl. 41) »Een diaken, rondgaande om liefdegiften in te zamelen, treedt in een huisje van een der voorsteden binnen, en vindt er twee jonge gezonde mannen in hun hangmatten uitgestrekt. »Wij zijn zelf dood arm, wij hebben niets om te geven, en zelfs geen bananen om te eten.” — »Maar waarom is die groote tuin om uwe woning geheel in ’t wild gegroeid?” — »Wel, omdat wij geen slaven bezitten.” — Ziedaar het heerschende denkbeeld; landbouw en slavernij worden als onafhankelijk beschouwd.”<br>{{gap}}Dit werd geschreven in 1842. Wel is waar is het na dien tijd veel veranderd en verbeterd, maarde de lust tot veldarbeid is bij den vrijen inboorling van Suriname nog zeer gering.}}</ref>. Maar bij de geheele emancipatie in 1873 wordt de toestand geheel anders: de arbeid van de geheele slavenbevolking, die een totaal van 30&nbsp;000 zielen bedroeg en ongeveer 14&nbsp;000<ref>{{fine|Men denke hier niet aan een drukfout. Hoe vreemd het ook voor Europeesche ooren klinken mogen, bijna de helft, 47&nbsp;%, der geheele slavenmacht werkte in Suriname op de plantages. Alléen in de suikerproductie waren in 1867 niet minder dan 8692 contractanten, waarvan 7707 geëmancipeerden, werkzaam; in 1868 was het cijfer gedaald tot 8587.}}</ref> arbeiders bevatte, wordt vrij, en de zoo bij uitstek productieve kolonie wordt aan hunnen arbeid overgelaten, alleen geregeld door de natuurlijke wet, welke den arbeid de geheele wereld over beheerscht. <br>{{gap}}Nevens de vroegere standen der kolonisten en hunne slaven, zal zich dus ontwikkelen een geheel nieuwe Surinaamsche maatschappij, waarin men de kiem voor welvaart en ontwikkeling der kolonie zoeken moet. <br>{{gap}}Met het oog daarop heeft de emancipatiewet voorschriften gemaakt, welker bedoeling allen lof verdient. Wij bedoelen het staatstoezicht. Met 1 Juli 1863 werd de slavernij afgeschaft, doch een tijdperk van overgang vastgesteld dat 1 Juli 1873 verstrijkt, waarbinnen de geëmancipeerden onder toezicht van staatsambtenaren zouden gesteld worden, en opgeleid tot een goed gebruik hunner geheele vrijheid. Van slaven waren ze vrije arbeiders geworden, bevoegd om hunnen arbeid te verhuren, doch onder streng toezicht wat het nakomen van dat huurcontract betrof, terwijl de Staat daarentegen gedeeltelijk de plaats der voormalige meesters innam, om voor hun stoffelijk en zedelijk welzijn zorg te dragen. <br>{{gap}}De vraag mag echter gedaan worden: heeft de Regeering, — en we hebben hiermede meer bepaald het Koloniaal Bestuur van Suriname op het oog, — wel getoond, dat het die roeping steeds besefte? Is niet veeleer, invde regeeringshandelingen ter uitvoering der wet verricht, de neiging zichtbaar, om het toezicht op de geëmancipeerden dus op te vatten, dat het alleen en uitsluitend ten dienste der planters werd uitgeoefend, der planters bij welke, — met enkele loffelijke uitzonderingen echter, — de overtuiging bestaat: »na 1 Juli 1873 is het toch met de kolonie gedaan; na dien dag zal geen enkel geëmancipeerde de hand meer aan ’t werk willen slaan”, en welke aan die overtuiging de gedachte ontleenen: »laat ons daarom tot 1 Juli 1873 nog zooveel mogelijk van de voormalige slaven profiteeren.” <br>{{gap}}Wij opperen dien twijfel, of de belangen der kolonie in het algemeen wel zoo zwaar bij het koloniaal bestuur wegen als dat der planters, en of het om de behoeften van het oogenblik die van de toekomst niet voorbijziet, om twee redenen; om ’t geen dat bestuur heeft gedaan, en om ’t geen het heeft nagelaten. <br>{{gap}}Uit iedere categorie zullen wij éen feit aanhalen. <br>{{gap}}Onder de handelingen tot uitvoering van de emancipatiewet, vinden wij de bij de Koloniale Staten ingediende verordening tot wijziging en aanvulling der strafbepalingen bedreigd tegen op contractarbeidende werklieden en hunne huurders. Wij wijden aan deze verordening reeds eenige beschouwingen (in ons nr. 129 van 10 Sept.), waarin wij aanwezen, dat ze alle op contractarbeidende werklieden (zelfs de immigranten, zoo goed als de geëmancipeerden) bracht in een toestand van afhankelijkheid en voogdij, weinig verschillende van dien der slavernij, daar o. a. ''verzet met gebaren en andere onbetamelijke gedragingen'' van den arbeider, ''geringe feitelijkheden'', ja zelfs ''beschadiging van huisraad'' in die conceptverordening disciplinair voor den ambtenaar van het staatstoezicht strafbaar werden gesteld. <br>{{gap}}Ook in het hoogst zelden toepassen van artikel 20 der emancipatiewet: »de gouverneur van Suriname is bevoegd vrijgemaakten, die zich door zedelijk gedrag en arbeidzaamheid gunstig onderscheiden, van het Staatstoezicht te ontslaan”, en waarin het bestuur een uitstekend middel had om den overgang van den ouden tot den nieuwen toestand gemakkelijk te maken, geeft voedsel aan onzen twijfel. <br>{{gap}}Doch de daad die ''nagelaten'' is, bevestigt onze opvatting nog meer. Wij bedoelen wat ten aanzien der Arubanen door het Koloniaal Bestuur verzuimd is. Reeds vroeger (in ons nr. 154 van 9 October) wezen wij er op, hoe dat bestuur in de gelegenheid was de nood der gebreklijdende bewoners van Aruba, dat toch ook eene Nederlandsche bezitting is, te lenigen en de welvaart van Guiana tegelijk te bevorderen, wanneer het zich door dezelfde beginselen leiden liet, welke de Venezuelaansche Regeering volgt. Deze toch weet door afstand van grond en andere faciliteiten de overbevolking, welke het rotsachtig Aruba van tijd tot tijd verplicht is af te werpen, naar haar gebied te lokken, en plukt daarvan de vruchten door ontginning en welvaart van de {{SIC|landsteeek|landstreek}}, (de provincie Coro,) waarin zich die emigranten het liefst vestigen. <br>{{gap}}Welke voortreffelijke gelegenheid inderdaad voor het Koloniaal Bestuur om Suriname, dat nu reeds gedeeltelijk, maar vooral na 1 Juli 1873, dubbele behoefte aan vrije werkkrachten heeft, een arbeidzame, vrije en geacclimatiseerde bevolking te verschaffen, welke de kern zou kunnen uitmaken van die vrije bevolking, welke in 1873 de plaats der voormalige slaven vervullen zal. Het gouvernement heeft echter die gelegenheid ongebruikt voorbij laten gaan. Hetzij uit een hier geheel misplaatst begrip van ''laissez faire'', hetzij omdat het niet verder zag dan de dadelijke belangen der planters, heeft het alleen deze op den te Aruba bestaanden nood opmerkzaam gemaakt. En toen op de pogingen der planters, om de Arubanen tot het sluiten van werkovereenkomsten te bewegen, bleek, dat deze wel geneigd waren zich als geheel vrije mannen ineen vreemd land te vestigen, doch weigerden zich te Suriname onder het, op hun eiland niet bestaand, staatstoezicht te stellen, wat hun voorkwam een soort van vermomde slavernij, te zijn<ref>{{fine|Dit is dan toch ook die menschen niet zoo kwalijk te nemen. Zelfs voor ons is het onderscheid tusschen de slavernij, en het staatstoezicht, zooals men het in Suriname begrijpt, (— we herinneren ons de klacht te hebben hooren uiten, dat men na 1 Juli 1873 de geëmancipeerden niet meer tot den arbeid zou kunnen ''dwingen'',) — niet duidelijk; en we gelooven niet, dat dit alles aan den afstand, waarop wij ons bevinden, moet worden toegeschreven.}}</ref>, — ook toen nog schijnt het Koloniaal Bestuur niet te hebben ingezien, hoe het de toekomst der kolonie een onschatbaren dienst kon bewijzen. Althans het deed ''niets'', en hiervan maken wij het, in het belang der kolonie zelve, een verwijt. {{lijn|6em|align=left}} {{References}} <section end="s2"/> <section begin="s3"/>{{lijn|height=2px}} {{c|{{larger|'''BUITENLAND.'''}}}} {{lijn}} <section end="s3"/> <section begin="s4"/>{{c|{{larger|UIT ROME.}}<br>VI.}} {{gap}}Dezen morgen (4 December) werd mijn aandacht gewekt door het gebulder van kanonnen, naar den kant van den burcht St. Angelo. ’t Ging tegen zes uren, Hollandsche berekening. Ik wist in ’t eerst niet wat er van te maken. Het was immers heden geen liooge feestdag, die hier altijd door het geschut van den Engelenburcht zeer vroeg inden morgen wordt aangekondigd. Of zou het een ontploffing van buskruit kunnen zijn, een ramp, of meer nog dan een ramp, een wanbedrijf, gelijk op een avond der maand November 1867, toen er door een vervaarlijken slag een vijfentwintigtal pauselijke Zouaven onder de puinen van een gedeelte der kazerne Serristori den dood vonden? <br>{{gap}}Na echter den Roomschen kalender ingezien te hebben, kwam ik weldra tot bezinning. ’t Is heden de jaarlijksche gedachtenisviering eener Nicomedische maagd en martelaresse, ten jare 237 om geloofswille te Nicomedië onthoofd. Van overoude tijden af werd S. Barbara, zoo is haar naam, door de kanonniers of artilleurs, gelijk de Franschen zeggen, als patrones gevierd. Waarom, is mij totnogtoe niet duidelijk geworden. De legende verhaalt, dat terwijl Barbara op bevel haars vaders in een sterken toren opgesloten was, daar een hevig onweder opstak, waarbij de bliksem in den toren sloeg zonder de moedige maagd te schaden, maar bij welke gelegenheid de vader doodelijk werd getroffen. Hoe het zij, in Frankrijk wordt nog heden ten dage de plaats, waar in de wapenmagazijnen het buskruit wordt bewaard, »Sainte Barbe” genoemd; en dezen morgen losten de »artilliëri” op den Engelenburcht het zwaar geschut. <br>{{gap}}Ik neem deze aanleiding te baat, om eenige mededeelingen te voegen bij hetgeen vroeger reeds door mij werd vermeld, betreffende het pauselijk leger en de sterkte der stad, voor ’t geval zij andermaal het hoofd zou moeten bieden aan de Italianissimi. In een tijd, als die, waarin wij leven, een tijd van getrokken kanonnen, van Chassepots en Remmington-geweren en karabijnen; een tijd, waarin Europa van top tot teen staat gewapend, met millioenen en millioenen soldaten; in een tijd, waarin bijvoorbeeld te Napels — ik ben er zelf in het laatste najaar getuige van geweest — door verkoopers langs de Toledostraat van het dagblad: ''La Libertá'', geroepen wordt: andiamo a Roma per la libert's; en in verschillende steden de kreet nog nu en dan wordt gehoord: »Roma o la morte,” zijn die mededeelingen niet van belang ontbloot. In het begin der vorige maand, in het jaargetijde der overwinning van Mentana, nadat er ’s morgens een gebruikelijke, treurige godsdienstoefening in de kerk del Gesù gehouden was, werd een diner gegeven op het Casino der officieren — piazza Colonna — van honderdvijftig couverts aan de hoofdofficieren van het pauselijk leger. Op dat diner werd een toast ingesteld door den luitenant-kolonel van het Zouavenregiment baron De Charette, waarbij dankbaar werd herdacht hoe men ’t vooral aan het pauselijk leger had te danken dat Rome thans zijne poorten kan openen ter ontvangst der prelaten van de Katholieke wereld. <br>{{gap}}Het kanongebulder van dezen morgen herhaalt zich van tijd tot tijd gedurende den dag tot aan den avond. <br>{{gap}}Het zijn de kanonniers op den burcht S. Angelo en op het Campo Pretoriano, vroeger reeds genoemd, door het volk thans Macao geheeten. Men meene echter niet dat de kanonniers hier hun patronesse alleen vieren door het lossen hunner tweeëndertig stukken. Neen, zij hebben ook nog de feestbanieren op genoemden burcht reeds vroeg in den morgen opgericht, gelijk het gebruik is op alle hooge feesten des jaars, en te 10 uren was er plechtige godsdienstoefening, bijgewoond door het geheele korps kanonniers, in de kerk S. Maria in Transpontino genoemd, gebouwd ter plaatse, waar weleer een gedeelte der tuinen en der renbaan van Nero waren; — de schilderijen dier kerk zijn van d’Arpin, Muzziano, Pomerancio, Dominichino Perugino; men bewaart er twee kolommen, waaraan de apostelen Petrus en Paulus zouden gebonden zijn geweest vóór hun marteling ter dood. <br>{{gap}}Den burcht S. Angelo liet Keizer Adriaan als een grafmonument voor zich bouwen, bij de tuinen van Keizer Domitiaan. Op een kolossaal vierkant metselwerk werd het mausolée, mede van baksteen, in ronden vorm opgetrokken, uitwendig bedekt met wit marmeren platen en eindigend, gelijk alle dergelijke monumenten, in den vorm van een suikerbrood. Op den top waren een pijnappel en een pauw, beide uit brons, geplaatst, die nog in het Vatikaan te zien zijn. De hoofdingang was tegenover de brug S. Angelo, die hier de twee groote deelen der stad vereenigt, en door een zigzag-weg kon men te paard en ook met wagen komen tot boven op het monument. Aan de vier uithoeken was een groep statues en paarden geplaatst, gelijk op de »monte cavallo.” Behalve de schoone zuilen, die indertijd naar de Basiliek van Paulus buiten de muren werden overgebracht en die in den brand dier kerk ten jare 1823 verloren gingen, telde men er vroeger 700 statues, die echter door de soldaten van Belisarius, tijdens de oorlogen tegen de Gothen, in stukken werden gebroken en als projectielen gebruikt. De toren heeft een middellijn van 180 voet, en de omtrek van het geheel is 1012 voet. Totila, en later in de Middeleeuwen Grescentius, maakten van dat grafmonument een versterkten burcht. De Senaat van Rome schonk het in later tijd den Pausen. De vierhoekige toren werd door paus Alexander VI gebouwd, die er den gang aan toevoegde, waarlangs de Pausen, in tijden van oorlog of onrust, uit het Vatikaan naar den burcht een veilige schuilplaats vonden. Zoo vond Paus Clemens VII dat toevluchtsoord, gedurende de bezetting en inneming van Rome door den »Connétable de Bourbon,” die aan het hoofd des legers was van Keizer Karel V. Paus Gregorius de Groote gaf aan die sterkte den naam van Forte de S. Angelo, ter gelegenheid van een ommegang (processie), door dien Paus gehouden bij het woeden eener pest te Rome, toen Gregorius boven bedoeld monument een engel, het uitgetogen zwaard in de scheede stekend, zweven zag. Paus Benedictus XIV deed den hierboven genoemden pijnappel plaats maken voor het kolossale bronzen statue, den aartsengel Michael voorstellend. <br>{{gap}}Bij den kommandant der stad Rome kan men verlof bekomen om het inwendige der sterkte te bezichtigen. Behalve een gedeelte der kanonniers, die in die sterkte als te huis behooren, liggen er nog twee kompagnieën der andere pauselijke troepen, bij beurte elkander afwisselend, om de wachtposten bij dag en des nachts te betrekken. <br>{{gap}}Overigens is Rome geen versterkte plaats of vesting, om een vijandige belegering van weken en maanden te kunnen weerstaan. De muren, nog dezelfde, waardoor de eeuwige stad tijdens Keizer Honorius (anno 423 n. Ch.) was ingesloten, werden voor twee jaren een weinig hersteld. Ook zijn toen nog redoutes aangelegd op den Aventino en de Monte Mario, twee belangrijke punten om de stad te beheerschen, en waar dan ook dubbele wachtposten dag en nacht zijn uitgesteld, zoodat de stad althans gedekt is tegen een onverwachten vijandelijken inval. <br>{{gap}}Om nu weder op de levende strijdkrachten terug te komen, er is hier geen loting of conscriptie, en toch zijn er wel zoovele soldaten — om van de vrijwilligers uit verschillende gewesten van Italië niet te spreken, — uit de vijf provinciën, het tegenwoordig pauselijk grondgebied, als er zouden kunnen zijn ingeval de conscriptie hier ware ingevoerd. De helft van het kleine Pauselijk leger, hoogstens vijftienduizend man sterk, bestaat uit Italianen van Napels en Turijn, van Lombardije en Venetië, van Florence, Parma, Modena enz. over de verschillende korpsen, waaruit het leger samengesteld is, verdeeld. De »gendarmi” tweeduizend in getal, die niet alleen den dienst van politie-agenten waarnemen , maar ook geoefend zijn om desnoods in het veld te vechten, zijn uitsluitend Italianen. In dat korps wordt niemand toegelaten dan na veeljarigen trouwen dienst in een of ander korps der Pauselijke troepen. Onder de vreemden, vooral onder de Duitschers, ook Zwitsers genoemd, »il batalione degli cavaliniéri esteri,” zijn er honderde evangelisch-protestanten, die vrij hun godsdienst kunnen waarnemen. Zoo namen er in de kapel der woning van den Pruisischen Minister, rechts van het Kapitool gelegen, bijna tweehonderd deel aan de viering van het nachtmaal in den jongsten Paaschtijd. Hoe vrij overigens, ondanks het, om zoo te spreken, halsstarrig vasthouden Van Rome aan de oude leering, de personen van andere gezindheden worden gelaten, moge hieruit blijken dat er geen statistiek dier gezindheden gehouden wordt; en mij zijn o. a. artisten bekend, die hier twee, drie jaren hebben vertoefd, zonder dat het bekend is geworden op welke wijze zij hun God meenen te moeten dienen. <br>{{gap}}Ofschoon alle hulde doende aan die kleine Pauselijke legerschaar, hare trouw en dapperheid in de ure des gevaars, met name vooral aan de Palatijnsche wacht der honderd Zwitsers, der vijftig edelen, die de edelwacht uitmaken; aan de burgerwacht, uit een duizendtal der voornaamste Romeinsche burgers gevormd — steunt het gouvernement toch vooral op de »gendarmi” en de Zouaven, voor ’t geval dat er rustverstoringen zouden plaats hebben in deze dagen van het Algemeen Concilie. Het regiment Zouaven, tusschen de vier- en vijfduizend man tellend, is, zooals men weet, uit jeugdige mannen van alle volken van Europa saamgesteld, benevens uit eenige Noord- en Zuid-Amerikanen en enkelen uit Azië, Afrika en Australië. <br>{{gap}}De helft der manschappen, en, ik mag er als Nederlander trotsch op zijn, de kern van het Zouaven-regiment bestaat uit frissche en gezonde Nederlanders. Hun devies, als ik het zoo noemen mag, bij het verlaten van het lieve vaderland is: »''de Koning is mijn Koning, en ik ga als hij mij roept; en de Paus is mijn Vader, en ik ga als hij mij vraagt''.” Hier levend in den vreemde, hebben die goede Hollandsche jongens nog een ander devies, namelijk: »''’t is voor het Geloof''.” Zij hebben hun familie verlaten; »''’t is voor het Geloof''.” Er zijn er, die hun wetenschappelijke opleiding hebben onderbroken, hun ambacht gestaakt; »''’t is voor het Geloof''.” Een aantal hunner hebben wonden ontvangen op het veld van eer en in Romes straten, door een verraderlijken dolksteek als anderszins, gelijk nog dezer dagen gebeurd is; »''’t is voor het Geloof''.” Meer dan éen hunner heeft een verloofde achtergelaten in het oord zijner dierbaarste herinneringen; »''’t is voor het Geloof''.” Wat hen betreft, die gestorven zijn aan hunne wonden, de levenden herhalen het: »''’t is voor het Geloof''.” Tot in de oogenschijnlijk geringe moeilijkheden, onafscheidelijk verbonden aan een bestaan, waarin men zich zoo eensklaps verplaatst ziet uit ''zijn land'' in een vreemd land, waar men de taal niet verstaat, waar hun niet zelden door omwentelingsgezinden verachting en smaad worden aangedaan, fluisteren die Hollandsche dapperen zachtkens: »''’t is voor het Geloof''.” Daar moet dagelijks dienst worden gedaan, wapenoefeningen gehouden in regen en bij zonneschijn, wachtposten betrokken, vermoeiende rondgangen en patrouilles bij avond en ’s nachts, en niet zelden met levensgevaar; de wapenen moeten worden gedragen en bovendien een »ransel” van zestig pond: »''’t is voor het Geloof''.” De Hollander houdt van rooken en een kopje koffie; maar trekt de sigaar niet goed, of is de koffie niet veel bijzonders, de Hollander herhaalt daarbij, en wel zeer ernstig: »''’t is voor het Geloof''.” <br>{{gap}}Daags vóor de opening van het Algemeen Concilie zal er een algemeene revue plaats hebben over het bezettingsleger, te Rome in garnizoen, het korps ingenieurs niet uitgezonderd, waarbij sinds de laatste twee jaren eenige adellijke Romeinsche jongelingen hebben dienst genomen, nadat er eindelijk een soort van school was opgericht, om bekwame mannen voor de militaire genie op te leiden, waaraan sinds lang behoefte werd gevoeld; want de bevordering tot officier enz. geschiedde meer op aanbeveling van adellijke afkomst en bezit van fortuin dan van waarlijk militaire bekwaamheden. <br>{{gap}}De kanonniers vierden dan heden feest. Zoo begonnen wij dezen brief. Om der waarheid niet te kort te doen, moet er ten slotte aan worden toegevoegd, dat enkelen dier mannen wel wat te veel tol betaalden aan Bacchus. Maar wat zal men zeggen? waar menschen zijn, daar zijn afdwalingen mogelijk, en de wijn is hier betrekkelijk goedkoop (vijftien en zelfs tien cents de flesch); zoodat het niet zeldzaam is — ik ben er meermalen getuige van geweest, bij het binnentreden van de woningen der armen — dat dáar de karige bete broods toch nog gedoopt wordt in de wijnkruik. Maar ik moet er, om mijn vroegere lofspraak op de matigheid der Romeinen niet tegen te spreken — ook bij de Romeinsche vrouwen en moeders is de onthouding van wijn door de eerzame matrones van Oud-Rome nog niet geheel en al in vergetelheid geraakt, — ik moet er bijvoegen, dat die wel wat onmatigen geen Romeinen waren. {{lijn|4em}} <section end="s4"/> <section begin="s4"/>{{c|{{x-larger|Feuilleton van „Het Vaderland”}}<br>{{larger|van 27 December 1869.}}}} {{lijn}} {{c|{{x-larger|EEN VOORTREFFELIJK BOEK.}}<br>{{larger|'''In Rome. 1846—1851,'''}}<br>door {{sc|J. Ph. Koelman}}.<br>''Guldens-Editie'', 2 dln. {{sc|D. A. Thieme}}, Arnhem.}} {{gap}}Op het oogenblik, dat de aandacht van geheel Europa gevestigd is op hetgeen dezer dagen te Rome plaats heeft, vloeien dagbladen en tijdschriften natuurlijk over van berichten dienaangaande en half bekend, zooals de meeste lezers zijn met hetgeen voorafging in de »eeuwige stad”, voorzag het werk van den heer Koelman in een werkelijke behoefte. <br>{{gap}}»In Rome. 1846—51” leest men op den titel de twee deelen der Guldens-editie, welke dit werk bevatten; zij behooren tot de allervoortreffelijkste uitgaven, waarop de Nederlandsche letterkunde bogen mag. Dit is een stout woord: wij zullen trachten het te rechtvaardigen. Vooreerst een blik op den algemeenen inhoud. Die is volkomen uitgedrukt in den eenvoudigen titel. 1846—1851 waren gewichtige jaren voor Rome. Met den dood van den voorganger van Pius IX brak een nieuw tijdvak aan. De »''Neri''” raakten tijdelijk op den achtergrond; de nieuwbenoemde vorst wierp zich eerst in de armen der liberalen; hij bleek echter niet bestand te zijn tegen zijn onmiddellijke omgeving van behoudsmannen en tegen buitenlandschen aandrang. Hij aarzelde, trok zich terug, — verviel geheel en al in de macht der Jezuïeten, en in plaats van zich aan Karel Albert, toenmaals »het zwaard Italië” aan te sluiten en hem op den goeden weg te houden, vluchtte hij uit Rome. <br>{{gap}}Het gevolg was de uitroeping der Republiek, — de voorbijgaande zege der vrijheid, — hare heldhaftige verdediging door het Romeinsche volk, dat zich zijne voorouders in hun besten tijd waardig betoonde, onder de aanvoering van Garibaldi, — den vaak miskenden held van deze dagen, wiens naam naast dien — of boven dien — van een Washington in de geschiedboeken zal staan. Maar hij en de Romeinen streden te vergeefs. De Republiek van Frankrijk vermoordde hare zuster aan gene zijde der Alpen. Ziedaar een volkomen tragedie. Niets ontbreekt er aan. <br>{{gap}}En de heer Koelman heeft ze beleefd en een rol daarbij gespeeld. <br>{{gap}}Wat ''na'' ’5l gebeurd is, ligt ons versch in ’t geheugen. Trouwens er is weinig variatie in. De Fransche geweren bewaken steeds nog het graf der vermoorde vrijheid, — met angstige zorg, en een ''unheimisch'' gevoel. Zij hebben gelijk. De gewaande doode zal ''éens'' uit het graf verrijzen, — en dàt in nog geen ver verwijderde dagen. <br>{{gap}}Men geloove echter niet, dat het werk van den heer Koelman een politiek werk is. Het is Rome in alle phases afgeschilderd, zooals slechts de echte kunstenaar, de man van studie, dat doen ''kan''. Daar is de fijn genuanceerde natuurschildering; de plastische voorstelling van kunstwerken en gebouwen; de levende dialoog, door het oor in al zijne intonatiën opgevat en in het geheugen geprent; daar zijn levende menschen, zoo geestig, zoo karakteristiek geschetst, soms met een enkelen meestertrek, dat men zich hen omgeven ziet. <br>{{gap}}Er is meer; te midden van de meest woeste tooneelen van den strijd is er de mannelijke moed, die den kunstenaar de bedaardheid schenkt om met een schildersoog de treffendste effecten op te merken, ze met vaste trekken weer te geven, en daarbij een eenvoudigheid van stijl en inkleeding , die den stempel der waarheid zet op al wat men leest. <br>{{gap}}Hoe kwam de heer Koelman er toe dit boek te schrijven? Wij weten het niet. Maar wij wagen de volgende veronderstelling. Een kunstenaar te Rome, levend voor zijn kunst, een ernstige, diepdenkende Germaan, door het huwelijk van een naastbestaande in de Romeinsche samenleving ingelijfd en niet meer als een vreemde door haar beschouwd. Een man van gevoel en verstand, getroffen door hetgeen hij zag en beleefde in een tijdvak van koortsachtige inspanning en aandoeningen — en daarop in het kleine, kalme vaderland terugkeerende en behoefte gevoelende, evenals hij een schilderij of een standbeeld ontwierp, om een schets te geven van hetgeen hij ondervonden had. <br>{{gap}}Geen »gemaakt” boek, maar een echt kunstwerk is daarvan het gevolg geweest: het ''leeft'' met de herinneringen, welke uit de pen vloeien. Wij hebben het gezegd: een tragedie. — Het eerste bedrijf schier idyllisch in het begin. Kunstenaarsleven en streven in Romes omtrek. Huiselijke, maatschappelijke tooneelen, volksfeesten, vertooningen van allerhande aard; maar ''dit'' is slechts de oppervlakte, de dunne korst, waaronder de lava kookt. Verlichte Katholieken klagen in stilte over het domper-régime der priesterheerschappij; het volk mort over oneerlijkheid der beambten; bedorven zout, het gevolg der regeeringsmonopolie, wekt overal ontevredenheid op; de drukpers ligt aan banden, de spotters steken den draak met de kardinalen-ministers, die misslag op misslag op het gebied der staatseconomie begaan; de algemeene wensch is, het wereldlijk bestuur aan bekwame lieden te zien opdragen; — hervormingen in elken tak van het bestuur worden geëischt; maar het gebouw der Inquisitie staat dreigend in ’t midden der morrende bevolking; de Jezuïeten en de ''camarilla'' regeeren despotisch — en de doodsklok luidt voor Gregorius XVI. <br>{{gap}}Bij het tweede bedrijf gaat het scherm onder luide vreugdekreten op. Pius IX heeft den troon beklommen en voert met zich de vrijheid aan de hand. Overal geluk en zonneschijn en de schoonste verwachtingen. Bekwame leeken vatten het burgerlijk bewind op; meerdere zelfstandigheid begint zich overal te ontwikkelen. De nieuwe vorst wordt aangebeden. Maar slechts voor korten tijd. Alweer is het geluk slechts op de oppervlakte. Daarbeneden woeien laaghartige intrigues; de »Zwarten” geven den strijd niet op; de zwakke vorst wordt heen en weer geslingerd; hij geeft heden iets, dat hij morgen terugneemt; hij wil het goede; maar hem zijnde handen door de kluisters der middeleeuwen gebonden, en de Jezuïeten halen de banden steeds nauwer aan. De leuze luidt, in het Katholieke Europa, dat de godsdienst in gevaar is, — omdat de burgerlijke vrijheid zich vestigen wil. De Paus wordt door de zijnen teruggetrokken, wankelt, gaat schrede voor schrede achteruit, verschuilt zich achter den vreemdeling, en de vrije mannen te Rome niet meer meester, zoekt hij zijn heil te Gaëta, onder de slaven van »''il re Bomba''” zietdaar het droevige slot van het tweede bedrijf. <br>{{gap}}Het derde bevat de geboorte der Republiek, onder de schoonste vooruitzichten. Edele mannen slaan de handen aan het werk. In de financiën, in het burgerlijk bestuur worden doorslaande hervormingen gebracht. De »Neri” verdwijnen geheel van het tooneel, — om achter de schermen des te krachtiger te werken; de pers is vrij en jubelt; het gebouw der Inquisitie valt in handen van het volk, en men ontsluiert zijn droevige, zijn ijzingwekkende geheimen. De priesters komen in minachting, maar de godsdienst blijft in eere. Uit de verte echter komt het onweêr op. Fluisterende geruchten verkondigen den naderenden storm; de Fransche Republiek treedt gemaskerd op. Is het om den Paus te beschermen? Is het om hare jongere zuster te steunen? Niet lang duurt de onzekerheid. Nader en nader, onder vreedzame betuigingen, rukt het leger op Rome aan; — de hoop verdwijnt op hulp, — men grijpt naar de wapens om zich tot het laatste te verdedigen — en Garibaldi is dáar om alles te leiden, om alles te bezielen. <br>{{gap}}Met zijn optreding verdwijnen alle andere leidsmannen in de schaduw. Grootscher figuur is niet denkbaar — hetgeen wij het vierde bedrijf zouden noemen, bevat de belegering van Rome, door hem verdedigd. Elke regel hiervan is even boeiend in de beschrijving van den heer Koelman. Geen enkele dorre technische bijzonderheid ontsiert het boek; maar levend neemt men met den schrijver deel aan den strijd. Als vreemdeling, als kunstenaar, zocht hij den wapenhandel niet; — langzamerhand door den loop van zaken medegesleept, grijpt hij naar de wapens en als vrij man, onder een vrij volk geboren, strijdt hij mede voor de stervende vrijheid. <br>{{gap}}Het vijfde bedrijf bevat sombere tooneelen. De catastrophe is ophanden. Oudinot zegeviert eindelijk en baant zich een weg, door ontrouw en verraad van buiten geholpen, over de lijken der dappere verdedigers in de stad. Garibaldi is weg. Oudinot zal zijn intocht doen. Diepe stilte heerscht overal; alleen gesmoorde hoonkreten worden gehoord, als de Franschman en zijn schitterende stoet door de verlaten straten rijdt. Daar, op eens, op het plein, »werden alle vensters geopend; zakdoeken wuifden in de handen der dames... de hoeden der samengepakte menigte vlogen in de lucht, en Oudinot, in den waan, dat die ontvangst ''hem'' gold, wendde zich naar alle zijden en bedankte met den hoed in de hand op de hoffelijkste wijze. Hij kon zich echter spoedig overtuigen, dat dit alles niet voor hem bestemd was. Het gold den ernstigen Enrico Gernuschi, die gevolgd door een dichten drom jongelieden, allen verdedigers van Rome, uit den Corso te voorschijn trad. Geheel in ’t zwart gekleed en omhangen met de driekleurige sjerp, ging hij vooraan, en niet opgemerkt, voor het te laat was,.... nam hij de reusachtige nationale vlag uit de handen van den hem volgenden vaandeldrager en wierp ze, vóordat iemand den tijd had het te beletten, vóor het paard van den Franschman op den grond. <br>{{gap}}»Het edel dier sprong verschrikt terzijde en deed zijn verbluften ruiter, die thans eerst begreep wien de daverende toejuichingen golden, in den zadel wankelen, terwijl Gernuschi en de zijnen hem den rug toekeerden en, eer hij zich herstellen kon, bedaard het plein verlieten, waar zich de vensters weer sloten en het gefluit het den Franschen bevrijder duidelijk genoeg maakten, dat hij zich niet omtrent het gejuich te vergissen had.” <br>{{gap}}Het scherm valt op de onderdrukte vrijheid in Rome, en het slottooneel toont ons het herstel van den Paus in zijn hoofdstad onder de steeds nog voortdurende bescherming der Fransche wapens. Hoe die werkt, weten wij allen. Wie echter, hetzij uit een historisch of een maatschappelijk oogpunt iets naders van den grooten strijd dier dagen wil weten, ''moet'' het voortreffelijke boek van den heer Koelman ter hand nemen. Dat het naast de bloedige tooneelen van den strijd, liefelijke schilderingen en boeiende episodes van allerlei aard bevat, hebben wij gezegd. Uittreksels te geven zou hier schier onmogelijk zijn; daartoe ontbreekt het ons aan ruimte. {{lijn|4em}} <section end="s4"/> <section begin="s5"/>{{c|{{xx-larger|NIEUWE UITGAVEN.}}}} {{gap}}Zooeven is het prospectus verschenen van het nieuw op te richten weekblad: ''Ons streven, gewijd aan de ontwikkeling der vrouw''. Zooals wij reeds medegedeeld hebben, zal het te Schiedam bij de firma Van Dijk en Comp. worden uitgegeven onder redactie van mej. Betsy Perk. Het prospectus stelt ons in staat te beoordeelen wat ''Ons streven'' wezen wil en verlangend zien wij naar het eerste nommer uit om na te gaan op welke wijze aan het programma zal worden voldaan. <br>{{gap}}Het komt ons voor dat het weekblad zich op het juiste standpunt tegenover de zoogenaamde emancipatie-quaestie wil stellen. In het prospectus<section end="s5"/><noinclude></noinclude> oorjgamq9g21geto4w4vidvu72itb8w 224173 224169 2026-07-24T07:44:04Z Vincent Steenberg 280 224173 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" /></noinclude>{| style="width:100%;" | style="width:25%;" | {{c|Maandag 27 December. {{smaller|Abonnements- en Advertentie-prijs.}}}} {{lijn|4em}} {{c|{{smaller|'''PRIJS der COURANT:'''}}}} {{smaller|Per drie maandan voor ’s Hage ƒ '''4,20.'''<br>{{gap|1em}}»{{gap}}»{{gap}}»{{gap}}franco p. post ƒ '''4,90.'''<br>{{gap|1em}}»{{gap}}»{{gap}}» voor België »{{gap}}»{{gap}}»{{gap|1em}}fr. '''12.—.'''}} {{c|{{smaller|Voor Indië ƒ50— per jaar bij vooruitbetaling.<br>Afzonderlijke Nommers aan het Bureel en aan de Stations langs den ''Hollandschen'' Spoorweg 5 cents; op andere plaatsen 10 cents.<br>Verschijnt dagelijk.<br>uitgenomen ZON- en FEESTDAGEN.<br>Prijs der Advertentiën 20 cents per gewonen regel en 5 cents voor een No. der Courant. Advertentiën betreffende liefdegiften 10 cents per regel. Groote letters naar plaatsruimte.<br>Reclames (boven de advert.) 50 cents p. regel.<br>»{{gap}}(na de binnenl. berichten) ƒ1{{gap|1em}}»{{gap}}»}}}} | style="width:50%;" | {{c|{{xxxx-larger|'''HET VADERLAND'''}}}} {{c|{{xx-larger|Staat- en Letterkundig Nieuwsblad.}}}} {{rechts|{{smaller|Het Vaderlandt ghetrouwe<br>Blijf ick tot in den doot.}} {{smaller|''Wilhelmuslied.''}}}} | style="width:25%;vertical-align:top;" | {{c|{{larger|1869. N{{sup|r}}. 220}}}} {{c|Uitgevers:<br>M. NIJHOFF, A. W. SIJTHOFF, D. A. THIEME.<br>{{sp|Administrateu}}r:<br>C. A. VAN REYN.<br>Bureel:<br>{{smaller|HOOGE NIEUWSTRAAT, 6, ’s GRAVENHAGE.}}<br>Hoofdagenten:<br>{{smaller|'''Amsterdam,''' Blikman & Sartorius; '''Rotterdam,''' P. M. Bazendijk; '''Utrecht,''' J. L. Beijers; '''Batavia,''' G. Kolff & Cie.; '''Soerabaija,''' Thieme & Cie., Gebr. Gimberg; '''Keulen,''' Adolf Baedeker; '''Bonn,''' Max Cohen & Sohn; '''Hamburg, Berlijn, Weenen, Frankfort a/M., Basel,''' etc., Haasenstein & Vogler; '''Wiesbaden,''' Jurany & Hensel; '''Stuttgart,''' &c. Sachse & Co.; '''Antwerpen,''' Louis Legros; '''Brussel,''' Office de Publicité; '''Parijs,''' Schmitz en Bullier Jeune, — Havas, Laffite, Bullier et Co., Place de la Bourse, enz.}}}} |} {{lijn|height=5px}}{{lijn}} {{c|''Bij dit nummer behoort een Bijvoegsel''.}} {{lijn|height=5px}}{{lijn}} <section begin="s1"/>{{c|{{larger|'''BERICHT.'''}}}} {{gap}}Zij die zich met 1 Januari a.s. op '''Het Vaderland''' abonneeren, zullen de gedurende deze maand nog verschijnende Nommers '''gratis''' ontvangen.<noinclude>{{lijn}}{{lijn|height=5px}}</noinclude> <section end="s1"/> <section begin="s2"/>{{c|{{larger|’s Gravenhage, 24 December.}}}} {{lijn|4em}} {{c|{{x-larger|Suriname.}}<br>II.}} {{gap}}Een van de groote voordeelen van de vaststelling der begrooting voor de Oost-Indische bezittingen bij eene afzonderlijke wet, waarbij dan uit den aard der zaak alle belangen van die bezittingen meer in détail in behandeling komen, is stellig wel dat ze, bij de behandeling der Staatsbegrooting voor Koloniën, — wanneer daar althans tijd voor is, — meer de aandacht doet vallen op de Nederlandsche koloniën en bezittingen in andere werelddeelen, op Suriname en op de Kust van Guinea, welke tot dusverre noch in, noch buiten het parlement die belangstelling ondervonden, welke haar zoo ruimschoots toekomt. <br>{{gap}}Zóolang zelfs hebben de belangen, vooral van onze West-Indische koloniën op den achtergrond gestaan, dat een verregaande onverschilligheid, ja volslagen onkunde aangaande deze bij onze natie bestaat. En we moeten erkennen, dat deze onverschilligheid uit onwetendheid ook in de Staten-Generaal vertegenwoordigd wordt, sedert we een lid van de Eerste Kamer van Suriname als van »een eiland” hoorden spreken. Trouwens, »de West heeft nimmer de eer genoten van bij het moederland hoog aangeschreven te zijn; de Guiaansche koloniën zijn het onderwerp geweest van zooveel financiëel spel, en het lokaas, waardoor zoovelen geruïneerd werden, dat reeds in de dagen van Pieter De la Court het rijmpje op de West-Indische Compagnie werd toegepast: {{gedicht|{{fine|»Tweemaal vijf is tien,}} {{fine|Ik set nul en houd ien.}} {{fine|Een voor de quanten}} {{fine|En 0 voor de participanten.”}}}} {{gap}}Echter, we moeten dankbaar erkennen, dat de omstandigheden veranderd zijn, dat sedert de emancipatiewet het Moederland aandacht aan de belangen dier kolonie is gaan wijden. <br>{{gap}}Suriname is die aandacht ten volle waardig. Een rijk door de natuur bedeeld land, productief in hooge mate en grootendeels geheel onontgonnen, door zijne ligging in de onmiddellijke nabijheid van de Vereende Staten van Noord-Amerika en dicht aan Europa, uiterst gunstig gelegen om het Westelijk halfrond zijne koloniale producten aan te brengen, heeft het slechts behoefte aan dat eerste en onmisbaar element van ontwikkeling: werkkracht. <br>{{gap}}De slavernij hield tot nog toe alle werkrachten aan de plantages verbonden, terwijl ze tegelijk, door de vooroordeelen welke zij bevorderde, den veldarbeid van vrije lieden en van blanken, voor zooveel het klimaat dien toeliet, uitsloot<ref>{{fine|Een voorbeeld van zoodanig vooroordeel levert de heer Lans in zijn »Bijdrage tot de kennis der kolonie Suriname” (bl. 41) »Een diaken, rondgaande om liefdegiften in te zamelen, treedt in een huisje van een der voorsteden binnen, en vindt er twee jonge gezonde mannen in hun hangmatten uitgestrekt. »Wij zijn zelf dood arm, wij hebben niets om te geven, en zelfs geen bananen om te eten.” — »Maar waarom is die groote tuin om uwe woning geheel in ’t wild gegroeid?” — »Wel, omdat wij geen slaven bezitten.” — Ziedaar het heerschende denkbeeld; landbouw en slavernij worden als onafhankelijk beschouwd.”<br>{{gap}}Dit werd geschreven in 1842. Wel is waar is het na dien tijd veel veranderd en verbeterd, maarde de lust tot veldarbeid is bij den vrijen inboorling van Suriname nog zeer gering.}}</ref>. Maar bij de geheele emancipatie in 1873 wordt de toestand geheel anders: de arbeid van de geheele slavenbevolking, die een totaal van 30&nbsp;000 zielen bedroeg en ongeveer 14&nbsp;000<ref>{{fine|Men denke hier niet aan een drukfout. Hoe vreemd het ook voor Europeesche ooren klinken mogen, bijna de helft, 47&nbsp;%, der geheele slavenmacht werkte in Suriname op de plantages. Alléen in de suikerproductie waren in 1867 niet minder dan 8692 contractanten, waarvan 7707 geëmancipeerden, werkzaam; in 1868 was het cijfer gedaald tot 8587.}}</ref> arbeiders bevatte, wordt vrij, en de zoo bij uitstek productieve kolonie wordt aan hunnen arbeid overgelaten, alleen geregeld door de natuurlijke wet, welke den arbeid de geheele wereld over beheerscht. <br>{{gap}}Nevens de vroegere standen der kolonisten en hunne slaven, zal zich dus ontwikkelen een geheel nieuwe Surinaamsche maatschappij, waarin men de kiem voor welvaart en ontwikkeling der kolonie zoeken moet. <br>{{gap}}Met het oog daarop heeft de emancipatiewet voorschriften gemaakt, welker bedoeling allen lof verdient. Wij bedoelen het staatstoezicht. Met 1 Juli 1863 werd de slavernij afgeschaft, doch een tijdperk van overgang vastgesteld dat 1 Juli 1873 verstrijkt, waarbinnen de geëmancipeerden onder toezicht van staatsambtenaren zouden gesteld worden, en opgeleid tot een goed gebruik hunner geheele vrijheid. Van slaven waren ze vrije arbeiders geworden, bevoegd om hunnen arbeid te verhuren, doch onder streng toezicht wat het nakomen van dat huurcontract betrof, terwijl de Staat daarentegen gedeeltelijk de plaats der voormalige meesters innam, om voor hun stoffelijk en zedelijk welzijn zorg te dragen. <br>{{gap}}De vraag mag echter gedaan worden: heeft de Regeering, — en we hebben hiermede meer bepaald het Koloniaal Bestuur van Suriname op het oog, — wel getoond, dat het die roeping steeds besefte? Is niet veeleer, invde regeeringshandelingen ter uitvoering der wet verricht, de neiging zichtbaar, om het toezicht op de geëmancipeerden dus op te vatten, dat het alleen en uitsluitend ten dienste der planters werd uitgeoefend, der planters bij welke, — met enkele loffelijke uitzonderingen echter, — de overtuiging bestaat: »na 1 Juli 1873 is het toch met de kolonie gedaan; na dien dag zal geen enkel geëmancipeerde de hand meer aan ’t werk willen slaan”, en welke aan die overtuiging de gedachte ontleenen: »laat ons daarom tot 1 Juli 1873 nog zooveel mogelijk van de voormalige slaven profiteeren.” <br>{{gap}}Wij opperen dien twijfel, of de belangen der kolonie in het algemeen wel zoo zwaar bij het koloniaal bestuur wegen als dat der planters, en of het om de behoeften van het oogenblik die van de toekomst niet voorbijziet, om twee redenen; om ’t geen dat bestuur heeft gedaan, en om ’t geen het heeft nagelaten. <br>{{gap}}Uit iedere categorie zullen wij éen feit aanhalen. <br>{{gap}}Onder de handelingen tot uitvoering van de emancipatiewet, vinden wij de bij de Koloniale Staten ingediende verordening tot wijziging en aanvulling der strafbepalingen bedreigd tegen op contractarbeidende werklieden en hunne huurders. Wij wijden aan deze verordening reeds eenige beschouwingen (in ons nr. 129 van 10 Sept.), waarin wij aanwezen, dat ze alle op contractarbeidende werklieden (zelfs de immigranten, zoo goed als de geëmancipeerden) bracht in een toestand van afhankelijkheid en voogdij, weinig verschillende van dien der slavernij, daar o. a. ''verzet met gebaren en andere onbetamelijke gedragingen'' van den arbeider, ''geringe feitelijkheden'', ja zelfs ''beschadiging van huisraad'' in die conceptverordening disciplinair voor den ambtenaar van het staatstoezicht strafbaar werden gesteld. <br>{{gap}}Ook in het hoogst zelden toepassen van artikel 20 der emancipatiewet: »de gouverneur van Suriname is bevoegd vrijgemaakten, die zich door zedelijk gedrag en arbeidzaamheid gunstig onderscheiden, van het Staatstoezicht te ontslaan”, en waarin het bestuur een uitstekend middel had om den overgang van den ouden tot den nieuwen toestand gemakkelijk te maken, geeft voedsel aan onzen twijfel. <br>{{gap}}Doch de daad die ''nagelaten'' is, bevestigt onze opvatting nog meer. Wij bedoelen wat ten aanzien der Arubanen door het Koloniaal Bestuur verzuimd is. Reeds vroeger (in ons nr. 154 van 9 October) wezen wij er op, hoe dat bestuur in de gelegenheid was de nood der gebreklijdende bewoners van Aruba, dat toch ook eene Nederlandsche bezitting is, te lenigen en de welvaart van Guiana tegelijk te bevorderen, wanneer het zich door dezelfde beginselen leiden liet, welke de Venezuelaansche Regeering volgt. Deze toch weet door afstand van grond en andere faciliteiten de overbevolking, welke het rotsachtig Aruba van tijd tot tijd verplicht is af te werpen, naar haar gebied te lokken, en plukt daarvan de vruchten door ontginning en welvaart van de {{SIC|landsteeek|landstreek}}, (de provincie Coro,) waarin zich die emigranten het liefst vestigen. <br>{{gap}}Welke voortreffelijke gelegenheid inderdaad voor het Koloniaal Bestuur om Suriname, dat nu reeds gedeeltelijk, maar vooral na 1 Juli 1873, dubbele behoefte aan vrije werkkrachten heeft, een arbeidzame, vrije en geacclimatiseerde bevolking te verschaffen, welke de kern zou kunnen uitmaken van die vrije bevolking, welke in 1873 de plaats der voormalige slaven vervullen zal. Het gouvernement heeft echter die gelegenheid ongebruikt voorbij laten gaan. Hetzij uit een hier geheel misplaatst begrip van ''laissez faire'', hetzij omdat het niet verder zag dan de dadelijke belangen der planters, heeft het alleen deze op den te Aruba bestaanden nood opmerkzaam gemaakt. En toen op de pogingen der planters, om de Arubanen tot het sluiten van werkovereenkomsten te bewegen, bleek, dat deze wel geneigd waren zich als geheel vrije mannen ineen vreemd land te vestigen, doch weigerden zich te Suriname onder het, op hun eiland niet bestaand, staatstoezicht te stellen, wat hun voorkwam een soort van vermomde slavernij, te zijn<ref>{{fine|Dit is dan toch ook die menschen niet zoo kwalijk te nemen. Zelfs voor ons is het onderscheid tusschen de slavernij, en het staatstoezicht, zooals men het in Suriname begrijpt, (— we herinneren ons de klacht te hebben hooren uiten, dat men na 1 Juli 1873 de geëmancipeerden niet meer tot den arbeid zou kunnen ''dwingen'',) — niet duidelijk; en we gelooven niet, dat dit alles aan den afstand, waarop wij ons bevinden, moet worden toegeschreven.}}</ref>, — ook toen nog schijnt het Koloniaal Bestuur niet te hebben ingezien, hoe het de toekomst der kolonie een onschatbaren dienst kon bewijzen. Althans het deed ''niets'', en hiervan maken wij het, in het belang der kolonie zelve, een verwijt. {{lijn|6em|align=left}} {{References}} <section end="s2"/> <section begin="s3"/>{{lijn|height=2px}} {{c|{{larger|'''BUITENLAND.'''}}}} {{lijn}} <section end="s3"/> <section begin="s4"/>{{c|{{larger|UIT ROME.}}<br>VI.}} {{gap}}Dezen morgen (4 December) werd mijn aandacht gewekt door het gebulder van kanonnen, naar den kant van den burcht St. Angelo. ’t Ging tegen zes uren, Hollandsche berekening. Ik wist in ’t eerst niet wat er van te maken. Het was immers heden geen liooge feestdag, die hier altijd door het geschut van den Engelenburcht zeer vroeg inden morgen wordt aangekondigd. Of zou het een ontploffing van buskruit kunnen zijn, een ramp, of meer nog dan een ramp, een wanbedrijf, gelijk op een avond der maand November 1867, toen er door een vervaarlijken slag een vijfentwintigtal pauselijke Zouaven onder de puinen van een gedeelte der kazerne Serristori den dood vonden? <br>{{gap}}Na echter den Roomschen kalender ingezien te hebben, kwam ik weldra tot bezinning. ’t Is heden de jaarlijksche gedachtenisviering eener Nicomedische maagd en martelaresse, ten jare 237 om geloofswille te Nicomedië onthoofd. Van overoude tijden af werd S. Barbara, zoo is haar naam, door de kanonniers of artilleurs, gelijk de Franschen zeggen, als patrones gevierd. Waarom, is mij totnogtoe niet duidelijk geworden. De legende verhaalt, dat terwijl Barbara op bevel haars vaders in een sterken toren opgesloten was, daar een hevig onweder opstak, waarbij de bliksem in den toren sloeg zonder de moedige maagd te schaden, maar bij welke gelegenheid de vader doodelijk werd getroffen. Hoe het zij, in Frankrijk wordt nog heden ten dage de plaats, waar in de wapenmagazijnen het buskruit wordt bewaard, »Sainte Barbe” genoemd; en dezen morgen losten de »artilliëri” op den Engelenburcht het zwaar geschut. <br>{{gap}}Ik neem deze aanleiding te baat, om eenige mededeelingen te voegen bij hetgeen vroeger reeds door mij werd vermeld, betreffende het pauselijk leger en de sterkte der stad, voor ’t geval zij andermaal het hoofd zou moeten bieden aan de Italianissimi. In een tijd, als die, waarin wij leven, een tijd van getrokken kanonnen, van Chassepots en Remmington-geweren en karabijnen; een tijd, waarin Europa van top tot teen staat gewapend, met millioenen en millioenen soldaten; in een tijd, waarin bijvoorbeeld te Napels — ik ben er zelf in het laatste najaar getuige van geweest — door verkoopers langs de Toledostraat van het dagblad: ''La Libertá'', geroepen wordt: andiamo a Roma per la libert's; en in verschillende steden de kreet nog nu en dan wordt gehoord: »Roma o la morte,” zijn die mededeelingen niet van belang ontbloot. In het begin der vorige maand, in het jaargetijde der overwinning van Mentana, nadat er ’s morgens een gebruikelijke, treurige godsdienstoefening in de kerk del Gesù gehouden was, werd een diner gegeven op het Casino der officieren — piazza Colonna — van honderdvijftig couverts aan de hoofdofficieren van het pauselijk leger. Op dat diner werd een toast ingesteld door den luitenant-kolonel van het Zouavenregiment baron De Charette, waarbij dankbaar werd herdacht hoe men ’t vooral aan het pauselijk leger had te danken dat Rome thans zijne poorten kan openen ter ontvangst der prelaten van de Katholieke wereld. <br>{{gap}}Het kanongebulder van dezen morgen herhaalt zich van tijd tot tijd gedurende den dag tot aan den avond. <br>{{gap}}Het zijn de kanonniers op den burcht S. Angelo en op het Campo Pretoriano, vroeger reeds genoemd, door het volk thans Macao geheeten. Men meene echter niet dat de kanonniers hier hun patronesse alleen vieren door het lossen hunner tweeëndertig stukken. Neen, zij hebben ook nog de feestbanieren op genoemden burcht reeds vroeg in den morgen opgericht, gelijk het gebruik is op alle hooge feesten des jaars, en te 10 uren was er plechtige godsdienstoefening, bijgewoond door het geheele korps kanonniers, in de kerk S. Maria in Transpontino genoemd, gebouwd ter plaatse, waar weleer een gedeelte der tuinen en der renbaan van Nero waren; — de schilderijen dier kerk zijn van d’Arpin, Muzziano, Pomerancio, Dominichino Perugino; men bewaart er twee kolommen, waaraan de apostelen Petrus en Paulus zouden gebonden zijn geweest vóór hun marteling ter dood. <br>{{gap}}Den burcht S. Angelo liet Keizer Adriaan als een grafmonument voor zich bouwen, bij de tuinen van Keizer Domitiaan. Op een kolossaal vierkant metselwerk werd het mausolée, mede van baksteen, in ronden vorm opgetrokken, uitwendig bedekt met wit marmeren platen en eindigend, gelijk alle dergelijke monumenten, in den vorm van een suikerbrood. Op den top waren een pijnappel en een pauw, beide uit brons, geplaatst, die nog in het Vatikaan te zien zijn. De hoofdingang was tegenover de brug S. Angelo, die hier de twee groote deelen der stad vereenigt, en door een zigzag-weg kon men te paard en ook met wagen komen tot boven op het monument. Aan de vier uithoeken was een groep statues en paarden geplaatst, gelijk op de »monte cavallo.” Behalve de schoone zuilen, die indertijd naar de Basiliek van Paulus buiten de muren werden overgebracht en die in den brand dier kerk ten jare 1823 verloren gingen, telde men er vroeger 700 statues, die echter door de soldaten van Belisarius, tijdens de oorlogen tegen de Gothen, in stukken werden gebroken en als projectielen gebruikt. De toren heeft een middellijn van 180 voet, en de omtrek van het geheel is 1012 voet. Totila, en later in de Middeleeuwen Grescentius, maakten van dat grafmonument een versterkten burcht. De Senaat van Rome schonk het in later tijd den Pausen. De vierhoekige toren werd door paus Alexander VI gebouwd, die er den gang aan toevoegde, waarlangs de Pausen, in tijden van oorlog of onrust, uit het Vatikaan naar den burcht een veilige schuilplaats vonden. Zoo vond Paus Clemens VII dat toevluchtsoord, gedurende de bezetting en inneming van Rome door den »Connétable de Bourbon,” die aan het hoofd des legers was van Keizer Karel V. Paus Gregorius de Groote gaf aan die sterkte den naam van Forte de S. Angelo, ter gelegenheid van een ommegang (processie), door dien Paus gehouden bij het woeden eener pest te Rome, toen Gregorius boven bedoeld monument een engel, het uitgetogen zwaard in de scheede stekend, zweven zag. Paus Benedictus XIV deed den hierboven genoemden pijnappel plaats maken voor het kolossale bronzen statue, den aartsengel Michael voorstellend. <br>{{gap}}Bij den kommandant der stad Rome kan men verlof bekomen om het inwendige der sterkte te bezichtigen. Behalve een gedeelte der kanonniers, die in die sterkte als te huis behooren, liggen er nog twee kompagnieën der andere pauselijke troepen, bij beurte elkander afwisselend, om de wachtposten bij dag en des nachts te betrekken. <br>{{gap}}Overigens is Rome geen versterkte plaats of vesting, om een vijandige belegering van weken en maanden te kunnen weerstaan. De muren, nog dezelfde, waardoor de eeuwige stad tijdens Keizer Honorius (anno 423 n. Ch.) was ingesloten, werden voor twee jaren een weinig hersteld. Ook zijn toen nog redoutes aangelegd op den Aventino en de Monte Mario, twee belangrijke punten om de stad te beheerschen, en waar dan ook dubbele wachtposten dag en nacht zijn uitgesteld, zoodat de stad althans gedekt is tegen een onverwachten vijandelijken inval. <br>{{gap}}Om nu weder op de levende strijdkrachten terug te komen, er is hier geen loting of conscriptie, en toch zijn er wel zoovele soldaten — om van de vrijwilligers uit verschillende gewesten van Italië niet te spreken, — uit de vijf provinciën, het tegenwoordig pauselijk grondgebied, als er zouden kunnen zijn ingeval de conscriptie hier ware ingevoerd. De helft van het kleine Pauselijk leger, hoogstens vijftienduizend man sterk, bestaat uit Italianen van Napels en Turijn, van Lombardije en Venetië, van Florence, Parma, Modena enz. over de verschillende korpsen, waaruit het leger samengesteld is, verdeeld. De »gendarmi” tweeduizend in getal, die niet alleen den dienst van politie-agenten waarnemen , maar ook geoefend zijn om desnoods in het veld te vechten, zijn uitsluitend Italianen. In dat korps wordt niemand toegelaten dan na veeljarigen trouwen dienst in een of ander korps der Pauselijke troepen. Onder de vreemden, vooral onder de Duitschers, ook Zwitsers genoemd, »il batalione degli cavaliniéri esteri,” zijn er honderde evangelisch-protestanten, die vrij hun godsdienst kunnen waarnemen. Zoo namen er in de kapel der woning van den Pruisischen Minister, rechts van het Kapitool gelegen, bijna tweehonderd deel aan de viering van het nachtmaal in den jongsten Paaschtijd. Hoe vrij overigens, ondanks het, om zoo te spreken, halsstarrig vasthouden Van Rome aan de oude leering, de personen van andere gezindheden worden gelaten, moge hieruit blijken dat er geen statistiek dier gezindheden gehouden wordt; en mij zijn o. a. artisten bekend, die hier twee, drie jaren hebben vertoefd, zonder dat het bekend is geworden op welke wijze zij hun God meenen te moeten dienen. <br>{{gap}}Ofschoon alle hulde doende aan die kleine Pauselijke legerschaar, hare trouw en dapperheid in de ure des gevaars, met name vooral aan de Palatijnsche wacht der honderd Zwitsers, der vijftig edelen, die de edelwacht uitmaken; aan de burgerwacht, uit een duizendtal der voornaamste Romeinsche burgers gevormd — steunt het gouvernement toch vooral op de »gendarmi” en de Zouaven, voor ’t geval dat er rustverstoringen zouden plaats hebben in deze dagen van het Algemeen Concilie. Het regiment Zouaven, tusschen de vier- en vijfduizend man tellend, is, zooals men weet, uit jeugdige mannen van alle volken van Europa saamgesteld, benevens uit eenige Noord- en Zuid-Amerikanen en enkelen uit Azië, Afrika en Australië. <br>{{gap}}De helft der manschappen, en, ik mag er als Nederlander trotsch op zijn, de kern van het Zouaven-regiment bestaat uit frissche en gezonde Nederlanders. Hun devies, als ik het zoo noemen mag, bij het verlaten van het lieve vaderland is: »''de Koning is mijn Koning, en ik ga als hij mij roept; en de Paus is mijn Vader, en ik ga als hij mij vraagt''.” Hier levend in den vreemde, hebben die goede Hollandsche jongens nog een ander devies, namelijk: »''’t is voor het Geloof''.” Zij hebben hun familie verlaten; »''’t is voor het Geloof''.” Er zijn er, die hun wetenschappelijke opleiding hebben onderbroken, hun ambacht gestaakt; »''’t is voor het Geloof''.” Een aantal hunner hebben wonden ontvangen op het veld van eer en in Romes straten, door een verraderlijken dolksteek als anderszins, gelijk nog dezer dagen gebeurd is; »''’t is voor het Geloof''.” Meer dan éen hunner heeft een verloofde achtergelaten in het oord zijner dierbaarste herinneringen; »''’t is voor het Geloof''.” Wat hen betreft, die gestorven zijn aan hunne wonden, de levenden herhalen het: »''’t is voor het Geloof''.” Tot in de oogenschijnlijk geringe moeilijkheden, onafscheidelijk verbonden aan een bestaan, waarin men zich zoo eensklaps verplaatst ziet uit ''zijn land'' in een vreemd land, waar men de taal niet verstaat, waar hun niet zelden door omwentelingsgezinden verachting en smaad worden aangedaan, fluisteren die Hollandsche dapperen zachtkens: »''’t is voor het Geloof''.” Daar moet dagelijks dienst worden gedaan, wapenoefeningen gehouden in regen en bij zonneschijn, wachtposten betrokken, vermoeiende rondgangen en patrouilles bij avond en ’s nachts, en niet zelden met levensgevaar; de wapenen moeten worden gedragen en bovendien een »ransel” van zestig pond: »''’t is voor het Geloof''.” De Hollander houdt van rooken en een kopje koffie; maar trekt de sigaar niet goed, of is de koffie niet veel bijzonders, de Hollander herhaalt daarbij, en wel zeer ernstig: »''’t is voor het Geloof''.” <br>{{gap}}Daags vóor de opening van het Algemeen Concilie zal er een algemeene revue plaats hebben over het bezettingsleger, te Rome in garnizoen, het korps ingenieurs niet uitgezonderd, waarbij sinds de laatste twee jaren eenige adellijke Romeinsche jongelingen hebben dienst genomen, nadat er eindelijk een soort van school was opgericht, om bekwame mannen voor de militaire genie op te leiden, waaraan sinds lang behoefte werd gevoeld; want de bevordering tot officier enz. geschiedde meer op aanbeveling van adellijke afkomst en bezit van fortuin dan van waarlijk militaire bekwaamheden. <br>{{gap}}De kanonniers vierden dan heden feest. Zoo begonnen wij dezen brief. Om der waarheid niet te kort te doen, moet er ten slotte aan worden toegevoegd, dat enkelen dier mannen wel wat te veel tol betaalden aan Bacchus. Maar wat zal men zeggen? waar menschen zijn, daar zijn afdwalingen mogelijk, en de wijn is hier betrekkelijk goedkoop (vijftien en zelfs tien cents de flesch); zoodat het niet zeldzaam is — ik ben er meermalen getuige van geweest, bij het binnentreden van de woningen der armen — dat dáar de karige bete broods toch nog gedoopt wordt in de wijnkruik. Maar ik moet er, om mijn vroegere lofspraak op de matigheid der Romeinen niet tegen te spreken — ook bij de Romeinsche vrouwen en moeders is de onthouding van wijn door de eerzame matrones van Oud-Rome nog niet geheel en al in vergetelheid geraakt, — ik moet er bijvoegen, dat die wel wat onmatigen geen Romeinen waren. {{lijn|4em}} <section end="s4"/> <section begin="s5"/>{{c|{{x-larger|Feuilleton van „Het Vaderland”}}<br>{{larger|van 27 December 1869.}}}} {{lijn}} {{c|{{x-larger|EEN VOORTREFFELIJK BOEK.}}<br>{{larger|'''In Rome. 1846—1851,'''}}<br>door {{sc|J. Ph. Koelman}}.<br>''Guldens-Editie'', 2 dln. {{sc|D. A. Thieme}}, Arnhem.}} {{gap}}Op het oogenblik, dat de aandacht van geheel Europa gevestigd is op hetgeen dezer dagen te Rome plaats heeft, vloeien dagbladen en tijdschriften natuurlijk over van berichten dienaangaande en half bekend, zooals de meeste lezers zijn met hetgeen voorafging in de »eeuwige stad”, voorzag het werk van den heer Koelman in een werkelijke behoefte. <br>{{gap}}»In Rome. 1846—51” leest men op den titel de twee deelen der Guldens-editie, welke dit werk bevatten; zij behooren tot de allervoortreffelijkste uitgaven, waarop de Nederlandsche letterkunde bogen mag. Dit is een stout woord: wij zullen trachten het te rechtvaardigen. Vooreerst een blik op den algemeenen inhoud. Die is volkomen uitgedrukt in den eenvoudigen titel. 1846—1851 waren gewichtige jaren voor Rome. Met den dood van den voorganger van Pius IX brak een nieuw tijdvak aan. De »''Neri''” raakten tijdelijk op den achtergrond; de nieuwbenoemde vorst wierp zich eerst in de armen der liberalen; hij bleek echter niet bestand te zijn tegen zijn onmiddellijke omgeving van behoudsmannen en tegen buitenlandschen aandrang. Hij aarzelde, trok zich terug, — verviel geheel en al in de macht der Jezuïeten, en in plaats van zich aan Karel Albert, toenmaals »het zwaard Italië” aan te sluiten en hem op den goeden weg te houden, vluchtte hij uit Rome. <br>{{gap}}Het gevolg was de uitroeping der Republiek, — de voorbijgaande zege der vrijheid, — hare heldhaftige verdediging door het Romeinsche volk, dat zich zijne voorouders in hun besten tijd waardig betoonde, onder de aanvoering van Garibaldi, — den vaak miskenden held van deze dagen, wiens naam naast dien — of boven dien — van een Washington in de geschiedboeken zal staan. Maar hij en de Romeinen streden te vergeefs. De Republiek van Frankrijk vermoordde hare zuster aan gene zijde der Alpen. Ziedaar een volkomen tragedie. Niets ontbreekt er aan. <br>{{gap}}En de heer Koelman heeft ze beleefd en een rol daarbij gespeeld. <br>{{gap}}Wat ''na'' ’5l gebeurd is, ligt ons versch in ’t geheugen. Trouwens er is weinig variatie in. De Fransche geweren bewaken steeds nog het graf der vermoorde vrijheid, — met angstige zorg, en een ''unheimisch'' gevoel. Zij hebben gelijk. De gewaande doode zal ''éens'' uit het graf verrijzen, — en dàt in nog geen ver verwijderde dagen. <br>{{gap}}Men geloove echter niet, dat het werk van den heer Koelman een politiek werk is. Het is Rome in alle phases afgeschilderd, zooals slechts de echte kunstenaar, de man van studie, dat doen ''kan''. Daar is de fijn genuanceerde natuurschildering; de plastische voorstelling van kunstwerken en gebouwen; de levende dialoog, door het oor in al zijne intonatiën opgevat en in het geheugen geprent; daar zijn levende menschen, zoo geestig, zoo karakteristiek geschetst, soms met een enkelen meestertrek, dat men zich hen omgeven ziet. <br>{{gap}}Er is meer; te midden van de meest woeste tooneelen van den strijd is er de mannelijke moed, die den kunstenaar de bedaardheid schenkt om met een schildersoog de treffendste effecten op te merken, ze met vaste trekken weer te geven, en daarbij een eenvoudigheid van stijl en inkleeding , die den stempel der waarheid zet op al wat men leest. <br>{{gap}}Hoe kwam de heer Koelman er toe dit boek te schrijven? Wij weten het niet. Maar wij wagen de volgende veronderstelling. Een kunstenaar te Rome, levend voor zijn kunst, een ernstige, diepdenkende Germaan, door het huwelijk van een naastbestaande in de Romeinsche samenleving ingelijfd en niet meer als een vreemde door haar beschouwd. Een man van gevoel en verstand, getroffen door hetgeen hij zag en beleefde in een tijdvak van koortsachtige inspanning en aandoeningen — en daarop in het kleine, kalme vaderland terugkeerende en behoefte gevoelende, evenals hij een schilderij of een standbeeld ontwierp, om een schets te geven van hetgeen hij ondervonden had. <br>{{gap}}Geen »gemaakt” boek, maar een echt kunstwerk is daarvan het gevolg geweest: het ''leeft'' met de herinneringen, welke uit de pen vloeien. Wij hebben het gezegd: een tragedie. — Het eerste bedrijf schier idyllisch in het begin. Kunstenaarsleven en streven in Romes omtrek. Huiselijke, maatschappelijke tooneelen, volksfeesten, vertooningen van allerhande aard; maar ''dit'' is slechts de oppervlakte, de dunne korst, waaronder de lava kookt. Verlichte Katholieken klagen in stilte over het domper-régime der priesterheerschappij; het volk mort over oneerlijkheid der beambten; bedorven zout, het gevolg der regeeringsmonopolie, wekt overal ontevredenheid op; de drukpers ligt aan banden, de spotters steken den draak met de kardinalen-ministers, die misslag op misslag op het gebied der staatseconomie begaan; de algemeene wensch is, het wereldlijk bestuur aan bekwame lieden te zien opdragen; — hervormingen in elken tak van het bestuur worden geëischt; maar het gebouw der Inquisitie staat dreigend in ’t midden der morrende bevolking; de Jezuïeten en de ''camarilla'' regeeren despotisch — en de doodsklok luidt voor Gregorius XVI. <br>{{gap}}Bij het tweede bedrijf gaat het scherm onder luide vreugdekreten op. Pius IX heeft den troon beklommen en voert met zich de vrijheid aan de hand. Overal geluk en zonneschijn en de schoonste verwachtingen. Bekwame leeken vatten het burgerlijk bewind op; meerdere zelfstandigheid begint zich overal te ontwikkelen. De nieuwe vorst wordt aangebeden. Maar slechts voor korten tijd. Alweer is het geluk slechts op de oppervlakte. Daarbeneden woeien laaghartige intrigues; de »Zwarten” geven den strijd niet op; de zwakke vorst wordt heen en weer geslingerd; hij geeft heden iets, dat hij morgen terugneemt; hij wil het goede; maar hem zijnde handen door de kluisters der middeleeuwen gebonden, en de Jezuïeten halen de banden steeds nauwer aan. De leuze luidt, in het Katholieke Europa, dat de godsdienst in gevaar is, — omdat de burgerlijke vrijheid zich vestigen wil. De Paus wordt door de zijnen teruggetrokken, wankelt, gaat schrede voor schrede achteruit, verschuilt zich achter den vreemdeling, en de vrije mannen te Rome niet meer meester, zoekt hij zijn heil te Gaëta, onder de slaven van »''il re Bomba''” zietdaar het droevige slot van het tweede bedrijf. <br>{{gap}}Het derde bevat de geboorte der Republiek, onder de schoonste vooruitzichten. Edele mannen slaan de handen aan het werk. In de financiën, in het burgerlijk bestuur worden doorslaande hervormingen gebracht. De »Neri” verdwijnen geheel van het tooneel, — om achter de schermen des te krachtiger te werken; de pers is vrij en jubelt; het gebouw der Inquisitie valt in handen van het volk, en men ontsluiert zijn droevige, zijn ijzingwekkende geheimen. De priesters komen in minachting, maar de godsdienst blijft in eere. Uit de verte echter komt het onweêr op. Fluisterende geruchten verkondigen den naderenden storm; de Fransche Republiek treedt gemaskerd op. Is het om den Paus te beschermen? Is het om hare jongere zuster te steunen? Niet lang duurt de onzekerheid. Nader en nader, onder vreedzame betuigingen, rukt het leger op Rome aan; — de hoop verdwijnt op hulp, — men grijpt naar de wapens om zich tot het laatste te verdedigen — en Garibaldi is dáar om alles te leiden, om alles te bezielen. <br>{{gap}}Met zijn optreding verdwijnen alle andere leidsmannen in de schaduw. Grootscher figuur is niet denkbaar — hetgeen wij het vierde bedrijf zouden noemen, bevat de belegering van Rome, door hem verdedigd. Elke regel hiervan is even boeiend in de beschrijving van den heer Koelman. Geen enkele dorre technische bijzonderheid ontsiert het boek; maar levend neemt men met den schrijver deel aan den strijd. Als vreemdeling, als kunstenaar, zocht hij den wapenhandel niet; — langzamerhand door den loop van zaken medegesleept, grijpt hij naar de wapens en als vrij man, onder een vrij volk geboren, strijdt hij mede voor de stervende vrijheid. <br>{{gap}}Het vijfde bedrijf bevat sombere tooneelen. De catastrophe is ophanden. Oudinot zegeviert eindelijk en baant zich een weg, door ontrouw en verraad van buiten geholpen, over de lijken der dappere verdedigers in de stad. Garibaldi is weg. Oudinot zal zijn intocht doen. Diepe stilte heerscht overal; alleen gesmoorde hoonkreten worden gehoord, als de Franschman en zijn schitterende stoet door de verlaten straten rijdt. Daar, op eens, op het plein, »werden alle vensters geopend; zakdoeken wuifden in de handen der dames... de hoeden der samengepakte menigte vlogen in de lucht, en Oudinot, in den waan, dat die ontvangst ''hem'' gold, wendde zich naar alle zijden en bedankte met den hoed in de hand op de hoffelijkste wijze. Hij kon zich echter spoedig overtuigen, dat dit alles niet voor hem bestemd was. Het gold den ernstigen Enrico Gernuschi, die gevolgd door een dichten drom jongelieden, allen verdedigers van Rome, uit den Corso te voorschijn trad. Geheel in ’t zwart gekleed en omhangen met de driekleurige sjerp, ging hij vooraan, en niet opgemerkt, voor het te laat was,.... nam hij de reusachtige nationale vlag uit de handen van den hem volgenden vaandeldrager en wierp ze, vóordat iemand den tijd had het te beletten, vóor het paard van den Franschman op den grond. <br>{{gap}}»Het edel dier sprong verschrikt terzijde en deed zijn verbluften ruiter, die thans eerst begreep wien de daverende toejuichingen golden, in den zadel wankelen, terwijl Gernuschi en de zijnen hem den rug toekeerden en, eer hij zich herstellen kon, bedaard het plein verlieten, waar zich de vensters weer sloten en het gefluit het den Franschen bevrijder duidelijk genoeg maakten, dat hij zich niet omtrent het gejuich te vergissen had.” <br>{{gap}}Het scherm valt op de onderdrukte vrijheid in Rome, en het slottooneel toont ons het herstel van den Paus in zijn hoofdstad onder de steeds nog voortdurende bescherming der Fransche wapens. Hoe die werkt, weten wij allen. Wie echter, hetzij uit een historisch of een maatschappelijk oogpunt iets naders van den grooten strijd dier dagen wil weten, ''moet'' het voortreffelijke boek van den heer Koelman ter hand nemen. Dat het naast de bloedige tooneelen van den strijd, liefelijke schilderingen en boeiende episodes van allerlei aard bevat, hebben wij gezegd. Uittreksels te geven zou hier schier onmogelijk zijn; daartoe ontbreekt het ons aan ruimte. {{lijn|4em}} <section end="s5"/> <section begin="s6"/>{{c|{{xx-larger|NIEUWE UITGAVEN.}}}} {{gap}}Zooeven is het prospectus verschenen van het nieuw op te richten weekblad: ''Ons streven, gewijd aan de ontwikkeling der vrouw''. Zooals wij reeds medegedeeld hebben, zal het te Schiedam bij de firma Van Dijk en Comp. worden uitgegeven onder redactie van mej. Betsy Perk. Het prospectus stelt ons in staat te beoordeelen wat ''Ons streven'' wezen wil en verlangend zien wij naar het eerste nommer uit om na te gaan op welke wijze aan het programma zal worden voldaan. <br>{{gap}}Het komt ons voor dat het weekblad zich op het juiste standpunt tegenover de zoogenaamde emancipatie-quaestie wil stellen. In het prospectus<section end="s6"/><noinclude></noinclude> g1ksjwyfoo9jfz5sfwduhnhgj9zk6uk Het Vaderland/1869/Nummer 220/Suriname 0 87400 224170 2026-07-24T07:37:47Z Vincent Steenberg 280 nieuw 224170 wikitext text/x-wiki {{Koptekst | Titel = ‘Suriname. II’ | Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver | Vertaler = |Override_vertaler = | Sectie = | Vorige = | Volgende = | Jaar = | Opmerkingen = Afkomstig uit ''Het Vaderland'', maandag 27 december 1869, [p.&nbsp;1]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]]. }} <pages index="Het Vaderland 1869 no 220.pdf" from=1 to=1 fromsection=s2 tosection=s2/> [[Categorie:Het Vaderland, 1869, Nummer 220]] nchp4n69d255puj3zqmlnxw58dbq099 Categorie:Het Vaderland, 1869, Nummer 220 14 87401 224171 2026-07-24T07:38:09Z Vincent Steenberg 280 nieuw 224171 wikitext text/x-wiki [[Categorie:Het Vaderland, 1869]] 1xua1oguds4hba9wu7qaxym33sf26yo Categorie:Het Vaderland, 1869 14 87402 224172 2026-07-24T07:38:25Z Vincent Steenberg 280 nieuw 224172 wikitext text/x-wiki [[Categorie:Het Vaderland]] 2dx0l7toot0annxyw40hkvungdsowk8 Het Vaderland/1869/Nummer 220/Uit Rome 0 87403 224174 2026-07-24T07:44:20Z Vincent Steenberg 280 nieuw 224174 wikitext text/x-wiki {{Koptekst | Titel = ‘Uit Rome. VI’ | Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver | Vertaler = |Override_vertaler = | Sectie = | Vorige = | Volgende = | Jaar = | Opmerkingen = Afkomstig uit ''Het Vaderland'', maandag 27 december 1869, [p.&nbsp;1]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]]. }} <pages index="Het Vaderland 1869 no 220.pdf" from=1 to=1 fromsection=s4 tosection=s4/> [[Categorie:Het Vaderland, 1869, Nummer 220]] c5n5gtqkjia98t1pyfl0kvcb30qmg6v Het Vaderland/1869/Nummer 220/Een voortreffelijk boek 0 87404 224175 2026-07-24T07:49:36Z Vincent Steenberg 280 nieuw 224175 wikitext text/x-wiki {{Koptekst | Titel = ‘Een voortreffelijk boek. In Rome. 1846—1851, door J. Ph. Koelman. Guldens-Editie, 2 dln. D. A. Thieme, Arnhem’ | Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver | Vertaler = |Override_vertaler = | Sectie = | Vorige = | Volgende = | Jaar = | Opmerkingen = Afkomstig uit ''Het Vaderland'', maandag 27 december 1869, [p.&nbsp;1]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]]. }} <pages index="Het Vaderland 1869 no 220.pdf" from=1 to=1 fromsection=s5 tosection=s5/> [[Categorie:Het Vaderland, 1869, Nummer 220]] aarrb6vw1vlkhskpecedtghl68x9x8i