Wikisource
nlwikisource
https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina
MediaWiki 1.47.0-wmf.15
first-letter
Media
Speciaal
Overleg
Gebruiker
Overleg gebruiker
Wikisource
Overleg Wikisource
Bestand
Overleg bestand
MediaWiki
Overleg MediaWiki
Sjabloon
Overleg sjabloon
Help
Overleg help
Categorie
Overleg categorie
Hoofdportaal
Overleg hoofdportaal
Auteur
Overleg auteur
Pagina
Overleg pagina
Index
Overleg index
TimedText
TimedText talk
Module
Overleg module
Event
Event talk
Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo
100
34760
224721
224644
2026-08-13T18:34:16Z
Vincent Steenberg
280
bronnen toegevoegd/verplaatst
224721
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox thema
| naam = Nederlandse schilderkunst;<br>Barok en Rococo<br>(ca. 1600-ca. 1750)
| afbeelding = Rembrandt-Belsazar.jpg
| beschrijving = Dit is een overzicht van alle op [[Wikisource:Over Wikisource|Wikisource]] beschikbare bronnen over Nederlandse schilderkunst uit de periode ca. 1600 tot ca. 1750.
| artikelwikipedia =
}}
== Algemeen ==
=== Tentoonstellingen ===
;1933
*''Kunsthandel Dorus Hermsen N.V.'', Den Haag, december 1933.<br>Aankondigingen en recensies:
**Gio. [=Jan Kalff] (16 december 1933) ‘Kunst in Den Haag’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 10.
;1935
*''Vermeer. Oorsprong en invloed Fabritius, De Hooch, De Witte'', Museum Boymans, Rotterdam, 9 juli-9 oktober 1935.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (24 mei 1935) [[Haagsche Courant/Nummer 16042/Boymans' openings-expositie|‘Boymans’ openings-expositie. Werken van Meesters van de Delftsche School’]], ''Haagsche Courant'', vierde blad, p. 3.
**Anoniem (21 juni 1935) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 108/Nummer 35334/Avondblad/Het Rijksmuseum leent aan Boymans|‘Het Rijksmuseum leent aan Boymans’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, p. 13.
**Anoniem (9 juli 1935) [[De Gooi- en Eemlander/Jaargang 64/Nummer 159/Schilderkunst|‘Schilderkunst. De Vermeer-tentoonstelling in Boymans’]], ''De Gooi- en Eemlander'', eerste blad, p. 3.
== Algemene geschiedenis van de Nederlandse schilderkunst uit de barok en rococo ==
*Houbraken, Arnold (1718-1721) ''[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen]]'', Amsterdam: [s.n.]
== Bijzondere onderwerpen ==
;Aelst, Evert van (1602-1657)
*Houbraken, Arn. (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Evert en Willem van Aelst|"Evert van Aelst […] Willem van Aelst"]], in: Arn. Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p. 228-230.
;Aldewereld, Herman van (1628/1629-1669)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Anthonisz., Aert
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Asch, Pieter van
*Arnold Houbraken (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Pieter Janze van Asch|"Pieter Janze van Asch"]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p. 235-236.
;Assen, Jan van (ca. 1635-1695/1697)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ary vander Kabel|“Ary vander Kabel”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 235-236, met name 236.
;Ban, Gerbrand
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Beck, David (1621-1656)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/David Beck|“David Beck”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 83-87.
;Beelt, Cornelis (voor 1612-na 1664)
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
;Beerstraaten, Anthonie
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
*Anoniem (13 juli 1898) [[Leeuwarder Courant/1898/Nummer 162/Leeuwarden, 12 Juli/Stadsnieuws/Ter afwisseling van de vorige verzameling|‘Ter afwisseling van de vorige verzameling is thans op het Prentenkabinet van het Friesch Museum tentoongesteld […]’]], ''Leeuwarder Courant'', [eerste blad, p. 1].
*Anoniem (8 mei 1985) ‘Tip voor Sneek’, ''Leeuwarder Courant'', [p. 17].
*Anoniem (22 mei 1985) ‘Beerstraatens stadsgezicht niet naar Sneek’, ''Leeuwarder Courant'', p. 15.
*''’t Is Winter'', Amsterdams Historisch Museum, Amsterdam, ....-2 maart 1987, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**Jan Bart Klaster (14 januari 1987) ‘Moralistisch lesje in pretverpakking. Het verdwenen Amsterdam op wintertaferelen’, ''Het Parool'', uit en thuis, p. 6.
;Beerstraaten, Jan Abrahamsz.
[[Bestand:Rotterdamsche Courant vol 1867 no 024 advertisement A. J. & Dirk A. Lamme.jpg|thumb|Advertentie uit de ''Rotterdamsche Courant'', 27 januari 1867]]
[[Bestand:Algemeen Handelsblad vol 1872 no 12851 advertisement Belangrijke kunstveilingen in de Brakke Grond.jpg|thumb|Advertentie uit het ''Algemeen Handelsblad'', 24 september 1872]]
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
*''Annual autumn exhibition of paintings by old Dutch and Flemish masters'', Alfred Brod Galerie, Londen, 5 oktober-4 november 1961.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (13 oktober 1961) ‘Londense expositie van oude meesters’, ''Het Parool'', p. 17.
*''’t Is Winter'', Amsterdams Historisch Museum, Amsterdam, ....-2 maart 1987, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**Jan Bart Klaster (14 januari 1987) ‘Moralistisch lesje in pretverpakking. Het verdwenen Amsterdam op wintertaferelen’, ''Het Parool'', uit en thuis, p. 6.
;Beest, Sybrand van
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
*Kramm, Christiaan (1857) [[De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters/Deel 1/Beest. (S... van)|“Beest. (S... van)”]], in: Christiaan Kramm (1857-1864) ''De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters'', Amsterdam: Gebroeders Diederichs, deel I, p. 68.
;Bemmel, Jacob Gerritsz. van
*Kramm, Christiaan (1857) [[De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters/Deel 1/Bemmel. (Joost van)|“Bemmel. (Joost van)”]], in: Christiaan Kramm (1857-1864) ''De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters'', Amsterdam: Gebroeders Diederichs, deel I, p. 73.
;Bemmel, Willem van (1630-1708)
*Kramm, Christiaan (1857) [[De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters/Deel 1/Bemmel. (van)|“Bemmel. (van)”]], in: Christiaan Kramm (1857-1864) ''De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters'', Amsterdam: Gebroeders Diederichs, deel I, p. 72-73.
;Berckheyde, Job (1630-1693)
*Anoniem (25 februari 1940) [[Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 63/Nummer 22259/Beroemde Haarlemmers|‘Beroemde Haarlemmers’]], ''Nieuwe Haarlemsche Courant'', [p. 3].
*Houbraken, Arnold (1721) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 3/Job en Gerard Berkheyden|“Job en Gerard Berkheyden”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel III, p. 189-198.
;Bergh, Matthijs van den (1618-1687)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathys vanden Berg|“Mathys vanden Berg”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 15-16.
;Bisschop, Abraham (1670-1729/1730)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Abraham Bisschop|“Abraham [Bisschop]”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 222-223.
;Bisschop, Jacobus (1658-1704)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakobus Bisschop|“Jakobus Bisschop”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 222.
;Bisschop, Cornelis (1630-1674)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kornelis Bisschop|“Kornelis Bisschop”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 220-222.
;Blanckerhoff, Jan Theunisz. (1628-1669)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Teunisz. Blankhof|“Jan Teunisz. Blankhof”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 198-200.
;Bloemaert, Hendrick
[[Bestand:Opregte Haerlemsche Courant vol 1832 no 027 ad L. van Es en S. de Grebber.jpg|thumb|Advertentie uit de ''Opregte Haerlemsche Courant'', 3 maart 1832.]]
*''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies:
**Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p. 1-2].
*Houbraken, Arn. (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Abraham Bloemaart|"Abraham Bloemaart"]], in: Arn. Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p. 44.
;Boone, Daniël (1630/1631-1692)
*''Collection Antoon van Welie. Tableaux anciens de l'école italienne, français, allemande, espagnole, flamande et hollandaise. Quelques objets divers'', S.J. Mak van Waay, Amsterdam, 7 april 1936, lotnr. 69.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (16 maart 1936) [[Het Vaderland/Jaargang 67/16 maart 1936/Avondblad/Veiling collectie Antoon van Welie|‘Veiling collectie Antoon van Welie’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Borssom, Anthonie van
*Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p. 38-48.
;Bray, Jan de
*''Tentoonstelling Bijbelsche Kunst'', Rijksmuseum, Amsterdam, 8 juli-8 oktober 1939.<br>Aankondigingen en recensies:
**M.V. (27 juli 1939) ‘Bijbelsche kunst in het Rijksmuseum’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 9.
;Breenbergh, Bartholomeus (1598-1657)
*[Nederlandse Meesters], Hôtel Maréchal de Turenne, Den Haag, 9-17 februari 1840, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (12 februari 1840) [[Algemeen Handelsblad/1840/Nummer 2580/Berigt aan Kunstvrienden|‘Berigt aan Kunstvrienden [advertentie]’]], ''Algemeen Handelsblad'', [p. 3].
*''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies:
**Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p. 1-2].
;Brekelenkam, Quiringh van (1622/30-1669/1670)
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
;Buytewech, Willem (I) (1591/1592-1624)
*Anoniem (22 juli 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24505/Avondblad/"Rembrandt"|‘„Rembrandt”’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Eerste Blad, [p. 1].
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Carrée, Michiel (1657-1727)
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
;Claesz., Pieter (1597/1598-1661)
*''Catalogue des tableaux anciens des écoles allemande, anglaise, espagnole, flamande, française, hollandaise, italienne, suisse des XVe, XVIe, XVIIe, XVIIIe siècles composant la collection de Son Excellence feu Paul Delaroff, conseiller privé de Sa Majesté l'Empereur de Russie'', F. Lair-Dubreuil, Parijs, 23-24 april 1914.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Veiling-Delaroff|‘Veiling-Delaroff’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p. 7.
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Codde, Pieter
*''Catalogue tableaux anciens, porcelaines diverses, beau meuble Boulle - collection du Baron Liphart-Rathshoff à Dorpat; argenterie interessante, chales, tapis persans, porcelaines emaillées, meubles - provenances diverses'' [veilingcat.], A. Mak, Amsterdam, 11-13 oktober 1921.<br>Aankondigingen:
**Anoniem (29 september 1921) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 78/Nummer 270/Avondblad/De firma A. Mak te Amsterdam zendt ons den catalogus van de kunstveiling, welke 11 en 13 October in het gebouw „De Roos” zal worden gehouden|‘De firma A. Mak te Amsterdam zendt ons den catalogus van de kunstveiling, welke 11 en 13 October in het gebouw „De Roos” zal worden gehouden [...]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p. 1.
;Compe, Jan ten
*[''Stadsgezichten en genretaferelen''], Centraal Museum, Utrecht, ....-15 juli 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**H. de Jonge (12 juni 1934) ‘Centraal museum Utrecht. Stadsgezichten en genretafereelen’, ''De Tijd'', Avondblad, [p. 5].
;Croos, Anthonie van (1606/1607-1662)
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
*Anoniem (24 september 1902) [[De Zuid-Willemsvaart/Jaargang 22/Nummer 76/Veiling Heeswijk|‘Veiling Heeswijk’]], ''De Zuid-Willemsvaart'', [p. 2].
*''Catalogue des tableaux anciens des écoles allemande, anglaise, espagnole, flamande, française, hollandaise, italienne, suisse des XVe, XVIe, XVIIe, XVIIIe siècles composant la collection de Son Excellence feu Paul Delaroff, conseiller privé de Sa Majesté l'Empereur de Russie'', F. Lair-Dubreuil, Parijs, 23-24 april 1914.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Veiling-Delaroff|‘Veiling-Delaroff’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p. 7.
;Cuylenborch, Abraham van (I)
*''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies:
**Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p. 1-2].
;Delff, Jacob Willemsz. (II) (1619-1661)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakob Delff|“Jakob Delff”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 56-57.
;Diepraam, Arent (1622-1670)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Does, Jacob van der (I) (1623-1673)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakob vander Does|“Jakob vander Does”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 105-108.
;Donker, Jan
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan en Pieter Donker|“Jan en Pieter Donker”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 93.
;Donker, Pieter (ca. 1635-1668)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan en Pieter Donker|“Jan en Pieter Donker”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 93.
;Doomer, Lambert (1624-1700)
*''Kaarten, profielen en panorama’s van Amsterdam'', Museum Fodor, Amsterdam, 10 september-27 november 1932.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (1 oktober 1932) [[De Locomotief/Jaargang 81/Nummer 228/Amsterdam in Vroeger Eeuwen|‘Amsterdam in Vroeger Eeuwen. Eene belangwekkende tentoonstelling’]], ''De Locomotief'', Vijfde Blad, [p. 2].
;Doudijns, Willem (1630-1697)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem Doudyns|“Willem Doudyns”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 234-235.
;Drielenburg, Willem van (1632-1677)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem van Drillenburg|“Willem van Drillenburg”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 147-153.
*[''Stadsgezichten en genretaferelen''], Centraal Museum, Utrecht, ....-15 juli 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**H. de Jonge (12 juni 1934) ‘Centraal museum Utrecht. Stadsgezichten en genretafereelen’, ''De Tijd'', Avondblad, [p. 5].
;Droochsloot, Cornelis
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
*''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies:
**Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p. 1-2].
;Druyvestein, Aart Jansz. (1577-1627)
*Arnold Houbraken (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Aart Janze Druivestein|"Aart Janze Druivestein"]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p. 60-61.
;Dubbels, Hendrick Jacobsz.
*Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 1].
*''’t Is Winter'', Amsterdams Historisch Museum, Amsterdam, ....-2 maart 1987, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**Jan Bart Klaster (14 januari 1987) ‘Moralistisch lesje in pretverpakking. Het verdwenen Amsterdam op wintertaferelen’, ''Het Parool'', uit en thuis, p. 6.
;Duck, Jacob
*[''Stadsgezichten en genretaferelen''], Centraal Museum, Utrecht, ....-15 juli 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**H. de Jonge (12 juni 1934) ‘Centraal museum Utrecht. Stadsgezichten en genretafereelen’, ''De Tijd'', Avondblad, [p. 5].
;Duif, Jan Ariens (1617-1649)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Duive|“Jan Duive”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 90-91.
;Dullaert, Heyman
*Anoniem (31 maart 1915) [[Nieuwsblad van het Noorden/Jaargang 76/Nummer 28/Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot|‘Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot’]], ''Nieuwsblad van het Noorden'', [eerste blad, p. 2].
;Duynen, Isaac van
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Eeckhout, Gerbrand van den (1621-1674)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerbrant vanden Eekhout|“Gerbrant vanden Eekhout”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 100-101.
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Esselens, Jacob (1626-1687)
[[Bestand:Het Nieuws van den Dag 1878 no 2447 advertisement Belangrijke Verkooping van schilderijen door oude meesters.jpg|thumb|Advertentie uit ''Het Nieuws van den Dag'', 21 februari 1878.]]
*''Catalogue de douze tableaux anciens provenant de la célèbre galerie de tableaux de feu Madame la douairière Van Loon-van Winter, à Amsterdam, et d’autres tableaux anciens provenant de la famille Druyvesteyn, de Haarlem, de feu Monsieur Ed. Croese, d’Amsterdam, et d’autres successions'' […], C.F. Roos en C.F. Roos Jr., Amsterdam, 26 februari 1878.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (27 februari 1878) [[Opregte Haarlemsche Courant/1878/Nummer 50/In de heden (dingsdag) te Amsterdam gehouden veiling|‘In de heden (dingsdag) te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Opregte Woensdagsche Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Everdingen, Allaert van (1617-1675)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Aldert van Everdingen|“Aldert van Everdingen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 95-96.
;Everdingen, Caesar van (1616/1617-1678)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Cesar van Everdingen|“Cesar van Everdingen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 94-95.
*''Catalogus tentoonstelling van schilderijen en teekeningen van Nederlandsche Italianiseerende schilders uit de 16e en 17e eeuw'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 14 juli-16 september 1934.<br>Aankondigingen en recensies:
**M.V. (27 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 35008/Avondblad/Nederlandsche italianiseerende meesters|‘Nederlandsche italianiseerende meesters’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 9.
;Everdingen, Jan (I) (ca. 1618/1620-1656)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan van Everdingen|“Jan van Everdingen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 95.
;Fabritius, Barent
*''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Recensies en aankondigingen:
**Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p. 3.
;Fromantiou, Hendrick de (1633/1634-na 1693)
*Anoniem (3 april 1937) [[De Telegraaf/Jaargang 45/Nummer 16746/Avondblad/Berlijn beleefde eens een periode van Nederlandsche cultuur|‘Berlijn beleefde eens een periode van Nederlandsche cultuur. Groot was de invloed van Louise van Oranje. Uiteindelijk is niet veel meer van dit alles te merken’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, derde blad, p. 5.
*Anoniem (25 februari 1940) [[Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 63/Nummer 22259/Beroemde Haarlemmers|‘Beroemde Haarlemmers’]], ''Nieuwe Haarlemsche Courant'', [p. 3].
;Gael, Barent (1630/1635-1698)
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
;Gaesbeeck, Adriaen van
*Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p. 38-48.
;Giselaer, Nicolaes de
*Anoniem (31 maart 1915) [[Nieuwsblad van het Noorden/Jaargang 76/Nummer 28/Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot|‘Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot’]], ''Nieuwsblad van het Noorden'', [eerste blad, p. 2].
;Gool, Jan van
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
;Graat, Barent (1628-1709)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Barent Graat|“Barent Graat”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 200-209.
;Graauw, Hendrik (1627-1693)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hendrik Graauw|“Hendrik Graauw”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 189-191.
;Grasdorp, Willem
*Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p. 38-48.
;Grebber, Anthonie Claesz. de
*Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p. 38-48.
;Grebber, Pieter de (ca. 1600-1652/1653)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 117-125, met name 122.
;Groot, Jan de (1650-1726)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan de Groot|“Jan de Groot”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 58.
;Hackaert, Jan
*''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Recensies en aankondigingen:
**Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p. 3.
;Halen, Arnoud van (1673-1732)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kristoffel Pierson|“Kristoffel Pierson”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 259-262, met name 262.
;Hals, Dirck (1591-1656)
*''Collection de Mme Jean Cardon. Tableaux modernes & anciens, dessins, aquarelles, objets d’art, meubles'', Galerie J. et A. Le Roy, frères, Brussel, 24-25 april 1912.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (24 april 1912) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 69/Nummer 113/Ochtendblad/Men schrijft ons uit Brussel|‘Men schrijft ons uit Brussel: […]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Ochtendblad, A, p. 1.
*Anoniem (18 oktober 1924) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 81/Nummer 289/Avondblad/Kunsthandel Gebr. Douwes|‘Kunsthandel Gebr. Douwes’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p. 1.
;Hals, Frans (II) (1618-1669)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Hals, Harmen
*Anoniem (31 maart 1915) [[Nieuwsblad van het Noorden/Jaargang 76/Nummer 28/Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot|‘Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot’]], ''Nieuwsblad van het Noorden'', [eerste blad, p. 2].
;Hannot, Johannes
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Heck, Claes Jacobsz. van der (ca. 1575/ca. 1581-1652)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Nicolaas vander Hek|“Nicolaas vander Hek”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 7-8.
;Heck, Marten Heemskerck van der (ca. 1607-1656)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Marten Heemskerk vander Hek|“Marten Heemskerk vander Hek”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 8.
;Heem, Jan Davidsz. de (1606-1684)
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
*''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Recensies en aankondigingen:
**Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p. 3.
;Heer, Margareta de (voor 1603-voor 1665)
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
;Helmbreker, Dirck (1633-1696)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Theodoor Helmbreker|“Theodoor Helmbreker”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 108-109.
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Heusch, Willem de
*''Kersttentoonstelling van teekeningen van Utrechtsche meesters der 17e en 18e eeuw uit het bezit van Teyler's Stichting te Haarlem'', Centraal Museum, Utrecht, december 1927, geen catalogus bekend.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 december 1927) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 84/Nummer 358/Centraal Museum te Utrecht|‘Centraal Museum te Utrecht’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Ochtendblad, B, p. 1.
*[''Stadsgezichten en genretaferelen''], Centraal Museum, Utrecht, ....-15 juli 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**H. de Jonge (12 juni 1934) ‘Centraal museum Utrecht. Stadsgezichten en genretafereelen’, ''De Tijd'', Avondblad, [p. 5].
;Heyden, Jan van der (1637-1712)
*Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 1].
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Hillegaert, Paulus van (I) (1596-1640)
[[Bestand:Het Nieuws van den Dag 1878 no 2447 advertisement Belangrijke Verkooping van schilderijen door oude meesters.jpg|thumb|Advertentie uit ''Het Nieuws van den Dag'', 21 februari 1878.]]
*''Catalogue de douze tableaux anciens provenant de la célèbre galerie de tableaux de feu Madame la douairière Van Loon-van Winter, à Amsterdam, et d’autres tableaux anciens provenant de la famille Druyvesteyn, de Haarlem, de feu Monsieur Ed. Croese, d’Amsterdam, et d’autres successions'' […], C.F. Roos en C.F. Roos Jr., Amsterdam, 26 februari 1878.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (27 februari 1878) [[Opregte Haarlemsche Courant/1878/Nummer 50/In de heden (dingsdag) te Amsterdam gehouden veiling|‘In de heden (dingsdag) te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Opregte Woensdagsche Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Holsteyn, Pieter (II) (ca. 1614-1673)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 117-125, met name 124-125.
;Hondecoeter, Gijsbert Gillisz. de
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
*Anoniem (9 oktober 1928) [[De Maasbode/Jaargang 61/Nummer 22102/Ochtendblad/Centraal Museum te Utrecht|‘Centraal Museum te Utrecht. Het jaarverslag’]], ''De Maasbode'', Ochtendblad, derde blad, [p. 1].
;Hondecoeter, Gillis Claesz. de (ca. 1575-1638)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
*D.L. (1853) [[Album der Natuur/1853/Nieuwe afbeelding Dodo, Lubach|‘Over eene nieuw ontdekte afbeelding van den Dodo’]], ''Album der Natuur'', jrg. 2, p. 255.
;Hoogstraten, Jan van (1629/1630-1654)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Samuel van Hoogstraten|“Samuel van Hoogstraten”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 155-170, met name 168-170.
;Hoogstraten, Samuel van (1627-1678)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Samuel van Hoogstraten|“Samuel van Hoogstraten”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 155-170.
;Houbraken, Arnold
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
;Huijsum, Jan van (1682-1749)
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
*Anoniem (4 juni 1930) [[De Telegraaf/Jaargang 38/Nummer 14271/Avondblad/Hooge prijzen bij Christie|‘Hooge prijzen bij Christie’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, derde blad, p. 9.
;Jacobsz., Jurriaan (1624-1685)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Juriaan Jakobze|“Juriaan Jakobze”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 49-50.
;Janssens van Ceulen, Cornelis (1593-1661)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Janson van Keulen|“Janson van Keulen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 224-225.
;Jongh, Ludolph de
*Anoniem (31 maart 1915) [[Nieuwsblad van het Noorden/Jaargang 76/Nummer 28/Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot|‘Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot’]], ''Nieuwsblad van het Noorden'', [eerste blad, p. 2].
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ludolf de Jong|“Ludolf de Jong”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 32-34.
;Jonson van Ceulen, Cornelis (I)
*Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 1].
;Jordaens, Hans (IV) (1616-1680)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hans Jordaans|“Hans Jordaans”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 28-30.
;Kabel, Adriaen van der (1630/1631-1705)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ary vander Kabel|“Ary vander Kabel”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 235-236.
;Kabel, Engel van der (1640/1641-1696)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ary vander Kabel|“Ary vander Kabel”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 235-236.
;Keirincx, Alexander (1600-1652)
*Houbraken, Arn. van (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Alexander Kierings|"Alexander Kierings"]], in: Arn. Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p. 130.
;Klomp, Albert Jansz.
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
;Knijff, Wouter (1605/1607-1694)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Koninck, Philips (1619-1688)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Philips de Koning|“Philips de Koning”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 53-55.
*''Catalogue des tableaux anciens des écoles allemande, anglaise, espagnole, flamande, française, hollandaise, italienne, suisse des XVe, XVIe, XVIIe, XVIIIe siècles composant la collection de Son Excellence feu Paul Delaroff, conseiller privé de Sa Majesté l'Empereur de Russie'', F. Lair-Dubreuil, Parijs, 23-24 april 1914.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Veiling-Delaroff|‘Veiling-Delaroff’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p. 7.
;Koninck, Salomon (1609-1656)
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
;Kraanevelt, N. (....-voor 1674)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/N. Kraanevelt|“N. Kraanevelt”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 52.
;Laer, Roeland van (1598-1635/1640)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 117-125, met name 124.
;Latombe, Abraham (1597-na 1628)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Latombe|“Latombe”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 27-28.
;Leemans, Anthonie (1631-1671/1673)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Lely, Peter
*Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 1].
;Leveck, Jacobus (1634-1675)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakob Lavecq|“Jakob Lavecq”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 153-155.
;Lisse, Dirck van der
*''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies:
**Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p. 1-2].
;Lundens, Gerrit (1622-1686)
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
;Luttichuys, Isaack (1616-1673)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Man, Cornelis de (1621-1706)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kornelis de Man|“Kornelis de Man”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 99-100.
;Marienhof, Aert Jansz. (ca. 1626-1654)
*Anoniem (15 oktober 1935) [[De Tijd/Jaargang 91/Nummer 28430/Avondblad/Utrechts Centraal Museum|‘Utrechts Centraal Museum’]], ''De Tijd'', Avondblad, [p. 6].
;Martens de Jonge, Jan
*Anoniem (22 juli 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24505/Avondblad/"Rembrandt"|‘„Rembrandt”’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Eerste Blad, [p. 1].
;Meerkerk, Dirk (1602 of 1620-na 1660)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Dirk Meerkerk|“Dirk Meerkerk”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 91-92.
;Meijer, Hendrick de (ca. 1620-na 1689)
*Anoniem (10 juli 1910) [[De Maasbode/Jaargang 42/Nummer 10679/Aanwinsten in het Haagsch Museum|‘Aanwinsten in het Haagsch Museum’]], ''De Maasbode'', Ochtendblad, tweede blad, [p. 1].
;Menton, Frans (ca. 1545-1615)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Frans Menton|“Frans Menton”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 15.
;Meyburgh, Bartholomeus (1628-ca. 1708)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kristoffel Pierson|“Kristoffel Pierson”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 259-262.
;Mieris, Willem van
[[Bestand:Rotterdamsche Courant vol 1867 no 024 advertisement A. J. & Dirk A. Lamme.jpg|thumb|Advertentie uit de ''Rotterdamsche Courant'', 27 januari 1867]]
*Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 1].
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Mijtens, Johannes (ca. 1614-1670)
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
;Molenaer, Klaes
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
;Mommers, Hendrick (1619/1620-1693)
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
;Moor, Carel de (II) (1655-1738)
*''Tentoonstelling van zeldzame en belangrijke schilderijen van oude meesters. In de kunstzalen der Maatschappij „Arti et Amicitiae.” Ten behoeve van het Weduwen- en Wezenfonds'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 12 april 1872-....<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (14-15 april 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 89/Amsterdam, 12 April|‘Amsterdam, 12 April’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', bijvoegsel, [p. 1].
;Murant, Emanuel (1622-ca. 1700)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Emanuel Murant|“Emanuel Murant”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 102.
;Nedek, Pieter Pietersz. (1617-na 1692)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Pieter Pieterze Nedek|“Pieter Pieterze Nedek”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 27.
;Neer, Eglon van der
*Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 1].
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Netscher, Caspar (1639-1684)
*Havelaar, Just (7 september 1921) [[Het Vaderland/Jaargang 53/7 september 1921/Avondblad/Collectie Van Maanen|‘Collectie Van Maanen’]], ''Het Vaderland'', Avondblad B, p. 2.
;Netscher, Constantijn
*Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 1].
;Nickelen, Isaak van (1632/1633-1703)
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
;Nieulandt, Adriaen van (ca. 1586-1658)
*Houbraken, Arnold (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Adriaan Nieulant|"Adriaan Nieulant"]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p. 42-43.
;Oosterwijck, Maria van
*Bosboom-Toussaint, A.L.G. (1862) ''De bloemschilderes Maria van Oosterwijk'', Leiden: A.W. Sythoff.
*Bredius, A. (1935) ‘Archiefsprokkelingen. Een en ander over Maria van Oosterwijck, “vermaert Konstschilderesse”’, ''Oud Holland'', jrg. 52, p. 180-182.
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Maria van Oosterwyk|“Maria van Oosterwyk”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 214-216.
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Geertje Pieters|“Geertje Pieters”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 216-218.
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Oostfries, Catharina (ca. 1636-1708)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Katarina Oostfries|“Katarina Oostfries”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 209.
;Ossenbeeck, Jan van (ca. 1624-1674)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ossenbek|“Ossenbek”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 170-171.
;Pape, Abraham de (ca. 1620-1666)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Pardanus, Abraham (1673-1744)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gysbrecht Thys|“Gysbrecht Thys”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 144-145.
;Paulusz., Zacharias (ca. 1580-1648)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Zacharias Paulusz.|“Zacharias Paulusz.”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 55-56.
;Pierson, Christoffel (1631-1714)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kristoffel Pierson|“Kristoffel Pierson”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 259-262.
;Pijnacker, Adam (1620/1622-1673)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Adam Pynaker|“Adam Pynaker”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 96-99.
*''Kunsthandel Dorus Hermsen N.V.'', Den Haag, december 1933.<br>Aankondigingen en recensies:
**Gio. [=Jan Kalff] (16 december 1933) ‘Kunst in Den Haag’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 10.
;Poel, Egbert Lievensz. van der (1621-1664)
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
*''Oude kunst'', Kunstzaal Bennewitz, Den Haag, ....-23 mei 1936, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (14 mei 1936) [[Het Vaderland/Jaargang 68/14 mei 1936/Avondblad/Oude kunst|‘Oude kunst’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Poorter, Willem de (1608-na 1648)
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
;Post, Frans
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
*''Annual autumn exhibition of paintings by old Dutch and Flemish masters'', Alfred Brod Galerie, Londen, 5 oktober-4 november 1961.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (13 oktober 1961) ‘Londense expositie van oude meesters’, ''Het Parool'', p. 17.
;Pot, Hendrik Gerritsz. (1580/1581-1657)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 117-125, met name 123.
;Puytlinck, Christoffel
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Ravesteyn, Jan van (ca. 1572-1657)
[[Bestand:Rotterdamsche Courant vol 1867 no 024 advertisement A. J. & Dirk A. Lamme.jpg|thumb|Advertentie uit de ''Rotterdamsche Courant'', 27 januari 1867]]
*''Collection de Mme Jean Cardon. Tableaux modernes & anciens, dessins, aquarelles, objets d’art, meubles'', Galerie J. et A. Le Roy, frères, Brussel, 24-25 april 1912.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (24 april 1912) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 69/Nummer 113/Ochtendblad/Men schrijft ons uit Brussel|‘Men schrijft ons uit Brussel: […]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Ochtendblad, A, p. 1.
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Roestraeten, Pieter van (1630-1700)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Roestraten|“Roestraten”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 191-192.
*Anoniem (25 februari 1940) [[Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 63/Nummer 22259/Beroemde Haarlemmers|‘Beroemde Haarlemmers’]], ''Nieuwe Haarlemsche Courant'', [p. 3].
;Romeyn, Willem
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Rotius, Jan Albertsz. (1624-1666)
*Anoniem (7 juni 1898) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 232/Nummer 131/Men meldt ons uit Amsterdam|‘Men meldt ons uit Amsterdam: [...]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', Eerste Blad, [p. 2].
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Albertsz. Roodtseus|“Jan Albertsz. Roodtseus”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 11-12.
;Ruysch, Rachel
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
*''Kunsthandel Dorus Hermsen N.V.'', Den Haag, december 1933.<br>Aankondigingen en recensies:
**Gio. [=Jan Kalff] (16 december 1933) ‘Kunst in Den Haag’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 10.
;Saftleven, Cornelis
*Anoniem (8 november 1905) [[Het Nieuws van den Dag/1905/Nummer 10999/Wetenschap en kunst|‘Wetenschap en kunst’]], ''Het Nieuws van den Dag'', p. 15.
;Sant-Acker, Frans (''fl''. 1648-1668)
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
;Santvoort, Dirck Dircksz.
*''Catalogue de tableaux anciens de premier ordre des écoles hollandaise et flamande provenant de différentes successions vente à Amsterdam à hôtel "De Brakke Grond" le mercredi 16 mai 1877'', Van Pappelendam & Schouten, Amsterdam.<br>Uitslagen:
**Anoniem (17 mei 1877) [[Algemeen Handelsblad/1877/Nummer 14517/Uitslag der veiling|‘Uitslag der veiling van oude schilderijen op heden, in „de Brakke Grond” alhier. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', [p. 3].
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
;Savoyen, Carel van (1618-1665)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Karel van Savoyen|“Karel van Savoyen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 53.
;Schagen, Gillis (1616-1668)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gillis Schagen|“Gillis Schagen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 30-32.
;Schellinks, Daniël (1627-1701)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem Schellinks|“Willem Schellinks”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 263-273, met name 273.
;Schellinks, Willem (1623-1678)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem Schellinks|“Willem Schellinks”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 263-273.
;Seghers, Hercules
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hercules Segers|“Hercules Segers”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 136-137.
*''Hercules Seghers. Omstreeks 1590-omstreeks 1640'', ’s Rijks Prentenkabinet, Amsterdam, 1 april-30 juni 1914.<br>Aankondigingen en recensies:
**M.V. (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Prentenkabinet Hercules Seghers|‘Prentenkabinet: Hercules Seghers’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p. 6.
;Sorgh, Hendrick Martensz. (ca. 1611-1670)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hendrik Martensz. bygenaamt Zorgh|“Hendrik Martensz. bygenaamt Zorgh”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 89-90.
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
;Stap, Jan Woutersz. genaamd
*''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p. 3.
;Staveren, Jan Adriaensz. van
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Streek, Hendrik van (1659-1720)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Juriaan van Streek|“Juriaan van Streek”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 290-292, met name 292.
;Stoop, Dirk
*''Kersttentoonstelling van teekeningen van Utrechtsche meesters der 17e en 18e eeuw uit het bezit van Teyler's Stichting te Haarlem'', Centraal Museum, Utrecht, december 1927, geen catalogus bekend.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 december 1927) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 84/Nummer 358/Centraal Museum te Utrecht|‘Centraal Museum te Utrecht’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Ochtendblad, B, p. 1.
;Storck, Abraham
[[Bestand:Het Nieuws van den Dag 1878 no 2447 advertisement Belangrijke Verkooping van schilderijen door oude meesters.jpg|thumb|Advertentie uit ''Het Nieuws van den Dag'', 21 februari 1878.]]
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Storck, Jacobus
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
*Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p. 38-48.
;Swart, Pieter
*Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p. 38-48.
;Tempel, Abraham van den
*''Tentoonstelling van zeldzame en belangrijke schilderijen van oude meesters. In de kunstzalen der Maatschappij „Arti et Amicitiae.” Ten behoeve van het Weduwen- en Wezenfonds'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 12 april 1872-....<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (14-15 april 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 89/Amsterdam, 12 April|‘Amsterdam, 12 April’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', bijvoegsel, [p. 1].
*Anoniem (22 juli 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24505/Avondblad/"Rembrandt"|‘„Rembrandt”’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Eerste Blad, [p. 1].
;Troost, Cornelis
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Tulden, Theodoor van
*Anoniem (24 september 1902) [[De Zuid-Willemsvaart/Jaargang 22/Nummer 76/Veiling Heeswijk|‘Veiling Heeswijk’]], ''De Zuid-Willemsvaart'', [p. 2].
;Vaillant, Andries (1655-1693)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vaillant|“Wallerant, Jan, Bernard, Jaques en Andreas Vaillant”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 102-105.
;Vaillant, Bernard (1632-1698)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vaillant|“Wallerant, Jan, Bernard, Jaques en Andreas Vaillant”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 102-105.
;Vaillant, Jacques (1643-1691)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vaillant|“Wallerant, Jan, Bernard, Jaques en Andreas Vaillant”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 102-105.
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem Schellinks|“Willem Schellinks”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 263-273, met name 266.
;Vaillant, Wallerant (1623-1677)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vaillant|“Wallerant, Jan, Bernard, Jaques en Andreas Vaillant”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 102-105.
;Valkenburg, Dirk
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
;Velde, Jan van de (III) (1620-1662)
*Anoniem (18 oktober 1924) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 81/Nummer 289/Avondblad/Kunsthandel Gebr. Douwes|‘Kunsthandel Gebr. Douwes’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p. 1.
;Velde, Willem van de (II) (1633-1707)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Venne, Pieter van de
*''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Recensies en aankondigingen:
**Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p. 3.
;Verbeeck, Cornelis (ca. 1590-na 1637)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 117-125, met name 123.
;Verbijl, Jan Govertsz. (1634-1690)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Duive|“Jan Duive”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 90-91.
;Verboom, Adriaen Hendriksz. (1627/1628-1673)
[[Bestand:Het Nieuws van den Dag 1878 no 2447 advertisement Belangrijke Verkooping van schilderijen door oude meesters.jpg|thumb|Advertentie uit ''Het Nieuws van den Dag'', 21 februari 1878.]]
*''Catalogue de douze tableaux anciens provenant de la célèbre galerie de tableaux de feu Madame la douairière Van Loon-van Winter, à Amsterdam, et d’autres tableaux anciens provenant de la famille Druyvesteyn, de Haarlem, de feu Monsieur Ed. Croese, d’Amsterdam, et d’autres successions'' […], C.F. Roos en C.F. Roos Jr., Amsterdam, 26 februari 1878.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (27 februari 1878) [[Opregte Haarlemsche Courant/1878/Nummer 50/In de heden (dingsdag) te Amsterdam gehouden veiling|‘In de heden (dingsdag) te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Opregte Woensdagsche Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Verdoel, Adriaen (I) (1623-1675)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Adriaan Verdoel|“Adriaan Verdoel”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 57-58.
;Verkolje, Nicolaas (1673-1746)
*''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p. 685].
;Verschuring, Willem (1660-1726)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Wilhelm Verschuring|“Wilhelm Verschuring”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 196.
;Verspronck, Johannes Cornelisz. (1600/1603-1662)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 117-125, met name 122-123.
;Verwilt, François
*''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies:
**Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p. 1-2].
;Victors, Jan
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
*''Catalogus tentoonstelling van schilderijen en teekeningen van Nederlandsche Italianiseerende schilders uit de 16e en 17e eeuw'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 14 juli-16 september 1934.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (14 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 34995/Avondblad/Tentoonstelling in "Arti"|‘Tentoonstelling in „Arti”. Italianisanten uit de 16de en 17de eeuw’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 9.
;Vinne, Vincent Laurensz. van der (I) (1628-1702)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vincent vander Vinne|“Vincent vander Vinne”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 210-214.
*Anoniem (25 februari 1940) [[Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 63/Nummer 22259/Beroemde Haarlemmers|‘Beroemde Haarlemmers’]], ''Nieuwe Haarlemsche Courant'', [p. 3].
;Vliet, Hendrick van (1611/1612-1675)
*[''Stadsgezichten en genretaferelen''], Centraal Museum, Utrecht, ....-15 juli 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**H. de Jonge (12 juni 1934) ‘Centraal museum Utrecht. Stadsgezichten en genretafereelen’, ''De Tijd'', Avondblad, [p. 5].
*Anoniem (15 oktober 1935) [[De Tijd/Jaargang 91/Nummer 28430/Avondblad/Utrechts Centraal Museum|‘Utrechts Centraal Museum’]], ''De Tijd'', Avondblad, [p. 6].
;Vois, Ary de
*''Catalogue de tableaux anciens de premier ordre des écoles hollandaise et flamande provenant de différentes successions vente à Amsterdam à hôtel "De Brakke Grond" le mercredi 16 mai 1877'', Van Pappelendam & Schouten, Amsterdam.<br>Uitslagen:
**Anoniem (17 mei 1877) [[Algemeen Handelsblad/1877/Nummer 14517/Uitslag der veiling|‘Uitslag der veiling van oude schilderijen op heden, in „de Brakke Grond” alhier. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', [p. 3].
;Voort, Cornelis van der
*Anoniem (24 september 1902) [[De Zuid-Willemsvaart/Jaargang 22/Nummer 76/Veiling Heeswijk|‘Veiling Heeswijk’]], ''De Zuid-Willemsvaart'', [p. 2].
;Vrel, Jacob
*''Vermeer. Oorsprong en invloed Fabritius, De Hooch, De Witte'', Museum Boymans, Rotterdam, 9 juli-9 oktober 1935.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (24 mei 1935) [[Haagsche Courant/Nummer 16042/Boymans' openings-expositie|‘Boymans’ openings-expositie. Werken van Meesters van de Delftsche School’]], ''Haagsche Courant'', vierde blad, p. 3.
**Anoniem (9 juli 1935) [[De Gooi- en Eemlander/Jaargang 64/Nummer 159/Schilderkunst|‘Schilderkunst. De Vermeer-tentoonstelling in Boymans’]], ''De Gooi- en Eemlander'', eerste blad, p. 3.
;Waben, Jacobus (ca. 1575-ca. 1641)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jaques Wabbe|“Jaques Wabbe”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 10-11.
;Waes, Aert van (ca. 1620-1664)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Duive|“Jan Duive”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 90-91.
;Waterloo, Anthonie (1609-1690)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Antoni Waterloo|“Antoni Waterloo”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 51.
;Werff, Adriaen van der (1659-1722)
*''Collection Antoon van Welie. Tableaux anciens de l'école italienne, français, allemande, espagnole, flamande et hollandaise. Quelques objets divers'', S.J. Mak van Waay, Amsterdam, 7 april 1936, lotnr. 69.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (16 maart 1936) [[Het Vaderland/Jaargang 67/16 maart 1936/Avondblad/Veiling collectie Antoon van Welie|‘Veiling collectie Antoon van Welie’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Wieringa, Harmen Willems
*Anoniem (22 juli 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24505/Avondblad/"Rembrandt"|‘„Rembrandt”’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Eerste Blad, [p. 1].
;Wieringen, Cornelis Claesz. (1577-1633)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 117-125, met name 122.
;Wilkens, Theodoor (ca. 1690-1748)
*''Catalogus tentoonstelling van schilderijen en teekeningen van Nederlandsche Italianiseerende schilders uit de 16e en 17e eeuw'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 14 juli-16 september 1934.<br>Aankondigingen en recensies:
**M.V. (27 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 35008/Avondblad/Nederlandsche italianiseerende meesters|‘Nederlandsche italianiseerende meesters’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 9.
;Willaerts, Adam (1577-1664)
*Houbraken, Arnold (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Adam Willaarts|"Adam Willaarts"]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p. 60.
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
;Willaerts, Cornelis
*''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies:
**Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p. 1-2].
;Wit, Jacob de
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Withoos, Alida (ca. 1661/1662-1730)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathias Withoos|“Mathias Withoos”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 186-189, met name 188.
;Withoos, Frans
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathias Withoos|“Mathias Withoos”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 186-189, met name 189.
;Withoos, Johannes (1648-ca. 1688)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathias Withoos|“Mathias Withoos”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 186-189, met name 188.
;Withoos, Matthias (1627-1703)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathias Withoos|“Mathias Withoos”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 186-189.
;Withoos, Pieter (ca. 1657-1692)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathias Withoos|“Mathias Withoos”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 186-189, met name 189.
;Wittel, Caspar van (1653-1736)
*''Kunsthandel Dorus Hermsen N.V.'', Den Haag, december 1933.<br>Aankondigingen en recensies:
**Gio. [=Jan Kalff] (16 december 1933) ‘Kunst in Den Haag’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 10.
*''Catalogus tentoonstelling van schilderijen en teekeningen van Nederlandsche Italianiseerende schilders uit de 16e en 17e eeuw'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 14 juli-16 september 1934.<br>Aankondigingen en recensies:
**M.V. (27 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 35008/Avondblad/Nederlandsche italianiseerende meesters|‘Nederlandsche italianiseerende meesters’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 9.
;Worst, Jan (....-na 1686)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Worst|“Jan Worst”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 147.
;Wouwerman, Jan (1629-1666)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Philip Wouwerman|“Philip Wouwerman”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 69-76, met name 76.
;Wtewael, Joachim (1566-1638)
*''Catalogus tentoonstelling van schilderijen en teekeningen van Nederlandsche Italianiseerende schilders uit de 16e en 17e eeuw'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 14 juli-16 september 1934.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (14 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 34995/Avondblad/Tentoonstelling in "Arti"|‘Tentoonstelling in „Arti”. Italianisanten uit de 16de en 17de eeuw’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 9.
**M.V. (27 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 35008/Avondblad/Nederlandsche italianiseerende meesters|‘Nederlandsche italianiseerende meesters’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 9.
**Engelman, Jan (25 augustus 1934) ‘Italianiseerende schilders in Nederland’, ''De Tijd'', Avondblad, [p. 5].
*''Tentoonstelling van schilderijen der Utrechtsche School'', Centraal Museum, Utrecht, 21 juni 1941–1 oktober 1941.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (23 juni 1941) [[Het Volk, Socialistisch Dagblad/Jaargang 4/Nummer 833/Utrechtse schildersschool|‘Utrechtse schildersschool’]], ''Het Volk'' (''Socialistisch Dagblad''), p. 5.
;Wyck, Jan (1652-1700)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Tomas Wyk|“Tomas Wyk”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 16-18.
;Wyntges, Geertje (1636-1712)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Geertje Pieters|“Geertje Pieters”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 216-218.
;Zijl, Gerard Pietersz. van (ca. 1607-1665)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerard Pieterze van Zyl|“Gerard Pieterze van Zyl”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 225-233.
;Zuylen, J. Hendricksz. van (''fl''. 1644)
*Anoniem (7 december 1931) [[De Maasbode/Jaargang 64/Nummer 24049/Avondblad/Centraal Museum te Utrecht|‘Centraal Museum te Utrecht. Nieuwe aanwinsten’]], ''De Maasbode'', Avondblad, p. 6.
;Overige onderwerpen
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Willem van Aelst|Willem van Aelst]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Arent Arentsz. genaamd Cabel|Arent Arentsz. genaamd Cabel]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan Asselijn|Jan Asselijn]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Balthasar van der Ast|Balthasar van der Ast]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Justus van Attevelt|Justus van Attevelt]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Hendrick Avercamp|Hendrick Avercamp]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Dirck van Baburen|Dirck van Baburen]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Ludolf Bakhuizen|Ludolf Bakhuizen]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Cornelis Bega|Cornelis Bega]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Abraham Begeyn|Abraham Begeyn]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Abraham van Beijeren|Abraham van Beijeren]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Nicolaes Berchem|Nicolaes Berchem]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Gerrit Berckheyde|Gerrit Berckheyde]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Dirck van Bergen|Dirck van Bergen]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Jan van Bijlert|Jan van Bijlert]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Abraham Bloemaert|Abraham Bloemaert]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Adriaen Bloemaert|Adriaen Bloemaert]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Ferdinand Bol|Ferdinand Bol]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Paulus Bor|Paulus Bor]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Gerard ter Borch (II)|Gerard ter Borch (II)]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Andries Both|Andries Both]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Jan Both|Jan Both]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Richard Brakenburg|Richard Brakenburg]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Leonaert Bramer|Leonaert Bramer]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Elias van den Broeck|Elias van den Broeck]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Hendrick ter Brugghen|Hendrick ter Brugghen]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Aelbert Cuyp|Aelbert Cuyp]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Benjamin Cuyp|Benjamin Cuyp]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Simon van der Does|Simon van der Does]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Gerard Dou|Gerard Dou]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Joost Cornelisz. Droochsloot|Joost Cornelisz. Droochsloot]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Carel Fabritius|Carel Fabritius]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Pieter Feddes van Harlingen|Pieter Feddes van Harlingen]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Govert Flinck|Govert Flinck]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Wybrand de Geest|Wybrand de Geest]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Arent de Gelder|Arent de Gelder]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jacob Gillig|Jacob Gillig]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Jan van Goyen|Jan van Goyen]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Frans Hals|Frans Hals]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Adriaen Hanneman|Adriaen Hanneman]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Willem Claesz. Heda|Willem Claesz. Heda]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Cornelis de Heem|Cornelis de Heem]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Bartholomeus van der Helst|Bartholomeus van der Helst]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Meindert Hobbema|Meindert Hobbema]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Melchior d'Hondecoeter|Melchior d'Hondecoeter]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Gerard van Honthorst|Gerard van Honthorst]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Pieter de Hooch|Pieter de Hooch]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan van Huchtenburg|Jan van Huchtenburg]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Karel du Jardin|Karel du Jardin]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Willem Kalf|Willem Kalf]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Pieter Lastman|Pieter Lastman]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Hendrik van Limborch|Hendrik van Limborch]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Johannes Lingelbach|Johannes Lingelbach]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Nicolaes Maes|Nicolaes Maes]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Gabriël Metsu|Gabriël Metsu]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Michiel van Mierevelt|Michiel van Mierevelt]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Frans van Mieris (I)|Frans van Mieris (I)]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan Miense Molenaer|Jan Miense Molenaer]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Matthijs Naiveu|Matthijs Naiveu]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Aert van der Neer|Aert van der Neer]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jacob Ochtervelt|Jacob Ochtervelt]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Adriaen van Ostade|Adriaen van Ostade]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Isaac van Ostade|Isaac van Ostade]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Anthonie Palamedesz.|Anthonie Palamedesz.]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Cornelis van Poelenburch|Cornelis van Poelenburch]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Paulus Potter|Paulus Potter]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Pieter Potter|Pieter Potter]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Rembrandt|Rembrandt]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jacob van Ruisdael|Jacob van Ruisdael]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Salomon van Ruysdael|Salomon van Ruysdael]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Pieter Saenredam|Pieter Saenredam]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Herman Saftleven|Herman Saftleven]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Jan Steen|Jan Steen]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Juriaan van Streek|Juriaan van Streek]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Johannes Torrentius|Johannes Torrentius]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jacob van der Ulft|Jacob van der Ulft]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Adriaen van de Velde|Adriaen van de Velde]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Adriaen van de Venne|Adriaen van de Venne]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Johannes Vermeer|Johannes Vermeer]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Hendrik Verschuring|Hendrik Verschuring]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Simon de Vlieger|Simon de Vlieger]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan Weenix|Jan Weenix]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan Baptist Weenix|Jan Baptist Weenix]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Thomas Wijck|Thomas Wijck]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan Wijnants|Jan Wijnants]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Emanuel de Witte|Emanuel de Witte]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Philips Wouwerman|Philips Wouwerman]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Pieter Wouwerman (II)|Pieter Wouwerman (II)]]
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal beeldende kunst]]
n87nvu8qui9ugfa2na3r8d2w7xhsmor
Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/België/Barok en Rococo
100
65780
224731
223807
2026-08-13T18:58:53Z
Vincent Steenberg
280
bronnen toegevoegd/verplaatst
224731
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox thema
| naam = Belgische schilderkunst;<br>Barok en Rococo<br>(ca. 1600-ca. 1750)
| afbeelding = Peter Paul Rubens - The Rape of the Daughters of Leucippus.jpg
| alt = De schaking van Leucippus' dochters door Rubens
| beschrijving = Dit is een overzicht van alle op [[Wikisource:Over Wikisource|Wikisource]] beschikbare bronnen over Belgische schilderkunst uit de periode ca. 1600 tot ca. 1750.
}}
== Algemeen ==
;Tentoonstellingen
*[''Brueghel-tentoonstelling''], Rijksmuseum Twenthe, Enschede, oktober 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**De W. (20 oktober 1934) [[Twentsch Dagblad Tubantia en Enschedesche Courant/Jaargang 63/Nummer 248/Brueghel-tentoonstelling|‘Brueghel-tentoonstelling’]], ''Twentsch Dagblad Tubantia en Enschedesche Courant'', derde blad, p. 1.
== Bijzondere onderwerpen ==
;Adriaenssen, Alexander (1587-1661)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Alexander Adriaansen|“Alexander Adriaansen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 144.
;Biset, Charles Emmanuel (1633-1707)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Karel Emanuel Biset|“Karel Emanuel Biset”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 292.
;Bloemen, Norbert van (1670-1746)
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
;Boel, Pieter (1626-1674)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Peter Boel|“Peter Boel”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 141.
;Bol, Hans
*''Kunsthandel Dorus Hermsen N.V.'', Den Haag, december 1933.<br>Aankondigingen en recensies:
**Gio. [=Jan Kalff] (16 december 1933) ‘Kunst in Den Haag’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 10.
;Borcht, Pieter van der (II) (1591-1662)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Alexander Adriaansen|“Alexander Adriaansen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 144.
;Bout, Pieter
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Bredael, Alexander van (1663-1720)
*''Oude kunst'', Kunstzaal Bennewitz, Den Haag, ....-23 mei 1936, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (14 mei 1936) [[Het Vaderland/Jaargang 68/14 mei 1936/Avondblad/Oude kunst|‘Oude kunst’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Bredael, Peeter van (1629-1719)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Peter van Breda|“Peter van Breda”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 223-224.
;Brueghel, Jan (II) (1601-1678)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Claes, Gilles (''fl''. 1607)
*Alex. Pinchart (1858) [[s:fr:Archives des arts, des sciences et des lettres|‘Archives des arts, des sciences et des lettres’]], ''Messager des sciences historiques ou archives des arts et de la bibliographie de Belgique'', Année 1858, p. 154-182, met name 174-175.
;Claesz., Pieter (1597/1598-1661)
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
*''Catalogue des tableaux anciens des écoles allemande, anglaise, espagnole, flamande, française, hollandaise, italienne, suisse des XVe, XVIe, XVIIe, XVIIIe siècles composant la collection de Son Excellence feu Paul Delaroff, conseiller privé de Sa Majesté l'Empereur de Russie'', F. Lair-Dubreuil, Parijs, 23-24 april 1914.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Veiling-Delaroff|‘Veiling-Delaroff’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p. 7.
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Clerck, Hendrik de
*Houbraken, Arnold (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Hendrik de Klerk|“Hendrik de Klerk”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I (1718), p. 221.
;Coques, Gonzales (1614/1618-1684)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gonzalo Coques|“Gonzalo Coques”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 40-41.
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Coxie, Raphael (ca. 1540-1616)
*Alex. Pinchart (1858) [[s:fr:Archives des arts, des sciences et des lettres|‘Archives des arts, des sciences et des lettres’]], ''Messager des sciences historiques ou archives des arts et de la bibliographie de Belgique'', Année 1858, p. 154-182, met name 172-174.
;Deynum, Guilliam van
*Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p. 38-48.
;Deynum, Jan Baptist van (1620-1668)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Baptist van Duinen|“Jan Baptist van Duinen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 57.
;Diest, Johannes Baptist (''fl''. 1675-1702)
*Alex. Pinchart (1858) [[s:fr:Archives des arts, des sciences et des lettres|‘Archives des arts, des sciences et des lettres’]], ''Messager des sciences historiques ou archives des arts et de la bibliographie de Belgique'', Année 1858, p. 154-182, met name 181.
;Egmont, Justus van (1602-1674)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gysbrecht Thys|“Gysbrecht Thys”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 144-145.
;Eyck, Casper van (1613-1674)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Joannes van Heck|“Joannes van Heck”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 141-142.
;Eyck, Nicolaas van (1617-1679)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Joannes van Heck|“Joannes van Heck”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 141-142.
;Flémal, Bertholet (1614-1675)
*Alex. Pinchart (1858) [[s:fr:Archives des arts, des sciences et des lettres|‘Archives des arts, des sciences et des lettres’]], ''Messager des sciences historiques ou archives des arts et de la bibliographie de Belgique'', Année 1858, p. 154-182, met name 177.
;Franchoys, Lucas (I) (1574-1643)
*Houbraken, Arnold (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Lucas Francoois|“Lucas Francoois”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p. 55.
;Franchoys, Lucas (II) (1616-1681)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Lucas Francois de Jonge|“Lucas Francois de Jonge”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 14-15.
;Fruytiers, Philip (1610-1666)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Philippus Fruytiers|“Philippus Fruytiers”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 142.
;Gabron, Guiliam (II) (1619-1678)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gysbrecht Thys|“Gysbrecht Thys”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 144-145.
;Gijsels, Peeter
*Anoniem (22 juli 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24505/Avondblad/"Rembrandt"|‘„Rembrandt”’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Eerste Blad, [p. 1].
;Goubau, Anton (1616-1698)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Antonius Goebouw en Franciscus de Neve|“Antonius Goebouw en Franciscus de Neve”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 142.
;Grimmer, Jacob
*[''Brueghel-tentoonstelling''], Rijksmuseum Twenthe, Enschede, oktober 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**De W. (20 oktober 1934) [[Twentsch Dagblad Tubantia en Enschedesche Courant/Jaargang 63/Nummer 248/Brueghel-tentoonstelling|‘Brueghel-tentoonstelling’]], ''Twentsch Dagblad Tubantia en Enschedesche Courant'', derde blad, p. 1.
;Hecke, Jan van den (1620-1684)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Joannes van Heck|“Joannes van Heck”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 141-142.
;Hoecke, Robert van den (1622-1668)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Robert van Hoeck|“Robert van Hoeck”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 50.
;Hoefnagel, Jacob (1573-1632/1633)
*Anoniem (27 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/27 maart/Wt Praghe den 9. Martij|‘Wt Praghe den 9. Martij’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p. 1-2].
;Hondecoeter, Gillis Claesz. de (ca. 1575-1638)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Hoochstadt, Geeraert van (1591-1675)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerrit van Hoochstadt|“Gerrit van Hoochstadt”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 144.
;Jordaens, Hans III (1590-1643)
*Anoniem (24 november 1785) [[Rotterdamsche Courant/1785/Nummer 141/Henricus Jacobus Doorschodt|‘Henricus Jacobus Doorschodt, Vendumeester van ’s Gravenhage, zal op Maandag den 5 December 1785 en volgende dagen, ten zynen Huize, verkoopen, allerhande Meubilen en Huiscieraden, […] [advertentie]’]], ''Rotterdamsche Courant'', [p. 2].
;Keirincx, Alexander (1600-1652)
*Houbraken, Arn. (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Alexander Kierings|“Alexander Kierings”]], in: Arn. Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p. 130.
;Kessel, Jan van (I) (1626-1679)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johannes van Kessel|“Johannes van Kessel”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 139-140.
*[''Brueghel-tentoonstelling''], Rijksmuseum Twenthe, Enschede, oktober 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**De W. (20 oktober 1934) [[Twentsch Dagblad Tubantia en Enschedesche Courant/Jaargang 63/Nummer 248/Brueghel-tentoonstelling|‘Brueghel-tentoonstelling’]], ''Twentsch Dagblad Tubantia en Enschedesche Courant'', derde blad, p. 1.
;Lairesse, Gerard de
*Anoniem (11 mei 1697) [[Oprechte Haerlemsche Courant/Jaargang 1697/Nummer 19/Men is van meeninge, op Vrydag, den 17 Mey, 1697, by openbare Opveylinge te verkopen|‘Men is van meeninge, op Vrydag, den 17 Mey, 1697, by openbare Opveylinge te verkopen [...]’]], ''Oprechte Haerlemsche Courant'', [p. 2].
*''Catalogue de douze tableaux anciens provenant de la célèbre galerie de tableaux de feu Madame la douairière Van Loon-van Winter, à Amsterdam, et d’autres tableaux anciens provenant de la famille Druyvesteyn, de Haarlem, de feu Monsieur Ed. Croese, d’Amsterdam, et d’autres successions'' […], C.F. Roos en C.F. Roos Jr., Amsterdam, 26 februari 1878.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (27 februari 1878) [[Opregte Haarlemsche Courant/1878/Nummer 50/In de heden (dingsdag) te Amsterdam gehouden veiling|‘In de heden (dingsdag) te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Opregte Woensdagsche Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Lamen, Christoffel van der
*Houbraken, Arn. (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Kristoffel en Jakob vander Lanen|“Kristoffel en Jakob vander Lanen”]], in: Arn. Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I (1718), p. 221.
;Lamen, Jacob van der
*Houbraken, Arn. (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Kristoffel en Jakob vander Lanen|“Kristoffel en Jakob vander Lanen”]], in: Arn. Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I (1718), p. 221.
;Loyer, Nicholas (1625-na 1681)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gysbrecht Thys|“Gysbrecht Thys”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 144-145.
;Luyckx, Frans (1604-1668)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ossenbek|“Ossenbek”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 170-171 (vermeld als ‘Luix’).
;Mahu, Guilliam
*Houbraken, Arn. (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Anthoni Salart en Guliam Mahue|“Anthoni Salart en Guliam Mahue”]], in: Arn. Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I (1718), p. 221.
;Meert, Pieter (1618-1669)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Peeter Meert|“Peeter Meert”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 50.
;Miel, Jan (1599-1664)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Alexander Adriaansen|“Alexander Adriaansen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 144.
;Momper, Frans de
*[''Stadsgezichten en genretaferelen''], Centraal Museum, Utrecht, ....-15 juli 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**H. de Jonge (12 juni 1934) ‘Centraal museum Utrecht. Stadsgezichten en genretafereelen’, ''De Tijd'', Avondblad, [p. 5].
;Momper, Joost (II)
*[''Brueghel-tentoonstelling''], Rijksmuseum Twenthe, Enschede, oktober 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**De W. (20 oktober 1934) [[Twentsch Dagblad Tubantia en Enschedesche Courant/Jaargang 63/Nummer 248/Brueghel-tentoonstelling|‘Brueghel-tentoonstelling’]], ''Twentsch Dagblad Tubantia en Enschedesche Courant'', derde blad, p. 1.
;Neefs, Pieter (I)
*Houbraken, Arn. (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Pieter Neefs|“Pieter Neefs”]], in: Arn. Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I (1718), p. 221.
*Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 1].
;Neve, Franciscus de (I) (1606-1681/1688)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Antonius Goebouw en Franciscus de Neve|“Antonius Goebouw en Franciscus de Neve”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 142.
;Peeters, Bonaventura (I) (1614-1652)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Bonaventuur Peeters|“Bonaventuur Peeters”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 12-13.
;Peeters, Jan (I) (1624-1678)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johannes Peeters|“Johannes Peeters”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 140-141.
;Rijckaert, David (III) (1612-1661)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/David Rykaert|“David Rykaert”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 14.
;Sallaert, Antoon
*Houbraken, Arn. (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Anthoni Salart en Guliam Mahue|“Anthoni Salart en Guliam Mahue”]], in: Arn. Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I (1718), p. 221.
;Savery, Roelant
*Houbraken, Arnold (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Roelant Savry|“Roelant Savry”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p. 56-60.
*Anoniem (16 november 1929) [[De Maasbode/Jaargang 62/Nummer 22785/Avondblad/De nieuwe Scorel in het Centraal Museum te Utrecht|‘De nieuwe Scorel in het Centraal Museum te Utrecht’]], ''De Maasbode'', Avondblad, derde blad, [p. 1-2].
*Anoniem (7 december 1931) [[De Maasbode/Jaargang 64/Nummer 24049/Avondblad/Centraal Museum te Utrecht|‘Centraal Museum te Utrecht. Nieuwe aanwinsten’]], ''De Maasbode'', Avondblad, p. 6.
;Savoyen, Carel van (1618-1665)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Karel van Savoyen|“Karel van Savoyen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 53.
;Seghers, Daniël
*''Kunsthandel Dorus Hermsen N.V.'', Den Haag, december 1933.<br>Aankondigingen en recensies:
**Gio. [=Jan Kalff] (16 december 1933) ‘Kunst in Den Haag’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p. 10.
;Sibrechts, Jan (1627-1703)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Joannes van Heck|“Joannes van Heck”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 141-142.
;Sion, Peeter
*Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p. 38-48.
;Snayers, Peter (1592-1667)
*''Catalogue des tableaux anciens des écoles allemande, anglaise, espagnole, flamande, française, hollandaise, italienne, suisse des XVe, XVIe, XVIIe, XVIIIe siècles composant la collection de Son Excellence feu Paul Delaroff, conseiller privé de Sa Majesté l'Empereur de Russie'', F. Lair-Dubreuil, Parijs, 23-24 april 1914.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Veiling-Delaroff|‘Veiling-Delaroff’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p. 7.
;Snellinck, Jan (1548-1638)
*Houbraken, Arnold (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Johannes Snellinks|“Johannes Snellinks”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I (1718), p. 35-36.
;Snijders, Frans (1579-1657)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Son, Joris van (1623-1667)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Joris van Son|“Joris van Son”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 101-102.
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Teniers, David (I)
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Thielen, Anna Maria van (1642-na 1664)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Philip van Thielen|“Jan Philip van Thielen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 52.
;Thielen, Francisca Catharina van (1645-na 1681)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Philip van Thielen|“Jan Philip van Thielen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 52.
;Thielen, Jan Philip van (1618-1667)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Philip van Thielen|“Jan Philip van Thielen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 52.
;Thielen, Maria Theresia van (1640-1706)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Philip van Thielen|“Jan Philip van Thielen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 52.
;Thijs, Gijsbrecht (I) (1617-1662)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gysbrecht Thys|“Gysbrecht Thys”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 144-145.
;Thijs, Peter (1624-1677)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Peeter Tysens|“Peeter Tysens”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 143.
;Thulden, Theodoor van
*Anoniem (24 september 1902) [[De Zuid-Willemsvaart/Jaargang 22/Nummer 76/Veiling Heeswijk|‘Veiling Heeswijk’]], ''De Zuid-Willemsvaart'', [p. 2].
;Uden, Lucas van (1595-ca. 1672)
*''Collection Antoon van Welie. Tableaux anciens de l'école italienne, français, allemande, espagnole, flamande et hollandaise. Quelques objets divers'', S.J. Mak van Waay, Amsterdam, 7 april 1936, lotnr. 69.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (16 maart 1936) [[Het Vaderland/Jaargang 67/16 maart 1936/Avondblad/Veiling collectie Antoon van Welie|‘Veiling collectie Antoon van Welie’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Utrecht, Adriaen van
*''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p. 2].
;Vadder, Lodewijk de (1605-1655)
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;Vaillant, Wallerant
*''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 2].
;Veen, Gijsbert van (ca. 1562-1628)
*Alex. Pinchart (1858) [[s:fr:Archives des arts, des sciences et des lettres|‘Archives des arts, des sciences et des lettres’]], ''Messager des sciences historiques ou archives des arts et de la bibliographie de Belgique'', Année 1858, p. 154-182, met name 172-174.
;Voort, Cornelis van der
*Anoniem (24 september 1902) [[De Zuid-Willemsvaart/Jaargang 22/Nummer 76/Veiling Heeswijk|‘Veiling Heeswijk’]], ''De Zuid-Willemsvaart'', [p. 2].
;Vos, Simon de (1603-1676)
*''Collection Antoon van Welie. Tableaux anciens de l'école italienne, français, allemande, espagnole, flamande et hollandaise. Quelques objets divers'', S.J. Mak van Waay, Amsterdam, 7 april 1936, lotnr. 69.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (16 maart 1936) [[Het Vaderland/Jaargang 67/16 maart 1936/Avondblad/Veiling collectie Antoon van Welie|‘Veiling collectie Antoon van Welie’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
;Vrancx, Sebastiaen (1573-1647)
*Houbraken, Arnold (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Sebastiaan Franks|“Sebastiaan Franks”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p. 51-52.
*[''Brueghel-tentoonstelling''], Rijksmuseum Twenthe, Enschede, oktober 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies:
**De W. (20 oktober 1934) [[Twentsch Dagblad Tubantia en Enschedesche Courant/Jaargang 63/Nummer 248/Brueghel-tentoonstelling|‘Brueghel-tentoonstelling’]], ''Twentsch Dagblad Tubantia en Enschedesche Courant'', derde blad, p. 1.
;Witte, Peter de (III) (1617-1667)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Alexander Adriaansen|“Alexander Adriaansen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 144.
;Wolffort, Artus (1581-1640/1641)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gysbrecht Thys|“Gysbrecht Thys”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 144-145.
;Wouters, Frans (1612-1659)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Franciscus Wouters|“Franciscus Wouters”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 13-14.
;Ykens, Frans (1601-1693)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Alexander Adriaansen|“Alexander Adriaansen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 144.
;Ykens, Johannes (1613-1680)
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Alexander Adriaansen|“Alexander Adriaansen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 144.
;Overige onderwerpen
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/België/Barok en Rococo/Adriaen Brouwer|Adriaen Brouwer]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/België/Jan Brueghel (I)|Jan Brueghel (I)]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/België/Pieter Brueghel (II)|Pieter Brueghel (II)]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/België/Barok en Rococo/David de Coninck|David de Coninck]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/België/Barok en Rococo/Anthony van Dyck|Anthony van Dyck]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/België/Barok en Rococo/Jan Fijt|Jan Fijt]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Cornelis de Heem|Cornelis de Heem]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/België/Barok en Rococo/Jacob Jordaens|Jacob Jordaens]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/België/Barok en Rococo/Peter Paul Rubens|Peter Paul Rubens]]
*[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/België/Barok en Rococo/David Teniers (II)|David Teniers (II)]]
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal beeldende kunst]]
7k7lg3qzpup7sgy8267m67354lfkwjn
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/408
104
81487
224718
224606
2026-08-13T18:23:44Z
Vincent Steenberg
280
224718
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Vincent Steenberg" /></noinclude>{{c|{{larger|'''INHOUD'''}}<br>{{smaller|(''maakt geen deel uit van het oorspronkelijke werk'')}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerrit Dou|Gerrit Dou]]|{{pli|1|15}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Joachim Sandrart|Joachim Sandrart]]|{{pli|3|15}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Nicolaas vander Hek|Nicolaas vander Hek]]|{{pli|7|15}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Marten Heemskerk vander Hek|Marten Heemskerk vander Hek]]|{{pli|8|15}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Bartolomeus vander Helst|Bartolomeus vander Helst]]|{{pli|9|15}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jaques Wabbe|Jaques Wabbe]]|{{pli|10|15}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Albertsz. Roodtseus|Jan Albertsz. Roodtseus]]|{{pli|11|15}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Bonaventuur Peeters|Bonaventuur Peeters]]|{{pli|12|15}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Franciscus Wouters|Franciscus Wouters]]|{{pli|13|15}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/David Rykaert|David Rykaert]]|{{pli|14|15}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Lucas Francois de Jonge|Lucas Francois de Jonge]]|{{pli|14|15}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Frans Menton|Frans Menton]]|{{pli|15|15}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathys vanden Berg|Mathys vanden Berg]]|{{pli|15|15}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Tomas Wyk|Tomas Wyk]]|{{pli|16|15}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Govert Flink|Govert Flink]]|{{pli|18|15}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Pieter Pieterze Nedek|Pieter Pieterze Nedek]]|{{pli|27|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Latombe|Latombe]]|{{pli|27|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hans Jordaans|Hans Jordaans]]|{{pli|28|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gillis Schagen|Gillis Schagen]]|{{pli|30|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ludolf de Jong|Ludolf de Jong]]|{{pli|32|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Pieter de Hooge|Pieter de Hooge]]|{{pli|34|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hend. Goltzius|Hend. Goltzius]]|{{pli|35|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gonzalo Coques|Gonzalo Coques]]|{{pli|40|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Lely|Pieter vander Faes, genaamt Lely]]|{{pli|41|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Juriaan Jakobze|Juriaan Jakobze]]|{{pli|49|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Robert van Hoeck|Robert van Hoeck]]|{{pli|50|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Peeter Meert|Peeter Meert]]|{{pli|50|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Antoni Waterloo|Antoni Waterloo]]|{{pli|51|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/N. Kraanevelt|N. Kraanevelt]]|{{pli|52|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Philip van Thielen|Jan Philip van Thielen]]|{{pli|52|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Karel van Savoyen|Karel van Savoyen]]|{{pli|53|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Philips de Koning|Philips de Koning]]|{{pli|53|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Zacharias Paulusz.|Zacharias Paulusz.]]|{{pli|55|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakob Delff|Jakob Delff]]|{{pli|56|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Baptist van Duinen|Jan Baptist van Duinen]]|{{pli|57|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Adriaan Verdoel|Adriaan Verdoel]]|{{pli|57|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan de Groot|Jan de Groot]]|{{pli|58|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Tussenstuk|''Tusschenrede, veltteekenen der oudtydsche volken'']]|{{pli|58|17}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Philip Wouwerman|Philip Wouwerman]]|{{pli|69|19}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Baptista Weeninx|Jan Baptista Weeninx]]|{{pli|76|19}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/David Beck|David Beck]]|{{pli|83|21}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Joan Couper|Joan Couper]]|{{pli|87|21}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gelsdorf|Gelsdorf]]|{{pli|87|21}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Simon Peter Tilmans|Simon Peter Tilmans]]|{{pli|88|21}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hendrik Martensz. bygenaamt Zorgh|Hendrik Martensz. bygenaamt Zorgh]]|{{pli|89|21}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Duive|Jan Duive]]|{{pli|90|21}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Dirk Meerkerk|Dirk Meerkerk]]|{{pli|91|21}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakop Reugers Blok|Jakop Reugers Blok]]|{{pli|92|21}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan en Pieter Donker|Jan en Pieter Donker]]|{{pli|93|21}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Cesar van Everdingen|Cesar van Everdingen]]|{{pli|94|21}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan van Everdingen|Jan van Everdingen]]|{{pli|95|21}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Aldert van Everdingen|Aldert van Everdingen]]|{{pli|95|21}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Adam Pynaker|Adam Pynaker]]|{{pli|96|21}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kornelis de Man|Kornelis de Man]]|{{pli|99|23}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerbrant vanden Eekhout|Gerbrant vanden Eekhout]]|{{pli|100|23}}}}{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Joris van Son|Joris van Son]]|{{pli|101|23}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Emanuel Murant|Emanuel Murant]]|{{pli|102|23}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vaillant|Wallerant, Jan, Bernard, Jaques en Andreas Vaillant]]|{{pli|102|23}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakob vander Does|Jakob vander Does]]|{{pli|105|25}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Theodoor Helmbreker|Theodoor Helmbreker]]|{{pli|108|25}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Nikolaas Berchem|Nikolaas Berchem]]|{{pli|109|25}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan en Andries Both|Jan en Andries Both]]|{{pli|114|25}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|Johan Torrentius]]|{{pli|117|25}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Paulus Potter|Paulus Potter]]|{{pli|125|25}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hercules Segers|Hercules Segers]]|{{pli|136|27}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johannes van Kessel|Johannes van Kessel]]|{{pli|139|27}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johannes Peeters|Johannes Peeters]]|{{pli|140|27}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Peter Boel|Peter Boel]]|{{pli|141|27}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Joannes van Heck|Joannes van Heck]]|{{pli|141|27}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Philippus Fruytiers|Philippus Fruytiers]]|{{pli|142|27}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Antonius Goebouw en Franciscus de Neve|Antonius Goebouw en Franciscus de Neve]]|{{pli|142|27}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Joannes Fyt|Joannes Fyt]]|{{pli|142|27}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Peeter Tysens|Peeter Tysens]]|{{pli|143|27}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Alexander Adriaansen|Alexander Adriaansen]]|{{pli|144|27}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerrit van Hoochstadt|Gerrit van Hoochstadt]]|{{pli|144|27}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gysbrecht Thys|Gysbrecht Thys]]|{{pli|144|27}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johannes Lingelbag|Johannes Lingelbag]]|{{pli|145|27}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Worst|Jan Worst]]|{{pli|147|27}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem van Drillenburg|Willem van Drillenburg]]|{{pli|147|27}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakob Lavecq|Jakob Lavecq]]|{{pli|153|27}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Samuel van Hoogstraten|Samuel van Hoogstraten]]|{{pli|155|27}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ossenbek|Ossenbek]]|{{pli|170|27}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/''Tusschenrede, Persoonverbeelding''|''Tusschenrede, Persoonverbeelding'']]|{{pli|171|29}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathias Withoos|Mathias Withoos]]|{{pli|186|31}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hendrik Graauw|Hendrik Graauw]]|{{pli|189|33}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Roestraten|Roestraten]]|{{pli|191|33}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hendrik Verschuuring|Hendrik Verschuuring]]|{{pli|193|33}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Wilhelm Verschuring|Wilhelm Verschuring]]|{{pli|196|33}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakob vander Ulft|Jakob vander Ulft]]|{{pli|196|33}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Teunisz. Blankhof|Jan Teunisz. Blankhof]]|{{pli|198|33}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Barent Graat|Barent Graat]]|{{pli|200|33}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Josef Oostfries|Josef Oostfries]]|{{pli|209|35}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Klaas vander Meulen|Klaas vander Meulen]]|{{pli|209|35}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Katarina Oostfries|Katarine Oostfries]]|{{pli|209|35}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Janze Slob|Jan Janze Slob]]|{{pli|209|35}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vincent vander Vinne|Vincent vander Vinne]]|{{pli|210|35}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Maria van Oosterwyk|Maria van Oosterwyk]]|{{pli|214|35}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Geertje Pieters|Geertje Pieters]]|{{pli|216|35}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem Kalf|Willem Kalf]]|{{pli|218|35}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kornelis Bisschop|Kornelis Bisschop]]|{{pli|220|35}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakobus Bisschop|Jakobus Bisschop]]|{{pli|222|35}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Abraham Bisschop|Abraham (Bisschop)]]|{{pli|222|35}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Peter van Breda|Peter van Breda]]|{{pli|223|35}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Janson van Keulen|Janson van Keulen]]|{{pli|224|35}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerard Pieterze van Zyl|Gerard Pieterze van Zyl]]|{{pli|225|35}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Michiel Willemans|Michiel Willemans]]|{{pli|233|35}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem Doudyns|Willem Doudyns]]|{{pli|234|35}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ary vander Kabel|Ary vander Kabel]]|{{pli|235|35}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ludolf Bakhuizen|Ludolf Bakhuizen]]|{{pli|236|35}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Tusschenrede: misslagen van schilders|''Tusschenrede: misslagen van schilders'']]|{{pli|244|35}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Benjamin Blok|Benjamin Blok]]|{{pli|258|37}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Anna Katrina|Anna Katrina]]|{{pli|259|37}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kristoffel Pierson|Kristoffel Pierson]]|{{pli|259|35}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Juffrouw Rozee|Juffrouw Rozee]]|{{pli|262|37}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem Schellinks|Willem Schellinks]]|{{pli|263|37}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Nicolaas Maas|Nicolaas Maas]]|{{pli|273|37}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Henrik Roos|Johan Henrik Roos]]|{{pli|277|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Filip Roos|Filip Roos]]|{{pli|279|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Theodoor Roos|Theodoor Roos]]|{{pli|288|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Juriaan van Streek|Juriaan van Streek]]|{{pli|290|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Karel Emanuel Biset|Karel Emanuel Biset]]|{{pli|292|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ottomar Elger|Ottomar Elger]]|{{pli|293|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerard Uilenburg|Gerard Uilenburg]]|{{pli|293|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Tusschenrede:Kunsthandel uit Italië|''Tusschenrede:Kunsthandel uit Italië'']]|{{pli|297|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan de Baan|Jan de Baan]]|{{pli|303|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem vanden Velde|Willem vanden Velde]]|{{pli|324|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Frederik de Moucheron|Frederik de Moucheron]]|{{pli|327|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Pieter Gallis|Pieter Gallis]]|{{pli|328|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Pieter Gallis|Gasper vanden Bos]]|{{pli|328|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Antoine Francois vander Meulen|Antoine Francois vander Meulen]]|{{pli|329|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Joan Guiliam Bouwer|Joan Guiliam Bouwer]]|{{pli|332|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kornelis Kik|Kornelis Kik]]|{{pli|333|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Tusschenrede:Wat leiding in de kunst vermag|Tusschenrede:Wat leiding in de kunst vermag]]|{{pli|334|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kornelis Brizé|Kornelis Brizé]]|{{pli|341|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Blekers|Blekers]]|{{pli|342|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Frans Post|Frans Post]]|{{pli|343|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan van Nes|Johan van Nes]]|{{pli|344|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan van Hoeck|Jan van Hoeck]]|{{pli|344|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Schilders uit Dordrecht|Schilders uit Dordrecht]]|{{pli|344|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Pieter Frits|Pieter Frits]]|{{pli|345|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Schets van het Bentleven|Schets van het Bentleven]]|{{pli|347|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Naamlyst der schilders en Schilderessen|Naamlyst der schilders en Schilderessen]]|{{pli|362|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Lijst der voornaamste zaken in deel 2|Lijst der voornaamste zaken in deel 2]]|{{pli|365|39}}}}
{{Dotlist||[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Naamrol deel 2|Naamrol deel 2]]|{{pli|367|39}}}}<noinclude></noinclude>
9jpciiv376c3qjdyx1rjhry8u1fe2or
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/29
104
87579
224692
224495
2026-08-13T12:18:17Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
224692
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Bauduins de Biauvais, vo frères, i fu pris ;
« Et Richars de Cammont i fu des Turs saisis ;
« Et dans Harpins de Bourgez, qui soef fu norris ;
« Bauduins Cauderons ; et bers Jehans d’Alis ;
« Et li vesquez du Puy, qui tant fu agentis.
« Et Pières-li-ermites est de chà rafuis.
« Et je en escapai navrés et mal baillis ;
« Si vous sui venus dire com grans est li péris
« De vo frère germain, qui tant estoit gentis.
« Or s’en va outre mer ·j· poeples bénéis ;
« Godefrois les conduist, qu’à Bullon fu norris.
« E ! roys, souviengne-toi de le mort Jhésu-Cris ;
« De Bauduin, ton frère, qui est li tiens amis :
« Comment il tient prison en le terre au Persis,
« Par dedens Oliferne, le chité de haut pris.
« Encore est-il en vie ! et pour chou le te dis :
« Qu’au besoing voit li homs, et en fais et en dis,
« Qui l’aimme bonnement. Car li homs, j’en sui fis,
« Qui n’aide le sien frère qui est en tel point mis ;
« ·j· estrainges sé puis se fie est bien quétis. »
Quant Hernous entendi le parler du message,
Ot moult le cuer dolant quant oy le dammaige
De son frère germain ; puis dist par biau langage :
« Par le foy que je doi tous cheus de mon paraige,
« Jammais n’arresterai, né pour fol né pour sage,
« S’arai outre le mer conduit si grant bernage
« Que sus les Sarrasins monstrerai tel haussage
« Que mon frère r’arai, qu’il tiennent en servage. »
Quant la dame l’entent, s’ot le cuer plain de rage ;
Si dolante ne fu onques en son éâge.
Elle appella le roy, qui fu de haut linage,
« Sire, » dist la royne, « vous pensés grant outrage
« Qui ensément volés laissier vostre héritage,
Et vos ·iiij· biaus fiex qui sont en cest manage. »
« Dame, » ce dist li roys, « par Dieu et par s’ymage,
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Boudewijn van Beauvais, uw broer, werd daar gevangengenomen; »
« En Richard van Chaumont werd daar door de Turken gegrepen; »
« En heer Harpin van Bourges, die met zorg was opgevoed; »
« Boudewijn Cauderons; en de dappere Jan van Alis; »
« En de bisschop van Le Puy, die zo edel was. »
« En Peter de Kluizenaar is ervandaan gevlucht. »
« En ik ontsnapte eraan, gewond en in slechte staat; »
« En ik ben u komen vertellen hoe groot het gevaar is »
« Van uw eigen broer, die zo edel was. 210
« Nu trekt er een gezegend volk overzee; »
« Godfried leidt hen, die in Bouillon werd opgevoed. »
« O! koning, denk aan de dood van Jezus Christus; »
« Aan Boudewijn, uw broer, die uw vriend is: »
« Hoe hij gevangen zit in het land van de Perzen, »
« Binnen Oliferne, de stad van hoge waarde. »
« Nog is hij in leven! en daarom vertel ik het u: »
« Want in de nood ziet men de mens, in daden en woorden, »
« Die werkelijk van hem houdt. Want de man, daar ben ik zeker van, »
« Die zijn eigen broer niet helpt die in zo'n positie verkeert; »
« Als hij zich dan op een vreemdeling verlaat, is hij goed bedrogen » 220
Toen Arnoul de woorden van de boodschapper hoorde,
Had hij een zeer bedroefd hart toen hij hoorde van de schade
Aan zijn eigen broer; daarna sprak hij in schone taal:
« Bij het geloof dat ik verschuldigd ben aan allen van mijn geslacht, »
« Nooit zal ik rusten, noch voor dwaas noch voor wijze, »
« Of ik zal overzee zo'n groot leger leiden »
« Dat ik de Saracenen zo'n slag zal toebrengen »
« Dat ik mijn broer terug zal hebben, die zij in knechtschap houden. »
Toen de dame dit hoorde, had zij het hart vol razernij;
Zo bedroefd was zij nog nooit in haar leven geweest. 230
Zij riep de koning aan, die van hoog geslacht was,
« Heer, » zei de koningin, « u bedenkt een grote schanddaad »
« Dat u zomaar uw erfdeel wilt achterlaten, »
« En uw vier mooie zonen die in dit huis zijn. »
« Dame, » zei de koning, « bij God en bij Zijn beeltenis, »</poem>
|}<noinclude></noinclude>
chqp7lgroe8viw11x3qpnfnivhsaixo
224707
224692
2026-08-13T17:03:29Z
Havang(nl)
4330
224707
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Bauduins de Biauvais, vo frères, i fu pris ;
« Et Richars de Cammont i fu des Turs saisis ;
« Et dans Harpins de Bourgez, qui soef fu norris ;
« Bauduins Cauderons ; et bers Jehans d’Alis ;
« Et li vesquez du Puy, qui tant fu agentis.
« Et Pières-li-ermites est de chà rafuis.
« Et je en escapai navrés et mal baillis ;
« Si vous sui venus dire com grans est li péris
« De vo frère germain, qui tant estoit gentis.
« Or s’en va outre mer ·j· poeples bénéis ;
« Godefrois les conduist, qu’à Bullon fu norris.
« E ! roys, souviengne-toi de le mort Jhésu-Cris ;
« De Bauduin, ton frère, qui est li tiens amis :
« Comment il tient prison en le terre au Persis,
« Par dedens Oliferne, le chité de haut pris.
« Encore est-il en vie ! et pour chou le te dis :
« Qu’au besoing voit li homs, et en fais et en dis,
« Qui l’aimme bonnement. Car li homs, j’en sui fis,
« Qui n’aide le sien frère qui est en tel point mis ;
« ·j· estrainges sé puis se fie est bien quétis. »
Quant Hernous entendi le parler du message,
Ot moult le cuer dolant quant oy le dammaige
De son frère germain ; puis dist par biau langage :
« Par le foy que je doi tous cheus de mon paraige,
« Jammais n’arresterai, né pour fol né pour sage,
« S’arai outre le mer conduit si grant bernage
« Que sus les Sarrasins monstrerai tel haussage
« Que mon frère r’arai, qu’il tiennent en servage. »
Quant la dame l’entent, s’ot le cuer plain de rage ;
Si dolante ne fu onques en son éâge.
Elle appella le roy, qui fu de haut linage,
« Sire, » dist la royne, « vous pensés grant outrage
« Qui ensément volés laissier vostre héritage,
Et vos ·iiij· biaus fiex qui sont en cest manage. »
« Dame, » ce dist li roys, « par Dieu et par s’ymage,
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Boudewijn van Beauvais, uw broer, werd daar gevangengenomen; »
« En Richard van Chaumont werd daar door de Turken gegrepen; »
« En heer Harpin van Bourges, die met zorg was opgevoed; »
« Boudewijn Cauderons; en de dappere Jan van Alis; »
« En de bisschop van Le Puy, die zo edel was. »
« En Peter de Kluizenaar is ervandaan gevlucht. »
« En ik ontsnapte eraan, gewond en in slechte staat; »
« En ik ben u komen vertellen hoe groot het gevaar is »
« Van uw eigen broer, die zo edel was. 210
« Nu trekt er een gezegend volk overzee; »
« Godfried leidt hen, die in Bouillon werd opgevoed. »
« O! koning, denk aan de dood van Jezus Christus; »
« Aan Boudewijn, uw broer, die uw vriend is: »
« Hoe hij gevangen zit in het land van de Perzen, »
« Binnen Oliferne, de stad van hoge waarde. »
« Nog is hij in leven! en daarom vertel ik het u: »
« Want in de nood ziet men de mens, in daden en woorden, »
« Die werkelijk van hem houdt. Want de man, daar ben ik zeker van, »
« Die zijn eigen broer niet helpt die in zo'n positie verkeert; »
« Als hij zich dan op een vreemdeling verlaat, is hij goed bedrogen » 220
Toen Arnoul de woorden van de boodschapper hoorde,
Had hij een zeer bedroefd hart toen hij hoorde van de schade
Aan zijn eigen broer; daarna sprak hij in schone taal:
« Bij het geloof dat ik verschuldigd ben aan allen van mijn geslacht, »
« Nooit zal ik rusten, noch voor dwaas noch voor wijze, »
« Of ik zal overzee zo'n groot leger leiden »
« Dat ik de Saracenen zo'n slag zal toebrengen »
« Dat ik mijn broer terug zal hebben, die zij in knechtschap houden. »
Toen de dame dit hoorde, had zij het hart vol razernij;
Zo bedroefd was zij nog nooit in haar leven geweest. 230
Zij riep de koning aan, die van hoog geslacht was,
« Heer, » zei de koningin, « u bedenkt een grote schanddaad »
« Dat u zomaar uw erfdeel wilt achterlaten, »
« En uw vier mooie zonen die in dit huis zijn. »
« Dame, » zei de koning, « bij God en bij Zijn beeltenis, »
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
md9t9szlscuzgioy367t26hppwc3aly
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/30
104
87580
224695
224498
2026-08-13T16:50:03Z
Havang(nl)
4330
224695
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« G’irai vengier mon frère, qui tant a fier corage.
« Outre mer passerai, à calant et à barge. »
« Sire, » ce dist Gaufrois qui ou corps ot le rage,
« G’irai aveuquez vous en che pélerinage ;
« Si menrai de ma gent, qu’o moy feront passage,
« Et si vous aiderai sus celle gent ramage. »
Puis a dit coiëment, c’on n’oy son langage :
« Autrement ne pooie acomplir mon corage.
« Jammais ne revenrez en cestui héritage,
« Car je vous venderai à roy ou à faufage ;
« Et puis arai vo femme au droit de mariage. »
Ensément pensoit chius, qui au corps ot le rage.
Amours li ot son cuer mis en mauvais usage ;
C’est folement amet quant on fait son dammage.
Li gentis roys Hernous ne se volt déporter
Qu’il ne mandast sa gent et les fist assambler,
Et a fait sen trésoir ouvrir et desfremer ;
As povrez pélerins en a fait présenter :
Fist une croiserie pour Sarrasins grever.
Gaufrois ala en Frise ses amis assambler ;
A Nimaye revint pour le roy conforter.
Li roys s’esploita tant, qu’il fist sa gent entrer
En barges et calans, pour le bescuit porter
Et pain et char et vin, pour ses gens soëler ;
Puis vint à sa moullier le congié demander.
Ses ·iiij· fiex courut baisier et acoler :
A Esmeret l’ainsnet volt, li bons roys, donner
Une affike d’or fin, et li ala poser
Devant en le poitrine où elle doit ester.
Et puis li dist : « biax fiex, or le voelliés garder
« Très bien, ou non de moy, si qu’à mon retourner
« Je le puisse sour vous en che point retrouver ;
« Et sé Diex consentoit qu’il me fausist finer,
« Tant que l’arez sour vous le porrez regarder
« Et priier Jhésu-Crist qu’il me voelle sauver :
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Ik zal mijn broer gaan wreken, die zo'n trots hart heeft.
« Overzee zal ik trekken, per schuit en per aak. »
« Heer, » zei Gaufroi die de razernij in zijn lijf had,
« Ik zal met u meegaan op deze pelgrimstocht; »
« Ik zal van mijn volk meenemen, die met mij de oversteek maken, 240
« En zo zal ik u helpen tegen dat wilde volk. »
Daarna zei hij zachtjes, zodat men zijn woorden niet hoorde:
« Anders kon ik mijn opzet niet volbrengen. »
« Nooit zult u terugkeren in dit erfgoed, »
« Want ik zal u verkopen aan een koning of aan een leenheer; »
« En daarna zal ik uw vrouw hebben door het recht van het huwelijk. »
Zó dacht deze man, die de razernij in zijn lijf had.
De liefde had zijn hart op een slechte weg gezet;
Het is dwaas bemind wanneer men zijn eigen ondergang bewerkt.
De edele koning Arnoul wilde niet afzien van zijn plan 250
Om zijn volk te ontbieden en hen te laten verzamelen,
En hij liet zijn schatkamer openen en ontsluiten;
Aan de arme pelgrims liet hij daaruit schenken:
Hij organiseerde een kruistocht om de Saracenen te bestrijden.
Gaufroi ging naar Friesland om zijn vrienden te verzamelen;
Naar Nijmegen keerde hij terug om de koning te sterken.
De koning haastte zich zozeer, dat hij zijn volk liet scheepgaan
In aken en schuiten, om het beschuit te dragen
En brood en vlees en wijn, om zijn manschappen te voeden;
Daarna kwam hij zijn echtgenote om verlof vragen. 260
Zijn vier zonen rende hij tegemoet om te kussen en te omhelzen:
Aan Esmeré, de oudste, wilde de goede koning geven
Een gesp van puur goud, en hij ging die opspelden
Voor op zijn borst waar hij hoort te zitten.
En daarna zei hij tegen hem: « mooie zoon, bewaar deze »
« Zeer goed, in mijn naam, zodat ik bij mijn terugkeer »
« Hem bij jou op deze plek kan terugvinden; »
« En mocht God toestaan dat ik zou sterven, »
« Zolang je hem bij je hebt kun je ernaar kijken »
« En Jezus Christus bidden dat Hij mij wil redden: 270</poem>
|}<noinclude></noinclude>
linwxpnr193nqgne4rxpck3v9irvgn0
224708
224695
2026-08-13T17:04:49Z
Havang(nl)
4330
224708
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« G’irai vengier mon frère, qui tant a fier corage.
« Outre mer passerai, à calant et à barge. »
« Sire, » ce dist Gaufrois qui ou corps ot le rage,
« G’irai aveuquez vous en che pélerinage ;
« Si menrai de ma gent, qu’o moy feront passage,
« Et si vous aiderai sus celle gent ramage. »
Puis a dit coiëment, c’on n’oy son langage :
« Autrement ne pooie acomplir mon corage.
« Jammais ne revenrez en cestui héritage,
« Car je vous venderai à roy ou à faufage ;
« Et puis arai vo femme au droit de mariage. »
Ensément pensoit chius, qui au corps ot le rage.
Amours li ot son cuer mis en mauvais usage ;
C’est folement amet quant on fait son dammage.
Li gentis roys Hernous ne se volt déporter
Qu’il ne mandast sa gent et les fist assambler,
Et a fait sen trésoir ouvrir et desfremer ;
As povrez pélerins en a fait présenter :
Fist une croiserie pour Sarrasins grever.
Gaufrois ala en Frise ses amis assambler ;
A Nimaye revint pour le roy conforter.
Li roys s’esploita tant, qu’il fist sa gent entrer
En barges et calans, pour le bescuit porter
Et pain et char et vin, pour ses gens soëler ;
Puis vint à sa moullier le congié demander.
Ses ·iiij· fiex courut baisier et acoler :
A Esmeret l’ainsnet volt, li bons roys, donner
Une affike d’or fin, et li ala poser
Devant en le poitrine où elle doit ester.
Et puis li dist : « biax fiex, or le voelliés garder
« Très bien, ou non de moy, si qu’à mon retourner
« Je le puisse sour vous en che point retrouver ;
« Et sé Diex consentoit qu’il me fausist finer,
« Tant que l’arez sour vous le porrez regarder
« Et priier Jhésu-Crist qu’il me voelle sauver :
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Ik zal mijn broer gaan wreken, die zo'n trots hart heeft.
« Overzee zal ik trekken, per schuit en per aak. »
« Heer, » zei Gaufroi die de razernij in zijn lijf had,
« Ik zal met u meegaan op deze pelgrimstocht; »
« Ik zal van mijn volk meenemen, die met mij de oversteek maken, 240
« En zo zal ik u helpen tegen dat wilde volk. »
Daarna zei hij zachtjes, zodat men zijn woorden niet hoorde:
« Anders kon ik mijn opzet niet volbrengen. »
« Nooit zult u terugkeren in dit erfgoed, »
« Want ik zal u verkopen aan een koning of aan een leenheer; »
« En daarna zal ik uw vrouw hebben door het recht van het huwelijk. »
Zó dacht deze man, die de razernij in zijn lijf had.
De liefde had zijn hart op een slechte weg gezet;
Het is dwaas bemind wanneer men zijn eigen ondergang bewerkt.
De edele koning Arnoul wilde niet afzien van zijn plan 250
Om zijn volk te ontbieden en hen te laten verzamelen,
En hij liet zijn schatkamer openen en ontsluiten;
Aan de arme pelgrims liet hij daaruit schenken:
Hij organiseerde een kruistocht om de Saracenen te bestrijden.
Gaufroi ging naar Friesland om zijn vrienden te verzamelen;
Naar Nijmegen keerde hij terug om de koning te sterken.
De koning haastte zich zozeer, dat hij zijn volk liet scheepgaan
In aken en schuiten, om het beschuit te dragen
En brood en vlees en wijn, om zijn manschappen te voeden;
Daarna kwam hij zijn echtgenote om verlof vragen. 260
Zijn vier zonen rende hij tegemoet om te kussen en te omhelzen:
Aan Esmeré, de oudste, wilde de goede koning geven
Een gesp van puur goud, en hij ging die opspelden
Voor op zijn borst waar hij hoort te zitten.
En daarna zei hij tegen hem: « mooie zoon, bewaar deze »
« Zeer goed, in mijn naam, zodat ik bij mijn terugkeer »
« Hem bij jou op deze plek kan terugvinden; »
« En mocht God toestaan dat ik zou sterven, »
« Zolang je hem bij je hebt kun je ernaar kijken »
« En Jezus Christus bidden dat Hij mij wil redden: 270
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
jj0350lqvfpuyq8x8rmm5rnjp7x83s8
224742
224708
2026-08-13T20:53:50Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
224742
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« G’irai vengier mon frère, qui tant a fier corage.
« Outre mer passerai, à calant et à barge. »
« Sire, » ce dist Gaufrois qui ou corps ot le rage,
« G’irai aveuquez vous en che pélerinage ;
« Si menrai de ma gent, qu’o moy feront passage,
« Et si vous aiderai sus celle gent ramage. »
Puis a dit coiëment, c’on n’oy son langage :
« Autrement ne pooie acomplir mon corage.
« Jammais ne revenrez en cestui héritage,
« Car je vous venderai à roy ou à faufage ;
« Et puis arai vo femme au droit de mariage. »
Ensément pensoit chius, qui au corps ot le rage.
Amours li ot son cuer mis en mauvais usage ;
C’est folement amet quant on fait son dammage.
Li gentis roys Hernous ne se volt déporter
Qu’il ne mandast sa gent et les fist assambler,
Et a fait sen trésoir ouvrir et desfremer ;
As povrez pélerins en a fait présenter :
Fist une croiserie pour Sarrasins grever.
Gaufrois ala en Frise ses amis assambler ;
A Nimaye revint pour le roy conforter.
Li roys s’esploita tant, qu’il fist sa gent entrer
En barges et calans, pour le bescuit porter
Et pain et char et vin, pour ses gens soëler ;
Puis vint à sa moullier le congié demander.
Ses ·iiij· fiex courut baisier et acoler :
A Esmeret l’ainsnet volt, li bons roys, donner
Une affike d’or fin, et li ala poser
Devant en le poitrine où elle doit ester.
Et puis li dist : « biax fiex, or le voelliés garder
« Très bien, ou non de moy, si qu’à mon retourner
« Je le puisse sour vous en che point retrouver ;
« Et sé Diex consentoit qu’il me fausist finer,
« Tant que l’arez sour vous le porrez regarder
« Et priier Jhésu-Crist qu’il me voelle sauver :
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Ik zal mijn broer gaan wreken, die zo'n trots gemoed heeft.
« Overzee zal ik trekken, per aak en per schuit. »
« Heer, » zei Gaufroi die de razernij in zijn lijf had,
« Ik zal met u meegaan op deze pelgrimstocht; »
« Ik zal van mijn volk meenemen, die met mij de oversteek maken, 240
« En zo zal ik u helpen tegen dat wilde volk. »
Daarna zei hij zachtjes, zodat men zijn woorden niet hoorde:
« Anders kan ik mijn opzet niet volbrengen. »
« Nooit zult u terugkeren in dit erfgoed, »
« Want ik zal u verkopen aan een koning of aan een leenheer; »
« En daarna zal ik uw vrouw hebben door het recht van huwelijk. »
Zó dacht hij, die de razernij in zijn lijf had.
De liefde had zijn hart tot een slechte gewoonte gebracht;
Het is dwaas beminnen wanneer men zijn eigen ondergang bewerkt.
De edele koning Arnoul wilde niet vertragen 250
Dat hij zijn volk opriep en hen liet verzamelen,
En hij liet zijn schatkamer openen en ontsluiten;
Aan de arme pelgrims liet hij daaruit schenken:
Hij organiseerde een kruistocht om de Saracenen te bestrijden.
Gaufroi ging naar Friesland om zijn vrienden te verzamelen;
Naar Nijmegen keerde hij terug om de koning te sterken.
De koning haastte zich zozeer, dat hij zijn volk liet scheepgaan
In aken en schuiten, om het beschuit te dragen
En brood en vlees en wijn, om zijn manschappen te voeden;
Daarna kwam hij zijn echtgenote om verlof vragen. 260
Snel ging hij zijn vier zonen kussen en omhelzen:
Aan Esmeré, de oudste, wilde de goede koning geven
Een gesp van puur goud, en hij ging die opspelden
Voor op zijn borst waar zij hoort te zitten.
En daarna zei hij hem: « mooie zoon, bewaar deze »
« Zeer goed, in mijn naam, zodat ik bij mijn terugkeer »
« Haar bij jou op deze plek kan terugvinden; »
« En mocht God toestaan dat ik zou sterven, »
« Zolang je haar bij je hebt kun je ernaar kijken »
« En Jezus Christus bidden dat Hij mij wil redden: 270
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
4aa704k6mw3rzm1099ic72tzsryb0kr
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/31
104
87581
224696
224499
2026-08-13T16:52:49Z
Havang(nl)
4330
224696
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>« Car vous estez ichius que je puis miex amer. »
Adont encommencha li enfès à plourer ;
Et li pères aussi emprist à souspirer.
Li mère pleure aussi et commenche à crier,
En disant « riches Roys, comme il me doit peser
« De ce qu’en che voiage vous voi ensi aler. »
« Dame, » che dist li Roys, « tout chou laissiés ester ;
« Car j’ai par maintez fois oy dire et conter,
« Que qui va outre mer pour Sarrasins grever,
« S’il i va loyalment, ·iij· armes puet sauver.
« G’i voi pour le vostre âme envers Diu acquiter ;
« Pour l’âme de mon père i voeil aussi aler ;
« Et l’âme de ma mère. Ches trois voeil impétrer,
« En cest saint voiage, qui tant fait à loer :
« Et li âme de moy ira, par confesser,
« Là où Diex le vaura mettre et ordener.
« Car escripture dist, je l’ai oy conter,
« Qui prie pour autrui pour lui fait labourer. »
Preud’oms fu roys Hernous, et de bonne manière.
Douchement prist congiet à le Royne chière ;
Et à ses ·iiij· fiex, qui sont de belle chière.
Roze pleure forment. Il n’est cuers, durs comme pière,
S’il véist là endroit au partir le manière,
Qui ne s’amoliast, tant fust d’entente fière.
La dame mainne doel ; plus sentoit de hasquière,
Que s’elle véist là tous ses amis en bière.
Li Roys s’en départi, de volenté légière.
Gaufrois vint à la dame, qui de cuer fu entière ;
Douchement li a dit parole losengière :
« Dame, ne vous doubtez, foy que je doi saint Pière,
« Mon signour aiderai dessus le gent lanière.
« Si ne vous en doubtez, en nesune manière,
« Je le vous ramenrai sain et sauf, sans litière. »
« Gaufrois, » dist la Royne, « Diex oie ; vo priière ;
« Vèchi le vostre amie et vostre trésorière. »</poem>
|valign=top|
<poem>
« Want jij bent degene die ik het meeste kan beminnen. »
Toen begon het kind te huilen;
En de vader begon eveneens te zuchten.
De moeder weent ook en begint te schreeuwen,
Zeggende: « Rijke Koning, hoe zwaar moet het mij vallen »
« Dat ik u op deze reis zo zie vertrekken. »
« Dame, » zei de Koning, « laat dat alles rusten; »
« Want ik heb menigmaal horen vertellen en zeggen, »
« Dat wie overzee trekt om de Saracenen te bestrijden, »
« Als hij er oprecht heen gaat, drie zielen kan redden. 280
« Ik ga erheen om uw ziel met God te verzoenen; »
« Voor de ziel van mijn vader wil ik er ook heen gaan; »
« En de ziel van mijn moeder. Deze drie wil ik verkrijgen, »
« Op deze heilige reis, die zozeer te prijzen valt: »
« En mijn eigen ziel zal gaan, door de biecht, »
« Waar God haar zal willen plaatsen en verordenen. »
« Want de schrift zegt, ik heb het horen vertellen, »
« Wie voor een ander bidt, laat voor zichzelf werken. »
Een rechtschapen man was koning Arnoul, en van goede zeden.
Liefdevol nam hij afscheid van de dierbare Koningin; 290
En van zijn vier zonen, die een mooi gezicht hebben.
Rose huilt hevig. Er is geen hart, zo hard als steen,
Als het daar op dat moment de wijze van vertrekken had gezien,
Dat niet week zou worden, hoe trots de inborst ook was.
De dame maakt groot misbaar; zij voelde meer harteleed,
Dan wanneer zij daar al haar vrienden op de baar had gezien.
De Koning vertrok, met een vastberaden wil.
Gaufroi kwam naar de dame, die oprecht van hart is;
Liefdevol sprak hij haar vleiende woorden toe:
« Dame, vrees niet, bij het geloof dat ik verschuldigd ben aan Sint Pieter, 300
« Mijn heer zal ik helpen tegen het laffe volk. »
« Vrees dus niet, op geen enkele wijze, »
« Ik zal hem gezond en wel bij u terugbrengen, zonder draagbaar. »
« Gaufroi, » zei de Koningin, « Moge God uw gebed horen; »
« Ziehier uw vriendin en uw schatbewaarster. »</poem><noinclude></noinclude>
scp4n4qoblpymwlshy26vk1211r0e9e
224703
224696
2026-08-13T17:00:09Z
Havang(nl)
4330
224703
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Car vous estez ichius que je puis miex amer. »
Adont encommencha li enfès à plourer ;
Et li pères aussi emprist à souspirer.
Li mère pleure aussi et commenche à crier,
En disant « riches Roys, comme il me doit peser
« De ce qu’en che voiage vous voi ensi aler. »
« Dame, » che dist li Roys, « tout chou laissiés ester ;
« Car j’ai par maintez fois oy dire et conter,
« Que qui va outre mer pour Sarrasins grever,
« S’il i va loyalment, ·iij· armes puet sauver.
« G’i voi pour le vostre âme envers Diu acquiter ;
« Pour l’âme de mon père i voeil aussi aler ;
« Et l’âme de ma mère. Ches trois voeil impétrer,
« En cest saint voiage, qui tant fait à loer :
« Et li âme de moy ira, par confesser,
« Là où Diex le vaura mettre et ordener.
« Car escripture dist, je l’ai oy conter,
« Qui prie pour autrui pour lui fait labourer. »
Preud’oms fu roys Hernous, et de bonne manière.
Douchement prist congiet à le Royne chière ;
Et à ses ·iiij· fiex, qui sont de belle chière.
Roze pleure forment. Il n’est cuers, durs comme pière,
S’il véist là endroit au partir le manière,
Qui ne s’amoliast, tant fust d’entente fière.
La dame mainne doel ; plus sentoit de hasquière,
Que s’elle véist là tous ses amis en bière.
Li Roys s’en départi, de volenté légière.
Gaufrois vint à la dame, qui de cuer fu entière ;
Douchement li a dit parole losengière :
« Dame, ne vous doubtez, foy que je doi saint Pière,
« Mon signour aiderai dessus le gent lanière.
« Si ne vous en doubtez, en nesune manière,
« Je le vous ramenrai sain et sauf, sans litière. »
« Gaufrois, » dist la Royne, « Diex oie ; vo priière ;
« Vèchi le vostre amie et vostre trésorière. »
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Want jij bent degene die ik het meeste kan beminnen. »
Toen begon het kind te huilen;
En de vader begon eveneens te zuchten.
De moeder weent ook en begint te schreeuwen,
Zeggende: « Rijke Koning, hoe zwaar moet het mij vallen »
« Dat ik u op deze reis zo zie vertrekken. »
« Dame, » zei de Koning, « laat dat alles rusten; »
« Want ik heb menigmaal horen vertellen en zeggen, »
« Dat wie overzee trekt om de Saracenen te bestrijden, »
« Als hij er oprecht heen gaat, drie zielen kan redden. 280
« Ik ga erheen om uw ziel met God te verzoenen; »
« Voor de ziel van mijn vader wil ik er ook heen gaan; »
« En de ziel van mijn moeder. Deze drie wil ik verkrijgen, »
« Op deze heilige reis, die zozeer te prijzen valt: »
« En mijn eigen ziel zal gaan, door de biecht, »
« Waar God haar zal willen plaatsen en verordenen. »
« Want de schrift zegt, ik heb het horen vertellen, »
« Wie voor een ander bidt, laat voor zichzelf werken. »
Een rechtschapen man was koning Arnoul, en van goede zeden.
Liefdevol nam hij afscheid van de dierbare Koningin; 290
En van zijn vier zonen, die een mooi gezicht hebben.
Rose huilt hevig. Er is geen hart, zo hard als steen,
Als het daar op dat moment de wijze van vertrekken had gezien,
Dat niet week zou worden, hoe trots de inborst ook was.
De dame maakt groot misbaar; zij voelde meer harteleed,
Dan wanneer zij daar al haar vrienden op de baar had gezien.
De Koning vertrok, met een vastberaden wil.
Gaufroi kwam naar de dame, die oprecht van hart is;
Liefdevol sprak hij haar vleiende woorden toe:
« Dame, vrees niet, bij het geloof dat ik verschuldigd ben aan Sint Pieter, 300
« Mijn heer zal ik helpen tegen het laffe volk. »
« Vrees dus niet, op geen enkele wijze, »
« Ik zal hem gezond en wel bij u terugbrengen, zonder draagbaar. »
« Gaufroi, » zei de Koningin, « Moge God uw gebed horen; »
« Ziehier uw vriendin en uw schatbewaarster. »</poem><noinclude></noinclude>
ls8njj1ldgxy9ka8oas8catc2tj6svr
224705
224703
2026-08-13T17:01:59Z
Havang(nl)
4330
224705
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Car vous estez ichius que je puis miex amer. »
Adont encommencha li enfès à plourer ;
Et li pères aussi emprist à souspirer.
Li mère pleure aussi et commenche à crier,
En disant « riches Roys, comme il me doit peser
« De ce qu’en che voiage vous voi ensi aler. »
« Dame, » che dist li Roys, « tout chou laissiés ester ;
« Car j’ai par maintez fois oy dire et conter,
« Que qui va outre mer pour Sarrasins grever,
« S’il i va loyalment, ·iij· armes puet sauver.
« G’i voi pour le vostre âme envers Diu acquiter ;
« Pour l’âme de mon père i voeil aussi aler ;
« Et l’âme de ma mère. Ches trois voeil impétrer,
« En cest saint voiage, qui tant fait à loer :
« Et li âme de moy ira, par confesser,
« Là où Diex le vaura mettre et ordener.
« Car escripture dist, je l’ai oy conter,
« Qui prie pour autrui pour lui fait labourer. »
Preud’oms fu roys Hernous, et de bonne manière.
Douchement prist congiet à le Royne chière ;
Et à ses ·iiij· fiex, qui sont de belle chière.
Roze pleure forment. Il n’est cuers, durs comme pière,
S’il véist là endroit au partir le manière,
Qui ne s’amoliast, tant fust d’entente fière.
La dame mainne doel ; plus sentoit de hasquière,
Que s’elle véist là tous ses amis en bière.
Li Roys s’en départi, de volenté légière.
Gaufrois vint à la dame, qui de cuer fu entière ;
Douchement li a dit parole losengière :
« Dame, ne vous doubtez, foy que je doi saint Pière,
« Mon signour aiderai dessus le gent lanière.
« Si ne vous en doubtez, en nesune manière,
« Je le vous ramenrai sain et sauf, sans litière. »
« Gaufrois, » dist la Royne, « Diex oie ; vo priière ;
« Vèchi le vostre amie et vostre trésorière. »
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Want jij bent degene die ik het meeste kan beminnen. »
Toen begon het kind te huilen;
En de vader begon eveneens te zuchten.
De moeder weent ook en begint te schreeuwen,
Zeggende: « Rijke Koning, hoe zwaar moet het mij vallen »
« Dat ik u op deze reis zo zie vertrekken. »
« Dame, » zei de Koning, « laat dat alles rusten; »
« Want ik heb menigmaal horen vertellen en zeggen, »
« Dat wie overzee trekt om de Saracenen te bestrijden, »
« Als hij er oprecht heen gaat, drie zielen kan redden. 280
« Ik ga erheen om uw ziel met God te verzoenen; »
« Voor de ziel van mijn vader wil ik er ook heen gaan; »
« En de ziel van mijn moeder. Deze drie wil ik verkrijgen, »
« Op deze heilige reis, die zozeer te prijzen valt: »
« En mijn eigen ziel zal gaan, door de biecht, »
« Waar God haar zal willen plaatsen en verordenen. »
« Want de schrift zegt, ik heb het horen vertellen, »
« Wie voor een ander bidt, laat voor zichzelf werken. »
Een rechtschapen man was koning Arnoul, en van goede zeden.
Liefdevol nam hij afscheid van de dierbare Koningin; 290
En van zijn vier zonen, die een mooi gezicht hebben.
Rose huilt hevig. Er is geen hart, zo hard als steen,
Als het daar op dat moment de wijze van vertrekken had gezien,
Dat niet week zou worden, hoe trots de inborst ook was.
De dame maakt groot misbaar; zij voelde meer harteleed,
Dan wanneer zij daar al haar vrienden op de baar had gezien.
De Koning vertrok, met een vastberaden wil.
Gaufroi kwam naar de dame, die oprecht van hart is;
Liefdevol sprak hij haar vleiende woorden toe:
« Dame, vrees niet, bij het geloof dat ik verschuldigd ben aan Sint Pieter, 300
« Mijn heer zal ik helpen tegen het laffe volk. »
« Vrees dus niet, op geen enkele wijze, »
« Ik zal hem gezond en wel bij u terugbrengen, zonder draagbaar. »
« Gaufroi, » zei de Koningin, « Moge God uw gebed horen; »
« Ziehier uw vriendin en uw schatbewaarster. »
</poem><noinclude></noinclude>
fcycsz9827iafefemg55xh6v65ufjo0
224709
224705
2026-08-13T17:05:21Z
Havang(nl)
4330
224709
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Car vous estez ichius que je puis miex amer. »
Adont encommencha li enfès à plourer ;
Et li pères aussi emprist à souspirer.
Li mère pleure aussi et commenche à crier,
En disant « riches Roys, comme il me doit peser
« De ce qu’en che voiage vous voi ensi aler. »
« Dame, » che dist li Roys, « tout chou laissiés ester ;
« Car j’ai par maintez fois oy dire et conter,
« Que qui va outre mer pour Sarrasins grever,
« S’il i va loyalment, ·iij· armes puet sauver.
« G’i voi pour le vostre âme envers Diu acquiter ;
« Pour l’âme de mon père i voeil aussi aler ;
« Et l’âme de ma mère. Ches trois voeil impétrer,
« En cest saint voiage, qui tant fait à loer :
« Et li âme de moy ira, par confesser,
« Là où Diex le vaura mettre et ordener.
« Car escripture dist, je l’ai oy conter,
« Qui prie pour autrui pour lui fait labourer. »
Preud’oms fu roys Hernous, et de bonne manière.
Douchement prist congiet à le Royne chière ;
Et à ses ·iiij· fiex, qui sont de belle chière.
Roze pleure forment. Il n’est cuers, durs comme pière,
S’il véist là endroit au partir le manière,
Qui ne s’amoliast, tant fust d’entente fière.
La dame mainne doel ; plus sentoit de hasquière,
Que s’elle véist là tous ses amis en bière.
Li Roys s’en départi, de volenté légière.
Gaufrois vint à la dame, qui de cuer fu entière ;
Douchement li a dit parole losengière :
« Dame, ne vous doubtez, foy que je doi saint Pière,
« Mon signour aiderai dessus le gent lanière.
« Si ne vous en doubtez, en nesune manière,
« Je le vous ramenrai sain et sauf, sans litière. »
« Gaufrois, » dist la Royne, « Diex oie ; vo priière ;
« Vèchi le vostre amie et vostre trésorière. »
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Want jij bent degene die ik het meeste kan beminnen. »
Toen begon het kind te huilen;
En de vader begon eveneens te zuchten.
De moeder weent ook en begint te schreeuwen,
Zeggende: « Rijke Koning, hoe zwaar moet het mij vallen »
« Dat ik u op deze reis zo zie vertrekken. »
« Dame, » zei de Koning, « laat dat alles rusten; »
« Want ik heb menigmaal horen vertellen en zeggen, »
« Dat wie overzee trekt om de Saracenen te bestrijden, »
« Als hij er oprecht heen gaat, drie zielen kan redden. 280
« Ik ga erheen om uw ziel met God te verzoenen; »
« Voor de ziel van mijn vader wil ik er ook heen gaan; »
« En de ziel van mijn moeder. Deze drie wil ik verkrijgen, »
« Op deze heilige reis, die zozeer te prijzen valt: »
« En mijn eigen ziel zal gaan, door de biecht, »
« Waar God haar zal willen plaatsen en verordenen. »
« Want de schrift zegt, ik heb het horen vertellen, »
« Wie voor een ander bidt, laat voor zichzelf werken. »
Een rechtschapen man was koning Arnoul, en van goede zeden.
Liefdevol nam hij afscheid van de dierbare Koningin; 290
En van zijn vier zonen, die een mooi gezicht hebben.
Rose huilt hevig. Er is geen hart, zo hard als steen,
Als het daar op dat moment de wijze van vertrekken had gezien,
Dat niet week zou worden, hoe trots de inborst ook was.
De dame maakt groot misbaar; zij voelde meer harteleed,
Dan wanneer zij daar al haar vrienden op de baar had gezien.
De Koning vertrok, met een vastberaden wil.
Gaufroi kwam naar de dame, die oprecht van hart is;
Liefdevol sprak hij haar vleiende woorden toe:
« Dame, vrees niet, bij het geloof dat ik verschuldigd ben aan Sint Pieter, 300
« Mijn heer zal ik helpen tegen het laffe volk. »
« Vrees dus niet, op geen enkele wijze, »
« Ik zal hem gezond en wel bij u terugbrengen, zonder draagbaar. »
« Gaufroi, » zei de Koningin, « Moge God uw gebed horen; »
« Ziehier uw vriendin en uw schatbewaarster. »
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
bqeb9oocf00ok5qm7b1xcc3gw9rixqk
224743
224709
2026-08-13T21:22:33Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
224743
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Car vous estez ichius que je puis miex amer. »
Adont encommencha li enfès à plourer ;
Et li pères aussi emprist à souspirer.
Li mère pleure aussi et commenche à crier,
En disant « riches Roys, comme il me doit peser
« De ce qu’en che voiage vous voi ensi aler. »
« Dame, » che dist li Roys, « tout chou laissiés ester ;
« Car j’ai par maintez fois oy dire et conter,
« Que qui va outre mer pour Sarrasins grever,
« S’il i va loyalment, ·iij· armes puet sauver.
« G’i voi pour le vostre âme envers Diu acquiter ;
« Pour l’âme de mon père i voeil aussi aler ;
« Et l’âme de ma mère. Ches trois voeil impétrer,
« En cest saint voiage, qui tant fait à loer :
« Et li âme de moy ira, par confesser,
« Là où Diex le vaura mettre et ordener.
« Car escripture dist, je l’ai oy conter,
« Qui prie pour autrui pour lui fait labourer. »
Preud’oms fu roys Hernous, et de bonne manière.
Douchement prist congiet à le Royne chière ;
Et à ses ·iiij· fiex, qui sont de belle chière.
Roze pleure forment. Il n’est cuers, durs comme pière,
S’il véist là endroit au partir le manière,
Qui ne s’amoliast, tant fust d’entente fière.
La dame mainne doel ; plus sentoit de hasquière,
Que s’elle véist là tous ses amis en bière.
Li Roys s’en départi, de volenté légière.
Gaufrois vint à la dame, qui de cuer fu entière ;
Douchement li a dit parole losengière :
« Dame, ne vous doubtez, foy que je doi saint Pière,
« Mon signour aiderai dessus le gent lanière.
« Si ne vous en doubtez, en nesune manière,
« Je le vous ramenrai sain et sauf, sans litière. »
« Gaufrois, » dist la Royne, « Diex oie ; vo priière ;
« Vèchi le vostre amie et vostre trésorière. »
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Want jij bent degene die ik het meeste kan beminnen. »
Toen begon het kind te huilen;
En de vader begon eveneens te zuchten.
De moeder weent ook en begint te schreeuwen,
Zeggende: « Rijke Koning, hoe zwaar moet het mij vallen »
« Dat ik u op deze reis zo zie vertrekken. »
« Dame, » zei de Koning, « laat dat alles rusten; »
« Want ik heb menigmaal horen zeggen en vertellen, »
« Dat wie overzee trekt om de Saracenen te bestrijden, »
« Als hij er oprecht heen gaat, drie zielen kan redden. 280
« Ik ga erheen om uw ziel met God te verzoenen; »
« Voor de ziel van mijn vader wil ik er ook heen gaan; »
« En de ziel van mijn moeder. Deze drie wil ik verkrijgen, »
« Op deze heilige reis, die zozeer te prijzen valt: »
« En mijn eigen ziel zal gaan, door de biecht, »
« Waar God haar zal willen plaatsen en verordenen. »
« Want de schrift zegt, ik heb het horen vertellen, »
« Wie voor een ander bidt, laat voor zichzelf werken. »
Een rechtschapen man was koning Arnoul, en van goede zeden.
Liefdevol nam hij afscheid van de dierbare Koningin; 290
En van zijn vier zonen, die een mooi gezicht hebben.
Rose huilt hevig. Er is geen hart, zo hard als steen,
Als het daar op dat moment het afscheid nemen had gezien,
Dat niet week zou worden, hoe trots de inborst ook was.
De dame maakt groot misbaar; zij voelde meer smart,
Dan wanneer zij daar al haar vrienden opgebaard had gezien.
De Koning vertrok, met een vastberaden wil.
Gaufroi kwam naar de dame, die oprecht van hart is;
Liefdevol sprak hij haar vleiende woorden toe:
« Dame, vrees niet, bij het geloof dat ik verschuldigd ben aan Sint Pieter, 300
« Mijn heer zal ik helpen tegen het laffe volk. »
« Vrees dus niet, op geen enkele wijze, »
« Ik zal hem gezond en wel bij u terugbrengen, zonder draagbaar. »
« Gaufroi, » zei de Koningin, « Moge God uw gebed horen; »
« Ziehier uw vriendin en uw schatbewaarster. »
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
le6jjncq7vhft3htmquy7dfbwsgfl7o
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/32
104
87582
224697
224500
2026-08-13T16:53:29Z
Havang(nl)
4330
224697
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>« Voire, » ce dist li Rois, « moult vous aroie cière,
« Se de tenir amour vous estes coustumière. »
« Oil, » dist la Roine, « en très boine manière.
« Mais qui pourpense mal, le passion le fière. »
Gaufrois se départi de la dame au corps gent :
Avoec le roy Ernoul, et aveuques sa gent,
Se mist en haute mer, à l’orage et au vent ;
Et la dame remest, qui le cuer ot dolent.
Puis ne demoura gaires, mais bien prochainement,
Vint par dedens Nimaye, la chité qui resplent,
Wistaces de Boulongne, au fier contenement,
Cousins à le Royne germains entièrement.
Ou palais à Nimaye, qui pains estoit d’argent,
Entra li quens Wistaces, qui tant ot d’ensient.
Sa cousine trouva, plourant moult tenrement ;
Wistaces le salue, si a dit hautement :
« Royne de Nimaye, or ne plorés noient,
« Pour le Roy, vo signour. Il oevre sagement,
« Qui va outre le mer, sus Sarrasine gent,
« Venguier le digne mort de Dieu omnipotent.
« Andoi mi frère y sont, qui sont vostre parent ;
« Godefrois, Bauduins, que Diex gart de tourment :
« A Niqués les laissai, qui sus le mer s’estent ;
« Conquise l’ont par forche, au Dieu commandement :
« Or, vont à Anthioche asségier vraiement.
« Mi frère vous saluent, de fies plus de chent :
« A Bouloingne m’en vois, ma mère m’i attent,
« Où je recorderai, se je vis temprement,
« Nouvèlez de mes frères, qui moult ont hardement ;
« Puis repasserai mer assez hastéement. »
Et quant la dame l’ot, à ses ·ij· bras le prent ;
Douchement l’acola, et li dist hautement :
« Cousin, bien veigniés-vous, en chestui cazement ;
« Regardez vo linage, comme il croist grandement. »
Ses ·iiij· fiex li monstre, où grans biautez resplent.
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Inderdaad, » zei de Koning, « ik zou u zeer liefhebben, »
« Als u de gewoonte hebt de liefde te bewaren. »
« Ja, » zei de Koningin, « op zeer goede wijze. »
« Maar wie kwaad in de zin heeft, moge de passie hem treffen. » 310
Gaufroi nam afscheid van de dame met het edele lichaam:
Samen met koning Arnoul, en samen met zijn volk,
Zette hij koers naar de open zee, in de storm en de wind;
En de dame bleef achter, die een bedroefd hart had.
Daarna duurde het niet lang, maar al zeer snel,
Kwam er binnen Nijmegen, de stad die schittert,
Wistace (Eustachius) van Boulogne, met de trotse houding,
Neef van de Koningin, haar volle neef.
In het paleis te Nijmegen, dat met zilver beschilderd was,
Trachtte graaf Wistace binnen, die zoveel verstand had. 320
Zijn nicht trof hij aan, terwijl zij zeer teder weande;
Wistace groet haar, en zei luid:
« Koningin van Nijmegen, huil nu helemaal niet, »
« Om de Koning, uw echtgenoot. Hij handelt wijselijk, »
« Hij die overzee trekt, tegen het Saraceense volk, »
« Om de waardige dood te wreken van de almachtige God. »
« Mijn beide broers zijn daar, die uw familieleden zijn; »
« Godfried, Boudewijn, die God moge bewaren voor kwelling: »
« In Nicea liet ik hen achter, dat zich aan de zee uitstrekt; »
« Veroverd hebben zij het door kracht, op Gods bevel: »
« Nu gaan zij naar Antiochië om het werkelijk te belegeren. 330
« Mijn broers groeten u, wel meer dan honderd maal: »
« Naar Boulogne ga ik, mijn moeder wacht daar op mij, »
« Waar ik zal vertellen, als ik spoedig leef, »
« Nieuws van mijn broers, die grote dapperheid bezitten; »
« Daarna zal ik zeer snel de zee weer oversteken. »
En toen de dame het hoorde, nam zij hem in haar beide armen;
Liefdevol omhelsde zij hem, en zei luid:
« Neef, wees welkom in dit verblijf; »
« Bekijk uw nageslacht, hoe groot het groeit. »
Haar vier zonen toont zij hem, in wie grote schoonheid schittert. 340</poem><noinclude></noinclude>
n4525hrghwwavwds7u2ykobt3x9q7pi
224706
224697
2026-08-13T17:02:57Z
Havang(nl)
4330
224706
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Voire, » ce dist li Rois, « moult vous aroie cière,
« Se de tenir amour vous estes coustumière. »
« Oil, » dist la Roine, « en très boine manière.
« Mais qui pourpense mal, le passion le fière. »
Gaufrois se départi de la dame au corps gent :
Avoec le roy Ernoul, et aveuques sa gent,
Se mist en haute mer, à l’orage et au vent ;
Et la dame remest, qui le cuer ot dolent.
Puis ne demoura gaires, mais bien prochainement,
Vint par dedens Nimaye, la chité qui resplent,
Wistaces de Boulongne, au fier contenement,
Cousins à le Royne germains entièrement.
Ou palais à Nimaye, qui pains estoit d’argent,
Entra li quens Wistaces, qui tant ot d’ensient.
Sa cousine trouva, plourant moult tenrement ;
Wistaces le salue, si a dit hautement :
« Royne de Nimaye, or ne plorés noient,
« Pour le Roy, vo signour. Il oevre sagement,
« Qui va outre le mer, sus Sarrasine gent,
« Venguier le digne mort de Dieu omnipotent.
« Andoi mi frère y sont, qui sont vostre parent ;
« Godefrois, Bauduins, que Diex gart de tourment :
« A Niqués les laissai, qui sus le mer s’estent ;
« Conquise l’ont par forche, au Dieu commandement :
« Or, vont à Anthioche asségier vraiement.
« Mi frère vous saluent, de fies plus de chent :
« A Bouloingne m’en vois, ma mère m’i attent,
« Où je recorderai, se je vis temprement,
« Nouvèlez de mes frères, qui moult ont hardement ;
« Puis repasserai mer assez hastéement. »
Et quant la dame l’ot, à ses ·ij· bras le prent ;
Douchement l’acola, et li dist hautement :
« Cousin, bien veigniés-vous, en chestui cazement ;
« Regardez vo linage, comme il croist grandement. »
Ses ·iiij· fiex li monstre, où grans biautez resplent.
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Inderdaad, » zei de Koning, « ik zou u zeer liefhebben, »
« Als u de gewoonte hebt de liefde te bewaren. »
« Ja, » zei de Koningin, « op zeer goede wijze. »
« Maar wie kwaad in de zin heeft, moge de passie hem treffen. » 310
Gaufroi nam afscheid van de dame met het edele lichaam:
Samen met koning Arnoul, en samen met zijn volk,
Zette hij koers naar de open zee, in de storm en de wind;
En de dame bleef achter, die een bedroefd hart had.
Daarna duurde het niet lang, maar al zeer snel,
Kwam er binnen Nijmegen, de stad die schittert,
Wistace (Eustachius) van Boulogne, met de trotse houding,
Neef van de Koningin, haar volle neef.
In het paleis te Nijmegen, dat met zilver beschilderd was,
Trachtte graaf Wistace binnen, die zoveel verstand had. 320
Zijn nicht trof hij aan, terwijl zij zeer teder weande;
Wistace groet haar, en zei luid:
« Koningin van Nijmegen, huil nu helemaal niet, »
« Om de Koning, uw echtgenoot. Hij handelt wijselijk, »
« Hij die overzee trekt, tegen het Saraceense volk, »
« Om de waardige dood te wreken van de almachtige God. »
« Mijn beide broers zijn daar, die uw familieleden zijn; »
« Godfried, Boudewijn, die God moge bewaren voor kwelling: »
« In Nicea liet ik hen achter, dat zich aan de zee uitstrekt; »
« Veroverd hebben zij het door kracht, op Gods bevel: »
« Nu gaan zij naar Antiochië om het werkelijk te belegeren. 330
« Mijn broers groeten u, wel meer dan honderd maal: »
« Naar Boulogne ga ik, mijn moeder wacht daar op mij, »
« Waar ik zal vertellen, als ik spoedig leef, »
« Nieuws van mijn broers, die grote dapperheid bezitten; »
« Daarna zal ik zeer snel de zee weer oversteken. »
En toen de dame het hoorde, nam zij hem in haar beide armen;
Liefdevol omhelsde zij hem, en zei luid:
« Neef, wees welkom in dit verblijf; »
« Bekijk uw nageslacht, hoe groot het groeit. »
Haar vier zonen toont zij hem, in wie grote schoonheid schittert. 340
</poem><noinclude></noinclude>
bxi9cguqo39wp1cqoxtnpzt8iok1umc
224710
224706
2026-08-13T17:06:03Z
Havang(nl)
4330
224710
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Voire, » ce dist li Rois, « moult vous aroie cière,
« Se de tenir amour vous estes coustumière. »
« Oil, » dist la Roine, « en très boine manière.
« Mais qui pourpense mal, le passion le fière. »
Gaufrois se départi de la dame au corps gent :
Avoec le roy Ernoul, et aveuques sa gent,
Se mist en haute mer, à l’orage et au vent ;
Et la dame remest, qui le cuer ot dolent.
Puis ne demoura gaires, mais bien prochainement,
Vint par dedens Nimaye, la chité qui resplent,
Wistaces de Boulongne, au fier contenement,
Cousins à le Royne germains entièrement.
Ou palais à Nimaye, qui pains estoit d’argent,
Entra li quens Wistaces, qui tant ot d’ensient.
Sa cousine trouva, plourant moult tenrement ;
Wistaces le salue, si a dit hautement :
« Royne de Nimaye, or ne plorés noient,
« Pour le Roy, vo signour. Il oevre sagement,
« Qui va outre le mer, sus Sarrasine gent,
« Venguier le digne mort de Dieu omnipotent.
« Andoi mi frère y sont, qui sont vostre parent ;
« Godefrois, Bauduins, que Diex gart de tourment :
« A Niqués les laissai, qui sus le mer s’estent ;
« Conquise l’ont par forche, au Dieu commandement :
« Or, vont à Anthioche asségier vraiement.
« Mi frère vous saluent, de fies plus de chent :
« A Bouloingne m’en vois, ma mère m’i attent,
« Où je recorderai, se je vis temprement,
« Nouvèlez de mes frères, qui moult ont hardement ;
« Puis repasserai mer assez hastéement. »
Et quant la dame l’ot, à ses ·ij· bras le prent ;
Douchement l’acola, et li dist hautement :
« Cousin, bien veigniés-vous, en chestui cazement ;
« Regardez vo linage, comme il croist grandement. »
Ses ·iiij· fiex li monstre, où grans biautez resplent.
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Inderdaad, » zei de Koning, « ik zou u zeer liefhebben, »
« Als u de gewoonte hebt de liefde te bewaren. »
« Ja, » zei de Koningin, « op zeer goede wijze. »
« Maar wie kwaad in de zin heeft, moge de passie hem treffen. » 310
Gaufroi nam afscheid van de dame met het edele lichaam:
Samen met koning Arnoul, en samen met zijn volk,
Zette hij koers naar de open zee, in de storm en de wind;
En de dame bleef achter, die een bedroefd hart had.
Daarna duurde het niet lang, maar al zeer snel,
Kwam er binnen Nijmegen, de stad die schittert,
Wistace (Eustachius) van Boulogne, met de trotse houding,
Neef van de Koningin, haar volle neef.
In het paleis te Nijmegen, dat met zilver beschilderd was,
Trachtte graaf Wistace binnen, die zoveel verstand had. 320
Zijn nicht trof hij aan, terwijl zij zeer teder weande;
Wistace groet haar, en zei luid:
« Koningin van Nijmegen, huil nu helemaal niet, »
« Om de Koning, uw echtgenoot. Hij handelt wijselijk, »
« Hij die overzee trekt, tegen het Saraceense volk, »
« Om de waardige dood te wreken van de almachtige God. »
« Mijn beide broers zijn daar, die uw familieleden zijn; »
« Godfried, Boudewijn, die God moge bewaren voor kwelling: »
« In Nicea liet ik hen achter, dat zich aan de zee uitstrekt; »
« Veroverd hebben zij het door kracht, op Gods bevel: »
« Nu gaan zij naar Antiochië om het werkelijk te belegeren. 330
« Mijn broers groeten u, wel meer dan honderd maal: »
« Naar Boulogne ga ik, mijn moeder wacht daar op mij, »
« Waar ik zal vertellen, als ik spoedig leef, »
« Nieuws van mijn broers, die grote dapperheid bezitten; »
« Daarna zal ik zeer snel de zee weer oversteken. »
En toen de dame het hoorde, nam zij hem in haar beide armen;
Liefdevol omhelsde zij hem, en zei luid:
« Neef, wees welkom in dit verblijf; »
« Bekijk uw nageslacht, hoe groot het groeit. »
Haar vier zonen toont zij hem, in wie grote schoonheid schittert. 340
</poem>
|}}<noinclude></noinclude>
t77ifsdbjqfw7yjb9h7v6nmiwycnvhf
224744
224710
2026-08-14T07:11:17Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
224744
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Voire, » ce dist li Rois, « moult vous aroie cière,
« Se de tenir amour vous estes coustumière. »
« Oil, » dist la Roine, « en très boine manière.
« Mais qui pourpense mal, le passion le fière. »
Gaufrois se départi de la dame au corps gent :
Avoec le roy Ernoul, et aveuques sa gent,
Se mist en haute mer, à l’orage et au vent ;
Et la dame remest, qui le cuer ot dolent.
Puis ne demoura gaires, mais bien prochainement,
Vint par dedens Nimaye, la chité qui resplent,
Wistaces de Boulongne, au fier contenement,
Cousins à le Royne germains entièrement.
Ou palais à Nimaye, qui pains estoit d’argent,
Entra li quens Wistaces, qui tant ot d’ensient.
Sa cousine trouva, plourant moult tenrement ;
Wistaces le salue, si a dit hautement :
« Royne de Nimaye, or ne plorés noient,
« Pour le Roy, vo signour. Il oevre sagement,
« Qui va outre le mer, sus Sarrasine gent,
« Venguier le digne mort de Dieu omnipotent.
« Andoi mi frère y sont, qui sont vostre parent ;
« Godefrois, Bauduins, que Diex gart de tourment :
« A Niqués les laissai, qui sus le mer s’estent ;
« Conquise l’ont par forche, au Dieu commandement :
« Or, vont à Anthioche asségier vraiement.
« Mi frère vous saluent, de fies plus de chent :
« A Bouloingne m’en vois, ma mère m’i attent,
« Où je recorderai, se je vis temprement,
« Nouvèlez de mes frères, qui moult ont hardement ;
« Puis repasserai mer assez hastéement. »
Et quant la dame l’ot, à ses ·ij· bras le prent ;
Douchement l’acola, et li dist hautement :
« Cousin, bien veigniés-vous, en chestui cazement ;
« Regardez vo linage, comme il croist grandement. »
Ses ·iiij· fiex li monstre, où grans biautez resplent.
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Inderdaad, » zei de Koning, « ik zou u zeer liefhebben, »
« Als u de gewoonte hebt de liefde te bewaren. »
« Ja, » zei de Koningin, « op zeer goede wijze. »
« Maar wie kwaad in de zin heeft, moge het lijden hem treffen. » 310
Gaufroi nam afscheid van de dame met het edele lichaam:
Samen met koning Arnoul, en samen met zijn volk,
Zette hij koers naar de open zee, in de storm en de wind;
En de dame bleef achter met een bedroefd hart.
Daarna duurde het niet lang, maar al zeer snel,
Kwam er binnen Nijmegen, de stad die schittert,
Wistace (Eustachius) van Boulogne, met de trotse houding,
Neef van de Koningin, haar volle neef.
In het paleis te Nijmegen, dat met zilver beschilderd was,
Trad graaf Wistace binnen, die zoveel verstand had. 320
Zijn nicht trof hij aan, terwijl zij zeer zachtjes weende;
Wistace groet haar, en zei luid:
« Koningin van Nijmegen, huil nu helemaal niet, »
« Om de Koning, uw echtgenoot. Hij handelt wijselijk, »
« Hij die de zee over gaat tegen het Saraceense volk, »
« Om de waardige dood te wreken van de almachtige God. »
« Ook mijn broers zijn daar, die uw familieleden zijn; »
« Godfried, Boudewijn, die God moge bewaren voor kwelling: »
« In Nicea liet ik hen achter, dat zich aan de zee uitstrekt; »
« Veroverd hebben zij het door geweld, op Gods bevel: »
« Nu gaan zij naar Antiochië het werkelijk belegeren. 330
« Mijn broers groeten u, wel meer dan honderd maal: »
« Naar Boulogne ga ik, mijn moeder wacht daar op mij, »
« Waar ik zal vertellen, zo spoedig ik daar ben, »
« Nieuws van mijn broers, die grote dapperheid bezitten; »
« Daarna zal ik zeer snel de zee weer oversteken. »
En toen de dame het hoorde, nam zij hem in haar beide armen;
Liefdevol omhelsde zij hem, en zei luid:
« Neef, wees welkom in dit verblijf; »
« Bekijk uw familie, hoe groot het groeit. » Haar vier zonen toont zij hem, in wie grote schoonheid schittert. 340
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
fshfrzr4jobwnqib7l09l1f959b09uh
224745
224744
2026-08-14T07:12:01Z
Havang(nl)
4330
224745
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Voire, » ce dist li Rois, « moult vous aroie cière,
« Se de tenir amour vous estes coustumière. »
« Oil, » dist la Roine, « en très boine manière.
« Mais qui pourpense mal, le passion le fière. »
Gaufrois se départi de la dame au corps gent :
Avoec le roy Ernoul, et aveuques sa gent,
Se mist en haute mer, à l’orage et au vent ;
Et la dame remest, qui le cuer ot dolent.
Puis ne demoura gaires, mais bien prochainement,
Vint par dedens Nimaye, la chité qui resplent,
Wistaces de Boulongne, au fier contenement,
Cousins à le Royne germains entièrement.
Ou palais à Nimaye, qui pains estoit d’argent,
Entra li quens Wistaces, qui tant ot d’ensient.
Sa cousine trouva, plourant moult tenrement ;
Wistaces le salue, si a dit hautement :
« Royne de Nimaye, or ne plorés noient,
« Pour le Roy, vo signour. Il oevre sagement,
« Qui va outre le mer, sus Sarrasine gent,
« Venguier le digne mort de Dieu omnipotent.
« Andoi mi frère y sont, qui sont vostre parent ;
« Godefrois, Bauduins, que Diex gart de tourment :
« A Niqués les laissai, qui sus le mer s’estent ;
« Conquise l’ont par forche, au Dieu commandement :
« Or, vont à Anthioche asségier vraiement.
« Mi frère vous saluent, de fies plus de chent :
« A Bouloingne m’en vois, ma mère m’i attent,
« Où je recorderai, se je vis temprement,
« Nouvèlez de mes frères, qui moult ont hardement ;
« Puis repasserai mer assez hastéement. »
Et quant la dame l’ot, à ses ·ij· bras le prent ;
Douchement l’acola, et li dist hautement :
« Cousin, bien veigniés-vous, en chestui cazement ;
« Regardez vo linage, comme il croist grandement. »
Ses ·iiij· fiex li monstre, où grans biautez resplent.
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Inderdaad, » zei de Koning, « ik zou u zeer liefhebben, »
« Als u de gewoonte hebt de liefde te bewaren. »
« Ja, » zei de Koningin, « op zeer goede wijze. »
« Maar wie kwaad in de zin heeft, moge het lijden hem treffen. » 310
Gaufroi nam afscheid van de dame met het edele lichaam:
Samen met koning Arnoul, en samen met zijn volk,
Zette hij koers naar de open zee, in de storm en de wind;
En de dame bleef achter met een bedroefd hart.
Daarna duurde het niet lang, maar al zeer snel,
Kwam er binnen Nijmegen, de stad die schittert,
Wistace (Eustachius) van Boulogne, met de trotse houding,
Neef van de Koningin, haar volle neef.
In het paleis te Nijmegen, dat met zilver beschilderd was,
Trad graaf Wistace binnen, die zoveel verstand had. 320
Zijn nicht trof hij aan, terwijl zij zeer zachtjes weende;
Wistace groet haar, en zei luid:
« Koningin van Nijmegen, huil nu helemaal niet, »
« Om de Koning, uw echtgenoot. Hij handelt wijselijk, »
« Hij die de zee over gaat tegen het Saraceense volk, »
« Om de waardige dood te wreken van de almachtige God. »
« Ook mijn broers zijn daar, die uw familieleden zijn; »
« Godfried, Boudewijn, die God moge bewaren voor kwelling: »
« In Nicea liet ik hen achter, dat zich aan de zee uitstrekt; »
« Veroverd hebben zij het door geweld, op Gods bevel: »
« Nu gaan zij naar Antiochië het werkelijk belegeren. 330
« Mijn broers groeten u, wel meer dan honderd maal: »
« Naar Boulogne ga ik, mijn moeder wacht daar op mij, »
« Waar ik zal vertellen, zo spoedig ik daar ben, »
« Nieuws van mijn broers, die grote dapperheid bezitten; »
« Daarna zal ik zeer snel de zee weer oversteken. »
En toen de dame het hoorde, nam zij hem in haar beide armen;
Liefdevol omhelsde zij hem, en zei luid:
« Neef, wees welkom in dit verblijf; »
« Bekijk uw familie, hoe groot het groeit. »
Haar vier zonen toont zij hem, in wie grote schoonheid schittert. 340
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
btsm5ru6tzgzvza8095r5kgi1xqyvzn
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/33
104
87583
224698
224501
2026-08-13T16:54:07Z
Havang(nl)
4330
224698
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>« Cousine, » dist Wistacez, « je vous ai en convent
« Que ces ·iij· enmenrai, sans nul arrestement,
« A Bouloigne, où ma mère laissai à coer dolent :
« Car volentiers verrai les enfans de jouvent.
« Le plus petit arés en vo gouvernement,
« Et j’enmenrai les ·iij· par vostre otriement.
« Car d’anter ses amis vault-on miex bien sovent.
« Qui eslonge des iex, on dist communalment,
« Il eslonge du cuer. Antise amour aprent.
« Cousine, » dist Wistaces, « je vous requier et prie,
« Que je puisse mener ma mère, vostre amie,
« Ches ·iij· enfans gentis, qui sont de sa lignie ;
« Temprement les r’arés, ne vous dobtez mie. »
Et la dame respont : « et je les vous otrie. »
Wistaces séjourna illeuc une nutie,
Lendemain s’en parti, o sa chevalerie.
Une litière fu moult bien apparellie,
Où li enfant sont mis, qui tant ont signourie ;
A Boulongne s’ent vont s’ont la chité laissie,
Où la dame remest dolante et courouchie.
Le petit Bauduin ot en sa compaignie.
De la dame lairai, jusqu’à une autre fie ;
Et du Roy vous dirai, qui s’en va à navie,
Parmi le haute mer, qui tant est resoignie.
Des journéez qu’il font, n’est drois que je vous die.
Tant vont nagant par mer icelle baronnie,
Qu’il ont en mi la mer grant navire coisie :
Ch’estoient Sarrasins, cui le corps Diu maudie,
Et si les conduissoit li fors roys d’Orcanie ;
Et li Rouges-Lions fu en sa compaignie.
Chius venoit d’Antioche, une cité garnie,
Où il avoit éu bataille resforchie ;
Et grant destruction de cheux de païenie :
Car Brohadas, li fiex au soudant de Persie,
I avoit esté mors, si comme l’istoire crie ;</poem>
|valign=top|
<poem>
« Nicht, » zei Wistace, « ik beloof u »
« Dat ik deze drie mee zal nemen, zonder enig uitstel, »
« Naar Boulogne, waar ik mijn moeder met een bedroefd hart achterliet: »
« Want gaarne zal zij de jonge kinderen zien. »
De kleinste zult u onder uw hoede houden,
En ik zal de drie meenemen met uw toestemming.
Want door het opvoeden van zijn vrienden wordt men vaak beter.
Wie uit het oog is, zo zegt men algemeen,
Is uit het hart. Opvoeding leert liefde. 350
« Nicht, » zei Wistace, « ik verzoek en bid u, »
« Dat ik mag meenemen naar mijn moeder, uw vriendin, »
« Deze drie edele kinderen, die van haar geslacht zijn; »
« Weldra zult u hen terughebben, twijfel er niet aan. »
En de dame antwoordt: « En ik sta ze u toe. »
Wistace verbleef daar één nacht,
De volgende ochtend vertrok hij met zijn ridders.
Een draagstoel werd zeer goed in gereedheid gebracht,
Waar de kinderen in werden geplaatst, die zoveel adeldom bezitten;
Naar Boulogne gaan zij en hebben de stad verlaten,
Waar de dame bedroefd en misnoegd achterblijf. 360
De kleine Boudewijn hield zij in haar gezelschap.
Over de dame zal ik zwijgen, tot een andere keer;
En over de Koning zal ik u vertellen, die met zijn vloot wegtrekt,
Over de open zee, die zozeer gevreesd wordt.
Over de dagreizen die zij maken, is het niet nodig dat ik u vertel.
Zolang varen zij over zee, deze baronnen,
Dat zij midden op de zee een grote vloot ontdekten:
Dat waren Saracenen, wier lichaam God moge vervloeken,
En zij werden geleid door de sterke koning van Orcanië;
En de Rode Leeuw was in zijn gezelschap. 370
Deze kwam uit Antiochië, een versterkte stad,
Waar een hevige strijd had plaatsgevonden;
En grote vernietiging van de lieden van het heidendom:
Want Brohadas, de zoon van de sultan van Perzië,
Was daar gestorven, zoals de geschiedenis roept;
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
isztsaz2r0bmc9cyqm591y4deg7hg17
224704
224698
2026-08-13T17:00:49Z
Havang(nl)
4330
224704
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Cousine, » dist Wistacez, « je vous ai en convent
« Que ces ·iij· enmenrai, sans nul arrestement,
« A Bouloigne, où ma mère laissai à coer dolent :
« Car volentiers verrai les enfans de jouvent.
« Le plus petit arés en vo gouvernement,
« Et j’enmenrai les ·iij· par vostre otriement.
« Car d’anter ses amis vault-on miex bien sovent.
« Qui eslonge des iex, on dist communalment,
« Il eslonge du cuer. Antise amour aprent.
« Cousine, » dist Wistaces, « je vous requier et prie,
« Que je puisse mener ma mère, vostre amie,
« Ches ·iij· enfans gentis, qui sont de sa lignie ;
« Temprement les r’arés, ne vous dobtez mie. »
Et la dame respont : « et je les vous otrie. »
Wistaces séjourna illeuc une nutie,
Lendemain s’en parti, o sa chevalerie.
Une litière fu moult bien apparellie,
Où li enfant sont mis, qui tant ont signourie ;
A Boulongne s’ent vont s’ont la chité laissie,
Où la dame remest dolante et courouchie.
Le petit Bauduin ot en sa compaignie.
De la dame lairai, jusqu’à une autre fie ;
Et du Roy vous dirai, qui s’en va à navie,
Parmi le haute mer, qui tant est resoignie.
Des journéez qu’il font, n’est drois que je vous die.
Tant vont nagant par mer icelle baronnie,
Qu’il ont en mi la mer grant navire coisie :
Ch’estoient Sarrasins, cui le corps Diu maudie,
Et si les conduissoit li fors roys d’Orcanie ;
Et li Rouges-Lions fu en sa compaignie.
Chius venoit d’Antioche, une cité garnie,
Où il avoit éu bataille resforchie ;
Et grant destruction de cheux de païenie :
Car Brohadas, li fiex au soudant de Persie,
I avoit esté mors, si comme l’istoire crie ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Nicht, » zei Wistace, « ik beloof u »
« Dat ik deze drie mee zal nemen, zonder enig uitstel, »
« Naar Boulogne, waar ik mijn moeder met een bedroefd hart achterliet: »
« Want gaarne zal zij de jonge kinderen zien. »
De kleinste zult u onder uw hoede houden,
En ik zal de drie meenemen met uw toestemming.
Want door het opvoeden van zijn vrienden wordt men vaak beter.
Wie uit het oog is, zo zegt men algemeen,
Is uit het hart. Opvoeding leert liefde. 350
« Nicht, » zei Wistace, « ik verzoek en bid u, »
« Dat ik mag meenemen naar mijn moeder, uw vriendin, »
« Deze drie edele kinderen, die van haar geslacht zijn; »
« Weldra zult u hen terughebben, twijfel er niet aan. »
En de dame antwoordt: « En ik sta ze u toe. »
Wistace verbleef daar één nacht,
De volgende ochtend vertrok hij met zijn ridders.
Een draagstoel werd zeer goed in gereedheid gebracht,
Waar de kinderen in werden geplaatst, die zoveel adeldom bezitten;
Naar Boulogne gaan zij en hebben de stad verlaten,
Waar de dame bedroefd en misnoegd achterblijf. 360
De kleine Boudewijn hield zij in haar gezelschap.
Over de dame zal ik zwijgen, tot een andere keer;
En over de Koning zal ik u vertellen, die met zijn vloot wegtrekt,
Over de open zee, die zozeer gevreesd wordt.
Over de dagreizen die zij maken, is het niet nodig dat ik u vertel.
Zolang varen zij over zee, deze baronnen,
Dat zij midden op de zee een grote vloot ontdekten:
Dat waren Saracenen, wier lichaam God moge vervloeken,
En zij werden geleid door de sterke koning van Orcanië;
En de Rode Leeuw was in zijn gezelschap. 370
Deze kwam uit Antiochië, een versterkte stad,
Waar een hevige strijd had plaatsgevonden;
En grote vernietiging van de lieden van het heidendom:
Want Brohadas, de zoon van de sultan van Perzië,
Was daar gestorven, zoals de geschiedenis roept;
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
if65uub99amo40whz9xeza7xxoizpz6
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/34
104
87584
224699
224502
2026-08-13T16:55:44Z
Havang(nl)
4330
224699
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>Et li Rouges-Lions ot le teste trenchie.
Et chius estoit ses fiex qui menoit le navie :
Pour son père ploroit et menoit laide vie.
Godefrois de Buillon, qui tant ot signourie,
L’avoit mort en bataille, à l’espée fourbie ;
Et Brohadas ausi tua par compaignie.
Corbarans l’emportoit tous les plains de Surie ;
Et li jones Lions, qui Abilant maistrie,
En reportoit son père, pour cui il brait et crie ;
S’en remenoit sa gent matée et desconfie.
Mais il ont en la mer véut no baronnie :
Bien seurent que c’estoit de la gent baptisie ;
Car sus les bors des neifz ot mainte crois dréchie,
Et riches confanons. C’est che qui sénéfie
Que chil dedens créoient en le Vierge-Marie.
Quant li Rouges-Lions a ichelle ost coisie,
Il a dit à sa gent parole bien prisie :
« Signour, vous qui m’amez, au jourd’ui je vous prie
« Que la mort de mon père soit maintenant vengie ;
« Car n’est mie boins enfès qui mort de père oublie,
« Puis qu’il le puet venguier, à l’espée fourbie. »
Dist li Rouges-Lions, qui fu roys d’Abilant,
Et sirez dez désers, qui i sont si très grant :
« Signour, vous qui créez Mahon et Tirvogant,
« Che sont gent cristiène, qui chi viènent nagant :
« Or soiés au jourd’ui hardi et combatant.
« Godefrois de Buillon a fait mon cuer dolant ;
« Par devant Antioche desconfi Corbarant,
« Et ochist Brohadas et mon père devant.
« Mais par les candelabres, qu’à Mièkes sont ardant,
« Jammais n’arai mon cuer baut, liet, ne joiant,
« S’arai vengiet mon père, que j’en vois remenant. »
Et chil ont respondu : « vous alés bien parlant. »
Li ordeneur des os sonnent maint olifant,
Buisinez et arainnez ; bien s’en vont aprestant.</poem>
|valign=top|
<poem>
En de Rode Leeuw had het hoofd afgehouwen gekregen.
En deze was zijn zoon die de vloot leidde:
Om zijn vader weende hij en leidde een bitter leven.
Godfried van Bouillon, die zoveel macht had,
Had hem gedood in de strijd, met het gepolijste zwaard; 380
En Brohadas doodde hij eveneens in hun gezelschap.
Corbaran voerde hem weg over de vlakten van Syrië;
En de jonge Leeuw, die heerser is over Abilant,
Bracht zijn vader terug, om wie hij brult en schreeuwt;
En nam zijn volk mee terug, matgemaakt en verslagen.
Maar zij hebben op de zee onze baronnen gezien:
Goed wisten zij dat het om het gedoopte volk ging;
Want op de boorden van de schepen was menig kruis opgericht,
En rijke standaarden. Dat is het wat betekent
Dat degenen daarbinnen geloofden in de Maagd Maria. 390
Toen de Rode Leeuw dat leger had gezien,
Zei hij tegen zijn mannen een zeer geprezen woord:
« Heren, u die mij liefhebt, vandaag bid ik u »
« Dat de dood van mijn vader nu gewroken moge worden; »
« Want het is geen goed kind dat de dood van zijn vader vergeet, »
« Als hij hem wreken kan met het gepolijste zwaard. »
Sprak de Rode Leeuw, die koning van Abilant was,
En heer van de woestijnen, die daar zo zeer groot zijn:
« Heren, u die gelooft in Mahom en Tervogant,
« Dit zijn christenmensen, die hier aan komen varen: 400
« Wees dus vandaag koen en strijdbaar. »
« Godfried van Bouillon heeft mijn hart bedroefd gemaakt; »
« Voor Antiochië versloeg hij Corbaran, »
« En doodde Brohadas en mijn vader voordien. »
« Maar bij de kandelaren, die in Mekka branden, »
« Nooit zal ik mijn hart blij, vrolijk of verheugd hebben, »
« Of ik zal mijn vader gewroken hebben, die ik ga wegdraken. »
En zij antwoordden: « U spreekt zeer goed. »
De leiders van de legers blazen op menige olifant (horen),
Bazuinen en koperblazers; wel gaan zij zich gereedmaken. 410</poem>
|}<noinclude></noinclude>
nqitur7srbp6q9i19izhbo60an0c119
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/35
104
87585
224700
224503
2026-08-13T16:56:23Z
Havang(nl)
4330
224700
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>Et quant li cristien virent le convenant,
En conroy se sont mis : bien se vont ordenant.
« Or, » dist li roys Hernous, « biau signour, or avant !
« Cascuns se poet sauver, s’il poet maintenant.
« Veschi gent Sarrasine, qui croient Tervogant.
« Que feriens-nous à Romme, nobile combatant,
« Quant nous avons trouvé saint Pière chi devant ?
« Or se poèent sauver li petit et li grant ;
« Car chil qui chi morront, je vous jur et créant,
« Les âmes en iront ou trosne reluisant,
« Là où il verra Diu en son propre samblant.
« Il vaut miex à morir en Jhésu-Crist vengant,
« Que vivre faussement, en che siècle mescant :
« En paradis seront porté li trespassant. »
Gaufrois entendi bien le parler souffissant,
Mais pour Diu vengier n’entra point el calant.
A soy meismez dist : « tout cil sont non sachant,
« Qui convoitent leur mort et vont en riens hastant :
« Car puis c’uns homs est mors, il n’a au sien noiant ;
« Si le boivent et galent si hoir ou si enfant.
« Je tieng à paradis che siècle déduisant :
« Quant ·j· homs i puet faire son bon et son commant,
« Et avoir belle dame et boire des vins tant,
« C’on se fache servir en gales et en cant.
« Cil qui ont povreté sont en infer manant,
« Car je tieng pour infer le règne d’un mescant. »
Ensi disoit Gaufrois, qui à nul bien ne bée.
Le Roy en appella, à moult haute alenée :
« Sire, » ce dist Gaufrois, « or, oiés me pensée ;
« Se croire me voliés, hui en ceste journée,
« Je feroie une cose, s’il vous plaist et agrée,
« Que dedens ·j· batel iroie faire entrée,
« Et s’iroie véoir ceste gent foursenée :
« Si seroit de par moy toute leur gent esmée.
« Se rendre se voloient, sans cop férir d’espée,</poem>
|valign=top|
<poem>
En toen de christenen de toestand zagen,
Stelden zij zich in slagorde op: goed gaan zij zich ordenen.
« Nu, » zei koning Arnoul, « schone heren, nu voorwaarts! »
« Ieder kan zich redden, als hij nu kan. »
« Ziehier Saraceens volk, dat gelooft in Tervogant. »
« Wat zouden we in Rome doen, nobele strijders, »
« Nu we de heilige Pieter hier voor ons hebben gevonden? »
« Nu kunnen de kleinen en de groten zich redden; »
« Want degenen die hier zullen sterven, ik zweer en verzeker het u, »
« Hun zielen zullen naar de schitterende troon gaan, 420
« Waar men God zal zien in Zijn eigen gedaante. »
« Het is beter te sterven terwijl men Jezus Christus wreekt, »
« Dan valselijk te leven, in deze ellendige wereld: »
« In het paradijs zullen de overledenen gedragen worden. »
Gaufroi begreep de waardige rede goed,
Maar om God te wreken ging hij helemaal niet de schuit in.
Bij zichzelf zei hij: « Al degenen zijn onwetend, »
« Die hun dood begeren en zich ergens naartoe haasten: »
« Want zodra een mens dood is, heeft hij niets meer aan het zijne; »
« En zo verzorgeren en verkwisten zijn erfgenamen of zijn kinderen het. 430
« Ik houd deze plezierige wereld voor het paradijs: »
« Wanneer een mens er zijn zin en zijn wil kan doen, »
« En een schone dame kan hebben en zoveel wijnen kan drinken, »
« Dat men zich laat bedienen in feesten en gezang. »
« Degenen die armoede hebben, zijn bewoners van de hel, »
« Want ik houd het rijk van een arme voor de hel. »
Zo sprak Gaufroi, die op geen enkel goed uit was.
De Koning sprak hij aan, met zeer luide adem:
« Heer, » zei Gaufroi, « hoor nu mijn gedachte; »
« Als u mij wilde geloven, vandaag op deze dag, 440
« Zou ik iets doen, als het u behaagt en schikt, »
« Dat ik in een bootje zou stappen, »
« En zou gaan kijken naar dit uitzinnige volk: »
« Zo zou door mij hun hele volk getaxeerd worden. »
« Als zij zich wilden overgeven, zonder een slag met het zwaard, »</poem>
|}<noinclude></noinclude>
bf5kmt28234wvlhud59rbf4x2v6m1il
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/36
104
87586
224701
224504
2026-08-13T16:58:06Z
Havang(nl)
4330
224701
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>« Et croire Jhésu-Crist et le Vierge loée,
« Une moult belle aumoisne i ariens allevée. »
Et li Roys respondi, qui à nul mal n’i bée :
« Gaufrois, c’est très bien dit ! bonne l’avez trouvée.
« Or i alez briefment, sans nulle demourée ;
« En terre Sarrasine as esté mainte anée,
« Si savez bien le raison de la gent destrivée.
« Or i alés bien tost, sans faire demourée,
« Jusqu’atant que sachiés à quoy chius poeplez bée. »
Dont s’en parti Gaufrois, qui ait male journée,
En ·j· batel entra, sans nulle demourée,
Et s’emmena o lui des gens de sa contrée :
Cheulz où plus se fioit, par bonne amour privée.
En le mer s’esquipa périlleuse et salée ;
Prist ·j· rain d’olivier, dont la nés fu parée ;
Son caperon baulie, s’a enseingne monstrée
Qu’il voelt à eulz parler sans commenchier cylée.
Quant li Rougez-Lions a le cose esgardée,
Il dist à ses barons : « ceste gent cristiennée
« Voèlent à moy parler ; or, menons grant posnée,
« Car jà de raenchon n’en averai denrée. »
Adont vint li batiaus, qu’en leur ost fist entrée ;
Gaufrois s’est escriés, à moult haute alenée :
« Où est vo souverains, franque gent honourée ? »
Adonques fu menez, par le gent deffaée,
En une riche barge, qui bien fu garitée ;
·j· castel i avoit et haute tour levée.
Là estoient païen, cascuns le teste armée,
Et li Rouges-Lions avoit ou puig l’espée :
N’ot plus bel Sarrasin, jusques en Galilée.
Et quant Gaufrois le voit, si li fist enclinée ;
En lange Sarrasine, dont sa bouche ert létrée,
Salua le païen, de haute renommée.
Et li Rouges-Lions li dist à le volée :
« Par Mahon, cristiens, le char as trop ozée,</poem>
|valign=top|
<poem>
« En geloven in Jezus Christus en de geprezen Maagd, »
« Zouden we een zeer schone aalmoes hebben opgericht. »
En de Koning antwoordde, die op geen enkel kwaad uit was:
« Gaufroi, dat is zeer goed gezegd! U hebt het goed bedacht. »
« Ga er nu snel heen, zonder enig uitstel; 450
« In het Saraceense land ben je menig jaar geweest, »
« Dus je kent de taal van het verdorven volk goed. »
« Ga er nu heel gauw heen, zonder uitstel te maken, »
« Totdat je weet waar dit volk op uit is. »
Toen vertrok Gaufroi, moge hij een slechte dag hebben,
In een bootje stapte hij, zonder enig uitstel,
En nam met zich mee mannen uit zijn landstreek:
Degenen in wie hij het meeste vertrouwen had, door goede private vriendschap.
Op de gevaarlijke en zoute zee scheepte hij zich in;
Nam een olijftak, waarmee de boot versierd was; 460
Zijn kap nam hij af, en toonde zo het teken
Dat hij met hen wilde spreken zonder strijd te beginnen.
Toen de Rode Leeuw de zaak gadesloeg,
Zei hij tegen zijn baronnen: « Deze christenmensen »
« Willen met mij spreken; nu, laten we grote staat voeren, »
« Want nooit zal ik voor een losprijs een cent aan hen hebben. »
Toen kwam het bootje, dat in hun vloot voer;
Gaufroi riep uit, met zeer luide adem:
« Waar is uw soeverein, edel geëerd volk? »
Toen werd hij geleid, door het trouweloze volk, 470
In een rijke aak, die goed beschermd was;
Een kasteel was erop en een hoge toren opgericht.
Daar waren de heidenen, ieder met de helm op het hoofd,
En de Rode Leeuw had het zwaard in de vuist:
Er was geen mooiere Saraceen tot aan Galilea toe.
En toen Gaufroi hem zag, maakte hij een buiging voor hem;
In de Saraceense taal, waarin zijn mond geoefend was,
Groette hij de heiden, van grote bekendheid.
En de Rode Leeuw zei direct tegen hem:
« Bij Mahom, christen, je hebt te veel durf gehad, 480</poem>
|}<noinclude></noinclude>
ony2jzpmssidca49re2nz5jrwtst88d
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/37
104
87587
224702
224505
2026-08-13T16:58:42Z
Havang(nl)
4330
224702
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>« Qui chi t’es embatus ; le teste aras coppée,
« En despit Godefroit, qui Nike a conquestée ;
« Et le mien père mort et ocis par espée. »
« Sire, » che dist Gaufrois, « belle l’avez trouvée !
« Vous ne porriés valoir, pour d’or une quarée,
« Que je fuisse tuez, ni ochis en mellée :
« Car je croi Mahommet, il a plus d’une année,
« Ne sui pas cristiens, en créanche rieulée ;
« Comment que de baptesme fust me char arouzée,
« Ne croi nient plus en Dieu qu’en une saus pelée.
« Car ne fu onques eure, se m’âme soit sauvée,
« Que je ne amasse miex à faire desjunée
« D’une pièche de char fust, ou fresque, ou salée,
« Que moy cuminier d’une oste consacrée.
« Sire, » che dist Gaufrois, « or me laissiés parler.
« Le mort de vostre père vous oi chi regréter :
« Ne le poés vengier, se je vous voeil grever ;
« Se je vous voeil aidier, bien vous poez vanter
« Qu’ains si belle vengance n’oï nulz recorder. »
Quant li Rouges-Lions le prist à escouter,
Adont courut Gaufroit baisier acoler.
« Amis, » ce dist li Roys, « Mahons vous puist sauver !
« Or voeil d’ore en avant, par vo conseil ouvrer ;
« Ne vous ne sarés chose, en che monde rouver,
« Que tantost ne vous fache baillier et délivrer.
« Et se avoec moy volez venir et demourer,
« Je vous ferai ma seur à moullier espouser :
« Elyénor la belle, qui tant a le vis cler.
« Il n’a si biel enfant, si lonc c’on puet aler,
« Et si n’a que ·xij· ans ; mais on ne puet trouver
« Plus belle de son corps, en terre ni en mer. »
« Sire, » ce dist Gaufrois, « tout chou laissiez ester ;
« Je ne voeil vostre seur, bien le doi refuser.
« J’aims la plus belle dame, qui sur piés puet passer ;
« Mais je ne puis noient goir ne possesser,</poem>
|valign=top|
<poem>
« Dat je hier bent binnengestroomd; je hoofd zal worden afgehouwen, »
« In weerwil van Godfried, die Nicea heeft veroverd; »
« En mijn vader dood en gedood door het zwaard. »
« Heer, » zei Gaufroi, « u hebt het goed bekeken! »
« Het zou u geen vierkant goud waard zijn, »
« Dat ik gedood zou worden, of omgebracht in het gewoel: »
« Want ik geloof in Mahomet, al meer dan een jaar, »
« Ik ben geen christen, in een geregelde religie; »
« Hoezeer mijn vlees ook met het doopwater besprenkeld is, »
« Ik geloof niets meer in God dan in een geschilde ui. 490
« Want er was nooit een uur, zo waar mijn ziel gered zij, »
« Dat ik er niet meer van hield mijn ontbijt te maken »
« Van een stuk vlees, hetzij vers, hetzij gezouten, »
« Dan mijzelf te communiceren met een gewijde hostie. »
« Heer, » zei Gaufroi, « laat mij nu spreken. »
« De dood van uw vader hoor ik u hier betreuren: »
« U kunt hem niet wreken, als ik u wil tegenwerken; »
« Als ik u wil helpen, kunt u er roem op dragen »
« Dat nooit iemand zo'n mooie wraak heeft horen vertellen. »
Toen de Rode Leeuw naar hem begon te luisteren, 500
Rende hij direct naar Gaufroi om hem te kussen en te omhelzen.
« Vriend, » zei de Koning, « Moge Mahom u redden! »
« Nu wil ik van nu af aan naar uw raad handelen; »
« En er is niets wat u zult weten te vragen in deze wereld, »
« Of ik zal het u terstond laten overhandigen en bezorgen. »
« En als u met mij wilt meekomen en blijven, »
« Zal ik u mijn zuster als echtgenote geven om te trouwen: »
« Elyenor de schone, die zo'n helder gezicht heeft. »
« Er is geen zo'n mooi kind, zover men kan gaan, »
« En zij is pas twaalf jaar; maar men kan niet vinden 510
« Een mooiere van lichaam, op het land of op de zee. »
« Heer, » zei Gaufroi, « laat dat alles maar rusten; »
« Ik wil uw zuster niet, ik moet haar wel weigeren. »
« Ik bemin de mooiste dame die op voeten kan lopen; »
« Maar ik kan er niets van genieten of bezitten, »</poem>
|}<noinclude></noinclude>
ci1b9rvryfmc5c2044ar5a55fqzrv65
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/38
104
87588
224711
224506
2026-08-13T17:12:05Z
Havang(nl)
4330
224711
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Car elle a ·j· baron, qui trop fait à doubter,
« Que je vous vaurai vendre, s’el volés acater :
« Mais c’est li plus hardis qui puist de vin gouster,
« Amis à Godefroit, le hardi bacheler.
« Li enfant de ce prinche, que vous vaurai livrer,
« Sont cousin Godefroit, germain, au vray conter.
« Quant vous arés ce prinche, si le faitez finer ;
« Et g’irai à Nimaye sa moullier espouser :
« Et ses ·iiij· biaux fiex vous ferai présenter,
« Qu’en despit Godefroit ferez à mort livrer,
« Et en ·iiij· quartiers despéchier et couper :
« Ensi les porrez faire à Godefroit porter.
« De si belle venganche n’oy nuls homs parler,
« Que vous arez par moy, chou est certain et cler.
« Mais ains que vous puissiez cestui fait terminer,
« Me donrés tant d’avoir que vaurai demander,
« Et vaurai boire à vous, enchois mon dessevrer :
« Car à tel marchandise faire et persévérer,
« Affiert bien carité et boire boin vin cler. »
« Par Mahon, » dist li Roys, « bien me doit agréer.
« Or alons boire ensamble, sans point de l’arester ;
« Car j’ai par pluseurs fois oy dire et conter,
« Que trop pau de marquiez voit-on à bien aler,
« Puissedi c’on en fait carité respiter. »
Entre Gaufroit de Frise et le Rouge-Lion,
I ot mainte parole dite par traïson.
Li Turcz prist par le doit le traitour Frison,
Là sus en son castel, qui est en son dromon,
L’emmena vistement. Là leur aporta-on
A menguier et à boire, assez et à foison ;
Gaufrois i fist venir chiaux de sa nourechon.
Dist au Rouge-Lion : « veschi par quel raison
« Je voeil aler avant sus ceste opinion :
« Je vous déliverrai roy Ernoul, le baron,
« Afin que vous metrez tout à exécution
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Want zij heeft een baron, die men zeer moet vrezen, »
« Die ik u zal willen verkopen, als u hem wilt kopen: »
« Maar het is de dapperste die wijn kan proeven, »
« Vriend van Godfried, de dappere jonge ridder. »
« De kinderen van deze prins, die ik u zal willen leveren, 520
« Zijn volle neven van Godfried, om de waarheid te zeggen. »
« Wanneer u deze prins hebt, laat hem dan sterven; »
« En ik zal naar Nijmegen gaan om zijn vrouw te trouwen: »
« En zijn vier mooie zonen zal ik u laten aanbieden, »
« Die u in weerwil van Godfried ter dood zult laten brengen, »
« En in vier kwartieren zult laten houwen en snijden: »
« Zo kunt u hen naar Godfried laten dragen. »
« Van zo'n mooie wraak heeft nooit enig mens horen spreken, »
« Als die u door mij zult hebben, dat is zeker en klaar. »
« Maar voordat u deze daad kunt volbrengen, 530
« Zult u mij zoveel bezit geven als ik zal willen vragen, »
« En ik zal met u willen drinken, vóór mijn vertrek: »
« Want om zo'n handel te drijven en vol te houden, »
« Hoort er zeker gastvrijheid bij en het drinken van goede, klare wijn. »
« Bij Mahom, » zei de Koning, « het moet mij zeker behagen. »
« Laten we nu samen gaan drinken, zonder enig uitstel; »
« Want ik hebben menigmaal horen vertellen en zeggen, »
« Dat men te weinig kooplieden goed ziet varen, »
« Zodra men de gastvrijheid uitstelt. »
Tussen Gaufroi van Friesland en de Rode Leeuw, 540
Werd menig woord gesproken in verraad.
De Turk nam de Friese verrader bij de vinger,
Daar boven in zijn kasteel, dat op zijn schip is,
Nam hij hem snel mee. Daar bracht men hun
Te eten en te drinken, genoeg en in overvloed;
Gaufroi liet degenen van zijn gevolg daar komen.
Zei tegen de Rode Leeuw: « Ziehier om welke reden »
« Ik verder wil gaan met deze opzet: »
« Ik zal u koning Arnoul leveren, de baron, »
« Opdat u geheel de executie zult uitvoeren 550</poem>
|}<noinclude></noinclude>
giux0ckzdwnl41t86fnyr4c1z2dml1v
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/39
104
87589
224712
224507
2026-08-13T17:13:00Z
Havang(nl)
4330
224712
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Le poeple cristien, dont il y a foison ;
« Fors une seule nefz, où j’arai mon pingnon,
« Qui sera painturez sus le vostre blaison.
« Ichil seront sauvé et aront garison ;
« De tout le remanant ne prendez raenchon :
« S’uns seuls en escapoit, ce seroit mesprison.
« Ensi arés le Roy ; s’en prendez vengison,
« Par itel couvenent, que d’or plain ·j· dromon
« Arai pour che marquiet faire délivrison. »
Dist li Rouges-Lions : « à vo division ;
« En convent le vous ai, sus le loy de Mahon,
« Afin que vous fachiés, qu’à prochaine saison,
« Me soient chi tramis li ·iiij· dansellon,
« Qui sont cousin germain Godefroit de Buillon. »
Dont li jura Gaufrois, qui cuer ot de félon,
Puis dist : « je m’en irai à Ernoul, le baron ;
« Se li dirai, biau sire, se il vous vient à bon,
« Que renoier volez Jupin et Baraton,
« Et croire Jhésu-Crist, qui souffri passion. »
Dist li Rouges-Lions : « par mon Dieu Apollon,
« Vous estez saiges clers ; bien savez vo lichon. »
Or fu la traïsons ordenée et bastie.
Gaufrois s’en départi, o cheulz de sa lignie,
Et leur a dit : « signeur, par amours je vous prie,
« Soiés liet et joiant et menez chière lie ;
« Car se ceste besoingne puet estre parfurnie,
« Je vous ai en convent, sus le Vierge-Marie,
« Cascuns de vous donrai si haute signourie,
« Que li menres de vous ara tant en baillie
« Terrez, bours et chastiaux et or fin qui rougie,
« Que paradis arés, en vostre plaine vie.
« Soions tout traitours ; car mes corps vous afie,
« Que jammais nulz preud’oms, ne qui en Diu se fie,
« Ne se porra chavir, ni avoir manandie.
« Car qui est povrez homs, vous vez que Diex l’oblie ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Op het christenvolk, waarvan er een overvloed is; »
« Behalve één enkel schip, waar ik mijn vaantje op zal hebben, »
« Dat geschilderd zal zijn op uw blazoen. »
« Diegenen zullen gered worden en bescherming hebben; »
« Van al het overige moet u geen losprijs aannemen: »
« Als er één enkele zou ontsnappen, zou dat een fout zijn. »
« Zo zult u de Koning hebben; en neem wraak op hem, »
« Bij zo'n overeenkomst, dat een schip vol goud »
« Ik zal hebben voor het leveren van deze waar. »
Zei de Rode Leeuw: « Naar uw indeling; »560
« Ik beloof het u, op de wet van Mahom, »
« Mits u ervoor zorgt dat in het komende seizoen, »
« Mij hier de vier jonkers worden gestuurd, »
« Die volle neven zijn van Godfried van Bouillon. »
Toen zwoer Gaufroi het hem, die het hart van een schurk had,
Daarna zei hij: « Ik zal naar Arnoul gaan, de baron; »
« En ik zal hem zeggen, heer, als het u schikt, »
« Dat u Jupin en Baraton wilt afzweren, »
« En geloven in Jezus Christus, die de passie leed. »
Zei de Rode Leeuw: « Bij mijn god Apollo, 570
« U bent een wijze geleerde; u kent uw les goed. »
Nu was het verraad geregeld en opgebouwd.
Gaufroi vertrok, met degenen van zijn geslacht,
En heeft tegen hen gezegd: « Heren, uit liefde bid ik u, »
« Wees vrolijk en verheugd en maakt goede sier; »
« Want als deze zaak volbracht kan worden, »
« Beloof ik u, bij de Maagd Maria, »
« Dat ik ieder van u zo'n hoge heerschappij zal geven, »
« Dat de minste van u zoveel in beheer zal hebben »
« Aan landen, burchten en kastelen en puur goud dat glanst, 580
« Dat u het paradijs zult hebben, in uw volle leven. »
« Laten we allen verraders zijn; want mijn lichaam verzekert u, »
« Dat nooit een rechtschapen man, noch wie op God vertrouwt, »
« Zich zal kunnen redden, of bezit zal hebben. »
« Want wie een arm mens is, u ziet dat God hem vergeet; »</poem>
|}<noinclude></noinclude>
04aaqnmw1kmfgua8vcstf27wnbfu7f0
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/40
104
87590
224713
224508
2026-08-13T17:14:06Z
Havang(nl)
4330
224713
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Et li mondes en fait aussi se moquerie. »
Et cil ont respondut, trestout à une fie :
« Gaufrois vous dites voir, par le corps saint Elie,
« Or pensés d’essauchier fausetet et envie ;
« Car vous n’en sarez jà tant penser, en vo vie,
« Qu’il ne samble à nous tous trop poi de la moitie. »
Or sont li traitour tout d’un aloiement.
Gaufrois fist son batel sigler tout droitement
Dès-si jusques en l’ost, où li bons Roys l’atent.
Li calant et les bargez, dont plus i ot de cent,
Estoient ordenet bien et souffisaument ;
Pour combatre as payens, cui li corpz Diu cravent.
Quant li Roys vit Gaufroit, si li dist hautement :
« Gaufrois, com vous avez demouret longement. »
« Ne le puis amender, » dist Gaufrois, « vraiement
« N’ay pas trop demouret, ne le plains de noient ;
« Car j’ai bien besoigniet, si vous dirai comment.
« Veischi les Sarrasins, où j’ai fait parlement,
« Il ont ·j· gentil roy, et de boin esscient,
« Il est roys d’Abilant, qui sus le mer s’estent ;
« A Antioche aloit, o son efforchement,
« Au boin duc Godefroit, à cui Buillons apent,
« Pour rechevoir baptesme et le saint Sacrament :
« Il se voeilt convertir à no loy proprement.
« Or lui ai fait de vous si boin racontement,
« Que vous arez l’onneur de son baptizement.
« A vous voeilt obéir, dou tout à vous se rent :
« J’en ai pris à eulz et foy et sérement. »
Dist li roys de Nimaye, au fier contenement :
« Diex me doinst boin le fin, j’ai boin commenchement. »
Dont furent li plusour resjoy durement ;
L’ordenanche où il furent laissièrent vistement,
E Sarrasins venoient par grant enforchement ;
Ne se monstroient mie armet communalment.
Dessus les haubergons, qui reluissent qu’argent,
</poem>
|valign=top|
<poem>
« En de wereld drijft er eveneens de spot mee. »
En zij antwoordden, allemaal tegelijk:
« Gaufroi, u spreekt de waarheid, bij het lichaam van de heilige Elias, »
« Denk er nu aan om valsheid en afgunst te verhogen; »
« Want u zult er in uw leven nooit zoveel van kunnen bedenken, 590
« Of het zal ons allen nog te weinig toeschijnen voor de helft. »
Nu zijn de verraders allen van één verbond.
Gaufroi liet zijn boot rechtstreeks zeilen
Naar het leger, waar de goede Koning op hem wacht.
De aken en de schuiten, waarvan er meer dan honderd waren,
Waren goed en voldoende geordend;
Om de heidenen te bestrijden, wier lichamen God moge vernietigen.
Toen de Koning Gaufroi zag, zei hij luid tegen hem:
« Gaufroi, wat bent u lang weggeweest. »
« Ik kan het niet veranderen, » zei Gaufroi, « werkelijk » 600
« Ben ik niet te lang weggeweest, ik klaag er helemaal niet over; »
« Want ik heb goed werk verricht, en ik zal u vertellen hoe. »
« Ziehier de Saracenen, met wie ik gesproken heb, »
« Zij hebben een edele koning, en van goed verstand, »
« Hij is koning van Abilant, dat zich aan de zee uitstrekt; »
« Naar Antiochië was hij onderweg, met zijn krijgsmacht, »
« Naar de goede hertog Godfried, aan wie Bouillon toebehoort, »
« Om het doopsel en het heilig Sacrament te ontvangen: »
« Hij wil zich bekeren tot onze wet in eigen persoon. »
« Nu heb ik hem over u zo'n goed verslag gedaan, 610
« Dat u de eer zult hebben van zijn dopeling. »
« Aan u wil hij gehoorzamen, geheel aan u geeft hij zich over: »
« Ik heb van hen zowel trouw als eed aangenomen. »
Zei de koning van Nijmegen, met de trotse houding:
« Moge God mij een goed einde geven, ik heb een goed begin. »
Toen waren de meesten hevig verheugd;
De slagorde waarin zij stonden lieten zij snel varen,
En Saracenen kwamen met grote krijgsmacht naderbij;
Zij toonden zich helemaal niet openlijk gewapend.
Over de malienkolders, die blinken als zilver, 620</poem>
|}<noinclude></noinclude>
j2qv3e6j3dyx7q3gzgwq30ga5e5jsef
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/41
104
87591
224714
224512
2026-08-13T17:14:52Z
Havang(nl)
4330
224714
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Avoient les mantiaux vestis moult noblement.
Quant vint à l’approchir, je vous ai en convent,
Les mantiaus desvestirent ; si crient hautement :
« Trahit estez, glouton, Mahommet vous cravent ! »
Archers, arbalestriers i traient radement.
Gaufrois prist les traitres, qui scèvent son convent,
Avoec les Sarrasins se tourna esroment.
Là commenche bataille et orrible content,
Mis furent christien à doel et à tourment.
N’ièrent point ordenet, par l’enheudissement
De Gaufroit le félon, qui par mal essient
Ot vendu son signour et traï faussement.
Car ensi que Judas traï Dieu faussement,
Fu li bons Roys trays et vendus pour argent.
Hélas ! que traitour sont et fel et pullent ;
Et c’on les doit poi plaindre quant pendus sont au vent.
Quant li bons rois Ernous perchiut le traïson,
Et qu’il estoit vendus, par Gaufroit le félon,
De cuer réclaimme Dieu et son saintisme non ;
Membre lui de sa dame, qui Rose avoit à non,
Et de ses ·iiij· fiex, de haute estration,
Qui furent du linage Godefroit de Buillon.
« E ! Dame, » dist li Bers, « à quel destruction
« Me char sera livrée, par le geste Mahon !
« Ahy ! enfant roial, de bonne norrechon,
« Tempre perdez vo père et par grant mesprison. »
Lors entoise le brant, qui trenche de randon ;
·j· Sarrasin féri, cousin Rouge-Lion :
La teste li fendi, dès-si jusqu’au menton.
Bien s’i prouva li Roys, onques miex ne vit-on.
Encontre ·iiij· leus valent poi ·ij· mouton.
Li roys Ernous fu pris, ou il vausist ou non,
Et tout si homme mort, sans nulle raenchon.
Car bataille de mer, c’est grant confusion :
Quant li mesquanche tourne sus aucune parchon,
</poem>
|valign=top|
<poem>
Hadden zij hun mantels zeer nobel aangetrokken.
Toen het aankwam op het naderen, ik verzeker het u,
Wierpen zij hun mantels af; en zij riepen luid:
« U bent verraden, schrokoppen, moge Mahomet u vernietigen! »
Boogschutters en kruisboogschutters schoten daar snel.
Gaufrois greep de verraders, die zijn complot kenden,
En sloot zich snel aan bij de Saracenen.
Daar begon de strijd en een vreselijke strijd,
De christenen werden in rouw en foltering gestort. (630)
Zij waren helemaal niet opgesteld, door het bedrog
Van Gaufroit de snoodaard, die met opzet
Zijn heer had verkocht en valselijk had verraden.
Want net zoals Judas God valselijk verraadde,
Werd de goede Koning verraden en voor geld verkocht.
Helaas! Wat zijn verraders toch snood en stinkend;
En men moet weinig medelijden met hen hebben als ze hangen in de wind.
Toen de goede koning Ernous het verraad opmerkte,
En dat hij verkocht was door Gaufroit de snoodaard,
Riep hij met heel zijn hart God en Zijn allerheiligste naam aan; (640)
Hij dacht aan zijn dame, die Rose heette,
En aan zijn vier zonen, van nobele afkomst,
Die van het geslacht van Godefroit de Buillon waren.
« Ach! Dame, » zei de edelman, « aan welke vernietiging
Zal mijn vlees worden overgeleverd door de bende van Mahon!
Ach! Koninklijke kinderen, van goede opvoeding,
Vroeg verliezen jullie je vader en door groot onrecht. »
Toen hief hij het zwaard, dat scherp sneed;
Hij trof een Saraceen, de neef van de Rode Leeuw:
Hij kliefde zijn hoofd, vanaf de kruin tot aan de kin. (650)
De Koning toonde zich daar goed, nooit zag men het beter.
Tegen vier wolven zijn twee schapen weinig waard.
Koning Ernous werd gevangengenomen, of hij nu wilde of niet,
En al zijn mannen waren dood, zonder enige losprijs.
Want een zeeslag is een grote verwarring:
Wanneer het ongeluk zich tegen een partij keert, </poem>
|}<noinclude></noinclude>
l48vfzgajqvso68zvqgyu1w2he5m4li
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/42
104
87592
224723
224513
2026-08-13T18:51:58Z
Havang(nl)
4330
224723
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Il n’en poet escaper chevalier ne piéton.
A bataille sus terre escaper en voit-on,
En bataille de mer n’i a nulle raison.
Mis furent tout à mort, pour icheste occoison,
Li roys Ernous fu pris, en grant contrition ;
Et Gaufrois s’escria : « or me donnés men don. »
Dist li Rouges-Lions : « n’en aiés soupechon,
« Bien vous tenrai convent, foy que je doi Mahon. »
Adont li fist querquier d’or fin plain ·j· dromon.
Gaufrois se mist à voie, o lui si compaingnon ;
Et leur a dit : « signour, or soiés tout preud’on,
« Car vous arés vo part, à me grant région ;
« A tout, quanques j’arai, averez vo parchon :
« Jammais ne vaurai faire nul jour fors traïson. »
« Certez vous dites bien, » ce dient li félon,
« Puis c’on a commenchiet, de pis en pis fach-on.
« Car li homs est mesquans, si ait m’ame pardon,
« Puis qu’il voelt estre lères, qu’il n’emble à grant foison.
« Car quiconques dessert très bien le caingnon,
« Ne doit plaindre sa mort, quant pendre le mainn’-on. »
Dont s’en vont li traitour, qui le Roy ont vendu,
« Hé Diex ! » ce dist Gaufrois, « com j’ai d’avoir éu ;
« J’en ferai des amis : si en seront mi dru
« Chil à cui j’en donrai. Adès sont bien venu
« Chil qui poèent donner. Or venrai à l’argu
« Où j’ai piècha pensé, car j’arai grant vertu.
« Ahi ! royne Rose, li plus belle qu’ainc fu,
« J’arai le corps de vous, bras à bras, nu à nu :
« Mais que Jésus me mayne à droit port de salu.
« Je n’ai de nulle peur, fors que de Bregibus ;
« Se mi péquiet sont meur, or ai-je tout perdu. »
Dès or s’en va Gaufrois, à cui Diex mal ottroie,
Et li Rouges-Lions laist le bataille coie :
Le roy Ernoul emmayne, à cui forment anoie.
Tant vont li Sarrasins, qui démaynent grant joye.
</poem>
|valign=top|
<poem>
Kan noch ridder noch voetknecht eraan ontsnappen.
Bij een strijd op het land ziet men er wel ontsnappen,
In een zeeslag is er geen enkele uitweg.
Zij werden allen ter dood gebracht om deze reden,
Koning Ernous werd gevangengenomen, in grote rouw;(660)
En Gaufrois riep uit: « Geef mij nu mijn beloning. »
De Rode Leeuw zei: « Twijfel er niet aan,
Ik zal mijn belofte goed nakomen, bij de trouw die ik aan Mahon verschuldigd ben. »
Toen liet hij voor hem een dromedaris laden vol puur goud.
Gaufrois ging op weg met zijn metgezellen;
En hij zei tegen hen: « Heren, wees nu allen dapper,
Want jullie zullen je deel krijgen in mijn grote regio;
Van alles wat ik zal bezitten, zullen jullie je aandeel hebben:
Nooit zal ik op een dag iets anders willen doen dan verraad. »
« Zeker, u spreekt de waarheid, » zeiden de snoodaards,(670)
« Als men eenmaal begonnen is, gaat men van kwaad tot erger.
« Want de mens is onfortuinlijk, moge mijn ziel vergeving schenken,
Als hij een dief wil zijn, laat hem dan in grote overvloed stelen.
Want wie de strop heel goed verdient,
Moet niet klagen over zijn dood wanneer men hem gaat ophangen. »
Toen vertrokken de verraders, die de Koning hadden verkocht,
« Ach God! » zei Gaufrois, « wat heb ik een bezit verworven;
Ik zal er vrienden mee maken: en zij zullen mijn vertrouwelingen zijn
Aan wie ik ervan zal geven. Altijd zijn zij welkom
Die kunnen geven. Nu zal ik toekomen aan het plan(680)
Waar ik al lang aan heb gedacht, want ik zal grote macht hebben.
Ach! Koningin Rose, de mooiste die er ooit was,
Ik zal uw lichaam bezitten, arm in arm, naakt aan naakt:
Mits Jezus mij naar de juiste veilige haven leidt.
Ik heb nergens angst voor, behalve voor Bregibus;
Als mijn zonden rijp zijn, dan heb ik alles verloren. »
Nu vertrekt Gaufrois, aan wie God het kwade moge schenken,
En de Rode Leeuw laat de strijd rusten:
Hij voert koning Ernoul met zich mee, die hier erg onder lijdt.
De Saracenen trekken voort en maken groot feest,(690) </poem>
|}<noinclude></noinclude>
4vas7achwc7blnia3vbgfbrq0wds5yc
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/43
104
87593
224724
224514
2026-08-13T18:54:18Z
Havang(nl)
4330
224724
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Qu’il virent Abilant, dont li murs reflamboie.
Au port son descendu, monter fisent leur proie ;
En le cité entrèrent, parmi le maistre voye.
Eliénor, qui bien fu vestie de soie,
Le plus bèle puchelle qui fust jusques à Troie,
Est venue à son frère, comme plaisans et coie :
Trop miex le festia, que dire ne saroie.
« Frère, » dist la puchelle, cui grans biautez mastroie,
« Or est nos pères mors, je sai piècha le voie :
« Godefrois le tua, cui Sarrasins guerroie,
« Au lez viers Surye no linage cuivroie ;
« Sachiés ce poise mi. Vir pendre le vauroie,
« Et tous les cristiens, moult joyans en seroie. »
« Ma seur, ce dist li Roys, « drois est c’on vous en croie ;
« Laissiés vostre plourer, car mes corpz vous en proie.
« Jammais doel n’en menrai, pour ce ne le r’aroie :
« Quant mes pères est mors, li escanche en est moie. »
Dist li Rougez-Lions, « ma seur, or entendez :
« Bien m’a aidiet Mahons, quant vis sui escapez,
« D’autre part, en le mer, ai eut à faire assez ;
« Car j’encontrai ce Roy, que vous ichi vaez,
« A ·xx·m cristiens richement adoubez.
« Chiex Roys-si m’a estet vendus et délivrez,
« Par un sien chevalier qui li estoit privez ;
« J’en donnai tant d’avoir, emplie en fu le nefz.
« Or li vaurai détraire les flans et les costez,
« Et mettre à dure fin, si comme loerez. »
« Frère, » dist le dansèle, « savez que vous ferez,
« Boin conseil vous donrai, se croire me volez :
« Puisque chils cristiens est drois roys couronnez,
« Vous ferez moult grant sens, s’encore le gardez.
« Che seroit à le fin que, se nostre chitez
« Estoit jammais assise des cristiens doubtez,
« Se vous éussent pris, ou vous ou vos privez,
« Par che Roy cristien en seroit respitez.
</poem>
|valign=top|
<poem>
Totdat zij Abilant zagen, waarvan de muren glansden.
Zij zijn in de haven aan land gegaan, lieten hun buit stijgen;
Zij trokken de stad binnen, via de hoofdstraat.
Eliénor, die prachtig in zijde gekleed was,
Het mooiste meisje dat er was tot aan Troje toe,
Is naar haar broer gekomen, behaaglijk en rustig:
Zij ontving hem veel beter dan ik zou kunnen vertellen.
« Broer, » zei het meisje, wier grote schoonheid overmeestert,
« Nu is onze vader dood, ik weet het al een tijdje: (700)
Godefrois heeft hem gedood, tegen wie de Saracenen oorlog voeren,
Aan de kant van Syrië is ons geslacht vernietigd;
Weet dat dit mij zwaar valt. Ik zou hem graag zien ophangen,
En alle christenen, daar zou ik erg blij om zijn. »
« Mijn zuster, » zei de Koning, « het is terecht dat men u gelooft;
Houd op met huilen, want mijn lichaam smeekt u erom.
Nooit zal ik erom rouwen, want dat brengt hem niet terug:
Nu mijn vader dood is, is de erfenis aan mij. »
De Rode Leeuw zei: « Mijn zuster, luister nu:
Mahon heeft mij goed geholpen, aangezien ik er levend ben uitgekomen, (710)
Aan de andere kant, op de zee, heb ik genoeg te doen gehad;
Want ik kwam deze Koning tegen, die u hier ziet,
Met twintigduizend christenen, rijk bewapend.
Deze Koning is aan mij verkocht en overgeleverd,
Door een van zijn eigen ridders die zijn vertrouweling was;
Ik heb er zoveel bezit voor gegeven dat het schip ermee gevuld was.
Nu zal ik zijn flanken en zijn zijden willen openrijten,
En hem een pijnlijk einde bezorgen, zoals u zult aanraden. »
« Broer, » zei de jonkvrouw, « weet u wat u zult doen?
Goede raad zal ik u geven, als u mij wilt geloven: (720)
Aangezien deze christen een rechtmatig gekroonde koning is,
Zult u blijk geven van groot verstand als u hem nog spaart.
Dat zou aan het einde zijn dat, mocht onze stad
Ooit belegerd worden door de gevreesde christenen,
En als zij u gevangen zouden hebben genomen, of u of uw vertrouwelingen,
Door deze christelijke Koning er uitstel (of vrijlating) zou zijn.</poem>
|}<noinclude></noinclude>
imww7f2pug1c2etes1l1qcltgbjoo0f
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/44
104
87594
224725
224515
2026-08-13T18:54:52Z
Havang(nl)
4330
224725
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Je le garderai bien, si vous le me livrez. »
« Belle, » ce dist li Roys, « si sagement parlez,
« Qu’ains femme ne dist chou, tant fust viex ses aez ;
« Je le vous doins et baille, en prison le tenez. »
« Par Mahon, » dist le belle, « si com vous commandez. »
Dont fu li roys Ernous en sa cambre menez ;
Et le puchelle i vint, quant disners fu passez.
Moult honnoura le Roy, et li fist d’amistez,
Son estre li requist ; il li en dist assez :
« Belle, » ce dist li Roys, « voir, je suis mariez ;
« De Nimaye sui roys, sires et avoez ;
« Et s’ai ·iiij· biaux fiex de ma char engenrez :
« Li ainsnez a ·xij· ans, s’a à nom Esmerez ;
« Certez, c’est li plus biaux qui de mère soit nez.
« Pléust à Jhésu-Crist, qui en crois fu pénez,
« Que moi et vous fuissiens dedens mes roiautez ;
« Afin que vostre cuer fust à Dieu attournez :
« Esmeret vous donroie, mon fil qui est ainsnez. »
« Sire, » dist le puchelle, « tant prisie le m’avez,
« Jammais n’arai baron, bien croire m’en poez,
« Fors le vostre biau fil, se vous le me donnez. »
« Belle, » ce dist li Roys, « trop est jones d’assez,
« Pour faire le mestier dont grant besoing avez. »
« Sire, » dist le puchelle, « j’atenderai assez :
« Or me donnés vo fil, vous serez délivrez. »
Et dist li roys Arnous : « si com vous commandez.
« Dès ichi le vous doins, puisque vous le volez,
« Et s’il avenoit coze que je fuisse finez
« Ou chemin, douche dame, par où vous me menrez,
« Et vous escapissiez, que fust de Diu li grez ;
« Enseignez vous donrai, qu’à mon fil vous direz.
« Dont vous cognisteroit, se par delà alez,
« A toutez ces enseignez : quant de lui fui sevrez,
« A ·ij· bras l’acolai, dessus Nimaye ès prez ;
« Et li mis une affique d’or fin, jà n’en doubtez,
</poem>
|valign=top|
<poem>
Ik zal hem goed bewaken, als u hem aan mij overdraagt. »
« Schone, » zei de Koning, « u spreekt zo verstandig,
Dat nooit een vrouw dit zei, hoe oud ze ook was;
Ik geef en overhandig hem aan u, houd hem in de gevangenis. » (730)
« Bij Mahon, » zei de schone, « zoals u beveelt. »
Toen werd koning Ernous naar haar kamer gebracht;
En het meisje kwam erheen, toen het diner voorbij was.
Zij eerde de Koning zeer, en toonde hem vriendschap,
Zij vroeg naar zijn afkomst; hij vertelde haar er genoeg over:
« Schone, » zei de Koning, « voorwaar, ik ben getrouwd;
Van Nijmegen ben ik koning, heer en beschermheer;
En ik heb vier mooie zonen uit mijn vlees verwekt:
De oudste is twaalf jaar oud, en zijn naam is Esmerez;
Zeker, hij is de mooiste die uit een moeder geboren is. (740)
Mocht het Jezus Christus behagen, die aan het kruis leed,
Dat ik en u binnen mijn koninkrijk waren;
Opdat uw hart tot God gekeerd zou worden:
Dan zou ik u Esmeret geven, mijn zoon die de oudste is. »
« Heer, » zei het meisje, « u heeft hem zo geprezen,
Nooit zal ik een echtgenoot hebben, dat kunt u wel geloven,
Behalve uw mooie zoon, als u hem aan mij geeft. »
« Schone, » zei de Koning, « hij is nog veel te jong,
Om het handwerk te doen waar u grote behoefte aan heeft. »
« Heer, » zei het meisje, « ik zal wel wachten: (750)
Geef mij nu uw zoon, en u zult worden vrijgelaten. »
En koning Arnous zei: « Zoals u beveelt.
Vanaf nu geef ik hem aan u, aangezien u het wilt,
En mocht het gebeuren dat ik zou sterven
Op de weg, zachte dame, waar u mij heen zult leiden,
En u zou ontsnappen, wat de wil van God moge zijn;
Dan zal ik u herkenningstekens geven, die u aan mijn zoon zult vertellen.
Waaraan hij u zal herkennen, als u daarheen gaat,
Aan al deze tekens: toen ik van hem gescheiden werd,
Omhelsde ik hem met beide armen, boven Nijmegen in de weiden; (760)
En ik speldde een gesp van puur goud, twijfel er niet aan, </poem>
|}<noinclude></noinclude>
l8c18i49w9f0iwdhbi0mqtqj5u6rmg7
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/45
104
87595
224726
224516
2026-08-13T18:55:26Z
Havang(nl)
4330
224726
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Devant à sa poitrine et li priai assez
« Que l’afique gardast tant que fuisse tournez
« Et r’alez par delà : et se g’ière finez,
« Au mains l’en souvenroit, s’il estoit avisez,
« Et prieroit pour moi, que je fuisse sauvez. »
« Sire, » dist la pucelle, « moult sagement parlez ;
« Et Diex me laist tant vivre, où mez cuerz est voez,
« Que je voie l’enfant que chi tant me loez :
« Et que vous soiés, sire, de chaiens escapez. »
« Elas ! » ce dist Ernous, « belle, car en pensez
« Par quoy Gaufrois de Frise, li traitres prouvez,
« Puist estre bien païés, selonc ses loyautez :
« Faussement m’a vendu, dont c’est grant pitez. »
Eliénor la belle, où grande est li biautez,
A pris ·j· biau forgier, qui bien estoit fremez ;
Tantost le deffrema, elle en portoit les clés,
Puis en trait une ymage, telle com vous orrez :
Elle estoit de fin or, ce dist l’auctoritez,
C’estoit un crucefis, en une crois entez.
« Sire, » dist la pucelle, « ce crucefis vaez ;
« Je le et aoère et croi, jammais en doubterez :
« Cascune matinée, que mes corpz est levez,
« Je le baise ·iij· foys, telle est ma volentez,
« En l’onour dou Signour, qui en crois fu cloez,
« Et de la mère Diu, dont Jhésus fu portez.
« Et au vespre ensement est de moi aourez :
« C’est en le ramenbranche de Diu, qui fu pénez,
« A cui je pri de cuer qu’il soit mes avoez ;
« Et que jà ne consente que mes corpz soit finez,
« Tant qu’ière baptisie, en saint fons consacrez. »
« Pucelle, » dist li Roys, « bonne créance avez ;
« Or sui de cuer joyans que no loy aourez. »
Ensi fu roys Ernous là endroit enfremez,
Tant qu’il avint adont, si voir que Diex fu nez,
Que gerre commencha dedens ces héritez ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
Voor op zijn borst en ik smeekte hem herhaaldelijk
Dat hij de gesp zou bewaren totdat ik zou terugkeren
En daar weer heen zou gaan: en als ik gestorven was,
Het hem tenminste zou bijblijven, als hij verstandig was,
En voor mij zou bidden, opdat ik gered zou worden. »
« Heer, » zei het meisje, « u spreekt zeer verstandig;
En moge God mij zo lang laten leven, waaraan mijn hart gewijd is,
Dat ik het kind zie dat u hier zo aan mij prijst:
En dat u, heer, van hierbinnen bent ontsnapt. » (770)
« Helaas! » zei Ernous, « schone, denk er eens aan
Hoe Gaufrois van Friesland, de bewezen verrader,
Goed betaald kan worden naar zijn loyaliteit:
Valselijk heeft hij mij verkocht, wat een grote schande is. »
Eliénor de schone, in wie grote schoonheid is,
Heeft een mooie kist genomen, die goed gesloten was;
Al gauw maakte zij hem open, zij droeg er de sleutels van,
Toen haalde zij er een beeld uit, zoals u zult horen:
Het was van puur goud, zo zegt de autoriteit,
Het was een kruisbeeld, op een kruis geplaatst. (780)
« Heer, » zei het meisje, « zie dit kruisbeeld;
Ik aanbid en geloof erin, u zult er nooit aan twijfelen:
Elke ochtend, wanneer mijn lichaam is opgestaan,
Kus ik het drie keer, dat is mijn wil,
Ter ere van de Heer, die aan het kruis werd genageld,
En van de Moeder Gods, door wie Jezus werd gedragen.
En in de avond wordt het evenzo door mij aanbeden:
Het is ter herinnering aan God, die leed,
Aan wie ik met heel mijn hart bid dat Hij mijn beschermer moge zijn;
En dat Hij nooit toestaat dat mijn lichaam sterft, (790)
Voordat ik gedoopt ben, in het heilige letterbak gewijd. »
« Meisje, » zei de Koning, « u heeft een goed geloof;
Nu ben ik met heel mijn hart blij dat u onze wet (ons geloof) aanbidt. »
Zo werd koning Ernous daar ter plekke opgesloten,
Totdat het toen gebeurde, zo waar als God geboren werd,
Dat er oorlog uitbrak binnen deze bezittingen;
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
8c9ndj971utphw5m5n0jfuwc0hx2ijo
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/46
104
87596
224727
224517
2026-08-13T18:56:07Z
Havang(nl)
4330
224727
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Dont li Rougez-Lions fu lonc tamps enserrez.
·j· ammirau l’assist, as logez et as trez ;
Mais Ernous de Biauvais s’i fu si bien provez
Qu’il ochist l’amiraut, et fu par lui mattez.
Tamps est que je m’en taise : si soie retournez
A Gaufroit le traitre, dont vous oï avés,
Qu’à Nimaye arriva et o lui ses barnez ;
Il ont les noires cotez, noirs mantiaux afublez,
Et menoient grant doel, parmi les héritez.
A Nimaye le grant en est li cris levés,
Et dient l’un à l’autre : « par foy, vous ne savez,
« Li roys Ernous est mors et ochis et tuez.
« Il fu en mi le mer, des païens encontrez ;
« De ·iiij·c calans n’escapa c’une nés :
« En cellui est, en vie, li dux Gaufrois remez. »
La Royne le sot ; moult fu ses cuers irez :
Que s’on péust morir de doel et de grieftez,
La Royne fust morte et li siens tamps passez.
Mais on ne poet morir de doel, bien le savez,
Car quant le mère Dieu vit que ses fiex cloez
Fu en le digne crois, d’espines couronnez,
De la lanche férus et au cuer entamez ;
Morte fust tost de doel. Mais Diex, li rois loez,
En ordena adont : que doelz serois passez ;
Droit au chief de ·iij· jours, le plus fors trespassez.
Ains ne fu ne sera si grans desloiautés
Que, au quief de ·iij· jours, ne soit cuers asensés.
Pour la mère Dieu fu chius estas ordenez.
Quant Roze la royne ot la dure nouvelle
Que ses sires fu mors, ses grans doels renovelle.
« Ahi ! bons roys Ernous, » ce dist Roze, la belle ;
« J’ai pour vous si grant doel, par le Vierge pucelle,
« Qu’à poy que ne m’en lanche au cuer d’une alemèle. »
Confortée ont la dame mainte noble danselle.
Elle prist Bauduin et doucement l’apelle :
</poem>
|valign=top|
<poem>
Waardoor de Rode Leeuw lange tijd werd ingesloten.
Een emir belegerde hem, met hutten en met tenten;
Maar Ernous van Beauvais toonde zich daar zo goed
Dat hij de emir doodde, en hij door hem werd verslagen.
Het is tijd dat ik erover zwijg: en laat mij terugkeren (800)
Naar Gaufroit de verrader, van wie u gehoord heeft,
Die in Nijmegen aankwam en met hem zijn vazallen;
Zij droegen zwarte tunieken, zwarte mantels omgehangen,
En zij toonden grote rouw binnen de bezittingen.
In het grote Nijmegen is de kreet opgekomen,
En men zegt tegen elkaar: « Bij mijn geloof, u weet het niet,
Koning Ernous is dood en gesneuveld en gedood.
Hij werd midden op zee door de heidenen aangetroffen;
Van de vierhonderd schepen ontsnapte er slechts één:
In dat schip is hertog Gaufrois levend overgebleven. » (810)
De Koningin vernam het; haar hart was zeer bedroefd:
Als men zou kunnen sterven van rouw en van verdriet,
Zou de Koningin dood zijn en haar tijd voorbij.
Maar men kan niet sterven van rouw, dat weet u goed,
Want toen de Moeder Gods zag dat haar Zoon genageld
Was aan het waardige kruis, met doornen gekroond,
Door de lans gestoken en in het hart gewond;
Zou zij snel gestorven zijn van rouw. Maar God, de geprezen koning,
Verordende het toen zo: dat rouw voorbijgaat;
Precies na drie dagen is het ergste voorbij. (820)
Nooit was er noch zal er zo'n grote ontrouw zijn
Die na verloop van drie dagen het hart niet tot bedaren brengt.
Vanwege de Moeder Gods werd deze toestand verordend.
Toen koningin Roze het harde nieuws hoorde
Dat haar heer dood was, vernieuwt haar grote rouw.
« Ach! Goede koning Ernous, » zei Roze, de schone;
« Ik heb om u zo'n grote rouw, bij de Maagd Maria,
Dat het er weinig aan scheelt of ik doorboor mijn hart met een mes. »
Vele nobele jonkvrouwen hebben de dame getroost.
Zij nam Bauduin en roept hem teder: (830) ;</poem>
|}<noinclude></noinclude>
ley3waxvdrszqtnbrb863lfkxspr2bo
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/47
104
87597
224728
224518
2026-08-13T18:58:01Z
Havang(nl)
4330
224728
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« A ! orfenins, » dist-elle, « pour toi li cuers m’engelle ;
« J’ai ton père perdut dont li cuerz me sautelle. »
Adonques le baisa ·c· fois, en le masselle ;
Bauduins n’i aconte valissant une astelle :
Il n’avoit que ·ij· ans, si qu’il kuert et sautèle.
Au chief de ·iiij· jours, Gaufrois, par voie belle,
Entra en le chité ; s’avoit noire gonèle :
Le monde aveulissoit, car point ne se révèle.
Il ne gettast ·j· ris, pour tout l’or de Tudèle ;
Ains chevauche fauvain, assis droit en le sèle.
Gaufrois entre en Nimaye, qui chevauchoit fauvain :
Si homme sont bien digne de tenir par le frain,
Car on déust avoir pendut le plus certain.
Li baron de Nimaye, chevalier, chastelain,
Vont encontre Gaufroit, qui gettoit maint grief plain.
Là oissiés plourer maint chevalier hautain :
Là pleignoient lor frère, ou lor cousin germain ;
Et le bon roy Ernoul regrétoient à plain.
La Royne s’escrie à Goufroit, le villain :
« Sire Gaufrois, » dist-elle, « pour Dieu le souverain,
« Où est li Roys, mes sirez, qui le corpz avoit sain ? »
« Dame, » dist li traitres, « pour le corpz saint Germain,
« Priiés pour le bon Roy, et au soir et au main ;
« Car je le vi en mer tuer en ·j· quoquain.
« Diex me gari de mort. Quant je vi le méhain,
« En ·j· batel le mis, o le fil de Mantain.
« Si en sui escapez ; s’ai le corpz sauf et sain.
« Or ne vous démentez, foy que doy Mariain ;
« Car je vous garderai et m’arés si prochain,
« Qu’il n’a en tout le mont roy, conte, chastelain,
« Que s’il vous mesfaisoit une livre d’estain ;
« Que tantost ne l’amende, s’à moi en faitez clain. »
« Sire Diex le vous mire, qui fist d’Adam Evain. »
Ensi remest li doels dès-si jusqu’au demain.
Il n’est doelz c’on n’oublie, à terme bien prochain.
</poem>
|valign=top|
<poem>
« Ach! Weeskind, » zei ze, « om jou bevriest mijn hart;
Ik heb je vader verloren, waarvan mijn hart opspringt. »
Toen kuste zij hem honderd keer op de wang;
Bauduins hield daar geen rekening mee ter waarde van een splinter:
Hij was pas twee jaar oud, zodat hij rent en springt.
Na verloop van vier dagen ging Gaufrois, via een mooie weg,
De stad binnen; en hij had een zwart gewaad aan:
De wereld treurde, want hij toonde zich helemaal niet vrolijk.
Hij zou geen enkele lach hebben geuit, voor al het goud van Tudela;
Integendeel, hij rijdt op een vaal paard, zittend recht in het zadel. (840)
Gaufrois trekt Nijmegen binnen, rijdend op een vaal paard:
Zijn mannen zijn wel waardig om bij de teugel te worden gehouden,
Want men had de allerzekerste moeten ophangen.
De baronnen van Nijmegen, ridders, kasteelheren,
Gaan Gaufroit tegemoet, die menige diepe zucht slaakte.
Daar hoorde men menig verheven ridder huilen:
Daar beweenden zij hun broer, of hun volle neef;
En de goede koning Ernoul betreurden zij ronduit.
De Koningin schreeuwt tegen Gaufroit, de schurk:
« Heer Gaufrois, » zei ze, « bij God de soeverein, (850)
Waar is de Koning, mijn heer, die het lichaam gezond had? »
« Dame, » zei de verrader, « bij het lichaam van de heilige Germain,
Bid voor de goede Koning, zowel in de avond als in de morgen;
Want ik zag hem op zee gedood worden in een gevecht.
God behoedde mij voor de dood. Toen ik het onheil zag,
In een boot zette ik hem, met de zoon van Mantain.
Zo ben ik ontsnapt; en ik heb het lichaam behouden en gezond.
Nu moet u niet wanhopen, bij de trouw die ik aan Maria verschuldigd ben;
Want ik zal u beschermen en u zult mij zo dichtbij hebben,
Dat er in de hele wereld geen koning, graaf, kasteelheer is, (860)
Die, als hij u een onrecht zou aandoen ter waarde van een pond tin,
Ik dat niet onmiddellijk zou wreken, als u er bij mij over klaagt. »
« Moge de Heere God het u vergelden, die uit Adam Eva maakte. »
Zo bleef de rouw vanaf dat moment tot de volgende dag.
Er is geen rouw die men niet vergeet, op zeer korte termijn. ;</poem>
|}<noinclude></noinclude>
sxuum9ebsh4f3nt371nsvms1bm1co9h
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/48
104
87598
224730
224519
2026-08-13T18:58:39Z
Havang(nl)
4330
224730
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Qui est mors, il est mors ; on le boute en quavain :
Ne on ne laisse au monde frère, fil, ne germain,
Qui en donnast pour l’âme une pièche de pain ;
Se ce ne sont preud’omme, de condition plain.
Ne sont pas tout honni li franc ne li villain,
Avarice les fait souvent viser au fain.
Chil qui sont pourveut, de rentes et de grain,
Che sont chil qui au mal ont tendue le main ;
Et che fait convoitise qui les gète en ort plain.
Après ce que Gaufrois fu retournés arrière,
Et qu’il ot pour le Roy, fait mainte fausse chière ;
Le fist-on souverain, pour porter la banière,
Pour conforter le dame, s’on li faisoit hasquière.
Puis présenta joiaus, aniaus, à mainte pière ;
Coupes, hannas, d’argent ; ou bourse, ou aumoisnière,
Empliez de fin or ; mainte riche aloière ;
A barons de Nimaye, et avant et arière.
N’i ot povre escuier, s’il li fait bonne chière,
Nel fache chevalier et donne rente chière,
Pour lui bien gouverner, à blet et à gasquière.
·C·m mars donna, dedens ·xv·c entière.
As chevaliers donnoit castiaux, ou tour de pière,
Et tant d’or et d’avoir ; que cascuns fait proière,
A Dieu le créatour, et au baron saint Pière,
Qu’il leur sauve Gaufroit ; que mis ne soit en bière.
As ordres mendians, à le gent cordelière,
Donna tant de florins ; que cil, à voit légière,
Crioient hautement : « hé ! Vierge trèzorière,
« Car nous sauvez Gaufroit, drois est c’on t’en requière,
« Car de ses biens tenons une court si plainière,
« Et buvons tant de vins, parmi no chervelière,
« Qu’il nous convient porter dormir à le chivière. »
Ensi de toutes pars prioient, pour Gaufroy,
Chevalier, escuier, à cui il fist otroy
Des florins qu’il rechieut, de le vente dou Roy.
</poem>
|valign=top|
<poem>
Wie dood is, is dood; men stopt hem in het graf:
Noch laat men in de wereld broer, zoon, noch neef achter,
Die voor de ziel een stuk brood zou geven;
Tenzij het vrome mensen zijn, vol van goede hoedanigheid.
Zij zijn niet allemaal te schande gemaakt, de edelen noch de boeren, (870)
Hebzucht doet hen vaak naar het slijk kijken.
Zij die voorzien zijn van renten en van graan,
Dat zijn degenen die naar het kwaad de hand hebben uitgestoken;
En dat doet de begeerte die hen in de vuile modder werpt.
Nadat Gaufrois was teruggekeerd,
En hij voor de Koning menig vals gezicht had getrokken;
Maakte men hem tot soeverein om de banier te dragen,
Om de dame te troosten, mocht men haar onrecht aandoen.
Toen schonk hij juwelen, ringen met menige steen;
Bekers, bokalen van zilver; of beurzen, of aalmoestassen, (880)
Gevuld met puur goud; menige rijke geldbuidel;
Aan de baronnen van Nijmegen, zowel van voren als van achteren.
Er was geen arme schildknaap, als hij hem een vriendelijk gezicht toonde,
Of hij maakte hem tot ridder en gaf hem een rijke rente,
Om zichzelf goed te onderhouden, in koren en in braakland.
Honderdduizend marken gaf hij, binnen vijftien dagen geheel.
Aan de ridders gaf hij kastelen, of torens van steen,
En zoveel goud en bezit; dat iedereen een gebed doet,
Tot God de schepper, en tot de edele heilige Petrus,
Dat Hij hun Gaufroit moge sparen; dat hij niet op de baar wordt gelegd. (890)
Aan de bedelorden, aan het volk van de minderbroeders,
Gaf hij zoveel florijnen; dat zij, met luide stem,
Luidkeels riepen: « Hé! Maagd schatbewaarster,
Spaar ons toch Gaufroit, het is terecht dat men u erom smeekt,
Want van zijn goederen houden wij zo'n overvloedig hof,
En drinken zoveel wijn in onze hersenpan,
Dat het ons past om te gaan slapen op de kruiwagen. »
Zo baden van alle kanten ridders en schildknapen voor Gaufroy,
Aan wie hij de schenking deed
Van de florijnen die hij ontving van de verkoop van de Koning. (900) ;</poem>
|}<noinclude></noinclude>
f7ojbv0km6bj03x4dmrlgyossl6ecgf
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/49
104
87599
224732
224520
2026-08-13T18:59:42Z
Havang(nl)
4330
224732
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Et dient l’un à l’autre : « par le corpz saint Eloy,
« Gaufrois seroit bien dignez d’avoir et chou et coy :
« Il va bien à le jouste ; si fait-il au tournoy ;
« Et si donne dou sien, plus larges n’est de soy ;
« ·C·m florins a donnet, de boin aloy,
« Où li Roys n’éust jà donné un palefroi.
« Il resamble Alixandre, le large prinche ; en foi,
« Gaufrois est li plus larges, sans mener nul desroi,
« C’onques Diex estorast, puis le seconde loi. »
Si faitement disoient li baron, doy et doy.
Ensement prise-on cheulz, qui dou leur font otroi ;
Qui assez peut donner, on l’aime miex c’un roi.
Si faitement prisoient Gaufroit, le palasin,
Et il donne à cascun ou joiaus, ou florin.
A le court ne repaire bacheler, ne mesquin,
Qui ne prise Gaufroit, le traitour mastin ;
Et dist li un à l’autre : « par le corpz saint Martin,
Gaufrois seroit bien dignez d’avoir terre et grant fin ;
Et d’avoir belle dame, au soir et au matin.
Li noble chevalier, qui sont fourré d’ermin,
Li tiennent compaignie ; adès li sont voisin.
Car li homs qui est riches, plain de bonne fin,
Il treuve des amis, qui se font de son lin ;
Et li povrez ne treuve ne parent ne cousin.
Tant fist et tant donna Gaufrois, dont je vous di,
Que tout li plus vaillant estoient si ami :
Escuier et garchon sont par lui revesti ;
Jacobin, Cordelier, sont par lui raempli.
Tout disoient que mieudre de son corpz ne nasqui ;
Et quant ot encantez les barons d’entour lui,
Une fois les manda : il sont venu à lui.
Il requist et pria, à cheulz dont je vous di,
C’on li vausist aidier ; afin qu’éust plévi
La dame de Nimaye. Cascuns s’i assenti.
·xv· chevaliers, corageus et hardis,
</poem>
|valign=top|
<poem>
En zij zeggen tegen elkaar: « Bij het lichaam van de heilige Elooi,
Gaufrois zou wel waardig zijn om zowel dit als dat te hebben:
Hij gaat goed naar de steekspelen; en dat doet hij ook bij het toernooi;
En zo geeft hij van het zijne, niemand is vrijgeviger dan hij;
Honderdduizend florijnen heeft hij gegeven, van goed gehalte,
Waar de Koning nooit een palfrey (rijpaard) zou hebben gegeven.
Hij lijkt op Alexander de Grote, de gulle prins; in feite,
Gaufrois is de meest gulle, zonder enige wanorde te zaaien,
Die God ooit heeft ingesteld sinds de tweede wet. »
Zo spraken de baronnen, twee aan twee. (910)
Op die manier prijst men degenen die van het hunne schenken;
Wie genoeg kan geven, die heeft men liefhebben boven een koning.
Op die manier prezen zij Gaufroit, de hoveling,
En hij geeft aan iedereen ofwel juwelen, ofwel een florijn.
Aan het hof verschijnt geen jonge edelman, noch schildknaap,
Of hij prijst Gaufroit, de verraderlijke hond;
En de een zegt tegen de ander: « Bij het lichaam van de heilige Martin,
Gaufrois zou wel waardig zijn om land en een groot domein te hebben;
En om een schone dame te hebben, 's avonds en 's morgens. »
De nobele ridders, die met hermelijn zijn gevoerd, (920)
Houden hem gezelschap; zij zijn voortdurend zijn buren.
Want de man die rijk is, vol van goede middelen,
Vindt vrienden die zich voordoen als zijn familie;
En de arme vindt noch ouder noch neef.
Zoveel deed en zoveel gaf Gaufrois, van wie ik u vertel,
Dat de allerbeidsten zijn vrienden waren:
Schildknapen en knapen zijn door hem gekleed;
Jacobijnen, minderbroeders zijn door hem verzadigd.
Allen zeiden dat er geen betere man dan hij geboren was;
En toen hij de baronnen om hem heen had betoverd, (930)
Ontbood hij hen een keer: zij kwamen naar hem toe.
Hij verzocht en smeekte degenen van wie ik u vertel,
Dat men hem zou willen helpen; opdat de dame van Nijmegen
Aan hem beloofd zou worden. Iedereen stemde ermee in.
Vijftien ridders, moedig en koen,</poem>
|}<noinclude></noinclude>
309dpfrrl82pvu0ph1bahipjtil9nes
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/50
104
87600
224733
224521
2026-08-13T19:01:16Z
Havang(nl)
4330
224733
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Des barons de Nimaye tout li plus signouri,
Prièrent à leur dame trestout, pour Dieu merchi,
Qu’elle presist Gaufroit. Elle s’i assenti,
Et par l’enort sa gent, qui li disent ensi :
Qu’il n’avoit plus vaillant dusqu’as pors de Brandi ;
Envis s’i acorda la Dame, dont je di,
Non pourquant l’espousa. S’ot Gaufrois acompli
Toute sa volenté, par l’art de l’anemi
Qu’il avoit longement honneré et servi.
Ains ne servi déable, qui ne se repenti.
A tout le miex venir, de lui servir ensi,
S’en voit-on, à le fois, ou pendu ou bouli.
Qui n’en a se déserte, chà jus, je vous affi
Que li déablez emporte sen âme aveuques li.
Or a Gaufrois de Frise le Royne espousée :
O la Royne jut, à joie, le vesperée.
As chevaliers donna mainte coupe dorée,
Afiques et aniaus, mainte robe fourrée.
Or ot li faus traitrez sa teste couronnée :
A une pentecouste, une haute journée,
Fu couronné Gaufrois, en le sale pavée.
Li prinche dou royalme furent à l’assamblée,
Et à le noble feste, qui là fu estorée.
Gaufrois fu couronnez, d’une couronne ouvrée
A pières précieuses, hautement eslevée ;
Si très belle couronne ne fu mas regardée :
Elle valoit moult bien l’avoir d’une contrée.
Noble court tint Gaufrois et moult bien ordenée ;
Les hommaigez rechiut, car ensi li agrée.
A ·v·c escuiers donna le jour colée ;
Terrez et revenues ne li coustent riens née.
Dessus ·j· escafaut, en le sale pavée,
Séoit li glous Gaufrois, qui ait mal saudée ;
Et la Royne fu d’autre part couronnée.
Gaufrois se regarda, parmi le sale lée,
</poem>
|valign=top|
<poem>
Van de baronnen van Nijmegen de allerhoogsten,
Smeekten hun dame allen, om Gods genade,
Dat zij Gaufroit zou nemen. Zij stemde ermee in,
En door de aansporing van haar volk, die haar aldus zeiden:
Dat er geen dapperder man was tot aan de havens van Brindisi; (940)
Met tegenzin ging de Dame ermee akkoord, van wie ik spreek,
Desalniettemin trouwde zij met hem. Zo had Gaufrois volbracht
Al zijn wil, door de kunst van de vijand (de duivel)
Die hij lange tijd had geëerd en gediend.
Niemand diende ooit de duivel zonder dat hij er berouw van kreeg.
Zelfs bij de beste afloop van hem zo te dienen,
Ziet men hem soms ofwel opgehangen ofwel levend gekookt.
Wie zijn verdiende loon hierboven niet krijgt, ik verzeker u
Dat de duivel zijn ziel met zich meeneemt.
Nu heeft Gaufrois van Friesland de Koningin getrouwd: (950)
Met de Koningin lag hij, met vreugde, in de avond.
Aan de ridders gaf hij menige vergulde beker,
Gespjes en ringen, menig gevoerd gewaad.
Nu had de valse verrader zijn hoofd gekroond:
Op een Pinksterdag, een hoogtijdag,
Werd Gaufrois gekroond, in de geplaveide zaal.
De prinsen van het koninkrijk waren bij de bijeenkomst,
En bij het nobele feest dat daar werd aangericht.
Gaufrois werd gekroond met een bewerkte kroon
Met edelstenen, hoog opgericht; (960)
Zo'n prachtige kroon werd er nooit eerder aanschouwd:
Hij was wel het bezit van een hele streek waard.
Een nobel hof hield Gaufrois en zeer goed geordend;
De leenhulden ontving hij, want zo behaagde het hem.
Aan vijfhonderd schildknapen gaf hij die dag de ridderslag;
Landen en inkomsten kostten hem helemaal niets.
Boven op een schavot, in de geplaveide zaal,
Zat de schrokop Gaufrois, die een slechte beloning moge krijgen;
En de Koningin werd aan de andere kant gekroond.
Gaufrois keek om zich heen, door de brede zaal, (970) ;</poem>
|}<noinclude></noinclude>
rw5vg4qdtcrrrrj8oa9xzmk8r42c57f
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/51
104
87601
224734
224522
2026-08-13T19:02:01Z
Havang(nl)
4330
224734
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Et voit Bauduïnet, fil le Dame senée.
Gentement fu vestis d’une robe barrée ;
S’avoit les cheveus lons et ganné par buée,
Plus reluisans c’ors fins né monnoie dorée,
Pendans par les espaulez, par oevre compassée ;
S’ot ·j· capel d’or fin, à mainte pière ouvrée.
Gaufrois s’est escriés, à moult haute allénée :
« Bailliés-moi Bauduin, franque gent honnerée,
« C’est li plus douche ymaige c’onques fu figurée !
« Par lui sera encore mainte dame acollée ;
« Mainte noble puchelle en ert despucellée ;
« Car onques ne nasqui si très douche portée.
« Certes, je l’aims otant, de bonne amour discrée,
« Que donques sa char fust de la moye engenrée !
« Haïr ne le porroit nulle personne née,
« Pour le grande biauté que Diex li a donnée. »
Adont li ont bailliet, sus sa robe fourrée :
Et Gaufrois, à ·ij· bras, li fist fausse acollée ;
·xxx· fois le baisa en une randonnée.
Or, oïés le miracle que Diex a démonstrée :
Bauduïnez, li enfes qui tant ot renommée,
Drécha ses bras à mont ; le couronne a hapée
Que li lères Gaufrois ot, sus son chief, pozée.
Le couronne Gaufroit a hors du chief levée,
Et puis l’a, contre terre, tellement jus ruée
Que la couronne fu en mile liex froée.
Et quant Gaufrois le voit, mie ne li agrée :
L’enfant jeta en l’aire, par telle destinée
Que petit s’en fali n’ot le gambe affolée.
L’enfes prist à criier, à moult haute alénée ;
Vers sa mère courut, qui en fu esgarée ;
Et si se répondi en sa robe erminée.
Bien sot qu’il ot maufait, mais li coze ert passée.
Gaufrois fu si dolans qu’il ne scet qu’il puist faire,
Quant se couronne voit ensi gésir en l’aire.
</poem>
|valign=top|
<poem>
En ziet Bauduïnet, de zoon van de verstandige Dame.
Prachtig was hij gekleed in een gestreept gewaad;
En hij had lange haren, gewassen met loog,
Glanzender dan puur goud of verguld geld,
Hangend over de schouders, met zorg gekamd;
En hij had een hoed van puur goud, met menige steen bewerkt.
Gaufrois riep uit, met zeer luide stem:
« Geef mij Bauduin, edel en geëerd volk,
Het is het liefste wezen dat ooit is gevormd! (980)
Door hem zal nog menige dame omhelst worden;
Menig nobel meisje zal door hem ontmaagd worden;
Want er werd nooit zo'n lieflijk kind geboren.
Zeker, ik houd evenveel van hem, met een goede en discrete liefde,
Als wanneer zijn vlees uit het mijne was verwekt!
Geen enkel levend persoon zou hem kunnen haten,
Vanwege de grote schoonheid die God hem heeft gegeven. »
Toen hebben zij hem aan hem overhandigd, boven op zijn gevoerde gewaad:
En Gaufrois deed hem met beide armen een valse omhelzing;
Dertig keer kuste hij hem achter elkaar.
Nu, hoor het wonder dat God heeft getoond: (990)
Bauduïntje, het kind dat zo gerespecteerd was,
Hief zijn armen omhoog; de kroon heeft hij gegrepen
Die de dief Gaufrois op zijn hoofd had geplaatst.
De kroon van Gaufroit heeft hij van het hoofd getild,
En daarna heeft hij hem tegen de grond zo hard neergeworpen
Dat de kroon in duizend stukken brak.
En toen Gaufrois het ziet, behaagt het hem allerminst:
Het kind wierp hij in de lucht, met zo'n vaart
Dat het weinig scheelde of hij had zijn been gebroken.
Het kind begon te schreeuwen, met zeer luide stem; (1000)
Naar zijn moeder rende hij, die erdoor ontzet was;
En zo verstopte hij zich in haar met hermelijn gevoerde gewaad.
Hij wist heel goed dat hij iets slechts had gedaan, maar de zaak was geschied.
Gaufrois was zo bedroefd dat hij niet wist wat hij moest doen,
Wanneer hij zijn kroon zo in de stukken ziet liggen. ;</poem>
|}<noinclude></noinclude>
bweqqq6y081rtv7yvacx29merwy5qpu
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/52
104
87602
224735
224523
2026-08-13T19:04:29Z
Havang(nl)
4330
224735
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Dont dist ·j· chevaliers, qui cuer ot de put-aire,
Hainfrois avoit à non ; chius ne se volt pas taire,
Ains a dit à Gaufroit : « foy que doi saint Islaire,
« Chius signes chi-endroit vous doit forment desplaire :
« Je voel que vous fachiez mon corpz à chevaus traire,
« Sé chiux enfes-chi vit, s’encor ne vous fait haire.
« Sé croire m’en voliés, vous le feriés desfaire,
« Et le teste trenchier, ou noïer, sans retraire. »
Quant Roze li oï jugier le de-bon-aire,
En estant se drécha, le dame au cler viaire,
Et dist « fax chevaliers ! dit m’avez grant contraire,
« Qui jugiés mon enfant d’avoir si grief solaire.
« Que mau jour vous otroit le Vierge secrétaire !
« Car de vous, pour sievir, n’en voi nul avant traire
« Qui die à mon enfant cose qui puist desplaire.
« Du car le piour roe ot-on bien souvent braire. »
Roze fu ou palais, à cui forment anoie,
Entre ses bras son fil où biauté mouteploie.
Gaufrois s’est escriiés : « enfes, voir je vauroie
« Que tu fuissez noiiés, en le rivière d’Oie !
« Jammais ne t’amerai, pour coze que je voie.
« Ortie qui doit poindre hastéement ortoie. »
Dont dist ·j· chevaliers : « bien voel que cascuns m’oie ;
« Sire Gaufrois, » dist-il, « sotie te cuivroie,
« Qui pour ·j· innochent es en si maise voie. »
« Innochent ! » dist Gaufrois, « s’innocent le cuidoie,
« Tout chou qu’il m’aroit fait tantost li pardonroie. »
Et dist li chevaliers : « bien esprouver saroie
« S’il est drois innochens car je le méteroie
« Entre ·ij· biax bachins, où assir le feroie ;
« Et en l’un des bachins pumes je méteroie,
« Et l’autre par dechà de florins combleroie.
« Entre ces ·ij· bachins cel enfant pozeroie :
« Et s’il aloit as pumes, enchois qu’à le monnoie,
« Je vous ai en couvent qu’inocent le tenroie ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
Toen zei een ridder, die een slecht karakter had,
Hainfrois was zijn naam; deze wilde niet zwijgen,
Maar hij zei tegen Gaufroit: « Bij de trouw die ik verschuldigd ben aan de heilige Hilarius,
Dit teken hier ter plekke moet u ten zeerste mishagen:
Ik wil dat u mijn lichaam door paarden laat voortslepen, (1010)
Als dit kind blijft leven en u later niet gaat haten.
Als u mij zou willen geloven, zou u hem laten ombrengen,
En het hoofd afhakken, of verdrinken, zonder uitstel. »
Toen Roze hem het zachtmoedige kind hoorde veroordelen,
Stond zij op, de dame met het heldere gezicht,
En zei: « Valse ridder! U heeft mij een groot onrecht gezegd,
U die mijn kind veroordeelt tot zo'n zware straf.
Moge de Maagd Maria u een slechte dag bezorgen!
Want onder uw gelijken zie ik niemand naar voren treden
Die tegen mijn kind iets zegt dat kan mishagen. (1020)
Van de slechtste wiel hoort men immers heel vaak het hardste kraken. »
Roze was in het paleis, dat haar zeer mishaagde,
In haar armen haar zoon in wie de schoonheid zich vermenigvuldigde.
Gaufrois riep uit: « Kind, voorwaar, ik zou willen
Dat je verdronken was in de rivier de Oie!
Nooit zal ik van je houden, wat ik ook mag zien.
De brandnetel die steken moet, groeit al vroeg als onkruid. »
Toen zei een ridder: « Ik wil graag dat iedereen mij hoort;
Heer Gaufrois, » zei hij, « dwaasheid zou u beheersen,
Als u om een onschuldige zo op het slechte pad bent. » (1030)
« Onschuldig! » zei Gaufrois, « als ik dacht dat hij onschuldig was,
Zou ik hem alles wat hij mij heeft aangedaan onmiddellijk vergeven. »
En de ridder zei: « Ik zou heel goed weten te bewijzen
Of hij werkelijk onschuldig is, want ik zou hem plaatsen
Tussen twee mooie schalen, waar ik hem zou laten zitten;
En in een van de schalen zou ik appels leggen,
En de andere hiernaast zou ik met florijnen vullen.
Tussen deze twee schalen zou ik dit kind plaatsen:
En als hij naar de appels ging, in plaats van naar het geld,
Beloof ik u dat ik hem voor onschuldig zou houden; (1040) ;</poem>
|}<noinclude></noinclude>
k0g0atkr0hfx4u6rzgtwu3ztr1y91ya
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/53
104
87603
224736
224524
2026-08-13T19:05:05Z
Havang(nl)
4330
224736
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« S’il aloit as florins, que dire n’en saroie ;
« Il aroit sens en lui. Ensi, par ceste voie,
« Porras user de chou ; se tes consaus l’otroie. »
Et Gaufrois respondi : « or tost, je vous em proie,
« Esprouvés cest enfant, enchois que je le noie. »
Ensi fu respitez l’enfès, qui Diex doint joye.
Pour ce, dist ·j· proverbes, miex vaut trouver en voie
Un boin certain ami, que denier en coroie.
« Signour, dist li traitres, qui ot à nom Gaufrois,
« Faites tost esprouver cest enfant démanois :
« Car se les florins prent à le première fois,
« Enchois qu’il voit as pums, il n’est clers ne bourgois
« Qui innocence i tiengne, ne des ans ne des mois.
« A l’injure de chou qu’il a brisiés les plois
« De la couronne d’or, dont estoie ore roys,
« Jugement en arai des chevaliers courtois. »
Quant le Royne oy le traitour redois,
Doucement prie Dieu, qui fu mis en la crois :
Qu’il doinst cuer son enfant de pumez prendre, enchois
Qu’il prende les florins ; que siens en soit li drois.
Or gart Diex Bauduin d’encombre celui mois !
Car une forte espreuve li met-on à sen cois ;
Che n’est pas droite espreuve, point ne l’apporte lois.
Plus quier ont li enfant à mengier baiiens pois,
Qu’en le bourse se mère ·c· libvres de tournois.
Or ont pris Bauduin li baron du paiis :
Entre ·ij· biaus bachins ont l’enfanchon assis.
Li ·j· de ces bachins fu de pumes emplis ;
Li autres, au droit lez, de bons florins massis.
En milieu des bachins fu li enfès petis :
Il ot assez menguiet, ne fu mie famis ;
Regarde les florins gannes et agensis ;
D’autre part voit les pumez paréez à devis.
Li enfès ne lez prise valissant un parsiis,
Car n’avoit mie fain, ne pas n’en fu sourpris ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
Als hij naar de florijnen ging, zou ik niet weten wat te zeggen;
Dan zou hij verstand in zich hebben. Zo kunt u via deze weg
Te werk gaan; als uw raad ermee instemt. »
En Gaufrois antwoordde: « Nu snel, ik smeek het u,
Beproef dit kind, voordat ik hem verdrink. »
Zo kreeg het kind uitstel, aan wie God vreugde moge schenken.
Daarom zegt een spreekwoord: het is beter onderweg
Een goede, zekere vriend te vinden, dan een penning in de riem.
« Heren, » zei de verrader, wiens naam Gaufrois was,
« Laat dit kind onmiddellijk beproeven: (1050)
Want als hij de florijnen de eerste keer pakt,
Voordat hij naar de appels kijkt, is er geen klerk noch burger
Die hem voor onschuldig houdt, nu niet en nooit niet.
Vanwege het onrecht dat hij de plooien heeft gebroken
Van de gouden kroon, waarvan ik zojuist koning was,
Zal ik een oordeel krijgen van de hoofse ridders. »
Toen de Koningin de hardvochtige verrader hoorde,
Bad zij teder tot God, die aan het kruis werd genageld:
Dat Hij haar kind het hart moge geven om eerst appels te pakken,
Voordat hij de florijnen pakt; opdat het recht aan zijn kant staat. (1060)
Moge God Bauduin nu behoeden voor het onheil van deze maand!
Want een zware beproeving legt men hem voor de keuze;
Dat is geen eerlijke beproeving, de wet schrijft dat helemaal niet voor.
Kinderen willen liever erwten eten,
Dan in de beurs van hun moeder honderd pond aan tournois-munten hebben.
Nu hebben de baronnen van het land Bauduin genomen:
Tussen twee mooie schalen hebben zij het kindje neergezet.
Een van deze schalen was met appels gevuld;
De andere, aan de rechterkant, met goede, massieve florijnen.
In het midden van de schalen zat het kleine kind: (1070)
Hij had genoeg gegeten, hij had helemaal geen honger;
Hij kijkt naar de gele en glanzende florijnen;
Aan de andere kant ziet hij de appels prachtig uitgestald.
Het kind geeft er niets om ter waarde van een cent,
Want hij had geen honger, hij werd er niet door bevangen; </poem>
|}<noinclude></noinclude>
9f9f01bh06si2blze743dy2c92mxtks
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/54
104
87604
224737
224525
2026-08-13T19:05:58Z
Havang(nl)
4330
224737
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Vers le bachin à l’or a les ·iiij· dois mis.
Par le mien essient, as florins se fuist mis ;
Quant Jhésu-Cris y a ·j· sien angèle tramis,
Que Diex i envoïa de son saint paradis ;
Pour cel enfant sauver : car fait l’a Jhésu-Cris
Pour estre souverains de tous les plus hardis
C’onques fuist en ce siècle. De Diu fu establis,
Pour maintenir le règne où il fu surrexis,
Et le sainte chité où Diex fu mors et vis :
Chou est Jhérusalem, qui tout fu as Juis,
Dont Bauduins fu roys ; en gardant le pourpris
Le temple Salemon et tous les édifis,
Les noblez candelabrez, qu’à Mièques sont assis.
Tant fu preus et vaillans, amoureus et faitis,
Que de ·xxx· bastars fu à ·j· jour servis ;
Dont li menres fu rois en le terre des Persis,
Ensi com vous orrés ; mais c’on oche mes dis.
{{lijn|6em}}
</poem>
|valign=top|
<poem>
Naar de schaal met het goud heeft hij zijn vier vingers uitgestoken.
Naar mijn mening zou hij de florijnen hebben gepakt;
Wanneer Jezus Christus daar een van Zijn engelen heeft gestuurd,
Die God daarheen zond uit Zijn heilige paradijs;
Om dit kind te redden: want Jezus Christus heeft hem gemaakt (1080)
Om de allerkoenste van alle dapperen te zijn
Die er ooit in deze eeuw is geweest. Door God werd hij ingesteld,
Om het rijk te handhaven waar hij werd verheven,
En de heilige stad waar God stierf en leefde:
Dat is Jeruzalem, dat geheel aan de Joden toebehoorde,
Waarvan Bauduin koning werd; terwijl hij het gebied bewaakte,
De tempel van Salomo en alle gebouwen,
De nobele kandelaars, die in Mekka zijn geplaatst.
Zo dapper en krachtig was hij, minzaam en elegant,
Dat hij op een dag door dertig bastaarden werd gediend; (1090)
Waarvan de minste koning was in het land van de Perzen,
Precies zoals u zult horen; mits men naar mijn woorden luistert.
{{lijn|6em}}
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
j0isckpe9qthtkl3lnhoauads9zdr93
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/328
104
87705
224693
2026-08-13T13:58:59Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224693
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilderessen''.|289}}</noinclude><br>{{gap}}Na dat hy drie maanden geteekent had (bewys van snedige opmerking en groot vernuft, dat hem dus veer by zig zelven had doen vorderen) stelde hem zyn onderwyzer aan ’t schilderen, waar in hy in twee jaren zoo veer vorderde dat hy met zyne Ouders 1653 naar huis toe keerden, daar hy de Konst onder handleiding zyns Broeders voort oeffende, zoo veer dat hy eerst te Ments, te gelyk met zyn Broeder voor de Kloosterlingen heeft geschildert; daar na door de Lantgraaf van Hessen ontboden, schilderden zy drie agter een volgende jaren te Ryntvelt, daar onze {{sc|Theodoor}} inzonderheit zig naarstig en onophoudelyk oeffende in de Konst, zonder zig door de vermaaken van ’t Hofleven te laten aftrekken van zyne oeffeningen.<br>{{gap}}Als nu zyn oudste Broeder zig in den jare 1657 in den egten staat begeven had, vertrok onze Roos in ’t volgende jaar naar Manheim, daar hy de Colonellen van drie Borger Regimenten met hunne Hopmannen naar ’t leven afmaalde; welk stuk aldaar op ’t Raadhuis noch te zien is.<br>{{gap}}De Keurvorst van de Palts dit stuk gezien hebbende beschonk onzen yveraar met 20 Ryksdaalders, welke gift zoodanigen lust in hem wekte, dat hy alle ydele tydverdryven van de jeugt vaarwel zeide, en al zyne uure ten dienst van de Konst besteede. En wanneer de Keurvorstin van de Palts troude met den Hertog van Orleans, schilderde hy der zelver Beeltenissen; het geen hunne Hoogheden zoo wel beviel, dat hy een goude keten met een penning waar op des Vorsten Beeltenis gestempelt was te schenk kreeg. Straatsborg, ’t Hof van Velde, van Birkenfelt, Bade, en Hanou, pronkt met zyn Konst. Acht stukken maakte hy in zeven<noinclude>{{RH|{{gap}}{{sc|II. Deel}}.|T|maan-}}</noinclude>
ej503h6lwlrkp777obx5qtybyxcahz3
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/329
104
87706
224694
2026-08-13T16:34:56Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224694
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|290|''Schouburgh der''|}}</noinclude><section begin="s1"/>maanden aan ’t Hof te Wirtenburg, en werd boven zyn belooning vereert met den Tytel van Wirtenborger Hofschilder.<br>{{gap}}Als Straatsborg aan de Franschen over ging was hy daar binnen, maar aangezien dat hy vele Beeltenissen der Krygshoofden voorheen door ’t penceel gemaalt had, en dus by de zelve bekent was, verschoonden zy hem van den last der Soldaten, waar door de Borgers door der zelver inwoning geplaagt werden.
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{gap}}{{sc|JURIAAN van STREEK}} hier op volgende is geboren in ’t jaar 1632. Hy verkoos tot zyn voorwerpen allerhande soort van Stilleven; Gepluimde Helmetten, Boeken, Brieven, Speeltuigen en alles wat daar toe behoort; ook wel een Dootshooft of iet diergelyk om het ten zinnebeeld van de vergankelykheit des menschen leven te doen strekken. ’T welk hy met zulk een goed oordeel ’t zamenschikte, dat het een tegens het ander zyn behoorlyke werking deed. Zyn licht en bruin wist hy wonder wel waar te nemen, en had een stout penceel, waar door zyn penceelwerk in kracht tegen de natuur dorst ter monstering komen. Hy heeft ook somwyl pourtretten geschildert, die goed zyn, waar van ik ’er verscheiden gezien heb inzonderheid van zyn Vrou; het welk wy door gebrek van geheugenisse op den naam van ''Em. de Wit'' hebben gesteld in ’t eerste Deel pag. 283.<br>{{gap}}Zeker, wat de Tafereelen der bespiegelingen van ’s menschen vergankelykheid aanbelangt, zy doen vry wat meerder nut dan de vertoonselen van vuile minbedryven. Deze geven alleen aanritzelingen tot zonden, d’andere zyn spiegels die elk zyn zeker einde doet beschouwen, en aanspoort<section end="s2"/><noinclude>{{rechts|tot}}</noinclude>
tmze6j1lfrl1ws8gjzbip87dfx32w0r
De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Theodoor Roos
0
87707
224715
2026-08-13T17:39:56Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
224715
wikitext
text/x-wiki
<pages index="De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu" from=327 to=329 fromsection=s2 tosection=s1 header=2/>
[[Categorie:Schouburg]]
84ksww18rfifewrw198fte43dppkdfu
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/330
104
87708
224716
2026-08-13T18:10:00Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224716
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilderessen''.|291}}</noinclude>tot Deugt, en godvruchtig leven, op het voorbeeld der oude Egiptenaren, welke voor gewoonte hadden, dat zy op de Gastmalen vertoonden de beeltenis van een menschen geraamte, ’t welk zy omdragende aan elk der aanleggende Gasten, den een naa den ander voorstelden, daar by zeggende: ''Ziet en beschout wel wat dit is. Weest vrolyk: maar weet dat gy dus worden zult''. Waarom ook Saladyn Sultan (Grootheer) van Babilonie, en Damascus, Koning van Egipten, stervende in de Stad Ascalon ten tyde van Philippus Augustus Koning van Vrankryk, gelastte, dat by zyn uitvaart, of Lykstatie, door zyn Grootwaapendrager, zyn Hemd, of Doodkleed op een Lans gesteken, door alle de straten der Stadt zoude worden omgedragen: en door een Herout voor uit gaande, worden uitgeroepen: ''De Koning van ’t geheel Oosten is dood; en neemt van alle zyne schatten niet anders mee''.<br>{{gap}}Zeker op zulke voorwerpen zou zig ’t penceel niet ten onnut afslooven. Is deze keur voor een Konstenaar wat te eng bepaalt, zie hier een derde, groots en woelig genoeg om een Tafereel te vullen, namentlyk: Dat oulinx te Konstantinopolen (volgens het verhaal van Isidorus) de gewoonte was, dat ten tyde van de Krooning der Keyzeren, een Metzelaar voor de zelve verscheen vertoonende vierderhande soorten van steenen, zeggende: ''Goede Heer, gelieft van deze te kiezen, welke uwe Hoogheid best gevalt, om uw Grafstee daar van te bouwen''.<br>{{gap}}Zie dit zelve om de nutbaarheid ook aangetrokken in de ''Devises Heroiques & Emblemes, de M. Clande Paradin''.<noinclude>{{RH||T 2|Onze}}</noinclude>
kgv2pvsqh1he0cho0p8ofawk88icl0u
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/331
104
87709
224717
2026-08-13T18:22:35Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224717
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|292|''Schouburgh der''|}}</noinclude><section begin="s1"/><br>{{gap}}Onze {{sc|Juriaan van Streek}} kwam te overlyden, tot Amsterdam in ’t jaar 1678 op den 12 van Zomermaant. Hy liet een Zoon na {{sc|HENDRIK van STREEK}} genaamt, hem tot Amsterdam geboren in ’t jaar 1659 op den 11 van Grasmaant: welke eerst van zyn Vader in de teekenkonst onderwezen de Beeldhouwerykonst leerde by Wil. vander Hoeven, waar aan hy zig noch hout. Deze heeft echter altyd een zucht tot de Schilderkonst gehad, als hier aan blykt: dat hy na het overlyden van zyn Vader ’t penceel (op den raad van ''Melchior de Hondekoeter'') aanvaardde, onder opzicht van ''Emanuel de Wit'', dien hy tot dien einde eenige maanden in huis nam. Gelyk ik ook verscheiden gezichten van Kerkjes van hem gezien heb, die geheel den aart van schilderen naar ''Em. de Wit'' hebben.<br>{{gap}}Zyn Vaders beeltenis, gevolgt naar ’t geen hy zelf geschildert heeft, zietmen in de Plaat K met een bonnet op ’t hoofd onder dat van I.H. Roos.
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{gap}}KAREL EMANUEL BISET is geboren te Mechelen in ’t jaar 1633. Hy maakte inzonderheit zyn werk van velerhanden Landaart in zyne gewoone drachten onder malkander te verbeelden in ’t kleen. Om zyne fraje vindingen en keurlyke penceelkonst is hy aan ’t Hof van Vrankryk gelokt, daar hy noch was als ''de Bie'' zyn boek van ’t leven der Konstschilders eindigde. Dees zegt tot roem van zyn Konst dat:
{{gedicht|''Zy overvloeit van geest, en toont van veer haar krachten'',
''Digt by haar nettigheid, die waardig is te achten''.}}<section end="s2"/><noinclude>{{rechts|OT-}}</noinclude>
avhcw4xws1f14tt57is3c18y2h4d81d
De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Juriaan van Streek
0
87710
224719
2026-08-13T18:25:10Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
224719
wikitext
text/x-wiki
<pages index="De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu" from=329 to=331 fromsection=s2 tosection=s1 header=2/>
<pages index="De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu" from=315 to=315/>
[[Categorie:Schouburg]]
qkegoj1h6nhlblxxuh69vdcsej0h190
Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Juriaan van Streek
100
87711
224720
2026-08-13T18:34:04Z
Vincent Steenberg
280
begin
224720
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox thema
| naam = Juriaan van Streek
| afbeelding =
| alt =
| beschrijving = Bronnen bij de Noord-Nederlandse schilder en waard [[w:nl:Juriaan van Streek|Juriaan van Streek]]
}}
== Inleidingen - Hand- en leerboeken ==
*Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Juriaan van Streek|“Juriaan van Streek”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 290-292.
== Verzamelen - Musea - Tentoonstellingen ==
=== Verzamelen ===
=== Musea ===
=== Tentoonstellingen ===
;1881
*''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p. 581].
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal beeldende kunst]]
88zqot9bs0x4wkzs9b30o08la2n67lt
De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Karel Emanuel Biset
0
87712
224722
2026-08-13T18:39:23Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
224722
wikitext
text/x-wiki
<pages index="De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu" from=331 to=331 fromsection=s2 tosection=s2 header=2/>
[[Categorie:Schouburg]]
mtdffmx1wiet3ixfal5f3js5jzljqpa
Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/België/Barok en Rococo/Adriaen Brouwer
100
87713
224729
2026-08-13T18:58:32Z
Vincent Steenberg
280
begin
224729
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox thema
| naam = Adriaen Brouwer
| afbeelding = Brouwer by Van Dyck.jpg
| alt = Portret door Anthony van Dyck
| beschrijving = Bronnen bij de Zuid-Nederlandse schilder en tekenaar [[w:nl:Brouwer by Van Dyck.jpg|Brouwer by Van Dyck.jpg]]
}}
== Algemeen ==
== Inleidingen - Hand- en leerboeken ==
*Houbraken, Arnold (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Adriaan Brouwer|“Adriaan Brouwer”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I (1718), p. 318-333.
== Verzamelen - Musea - Tentoonstellingen ==
=== Verzamelen ===
==== Veilingen ====
;1758
*''Catalogue de Tableaux de Cabinet de feu ... Robyns'' ..., Brussel, 22 mei 1758 ''sqq.''<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (4 mei 1758) [[:s:fr:Avis au Public le 22 May 1758, et jours suivants on vendra à Bruxelles (…)|‘Avis au Public le 22 May 1758, et jours suivants on vendra à Bruxelles […] [advertentie]’]], ''Amsterdamse Donderdagse Courant'', [p. 2].
;1905
*''Catalogue des tableaux anciens formant la collection de Monsieur L. Bloch à Vienne'', Frederik Muller, Amsterdam, 14 november 1905.<br>Aankondigingen en opbrengst:
**Anoniem (8 november 1905) [[Het Nieuws van den Dag/1905/Nummer 10999/Wetenschap en kunst|‘Wetenschap en kunst’]], ''Het Nieuws van den Dag'', p. 15.
=== Musea ===
;Rijksmuseum Amsterdam
*Anoniem (1809) ''[[Catalogus der schilderijen, oudheden enz. op het Koninklijk Museum te Amsterdam]]'', Amsterdam: Gebroeders van Cleeff, p. 13, cat.nrs. 55-56.
*Anoniem (1830) ''[[Aanwijzing der schilderijen, berustende op 's Rijks Museum, te Amsterdam (1830)|Aanwijzing der schilderijen, berustende op 's Rijks Museum, te Amsterdam]]'', [s.l.]: [s.n.], p. 14, cat.nr. 52.
=== Tentoonstellingen ===
;1922
*''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p. 2.
;1935
*''Tentoonstelling van kunstwerken uit Antwerpsche verzamelingen. Catalogus'', Stedelijke Feestzaal, Antwerpen, 20 april-19 mei en 10 augustus-22 september 1935.<br />Aankondigingen en recensies:
**Anoniem (18 april 1935) [[De Tijd/Jaargang 90/Nummer 28131/Avondblad/Kunsttentoonstelling te Antwerpen|‘Kunsttentoonstelling te Antwerpen’]], ''De Tijd'', Avondblad, [p. 5].
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal beeldende kunst]]
6bebz4pjekvkq5gd9d2ey0bapsps88j
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/332
104
87714
224738
2026-08-13T19:41:34Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224738
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilderessen''.|293}}</noinclude><section begin="s1"/>{{gap}}OTTOMAR ELGER de oude, wert geboren te Gottenburg in den jare 1633, den 18 van Herfstmaand. En gelyk doch yders natuurdrift, verschillig van anderen, voortgedreven werd, zoo vond hy zich geneigt tot het schilderen van Fruit en Bloemen, tot welken einde hy zig ook naar Antwerpen begaf by ''Daniel Zegers'', om die wyze van behandeling die hem zoo veel roem gaf, af te zien. Ook gelukte hem dit. Want hy hier om aan ’t Hof te Berlyn gelokt wierd in den jare 1666. Zedert werd hy ook aangehaald van Frederik Wilhem, Grootvader van den jegenwoordigen Koning van Pruissen, ook byzonder om zyn geestige antwoorden en kwinkslagen, geacht, in wiens dienst hy ook gestorven is.<br>{{gap}}Zyn Vader die een Geneesheer was, en hem daar toe ook in oeffening der talen opbragt, zag hem niet graag de tekenpen gebruiken, gelyk ook zyn Moeder die in geenen deele wilde toestaan dat hy de Schilderkonst leeren zoude, tot dat zeker voorval haar het tegendeel deed besluiten.<br>{{gap}}’T gebeurde dat een vremdeling, een man die by uitnementheit in talen bedreven was, met zyn Vader verzocht te spreken. De boodschap was om een aalmoes te verzoeken. Zyn Moeder (gelyk de Vrouwen dog meest nieuwsgierig zyn om alles te weten) vraagde wat die man te zeggen had? ’T antwoord was, ''dat het een groot taalgeleerde was, maar arm''. Waar op zy zeide: ''Wel, zyn ’er onder de letterwyzen ook Bedelaars, laat dan onzen Zoon de Schilderkonst leeren''.
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{gap}}GERARD UILENBURG hier op volgende is geboren tot Amsterdam, zonder dat ik weet by wien hy de Konst geleert heeft maar wel is my bekent dat hy zich<section end="s2"/><noinclude>{{RH||T 3|tot}}</noinclude>
9usld8nyy17j6bvd6t8lck7eke339zr
De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ottomar Elger
0
87715
224739
2026-08-13T19:43:28Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
224739
wikitext
text/x-wiki
<pages index="De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu" from=332 to=332 fromsection=s1 tosection=s1 header=2/>
[[Categorie:Schouburg]]
1dxo1pmodbr1yx3p2fhdlgycdmanips
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/333
104
87716
224740
2026-08-13T19:53:42Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224740
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|294|''Schouburgh der''|}}</noinclude>tot het schilderen van Lantschappen begaf, gelyk ’er thans noch tot Amsterdam in ’t huis van den Heere van Kerkwyk een groote beschilderde zaal van hem te zien is. Doch de vlerken van zyn vermogen groeiden zoo sterk niet aan dat hy een hooge vlucht konde nemen. Des liet hy in tydts af van de konst te oeffenen; wyl hy doch daar zoo heel breed niet by stont, en doelende op grooter voordeelen begaf zig t’eenemaal tot den Konsthandel, sloeg verscheiden brave schilders en jonge borsten aan, die anderzins niet konden te recht raken, en liet hen stukken van geachte meesters, yder naar zyne bekwaamheit na schilderen, om de zelve met winst uit te venten, en ’er zomwyl een onegt stuk onder den hoop doorsluipen. Wiert het niet gemerkt, hy liet het ook ongemerkt doorgaan.<br>{{gap}}Hy kreeg gelegentheit om een groote party van Konststukken, zoo Italiaansche als andere, aan ’t Hof te ''Berlyn'' te leveren, daar de Vorst hem voor uit 4000 gulden geschoten had; maar deze som kon weynig helpen, aangezien hy zulk een groot getal alzins, (op voorwaarde van de zelve te betalen zoo haast die gelevert waren) by een geschraapt had, dat hy daar voor een som van dertigduizent gulden van den Vorst vorderde. Doch die handel werd gestremt. De Vorst liet eerst ''Ottomar Elliger'' den ouden, die Hofschilder was, roepen, die zyn oordeel in hield, met zeggen: dat, zoo het Bloemstukken geweest hadden, hy daar over den Vorst ten dienst zyn oordeel zou gegeven hebben. Waar op de Vorst den Konstschilder ''Fromentjou'', die een Historie en Beesteschilder was, liet halen om van die stukken te oordeelen. Deze die voor henen ''op de Galey'' (gelykmen in Italien het schilderen voor de keelbeulen dus gewoon is te<noinclude>{{rechts|noe-}}</noinclude>
s1f7jial43ew5f5gd0exhxh6gq3xrte
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/334
104
87717
224741
2026-08-13T20:01:48Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224741
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilderessen''.|295}}</noinclude>noemen) ''gezeeten'', en zelf voor {{sc|Uilenburg}} geschilderd had, en dus den handel dier vosschen kende, doopte de zelve met den naam van kopyen, verzekerende den Vorst, dat hy de egte zoude in Hollant en elders konnen aanwyzen, en bekomen, waar door de Vorst van de zelve afzag, geen bod daar voor bood, maar beval de zelve weder weg te voeren, en schonk hem gemelde 4000 gulden, voor de kosten daar op geloopen door ’t vervoeren. Gelukkig zynze, die, (daar het in’t gemeen dus toegaat) niet door een anders bril, maar uit eigen Konstkundige oogen zien kunnen, en uit een talloos tal de egte uit de met schyn geferniste, en met logens vergulde stukken weeten te onderkennen. Zulke, daar de Heer N. A. Flink mee onder getelt word, konnen aan elk die hunne Konstkabinetten beschouwen, straks doen zien, dat zy goede Keurmeesters zyn.<br>{{gap}}Dit gaf (om voort te gaan) een grooten krak aan de waarde dier Konst, en bracht den bezitter in verlegentheit, zoo dat hy genootdrukt wierd ten ontyde, in ’t Jaar 1673 op den 23 van Sprokkelmaand tot Amsterdam koopdag van de zelve te houden.<br>{{gap}}J. v. Vondel maakte op zyn verkooping der Italiaansche schilderyen dit volgende gedicht.
{{block center/s}}''Nog spant de Schilderkonst de kroon by brave Heeren'',<br>{{gap}}''En zwicht voor onverstant, nog geen grimmas van Nyt''.<br>''Zy wil de ruime Zaal van'' {{sc|Uilenburg}} ''stoffeeren''<br>{{gap}}''Met Italiaansche kunst, in dezen droeven tyt:''<br>''Schoon Mars, in ’t harrenas gewapent, ten bederve''<br>''Des volks, de landen zet in vuur en vlam uit wraak''.<br>''Dees tiende Konstgodin, verkoren by Minerve'',<noinclude>{{block center/e}}
{{RH||T 4|''Spreekt''}}</noinclude>
47vu4j5s6j1lsono0hjyotaz57dvsle
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/335
104
87718
224746
2026-08-14T09:17:34Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
224746
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|296|''Schouburgh der''|}}
{{block center/s}}</noinclude><br>{{gap}}''Spreekt door haar schoone verf een stomme beeldespraak''.<br>''Een yders hart verlangt naar prys in ’t vrolyk loten'',<br>{{gap}}''De God Apollo komt, vol levens en vol geest''<br>''In dees vergadering. Hy groet de Konstgenooten''<br>{{gap}}''En speelt op zyne harp in ’t midden van dit feest''.<br>''De mist der lastertong verstomt door ’s kenners klaarheit''<br>''De logentaal verdwynt voor ’t helder licht der waarheit''.{{block center/e}}
{{gap}}Of ''Fromentjou'' nu met waarheid dus tot veragting van die Konststukken gesproken heeft; dan of hy {{sc|Uilenburg}} dat voordeel niet gunde, of een ouden wrok op hem had, en hem dien dus betaalt zette, dat laat ik daar: maar uit het bovenstaande vaars is duidelyk genoeg te bespeuren dat ’er de wangunst de tanden in gezet had, en teffens ook dat den Dichter hem een vrint was.<br>{{gap}}Vele hebben gemeent dat hy groote schade door die ontydige verkooping geleeden heeft, maar de brave Dichter J. Antonides geeft in den ''Toezang'' van zyn ''Zege der Schilderkonst'' (by verzinning onder Vondels mengeldichten geplaatst) het tegendeel niet duister te kennen, als hy zeit:
{{block center/s}}{{gap}}''In Amsterdam trotzeert de kunst''<br>''Van Italjaan en Nederlander''<br>''Den opgerechten Oorlogsstander'',<br>{{gap}}''En wint by alle kenners gunst''.<br>''Daar'' {{sc|Uilenburg}} ''zyn schilderyen'',<br>''In spyt van alle razernyen'',<br>{{gap}}''Hoe elk ons dreigt te vier en zwaard'',<br>''Met winst vertiert, bedankt van Heeren'',<br>''Dien ’t lust hun Zalen te stoffeeren''<br>{{gap}}''Met zulk een rykdom, lang vergaart''.<noinclude>{{block center/e}}{{rechts|''Die''}}</noinclude>
3ftf6yriuznc1ftwqwpy4w7a4o9imvr