Wikisource
nlwikisource
https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina
MediaWiki 1.47.0-wmf.16
first-letter
Media
Speciaal
Overleg
Gebruiker
Overleg gebruiker
Wikisource
Overleg Wikisource
Bestand
Overleg bestand
MediaWiki
Overleg MediaWiki
Sjabloon
Overleg sjabloon
Help
Overleg help
Categorie
Overleg categorie
Hoofdportaal
Overleg hoofdportaal
Auteur
Overleg auteur
Pagina
Overleg pagina
Index
Overleg index
TimedText
TimedText talk
Module
Overleg module
Event
Event talk
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/55
104
87605
225406
224531
2026-08-24T07:40:48Z
Havang(nl)
4330
225406
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
!Brontekst
!Vertaling
|-
|valign=top|
{{c|{{xxxx-larger|'''LI ROMANS'''}}<br>{{larger|'''DE'''}}<br>{{xx-larger|'''BAUDUIN DE SEBOURC.'''}}}}
{{lijn|5em}}
{{c|{{larger|'''CHANT II.'''}}}}
{{dhr|1.5em}}
<poem>
Or commenche materre et livrez bien assis,
Prise en vraie cronique, prouvée par escris ;
Venant de branke en branke, par mos biaus et polis,
Au Bastart de Buillon. En descendant tout dis :
A Huon d’Odequin et à andeus ses fils,
Gérin le bel armé et Séghin le gentis ;
Au pas Salahadin ; et puis à saint Loys.
Et puis aprez orrez comment vint Chauveignis ;
Et de Cassant son fil ; et du bon roy Polis.
Dusqu’au grant Philipus en sui-je bien garnis ;
Et de le prise, d’Acre, la chité de grant pris ;
Venant jusqu’au biau Roy et de ses anemis :
Che furent cil de Flandres où guerroia tout dis.
Véschi belle materre rimée de biaus dis :
C’est d’armes et d’amours et de grans paletis,
De prises de citez, d’acquerre los et pris.
Chi poent nonsachant, qui coers ont assouplis
Aprendre à moy, oïr sens, raison et avis.
Mais li homs qui escoute, s’il n’entent en vault pis :
Certez ch’est chiux qui cache, si n’a onques riens pris.
Signour, or entendez ; que Diex vous puist sauver !
A l’enfant Bauduin me vaurai retourner,
Qui au bachin à l’or voloit se main porter.
E ! Diex, qu’est che d’argent ? chius le sot bien nommer
Qui argent l’apella : les gens fait embraser.
</poem>
|valign=top|
{{c|{{xxxx-larger|'''DE ROMANS'''}}<br>'''VAN'''<br>{{xx-larger|'''BAUDEWIJN VAN SEBOURG.'''}}}}
{{lijn|5em}}
{{c|{{larger|'''ZANG II.'''}}}}
{{dhr|1.5em}}
<poem>
Nu begint mijn stof en een goed opgebouwd boek,
Genomen uit een ware kroniek, bewezen door geschriften;
Komend van tak tot tak, met mooie en gepolijste woorden,
Tot de Bastaard van Bouillon. Steeds verder afdalend:
Naar Huon d'Odequin en naar zijn beide zonen,
Gérin de goedgeantwoorde en Séghin de edele;
Naar de pas van Salahadin; en daarna naar de heilige Lodewijk.
En daarna zult u horen hoe Chauveignis kwam;
En van Cassant zijn zoon; en van de goede koning Polis.
Tot de grote Philippus ben ik goed voorzien; 10
En van de inname van Acre, de stad van grote waarde;
Komend tot de mooie Koning en zijn vijanden:
Dat waren die van Vlaanderen, waar hij altijd oorlog voerde.
Zie hier een mooie materie op rijm gezet met mooie woorden:
Het gaat over wapens en liefde en grote paleizen,
Over de inname van steden, het verwerven van lof en prijs.
Hier kunnen onwetenden, wier harten verzacht zijn,
Van mij leren, zin, rede en advies horen.
Maar de mens die luistert, als hij het niet begrijpt, is het slechter:
Zeker, dat is degene die jaagt en nog nooit iets gevangen heeft. 20
Heren, luister nu; moge God u redden!
Naar het kind Bauduin wil ik terugkeren,
Die zijn hand naar het gouden bekken wilde steken.
Ach! God, wat is dat met geld? Die wist het goed te noemen
Die het geld noemde: het zet de mensen in vuur en vlam. </poem>
|}<noinclude></noinclude>
44pvs0wbp0l2l01hr929i8mum13vyh8
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/56
104
87606
225407
224532
2026-08-24T07:43:22Z
Havang(nl)
4330
225407
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
·j· déablez d’enfer le fist argent nommer :
Car une grange fist de monnoie pupler,
Et puis l’ala tantost à moult de gent conter ;
Chil alèrent tantost le grange deffremer,
S’alèrent le monnoie querquier et entasser ;
Et li déablez ala celle grange allumer,
Si fist le gens dedens ardoir et embraser.
Pour chou ot nom argens ; li noms n’en voelt muer,
Car il art tout le monde, si lons qu’on set aler :
Il n’est si petit enfes, c’est légier à prouver,
S’on li donne ·j· denier, qui n’en laist le plourer.
Jà alast Bauduins le monnoie haper,
Quant ·j· angèles vint le manète combrer ;
Ens ou bachin as pums li a fait ravaler,
En le main l’en mist une ; lors le laissa aler.
Et le franche Royne commencha à crier :
« Ahi ! lères Gaufrois, légier est à prouver
« Que par droite innocence, qui ne se poet céler,
« Fist mes fiex ta couronne en l’aire reverser.
« On ne doit mie enfans science demander. »
Lie fu la Royne ; Jhésu-Crist en loa.
Dient li chevalier, qui adont furent là :
« Gaufrois, or pardonnez l’enfant que fait a ;
« Se tu mesfais l’enfant, le mère te harra. »
Gaufrois saisi l’enfant, ·xv· fois le baisa :
Par grande fausseté biau samblant li monstra,
Mais il jure et affie gaires ne vivera.
Moult est chiux fax qui jure chose qu’à passer a ;
Car Diex est tous poissans, qui tout fist et créa.
Li mère fu moult lie, son enfant acola ;
Et li cours fu plénière, qui ·xv· jours dura.
Gaufrois, li dux de Frise, as chevaliers donna
Et le vair et le gris ; dont cascuns le prisa.
Adès est bien venus chiux qui donner vaura,
Et qui n’a que donner jà amez ne sera :
</poem>
|valign=top|
<poem>
Een duivel uit de hel liet het geld noemen:
Want hij liet een schuur met munten vullen,
En toen ging hij het direct aan veel mensen vertellen;
Zij gingen direct de schuur openbreken,
En gingen de munten inladen en opstapelen; 30
En de duivel stak die schuur in brand,
En liet de mensen daarbinnen verbranden en ontvlammen.
Daarom heette het geld; de naam wil niet veranderen,
Want het zet de hele wereld in brand, zo ver als men kan gaan:
Er is geen kind zo klein, het is gemakkelijk te bewijzen,
Als men hem een penning geeft, dat hij stopt met huilen.
Bauduin stond al op het punt de munten te grijpen,
Toen een engel zijn handje kwam vasthouden;
In het bekken met de appels liet hij het zakken,
In zijn hand legde hij er een; toen liet hij hem gaan. 40
En de edele Koningin begon te roepen:
"Aha! dief Gaufrois, het is gemakkelijk te bewijzen
Dat door pure onschuld, die zich niet kan verbergen,
Mijn zoon jouw kroon op de grond deed omvallen.
Men moet van kinderen geen wijsheid vragen."
Blij was de Koningin; zij loofde Jezus Christus.
De ridders die daar toen waren, zeiden:
"Gaufrois, vergeef nu het kind wat hij gedaan heeft;
Als je het kind kwaad doet, zal de moeder je haten."
Gaufrois greep het kind, kuste hem 15 keer: 50
Met grote valsheid toonde hij hem een mooi gezicht,
Maar hij zweert en belooft dat hij luttel zal leven.
Zeer vals is degene die zweert wat nog moet gebeuren;
Want God is almachtig, die alles maakte en schiep.
De moeder was zeer blij, zij omhelsde haar kind;
En het hof was voltallig, en duurde 15 dagen.
Gaufrois, de hertog van Friesland, gaf aan de ridders
Zowel bont als grijs; waarom iedereen hem prees.
Altijd is degene die gaat geven welkom,
En wie niets te geven heeft, zal nooit bemind worden:60</poem>
|}<noinclude></noinclude>
pfb2fmcnumtbtxjziiis9u0jv3c7hgp
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/57
104
87607
225408
224533
2026-08-24T07:43:52Z
Havang(nl)
4330
225408
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
{{iwpage|fr}}
</poem>
|valign=top|
<poem>
Maar de man die meer geeft dan hij aan inkomen heeft,
Men houdt hem voor een stumper als hij daarna nood heeft.
Zeer adellijk was het hof, in de tijd waarover ik u spreek:
Gaufrois maakte toen door zijn grote gaven veel vrienden.
Het hof is uiteengegaan, en zij gaan naar hun land;
Gaufrois is gebleven, samen met zijn onderdanen.
En de edele Koningin, die zo'n helder gezicht had,
Zei: "Mooie heer God! ware koning van het paradijs,
Mijn hart blijft me zeggen dat Bauduin, mijn zoon,
Als hij hier bij mij blijft, te schande zou kunnen worden gemaakt.70
Voor Gaufroit vrees ik dat hij zijn vijand is;
Want hij haat hem in zijn hart, wat voor valse lach hij ook maakt.
Nu heb ik een heel goed plan bedacht:
Dat ik hem zal sturen, voordat er drie dagen voorbijgaan,
Daarginds naar Boulogne, naar mijn edele nicht,
Die de drie voor mij bewaart; nu zal de vierde erbij worden gezet.
Hier zou ik hem niet laten, voor het goud van 100 landen;
Gaufrois houdt niet van hem, de mislukte verrader:
En ik heb wel horen zeggen, al 13 jaar geleden,
Dat er met een gehaat kind geen mooi spel of mooie lach is."80
De vrouwe van Nijmegen, die Roze heette,
Roept een ridder, die van haar huis was;
Bij zijn rechte doopnaam heette hij Gallerans.
"Gallerans," zei de dame, "luister naar mijn bedoeling:
Een geheim zal ik u vertellen, stilletjes als een dief,
En ik wil dat niemand het weet, behalve u;
En dat u het niet vertelt aan schildknaap of jongen.
Mijn geheim vertel ik u, als in de biecht."
"Dame," zei Galerans, "moge ik nooit vergeving krijgen,
Als ik u hiervan beschuldig met welke bedoeling dan ook;90
Tenzij door de dwang van de dood of de gevangenis.
Zeg uw wens, hier is uw kampioen;
Want ik heb u gediend, al een lange tijd,
Sinds u koning Ernoul tot echtgenoot nam,
Zeg uw wil en uw beschikking."</poem>
|}<noinclude></noinclude>
ly4cj8cdtirqvtoi0kpc64r3zg53wzl
225409
225408
2026-08-24T07:45:30Z
Havang(nl)
4330
225409
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Mais li homs qui plus donne que de pension n’a,
On le tient à quétif se puis besoing en a.
Moult fu noble le court, au tamps dont je vous dis :
Gaufrois, par ses haus dons, fist adont moult d’amis.
La cours est départie, si vont en leur païs ;
Gaufrois est demorez, aveuques ses subgis.
Et franche Royne, qui tant ot cler le vis,
Disoit « biaus sire Diex ! vrais roys de paradis,
« Li coers me va disant que Bauduins, mes fis,
« S’auques demeure o moi, estre porroit honnis.
« De Gaufroit je me doubte ne li soit anemis ;
« Car il le het en cor, coi qu’il fache faux ris.
« Or me sui avisée certes d’un boin avis :
« Que je l’envoierai, ains qu’il passe tier dis,
« Par delà à Boulongne, à ma nièche gentis,
« Qui me garde les trois ; or iert li quars mis.
« Ichi ne le laroie, pour l’or de ·c· païs ;
« Gaufrois ne l’aimme pas, li traitres falis :
« Et j’ay bien oï dire, ·xiij· ans a acomplis,
« Que d’un enfant haï n’a biau jeu ne biau ris. »
La dame de Nimaye, qui Roze avoit à non,
Apelle ·j· chevalier, qui fu de sa maison ;
Par droit nom de baptesme, Gallerans ot à non.
« Gallerans, » dist la dame, « oïés m’entention :
« ·j· conseil vous dirai, coiement à laron,
« Si voel que ne le sache personne, se vous non ;
« Et que vous ne le dites escuier ne garchon.
« Mon conseil je vous di, comme en confession. »
« Dame, » dist Galerans, « jà n’aie-je pardon,
« Se je vous en accuse par nulle entention ;
« Se ce n’est par destroit de mort ou de prison.
« Dites vostre voloir, véschi vo campion ;
« Car je vous ai servi, il a longue saison,
« Trèsdont que vous presistes roy Ernoul à baron,
« Dites vo volenté et vo devision. »
</poem>
|valign=top|
<poem>
Maar de man die meer geeft dan hij aan inkomen heeft,
Men houdt hem voor een stumper als hij daarna nood heeft.
Zeer adellijk was het hof, in de tijd waarover ik u spreek:
Gaufrois maakte toen door zijn grote gaven veel vrienden.
Het hof is uiteengegaan, en zij gaan naar hun land;
Gaufrois is gebleven, samen met zijn onderdanen.
En de edele Koningin, die zo'n helder gezicht had,
Zei: "Mooie heer God! ware koning van het paradijs,
Mijn hart blijft me zeggen dat Bauduin, mijn zoon,
Als hij hier bij mij blijft, te schande zou kunnen worden gemaakt.70
Voor Gaufroit vrees ik dat hij zijn vijand is;
Want hij haat hem in zijn hart, wat voor valse lach hij ook maakt.
Nu heb ik een heel goed plan bedacht:
Dat ik hem zal sturen, voordat er drie dagen voorbijgaan,
Daarginds naar Boulogne, naar mijn edele nicht,
Die de drie voor mij bewaart; nu zal de vierde erbij worden gezet.
Hier zou ik hem niet laten, voor het goud van 100 landen;
Gaufrois houdt niet van hem, de mislukte verrader:
En ik heb wel horen zeggen, al 13 jaar geleden,
Dat er met een gehaat kind geen mooi spel of mooie lach is."80
De vrouwe van Nijmegen, die Roze heette,
Roept een ridder, die van haar huis was;
Bij zijn rechte doopnaam heette hij Gallerans.
"Gallerans," zei de dame, "luister naar mijn bedoeling:
Een geheim zal ik u vertellen, stilletjes als een dief,
En ik wil dat niemand het weet, behalve u;
En dat u het niet vertelt aan schildknaap of jongen.
Mijn geheim vertel ik u, als in de biecht."
"Dame," zei Galerans, "moge ik nooit vergeving krijgen,
Als ik u hiervan beschuldig met welke bedoeling dan ook;90
Tenzij door de dwang van de dood of de gevangenis.
Zeg uw wens, hier is uw kampioen;
Want ik heb u gediend, al een lange tijd,
Sinds u koning Ernoul tot echtgenoot nam,
Zeg uw wil en uw beschikking."</poem>
|}<noinclude></noinclude>
brp6w19eig4uiejmi5rqx8butjyz8x9
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/58
104
87608
225410
224534
2026-08-24T07:47:22Z
Havang(nl)
4330
225410
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Sire, » dist la Royne, « je ai un valeton
« Que Gaufrois n’aimme mie ; bien savés le fachon.
« Or vous pri et requier, pour Dieu et pour son non,
« Que demain au matin, sans per ne compaignon,
« Issiés hors de Nimaye, à forche et à bandon :
« Mon fil emporterés, sus vo destrier Gascon,
« Droitement à Boulongne, le ville de renon.
« Ydain me salués, à le clère fachon ;
« Et se li dites bien, sans faire célison,
« Que par mais mariaige bien honnie m’a-on ;
« Et c’onques mais royne n’ot si mauvais baron.
« Dites li : qu’elle garde en foy ma nourechon ;
« Elle a ·iij· fiex de moi, et le quart li port-on ;
« Je ne l’ose laissier, pour riens, en ma maison.
« Or i alez tous seulz ; chevauchiés à foison. »
Et dist li chevaliers : « à vo devision ;
« Le messaige ferai, à Dieu bénéichon. »
Ne sai que vous fesisse alonguier le canchon.
Lendemain au matin, ains que jour véist-on,
S’apresta li vassaus, qui Gallerans ot non.
Car qui voelt cheminer et aler à foison,
A l’esploit dou matin bien tenir se doit-on.
Li chevaliers la dame prist l’enfant, au matin,
Si c’onques ne le dist, à frère n’à cousin.
De Nimaye est issus, montez sus le ronchin ;
Si emporte l’enfant, à couvert d’un samin :
A le voie se mist, tenant le chief enclin.
Je ne sai s’il passa sus foelle de gardin,
Ou s’il but as hosteus boire où éust venin ;
Mais maus li prist au cuer, dont puis ala à fin.
Ou païs de Hainou entra, par un mattin ;
A Bavay s’ostela chiés ·j· oste Gérin :
Malades s’emparti ; si va vers Valentin.
·j· castel a véut lons de lui au chemin.
Ne pot aler avant Gallerans, au cuer fin,
</poem>
|valign=top|
<poem>
"Heer," zei de Koningin, "ik heb een kleine jongen
Van wie Gaufrois helemaal niet houdt; u kent de situatie goed.
Nu bid en verzoek ik u, voor God en voor Zijn naam,
Dat u morgenochtend, zonder metgezel of vriend, 100
Uit Nijmegen vertrekt, met kracht en in allerijl:
Mijn zoon zult u meenemen, op uw Gascogner strijdross,
Rechtstreeks naar Boulogne, de stad van faam.
Groet Ydain voor mij, met haar stralende gezicht;
En zeg haar goed, zonder iets te verbergen,
Dat men mij door een slecht huwelijk zeer te schande heeft gemaakt;
En dat er nooit een koningin zo'n slechte echtgenoot had.
Zeg haar: dat zij in trouw mijn pleegkind bewaart;
Zij heeft drie zonen van mij, en de vierde brengt men haar;
Ik durf hem voor niets in mijn huis achter te laten. 110
Ga daar nu helemaal alleen heen; rijd in galop."
En de ridder zei: "Volgens uw beschikking;
Ik zal de boodschap doen, met Gods zegen."
Ik weet niet waarom ik het lied voor u langer zou maken.
De volgende ochtend, voordat men de dag zag,
Maakte de vazal zich gereed, die Gallerans heette.
Want wie wil reizen en flink opschieten,
Die moet de ochtendstond goed benutten.
De ridder van de dame nam het kind in de ochtend, 120
Zonder dat hij het ooit aan broer of neef vertelde.
Uit Nijmegen is hij vertrokken, gezeten op het rijpaard;
Zo draagt hij het kind weg, bedekt met een zijden doek:
Hij begaf zich op weg, met gebogen hoofd.
Ik weet niet of hij over de bladeren van de tuin ging,
Of dat hij in de herbergen dronk waar vergif in zat;
Maar er overviel hem een pijn in het hart, waaraan hij later stierf.
In het land van Henegouwen trok hij binnen, op een ochtend;
In Bavay nam hij zijn intrek bij een gastheer Gérin:
Ziek vertrok hij daarvandaan; zo gaat hij richting Valenciennes.
Een kasteel zag hij in de verte op de weg.
Gallerans kon niet verder gaan, met zijn edele hart,130</poem>
|}<noinclude></noinclude>
pv50ymhsy8tfhwlitc9bakvysvrs3bk
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/59
104
87609
225411
224535
2026-08-24T07:48:57Z
Havang(nl)
4330
225411
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Car le mort qui n’espargne prestre, ni Augustin,
Archevesque, ne clerc, tant sache de latin ;
Fist arrester le ber, par delez ·j· sapin,
Bien près d’une fontaine, qui fu sus le chemin.
N’alast ·j· piet avant, pour l’avoir Constentin :
Il se fiert et dégète, moult fait piteuse fin.
Qui ne le conneuist, par le cors saint Martin,
Il quidast moult très bien qu’il fust ivres de vin.
Moult fu li chevaliers malades durement ;
Car li mors l’apressoit, pour cui angoisse sent.
L’enfès fu dalès lui, qui crioit moult souvent
De çou qu’il le véoit regiber ensiment.
Ès-vous ·j· chevaliers, né d’ichel ténement :
Sires fu de Sebourc, ·j· riche mandement.
De cachier repairot, s’ot perdue sa gent ;
Il vint au chevalier, qui le cuer ot dolent,
Pour le mort qu’il sentoit si angoisseuzement.
Li sires de Sebourc, au fier contenement,
Vint vers le chevalier ; si li dist hautement :
« Sire, est-che maladie qui ensi vous sousprent ? »
« Oïl, » dist Galerans, « je muir certainement.
« Lies sui quant je vous voi devant mi en présent ;
« Or vous pri et requier, pour Dieu omnipotent ;
« Que me voeilliés oïr, ains mon définement.
« Vés-ichi ·j· enfant, qui est de haute gent :
« Fiex le roy de Nimaye, qui sus le mer s’estent ;
« Fiex la royne Roze, qui de biauté resplent.
« Or m’a priiet le mère, qui tant a le corps gent,
« Qu’à Bouloingne le ville soit menez simplement.
« Remariée s’est à ·j· glouton pullent,
« Qui vendi son signour, à le payène gent :
« Paour avoit la dame, dont je fai parlement,
« Ses maris ne le fache mourdrir, pour son argent.
« A Bouloigne l’envoie, là où sont si parent ;
« A le comtesse Ydain l’envoie proprement
</poem>
|valign=top|
<poem>
Want de dood, die priester noch Augustijn spaart,
Aartsbisschop noch klerk, hoe goed hij ook Latijn kent;
Liet de edelman halthouden, vlakbij een dennenboom,
Heel dicht bij een bron, die aan de weg lag.
Hij kon geen voet verder gaan, niet voor alle schatten van Constantijn:
Hij slaat om zich heen en stribbelt tegen, hij sterft een zeer deerniswekkende dood.
Wie hem niet kende, bij het lichaam van Sint-Martin,
Zou heel goed gedacht hebben dat hij dronken was van de wijn.
De ridder was zeer zwaar ziek; 140
Want de dood naderde hem, door wiens angst hij pijn voelt.
Het kind was naast hem, dat heel vaak huilde
Omdat hij hem zo zag spartelen.
Zie daar een ridder, geboren in dat gebied:
Hij was heer van Sebourc, een rijke heerlijkheid.
Van de jacht keerde hij terug, en hij had zijn manschappen verloren;
Hij kwam bij de ridder, wiens hart bedroefd was,
Vanwege de dood die hij zo pijnlijk voelde.
De heer van Sebourc, met zijn trotse houding,
Kwam naar de ridder toe; en zei luid tegen hem: 150
"Heer, is het een ziekte die u zo overvalt?"
"Ja," zei Galerans, "ik sterf zeker.
Blij ben ik dat ik u hier voor mij zie;
Nu bid en verzoek ik u, voor de almachtige God;
Dat u mij wilt horen, voor mijn einde.
Zie hier een kind, dat van hoge afkomst is:
Zoon van de koning van Nijmegen, dat zich aan de zee uitstrekt;
Zoon van koningin Roze, die schittert van schoonheid.
Nu heeft de moeder mij gevraagd, die zo'n edel lichaam heeft,
Dat hij eenvoudig naar de stad Boulogne gebracht wordt. 160
Zij is hertrouwd met een vuile schurk,
Die zijn heer verkocht aan het heidense volk:
De dame was bang, over wie ik spreek,
Dat haar man hem niet zou laten vermoorden om zijn geld.
Naar Boulogne stuurt zij hem, daar waar zijn familie is;
Naar de gravin Ydain stuurt zij hem specifiek:</poem>
|}<noinclude></noinclude>
qqhyubr8g04yf9wk0pruy2lt77cwbl7
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/60
104
87610
225417
224536
2026-08-24T07:55:58Z
Havang(nl)
4330
225417
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Ne l’i porrai mener, le mort le me deffent.
« Si vous prie, pour Dieu, que m’aïés en couvent
« Que pour moi l’i menez ; car li besoingz m’en prent. »
Et dist li chevaliers : « à vo commandement. »
A l’enfant est venus ; si le baisa briefment :
Tant le vit gracieus et de noble jouvent,
De grant linaige estrait et venu vassaument ;
Qu’il en jura le Père, qui ne faut ne ne ment ;
Que jà ne le menra hors de son ténement.
Enchois le nourira tant et si longement,
Qu’il porra espouser sa fille loyaument :
Une noble puchelle et de biau convenent.
Chel enfant gardera, par vrai entendement,
Tant qu’il ara éâge et forche poissaument
De maintenir moullier et terre et cazement.
Ensi li chevaliers prist ·j· avisement ;
Dont il ara enchore le cuer tristre et dolent.
Tant garda Bauduin, le dansiel de jouvent,
Qu’il engroissa sa fille ; et des autres grantment.
On norist tel quaiel, ce dist-on bien souvent,
Qui saut se maistre au col moult anguisseusement.
Li sires de Sebourc prist l’enfant par le main ;
Moult le vit gracieus et gentil et hautain :
·iiij· fois le baisa. Gallerans fist ·j· plain,
Et là endroit morut, che sachiés pour certain :
Li sires de Sebourc, qui n’ot pas le cuer vain,
Le fist ensevelir, à loy de castellain.
Bauduin emmena, deseure son poulain ;
A se moullier conta tout le fait prémerain,
Cheulz qui sont à l’enfant frère et cousin germain.
Puis dist : « nourir le voeil, par Dieu le souverain,
« Et puis si le donrons no fille Mariain. »
« Je l’otroi, » dist la dame, au coraige mundain.
L’enfant fisent nourir, et de vin et de pain :
Maise noreçon firent, par le corps saint Germain ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
Ik zal hem er niet kunnen brengen, de dood verbiedt het mij.
Dus ik bid u, voor God, dat u mij belooft
Dat u hem voor mij daarheen brengt; want de nood dwingt mij ertoe."
En de ridder zei: "Tot uw dienst." 170
Naar het kind is hij gegaan; hij kuste hem kort:
Hij zag hem zo gracieus en van zo'n adellijke jeugd,
Uit een groot geslacht gesproten en zo dapper;
Dat hij zwoer bij de Vader, die niet feilt of liegt;
Dat hij hem nooit buiten zijn gebied zou brengen.
In plaats daarvan zal hij hem zo lang opvoeden,
Dat hij trouw met zijn dochter zal kunnen trouwen:
Een adellijk meisje en van goed gedrag.
Dit kind zal hij bewaren, met oprechte bedoeling,
Tot hij de leeftijd en de kracht heeft 180
Om een vrouw, land en bezit te onderhouden.
Zo nam de ridder een besluit;
Waarom hij later nog een bedroefd en treurig hart zal hebben.
Zo lang paste hij op Bauduin, de jonge edelman,
Dat hij zijn dochter zwanger maakte; en nog vele anderen.
Men voedt vaak zo'n welp op, zo zegt men heel vaak,
Die zijn meester zeer pijnlijk naar de keel vliegt.
De heer van Sebourc nam het kind bij de hand;
Hij zag hem zeer gracieus, adellijk en verheven:
Vier keer kuste hij hem. Gallerans slaakte een zucht, 190
En stierf daar ter plekke, weet dat voor zeker:
De heer van Sebourc, die geen zwak hart had,
Liet hem begraven, volgens de wet van een kasteelheer.
Bauduin nam hij mee, bovenop zijn veulen;
Aan zijn vrouw vertelde hij de hele zaak vanaf het begin,
Degenen die broer en volle neef van het herenkind zijn.
Toen zei hij: "Ik wil hem opvoeden, bij God de allerhoogste,
En dan zullen we hem onze dochter Mariain geven."
"Ik stem toe," zei de dame, met haar wereldse gezindheid.
Zij lieten het kind voeden, met wijn en met brood:
Een slechte opvoeding gaven ze hem, bij het lichaam van Sint Germain; 200</poem>
|}<noinclude></noinclude>
284a4u3i99so3ogdpd8moraahcr7nal
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/61
104
87611
225412
224537
2026-08-24T07:49:49Z
Havang(nl)
4330
225412
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Dont puis se repentirent et eurent le cuer vain.
Ou castel à Sebourc, dont li mur sont plénier,
Fu Bauduins nouris, au coraige légier :
Bien le faisoit nourir le femme au chevalier.
Li sires de Sebourc ne fine de priier
C’on pense de l’enfant et estet et ivier ;
Noblement le faisoit et vestir et cauchier ;
Comme le sien enfant déduire et ensingnier ;
Et li faisoit aprendre le jeu de l’esquiquier.
Des tablez et des dés savoit bien le mestier :
Li sires li aprent de bien poindre ·j· coursier.
Du bien qu’il fist l’enfant, qui tant fist à prisier,
Se repenti ·c· fois et plus, à mon cuidier.
Estragne boiiel fait mais au sien à liier.
Ensement Bauduins fu à Sebourc nouris ;
Du sire et de la dame honnerez et servis.
Or lairai de l’enfant, qui tant fu de haut pris :
De son père dirai, qui moult estoit maris,
En le cité d’Abilant ; ce nous dist li escris.
Du Rouge-Lion fu moult amez et chiéris :
Car Ernous de Biauvais, li princes signouris,
Li avoit tant aidiet, contre ses anemis,
Qu’en ·j· camp de bataille les avoit desconfis.
·vij· ans avoit duret le gerre en son païs ;
Tant fu Rouges-Lions en se cité assis :
Ernous l’en délivra, au voloir Jhésu-Cris,
Car li amiraus fu par lui mors et ocis.
Dont moult l’ama li Roys, et en fais et en dis ;
Mais d’Ernoul de Biauvois avoit sérement pris,
Que de lui ne seroit à nul jour départis :
Dès-si qu’à ichelle heure que fais l’en ert otris.
Eliénor le belle demouroit moult envis ;
Car amours li avoit tant de ses biens partis,
Qu’elle amoit Esmeret, qui soef fu nouris :
Car Ernous de Biauvais li ot piècha prom
</poem>
|valign=top|
<poem>
Waarvan ze later berouw kregen en een leeg hart hadden.
In het kasteel te Sebourc, waarvan de muren stevig zijn,
Werd Bauduins opgevoed, met een lichtzinnig karakter:
De vrouw van de ridder liet hem goed verzorgen.
De heer van Sebourc hield niet op met vragen
Dat men aan het kind dacht, zomer en winter;
Adellijk liet hij hem kleden en schoeisel geven;
Als zijn eigen kind hem vermaken en onderwijzen;
En hij liet hem het schaakspel leren. 210
Van tafels en dobbelstenen kende hij het handwerk goed:
De heer leert hem om een renpaard goed te sporen.
Van het goede dat hij het kind deed, dat zo geprezen werd,
Had hij honderd keer berouw en meer, naar mijn mening.
Een vreemde darm is moeilijk aan de zijne te binden.
Zo werd Bauduins in Sebourc opgevoed;
Door de heer en de dame geëerd en gediend.
Nu zal ik het kind achterlaten, dat van zo grote waarde was:
Over zijn vader zal ik spreken, die zeer bedroefd was,
In de stad Abilant; zo vertelt het geschrift ons. 220
Door de Rode Leeuw werd hij zeer bemind en gekoesterd:
Want Ernous van Beauvais, de vorstelijke heer,
Had hem zozeer geholpen tegen zijn vijanden,
Dat hij hen in een veldslag had verslagen.
Zeven jaar had de oorlog in zijn land geduurd;
Zo lang was de Rode Leeuw in zijn stad belegerd:
Ernous bevrijdde hem ervan, naar de wil van Jezus Christus,
Want de admiraal werd door hem gedood en omgebracht.
Waarom de Koning veel van hem hield, in daden en woorden;
Maar van Ernoul van Beauvais had hij de eed aangenomen, 230
Dat hij nooit van hem gescheiden zou worden:
Tot aan het uur dat het hem toegestaan zou worden.
Eliénor de schone bleef daar zeer tegen haar zin;
Want de liefde had haar zoveel van haar goederen gegeven,
Dat zij hield van Esmeret, die zacht was opgevoed:
Want Ernous van Beauvais had het haar allang beloofd.
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
fl2ctam3oczx0c3rzz8yjjgndc8ixdr
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/62
104
87612
225413
224538
2026-08-24T07:50:43Z
Havang(nl)
4330
225413
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Si désiroit la belle venir en cest païs,
Où Esmerez estoit, li siens loyaus amis ;
Mais ains qu’elle le voie sera ses cuers maris.
Onques n’aquata tant amour dame gentis,
Com fist Eliénor l’amour de che marchis.
Mais cose qui est chière est amée toudis ;
On s’i fuelle bien, ce nous dist li escris.
Tant fu li rois Ernous par dedens Abilant,
Qu’il avint, à ·j· jour d’une feste joïant,
Que li Rougez-Lions devoit ·j· tréut grant
Envoïer, par servaige, au riche Roi-Soudant.
Cascun an li devoit, par cavage païant,
·j· sommier tout querquiet d’or et d’argent luisant.
Or li avoit mandet ·iij· fois, par ·j· Persant,
Qu’il éust ce trésor ; mestier en avoit grant :
Envoïer le devoit au fort roy Corbarant.
Et li Rouges-Lions, quant il oy le mant,
Fist querquier le sommier qui valoit maint besant ;
Et puis en appella Ernoul le combatant :
« Ernoul, » che dist li Roys, « entendez mon samblant ;
« A Sormagane irés, ce sommier conduisant.
« Car je me fi en vous, plus qu’en homme vivant ;
« Et par le foy que doi Mahon et Tervagant,
« Si tost que revenrez, par de chà repairant,
« Je vous donrai congiet, tout à votre commant ;
« Pour aler à Nimaye, où sont li vostre enfant. »
Et quant Ernous l’entent, le cuer ot moult joïant :
A ces mos s’emparti ; o lui ·iiij· sergant.
Par terre païenie va Ernous chevauchant ;
Mais par desous ·j· mont, delez ·j· desrubant,
Leur sali au matin ·j· serpent par devant,
Qui du mont de Tigris va à val descendant :
A Ernoul est venus, qu’il a trouvé devant.
Quant Ernous vi le beste, si va Dieu réclamant ;
Il a traite l’espée, qui avoit bon taillant ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
Zo verlangde de schone om naar dit land te komen,
Waar Esmerez was, haar trouwe vriend;
Maar voordat zij hem ziet, zal haar hart bedroefd zijn.
Nooit kocht een adellijke dame zoveel liefde, 240
Als Eliénor deed voor de liefde van deze markies.
Maar een zaak die dierbaar is, wordt altijd bemind;
Men verheugt zich erin, zo vertelt het geschrift ons.
Zo lang was de koning Ernous binnen Abilant,
Dat het gebeurde, op een dag van een vreugdevol feest,
Dat de Rode Leeuw een grote schatting moest
Sturen, als leen, aan de rijke Koning-Sultan.
Elk jaar was hij hem schuldig, per hoofd betaald,
Een lastdier geheel beladen met goud en glanzend zilver.
Nu had hij hem drie keer ontboden, via een Perziër, 250
Dat hij deze schat moest hebben; hij had er grote behoefte aan:
Hij moest het sturen naar de sterke koning Corbarant.
En de Rode Leeuw, toen hij het bevel hoorde,
Liet het lastdier laden dat menig bezant waard van goud was;
En toen riep hij Ernoul de strijder:
"Ernoul," zo sprak de Koning, "luister naar mijn plan;
Naar Sormagane zult u gaan, dit lastdier geleidend.
Want ik vertrouw op u, meer dan op enig levend mens;
En bij de trouw die ik verschuldigd ben aan Mahon en Tervagant,
Zodra u terugkeert, hierheen terugkerend, 260
Zal ik u verlof geven, geheel naar uw bevel;
Om naar Nijmegen te gaan, waar uw kinderen zijn."
En toen Ernous dat hoorde, was zijn hart zeer verheugd:
Bij deze woorden vertrok hij; met hem vier serjanten.
Door het heidense land gaat Ernous rijdend;
Maar onder een berg, langs een afgrond,
Sprong er in de ochtend een slang voor hen op,
Die van de berg Tigris naar het dal afdaalde:
Naar Ernoul is hij gekomen, die hij voor zich vond.
Toen Ernous het beest zag, riep hij God aan;
Hij trok het zwaard, dat een scherpe snede had;270</poem>
|}<noinclude></noinclude>
d8vsfrqzqs0imy3ddr0xu6y1u97hufr
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/63
104
87613
225414
224539
2026-08-24T07:51:27Z
Havang(nl)
4330
225414
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Au serpent a geté ·j· cop merveille grant :
Sus le dos le féri, mais ne valut noiant,
Nient plus comme une englume ne va le cuir passant.
Li serpens de sa keue le va estoriant ;
A terre l’abati ; adont le va hapant,
Tout ensi c’uns leus va le mouton engoulant.
S’en va a tout le Roy, sus le mont remontant :
Là endroit va le beste le bon Roi dévourant,
Et laissa le chief coy, mengua le remanant.
Puis, l’i trouva ses frères, au hardi convenant,
Bauduins de Biauvais, que Diex perama tant ;
Qui le serpent ochist, à l’espée transant,
Quant Richars de Cammont ot desconfi le camp
Encontre les ·ij· Turs, pour l’amour Corbarant :
Ensi qu’avés oï, ens ou noble rommant.
Mais ceste matère est d’autre costé venant ;
Car chius qui fist l’istoire Godefroy, le vaillant,
Qui prist Jhérusalem et Acre, le poissant,
Oublia ceste branke qui bien valoit otant
Signour, or entendez, pour Diu le créatour,
S’oïés bonne chanson ; ains n’oïstez millour.
Ensi morut Ernous, à doel et à tristour ;
Par le félon serpent, qui là régna maint jour.
Quant li Rougez-Lions sot du Roy le voirour,
Il en fu moult dolans et plains de grant tristour ;
Mais sa seur en mena et grant doel et grant plour.
« Ahi, lasse ! » dist-elle, « véschi grant ténébrour,
« Quant li pères est mors mon ami par amour ;
« Qui me devoit mener ens ou païs d’onnour,
« Où mes amis se tient, à le fresche coulour :
« Li plus biaus de ce monde environ et entour.
« Lasse ! onques ne le vi, s’en sui en tel ardour
« Que morir m’en faura ; s’en arai du piour.
« Ahi ! Esmerez, sire, de grant biauté la flour ;
« Jammais ne vous verrai, bien croi à nésun jour :
</poem>
|valign=top|
<poem>
Naar de slang toe deed hij een wonderbaarlijk grote slag:
Op de rug trof hij hem, maar het hielp niets,
Niet meer dan dat een aambeeld de huid zou doorsnijden.
De slang sloeg hem met zijn staart;
Sloeg hem tegen de grond; toen verslond hij hem,
Net zoals een wolf het schaap verslindt.
Hij ging er vandoor met de Koning, de berg weer opklimmend:
Daar ter plekke verslond het beest de goede Koning,
En liet het hoofd met rust, at de rest op. 280
Toen vond zijn broer hem daar, met zijn koene houding,
Bauduins van Beauvais, van wie God zoveel hield;
Die de slang doodde, met het scherpe zwaard,
Toen Richars van Cammont het veld had verslagen
Tegen de twee Turken, vanwege de liefde van Corbarant:
Zoals u gehoord hebt, in de adellijke roman.
Maar deze materie komt van een andere kant;
Want degene die de geschiedenis van Godefroy de dappere schreef,
Die Jeruzalem innam en Acre de machtige,
Verat deze tak die wel evenveel waard was. 290
Heren, luister nu, voor God de schepper,
En hoor een goed lied; u hoorde nooit een betere.
Zo stierf Ernous, in rouw en in verdriet;
Door de boosaardige slang, die daar menig dag regeerde.
Toen de Rode Leeuw de waarheid over de Koning vernam,
Was hij daar zeer bedroefd over en vol van groot verdriet;
Maar zijn zuster maakte er een grote rouw en groot geween van.
"Ach, helaas!" zei zij, "zie hier een grote duisternis,
Nu de vader dood is van mijn beminde vriend;
Die mij moest leiden naar het land van eer, 300
Waar mijn vriend verblijft, met zijn frisse kleur:
De mooiste van deze wereld rondom en omstreken.
Helaas! Nooit heb ik hem gezien, ik ben in zo'n vurig verlangen
Dat ik er wel aan moet sterven; en ik zal het slechtste ervan hebben.
Ach! Esmerez, heer, van grote schoonheid de bloem;
Nooit zal ik u zien, geloof ik echt, op geen enkele dag:</poem>
|}<noinclude></noinclude>
1qurvn2snk1cicqkhvk5ylpsyqswy0k
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/64
104
87614
225415
224540
2026-08-24T07:52:16Z
Havang(nl)
4330
225415
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Et se je vous véoie, par le Dieu que j’aour,
« Ne me cognisteriés ; ne sariés le voirour
« De chou que je diroie de vostre chier signour,
« Qui vo corpz m’a promis, en joie et en baudour.
« Mais par celli Signeur, que je croi et aour,
« En le paine morrai, sans avoir nul retour :
« Ou je verrai vo corps et vo douche coulour,
« Vo douche pourtraiture, où je preng grant savour.
« Créature ne doit pas plaindre se labour,
« Pour bien moutepliier et gaingnier en honnour.
Eliénor, le belle, fu moult desconfortée.
Or oïés dont la belle, signour, s’est avisée :
·j· paintre demanda, qui fu de la contrée ;
·j· drap d’or li bailla, sans nulle demourée.
« Maistre, » dist le puchelle, « or oïés me pensée :
« Aïés mainte couleur chi endroit aprestée ;
« Dou miex que vous poez soit cascune ordenée ;
« Car je voeil qu’une histoire me soit par vous ovrée,
« Tèle com je dirai. Par moi ert devisée. »
« Dame, » ce dist li paintrez, « si soit com vous agrée. »
Dont a mainte couleur de fin or destemprée,
D’argent et de vernis en i ot mainte ouvrée,
Et d’asur et de geulez ; n’i espargna riens née.
Tant ouvra sus le draep et main et vesperée
Que li histoire i fu mise et encorporée
Telle que vous sera de par moi recordée.
Le traïson Gaufroit i fu premiers ouvrée,
Tout ensi qu’il vendi, par male destinée,
Roy Ernoul de Nimaye, à le gent deffaée :
Et sus cascun fait fu une lettre dictée,
Qui devisoit comment li coze estoit alée ;
Et toute le monnoie qui en fu présentée,
A Gaufroy le félon, d’or fin une navée.
Et quant la traïsons i fu bien devisée,
Et cascune personne par painture monstrée,
</poem>
|valign=top|
<poem>
En als ik u zou zien, bij de God die ik aanbid,
Zou u mij niet herkennen; u zou de waarheid niet weten
Van wat ik zou zeggen over uw dierbare heer,
Die mij uw lichaam beloofde, in vreugde en vrolijkheid. 310
Maar bij die Heer, die ik geloof en aanbid,
In de pijn zal ik sterven, zonder enige terugkeer:
Of ik zal uw lichaam zien en uw zachte kleur,
Uw zachte beeltenis, waarin ik groot behagen schep.
Een schepsel moet zijn arbeid niet beklagen,
Om het goede te vermenigvuldigen en in eer te winnen."
Eliénor, de schone, was zeer ontroostbaar.
Hoor nu wat de schone, heren, heeft bedacht:
Een schilder vroeg zij, die uit de streek was;
Een gouden doek gaf zij hem, zonder enig uitstel. 320
"Meester," zei het meisje, "hoor nu mijn gedachte:
Zorg dat u hier ter plekke menige kleur gereed hebt;
Van het beste dat u kunt, zij elk geordend;
Want ik wil dat er door u een geschiedenis wordt uitgewerkt,
Precies zoals ik zal zeggen. Door mij zal het worden ontworpen."
"Dame," zo sprak de schilder, "het zij zoals het u behaagt."
Toen heeft hij menige kleur met fijn goud aangelengd,
Van zilver en vernis was er menig werk,
En van lazuur en keel (rood); hij spaarde werkelijk niets.
Zoveel werkte hij aan het doek, ochtend en avond, 330
Dat de geschiedenis erin werd gezet en belichaamd
Zoals zij door mij aan u zal worden verteld.
Het verraad van Gaufroit werd er als eerste op uitgewerkt,
Precies zoals hij verkocht, door een slecht lot,
Koning Ernoul van Nijmegen aan het ongelovige volk:
En boven elke daad was een letter geschreven,
Die vertelde hoe de zaak was gegaan;
En al het geld dat hem werd aangeboden,
Aan Gaufroy de snoodaard, een scheepslading vol fijn goud.
En toen het verraad er goed op was afgebeeld,
En elk persoon door schilderkunst getoond,340</poem>
|}<noinclude></noinclude>
ayva55uisbhxhwgfnu13u743yd32vlj
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/65
104
87615
225416
224541
2026-08-24T07:55:11Z
Havang(nl)
4330
225416
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
I fist mètre la belle, qui ès chius est sauvée,
Comment elle tint le Roy, en sa cambre pavée ;
Et comment li bons Roys ly ons sa foi jurée
Qu’Esmeret li donroit, dont il fist engenrée.
Toute le couvenenche i fu par mos plantée :
Comment Eliénor le rechiut la journée,
Et comment elle dist qu’elle n’ert mariée
A nul homme vivant, tant éust renommée,
Fors au bel Esmeret à cui s’estoit vouée.
Et quant le couvenenche fu au drap eslevée,
Par ymaigez d’or fin, et par lettre dictée ;
Dont fist paindre le roy de Nimaye, la lée :
Comment il desconfi l’amiraut en mellée,
Dont au Rouge-Lion fu sa pas confremée ;
Comment il convoïa, en estraingne contrée,
Le tréut au Soudaen ; dont la beste dervée
Descendi jus du mont et en fist sa goulée.
Ensi fu ceste ystoire moult gentement ouvrée.
Et quant li drapz fu pains, et li oevre ordenée ;
Elle en donna le maistre, c’est véritez prouvée,
Tant qu’ains puis povreté il n’ot, en sa durée.
Car qui bon maistre sert, il a bonne saudée.
La belle Eliénor, qui tant estoit plaisans,
Ploïa moult gentement le drap, qui fu luisans.
·j· renoïés estoit, en le court repairans ;
Qui avoit esté nés au royame des Frans :
Ne s’i ozoit tenir, trop i fu mal faisans ;
Outre mer s’en ala, en le terre as Persans,
Et là renoïa Dieu, dont il fu bien mesquans.
Mainfrois avoit à non li cuivers soudoïans.
La belle qui estoit durement désirans
De venir à Nimaye, qui sus mer est séans,
Pour véoir Esmeret, qui estoit ses amans ;
Manda le renoïet, par ·j· de ses sergans.
Mainfrois i est venus, baus, lies et joïans.
</poem>
|valign=top|
<poem>
Liet de schone, die gered is, het erin zetten,
Hoe zij de Koning vasthield, in haar betegelde kamer;
En hoe de goede Koning haar zijn trouw had gezworen
Dat hij haar Esmeret zou geven, die hij had verwekt.
De hele overeenkomst was er met woorden op geplaatst:
Hoe Eliénor hem die dag ontving,
En hoe zij zei dat zij niet getrouwd zou worden
Met een levend mens, hoe beroemd hij ook was,
Behalve met de schone Esmeret aan wie zij zich had toegewijd. 350
En toen de overeenkomst op het doek was aangebracht,
Door beelden van fijn goud, en door geschreven letters;
Toen liet zij de koning van Nijmegen schilderen, de brede:
Hoe hij de admiraal versloeg in de strijd,
Waarom voor de Rode Leeuw zijn vrede werd bevestigd;
Hoe hij begeleidde, in een vreemd land,
De schatting aan de Sultan; waarvan het dolle beest
Van de berg afdaalde en zijn hap ervan nam.
Zo werd deze geschiedenis zeer edel uitgewerkt.
En toen het doek geschilderd was, en het werk geordend; 360
Gaf zij de meester ervan, dat is als waarheid bewezen,
Zoveel dat hij daarna in zijn leven geen armoede meer kende.
Want wie een goede meester dient, die krijgt een goed loon.
De schone Eliénor, die zo aangenaam was,
Vouwde heel netjes het doek op, dat glanzend was.
Een renegaat (geloofsverloochner) was er, die aan het hof verbleef;
Die geboren was in het koninkrijk der Franken:
Hij durfde zich daar niet op te houden, te veel kwaad had hij daar gedaan;
Overzee ging hij, naar het land van de Perzen,
En daar verloochende hij God, waardoor hij zeer boosaardig werd. 370
Mainfrois heette de laffe huurling.
De schone, die hevig verlangde
Om naar Nijmegen te komen, dat aan de zee gelegen is,
Om Esmeret te zien, die haar minnaar was;
Ontbood de renegaat, via een van haar sergeanten.
Mainfrois is daar gekomen, knap, blij en verheugd.</poem>
|}<noinclude></noinclude>
2xcfwa9b6ej3k4n03801aewwy43mi84
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/66
104
87616
225418
224542
2026-08-24T10:30:34Z
Havang(nl)
4330
225418
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Quant le belle le voit, lors le fu apellans :
« Mainfroy, d’ont estez-vous ? ne me soïés chélans. »
« Dame, je sui de Franche, le païs qui est grans.
« Moult est le miens corpz tristrez, courchiez et dolans,
« Quant je en sui bannis ; mais ne serai joïans. »
« Et qu’i avés-vous fait ? » dist la belle rians.
« Dame, une traïson, dont je sui repentans. »
« Traïson : » dist la dame, « si fustes nonsachans.
« Ne sai se plus vous die chou à coi sui pensans ?
« On dist que mortiers est adès les aux flarans.
« Mainfroy, » dist la Royne, « puis que pour traïson
« Estes bannis de Franche, le nobile roïon ;
« Jammais n’i ozeriés mettre pié ne talon ? »
« Dame, » ce dist Mainfrois, « se j’avoie à fuison
« Et or fin et argent, à ma devision,
« Tost r’aroie ma pais ; pour voir le vous dison.
« Argens est convoittiés, en nostre région :
« On feroit pour argent rescaper ·j· laron ;
« Et fust dessus l’esquille, au col ·j· caingnon.
« Et en ceste contrée n’en prent-on raenchon. »
« Mainfroy, » dist la Royne, « oïés m’entention :
« Mon conseil vous dirai, c’est en confession ;
« Se bien le me chélez, et aidiés au beson,
« A tous jours en sera miex vostre estration.
« J’aims, par delà le mer, ·j· jone danseillon ;
« Esmeret de Nimaye : fil Ernoul, le baron,
« Que li serpens mengua, n’a pas longue saison.
« S’Ernous éust vescut, que Diex fache pardon,
« Il m’éust, à Nimaye, menée en un dromon ;
« Et si m’éust donnet Esmeret à baron.
« Or le me prisa tant, en se régnation,
« Que si l’ai enamet, en ma condition,
« Que ne laroie mie, pour tout l’or Salemon,
« Ne pour toute l’onneur au roy Rouge-Lion,
« Que ne voise à Nimaye ; pour véoir le faichon
</poem>
|valign=top|
<poem>
Toen de schone hem zag, sprak zij hem aan:
"Mainfroy, van waar bent u? Verberg het mij niet."
"Dame, ik ben uit Frankrijk, het land dat groot is.
Mijn lichaam is zeer treurig, vertoornd en bedroefd, 380
Omdat ik eruit verbannen ben; maar ik zal niet blij zijn."
"En wat hebt u er gedaan?" vroeg de schone glimlachend.
"Dame, een verraad, waar ik berouw van heb."
"Verraad," zei de dame, "dan was u onwetend.
Ik weet niet of ik u meer moet zeggen over waar ik aan denk?
Men zegt dat de vijzel altijd naar knoflook ruikt.
Mainfroy," zei de Koningin, "aangezien u wegens verraad
Verbannen bent uit Frankrijk, het adellijke koninkrijk;
Zou u er nooit meer een voet of hiel durven zetten?"
"Dame," sprak Mainfrois, "als ik in overvloed had 390
Zowel fijn goud als zilver, tot mijn beschikking,
Zou ik gauw weer mijn vrede hebben; voorwaar zeg ik het u.
Geld wordt vurig begeerd in onze streek:
Men zou voor geld een dief laten ontsnappen;
Zelfs al stond hij op de ladder, met een strop om de hals.
En in deze streek neemt men er geen losgeld voor."
"Mainfroy," zei de Koningin, "luister naar mijn bedoeling:
Mijn geheim zal ik u vertellen, het is in de biecht;
Als u het goed voor mij verbergt, en helpt in de nood,
Zal uw toestand er voor altijd beter op worden. 400
Ik hou, aan de andere kant van de zee, van een jonge edelman;
Esmeret van Nijmegen: zoon van Ernoul, de baron,
Die de slang opat, nog niet zo lang geleden.
Als Ernous had geleefd, moge God hem vergiffenis schenken,
Zou hij mij naar Nijmegen hebben gebracht in een dromon (schip);
En dan zou hij mij Esmeret als echtgenoot hebben gegeven.
Nu prees hij hem zozeer aan mij aan, in zijn koninkrijk,
Dat ik hem zo lief heb gekregen, in mijn toestand,
Dat ik het helemaal niet zou laten, voor al het goud van Salomo,
Noch voor alle eer van de koning Rode Leeuw,
Om naar Nijmegen te gaan; om de gedaante te zien410</poem>
|}<noinclude></noinclude>
mfik5hoss2fcs62gjhal8gtapjn4s4p
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/67
104
87617
225419
224543
2026-08-24T10:34:02Z
Havang(nl)
4330
225419
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« De mon loïal amit, car je n’aims se li non :
« Ne jà n’arai signour, par nésun occoson,
« Fors le bel Esmeret ; de mon corpz li fai don.
« Or voeil que m’i menez, à bien courte saison ;
« Et je ferai emplir d’avoir ·j· plain dromon,
« De coi si largement vous donrai vo parchon,
« Que bien r’arez vo pais, au royame Charlon.
« S’arez, de remanant, assez et à foison. »
« Dame, » ce dist Mainfrois, « ne dites se bien non ;
« Et je vous conduirai, sans nulle traïson. »
« Mainfrois, chélez ce fait ; n’en parlés s’à moi non. »
« Nenil, » ce dist Mainfrois, « ne aïés souspechon. »
Puis a dit coiement, qu’oïr ne le poet-on :
« Je le vous célerai, si ait m’ame pardon,
« Tout ensi que li prestres voelt céler son sermon. »
Oïés de la Royne, dont elle s’avisa :
A ·j· franc maronnier la dame s’acointa,
Se nef li fist emplir du grant trézor qu’elle a ;
A loy de marchéant se vesti et para.
D’avoir et de riquèches le vaissel bien querqua :
Couronnes et capiaus et affiques i a ;
Et pières précieuses et perles qu’elle ama ;
Or et argent, en plates ; et son drap n’oublia.
As estoiles du chiel dedens le nef entra :
O li estoit Mainfrois, qui moult biel la parla.
Li maronnierz s’esquipe, qui moult très bien cuida
Que fust ·j· marchéans, qui en sa nef entra ;
Se li a demandet où arriver vaurra ?
Et elle li a dit : « vers Frize, au lez de là. »
Et dist li maronnierz : « si soit com vous plaira.
En mer vont esquipant, et li vens les mena :
Tost furent eslongiet, quant li vens se leva.
Mainfrois sist lez la dame, qui moult le convoita ;
Car c’estoit le plus bèle qu’onques nulz engenra.
Si dist à soi-meisme, s’il poet, qu’il averra
</poem>
|valign=top|
<poem>
Van mijn trouwe vriend, want ik hou van niemand behalve van hem:
En nooit zal ik een heer hebben, om geen enkele reden,
Behalve de schone Esmeret; aan hem geef ik mijn lichaam.
Nu wil ik opdat u mij erheen leidt, binnen zeer korte tijd;
En ik zal een hele dromon met bezit laten vullen,
Waarvan ik u zo rijkelijk uw deel zal geven,
Dat u wel uw vrede zult terugkrijgen, in het koninkrijk van Karel.
En u zult van de rest genoeg en in overvloed hebben."
"Dame," sprak Mainfrois, "u zegt louter goeds; 420
En ik zal u geleiden, zonder enig verraad."
"Mainfrois, verberg deze daad; spreek er niemand over dan met mij."
"Welnee," sprak Mainfrois, "heb geen achterdocht."
Toen zei hij stilletjes, zodat men het niet kon horen:
"Ik zal het voor u verbergen, zo helpe mij mijn ziel,
Precies zoals de priester zijn preek wil verbergen."
Hoor over de Koningin, wat zij bedacht:
Met een eerlijke zeeman maakte de dame kennis,
Zijn schip liet zij vullen met de grote schat die zij heeft;
Als een koopman kleedde en tooide zij zich. 430
Met bezit en rijkdommen laadde zij het vaartuig goed:
Kronen en hoeden en gespen waren er;
En edelstenen en parels waar zij van hield;
Goud en zilver, in platen; en haar doek vergat zij niet.
Bij de sterren van de hemel ging zij het schip in:
Bij haar was Mainfrois, die zeer mooi tot haar sprak.
De zeeman vaart uit, die heel goed dacht
Dat het een koopman was, die in zijn schip kwam;
Dus vroeg hij haar waar zij wilde aankomen?
En zij zei hem: "Richting Friesland, aan die kant daar." 440
En de zeeman zei: "Het zij zoals het u behaagt."
Op zee varen zij uit, en de wind nam hen mee:
Gauw waren zij ver weg, toen de wind opstak.
Mainfrois zat naast de dame, die hij zeer begeerde;
Want het was de mooiste die ooit iemand verwekte.
Dus zei hij bij zichzelf, dat als hij kon, hij zou verkrijgen</poem>
|}<noinclude></noinclude>
59n25ug38zw29udzqkuqv9tak63mgbb
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/68
104
87618
225420
224574
2026-08-24T10:34:30Z
Havang(nl)
4330
225420
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
L’amour de la pucelle, qui tant de biauté a :
Ensi dist li léchièrez, qu’onques bien ne pensa.
Puis c’uns homs est traitrez, jammais bien ne fera ;
Et si sera chius folz, qui puis s’i fiera :
Car c’est ·j· rains de murdre, que jà Diex n’amera ;
Et Diex het tous traitres, jà ne les sauvera,
Pour l’amour de Judas, qu’en baisant le livra,
Se par confession repentanche n’a.
Or s’en va la Royne, parmi le mer à nage,
Forment va désirant le terre et le rivaige :
Qu’elle voie Nimaye dont haut sont li muraige.
Mais ains qu’elle le voie, ara au cuer grant rage ;
Car li lèrez Mainfrois li cache son dammaige.
Au maronnier s’en vint, qui fu fiex d’un aufaige,
« Amis, » che dist Mainfrois, « or oïés mon langage :
« ·j· marchéant cuidiez mener, en vostre barge,
« Mais ce n’est mie ·j· homs, plains estez de folage :
« Car je vous jur sour Dieu, qui maint en haut estage,
« Qu’en ceste nef avons le plus très douche ymage
« Qu’on porroit point trouver dès-si jusqu’en Cartage.
« Che est Eliénor, le courtoise et le saige,
« Soer au Rouge-Lion, qui tient grant héritage.
« A Nimaye s’en voelt aler, sans demourage ;
« Sachiés que la Royne i cache mariage :
« Elle ayme ·j· damoisiel, qui est de haut linage ;
« Mais plus sommes mesquant que gent de nul servage,
« Que de li ne prendons tout premiers no pasquage.
« Il me convient avoir de li le puchelage :
« Or me voelliés aidier, de coer et de corage ;
« Et s’avoir puis des pois, part arés au potage.
Quant li maronnierz a tous les mos entendus
Que c’est Eliénor ; moult fu ses cuers confus.
Si a dit à Mainfroy : « moult seroit biaus li jus,
« Se cascuns pooit estre ses amis et ses drus ;
« Alez parler à li et si n’atargiez plus. »
</poem>
|valign=top|
<poem>
De liefde van het meisje, dat zoveel schoonheid heeft:
Zo sprak de schurk, die nooit aan iets goeds dacht.
Aangezien een man een verrader is, zal hij nooit goed doen;
En die man zal een dwaas zijn, die hem daarna zal vertrouwen:
Want het is een tak van moord, waar God nooit van zal houden; 450
En God haat alle verraders, Hij zal hen nooit redden,
Vanwege de liefde voor Judas, die Hem met een kus verraadde,
Tenzij hij door biecht berouw toont.
Nu reist de Koningin, over de zee varend,
Hevig verlangend naar het land en de oever:
Dat zij Nijmegen mag zien waarvan de muren hoog zijn.
Maar voordat zij het ziet, zal zij in haar hart grote woede hebben;
Want de dief Mainfrois verbergt haar haar nadeel.
Naar de zeeman toe kwam hij, die de zoon van een schipper was,
"Vriend," sprak Mainfrois, "hoor nu mijn taal: 460
Een koopman dacht u te leiden, in uw bark,
Maar het is helemaal geen man, u bent vol dwaasheid:
Want ik zweer u bij God, die in het hoge verblijf woont,
Dat wij in dit schip de allerzachtste beeltenis hebben
Die men ooit zou kunnen vinden van hier tot aan Carthago.
Dit is Eliénor, de hoofse en de wijze,
Zuster van de Rode Leeuw, die een groot erfdeel bezit.
Naar Nijmegen wil zij gaan, zonder uitstel;
Weet dat de Koningin daar een huwelijk zoekt:
Zij houdt van een jonker, die van hoog geslacht is; 470
Maar wij zijn slechter dan volk van welke dienstbaarheid ook,
Als wij van haar niet allereerst onze tol nemen.
Het is mij passend om van haar de maagdelijkheid te hebben:
Nu moet u mij helpen, met hart en moed;
And als ik er voordeel uit kan halen, zult u delen in de winst."
Toen de zeeman alle woorden begrepen had
Dat het Eliénor is; was zijn hart zeer verward.
Dus zei hij tegen Mainfroy: "Zeer mooi zou het spel zijn,
Als ieder haar vriend en haar minnaar kon zijn;
"Ga met haar praten en aarzel niet langer"480</poem>
|}<noinclude></noinclude>
3cy4ph1f11agsp4b7238nxysh7dz449
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/69
104
87619
225421
224546
2026-08-24T10:36:52Z
Havang(nl)
4330
225421
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Adont est li traïtrez à le belle venus ;
De Dieu, et de sa mère, li a fait biaus salus.
« Mainfrois, » dist la puchelle, « vous soïés bien venus. »
« Belle, » ce dist li lèrez, « mon cuer avez repus,
« Il est avoec le vostre vraiement embatus.
« Certez, sé vous volez, je sui mors et perdus ;
« Et s’il vous plaist, amie, je serai secourus. »
« Comment ! » ce dist la belle, « qu’est-ce à dire au sourplus ?
« Belle, » ce dist Mainfrois, « à vous me sui rendus
« Et cuer et vie et corps ; et sui tous pourvéus
« De vo gent corpz servir, qui tant est esléus.
« Soïés le miène amie, et je serai vos drus :
« Si menons gaie vie ! chi ne nous verra nulz. »
« Mainfrois, » dist la royne, « encor seras pendus !
« Ensi me veux traïr, comme Diex fu vendus.
« Je me fioie en toi, mais tu es maus scéurz. »
Adont li maronnierz li dist : « levez-vous sus !
« J’arai le vostre amour, tels est li miens argus. »
Tout doy l’ont acolet. Mais elle sali sus ;
A deus tirans a deus si grans horions frus,
Que cescuns a ·vj· dens de la geule ronpus.
Et leur dist « fel traïtrez, car vous traïés en sus !
« Tout ·ij· vous ferai pendre, sé vous en parlez plus. »
« Elas ! » ce dist Mainfrois, « or sui bien confondus.
« Maistres, que ferons-nous ? nos dens avons pierdus.
« Et dist li maronniers : « ensi m’aït Cahus,
« Elle a fait grant aumoisne qu’elle nous a batus. »
Eliénor, la belle, s’escria hautement :
« Fel traïtrez, » dist-elle, « li corpz Dieu vous cravent,
« Quant requise m’avez si très villainement !
« Mainfrois, pendus seras, je le t’ai en couvent ;
« Sé Diex sauve ma vie, tant et si longement
« Que je voie Esmeret, à qui Nimaye apent. »
« Dame, » che dist Mainfrois, « laissiés ce parlement :
« Car, par le foy que doi au Père omnipotent,
</poem>
|valign=top|
<poem>
Toen is de verrader naar de schone toe gekomen;
Van God, en van Zijn moeder, bracht hij haar mooie groeten.
"Mainfrois," zei het meisje, "u bent welgekomen."
"Schone," sprak de dief, "mijn hart hebt u gestolen,
Het is met het uwe waarlijk verbonden.
Zeker, als u wilt, ben ik dood en verloren;
En als het u behaagt, vriendin, zal ik geholpen worden."
"Hoe!" sprak de schone, "wat betekent dat bovendien?"
"Schone," sprak Mainfrois, "aan u heb ik mij overgegeven,
Zowel hart als leven als lichaam; en ik ben geheel bereid490
Om uw edele lichaam te dienen, dat zo uitgelezen is.
Wees mijn vriendin, en ik zal uw minnaar zijn:
Zo leiden we een vrolijk leven! Hier zal niemand ons zien."
"Mainfrois," zei de koningin, "je zult nog opgehangen worden!
Zo wil je mij verraden, zoals God werd verkocht.
Ik vertrouwde op jou, maar je bent slecht betrouwbaar."
Toen zei de zeeman tegen haar: "Sta op!
Ik zal uw liefde hebben, zo is mijn eis."
Beiden hebben haar omhelsd. Maar zij sprong op;
Aan de twee tirannen gaf zij twee zulke grote klappen,500
Dat ieder zes tanden uit de mond had gebroken.
En zij zei tegen hen: "Vuile verraders, ga weg van hier!
Ik zal u allebei laten ophangen, als u er nog meer over spreekt."
"Helaas!" sprak Mainfrois, "nu ben ik wel beschaamd.
Meester, wat zullen we doen? Onze tanden zijn we kwijt."
En de zeeman zei: "Zo helpe mij Cahus,
Zij heeft een grote aalmoes gedaan dat zij ons geslagen heeft."
Eliénor, de schone, riep luidkeels:
"Vuile verrader," zei zij, "moge het lichaam van God u verpletteren,
Wanneer u mij zo schandelijk hebt benaderd!500
Mainfrois, opgehangen zul je worden, ik beloof het je;
Als God mijn leven spaart, zo lang en zo overvloedig
Dat ik Esmeret zie, aan wie Nijmegen toebehoort."
"Dame," sprak Mainfrois, "laat dit gesprek achterwege:
Want, bij de trouw verschuldigd aan de almachtige Vader,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
02bjrsr80lmaxaijhqen9opj1rftvrh
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/70
104
87620
225422
224548
2026-08-24T10:38:19Z
Havang(nl)
4330
225422
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Pour vous à esprouver fu cest assaiëment ;
« Et pour vo loyauté savoir parfaitement. »
« Mainfrois, » dist la royne, « pendus soit qui en ment.
« Ensément dist renars, par le mien sérement,
« Quant il ne pot avoir du fruit qu’à l’arbre pent. »
Pour chou que la royne si bien se deffendi,
L’ont laissié chil coie nulz ne li mésoffri.
Ensément sé la dame, quant elle a son mari,
Et on le vient requerre dou haut don de merchi ;
S’ensi se deffendoit, jà n’aroit nul ami :
Car doy font plus d’ouvraige c’un seus à-par-li.
De chou je me tairai, n’en afiert plus à mi ;
Mais pour le bien à mettre che mot je vous en di.
Par mer s’en vont nagant. La dame, au corpz joli,
Prie Dieu, bien souvent, qu’il ait de li merchi ;
Et qu’à droit port viègne, au païs signouri,
Où elle puist véoir cellui qu’elle ayme si :
Esmeret de Nimaye, au corage hardi.
Mais en le mer trouvèrent, droit par ·j· sammedi,
Les robéours de mer, à chou que dire oï ;
Et furent bien ·xl· armet et fervesti.
La nef Eliénor briefment ont assali ;
Et quant Mainfrois vit chou, très bien se deffendi ;
Si fist li maronniers, mie ne s’i faindi.
Et quant Eliénor le bataille coisi,
Elle s’agenoulla, si pria Dieu merchi,
Et dist : « dous Jhésu-Cris, qui pour nous mort souffri,
« Car ne consentés jà que mes corpz muire chi ;
« Si soie baptisie, en ·j· fons bénéi,
« Et voie Esmeret, le damoisel nouri,
« Et jéut une nuit, sans plus, d’encoste li.
« Je l’ai bien acaté, le damoisel genti ;
« Et si ne l’arai jà, dont c’est mesquiés pour mi !
« Mais on acate bien, je l’ai piècha oï,
« Tel coze c’on n’a mie : bien le voi avéri.
</poem>
|valign=top|
<poem>
Om u te beproeven was deze beproeving bedoeld;
En om uw trouw volkomen te weten."
"Mainfrois," zei de koningin, "opgehangen zij degene die liegt.
Precies zo sprak de vos, bij mijn eed,
« Net zo sprak de vos, bij mijn eed,
« Toen hij de vrucht niet kon krijgen die aan de boom hangt. » (520)
Omdat de koningin zich zo goed verdedigde,
Lieten die mannen haar met rust, niemand deed haar kwaad.
Net zo gedraagt de dame zich wanneer ze haar echtgenoot heeft,
En men haar komt smeken om de grote gunst van genade;
Als ze zich zo zou verdedigen, zou ze nooit een vriend hebben:
Want twee verrichten meer werk dan één alleen.
Hierover zal ik zwijgen, het gaat mij niet meer aan;
Maar om het goede te benadrukken, zeg ik u dit woord.
Over zee varen zij voort. De dame, met haar schone gestalte,
Bidt God heel vaak dat Hij haar genadig zij; (530)
En dat zij in de juiste haven aankomt, in het adellijke land,
Waar zij degene kan zien die zij zo liefheeft:
Esmeret van Nijmegen, met zijn dappere hart.
Maar op zee troffen zij, precies op een zaterdag,
De zeerovers aan, naar wat ik heb horen zeggen;
En zij waren wel met veertig man gewapend en bekleed met ijzer.
Het schip van Eliénor hebben zij snel aangevallen;
En toen Mainfrois dit zag, verdedigde hij zich zeer goed;
Dat deed ook de zeeman, geen van beiden hield zich in.
En toen Eliénor het gevecht opmerkte, (540)
Knielde zij neer en smeekte God om genade,
En zei: « Zoete Jezus Christus, die voor ons de dood leed,
« Sta toch nooit toe dat mijn lichaam hier sterft;
« Laat mij gedoopt worden in een gezegend vont,
« En laat mij Esmeret zien, de jonge edelman,
« En één nacht, niet meer, aan zijn zijde liggen.
« Ik heb hem duur gekocht, de edele jongeling;
« En toch zal ik hem nooit hebben, wat een groot ongeluk voor mij is!
« Maar men koopt wel vaker, zo heb ik allang gehoord,
« Iets wat men uiteindelijk niet bezit: ik zie dat nu bewaarheid worden. » (550)
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
mc8htvdw2hbgxt30kdya33r4gwf72ah
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/71
104
87622
225423
224551
2026-08-24T11:22:56Z
Havang(nl)
4330
225423
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Moult fu Eliénor dolante et courechie,
Quant des robéours vit assalir sa navie.
A Mainfroy, le glouton, ont-il tollut la vie ;
Et pris le maronnier s’ont la belle saisie.
Dont dist li maronnierz : « biau signour, je vous prie
« Gardez que ceste dame ne soit point atouquie ;
« Car comment qu’elle soit si faitement vestie,
« A loy de marchéant ensi appareillie,
« N’a si belle pucelle, dès-si qu’en Picardie :
« Soer au Rouge-Lion qui tant a signourie. »
Li maistres des larons a le nouvelle oïe.
A la Royne vint ; si l’a très bien vestie
A loy de damoiselle par le corpz saint Elye,
N’ot plus belle pucelle, jusqu’as pors de Surie.
Lors li dist : « damoisielle, par le corpz saint Elye,
« Bien cuig que vous soiiés voir la Vierge-Marie ;
« Onques plus douche ymage je ne vi, en ma vie ;
« Pour déchevoir tous cuerz fustez faite et taillie :
« Or voel que vous soiiés et ma femme et ma mie. »
« Sire, » dist la pucelle, « par foy et je l’otrie,
« A le fin que je soie levée et baptisie :
« Faitez de moi vo gré, ne vous escondi mie ;
« Eureuze seroie, se m’aviés nochie. »
Quant li maistres l’entent, s’en mainne chière lie ;
Douchement l’acola, et celle s’umilie :
Car boin fait ·j· seul piet reculer, à le fie,
Pour salir plus avant ; che n’est mie folie.
« Belle, » ce dist li maistrez, « or ne me célez mie
« Où volez arriver, ni en quelle partie ? »
Quant la dame l’entent, ·j· poi s’est ocoisie ;
Adonques s’avisa, la Royne jolie,
D’un tour assez subtil, dont elle fu moult lie :
Car elle en fera pendre toute le compaingnie.
Oïés dont la pucelle, biau signour, s’avisa :
Au maistre des larons le danselle pria
</poem>
|valign=top|
<poem>
Zeer bedroefd en vertoornd was Eliénor,
Toen zij de zeerovers haar vloot zag aanvallen.
Mainfroy, de schurk, hebben zij van het leven beroofd;
En nadat ze de zeeman gepakt hadden, grepen ze de schone dame.
Toen zei de zeeman: « Schone heren, ik bid u,
« Zorg dat deze dame geenszins wordt aangeraakt;
« Want hoe zij ook op deze wijze gekleed mag gaan,
« Uitgedost naar de mode van een koopman,
« Er is geen mooiere maagd tot aan Picardië:
« Zij is de zuster van de Rode Leeuw, die zoveel heerschappij bezit. » (560)
De meester der dieven hoorde dit nieuws.
Hij ging naar de koningin; en hij heeft haar zeer goed gekleed
Als een jonge dame, bij het lichaam van de heilige Elias,
Er was geen mooiere maagd tot aan de havens van Syrië.
Toen zei hij tot haar: « Jongedame, bij het lichaam van de heilige Elias,
« Ik geloof werkelijk dat u de Maagd Maria bent;
« Nooit in mijn leven heb ik een lieflijker gestalte gezien;
« U bent gemaakt en gevormd om alle harten te verleiden:
« Nu wil ik dat u zowel mijn vrouw als mijn geliefde bent. »
« Heer, » zei de maagd, « bij mijn trouw, ik stem erin toe, (570)
« Mits ik ten doop gedragen en gedoopt word:
« Doe met mij wat u wilt, ik weiger u geenszins;
« Gelukkig zou ik zijn als u met mij zou trouwen. »
Toen de meester dit hoorde, toonde hij een vrolijk gezicht;
Lieflijk omhelsde hij haar, en zij stelde zich nederig op:
Want het is goed om soms één enkele voet achteruit te wijken,
Om daarna verder vooruit te springen; dat is allerminst dwaasheid.
« Schone, » zei de meester, « verberg mij nu niet
« Waar u wilt aankomen, of in welk gewest? »
Toen de dame dit hoorde, zweeg zij een kort moment; (580)
Vervolgens bedacht de schone koningin
Een zeer listige streek, waar ze erg blij mee was:
Want ze zal de hele bende daardoor laten ophangen.
Hoor hoe de maagd, schone heren, een plan bedacht:
De jonge dame vroeg aan de meester der dieven
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
b4jtynahlsbyihszbk4ey7znuca1jc2
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/72
104
87623
225424
224552
2026-08-24T11:25:48Z
Havang(nl)
4330
225424
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
{{iwpage|fr}}
</poem>
|valign=top|
<poem>
Of hij in Friesland wilde aanmeren; en hij stemde daarin toe.
Ze hebben hun zeilen gehesen, en de wind stak op:
Al snel waren ze aan land, geleid door de wind.
Bij een stad in Friesland, die Luzarche werd genoemd,
Kwamen de dieven aan, want daar was de haven: (590)
Al het bezit uit hun schip werd daar uitgeladen;
Zeer groot was de buit die de meester had geroofd.
« Heer, » zei de maagd, « luister naar wat men u zegt:
« Verkoop al dit bezit en alles wat er is,
« Want mijn lichaam zal nooit in dit land blijven;
« Het is een te vuil land, en er wonen lelijke mensen;
« Naar het koninkrijk Frankrijk zullen wij moeten gaan. »
En de meester antwoordt dat hij haar wil zal doen.
Zo zal wie een vrouw gelooft, bedrogen uitkomen:
Want geen enkele sterfelijke man kan zich zo behoeden (600)
Dat hij niet bedrogen wordt, als een vrouw dat wil.
Wie op een vrouw vertrouwt, althans op dat soort vrouwen,
Behoudt maar weinig van het zijne als hij haar gelooft:
Een vrouw weet te misleiden met schone woorden;
Wanneer ze met de man heeft gedaan wat ze maar wilde,
En hem zo heeft uitgekleed dat er niets meer over is,
Keert ze hem de rug toe en gaat naar een ander.
Op advies van de schone met het stralende gezicht,
Al de geroofde schatten, waarvan er in overvloed waren, (610)
Liet de meester naar een huis brengen:
Bekers, kroezen, kronen, van puur goud zonder koper;
Karbonkels, gespen van zeer nobel handwerk,
En edelstenen en befaamde parels;
Op een hoge tafel stalden de dieven alles uit.
Hoor over de maagd, die Eliénor heette.
Zij ontvouwde een doek en riep een knecht:
« Vriend, span deze doek, om Gods wil en in Zijn naam,
« Tegen die hoge muur, zodat men hem kan zien;
« Wij zullen er wel twintig pond voor krijgen als ons aandeel. »
En hij antwoordde: « Zoals u beschikt. »(620)
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
sfsyxbw2g2k6kwkqvuj48i44zre2hnf
225425
225424
2026-08-24T11:26:29Z
Havang(nl)
4330
225425
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Qu’arriver voelle en Frise ; et chius li acorda.
Dréchiés ont leur voilez, et li vens s’i bouta :
Tost furent en le terre, puis que li vens i va.
A une ville en Frize, que Luzarche on clama,
Arrivent li laron ; car li pors estoit là :
Tout l’avoir de luer nef illeuc on desquerqua ;
Moult fu grans li avoirs, que li maistres roba.
« Sire, » dist le puchelle, « oïés c’on vous dira :
« Vendez tout cest avoir et quanques il i a,
« Car jà en cest païs mes corpz ne demourra ;
« Trop est ·j· ors païs, et laide gent i a ;
« Ou royame de Franche aler nous convenra. »
Et li maistrez respont que son voloir fera.
Ensement qui croit femme déchéus en sera :
Car jà nulz homs morteus si ne se gardera
Qui ne soit déchéus, puisque femme vaurra.
Chius qui se fie en femme, de tellez qu’il i a,
Il a petit au sien, puisque il le créra :
Femme scet déchevoir, par biaus parlerz qu’elle a ;
Quant elle a fait de l’homme tout chou qu’elle vorra,
Et elle l’a minet, si bien que riens n’i a,
Dont li tourne le dos, à ·j· autre s’en va.
Par le conseil la bielle, qui clère ot le fachon,
Fist li maistres porter dedens une maison
Tout l’avoir desrobet, dont il i ot foison :
Coupez, hannaz, couronnez, de fin or sans laiton ;
Escarbouclez, afiques, de très noble faichon ;
Et pièrez précieusez et perles de renon ;
Sus une haute table ont tout mis li laron.
Oïés de la pucelle, qu’Eliénor ot non.
Le drap a desploiet, s’apella ·j· garchon :
« Amis, tendez ce drap, pour Dieu et pour sen non,
« Encontre che haut mur, si que vir le puist-on ;
« Nous en arons ·xx· livrez, en le nostre parchon. »
Et chius a respondut : « à vo devision. »
</poem>
|valign=top|
<poem>
Of hij in Friesland wilde aanmeren; en hij stemde daarin toe.
Ze hebben hun zeilen gehesen, en de wind stak op:
Al snel waren ze aan land, geleid door de wind.
Bij een stad in Friesland, die Luzarche werd genoemd,
Kwamen de dieven aan, want daar was de haven: (590)
Al het bezit uit hun schip werd daar uitgeladen;
Zeer groot was de buit die de meester had geroofd.
« Heer, » zei de maagd, « luister naar wat men u zegt:
« Verkoop al dit bezit en alles wat er is,
« Want mijn lichaam zal nooit in dit land blijven;
« Het is een te vuil land, en er wonen lelijke mensen;
« Naar het koninkrijk Frankrijk zullen wij moeten gaan. »
En de meester antwoordt dat hij haar wil zal doen.
Zo zal wie een vrouw gelooft, bedrogen uitkomen:
Want geen enkele sterfelijke man kan zich zo behoeden (600)
Dat hij niet bedrogen wordt, als een vrouw dat wil.
Wie op een vrouw vertrouwt, althans op dat soort vrouwen,
Behoudt maar weinig van het zijne als hij haar gelooft:
Een vrouw weet te misleiden met schone woorden;
Wanneer ze met de man heeft gedaan wat ze maar wilde,
En hem zo heeft uitgekleed dat er niets meer over is,
Keert ze hem de rug toe en gaat naar een ander.
Op advies van de schone met het stralende gezicht,
Al de geroofde schatten, waarvan er in overvloed waren, (610)
Liet de meester naar een huis brengen:
Bekers, kroezen, kronen, van puur goud zonder koper;
Karbonkels, gespen van zeer nobel handwerk,
En edelstenen en befaamde parels;
Op een hoge tafel stalden de dieven alles uit.
Hoor over de maagd, die Eliénor heette.
Zij ontvouwde een doek en riep een knecht:
« Vriend, span deze doek, om Gods wil en in Zijn naam,
« Tegen die hoge muur, zodat men hem kan zien;
« Wij zullen er wel twintig pond voor krijgen als ons aandeel. »
En hij antwoordde: « Zoals u beschikt. »(620)
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
lnjw9kei2byo6fmd4xg82lrj6auehgu
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/331
104
88098
225386
225281
2026-08-23T18:47:11Z
Havang(nl)
4330
225386
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Qu’il ne scet qu’il voelt dire, né quel raison i a.
Polibans sot Fransois, car on le doctrina :
·j· renoiés de Franche ·vij· ans i demora,
Qui li aprist Fransois, si que bel en parla.
Lors dist à Bauduin, qu’iloeques l’amena ?
« Sire, » dist Bauduins, « et on le vous dira :
« ·j· hons sui d’aventure, qui par le païs va.
« ·j· vens etj. orages en le mer me leva,
« Qui en cheste partie mon vassiel arriva ;
« Mi compaignon noïrent, et mes corps esquapa
« En une yle déserte, où homme n’abita ;
« Si aleit ·vj· journés tant que mes corps vint chà.
« En ·iij· jour mon corps point de pain ne gousta :
« Quant je vi cheste ville mes coers s’esléécha,
« Pour avoir à mengnier, mais trop mal m’i ala ;
« N’i trouvai l’uis ouvert à hostel qui fuit chà,
« N’onkes i vi persone né dechà, né delà.
« Ne maint nus chi-endroit ? or ne me chelés já,
« Ou cha esté mourtores qui tous ochis les a ? »
Quant Polibans l’oï, adont li recorda
Pourcoi par le cité homme, né femme, ne va.
Le cause li respont, que riens ne lui chéla,
Et le loy, et l’usaedge, telle c’on le tint là.
Quant Bauduins l’entent, forment s’esmerveilla ;
Si dist : « maudis soit chius qui tel loy estora,
« Né qui onques i cruut, né qui jà i créra !
« Païens, » dist Bauduins, qu’à Sebourc fu nouris,
« De che que vous créés sui forment esbahis :
« Qui faites ensément tuer vous bons nouris,
« Par, coi, en l’autre siècle, soit vous parens servis ;
« Puis le faites ardor et ses vairs, et ses gris,
« Par coi, en l’autre siècle, il en soit revestis ;
« Puis li faites tuer palefrois, et ronchis,
« Par coi, en l’autre siècle, soit montés et jolis.
« C’est trop fole créanche ; pis valés que Juïs ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
Dat hij niet weet wat hij bedoelt, noch wat de reden is.
Polyban kende het Frans, want men had het hem geleerd:
Een {{SIC|renegaat|geloofsafvallige}} uit Frankrijk verbleef er zeven jaar,
Die hem Frans leerde, zodat hij het mooi sprak.
Toen zei hij tegen Boudewijn, wat hem daarheen bracht?
“Heer,” zei Boudewijn, “en men zal het u vertellen:
Ik ben een avonturier, die door het land trekt.
Een wind en een storm op de zee stak op,
Die mijn schip in deze streken deed belanden;
Mijn metgezellen verdronken, en mijn lichaam ontsnapte140
Op een onbewoond eiland, waar geen mens leefde;
Zo heb ik zes dagen gereisd totdat ik hier aankwam.
In drie dagen heeft mijn lichaam geen hap brood geproefd:
Toen ik deze stad zag, verheugde mijn hart zich,
Om te kunnen eten, maar het verging me er zeer slecht;
Ik vond hier bij geen enkele herberg de deur open,
Noch zag ik er ooit een mens, van hier tot ginder.
Woont hier niemand in de buurt? Verberg het nu niet voor mij,
Of is hier een slachting geweest die hen allen heeft gedood?”
Toen Polyban dat hoorde, herinnerde hij hem er toen aan150
Waarom er door de stad geen man of vrouw gaat.
De oorzaak antwoordt hij hem, waarbij hij niets voor hem achterhield,
En de wet, en het gebruik, zoals men dat daar handhaafde.
Toen Boudewijn dat hoorde, verbaasde hij zich ten zeerste;
En zei: “Vervloekt zij degene die zo'n wet heeft ingesteld,
Noch die er ooit in geloofde, noch die er ooit in zal geloven!
Heidenen,” zei Boudewijn, die in Sebourc was opgegroeid,
“Over wat u gelooft ben ik ten zeerste ontsteld:
Dat u op die wijze uw goede dienaren laat doden,
Opdat, in het hiernamaals, uw verwanten worden gediend;160
Vervolgens laat u hem verbranden met al zijn bonte pelskleed,
Opdat hij, in het hiernamaals, ermee gekleed zal gaan;
Vervolgens laat u zijn rijpaarden en lastpaarden doden,
Opdat hij, in het hiernamaals, gezeten te paard en vrolijk zal zijn.
Dat is een te dwaas geloof; minder waard dan het judendom;
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
3m2235hjeszfbx99qk40szakq2zwyr4
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/335
104
88102
225387
225285
2026-08-23T18:47:56Z
Havang(nl)
4330
225387
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Il vesti l’aqueton, de soie fu ouvrés ;
Et un riche auberc li fu ou dos getés ;
Unes plates d’achier lacha par ches costés ;
Et chaindi bonne espée, dont li brans fu létrés ;
Espoy, miséricorde, chaindi à l’autre lés ;
Cauches de fer caucha, et esporons dorės.
Tost et isnèlement est ou chevael montés,
Puis pendi son blason, qu’à son col fu posés ;
Et a mis li hyaume, quant il fu adobeis ;
Puis a saisi le lanche dont li fers fuit quarés ;
Et dist à Bauduin : « vassaus, or en venés !
« Jamais ne mengerai tant que serés tués ! »
« Par Dieu, » dist Bauduins, « dont juérés assés. »
Polibans de Falise point ne s’i aresta,
Il a dit à ches hommes : « savés comment il va ;
« Je sui tout esbahis pourchou chius vassaus a
« Empris à moi bataille, nulle arméure n’a.
« Or ne sai, biau ségnour, sé il me tuera ;
« Mais ensamble vou pri que vous aportés cha
« Chevaus, et arméures, et quanques men corps a
« De dras et des joïaus ; si c’on les ardera,
« Si tost que chius vassaus ichi tuet m’ara.
« Si me dites aussi qu’o moi morir vaura,
« Qui dedens l’autre chiècle compaignier me venra ?
« Si tost que serai mors, le chies on leur tourra ;
« Par coi en l’autre chiècle point ne m’anoierra. »
Là en i ot ·ije· dont cascuns s’escria :
« Nous morons volentiers, quant vo corps mors sara ! »
Quant Bauduins les oit, grant joie en démena,
Et puis de le pichiet tenrement souspira :
« Hé ! » dist Bauduins, « Diex ! quel païs est-che chà ?
« Or sont ses gens perdues, Diex obliés les a !
« Mais sé puis esploter, mes corps les métera
«En plus vraie créance qu’il n’ont esté pièche a. »
Au dehors de Falise Polibans le mena ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
Hij trok het wambuis aan, dat van zijde gemaakt was;
En een rijke hauberk werd hem op de rug geworpen;
Stalen platen reeg hij vast aan zijn zijden;
En hij omgordde een goed zwaard, met een inscriptie op de kling;
Een dolk voor de genadestoot, omgordde hij aan de andere zijde;
IJzeren kousen trok hij aan, en gouden sporen.
Snel en gezwind is hij op het paard gestegen,
Toen hing hij zijn blazoen om, dat aan zijn hals werd geplaatst;
En hij heeft de helm opgezet, toen hij uitgerust was;
Toen greep hij de lans waarvan het ijzer vierkant was;280
En zei tegen Boudewijn: “Vazal, kom nu maar op!
“Nooit zal ik eten totdat jij gedood bent!”
“Bij God,” zei Boudewijn, “dan zult u genoeg vasten.”
Polybant van Falise aarzelde geen moment,
Hij zei tegen zijn mannen: “Jullie weten hoe het ervoor staat;
“Ik ben geheel verbijsterd over het feit dat deze vazal
“Een gevecht met mij aangaat zonder wapenrusting te hebben.
“Nu weet ik niet, edele heren, of hij mij zal doden;
“Maar tezamen vraag ik u dat u hierheen brengt
“Paarden, en wapenrustingen, en alles wat mijn lichaam bezit290
“Aan kleding en juwelen; zodat men ze zal verbranden,
“Zodra deze vazal mij hier gedood heeft.
“En zeg mij ook wie er met mij wil sterven,
“Wie mij in de andere wereld gezelschap zal komen houden?
“Zodra ik dood ben, zal men hun de hoofden afhakken;
“Zodat het mij in de andere wereld geenszins zal vervelen.”
Daar waren er tweehonderd van wie ieder uitriep:
“Wij sterven vrijwillig, wanneer uw lichaam dood zal zijn!”
Toen Boudewijn hen hoorde, toonde hij grote vreugde,
En daarna zuchtte hij teder uit mededogen:300
“Ach!” zei Boudewijn, “God! wat voor land is dit hier?
“Nu zijn zijn mensen verloren, God heeft hen vergeten!
“Maar als ik succes kan behalen, zal mijn lichaam hen brengen
“In een waarder geloof dan waarin zij sinds lang zijn geweest.”
Naar buiten Falise leidde Polybant hem;
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
or2gak78rd32wtf3ox4v263q3m0wulz
Het Groen Hout/Jaargang 2/Nummer 9/Studenten-bibliotheek
0
88167
225368
225367
2026-08-23T13:21:56Z
Vincent Steenberg
280
removed [[Category:Winkler Prins Encyclopaedie]]; added [[Category:Het Groen Hout]] using [[Help:Gadget-HotCat|HotCat]]
225368
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Studenten-bibliotheek’
| Schrijver = |Override_schrijver = Philo.
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit ''Het Groen Hout'', jrg. 2, nr. 9 (april 1940), p. 255-256. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Het Groen Hout vol 002 no 009 STUDENTEN-BIBLIOTHEEK.pdf" from=1 to=2 tosection=s1/>
[[Categorie:Het Groen Hout]]
1zmk7vebjzh6zy8m5646v17eyrc5zsc
Categorie:Het Groen Hout
14
88168
225369
2026-08-23T13:22:19Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
225369
wikitext
text/x-wiki
[[Categorie:Tijdschrift|Groen Hout]]
dith5k48nhfwajy0roma7cstl9ykodh
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/336
104
88169
225370
2026-08-23T17:46:24Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225370
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
En une praiërie li païens s’arresta,
Puis dist à Bauduin, qui après lui ala :
« Cristiens, droit ichi morir te couvenra ! »
« Non fera, si Dieu plaist, » Bauduins dit li a,
« Car li hons qui est mors jamais ne revenra. »
Bauduins de Sebourc est ens ou champ entrés :
Adont isnèlement s’est à genoul getés ;
Jontes mains, vers le chiel s’est li bers regardés,
Et dist :« pères des chius, qui tous nous a créés,
« Tu estoras Adam, et Eve à l’autre lés ;
« Tout leur habandonnas ; et les éuis menés
« En paradis terrestre. Là, leur fu dévaés
« ·j· pumier, pour savoir s’il faroient les grés.
« Sathan dist à Evain dame, vous ne savés
« S’Adans de che fruit-chi voloit mengier assés,
« Aussi poissans sarroit comme est ses avoés !
« Eve fist tant qu’Adans à lui fut acordés,
« Sé menga de che fruit ; dont il fuit condampnés,
« Et humaine lignie en souffri les griétés
« ·lijc· ans tant qu’à Dieu vint pités,
« Amour, miséricorde ; tant c’une volentés
« Li prist de rakater tous les maléurés
« Que déables tenoit saisis et enfremés.
« Car n’estoit si pred’ons Abrehans, né Noés,
« Ysac, et Ysayes, et Jacob le senés,
« Moyses, et David, Psalemons li loés,
« N’alaisent en infer quant li corps ert finės ;
« Pour le mesfait d’Adam, dont Diex fu aïrés.
« Diex fu prophétisés plus de ·m· ans passés
« Enchois car il se fuist en le Vierge esconsés.
« Diex eslisi la Vierge dou lignage Josés ;
« Et fu li cors le Vierge tèlement ordonnés
« Que sainte fu la Vierge ains que ses corps fuit nés.
« De toutes bones oevres fu ses corps doctrinės :
« Bien devoit li vaissiaus estre d’onour parés,
</poem>
|valign=top|
<poem>
In een weide stopte de heiden,
Toen zei hij tegen Boudewijn, die achter hem aan ging:
“Christen, precies hier zal het u overkomen te sterven!”
“Dat zal niet gebeuren, als het God behaagt,” zei Boudewijn tegen hem,
“Want de man die dood is, zal nooit meer terugkeren.”310
Boudewijn van Sebourc is het veld binnengegaan:
Toen wierp hij zich snel op de knieën;
Met gevouwen handen keek de held naar de hemel,
En zei: “Vader der hemelen, die ons allen heeft geschapen,
“U schiep Adam, en Eva aan de andere zijde;
“U liet alles aan hen over; en hield hen
“In het aards paradijs. Daar werd hun ontzegd
“Eén appelboom, om te weten of zij Uw wil zouden doen.
“Satan zei tegen Eva: Vrouwe, u weet niet
“Dat als Adam genoeg van deze vrucht wilde eten,320
“Hij even machtig zou zijn als zijn heer is!
“Eva zorgde ervoor dat Adam het met haar eens werd,
“En hij at van die vrucht; waardoor hij werd veroordeeld,
“En het menselijk geslacht leed er de pijnen van
“Tweëenvijftigduizend jaar totdat er bij God mededogen kwam,
“Liefde, genade; totdat een verlangen
“Hem overnam om alle onzaligen vrij te kopen
“Die de duivel gevangen en opgesloten hield.
“Want er was geen edel man, Abraham noch Noach,
“Isaak, en Jesaja, en Jacob de wijze,330
“Mozes, en David, Salomo de geprezene,
“Of zij gingen naar de hel wanneer het lichaam eindigde;
“Vanwege de misstap van Adam, over wie God vertoornd was.
“God werd meer dan duizend jaar geleden geprofeteerd
“Voordat Hij Zich in de Maagd had verborgen.
“God koos de Maagd uit het geslacht van Jozef;
“En het lichaam van de Maagd was zodanig geordend
“Dat de Maagd heilig was nog voor haar lichaam geboren was.
“In alle goede werken was haar lichaam onderwezen:
“Wel moest het vat met eer versierd zijn,”340
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
tneaes87p00nb1mhlv40jd4s3zyr1ou
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/337
104
88170
225371
2026-08-23T17:53:08Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225371
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Là où si haus joïaus devoit estre plantés !
« Si fu-il vraiement, che dist l’autorités.
« Au chief de ·xiij· ans fu de tous vices mondės,
« Et sage, et avisée, moult fuit ses corps senės.
« Bien parut de la Vierge que ses corps sot assés,
« Quant li angles li dist : Marie, or entendés :
« Ave, dame de grace ! en vous est li secrés
« De Dieu, qui en vo flans se sera esconsés !
« En toi descendera li Saintes Trinités !
« Et vous respondesistes, che est la vérités :
« Anchelle sui à Dieu, qui est mes avoės ;
« Si poet faire de moi toutes ses volentés !
«En che digne parleir fu li fruis engenrés
« En vostre digne cors, de sanc, de car, fourmés ;
« Et fu Dieu proprement en tes dignes cotés.
« En ce digne parler fu hons tous figurés
« Qui estoit le fiex Dieu ; car saintes déités
« Regnoit ou corps de lui. Là, fui tes corps parės,
« Car du Saint-Espirit estoit enluminės !
« Ensi par cheste voie fu en tes flans entrés
« Pères, fiex, Sains-Espiris ; ·j· nons en ·iij· mués.
« Et si l’un des ·iij· nons est de coer réclamés,
« Che est méisme coze ; c’est une puretés.
« Virge ! de teil joïel fu tes corps aombrés,
« Et le portas ·ix· mos douchement et soés ;
« Puis nasqui de ton corps, que n’i sentis griétés.
« De te sainte mamèles fu li lais translatės,
« Par divine maistrie, en tes corps tous mués ;
« Dont chius fu alaitiés qui nous avoit créés.
« Puis, véis ton enfant qu’il fû en crois pénés ;
« Et d’espine trenchans fu che chies courounés ;
« De la lanche férus, et à son ceur navrés,
« Que li sans en sali ; dont li tamps fu mirés,
« Et li pière en fendi : là, fu tes sans coulés
« Jusques en Gorgatas. Là, fu li osiaus tels
</poem>
|valign=top|
<poem>
“Waar zo'n verheven juweel geplant moest worden!
“Het was werkelijk waar, zo zegt de autoriteit.
“Na dertien jaar was zij van alle zonden gezuiverd,
“En wijs en bedachtzaam; haar lichaam was zeer verstandig.
“Het bleek duidelijk dat het lichaam van de Maagd veel wist,
“Toen de engel tegen haar zei: Maria, luister nu:
“Wees gegroet, vol van genade! In u ligt het geheim
“Van God, die zich in uw schoot zal hebben verborgen!
“In u zal de Heilige Drie-eenheid neerdalen!
“En u antwoordde, dat is de waarheid:350
“Ik ben de dienstmaagd van God, die mijn beschermer is;
“Hij mag met mij doen wat Hij wil!
“Door deze waardige woorden werd de vrucht verwekt
“In uw waardige lichaam, gevormd uit bloed en vlees;
“En God was waarlijk binnen uw waardige lendenen.
“In deze waardige woorden werd de mens geheel gevormd
“Die de Zoon van God was; want de heilige goddelijkheid
“Regeerde in zijn lichaam. Daar werd uw lichaam gesierd,
“Want door de Heilige Geest was het verlicht!
“Zo trad via deze weg in uw schoot360
“De Vader, de Zoon en de Heilige Geest; één naam in drieën veranderd.
“En als een van de drie namen vanuit het hart wordt aangeroepen,
“Is dat hetzelfde; het is één en al zuiverheid.
“Maagd! Door zo'n juweel werd uw lichaam overschaduwd,
“En u droeg Hem negen maanden teder en zacht;
“Daarna werd Hij uit uw lichaam geboren, zonder dat u pijn voelde.
“Uit uw heilige borsten werd de melk overgedragen,
“Door goddelijk meesterschap, geheel veranderd in uw lichaam;
“Waarmee Hij werd gezoogd die ons had geschapen.
“Daarna zag u uw kind aan het kruis genageld;370
“En met scherpe doornen werd dat hoofd gekroond;
“Door de lans gestoken, en in zijn hart gewond,
“Zodat het bloed eruit spatte; waardoor het weer omsloeg,
“En de rotsen spleten: daar stroomde uw bloed
“Tot aan Golgotha. Daar was de vogel zodanig
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
f84zsg7qcz6qbl6y8opse2s0yzinjcf
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/376
104
88171
225372
2026-08-23T17:53:11Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
225372
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilderessen''.|337}}</noinclude>zulke wel voor ’t meeste deel leerlingen van de laagste school zyn geweest, en geen hoogvliegers geworden zouden hebben; aangezien zy de Konst niet oeffenden uit enkele geneigtheit en liefde tot de zelve; maar ter liefde van hun zelf, en om het voordeel dat zy geeft. Ja ik maak my daar voor sterk: dat my weinig voorbeelden van groote mannen in de Konst zullen aangewezen worden, die, schoon zy gelt genoeg in de waerelt bezaten om altyd van te konnen leven, opgehouden hebben van schilderen voor het einden van hun leven.<br>{{gap}}Michael Angelo, had zulke zucht tot de Konst, dat, toen hy niet meer konde zien te werken, noch de schoone voorwerpen te Rome beschouwen, hy zig dikwils daar na toe liet leyden; om door ’t voelen en betasten van de zelve zyn Konstlust vernoeging te geven.<br>{{gap}}Lukas van Leyden kon zig van de Konstoeffening tot het eynden van zyn leven niet ontslaan, men vond noch een half afgesneden plaatje by hem op zyn sterfbed.<br>{{gap}}Pet. Paul. Rubbens, wanneer hy eenige jaren voor zyn dood een wyze van beroertheit in zyn rechter arm kreeg, waar door hem niet doenlyk was groote werken meer te schilderen, liet daarom niet af van die oeffening; maar schilderde na dien tyd, Lantschappen en andere kleine stukjes voor den Ezel, om dat dus kort by, zyn hand nog op den maalstok rustende, hy ’t penceel ter naauwer nood voeren konde. Ook zouden wy een menigten van onze fraaiste Nederlandsche meesters konnen opnoemen, die niet opgehouden hebben van de Konst te oeffenen tot het einden van hun leven, schoon uit hunne nalatenschap genoegzaam<noinclude>{{RH|{{gap}}{{sc|II. Deel}}.|Y|blykt}}</noinclude>
3piq3usloxoerb5rmk19hc2edvrldg5
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/338
104
88172
225373
2026-08-23T17:55:38Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225373
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Le voleir en laissa. Et Longis, li menbrės,
« Torcha ses iex du sanc, che fu la vérités,
« Par devant tout le pople li revint sa clartés ;
a Il te pria merchi : là, fu tes corps senės,
« Car tu lui pardonas, che fu humilités.
« En infer en alaes, dont tu estoies cleis :
« Si en getas le pople, voïant tous les maufés,
« Qui là eurent esté bien ·v· ans passés.
« Et à l’Ascentioen refus ès chius montés ;
« Et à le Penthecouste éuis reconfortés,
« En samblanche de fu, tes bons amis privés ;
« S’en est en sainte glise chius signes démonstrés.
« Et li corps de ta mère fu lassus translatés,
« Et en âme, et en corps, des angles adestrés.
« Là est lí corps de vous, douche Virge, honorés ;
« Et ch’est de ·xij· estoiles li vo chiés courounės ;
« Et du digne soleil est vous corps aournés ;
« Et deseure le lune, de vous ·ij· piés, passés.
« Sains Jans le testmogne ; car il en fu portés
« Ou saint trosne luisant : et là, vit les secrés
« Du noble paradis qui nous est aprestés,
« Sé nous ne le perdons par nous déloïautés.
« Diex ! si con j’ai dit voir, et que ch’est vérités,
« Si me voilliés aidier par vo sainte bontės ;
« Contre ce mescréant qui mal est avisés
« Quant ne croit le pooir, sire, que vous avés. »
A icheste parole est en estant levés ;
Il dist à Polibant : « de mon corps vous gardés !
« Je vous deffi de Dieu, qui en crois fu pėnės. »
Lors a traite l’espée. Polibans s’est hastės ;
Primiers le cuida bien férir par les costés :
Mais li bons Bauduins est près de lui alés ;
Par mi le corps l’ahert, du tour fu avisés,
Par terre le geta, puis le fiert à tous leis.
Maintenant l’éust mort s’il ne fust si armés.
</poem>
|valign=top|
<poem>
“Dat hij er zijn wil achterliet. En Longinus, de sterke,
“Veegde zijn ogen af met het bloed, dat was de waarheid,
“Voor de ogen van het hele volk kreeg hij zijn gezicht terug;
“Hij smeekte u om genade: daar was uw lichaam verstandig,
“Want u vergaf hem, dat was nederigheid.380
“Naar de hel ging u, waarvan u de sleutels had:
“U bevrijdde er het volk, ten aanschouwen van alle duivels,
“Die daar al wel vijfduizend jaar hadden gezeten.
“En met de Hemelvaart bent u naar de hemel opgestegen;
“En met Pinksteren schonk u troost,
“In de gedaante van vuur, aan uw goede, intieme vrienden;
“In de heilige kerk is dit teken getoond.
“En het lichaam van uw moeder werd naar boven overgedragen,
“In ziel en in lichaam, door de engelen begeleid.
“Daar wordt uw lichaam, zachte Maagd, geëerd;390
“En met twaalf sterren is uw hoofd gekroond;
“En met de waardige zon is uw lichaam gesierd;
“En boven de maan bent u met uw twee voeten gestegen.
“Sint-Jan getuigt ervan; want hij werd erheen gevoerd
“Naar de heilige, glanzende troon: en daar zag hij de geheimen
“Van het nobele paradijs dat voor ons is klaargemaakt,
“Als wij het niet verliezen door onze ontrouw.
“God! Zoals ik naar waarheid heb gesproken, en het de waarheid is,
“Wilt u mij alzo helpen door uw heilige goedheid;
“Tegen deze ongelovige die slecht beraad heeft,400
“Omdat hij niet gelooft in de macht, Heer, die u bezit.”
Bij deze woorden is hij opgestaan;
Hij zei tegen Polibant: “wees op uw hoede voor mij!
“Ik daag u uit in de naam van God, die aan het kruis heeft geleden.”
Toen trok hij het zwaard. Polibant haastte zich;
Als eerste dacht hij hem goed in de zij te treffen:
Maar de goede Boudewijn is dicht naar hem toe gegaan;
Midden in het lichaam grijpt hij hem, behendig in zijn draai,
Tegen de grond wierp hij hem, en slaat hem vervolgens van alle kanten.
Nu al had hij hem gedood als hij niet zo goed bewapend was geweest.410
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
jeiguplgtqvnlapwsy3dfy1bemx0kvu
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/339
104
88173
225374
2026-08-23T18:02:16Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225374
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Hélas ! » dist Polibans, « quétis ! malėurės !
« Or sui issi endroit malement atrapės ;
« Je croi qu’en l’autre chiècle ière anuit hostelés ! »
Bauduins de Sebourch fu plains dou vassalage,
Il fiert à Polibant de son espée large ;
Et chius est relevés, mais c’est à son domage :
Car li sans li filioit encontre val herbage.
Puis li dist Bauduins, moult haut en son langage :
« E ! sarrasins, » dist-il, « tu as ou corps le rage !
« Que ne veus croire Dieu, et en sen douche ymage. »
Et Polibans, le rois, qui fuist de jouène éâge,
Va envers Bauduin, le courtois et le sage :
De l’espée treanchans, qui jadis fu l’auſage,
Fiert après Bauduin, pour li faire hontage ;
Et Bauduwins li saut tout adès au visage,
Puis l’ahert à deus bras, si le gète en l’erbage ;
Puis le fiert à deus mains, si li pourfent la targe.
Là avoit Polibans tel dolour, et tel rage,
De ce qu’il n’i savoit quachier son avantage ;
Paour ot dou morir : mais Bauduins s’atarge,
Bien l’ust mis au fu ; mais pour son grant parage
Ne l’osoit pas tuer pour le sien hirritage.
Non pourquant le féri, tout parmi le corsage,
Que le sang li en fait salir sus le préage.
« Hélas ! » dist Polibans, « chi paierai treuage :
« Déable ont envoïet chestui en mon manage !
« Je croi qu’en l’autre siècle ferai anuit pasquage. »
Polibans de Falise ot moult le coer dolant,
Quant il ne poit tuer Bauduin le vaillant.
Au miex qu’il onques pot se liève en son estant,
Puis entoise l’espée, qui bon ot le trenchant ;
Si comme il dut férir Bauduin le possant,
La véue li va, là endroit, si troblant ;
Nulle chose ne vit dérière, né devant.
Li cos qu’il ot esviet va en terre avalant ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
“Helaas!” zei Polibant, “ellendeling! Ongelukkige!
“Nu ben ik hier ter plekke slecht gevangen;
“Ik geloof dat ik vannacht in de andere wereld zal overnachten!”
Boudewijn van Sebourc was vol heldenmoed,
Hij slaat Polibant met zijn brede zwaard;
En deze is weer opgestaan, maar dat is in zijn nadeel:
Want het bloed stroomde uit hem neer op het gras.
Toen zei Boudewijn, zeer luid in zijn taal:
“Welaan, Saraceen,” zei hij, “de razernij zit in je lichaam!
“Waarom wil je niet in God geloven, en in zijn zachte beeltenis?”420
En Polibant, de koning, die van jonge leeftijd was,
Gaat naar Boudewijn, de hoofse en de wijze:
Met het scherpe zwaard, zoals destijds de gewoonte was,
Slaat hij naar Boudewijn, om hem te schande te maken;
En Boudewijn springt hem meteen in het gezicht,
Grijpt hem dan met twee armen en werpt hem in het gras;
Slaat hem dan met twee handen en klieft zijn schild.
Daar had Polibant zulke pijn en zulke woede,
Omdat hij niet wist hoe hij er zijn voordeel uit moest halen;
Hij was bang om te sterven: maar Boudewijn houdt in,430
Hij had hem wel kunnen doden, maar vanwege zijn hoge adel
Durfde hij hem niet te doden omwille van zijn erfgoed.
Niettemin trof hij hem, dwars door het lichaam,
Zodat het bloed eruit op de weide spatte.
“Helaas!” zei Polibant, “hier zal ik tol betalen:
“Duivels hebben deze man in mijn domein gestuurd!
“Ik geloof dat ik vannacht in de andere wereld zal grazen.”
Polibant van Falise had een zeer treurend hart,
Omdat hij de dappere Boudewijn niet kon doden.
Zo goed als hij maar kon, staat hij op,420
Heft dan het zwaard, dat een goede scherpe snede had;
Net toen hij de machtige Boudewijn wilde treffen,
Werd zijn gezichtsvermogen, vlak op die plek, zo troebel;
Niets zag hij meer, noch achter, noch voor zich.
De slag die hij had ingezet, daalde naar de grond,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
b0cg33rhyqm8vkc8nwy0e4n0ukokq3l
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/340
104
88174
225375
2026-08-23T18:04:44Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225375
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Demi piet largement va en tère fichant.
Et Bauduins li crie : « par me foi, Polibant,
« Si m’éussiés ateint, jamais n’ailaise avant.
« J’ai plus cier là l’espée, qu’en ma tieste devant ! »
Et Polibans s’escrie : « tu me vas enrautant !
« Je ne puis véoir, et s’entens ton romant.
« Tu es un encantères de Toulette le grant ! »
Quant Bauduins l’oï, si en va larmoïant ;
Or sceit bien de chairtain que Diex i va ouvrant.
Ses mains joint vers le chiel, si va Dieu gratiant :
« Ahi ! pères, » dist-il, « qui, dedens Bethléant,
« Nasquésis de la Vierge, pour nous faire garant ;
« Je te lo et gratie, quar bien est aparant
« Qu’il te souvient de moi ; bien m’en vois perchevant. »
Lors dist au jone roy, qu’entour lui va frapant :
« Sire, si je voloie, vous morriés maintenant !
« Ne vous veul pas tuer ; ains atenderai tant
« Que vous arés le ceur à Dieu le tout poisant. »
« Vous atenderiés trop, vassaus, » dist Polibant,
« Car jà ne le crérai, ès jours de mon vivant.
«« Puis qu’il se lassa pendre, à déables le commant ! »
Polibans de Falise environ lui frapoit :
Mais il ne véoit goute, dont moult li anoioi’t';
Si dist à Bauduin qu’enchantères estoit.
Dou plat de son espée, Bauduins le frapoit :
Ne le volt pas ochirre, mais adès atendoit
Qu’il éust cognichanche. Et Diex qui le voiloit
Remétre à bonne voie, miracle i démonstroit ;
Car en celle nuée, qui ensi le troubloit,
I vint telle clartés que tous s’esbaïssoit ;
Et un angèle aussi, qu’à Polibant disoit :
« Polibant de Falise, » dist l’angle, là endroit,
« Croi Dieu de tout poisant, saches tu araes droit.
« La proière chest homme t’a mis en si bon ploit
« Que Diex te pardonra che qui tes corps faisoit. »
</poem>
|valign=top|
<poem>
Ruim een halve voet diep boort het zwaard zich in de grond.
En Boudewijn roept hem toe: “bij mijn geloof, Polibant,
“Als je mij had geraakt, zou ik nooit meer verder zijn gegaan.
“Mijn zwaard daar is mij lieflijker dan mijn hoofd hierboven!”
En Polibant roept uit: “je bent me aan het betoveren!450
“Ik kan niets zien, en toch versta ik je taal.
“Je bent een tovenaar uit het grote Toledo!”
Toen Boudewijn dat hoorde, begon hij te huilen;
Nu weet hij zeker dat God hier aan het werk is.
Met zijn handen gevouwen naar de hemel, dankt hij God:
“Ach, Vader,” zei hij, “die in Bethlehem
“Geboren bent uit de Maagd, om ons tot beschermer te zijn;
“Ik loof en dank u, want het is overduidelijk
“Dat u aan mij denkt; ik begin het goed te merken.”
Toen zei hij tegen de jonge koning, die om zich heen slaat:460
“Heer, als ik wilde, zou u nu sterven!
“Ik wil u niet doden; in plaats daarvan zal ik wachten
“Tot uw hart zich keert naar God de Almachtige.”
“U zou te lang wachten, vazal,” zei Polibant,
“Want nooit zal ik in Hem geloven, in alle dagen van mijn leven.
“Aangezien Hij zich liet ophangen, beveel ik Hem aan de duivels aan!”
Polibant van Falise sloeg om zich heen:
Maar hij zag geen hand voor ogen, wat hem zeer verdroot;
En hij zei tegen Boudewijn dat hij een tovenaar was.
Met de platte kant van zijn zwaard sloeg Boudewijn hem:470
Hij wilde hem niet doden, maar wachtte steeds
Totdat hij bij zinnen kwam. En God die hem wilde
Terugbrengen op het rechte pad, toonde daar een wonder;
Want in die wolk, die hem zo in verwarring bracht,
Kwam een zodanige helderheid dat iedereen ervan verstomde;
En ook een engel, die tegen Polibant zei:
“Polibant van Falise,” zei de engel ter plekke,
“Geloof in de almachtige God, weet dat u het recht zult hebben.
“Het gebed van deze man heeft u in zo'n goede staat gebracht
“Dat God u zal vergeven wat uw lichaam misdeed.”480
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
gvgs4i03sjujmtd9xqwyh8v8ing9zfn
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/341
104
88175
225376
2026-08-23T18:06:27Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225376
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Quant Polibans l’oï, à terre se getoit,
Et dist à Bauduin que de tout se rendoit ;
Et qu’en l’onneur de Dieu baptisier se feroit.
Quant Bauduins l’entent, grant joie dėmeinoit.
Polibans li rendi maintenant son espoit ;
Et le mainne ou palais, que reluisans estoit :
A boire et à maingnier delès lui s’asseioit.
Ensément aide Diex les siens, quant il ont droit.
Ensi chius rois païens fu adont converteis,
Par le voloir de Dieu, le roy de paradis.
Au boire et au maingnier a Bauduin assis ;
Puis li dist douchement : « frans chevaliers gentis,
« Puis que je croi en Dieu, qui est pères et fils ;
« Je ne voel demourer jamais en che païs :
« Car si je demouroie, tantost seroie ochis. »
« Pourcoi ? » dist Bauduins, li prex et li gentis.
« Sire, »dist Polibans, li chevaliers nouris,
« A ma terre marchist li roys des Haus-Assis ;
« ·j· poy delà Baudas, ou ·v· liewes, ou .vi..
« Ché un felles prinches, orgoellieus et despis ;
« Dẹ la Rouge-Montaingne est prinches et marchis.
« Or vous dirai comment il a ses gens nouris :
« Je vous di que chius roys a fait un paradis
« Tant noble et gratieus, et plain de tels déliis,
« Qu’il n’a coer en che monde, tant fu grans né marchis ;
« Et il fuist en che lieu, dont ichi vous devis,
« Qu’il ne fuist maintenant de joie rasousis.
« Car en che paradis est un riex establis,
« Qui se partist en trois, en che noble pourpris ;
« En l’un coert li clarés, d’espises bien garnis ;
« Et en l’autre li miés, qui les a resouffis ;
« Et li vins de pieument i queurt par droit avis.
« Li saille et li pressins, roses et flour de lis,
« Gingembres et canèle, et chucre et asur bis,
« Toutes coses flairans, pour estre resjoïs,
</poem>
|valign=top|
<poem>
Toen Polibant dit hoorde, wierp hij zich ter aarde,
En zei tegen Boudewijn dat hij zich aan alles overgaf;
En dat hij zich ter ere van God zou laten dopen.
Toen Boudewijn dit hoorde, toonde hij grote vreugde.
Polibant overhandigde hem toen zijn zwaard;
En leidt hem naar het paleis, dat schitterend was:
Om te drinken en te eten nam hij naast hem plaats.
Zo helpt God de zijnen, wanneer zij in hun recht staan.
Zo werd deze heidense koning toen bekeerd,
Door de wil van God, de koning van het paradijs.490
Aan het drinken en eten heeft hij Boudewijn gezet;
Toen zei hij hem zachtmoedig: “edele, hoofse ridder,
“Aangezien ik geloof in God, die vader en zoon is;
“Wil ik nooit meer in dit land verblijven:
“Want als ik hier zou blijven, zou ik weldra worden gedood.”
”Waarom ?” zei Boudewijn, de dappere en de hoofse.
”Heer,” zei Polibant, de goedgeboren ridder,
“Aan mijn land grenst dat van de koning der Assassijnen;
“Een klein stukje voorbij Bagdad, op vijf of zes mijl.
“Dat is een trouweloze prins, trots en minachtend;500
“Van de Rode Berg is hij prins en markies.
“Nu zal ik u vertellen hoe hij zijn volk heeft grootgebracht:
“Ik zeg u dat deze koning een paradijs heeft gemaakt
“Zo edel en bekoorlijk, en vol van zulke verrukkingen,
“Dat er geen hart ter wereld is, hoe groot of machtig ook;
“Als het in die plaats zou zijn, die ik u hier beschrijf,
“Of het zou terstond met vreugde vervuld zijn.
“Want in dat paradijs is een stroom aangelegd,
“Die zich in drieën splitst, binnen dat edele verblijf;
“In de ene stroomt de klare drank, rijkelijk voorzien van specerijen;510
“En in de andere de honing, die hen heeft verzadigd;
“En gekruide wijn stroomt daar met vaste regelmaat.
“De wilg en de cipres, rozen en lelies,
“Gember en kaneel, en suiker en bruine suiker,
“Alle geurige zaken, om zich te verblijden,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
32lzmj0e2k7qddyd3pztl2s9647pcp7
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/342
104
88176
225377
2026-08-23T18:09:19Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225377
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« I poroit-on trouveir ; de che soïés tous fis.
« Il n’i vente, né gèle. Che liés est de samis,
« De riches dras de soie, bien ouvrés à devis.
« Et aveukes tout che que je chi vous devis,
« I a ·ij· puchelles qui moult ont cler les vis,
« Carolans et tresquans, menans gales et ris.
« Et si est li dieuesse, dame et suppellatis,
« Qui doctrine les autres et en fais et en dis,
« Celle est la fille au roy c’on dist des Haus-Assis ;
« Ivorine est clamée la dieuesse gentis.
« N’i-a si bèle pucelle jusqu’as pors des Juïs,
« Né si très gratieuse en ·lx· païs :
« Elle a le corps bien fait et tailliet par devis,
« Plus droite que bougons, né que mairiens assis ;
« Plus blanche que la nos ; si a les iex traitis,
« Et le bouche petite, les dens blans et petis ;
« Les iex vairs com faucons, nobles et agentis ;
« Coulourée que rose, blanche com flour de lis ;
« Le nés droit et bien fait. Tant est ses corps garnis
« De parfaite biauté, et en fais et en dis,
« Qu’il n’est hons, en ce monde, qui n’en fuist réjoïs.
« Chelle Yvorine est dame del lieu dont je vous dis,
« Et s’a ·ij· pucelles, belles à grant devis,
« Ménestrés de vielle, et d’enstrumens jolis ;
« Maintiènent là dedens joies et tout délis.
« Il n’est coers, en che monde, qui tant fu assouplis
« Que s’il estoit laiens qui n’en fuist resjoïs.
« Or fait chius rois entendre à grans et à petis ;
« Si tost qu’il saront mort, et du siècle fénis,
« Qu’il seront là dedens en che noble lieu mis.
« Leus c’uns enfens est neis, et qu’il est aspanis ;
« Le sire de che lieu prent les enfans petis,
« Et si les fait nourir ·viij· ans, ou .ix., ou .x.,
« Dedens un lieu oscur : là les met-on toudis
« Aveukes males bestes ; kiens, et cas, et soris,
</poem>
|valign=top|
<poem>
“Zou men daar kunnen vinden; wees daar geheel zeker van.
“Het waait er niet, noch vriest het. Die plaats is van fluweel,
“Van rijke zijden stoffen, prachtig naar wens bewerkt.
“En naast dit alles wat ik u hier beschrijf,
“Zijn er twee maagden die zeer klare gezichten hebben,
“Dansend en zingend, vol vrolijkheid en lach.
“En ook is er de godin, vrouwe en de allerhoogste,
“Die de anderen onderwijst in daden en in woorden,
“Zij is de dochter van de koning die men die der Assassijnen noemt;
“Ivorine wordt de hoofse godin genoemd.
“Er is geen zo schone maagd tot aan de poorten der Joden,
“Noch zo zeer bekoorlijk in zestig landen:
“Zij heeft een welgevormd lichaam en perfect gebouwd,
“Rechter dan een pijl, of recht geplaatst timmerhout;
“Witter dan de sneeuw; en zij heeft amandelvormige ogen,530
“En een kleine mond, witte en kleine tanden;
“De ogen levendig als een valk, edel en bevallig;
“Gekleurd als een roos, wit als een lelie;
“De neus recht en welgevormd. Zozeer is haar lichaam voorzien
“Van volmaakte schoonheid, zowel in daden als in woorden,
“Dat er geen mens is, in deze wereld, die er niet blij van zou worden.
“Die Ivorine is de vrouwe van de plaats waarover ik u vertel,
“En zij heeft twee maagden, wonderschoon van gestalte,
“Minstrelen op de vedel, en met lieflijke instrumenten;
“Zij onderhouden daarbinnen vreugde en alle verrukking.540
“Er is geen hart, in deze wereld, al was het nog zo neerslachtig,
“Dat als het daar binnenkwam, niet verblijd zou worden.
“Nu houdt deze koning aan groten en kleinen voor;
“Zodra zij dood zullen zijn, en uit de eeuwigheid verdwenen,
“Dat zij daarbinnen in die edele plaats geplaatst zullen worden.
“Zodra een kind geboren is, en het is gespeend;
“Neemt de heer van die plaats de kleine kinderen,
“En laat hen zo acht jaar voeden, of negen, of tien,
“Binnen een duistere plaats: daar sluit men hen altijd op
“Met valse beesten; honden, en katten, en muizen,550
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
d2xnnxqigqpl37gm7nfoqgzxul67ss3
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/343
104
88177
225378
2026-08-23T18:18:52Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225378
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Culoères, et lisaerdes, escorpions petis.
« Lå endroit ne peut nuls avoir joie, nė ris.
« Et au chief de ·x· ans, quant on les a nouris
« De boire et de mengier, mais n’ont autre délis,
« Adont les met-on hors de che lieu que je dis :
« Et li rois qui est sires, maistres, et postéis,
« De la Rouge-Montaingne, ensi que je vous dis,
« Fait meneir ses enfans dedens son paradis.
« Chil qui ont éu doel et tristèce tant dis,
« Quant il voient che liu, qui tant est seignouris,
« Il croiient bien de voir, et cascuns en est fis,
« Que che soit paradis, li très nobles pourpris ;
« Si prient lor seignour, qui tient ches édéfis,
« Car il puissent tant faire, et par fais et par dis,
« Qu’il puissent estre el lieu courouné et assis.
« Et li rois si lor dist : chuis qui ert mes amis,
« Et qui ara mes greis et mes boins acomplis ;
« Tantost qu’il sara mors, il seroit droit-ci mis.
« Sé vous ne voilés faire et mes boins et mes dis,
« Vous r’irés droit el lieu, sachiés, où je vous pris.
« Chil, qui ont volenté d’avoir che paradis,
« Font le commant lor roy, qui tant est postéis.
« S’il disoit à son homme : va-t-ent droit à Paris ;
« Si me fier d’un coutel le roy de Saint-Denis.
« Jamais n’aresteroit, né par nuit né par dis,
« S’aroit tué le roy, voïant tout ches marchis ;
« Et déuist estre à fources traînés et mal mis.
« De tel matère sont ; et pour che le vous dis,
« Que s’il savoit le vrai que cruce Jhésu-Cris,
« Tantost commanderoit à un de ches subgis
« Qu’il me venist tuer : s’en aroie dus pis.
« Sire, » dist Polibans, à le chière membrée,
« Li rois des Haus-Assis a sa gent encantée,
« Pour icheste ordinanche que je vous ai contée.
« En chelui paradis, dont je fai divisée,
</poem>
|valign=top|
<poem>
“Adders, en hagedissen, kleine schorpioenen.
“Op die plek kan niemand vreugde hebben, noch lach.
“En aan het eind van tien jaar, wanneer men hen heeft gevoed
“Met eten en drinken, maar zij geen ander vermaak hebben gekend,
“Dan brengt men hen naar buiten uit die plaats die ik noem:
“En de koning die heer is, meester, en machtig,
“Van de Rode Berg, zoals ik u vertel,
“Laat deze kinderen binnen zijn paradijs leiden.
“Zij die zo lang rouw en verdriet hebben gehad,
“Wanneer zij die plaats zien, die zo vorstelijk is,560
“Geloven zij werkelijk vast, en ieder is er zeker van,
“Dat dit het paradijs is, het zeer edele verblijf;
“Dus bidden zij hun heer, die deze bouwwerken bezit,
“Dat zij zoveel mogen doen, zowel met daden als met woorden,
“Dat zij in die plaats gekroond en gevestigd mogen worden.
“En de koning zegt dan tot hen: wie mijn vriend zal zijn,
“En wie mijn gunst en mijn wensen zal hebben vervuld;
“Zodra hij dood zal zijn, zal hij recht hierheen worden gebracht.
“Als u mijn wensen en mijn woorden niet wilt opvolgen,
“Weet dat u direct terugkeert naar de plaats, waar ik u vandaan haalde.570
“Zij, die het verlangen hebben om dit paradijs te bezitten,
“Gehoorzamen het bevel van hun koning, die zo machtig is.
“Als hij tegen zijn man zou zeggen: ga rechtstreeks naar Parijs;
“En steek voor mij met een mes de koning van Saint-Denis neer.
“Nooit zou hij rusten, noch bij nacht noch bij dag,
“Tot hij de koning had gedood, ten aanschouwen van al die edelen;
“Al moest hij naar de galg gesleept en mishandeld worden.
“Van zulk hout zijn zij gesneden; en daarom zeg ik het u,
“Dat als hij de waarheid wist dat ik in Jezus Christus geloof,
“Hij terstond een van deze onderdanen zou bevelen580
“Dat hij mij moest komen doden: dan zou ik er slecht aan toe zijn.
“Heer,” zei Polibant, met het krachtige gelaat,
“De koning der Assassijnen heeft zijn volk betoverd,
“Door deze regeling die ik u heb verteld.
“In dat paradijs, waar ik de beschrijving van geef,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
gaqv9mykknor692td8fmt6yeu8vvmcy
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/344
104
88178
225379
2026-08-23T18:21:08Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225379
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Est sa fille Yvorine hautement couronée :
« Ch’est la plus bèle dame qui soit ou siècle neie,
« Et le plus gratieuse, et le miex enparlée ;
« Douche, vaire, et rians, et trè bien lui agrée. »
Et quant Bauduins ait le parole escoutée,
Si jura Dame-Dieu, et le vertu nommée ;
Jamais ne renterra en Franche, la losée,
Si ara le puchelle véue et regardée.
Lors dist à Polibans : « or oïés ma pensée ;
« Je vous prie, pour Dieu qui fist chiel et rosée,
« Que me voilliés mener, s’il vous plaist et agrée,
« Au roy des Haus-Assis qui a teel ronommée ;
« Car de son paradiis vaurai veior l’entrée,
« Et le puchelle aussi, je l’ai jà enameie.
« Polibans de Falisse, » dist Bauduins, « entent :
« Je vous prie, pour Die, le père omnipotent,
« Qu’en la Rouge-Montaingne me menés vistement.
« Veior che paradis, et le bèle au corps gent.
« Volentiers le véroie, et le sien airrement. »
Et Polibans respont : « à vo commandement. »
Son oire apareilla tost et hastéëment.
S’on Falise laisie, et tout le casement ;
Devers Baudas s’en vont le chemin droitement :
Chou est une chités par devers occident ;
Li califes estoit sires du tènement.
Or avoit à che tamps, sé l’istoire ne ment,
En le chit de Baudas kristiens jusqu’à cent ;
Qui manonent illoec par un tréu d’argent,
Que cascuns cristiens au roy-calife rent.
Li pères du calife, qui régna longement,
Ama les crestiens, et Dieu primièrement :
Et pour che consenti, en son tamps, bonnement
Le crestienté en Baudas logement ;
E lor fist establir ·j· monstier noble et gent,
Où crestien faisoient faire lor sacrement.
</poem>
|valign=top|
<poem>
“Is zijn dochter Ivorine hooggeacht gekroond:
“Zij is de mooiste dame die in deze eeuw is geboren,
“En de meest gracieuze, en de best bespraakte;
“Zacht, levendig, en lachend, en zij behaagt hem zeer wel.”
En toen Boudewijn de woorden had aangehoord,590
Zwoer hij bij de Here God, en de genoemde deugd;
Nooit zal hij terugkeren naar Frankrijk, het geprezene,
Voordat hij de maagd heeft gezien en aanschouwd.
Toen zei hij tegen Polibant: “hoor nu mijn gedachte;
“Ik bid u, omwille van God die hemel en dauw maakte,
“Dat u mij wilt leiden, als het u behaagt en schikt,
“Naar de koning der Assassijnen die zo'n grote roem heeft;
“Want van zijn paradijs wil ik de ingang zien,
“En de maagd ook, ik heb haar nu al liefgehad.
“Polibant van Falise,” zei Boudewijn, “luister:600
“Ik bid u, omwille van God, de alvermogende vader,
“Dat u mij snel naar de Rode Berg leidt.
“Om dat paradijs te zien, en de schone met het edele lichaam.
“Graag zou ik haar zien, en haar verblijf onmiddellijk.”
En Polibant antwoordt: “tot uw dienst.”
Zijn reis bereidde hij snel en haastig voor.
Zij hebben Falise verlaten, en het hele landgoed;
Richting Bagdad gaan zij rechtstreeks op weg:
Dat is een stad gelegen naar het westen;
De kalief was heer van het territorium.610
Nu waren er in die tijd, als de historie niet liegt,
In de stad Bagdad wel tot honderd christenen;
Die daar woonden tegen een tribuut van zilver,
Dat elke christen aan de koning-kalief betaalt.
De vader van de kalief, die langdurig regeerde,
Hield van de christenen, en van God in de eerste plaats:
En daarom stemde hij in, in zijn tijd, geredelijk
Met het verblijf van het christendom in Bagdad;
En liet voor hen een edele en schone kerk bouwen,
Waar christenen hun sacramenten lieten bedienen.620
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
nujnr1xpo15bfhuobtabtpgu5kzdqr5
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/345
104
88179
225380
2026-08-23T18:23:20Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225380
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Une mout noble pière lor donna proprement,
Où on avoit posé Mahon moult longement.
Quant mors fuit li califes et ot priis finement,
Sires en fu ses fiex, qui haï durement
Nostre gent crestiène. Mais en fin vraiement
Fuit moult bons crestiens, Dieu servi loïaument ;
Et pour une miracle qu’il vit tant clèrement :
Car chius qui voit le bien vaut pis, s’il n’i entent.
Seignour, ichius califes, qui à che tamps régnoit,
Le loy des crestiens moult durement haïoit.
Si homme son dolant car on les soustenoit :
A lor sègnour disoient que folie feroit
S’en la chit de Baudas longement les tenoit.
N’i avoit Sarasin, leus que le monstier voit,
Ne fache encontre ordure, et puis si les raquoit ;
Et dient au calife que s’il ne l’abatoit,
Qu’aïde, né amour, de ses hommes n’aroit.
« Seignour, » dist li califes qui bien les escoutoit,
« J’eus en couvent mon père, quant dou chiècle finoit,
« Que já li crestien, qui sont de pute foit,
« N’aroient mal pour mi, et là mi-je ma foit ;
« Et bien en sont chartré crestien si endroit,
« Et doivent le monstier tout adès tenir droit.
« Or, regardés comment li miens corps lor poroit
« Mesfaire en nulle ghise, que g’i euse nul droit !
« J’en seroie blasmeis et grans pichiet serroit.
« Li hons qui se parjure trop fait mavait esploit,
« Au déable d’enfer sen âme recognoit.
« Ségnour, » dist li califes, « quiconkes est preud’ons
« Ne se doit parjurer, che n’est mie raisons.
« Mais regardés comment les crestiens nuirons,
« Sauve mon serment, car ensi le voillons. »
« Sire, » dient païen, « et nous le vous dirons :
« Li monstiers qui est fais, qu’abatre désirons,
« Il i a un piler qui soustient les perrons ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
Een zeer edele steen schonk hij hun in het bijzonder,
Waarop men Mohammed zeer lange tijd had geplaatst.
Toen de kalief gestorven was en zijn einde had bereikt,
Werd zijn zoon er heer van, die vurig haatte
Ons christenvolk. Maar uiteindelijk waarlijk
Werd hij een zeer goed christen, die God loyaal diende;
En wel om een wonder dat hij zo helder zag:
Want hij die het goede ziet, handelt slechter als hij er geen gehoor aan geeft.
Heren, deze kalief, die in die tijd regeerde,
De wet van de christenen zeer vurig haatte.630
Zijn mannen waren bedroefd omdat men hen steunde;
Toen zeiden zij tegen de heer dat het dwaasheid zou zijn
Als hij hen lang in de stad Bagdad zou houden.
Er was geen Saraceen, zodra hij de kloosterkerk ziet,
Of hij toont zijn afschuw, en daarna vervloekte hij hen;
En zij zeggen tegen de kalief dat als hij haar niet afbrak,
Hij hulp, noch liefde, van zijn mannen zou krijgen.
”Heren,” zei de kalief die goed naar hen luisterde,
“Ik had een belofte aan mijn vader, toen hij zijn aardse leven beëindigde,
“Dat de christenen, die van een slecht geloof zijn,640
“Nooit kwaad door mij zouden ondervinden, en daaraan houd ik mijn woord;
“En de christenen hebben daar hieromtrent een oorkonde van,
“En zij moeten de kloosterkerk voor altijd recht houden.
“Nu, kijkt u eens hoe mijn eigen persoon hun zou kunnen
“Misdoen op welke wijze dan ook, zonder dat ik daartoe enig recht had!
“Ik zou erom worden berispt en het zou een grote zonde zijn.
“De man die zijn eed breekt begaat een zeer slechte daad,
“Aan de duivel van de hel vertrouwt hij zijn ziel toe.
“Heren,” zei de kalief, “wie ook een deugdzaam man is
“Moet zijn eed niet breken, dat is geenszins redelijk.650
“Maar kijkt u hoe wij de christenen schade zullen toebrengen,
“Met behoud van mijn eed, want zo willen wij het.”
”Heer,” zeggen de heidenen, “en wij zullen het u zeggen:
“De kloosterkerk die gebouwd is, welke wij wensen af te breken,
“Daarin is een pilaar die de stenen trappen ondersteunt;
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
157rlurvzcjiaxhuelsm0blod7bix5d
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/346
104
88180
225381
2026-08-23T18:30:04Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225381
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Et en mi che piler, che est drois li molons,
« A une pierre assise, la quelle nous r’arons.
« Il a ·c· ans passés qu’assis i fuit Mahons ;
« Or leur donna vos pères, dont che fu mesprisons.
« Ceste pierre, biaus sire, crestiens demandons :
« Il ne le porront rendre, pour vrai le vous disons,
« Si li monstiers n’est mis et par pièches et par mons ;
« Et s’il estoit desfais, jamais ne le larons
« Refaire chi-endroit. Ensément averons
« Faites et acomplies nostres ententions. »
« Seignour, » dist li califes, « et nous vous acordons
« Ceste pière à r’avoir. Mahon i asserrons ;
« Si comme fuit jadis, nous l’i remetterons.
« Maistre Thumas briefment chi-endroit manderons ;
« Maistres est des quaitis qui lor dist lor siermons. »
Et païen respondirent : « et nous vous en prions. »
Maistre Thumas mandèrent, qui les cheveus ot lons :
Prestres fuit courounés, si cantoit les lichons,
Les enfans baptisoit et rent confessions.
Ichius maistres Thumas estoit ·j· bons prod❜ons.
Li califes manda le boin maistre Thumas ;
Et quant li prod’ons ot le-mant dou Sathanas,
Adont i est venus tantost isnel le pas.
Quant le voit li califes, lors lui a dit : « prélas,
« Je t’ai ichi mandé, voïant mes advocaes.
« Si vocil que le grant pierre, honnie c’uns hanas
« De marbre reluisant entalliet à compas,
« Or est en ou piler devant saint Nicholas,
« Délivres à ma gent. Sé rendue ne l’as
« Entre chi et ·viij· jours, abatre t’en verraes
« Le monstier à tes eix et métre tout au bas.
« Ma gent voeillent r’avoir le pierre que tu as ;
« Mahon i poseront, Jupin ou Quaïdas.
« Il a ·c· ans ut plus c’on i mist à solas
« Mahon, le nostre Dieu : dont che n’est mie estas
</poem>
|valign=top|
<poem>
“En in het midden van die pilaar, dat is recht de constructie,
“Zit een steen geplaatst, welke wij terug zullen nemen.
“Het is honderd jaar geleden dat Mahomet daarop gezeten was;
“Nu gaf uw vader hem aan hen, wat een misstap was.
“Deze steen, schone heer, eisen wij van de christenen:660
“Zij zullen hem niet kunnen teruggeven, naar waarheid zeggen wij het u,
“Tenzij de kloosterkerk in stukken en in hopen wordt gelegd;
“En als zij afgebroken zou zijn, zullen wij hen nooit meer toestaan
“Haar hier ter plekke te herbouwen. Op die manier zullen wij hebben
“Gedaan en volbracht onze voornemens.”
”Heren,” zei de kalief, “en wij stemmen ermee in dat u
“Deze steen terugkrijgt. Mahomet zullen wij erin plaatsen;
“Zoals het eertijds was, zullen wij hem er weer in terugzetten.
“Meester Thomas zullen wij weldra hierheen ontbieden;
“Hij is de meester van de gevangenen die hun de preken houdt.”670
En de heidenen antwoordden: “en wij bidden u erom.”
Meester Thomas ontboden zij, die lange haren had:
Als priester was hij gekroond (getonsureerd), en hij zong de lessen,
De kinderen doopte hij en nam de biecht af.
Deze meester Thomas was een deugdzaam man.
De kalief ontbood de goede meester Thomas;
En toen de deugdzame man de oproep van de Satan vernam,
Toen is hij daar terstond met gezwinde spoed gekomen.
Toen de kalief hem ziet, toen heeft hij tegen hem gezegd: “prelaat,
“Ik heb u hier ontboden, ten aanschouwen van mijn raadslieden.680
“Zo wil ik dat de grote steen, gehouwen als een bokaal
“Van glanzend marmer, met de passer uitgesneden,
“Die nu in de pilaar voor de heilige Nicolaas zit,
“Overhandigt aan mijn volk. Indien u hem niet teruggegeven hebt
“Tussen nu en acht dagen, zult u toezien dat men afbreekt
“De kloosterkerk voor uw ogen en alles tot de grond toe gelijkmaakt.
“Mijn volk wil de steen terughebben die u heeft;
“Mahomet zullen zij erin plaatsen, Jupiter of Quaïdas.
“Het is honderd jaar of meer dat men er voor hun vreugde instelde
“Mahomet, onze God: het is geenszins een juiste zaak690
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
35uu6ppcfwkvwlf0asrb06lkdac41fb
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/347
104
88181
225382
2026-08-23T18:33:42Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225382
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Que li vous monstiers soit fais de nostre harnas. »
Quant le maistre l’oï, adont devint tous mas.
Si a dit au calife : « voir tu nous honniras,
« Sé rendons cheste pierre ! Hé ! roys, enchois aras
« De nostre avoir pleinté, tant qu’avoir en vauras. »
« Vous parlés pour noient, » dist le rois de Baudas,
« Je ne prenderoie mie tout l’avoir de Damas !
« Ma gent n’aroiient jammaes né joie, né soulas,
« Devant que cheste pierre rendue nous aras.
« Or faites c’on le r’act, et si n’en priés pas ;
« Car je l’escondiroiie le père Brohadas. »
Adonques fu li prestres dolans, tristes, et mas ;
Si a dit au calife : « mal m’a plait chius estaes ! »
Maistres Thumas repaire par denvers son monstier ;
La cloke fait sonneir, sans point de l’atargier,
Par coi li crestien viengnent à lui plaidier :
Et il i sont venu, ne le vaurent laissier.
Maistres Thumas monta en s’escafaut d’ormier,
Ainsi com il vousist à che gent préécheir,
Puis lor a dit « seignour, vèchi grant encombrier !
« Li califes m’a dit, ne le poons laissier,
« Que cheste pière là qui soustient no clochier,
« Que ches pères jadis nous fist si envoïer ;
« Or le voit li kalifes avoir, sans détrier,
« Et si n’en vocilt avoir né obole, né denier.
« S’en ·viij· jours ne le r’a ; il ferra despichier,
« Par le gent Sarasine, et verser no monstier.
« Et je suis bien chairtains qu’ou siècle n’a ouvrier,
« Ni homme nul, si sage, juques à Monpélier ;
« Qui nous poit, par s’avis, dire né conseillier
« C’on péust cheste pière hors du piler sachier,
« Sans le monstier abatre, et tout jus trébuchier.
« Et pour chou lé demandent le Sarrasins lanier ! »
Et quant li crestien oïrent che plaidier,
Adonkes commanchièrent trestout à larmoïer :
</poem>
|valign=top|
<poem>
“Dat uw kloosterkerk gebouwd is met onze uitrusting.”
Toen de meester het hoorde, toen werd hij geheel verslagen.
Zo heeft hij tegen de kalief gezegd: “waarlijk, u zult ons te schande maken,
“Als wij deze steen teruggeven! Hé! koning, in plaats daarvan zult u hebben
“Een overvloed van onze bezittingen, zoveel als u maar wilt hebben.”
”U spreekt voor niets,” zei de koning van Bagdad,
“Ik zou geenszins alle bezittingen van Damascus aannemen!
“Mijn volk zou nimmer noch vreugde, noch troost hebben,
“Voordat u ons deze steen teruggegeven zult hebben.
“Nu zorgt u dat men hem terugkrijgt, en smeekt er niet om;700
“Want ik zou hem weigeren aan de vader Brohadas.”
Toen was de priester bedroefd, triest en verslagen;
Zo heeft hij de kalief gezegd: “deze situatie bevalt mij slecht!”
Meester Thomas keert terug naar zijn kloosterkerk;
De klok laat hij luiden, zonder enig uitstel,
Opdat de christenen tot hem zouden komen om te beraadslagen:
En zij zijn daar gekomen, zij wilden hem niet in de steek laten.
Meester Thomas klom op zijn iepenhouten preekstoel,
Juist alsof hij tot dit volk wilde prediken,
Toen heeft hij tegen hen gezegd: “heren, ziehier een grote rampspoed!710
“De kalief heeft mij gezegd, we kunnen het niet ontlopen,
“Dat die steen daar die onze klokkentoren ondersteunt,
“Die hun vaderen ons eertijds zo hebben doen toekomen;
“Nu wil de kalief hem hebben, zonder uitstel,
“En hij wil er noch een obool, noch een penning voor aannemen.
“Als hij hem binnen acht dagen niet terugheeft; zal hij doen verbrijzelen,
“Door het Saraceense volk, en onze kloosterkerk doen omverwerpen.
“En ik ben er wel zeker van dat er ter wereld geen handwerksman is,
“Noch enig man, zo wijs, tot aan Montpellier toe;
“Die ons, door zijn inzicht, zou kunnen zeggen of raden720
“Hoe men deze steen uit de pilaar zou kunnen trekken,
“Zonder de kloosterkerk af te breken en alles in te doen storten.
“En daarom eisen de boosaardige Saracenen hem op!”
En toen de christenen deze woorden hoorden,
Toen begonnen zij allen tezamen te wenen:
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
ruw5t0yizbusqdmzfa7sd98fc5wiyf3
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/348
104
88182
225383
2026-08-23T18:38:59Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225383
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Et pleurent tenrement et enfant, et moullier,
Et raclament de coer le père droiturier
Qu’à che bosong le voille conforter et aidier :
Devant le cruchéfis se vont agennoullier.
Ensément qu’il estoiient en ichestui mestier,
Atant est Bauduins et Polibant, le fier ;
Ambedoi sont entrei par dedens le monstier :
Dont vient maistres Thumas à barons dérainsnier,
Et si lor demanda, sans point de délaier,
S’il croiient en Jhésu, qui tout a à jugier ?
« Oïl, » dist Bauduins, qui tant fist à prisier.
Adont maistres Thumas leur ala acointier
Du calife qui déult l’egglise trébuchier,
Par la pière Mahon le piler despichier :
« Si sommes si dolans bié cuidons marvoïer !
« Nė ne savons conseil qui nous en puist aidier.
« Né califes en voeilt icheste esreur laissier,
« Pour chose que je lui voeille donneir, né ottroïer ;
« Car ch’est pour nous irer, et le plus courechier.
« Qui le chien voeilt ocirre, tuer, et méhaignier,
« Le rage le met seure ; sé le fiert d’un levier ! »
« Seignour, » dist Bauduins, à le chière hardie,
« Veschi ·j· grant anoy, sé Diex me bénéie ;
« Car le pierre si est tèlement establie
« C’on ne le poet r’avoir, par nesune maistrie,
« S’on abat le monstier tout enmi le cauchie ;
« Sé Jhésus ne le fait qui de mort vient à vie.
« Or vous voel conseillier, s’il n’est qui m’en desdis :
« Vous, bonne gent, » dist-il, « or soit me vois oïe !
« Prendés confession trestout à une fie ;
« De bon coer repentant chascuns ses pichiés die.
« Quant l’asolution nous sarra ottroïe,
« Mettons-nous à gennous, pour Dieu je vous en prie,
« Devant le Cruchéfis, qui morut à hasquie,
« Et par devant l’image de la Vierge-Marie ;</poem>
|valign=top|
<poem>
En zij huilen teder, zowel kinderen als vrouwen,
En roepen van harte de rechtvaardige Vader aan
Dat Hij hen in deze nood wil troosten en helpen:
Voor het kruisbeeld gaan zij zich knielen.
Juist terwijl zij met deze vrome handeling bezig waren,730
Kwamen daar Boudewijn en Polybant, de trotse;
Beiden zijn binnengegaan in de kloosterkerk:
Toen komt meester Thomas om de baronnen toe te spreken,
En zo vroeg hij hun, zonder enig uitstel,
Of zij geloofden in Jezus, die over alles heeft te oordelen?
“Ja,” zei Boudewijn, die zozeer te prijzen was.
Toen ging meester Thomas hun op de hoogte stellen
Van de kalief die de kerk dacht te doen instorten,
Door voor de steen van Mahomet de pilaar te vernielen:
“Zo zijn wij zo bedroefd dat wij wel denken waanzinnig te worden!740
“Noch weten wij raad die ons hierin kan helpen.
“Noch wil de kalief deze dwaling laten varen,
“Voor iets wat ik hem zou willen geven of schenken;
“Want het is om ons te krenken, en ten zeerste te vertoornen.
“Wie de hond wil doden, slachten en verminken,
“Die verwijt hem hondsdolheid; en slaat hem met een knuppel!”
“Heren,” zei Boudewijn, met het moedige gelaat,
“Ziehier een grote kwelling, zo helpe mij God;
“Want de steen is immers zo geplaatst
“Dat men hem niet terug kan krijgen, door kunst noch vakmanschap,750
“Tenzij men de kloosterkerk midden op de straatweg afbreekt;
“Tenzij Jezus het doet, die van de dood tot het leven komt.
“Nu wil ik u raden, als er niemand is die mij tegenspreekt:
“Gij, goede mensen,” zei hij, “laat nu mijn stem gehoord zijn!
“Doet de biecht allemaal in één keer;
“Met een berouwvol hart noeme ieder zijn zonden.
“Wanneer de absolutie ons zal zijn geschonken,
“Laten wij ons op de knieën werpen, om Gods wil bid ik u erom,
“Voor het Kruisbeeld, die stierf in doodsangst,
“En voor het beeld van de Maagd Maria;760
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
hdygsla9b1kcvl5hm4g35gj3o8citbh
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/349
104
88183
225384
2026-08-23T18:42:16Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225384
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Pain et iauwe mengant, priant par estudie
« Que Diex nous voeille aidier, et faire courtosie.
« Et jou sui bien chartains, et si le vous affie,
« Sé nous sommes loïael et gent de bonne vie,
« Que Diex confortera toute la compaingnie. »
Et dist maistres Thumas : « par le corps saint Elye,
« Veschi belle rayson ; et mes corps s’i ottrie. »
Dont commanda chascun qu’il face sa partie
En itelle mannière, com li chose est taillie ;
Ni feme, ni enfant, n’ait le cose laissie.
Adont sont confessé, s’ont leur âme adréchie.
Mais Polibans manda qu’il ne prenderoit mie
Baptesme nullement en ichelle partie,
Ains serroit sa jovente decha mer baptisie.
Quant furent confessé toute la baronnie,
Agennoulliet se sont : n’i a che qui ne die
Orisons de bon coer de la Vierge prisie.
Là, junèrent ·ij· jour mengant pain et boulie ;
N’i a chel à pité qui ne pleure, né larmie :
Et prient au Seignour qui sa char ot perchie,
En la santisme crois navrée et travellie,
Et depuis au tier jour revint de mort à vie,
Et geta hors d’enfer toute humaine lignie,
Que reléchier voelle toute le compaignie.
Diex i fuist, au tiers jour, miracle moult prisie ;
Et c’on doit recordeir et croire sans folie :
Car il est approuvé et l’enseigne clergie.
L’escripture le dist, qui nous achertéfie
Que le pierre Mahon, qui ou mur fuit fiquie,
Sali hors du piler, coi que nul vous en die,
Droit enmi le monstier, c’onques ne fuit brisie.
Et demoura li traus, dont le pière ert widie,
Sans pière et sans quailliel, à cascune partie ;
Chou deseure soustient, par divine maistrie,
Tout en air proprement, n’el tenés à falie.
</poem>
|valign=top|
<poem>
“Brood en water etende, biddend met toewijding
“Dat God ons moge helpen, en ons gunst moge bewijzen.
“En ik ben er wel zeker van, en zo verzeker ik het u,
“Als wij loyaal zijn en mensen van een goed leven,
“Dat God het hele gezelschap zal troosten.”
En meester Thomas zei: “bij het lichaam van de heilige Elias,
“Dat is een schone reden; en mijn persoon stemt ermee in.”
Toen droeg hij iedereen op dat hij zijn aandeel zou leveren
Op dergelijke wijze, zoals de zaak is beslist;
Noch vrouw, noch kind, mag de zaak hebben nagelaten.770
Toen hebben zij gebiecht, en zo hun ziel gezuiverd.
Maar Polyband liet weten dat hij geenszins zou aannemen
De doop op generlei wijze in dit landsdeel,
Maar dat zijn jeugd aan deze zijde van de zee gedoopt zou worden.
Toen de hele ridderschap de biecht had afgelegd,
Hebben zij zich geknield: er is niemand die niet zegt
Gebeden van ganser harte tot de geprezen Maagd.
Daar vastten zij twee dagen, brood en pap etende;
Er is niemand die uit deernis niet weent of traant:
En zij bidden tot de Heer die Zijn vlees had laten doorboren,780
Aan het allerheiligste kruis gewond en gemarteld,
En die daarna op de derde dag terugkeerde van de dood tot het leven,
En het hele menselijke geslacht uit de hel wegleidde,
Dat Hij het hele gezelschap verlichting wil schenken.
God deed daar, op de derde dag, een zeer geprezen wonder;
En dat men moet gedenken en geloven zonder dwaasheid:
Want het is bewezen en de geestelijkheid onderwijst het.
De schrift zegt het, welke ons verzekert
Dat de steen van Mahomet, die in de muur was vastgezet,
Uit de pilaar sprong, wat men u er ook over moge zeggen,790
Recht in het midden van de kloosterkerk, zonder dat hij ooit werd gebroken.
En het gat bleef achter, waaruit de steen was leeggemaakt,
Zonder steen en zonder kei, aan elke zijde;
Dat wat erboven is steunt, door goddelijke meesterschap,
Geheel in de lucht op zichzelf, houdt het niet voor een leugen.
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
0dfokw1e7vhoumkv284nl0n292wrvia
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/350
104
88184
225385
2026-08-23T18:44:12Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225385
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Encore le voit-on en ichelle partie :
Qui croire ne m’en voelt, si voist ; car je l’en prie.
{{lijn|6em}}
</poem>
|valign=top|
<poem>
Nog altijd ziet men het in dat gewest:
Wie mij hierin niet geloven wil, die ga erheen; want ik verzoek het hem.
{{lijn|6em}}
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
tsv6rdlir333a1qnuhnhm07tm07eb5i
Boudewijn van Sebourg/ZANG XI
0
88185
225388
2026-08-23T18:48:25Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225388
wikitext
text/x-wiki
<pages index="Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf" from=327 to=350 header=1 />
7fog7m2fs1bx5tjekdsmuruk1ht078z
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/351
104
88186
225389
2026-08-23T18:51:40Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225389
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
!Brontekst
!Vertaling
|-
|valign=top|
{{c|{{xxxx-larger|'''LI ROMANS'''}}<br>{{larger|'''DE'''}}<br>{{xx-larger|'''BAUDUIN DE SEBOURC.'''}}}}
{{lijn|5em}}
{{c|{{larger|'''CHANT XII.'''}}}}
{{dhr|1.5em}}
<poem>
SÉGNOUR, ch’est vérités, en escript le trouvon,
Que li pilers se tient en sa condition :
Car il est trestous wis ensi qu’ens ou moilon ;
Che desseure se tient en air, bien le seit-on,
Qui l’egglise soustient. Che fist Diex par raison,
Par les bonnes prières et par confession.
Pour chou le ramentoy ; c’on ait dévotion
De lui à confesser, et de dire orison,
Et de raquère à Dieu et manaide et pardon :
Car j coers confessés, en grant contition,
A plus d’escout vers Dieu, qui souffri passion ;
Et li aide plus Diex, à son loïal beson,
Que chellui qui ne voeilt oile, communion.
Vé-le-chi approuvet par figuration :
Qui plaide devant juge, combien qu’il ait raison,
Quant le juges verra devant lui ·j· bricon,
Qui mase cote arra et mauvais chaperon ;
Li juges ne donra de lui ·j· soel botton,
Mal sarra escoutés à dire sa lichon.
Et s’il i vient ·j· nobles, qui d’avoir ait faison,
Li juges lui demande clèrement à haut ton
Quel cose il a afaire, et s’aidier le poet-on ?
La poit dire li nobles trestoute sa fachon,
Et prier c’on li fache avoir de lui raison.
Le juges lui ferra, sans nulle arrestion,
</poem>
|valign=top|
{{c|{{xxxx-larger|'''DE ROMANS'''}}<br>'''VAN'''<br>{{xx-larger|'''BAUDEWIJN VAN SEBOURG.'''}}}}
{{lijn|5em}}
{{c|{{larger|'''ZANG XII.'''}}}}
{{dhr|1.7em}}
<poem>
HEREN, het is de waarheid, we vinden het op schrift,
Dat de pilaar standhoudt in zijn toestand:
Want hij is helemaal leeg vanbinnen, zoals in de kern;
Wat erboven is houdt zich in de lucht, men weet het goed,
Dat de kerk ondersteunt. Dit deed God met reden,
Door de goede gebeden en door de biecht.
Daarom herinner ik eraan; dat men toewijding heeft
Om zich te biecht te gaan, en om gebeden op te zeggen,
En om van God hulp en vergeving te vragen:
Want een gebiecht hart, in groot berouw, 10
Heeft meer gehoor bij God, die het lijden onderging;
En God helpt hem meer, in zijn oprechte nood,
Dan degene die geen olie of communie wil.
Zie het hier bewezen door een gelijkenis:
Wie pleit voor een rechter, hoewel hij gelijk heeft,
Wanneer de rechter voor zich een sloeber zal zien,
Die een slechte kiel heeft en een slechte kap;
De rechter zal voor hem geen enkele knoop geven,
Hij zal slecht gehoord worden bij het opzeggen van zijn les.
En als er een edelman komt, die over fortuin beschikt, 20
Vraagt de rechter hem duidelijk en met luide stem
Wat hij te doen heeft, en of men hem kan helpen?
Daar kan de edelman heel zijn zaak uiteenzetten,
En bidden dat men hem recht doet wedervaren.
De rechter zal het hem doen, zonder enig uitstel,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
r4w4ix7cpb3d35yjr3ku8w85rgu7x6t
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/352
104
88187
225390
2026-08-23T18:59:36Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225390
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Et laira toutes coses pour aidier che baron.
Si faitement fait Diex au noble, chou sceit-on :
Mais ne veult pas noblèche de bliant siglaton,
Né de vair, né de gris ; n’en donne un esporon,
Entsois le veult loyal en sa condition,
Ch’est la nobletse Dieu, à chelui fait son don.
Par la volor de Dieu, qui se lassa péner,
Sali la pierre hors et issi dou piler ;
Droit en mi le monstier le vit-on cancheler.
Adont li crestien commenchent à plourer,
Et de coer humle, et dous, Jhésu à réclamer ;
Bauduin de Sebourch vont trestout encliner,
Pour l’amour dou conseil qui lor ara donner.
Puis on fait le calife isnèlement mander
Qu’il face venir querre le pierre, sans chesser ;
Et qu’il sont appresteit de la pière livrer.
·j· cristiés le va à calife conter.
Quant li califes ot oï chou recorder,
Cuida c’un li gabast ; adont ala monter
Sus un courant destrier, et fist o lui aleir
·lx· Sarrasins, pour la cose esgarder.
Dès-si jusq’u monstier n’i vaurent aresteir :
Li califes entre en, qui ni volt demoureir ;
Adont maistre Thumas li prist à escrier :
« Califes de Baudas, or en faites meneir
« Le pière Mahoumet que Diex puist craventer ! »
Adonques lui monstra d’encoste le piler.
Quant le voit li califes, le sens cuide derver ;
Puis a dit « fel glotton ! bien savés encanter.
« Par vostre encantement, dont vous savés ouvrer,
« Faites-vous che monstier ensi en air porter !
« C’est oevre de déable, c’est légier à prouver.
« Par Mahon ! vous serriés digne de l’embraser ! »
Adont sé regarda ; voit Polibant ester
D’encoste Bauduin, le jone bacheleir.
</poem>
|valign=top|
<poem>
En zal alle dingen laten om deze baron te helpen.
Zo doet God ook bij de edele, men weet het:
Maar Hij wil geen adeldom van rijke kleding,
Noch van bont, noch van grijs; Hij geeft er geen spoor voor,
Integendeel, Hij wil hem loyaal in zijn toestand, 30
Dat is de adeldom van God, aan hem schenkt Hij zijn gave.
Door de wil van God, die zich liet folteren,
Sprong de steen naar buiten en kwam uit de pilaar;
Midden in de kerk zag men hem wankelen.
Toen begonnen de christenen te huilen,
En met een nederig en zacht hart Jezus aan te roepen;
Ze gaan zich allemaal buigen voor Boudewijn van Sebourc,
Omwille van de raad die hij hun zal geven.
Vervolgens laat men de kalief snel ontbieden 40
Zodat hij de steen laat halen, zonder ophouden;
En dat zij bereid zijn de steen te leveren.
Een christen gaat het de kalief vertellen.
Toen de kalief dit hoorde overbrengen,
Dacht hij dat men met hem spotte; toen steeg hij
Op een snel strijdros, en liet met hem meegaan
Zestig Saracenen, om de zaak te aanschouwen.
Tot aan de kerk wilden zij niet stoppen:
De kalief gaat naar binnen, hij die niet wilde wachten;
Toen begon meester Thomas hem toe te roepen: 50
“Kalief van Bagdad, laat nu weghalen
De steen van Mohammed, dat God hem moge vernietigen!”
Toen toonde hij hem de pilaar daarnaast.
Toen de kalief het ziet, denkt hij dat hij gek wordt;
Toen zei hij: “Schurk! U weet goed te betoveren.
Door uw tovenarij, waarmee u weet te werken,
Laat u deze kerk zo in de lucht dragen!
Dit is het werk van de duivel, dat is gemakkelijk te bewijzen.
Bij Mohammed! U verdient het om verbrand te worden!”
Toen keek hij rond; hij ziet Polyban staan 60
Naast Boudewijn, de jonge schildknaap.
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
782cf104soev59cf91hcwl2ncr46odr
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/353
104
88188
225391
2026-08-23T19:01:10Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225391
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Ch’ert ses cousins germains, lors le va raviser ;
Sé li dist : « Polibant, je vous voeil acoleir. »
Lors l’ahet à ·ij· bras, pour le prinche fester.
Et Polibans s’escrie : « volliés en sus aleir !
« Car ché vous ne volés Jhésu-Crist aourer,
« Si vous traiés en sus ; ne vous poroie amer :
« Car je croi Jhésu-Crist qui se lassa péner
« En la saintisme crois, pour nous à raquateir. »
Quant li califes l’ot, le sens cuide derver ;
Il escrie à ches hommes « or le m’alés combrer !
« Je ferai le glotton en ma chartre geter.
« J’ains miex que je li fache morir et dévier,
« C’on me puist nullement dire, né reprouver,
« Que j’aie nul parent qui fache décliner
« Le loy de Mahoumet, qui tant fait à loer. »
Adont li Sarrasins vont Polibant combrer :
Et quant Polibans vit c’on le voiloit haper ;
D’un coutel, qu’il sacha, va un païen fraper
Qu’il le fist le boïaus à terre traïner.
Bauduins de Sebourc ne s’i volt arester ;
Pour le sien compaingnon aidier et conforter,
A trait le branc d’achier. Jà s’i alast meller,
Quant tout li cristien le ceurent acoleir ;
Et li ont dit « chiers sires, volé-vous chi finer ?
« Chertes, s’un trestout soel en alés adéser ;
« Tous li ors de che mont ne vous poroit tenser
« Qu’il ne vous convenist morir sans arester. »
A grant paine le font en sa pais demourer.
Li califes en fait le sien cousin guier ;
Puis le fist en sa chartre balanchier et ruer ;
Et jure Mahoumet, où il se doit fier,
Jamais il ne laira Polibant escapeir.
Et Bauduins remest, où il n’ot qu’amender.
Là, priist si grant annoi, si com j’oïs conter,
C’une grant maladie li va ou corps entrer ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
Het was zijn volle neef, toen herkent hij hem;
En hij zei tegen hem: “Polyban, ik wil u omarmen.”
Toen neemt hij hem met twee armen om de prins te vieren.
En Polyban roept uit: “Ga achteruit!
Want als u Jezus Christus niet wilt aanbidden,
Trek u dan terug; ik zou niet van u kunnen houden:
Want ik geloof in Jezus Christus die zich liet folteren
Aan het allerheiligste kruis, om ons vrij te kopen.”
Toen de kalief het hoorde, dacht hij dat hij gek werd; 70
Hij roept naar zijn mannen: “Ga hem nu grijpen!
Ik zal de schurk in mijn kerker werpen.
Ik heb liever dat ik hem laat sterven en vergaan,
Dan dat men mij op enige wijze kan zeggen of verwijten
Dat ik een bloedverwant heb die afwijkt
Van de wet van Mohammed, die zo geprezen moet worden.”
Toen gingen de Saracenen Polyban grijpen:
En toen Polyban zag dat men hem wilde vangen;
Met een mes, dat hij trok, gaat hij een heiden slaan
Zodat hij diens ingewanden over de grond liet slepen. 80
Boudewijn van Sebourc wilde niet wachten;
Om zijn metgezel te helpen en te troosten,
Heeft hij zijn stalen zwaard getrokken. Hij zou zich er al in mengen,
Toen alle christenen toesprongen om hem te omarmen;
En ze zeiden tegen hem: “Dierbare heer, wilt u hier sterven?
Immers, als u er ook maar één aanraakt;
Al het goud van deze wereld zou u niet kunnen beschermen
Of u zou onmiddellijk moeten sterven.”
Met grote moeite lieten ze hem in vrede blijven.
De kalief laat zijn neef wegvoeren; 90
Vervolgens liet hij hem in zijn kerker werpen;
En hij zweert bij Mohammed, op wie hij moet vertrouwen,
Dat hij Polyban nooit zal laten ontsnappen.
En Boudewijn bleef achter, waar hij niets aan kon veranderen.
Daar kreeg hij zo'n groot verdriet, naar ik hoorde vertellen,
Dat er een grote ziekte in zijn lichaam voer;
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
rgo6pe4lbitr3otsycf61lg11bkm3sp
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/354
104
88189
225392
2026-08-23T19:05:19Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225392
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
De coi il le couvient en son lit demorer :
Et là cuida morir, si se fist confesser,
Puis ferri en langeur dont ne pot respasser.
Si vendi son cheval ; son brant d’achier cler ;
Toutes ses arméures li convient aliuver ;
Et ches dras il vendi, pour bore et pour disner.
Quant il n’ot plus de fin, si le fist-on aleir
A une hostélerie dormir et reposer,
Où crestien fasoient les povres hosteler :
Illoeques fuit lonc tamps, pour le sien mal curer ;
Grant paine et grant angoisse li convient endurer,
Car en estrainges liex a-on moult à porter.
Puis c’uns hons est malades, en estrainge païs,
Il poet bien trouver moult poi de bons amis ;
Quant en son propre lieu, là où on est nouris,
A souvent povres hons famines et durs lis.
Bauduins de Sebourch fuit masement servis.
Diex ! que la maladie li taindi corps et vis !
Maigres devient, et foibles, et forment amatis.
S’ot une maladie, au voloir Jhésu-Cris,
Dont telle punasie rendoit ichius marchis
Que devant l’uis ne passe crestiens, nė Juïs,
Qu’il n’estoupe son nės ; de ce soiiès tous fis.
Li sires qui gardoit l’ôpital dont je dis
Fist lever Baudewin, qui tant est afloïbis,
Hors de l’ostélerie fi le cevaliers mis.
Par deseure une pière s’est Bauduins assis,
Et a dit « mère Dieu, dame de paradis,
« Tant d’onneur ai éut et de vairs, et de gris,
« De robes, et des joïaus, et de destriés de pris,
« Biaus bores, biaus maingniers, tant de carnés délis !
« Or sui, à voloir Dieu, en tel povreté mis
« Que n’ai pas vailiant ·j· tout seu parisis.
« Jhėsu, je t’en gratie, qui es pères et fils ;
« Si tu m’envoies mal, che’est tous mes pourfis :
</poem>
|valign=top|
<poem>
Waarop hij in zijn bed moest blijven:
En daar dacht hij te sterven, dus liet hij zich biechten,
Vervolgens verviel hij in een kwijnende ziekte waarvan hij niet kon herstellen.
Dus verkocht hij zijn paard; zijn blanke stalen zwaard; 100
Al zijn wapenuitrusting moest hij van de hand doen;
En zijn kleren verkocht hij, om te drinken en te eten.
Toen hij niets meer had, liet men hem gaan
Naar een herberg om te slapen en te rusten,
Waar christenen de armen onderdak boden:
Daar verbleef hij lange tijd om zijn kwaal te genezen;
Grote pijn en grote angst moest hij doorstaan,
Want in vreemde oorden heeft men veel te verdragen.
Wanneer een man ziek is, in een vreemd land,
Kan hij wel heel weinig goede vrienden vinden; 110
Terwijl in zijn eigen plaats, daar waar men is gegroeid,
Een arm mens vaak honger heeft en harde bedden.
Boudewijn van Sebourc werd slecht bediend.
God! Wat veranderde de ziekte zijn lichaam en zijn gezicht!
Mager wordt hij, en zwak, en hevig verzwakt.
Hij had een ziekte, door de wil van Jezus Christus,
Waarvan zo'n stank uitging van deze markies
Dat voor de deur geen christen of jood passeert
Zonder zijn neus dicht te knijpen; wees daar zeker van.
De heer die het hospitaal bewaarde waarvan ik spreek, 120
Deed Boudewijn opstaan, die zo verzwakt is,
En de ridder werd uit de herberg gezet.
Op een steen is Boudewijn gaan zitten,
En hij zei: “Moeder van God, dame van het paradijs,
Zoveel eer heb ik gehad, en van bont en van grijs,
Van gewaden, en van juwelen, en van kostbare strijdrossen,
Mooie burchten, mooie landhuizen, zoveel heerlijk vlees!
Nu ben ik, naar de wil van God, in zo'n armoede gebracht
Dat ik nog geen enkele {{SIC|parisis|Parijse munt}} waard ben.
Jesus, ik dank u, die vader en zoon bent; 130
Als u mij het kwaad stuurt, is dat geheel in mijn voordeel:
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
h9q2xrnbth3i1b50morcgscfuvydxdo
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/355
104
88190
225393
2026-08-23T19:06:57Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225393
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Je le tieng à pénanche, et en fais et en dis.
« Encore, si vous voiliés, vrais Diex, aroie pis !
« Tenème en vraie foi, biaus pères Jhésu-Cris,
« Envoïème assés mal, adès de pis en pis !
« Plus en ai déservi que je n’en sui servis ! »
Ensi dist Bauduins, li preus et li gentis.
Il fuit dessus le pierre, tant qu’il fu miedis,
C’on ne li aporta, par sens et par avis,
A mengier, ni à bore, nie plus c’une soris :
Et si mengast trè bien, car ches maus fu faintis ;
Bien boivot et mengnoit, ja ne fust rasouffis,
Et s’estoit cescun jour de sa force amenris.
Là n’i ot crestien dont fuit de riens servis,
Car cascuns si furoit com s’il fuit kiens rabis ;
Chellui cui il mesquiet on mésoffre toudis.
Or fu en povre point Bauduins, au coer fier.
Quant vit c’on ne li donne à boire, n’à mengier,
De la pierre se liève ; d’un baston du pumier
S’ala li frans vassaus vistrement apoïer ;
Par la chité s’en va, loant le droiturier
Dou mal que lui faisoit là endroit envoïer.
La rue crestiène s’en va du pain prieir ;
Persone ne trouva qui li donst à maingnier.
N’avoit soleir, né cauche, né braie, né braiier,
Fors un povre auqueton, aussi noir que chendrier :
Magre avoit li viaire, si bras sont menuier.
Il ne soloit avoir, el mont, plus bel princhier !
Or le tienent, la gent, à ·j· très lait loudier.
Li hons qui est malades, sans se char acangier,
On dist car il se faint souvent, en reprouvier :
Mais tel raison n’estoit à Bauduin mestier.
La rue erestianne Bauduins trespassa ;
Ains ne trouva personne qui dou pain lui donna,
Pour Dieu, né pour sa mère, pour cui le demanda.
Quant le voit Bauduins, tenrement en ploura ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
Ik beschouw het als boetedoening, in daden en in woorden.
En als u zou willen, ware God, zou ik het nog slechter hebben!
Houd mij in het ware geloof, schone vader Jezus Christus,
Stuur mij gerust kwaad, steeds van kwaad tot erger!
Ik heb er meer van verdiend dan ik ermee gediend ben!”
Zo sprak Boudewijn, de dappere en de edele.
Hij zat op de steen tot het middag was,
Zonder dat men hem, uit verstand of inzicht,
Te eten bracht of te drinken, niet meer dan aan een muis: 140
En hij zou heel goed gegeten hebben, want deze ziekte putte hem uit;
Hij dronk en at goed, zonder ooit verzadigd te zijn,
En hij was elke dag in zijn kracht verminderd.
Daar was geen christen door wie hij in iets bediend werd,
Want iedereen ontvluchtte hem alsof hij een dolle hond was;
Wie tegenspoed treft, wordt altijd slecht behandeld.
Nu was Bauduin, met zijn trotse hart, in een deerniswekkende staat.
Toen hij zag dat men hem niets te drinken of te eten gaf,
Staat hij op van de steen; op een stok van een appelboom
Ging de edele vazal zich vlot ondersteunen;150
Door de stad gaat hij, de Rechtvaardige lovend
Voor de kwaal die Hij hem naar die plek stuurde.
In de christelijke straat gaat hij om brood bedelen;
Hij vond niemand die hem te eten gaf.
Hij had geen schoen, noch kous, noch broek, noch gordel,
Behalve een arme wambuis, zo zwart als een aslade:
Mager was zijn gezicht, zijn armen waren dun.
Er placht ter wereld geen mooiere prins te zijn!
Nu hielden de mensen hem voor een zeer lelijke schooier.
De man die ziek is, zonder dat zijn lichaam verandert,
Van hem zegt men vaak bij wijze de berisping dat hij liegt:160
Maar zo'n argument kon Bauduin niet helpen.
De christelijke straat ging Bauduin door;
Hij vond niemand die hem brood gaf,
Voor God noch voor Zijn moeder, voor wie hij erom vroeg.
Toen Bauduin dat zag, huilde hij teder;
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
qw3o6aualqf7sjgd32zgrb7c3qp8ub4
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/356
104
88191
225394
2026-08-23T19:09:17Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225394
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Devers le chiel regarde, et Jhésum aoura,
Et dist « je te gratie, Diex qui mon corps fourma,
« Car je averai miex, ou pis, quant te plaira.
« Tu me poes bien deffaire, quant tes noms me créa ;
« Qui ne t’en regratie, jà t’amour n’averra. »
Ensément Bauduins chelle rue cherqua,
Tant qu’à ·j· chavetier Bauduins s’arresta,
Qui chavales cousoit ; son pain en garigna :
Jones fu et plaisans, apertement ouvra.
Bauduins le regarde, c’onques mot ne parla.
Voit le li chavetiers ; adont lui demanda :
« Es-tu de mon mestier ? » dist-il, « n’el choilés jà. »
« Chertes, » dist Bauduins, « ains mes corps n’en ouvra ;
« Mais je vous regardoie pour chou que mes piés n’a
« Né cauches, né solers ; n’ai éut lonc tamps a.
« Donne-moi un solers, pour Dieu qui tout créa,
« Et un poi de ton pain ; et mes corps t’en dira
« Trois fois le patre-nostre, qu’à l’escole apris ja,
« Car je sui le plus povres c’onkes Diex estora.
« Si te pri, el non Dieu qui sa mort pardonna,
« Et de la mère Dieu qui ·ix· mos le porta,
« Et au chief de ·ix· mos, puchelle, en délivra ;
« Donne-moi de che pain que delès vous voi là. »
Oït le li chavetiers, adont le regarda :
Si très povres le vit, qui tel piteit en a
Qu’il oit, as caudes larmes tenrement en plora ;
Puis li a dit « preud’ons, pour Dieu entendés cha :
« En l’onneur de la Vierge, que Diex tant honnera,
« Vous donrai à maingnier, si ne vous faura jà ;
« Tant que j’ai ·j· denier le maille on vous donra. »
Lors li donne son pain : et Bauduins prist l’a ;
Tout ensi que dervės il le desvolepa.
Adont le chavetiers ·j· sollers li donna ;
Et une cote grise tantost lui endossa,
Trop courte fuit d’un piet, ses aquetons passa.
</poem>
|valign=top|
<poem>
Naar de hemel kijkt hij en bad tot Jezus,
En zei: “Ik dank U, God die mijn lichaam heeft gevormd,”
“Want ik zal het betere of het slechtere hebben wanneer het U behaagt.”
“U kunt mij wel breken, U wiens naam mij heeft geschapen;”
“Wie U niet dankt, zal nooit Uw liefde verwerven.”170
Zo zocht Bauduin die straat af,
Totdat Bauduin bij een schoenmaker stilhield,
Die schoenen naaide; hij verdiende er zijn brood mee:
Hij was jong en aangenaam, en werkte behendig.
Bauduin bekijkt hem zonder een woord te spreken.
De schoenmaker ziet hem; toen vroeg hij hem:
“Ben je van mijn vak? Zeg het, verberg het niet.”
“Zeker,” zei Bauduin, “nooit heeft mijn lichaam dat werk gedaan;”
“Maar ik bekeek u omdat mijn voeten geen”
“Kousen of schoenen hebben; ik heb ze al lang niet meer gehad.”180
“Geef mij een schoen, omwille van God die alles schiep,”
“En een beetje van uw brood; en mijn lichaam zal u”
“Driemaal het Onzevader opzeggen, dat ik vroeger op school heb geleerd,”
“Want ik ben de armste die God ooit heeft voortgebracht.”
“Dus bid ik u, in de naam van God die Zijn dood vergaf,”
“En van de Moeder Gods die Hem negen maanden droeg,”
“En na negen maanden, als maagd, van Hem beviel;”
“Geef mij van dat brood dat ik daar naast u zie liggen.”
De schoenmaker hoorde het en bekeek hem:
Zo ontzettend arm zag hij hem, dat hij zulk een medelijden kreeg190
Dat hij met hete tranen teder wende;
Toen zei hij tot hem: “Vrome man, luister hiernaar om Gods wil:”
“Ter ere van de Maagd, die God zozeer eerde,”
“Zal ik u te eten geven, en het zal u nooit ontbreken;”
“Zolang ik een denier heb, zal de helft u gegeven worden.”
Toen gaf hij hem zijn brood: en Bauduin nam het aan;
Net zoals een bezetene/hongerige pakte hij het uit.
Toen gaf de schoenmaker hem een schoen;
En een grijze mantel trok hij hem meteen aan,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
dbx8yd9udyg7q2zofqnugjzfj5qtm4e
225396
225394
2026-08-23T19:15:09Z
Havang(nl)
4330
225396
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Devers le chiel regarde, et Jhésum aoura,
Et dist « je te gratie, Diex qui mon corps fourma,
« Car je averai miex, ou pis, quant te plaira.
« Tu me poes bien deffaire, quant tes noms me créa ;
« Qui ne t’en regratie, jà t’amour n’averra. »
Ensément Bauduins chelle rue cherqua,
Tant qu’à ·j· chavetier Bauduins s’arresta,
Qui chavales cousoit ; son pain en garigna :
Jones fu et plaisans, apertement ouvra.
Bauduins le regarde, c’onques mot ne parla.
Voit le li chavetiers ; adont lui demanda :
« Es-tu de mon mestier ? » dist-il, « n’el choilés jà. »
« Chertes, » dist Bauduins, « ains mes corps n’en ouvra ;
« Mais je vous regardoie pour chou que mes piés n’a
« Né cauches, né solers ; n’ai éut lonc tamps a.
« Donne-moi un solers, pour Dieu qui tout créa,
« Et un poi de ton pain ; et mes corps t’en dira
« Trois fois le patre-nostre, qu’à l’escole apris ja,
« Car je sui le plus povres c’onkes Diex estora.
« Si te pri, el non Dieu qui sa mort pardonna,
« Et de la mère Dieu qui ·ix· mos le porta,
« Et au chief de ·ix· mos, puchelle, en délivra ;
« Donne-moi de che pain que delès vous voi là. »
Oït le li chavetiers, adont le regarda :
Si très povres le vit, qui tel piteit en a
Qu’il oit, as caudes larmes tenrement en plora ;
Puis li a dit « preud’ons, pour Dieu entendés cha :
« En l’onneur de la Vierge, que Diex tant honnera,
« Vous donrai à maingnier, si ne vous faura jà ;
« Tant que j’ai ·j· denier le maille on vous donra. »
Lors li donne son pain : et Bauduins prist l’a ;
Tout ensi que dervės il le desvolepa.
Adont le chavetiers ·j· sollers li donna ;
Et une cote grise tantost lui endossa,
Trop courte fuit d’un piet, ses aquetons passa.
</poem>
|valign=top|
<poem>
Naar de hemel kijkt hij en bad tot Jezus,
En zei: “Ik dank U, God die mijn lichaam heeft gevormd,”
“Want ik zal het betere of het slechtere hebben wanneer het U behaagt.”
“U kunt mij wel breken, U wiens naam mij heeft geschapen;”
“Wie U niet dankt, zal nooit Uw liefde verwerven.”170
Zo zocht Bauduin die straat af,
Totdat Bauduin bij een schoenmaker stilhield,
Die schoenen naaide; hij verdiende er zijn brood mee:
Hij was jong en aangenaam, en werkte behendig.
Bauduin bekijkt hem zonder een woord te spreken.
De schoenmaker ziet hem; toen vroeg hij hem:
“Ben je van mijn vak? Zeg het, verberg het niet.”
“Zeker,” zei Bauduin, “nooit heeft mijn lichaam dat werk gedaan;”
“Maar ik bekeek u omdat mijn voeten geen”
“Kousen of schoenen hebben; ik heb ze al lang niet meer gehad.”180
“Geef mij een schoen, omwille van God die alles schiep,”
“En een beetje van uw brood; en mijn lichaam zal u”
“Driemaal het Onzevader opzeggen, dat ik vroeger op school heb geleerd,”
“Want ik ben de armste die God ooit heeft voortgebracht.”
“Dus bid ik u, in de naam van God die Zijn dood vergaf,”
“En van de Moeder Gods die Hem negen maanden droeg,”
“En na negen maanden, als maagd, van Hem beviel;”
“Geef mij van dat brood dat ik daar naast u zie liggen.”
De schoenmaker hoorde het en bekeek hem:
Zo ontzettend arm zag hij hem, dat hij zulk een medelijden kreeg190
Dat hij met hete tranen teder wende;
Toen zei hij tot hem: “Vrome man, luister hiernaar om Gods wil:”
“Ter ere van de Maagd, die God zozeer eerde,”
“Zal ik u te eten geven, en het zal u nooit ontbreken;”
“Zolang ik een denier heb, zal de helft u gegeven worden.”
Toen gaf hij hem zijn brood: en Bauduin nam het aan;
Net zoals een bezetene/hongerige pakte hij het uit.
Toen gaf de schoenmaker hem een schoen;
En een grijze mantel trok hij hem meteen aan,
Een voet te kort, die over zijn wambuis viel.200
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
my4kipwlhtzkrcpvq3bxh79jmun2b6o
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/357
104
88192
225395
2026-08-23T19:14:31Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225395
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Par Dieu, » dist Bauduins, « ceste cote mal va ! »
« E ! » dist le chavetiers, « grant caure vous fera ;
« Or prendés tout en grei, et Diex vous aidera. »
Bauduins de Sebourc est à ostel venus
D’un très bon chavetier dont il fu revestus ;
Et s’ot ·j· viés sollers, car les piés avoit nus.
La nuit li fist souper boin poisson au vergus
Et li manda dou vin. Là, fu Bauduins drus,
Et a dit « mère Dieu, roïne de lassus,
« S’ore savoit m’amie, que Diex fache salus,
« C’uns si fais truans fust le mien corps devenus ;
« D’annoi esragerot ses frans coers estléus.
« Mais sé garir pooie, que le vausist Jhésus,
« Jamais je ne serroie né truans né cabus. »
Le chavetiers li crie : « vous soïés bien venus !
« Mengiés et si beuvės, et si n’i pensés plus ;
« Car jà ne vous faurai, par Dieu qui fu vendus.
« Et, s’en vostre santé estiés bien revenus,
« Je vous aprenderoie, par les sains de lassus,
« A refaire solers ; s’en seriés retenus. »
Bauduins ne respont, ains s’est de che téus.
Et dist le chavetiers : « n’est-che point vous argus
« D’aprendere mon mestier et de faire tout sus ? »
Et Bauduins respont, li preus et li membrus :
« J’ameroic trop miex que je fuisse pendus ! »
Quant li chavetiers ot Bauduin le poissant,
A rire en commencha, grant joie va menant ;
Si dist à Bauduin : « or, n’alés desprisant
« Nostre gentil mestier : chavetier sont vaillant,
« Et che bovent le vin comme plus souffisant.
« Et si vous vient à point ce que je vois gaignant. »
« Chertes, » dist Bauduins, « ne vous voi pas blamant :
Dou bien que m’aveis fait vous vois regratiant ;
« Et s’avoir puis pooir, jamais en mon vivant,
« Bien le vous mérirai, s’il plaist à Dieu le grant. »
</poem>
|valign=top|
<poem>
“Bij God,” zei Bauduin, “deze mantel zit erg slecht!”
“Ach!” zei de schoenmaker, “hij zal u veel warmte geven;”
“Neem nu alles in dank aan, en God zal u helpen.”
Boudewijn van Sebourch is bij een herberg/woning gekomen
Van een zeer goede schoenmaker door wie hij werd gekleed ;
En hij had een paar oude schoenen, want zijn voeten waren naakt.
's Nachts liet hij hem een avondmaal eten van goede vis ‘au vergus’
En hij liet hem wijn brengen. Daar werd Boudewijn vrolijk,
En heeft gezegd “moeder Gods, koningin van hierboven,
“Als mijn geliefde nu wist, dat God haar segene,210
“Dat zo'n landloper mijn lichaam is geworden ;
“Van verdriet zou haar edele, uitverkoren hart krankzinnig worden.
“Maar als ik kon genezen, mocht Jezus het willen,
“Dan zou ik nooit meer een landloper of een bedrieger zijn.”
De schoenmaker roept hem toe: “wees welgekomen !
“Eet en drink, en denk er niet meer aan ;
“Want nooit zal ik u in de steek laten, bij God die werd verraden.
“En, als u weer goed in uw gezondheid was teruggekeerd,
“Zou ik u leren, bij de heiligen hierboven,
“Om schoenen te herstellen ; daar zou u mee geholpen zijn.”220
Boudewijn antwoordt niet, maar heeft daarover gezwegen.
En de schoenmaker zegt: “is het niet uw wens
“Om mijn ambacht te leren en dat meteen te gaan doen ?”
En Boudewijn antwoordt, de dappere en de sterke:
“Ik zou nog veel liever willen dat ik werd opgehangen !”
Toen de schoenmaker de machtige Boudewijn hoorde,
Begon hij te lachen, grote vreugde toont hij ;
En zei tegen Boudewijn: “kom, ga niet minachtend doen
“Over ons edele ambacht: schoenmakers zijn dapper,
“En zij drinken wijn als de allerrijksten.230
“En zo komt u goed van pas wat ik ga verdienen.”
“Zeker,” zei Boudewijn, “ik zie u niet als berispelijk:
Voor het goede dat u mij gedaan hebt, ga ik u danken ;
“En als ik ooit de macht verkrijg, nooit in mijn leven,
“Zal ik het u goed vergelden, als het God de Grote behaagt.”
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
0chighh8ld60a8x9f4ngofzwd7jlni8
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/358
104
88193
225397
2026-08-23T19:19:54Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225397
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Ciertes, bien le méri Bauduwins le vallant ;
Car puis l’en fist porter couronne d’or luisant,
Et fui roys de Baudas, chu dient le romant :
Et les vraies croniques nous vont séneffiant
Que Bauduins fist roi dou chavetier sachant,
Pour le bien qu’il lui fist, quant besong en ot grant.
Car on en doit pas prendre, che dient li auquant,
Courtosie né don, de persone vivant,
S’en aucune mannière, en fait ou en samblant,
N’en voelt-on remérir, quant on voit l’aparant.
Bauduins de Sebourc, à le chière membrée,
Fu o le chavetier ostelės la vesperée.
De ses biens lui donna adont mainte journée,
Tant com il ot le char garie et respassée.
Une grise cote ot Bauduins endossée ;
Courte li fuit d’un piet et si li fu poi lée,
Si qu’en vestir li est trestoute desquiflée.
Puis avient, à che tamps dont je fai divisée,
Que li califes fu en sa sale pavée :
Là, disoiient sa gent ; que la gent crestiénée
Serroit bonne essillie, et de Baudas boutée.
« Seignour, »dist li califes qui la chière ot membrée,
« Quant je leu demandai le grande pière lée,
« Tantost le me baillièrent, ch’est vérités prouvée :
« Leur egglise ne fu chéue né versée.
« Or, ne sai tour viser dont leur loy soit faucée ! »
Là, ot ·j· Sarrasins qui le barbe ot mellée,
N’avoit plus sage Turc dusques en Galilée ;
Ebrieu savoit parler, le raison de Judée,
·xxx· langages sot par soutile pensée ;
Si savoit le Latin miex que personne née.
As crestiens avoit despitté mainte année,
Et on li ot aussi l’escripture monstrée,
Et le loy Jhésu-Crist et dicte et recordée ;
Tant qu’une rayson vit en no loy ordonnée
</poem>
|valign=top|
<poem>
Zeker, goed gold Boudewijn de dappere het hem;
Want later liet hij hem een glanzende gouden kroon dragen,
En hij werd koning van Bagdad, zo zeggen de romans :
En de ware kronieken gaan ons te kennen geven
Dat Boudewijn de wize schoenmaker koning maakte,240
Voor het goede dat hij hem deed, toen hij grote nood had.
Want men moet immers niet aannemen, zo zeggen sommigen,
Hoffelijkheid noch geschenk, van een levend persoon,
Als men dat niet op een of andere manier, in daad of in schijn,
Wil vergelden, wanneer men de gelegenheid ziet.
Boudewijn van Sebourch, met het sterke gelaat,
Was bij de schoenmaker gehuisvest in de avond.
Van zijn goederen gaf hij hem toen menige dag,
Zolang hij zijn lichaam genezen en hersteld had.
Een grijze mantel had Boudewijn aangetrokken ;250
Hij was wel een voet te kort , en hij was versleten,
Zodat hij bij het aantrekken helemaal openscheurde.
Toen gebeurde het, in die tijd waarover ik vertel,
Dat de kalief in zijn geplaveide zaal was :
Daar zeiden zijn mensen ; dat het christenvolk
Goed verbannen zou worden, en uit Bagdad verdreven.
“Heren,” zei de kalief die een krachtig gelaat had,
“Toen ik hun om de grote platte steen vroeg,
“Gaven ze hem mij meteen, dat is een bewezen waarheid :
“Hun kerk is niet ingestort of omvergeworpen.260
“Nu weet ik geen list te bedenken waardoor hun geloof vals blijkt !”
Daar was een Saraceen die een gemêleerde baard had,
Er was geen wijzere Turk tot in Galilea toe ;
Hebreeuws wist hij te spreken, de taal van Judea,
Dertig talen kende hij door scherpzinnig denken ;
En hij kende het Latijn beter dan enig geboren mens.
De christenen had hij menig jaar geminacht,
En men had hem ook de schrift getoond,
En het geloof van Jezus Christus zowel gesproken als herinnerd ;
Totdat hij een stelling zag in ons geloof geordend270
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
ghb8jln4mwyxti93kdjajlormioz674
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/359
104
88194
225398
2026-08-23T19:22:37Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225398
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Que Diex dit proprement, entchois que fuist pénée
Sa digne char, en crois férue, né cloée.
Car Diex dist de sa bouche, le rayson est prouvée
En le sainte escripture dont nous loys est fondée :
Que s’il estoit jhons, en créanche rieuellée,
Si bons et si loïaus, de si vraie pensée ;
Qu’otant de justetet fust en lui espirée
C’uns grains de séneveil est grans en mi la prée ;
Porroit dire briefment : « os-tu, montaigne lée,
« Je voel que tu t’en vois sir en cheste valée. »
Et sé li loïautés estoit en lui entée,
Otan c’uns grains est grans en lui en corporée ;
Li montaingne, à son dit, seroit tost eslevée,
Et s’en iroit scioir où chuis l’airoit rouvée.
Ensi chius Sarrasins a calife contée
Cheste rayson-ichi que je vous ai contée.
Quant li califes l’ot, si dist sans demourée :
« Par cheste voie-chi, que m’avés recordée,
« Aront li crestien la vie définée !
« Car ché le mont de Thir, qui tant a renommée,
« Ne me fon eslongier de chi demi louvée ;
« Je les ferai morir, et widier ma contrée. »
Ensi a li califes en lui cheste pensée.
Il est mal avisés ; car n’est persone née
Qui ait de justeté demie, né denrée ;
Car il n’est si preud’ons, dechà le mer salée,
Né delà cnsément jouques en Gallilée :
Tant éut fait de bien è science réueillée ;
Pénanches, abstinanches, ni orisoen contée ;
Né junet ensément, né le Vierge honnourée
Servir tout son vivant, en dévote pensée ;
Et par confession cust sa vie usée ;
C’on puist juste appeller, ch’est vérités prouvée.
Aj tout seul regard a justeté faussée.
Li califes a fait mander isnèlement
</poem>
|valign=top|
<poem>
Die God uitdrukkelijk zei, voordat gefolterd werd
Zijn waardige vlees, aan het kruis geslagen, noch genageld.
Want God zei met zijn mond, de stelling is bewezen
In de heilige schrift waarop ons geloof is gefundeerd :
Dat als er iemand was, in het geopenbaarde geloof,
Zo goed en zo loyaal, van zo'n oprechte gezindheid ;
Dat er evenveel gerechtigheid in hem zou zijn ingeblazen
Als een mosterdzaadje groot is midden in de weide ;
Hij kortweg zou kunnen zeggen: “hoor eens, brede berg,
“Ik wil dat je weggaat en in deze vallei gaat zitten.”280
En als de loyaliteit in hem was ingeënt,
Zoveel als een zaadje groot is in zijn lichaam belichaamd ;
De berg zou, op zijn woord, snel worden opgeheven,
En zou gaan rusten waar diegene hem had bevolen.
Zo heeft deze Saraceen aan de kalief verteld
Deze stelling hier die ik u heb verteld.
Toen de kalief het hoorde, zei hij zonder talmen :
“Op deze manier, die u mij in herinnering hebt gebracht,
“Zullen de christenen hun leven zien eindigen !
“Want de berg van Thyr, die zo'n grote naam heeft,290
“Bevindt zich vanhier nog geen halve mijl verwijderd ;
“Ik zal hen doen sterven, en mijn land doen verlaten.”
Zo heeft de kalief in zichzelf deze gedachte.
Hij is slecht geadviseerd ; want er is geen mens geboren
Die de helft aan gerechtigheid bezit, noch een stuiver ;
Want er is geen man zo vroom, aan deze kant van de zoute zee,
Noch daarginds evenzeer tot in Galilea toe :
Hoeveel goeds hij ook gedaan had in geopenbaarde wetenschap ;
Boetedoeningen, onthoudingen, noch getelde gebeden ;
Noch evenzeer gevast, noch de Maagd geëerd300
Te dienen heel zijn leven, in devote gedachte ;
En door de biecht zijn leven zou hebben doorgebracht ;
Dat men hem rechtvaardig kan noemen, dat is een bewezen waarheid.
Eén enkele blik heeft de gerechtigheid al vervalst.
De kalief heeft ijlings laten ontbieden
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
ax8a41lm8ypksuezzzhip6n5j7v6mgv
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/360
104
88195
225399
2026-08-23T19:24:01Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225399
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Maistre Thumaes, qui fuit de bon entendement :
Et il i est venus, sans nul arestement.
Li califes li dist : « maistres Thumas, entent :
« En vous sainte esscripture, où éwangèle apent,
« A ·j· parler moult fol, ainsi on le m’aprent,
« Qui vostre loy destruit et déchoit laidement ;
« Et pour coi on poit dire que créés faucement,
« Et que le loys de Dieu ne vaut mie granment. »
« Qu’est-che ? » che dist li prestres, « argue vistement !
« Q’à mi voelt despiter et faire arguëment,
« Si vienge, encontre mi, monstreir son parlement ;
« Et sé je ne vous fai solution briefment,
« Si me faites ardoir et trestoute ma gent. »
Salatris se leva qui li dist hautement :
« Maistres Thumas, » dist-il, « vous parlés folement !
« J’arguerai à vous : car je sai bien comment
« ·j· mos de l’escripture vous démonstre, et aprent,
« Que Diex dist de sa bouche trestout généralment ;
« Que s’uns hons crestiens creioit si fermement
« En le loy Jhésu-Crist et de tel essient,
« Et qu’il fuist si preud’ons, créans si loïalment,
« Qu’il éust justetet en lui tant seulement
« Outant c’uns grains est grans sénevel ou fourment ;
« Il porroit à ·j· mont dire souffisaument
« En disant sus ! montaigne, liève-te apertement !
« Va seioir en che vail par denvers Orient !
« Li mons se lieveroit, à Dieu commandement,
« Et iroit ens ou val où chuis diroit briefment.
« Chuis mos en l’éwangelie ensi est proprement ;
« Et vous, de l’évangelie dites chairtainement
« Que tous est vérités, quant qu’éwangelie aprent.
« Dont li califes dit, tout au commenchement,
« Que sé li crestien de vou gouvernement
« N’ont tant de loïaulté, entr’iaus qui sont ·j· cent ;
« Que le haut mont de Thir, qui est grans durement,
</poem>
|valign=top|
<poem>
Meester Thomas, die van goed verstand was :
En hij is gekomen, zonder enig oponthoud.
De kalief zei tegen hem: “meester Thomas, luister :
“In uw heilige schrift, waartoe het evangelie behoort,
“Staat een zeer dwaas woord, zo leert men mij,310
“Dat uw geloof vernietigt en lelijk bedriegt ;
“En waarom men kan zeggen dat u valselijk gelooft,
“En dat de wet van God luttel of niets waard is.”
“Wat is dat ?” zo sprak de priester, “argumenteer snel !
“Wie mij wil minachten en een argument wil voeren,
“Die kome, tegenover mij, zijn betoog tonen ;
“En als ik u niet snel de oplossing geef,
“Laat mij dan verbranden en al mijn mensen.”
Salatris stond op en zei luidruchtig :
“Meester Thomas,” zei hij, “u spreekt dwaas !320
“Ik zal met u redetwisten: vor ik weet wel hoe
“Eén woord uit de schrift u aantoont, en leert,
“Dat God met zijn mond heel in het algemeen zei ;
“Dat als een christenmens zo rotsvast geloofde
“In de wet van Jezus Christus en met zo'n besef,
“En dat hij zo'n vroom man was, zo loyaal gelovend,
“Dat hij gerechtigheid in zich had louter en alleen
“Zoveel als een korrel mosterdzaad of tarwe groot is ;
“Hij tegen een berg afdoende zou kunnen zeggen
“Door te zeggen op ! berg, sta openlijk op !330
“Ga in die vallei ginds naar het Oosten zitten !
“De berg zou opstaan, op Gods bevel,
“En zou in de vallei gaan waar diegene kortweg zou zeggen.
“Dit woord staat zo precies in het evangelie ;
“En u zegt van het evangelie zekerlijk
“Dat alles waarheid is, wat het evangelie ook leert.
“Waarvan de kalief zegt, helemaal aan het begin,
“Dat als de christenen onder uw bestuur
“Niet zoveel loyaliteit hebben, onder hen die met z'n honderden zijn ;
“Dat u de hoge berg van Thyr, die reusachtig groot is,340
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
s8k8pjacbn5b83qr1opulp5smpryknq
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/361
104
88196
225400
2026-08-23T19:26:35Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225400
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Ne faites eslongier et venir vistement
« Ou val de Jaauquun, par denvers Occident ;
« Qu’il tient vo loy à fauce, et trestoute vo gent.
« Si vous ferai ardor à doel et à tourment. »
« J’avoie, » dist califes, « tout chestui parlement. »
Et dist maistres Thomaes : « vous parlés folement !
« N’a si juste personne, jusques en Orient,
« Que par un soel regart ne pèche mortelment.
« Prendés par devant vous une coupe d’argent,
« Et puis i mettés vin ou claré, ou piument,
« Tout le melleur bouvrage qui soit ou firmament ;
« Quant vous l’arés emplie de che vin noble et gent,
« S’un bien poi de venin i métés esroment,
« Suis qui le bouvera, et métera au dent,
« Morir le couvenra, à doel et à tourment.
« Ensi est d’un pred’omme, et de bon essient :
« Il poet, par un penseir, péquier si fausement
« Que s’il moroit tantost, sans nul confessement,
« Ou avoir repentanche, qui de bon coer descent ;
« Li déable d’enfer, qui sont nor qu’esrement,
« Emporteroient s’âme en infer droitement.
« Li bien qu’il aroit fait ne lui vauroit noient ;
« Ainsi par cheste preuve en fais démonstrement.
« Il n’est si mavais sours que chuis ch’oër ne voeilt. »
Maistres Thumaes disoit chou que dire il estuet.
Li califes, qui fu assis el faudestoet,
Li dist : « maistres Thumas, tout chou laissier t’estuet !
« Car cheste espreuve-si pas avenir ne poet
« Au pourpos que je di ; n’en donroie ·j· estoit.
« Mais le mont fait aleir où mes maistres le voelt,
« Ou je vous destuirai ; ensi li corps me moet ! »
« Hà ! » dist maistres Tumas » tant vente com il ploet.
« Là ! » dist maistres Thumas, « vous nous ferés morir,
« Sans cause et à grant tort : car le haut mont de Thir
« Ne se mouvera jà coi qu’il dove avenir !
</poem>
|valign=top|
<poem>
“Niet doet wijken en snel laat komen
“In de vallei van Jaauquun, naar het Westen toe ;
“Dat hij uw geloof voor vals houdt, en al uw mensen.
“Zo zal ik u laten verbranden in rouw en in kwelling.”
“Ik deelde,” zei de kalief, “heel dit betoog.”
En meester Thomas zei: “u spreekt dwaas !
“Er is geen zo rechtvaardig persoon, tot in het Oosten,
“Die door één enkele blik niet dodelijk zondigt.
“Neem voor u een zilveren beker,
“En doe er dan wijn in of claret, of piment,350
“De allerbeste drank die er onder het firmament is ;
“Wanneer u hem gevuld hebt met die edele en voortreffelijke wijn,
“Als u er meteen een heel klein beetje vergif in doet,
“Degene die het zal drinken, en aan de mond zal zetten,
“Zal moeten sterven, in rouw en in kwelling.
“Zo is het met een vroom man, en van goed besef:
“Hij kan, door één gedachte, zo valselijk zondigen
“Dat als hij terstond zou sterven, zonder enige biecht,
“Of berouw te hebben, dat uit het goede hart neerdaalt ;
“De duivels van de hel, die zo zwart zijn als inkt,360
“Zouden zijn ziel rechtstreeks naar de hel wegvoeren
“Het goede dat hij gedaan zou hebben zou hem niets baten ;
“Zo geef ik door deze proef daar het bewijs van.
“Er is geen zo slechte dove als hij die niet horen wil.”
Meester Thomas zei datgene wat men behoorde te zeggen.
De kalief, die gezeten was op de troon,
Zei tot hem: “Meester Thomas, dit alles moet u laten varen !
“Want deze proef hier kan onmogelijk passen
“Bij het doel dat ik stel ; ik zou er geen strohalm om geven.
“Maar laat de berg gaan waar mijn meester het wil,370
“Of ik zal u vernietigen ; zo zweer ik bij mijn lijf !”
“Ha !” zei meester Thomas, “laat het waaien zoveel het regent.
“Daar !” zei meester Thomas, “u zult ons doen sterven,
“Zonder reden en ten onrechte: want de hoge berg van Tyrus
“Zal nimmermeer wijken, wat er ook moge gebeuren !
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
bgcu5naph3dneqrzj6o1qczchwx00ao
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/362
104
88197
225401
2026-08-23T19:28:33Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225401
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Pour cose que Diex puist loïauté en nous vir,
« Tout sommes péchéour ; or morons com mathir.
« Endureir nous convient chou que Diex voeilt souffrir,
« Car à vous nous convient tous ensamble obéir. »
« Thumas, » dist li califès, qui Baudas doit tenir,
« Aussi bien porra Diex faire le mont venir
« Ens el val Joaquin, pour le valée emplir,
« Qu’il vous donna le pierre sans vous monstier chéir.
« Sachiés, si vous poés chest afaire acomplir,
« Que tantost me verrés à vo loy convertir. »
Et dist maistres Thumas : « or vous voilliès souffrir
« A faire cheste esreur, ne porroit avenir ;
« Et je vous ferrai, sire, ·j· sommier d’or venir,
« De coi vous porrés bien vous gerres maintenir. »
Li califes respont : « bien m’i poés oïr ;
« Si vous ni faites chou que vous oés géhir,
« Vous et trestous les autres ferrai en fu bruir. »
« Hélas ! » che dist li prestres, « qui le kien voelt honnir
« Le rage lui met seure, pour lui faire morir. »
Or fu maistres Thumas courechiés et irés ;
Dou palais est issus, que n’i est arrestés.
A son monstier revieunt li pred’ons honnorės ;
Il a dit à son clerc : « or tost l’apel sonnés. »
Et chius sonna le clocke ; si a lors assamblés
Trestous les crestiens, qui les coers ont troblés.
Maister Thumas lor dist : « seignour, or entendės :
« Li califes nous het, et trestous ses barnés !
« J’ai esté des païens maintenans argués,
« Si nous est un grans fais et querquiés, et donnés ;
« Car il nous faut morir, chou est la vérités,
« Sé li haus mons de Thir, seignour, que vous savés,
« Ne s’est, ains ·iiij· jour, abaissiés et mués :
« Ou val de Joaquin faut qu’il en soit portés.
« Or regardés, seignour, comment vous l’i arés !
« Je ne voi chi nul tour, par Dieu qui fu pénés,
</poem>
|valign=top|
<poem>
“Hoezeer God ook loyaliteit in ons moge zien,
“Allen zijn wij zondaars ; laat ons nu sterven als martelaars.
“Het past ons te verdragen wat God wil laten lijden,
“Want het past ons om u allen tezamen te gehoorzamen.”
“Thomas,” zei de kalief, die Bagdad moet besturen,380
“God zal evenzo de berg kunnen doen komen
“Midden in het dal van Josaphat, om de vallei te vullen,
“Als dat Hij u de steen gaf zonder uw kerk te doen instorten.
“Weet dat, als u deze zaak kunt volbrengen,
“U mij terstond tot uw wet bekeerd zult zien.”
En meester Thomas zei: “Nu, gelieve u te onthouden
“Van deze dwaling te begaan, het zou niet kunnen gebeuren ;
“En ik zal voor u, heer, een lastpaard vol goud doen komen,
“Waarmee u uitstekend uw oorlogen kunt bekostigen.”
De kalief antwoordt: “U kunt mij wel horen ;390
“Als u niet datgene doet wat u zojuist hebt toegegeven,
“Zal ik u en alle anderen in het vuur doen verbranden.”
“Helaas !” zo sprak de priester, “wie de hond wil doden
“Beschuldigt hem van hondsdolheid, om hem te doen sterven.”
Nu was meester Thomas misnoegd en toornig ;
Uit het paleis is hij gegaan, zonder dat hij er bleef stilstaan.
Naar zijn kerk keert de geëerde, vrome man terug ;
Hij heeft tot zijn klerk gezegd: “Nu snel, luid de oproep.”
En deze luidde de klok ; zo heeft hij toen verzameld
Alle christenen, die de harten verontrust hebben.400
Meester Thomas sprak tot hen: “Heren, hoort nu aan:
“De kalief haat ons, en al zijn edelen !
“Ik ben zojuist door de heidenen uitgedaagd,
“Zo is ons een zware last opgelegd, en gegeven ;
“Want wij moeten sterven, dat is de waarheid,
“Tenzij de hoge berg van Tyrus, heren, die u kent,
“Zich, voor het einde van vier dagen, heeft verlaagd en verplaatst:
“Naar het dal van Josaphat moet hij worden gedragen.
“Zie nu, heren, hoe u hem daar zult krijgen !
“Ik zie hier geen enkele uitweg, bij God die gemarteld werd,410
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
sueak9afmivhr1du9ehqgrmi83zjtvv
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/363
104
88198
225402
2026-08-23T19:32:07Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225402
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Ne vous faille morir ; dont ch’est doelz et pités.
« Si que je vous conseil que vous vous confessés,
« Et vous apareilliés, au miex que vous poės,
« Pour rechevoir la mort ; car chairtes vous l’airės.
« Vous ne poés falir ; eschaper ne poés ! »
Dont souspira le prestres ; à terre s’est getés.
Qui véist crestiens, par le monstier, pasmés ;
Et plourer tenrement, si fust grande pitės !
Leur femmes, leur enfans, ont vistement mandés :
Il acolent l’un l’autre douchement et souvės.
Là, fuit le chavetiers qui s’est haus escriés :
« Seignour, pour Dieu, merchi ! enchois que vous morés,
« Venés en ma maison vos solers raquatės. »
Ou monstier à Baudas, qui là fu par tréu,
Estoient crestien dolant et irascu.
Bauduins n’iestoit mie ou monstier où che fu,
Ains gisoit sus ·j· lit : s’avoit li corps vestu
D’une cote moult grise, qui trop courte lor fu ;
Il estoit mal haitiés, car grant mal ot éw.
Diex que li crestien estoiient irascu !
Maistres Thumas lor dist : « or soïés pourvéu
« De rechevoir la mort et d’ardoir en un fu ;
« Car li califes voeilt que soïons irascu,
« Et trestous essilliet, et à no fin venu.
« Ne me poch escuser encontre son argu :
« Li mos de l’éwangiele, qui fu dis de Jhésu,
« Nous métera ou fu, nous sommes tout perdu !
« Car li raison témoingne che que li mescréu
« Ont mis à moi en plache ; pas n’i ai respondu,
« Car nous ne volons mie d’estre ainsi secouru.
« Li dignetės est grande, pas n’i sommes venu :
« Or prions Dieu merchi, nous en sommes tenu,
« Que li arme de nous ne voist à Bregibus.
« Aïons vraie créanche, morons en bon argu ;
« Par coi nous ne soïons de paradis eskieu. »
</poem>
|valign=top|
<poem>
“Of u moet sterven ; hetgeen rouw en deernis is.
“Zodat ik u raad dat u biecht,
“En u gereedmaken, zo goed als u kunt,
“Om de dood te ontvangen ; want voorwaar, u zult hem krijgen.
“U kunt er niet aan ontkomen ; ontsnappen kunt u niet !”
Toen zuchtte de priester ; ter aarde heeft hij zich geworpen.
Wie de christenen had gezien, door de kerk, in onmacht gevallen ;
En teder huilend, het was een groot medelijden !
Hun vrouwen, hun kinderen, hebben zij ijlings ontboden:
Zij omhelzen elkaar teder en dikwijls.420
Daar was de schoenmaker die met luide stem uitriep:
“Heren, om Gods wil, genade ! Voordat u sterft,
“Komt naar mijn huis om uw schoenen te lappen.”
In de kerk te Bagdad, die daar cijnsplichtig was,
Waren de christenen treurend en misnoegd.
Boudewijn was in het geheel niet in de kerk waar dit was,
Maar lag op een bed: en hij had het lichaam gekleed
In een zeer grijs kleed, dat hem te kort was ;
Hij was onwel, want hij had een grote ziekte gehad.
God, wat waren de christenen misnoegd !430
Meester Thomas sprak tot hen: “Weest er nu op voorbereid
“De dood te ontvangen en in een vuur te branden ;
“Want de kalief wil dat wij vernietigd worden,
“En allen verbannen, en aan ons einde gekomen.
“Ik kon mij niet verweren tegen zijn argument:
“De woorden van het Evangelie, die door Jezus gesproken zijn,
“Zullen ons in het vuur werpen, wij zijn allen verloren !
“Want de rede getuigt van datgene wat de ongelovigen
“Mij voor de voeten hebben geworpen ; ik heb er niet op geantwoord,
“Omdat wij op deze wijze niet geholpen willen worden.440
“De waardigheid is groot, wij hebben haar niet bereikt:
“Laat ons nu God om genade smeken, wij zijn daartoe verplicht,
“Opdat de ziel van ons niet naar Belzebub gaat.
“Laten wij een oprecht geloof hebben, laat ons sterven met een goed verweer ;
“Waardoor wij niet van het paradijs worden uitgesloten.”
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
8sk8dh3u9i492cd00s9flz4h308lb92
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/364
104
88199
225403
2026-08-23T19:39:01Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225403
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
{{iwpage|fr}}
</poem>
|valign=top|
<poem>
Toen gingen wenend de groten en de kleinen:
De een omhelst haar zoon ; en de ander haar geliefde ;
En zij bidden Jezus Christus dat zij geholpen mogen worden.
In de kerk te Bagdad bedreven zij groot misbaar:
Daar weken teder de groten en de kleinen,450
En bidden Jezus Christus, de Vader Schepper,
Dat Hij erbarmen moge hebben met de zielen door Zijn zachtmoedigheid.
En Saracenen zochten ruzie rondom de gehele kerk,
En zeiden met luide stem, de snode bedriegers:
“De berg gaat weg ! Komt erbij, verraders ;
“Bij Mohammed, het zou goed zijn u allen in een oven te stoppen !”
Zij hebben de deur vernield, met dat ruziezoeken de hele dag door.
En meester Thomas zei: “Laat het zo zijn, heren !
“Als u hier binnenkomt, bij de God die ik aanbid,
“Zou u het niet kunnen vergoeden voor een toren vol goud !”460
Daar was een jonge edelman, zoon van een emir ;
Naar meester Thomas wierp hij een zeer stinkende troep
Die hij op de straat vond ; waarmee hij een dwaasheid beging:
Want de priester grijpt hem vast, met een zeer grote toorn,
In zijn kerk werpt hij hem, met kracht en met macht ;
Tegen een grote pilaar wierp hij hem met zo'n vaart
Dat zijn hoofd verbrijzelt ; daar stierf hij in de pijn.
Toen kwamen de Saracenen aangerend, roepend in groot verdriet:
“Bij Mohammed ! U zult allen sterven, snode, laffe bedriegers !”
En de christenen sloten hun kerk rondom af.470
De kalief kwam erheen, die de waarheid ervan vernam ;
Toen verbood hij, en vroeg om der liefde wille,
Dat men geen enkel kwaad zou doen, van nu af tot de derde dag,
Aan dit christenvolk ; op straffe van verlies van zijn eer.
En wie hun misdeed, ter waarde van een bloem,
Vóór de termijn verstreken was ; hij zou in ellende eindigen.
Toen werden zij bewaakt, zowel bij nacht als bij dag,
En zij sloten de poorten opdat zij nergens anders heen zouden gaan.
Nu hebben de christenen grotere angst dan voorheen:
Hoe meer het vriest, hoe meer het beknelt ; zo zeggen de meesten.480
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
pdk8kaiu31b31l58w0fi1b1cg7yz8og
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/365
104
88200
225404
2026-08-23T19:41:13Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225404
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Or sont li crestien en grande souspechon ;
Car bien cuident morir à grant destuction.
Là, furent toute jour en grande affliction :
L’un pleure ; l’autre crie, ou gist en pasmison ;
L’un acole son dru, li autre son baron ;
Entre leur bras tenoiient pluseurs leur enfanchon,
Douchement les basoient en criant à haut ton.
« Diex ! » dient crestien, « quèle percussion !
« Biaus sire ! Diex de gloire ! car nous faites pardon ! »
·ij· jours furent ainsi en telle marison,
Sans bore et sans mengnieir qui vaille un sol botton,
En priant Dieu merchi, qui soffri passion.
Là, lor dist une vois une douche raison :
« Bonne gent, entendés ; vous arrés garison !
« Mais che ne sera mie pour vous, né pour vo non ;
« Ains ert pour un saint homme, de bonne norrechon,
« Qui est en cheste ville, droit à une maison
« Chest le bon chavetier. Or vous mande Jhésum :
« Alés à son hostel, pour cheure le preud’om ;
« Si li faites honnour et révération.
« Et Diex à se proïre, s’il demande son don,
« I monstera miracles que bien le verra-on. »
Dont s’acoisa li vois, plus ne dist o nè non.
Maistres Tumas a fait bielle pourciession ;
Du monstier sont issu : et crois et confanon
Vont aveukes aus portant, disans mainte orison.
Or s’en vont crestien chantant à vois serie
Une belle orison ; che est la létanye.
Diex ! que le chavetiers en menoit chière lie
De che qu’à son ostel aloit le compaingnie ;
Et qu’il ot herbergiet homme de sainte vie.
Tant vont li kerstien, dont je vous sénéfie,
Qu’à l’ostel sont venu trestout à une fie ;
Bauduin ont trouvei. Maistres Thumas s’escrie :
« Pred’ons venės-vous-ent, pour Dieu, le fil Marie ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
Nu verkeren de christenen in grote argwaan ;
Want zij menen wel te sterven door een grote vernietiging.
Daar waren zij de hele dag in grote kwelling:
De een weent ; de ander schreeuwt, of ligt in onmacht ;
De een omhelst zijn geliefde, de ander haar echtgenoot ;
In hun armen hielden velen hun kleine kindje,
Liefdevol kusten zij hen terwijl zij met luide stem riepen.
“God !” zeggen de christenen, “wat een beproeving !
“Schone heer ! God der glorie ! Schenk ons toch vergiffenis !”
Twee dagen waren zij aldus in zulk een treurigheid,490
Zonder drinken en zonder eten ter waarde van een enkele knoop,
Terwijl zij God om genade baden, Hij die het lijden onderging.
Daar sprak een stem tot hen met zachte woorden:
“Goede mensen, luistert ; u zult redding krijgen !
“Maar dat zal geenszins voor u zijn, noch voor uw naam ;
“Maar het zal zijn voor een heilige man, van goede deugd,
“Die in deze stad is, recht in een huis:
“Het is de goede schoenmaker. Nu laat Jezus u weten:
“Gaat naar zijn verblijf, om de vrome man te zoeken ;
“En bewijst hem eer en eerbied.510
“En God zal, op zijn gebed, als hij zijn gunst vraagt,
“Daar wonderen tonen die men goed zal zien.”
Toen zweeg de stem, zij zei ja noch nee meer.
Meester Thomas heeft een mooie processie gevormd ;
Uit de kerk zijn zij gegaan: en kruis en vaandels
Dragen zij met zich mee, talleloze gebeden opzeggend.
Nu gaan de christenen zingend met serene stem
Een mooi gebed ; het is de litanie.
God ! Wat maakte de schoenmaker een vrolijk gezicht
Omdat het gezelschap naar zijn verblijf ging ;510
En omdat hij een man van een heilig leven had geherbergd.
Zolang gaan de christenen, waarvan ik u kond doe,
Dat zij allen tegelijk bij het verblijf zijn aangekomen ;
Boudewijn hebben zij gevonden. Meester Thomas roept uit:
“Vrome man, komt u mee, om Gods wil, de Zoon van Maria ;
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
bn36ss2u65dzxno3zgseyjlzz6yc5uy
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/366
104
88201
225405
2026-08-23T19:43:33Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
225405
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Besoing avons de vous ! Diex nous fera aïe,
« Par le vostre prière qui à Dieu ert amie. »
« Sire, » dist Bauduins, « vous dites grant sotie,
« Qui cuidiés, né pensés, ni avés mancolie,
« A cheste rayson-chi ! Voir, si bons ne sui mie
« Que Diex chou fist pour moi ma proière adrechie.
« Je sui uns povres hons, si ne me gabės mie ;
« Non pourquant, biaus seignour, par le corps saint Elye,
« Sé gaber me voeilliés, je vous en regratie. »
Et dist maistres Thumas : « preud’ons, je vous en prie,
« Venés avokes nous, sé nous sauvés la vie ! »
Adont des crestiens, qui tant ont seignourie,
Fu ahers Bauduins, à le chière hardie.
A éureus se tient qui sa cote soullie
Poet frotter, et baisier, et touchier une fie ;
Bien croient que lor puist garir de maladie.
Voit le li chavetiers ; à Bauduin s’escrie :
« Je ne plains pas ma cote, que vous avės vestie ;
« A défaire sollers l’ai mainte fois honnie. »
Je croi que sé Diex fuist descendus de la nue,
Ne fuist pas sa jouvente si très bien rechèue
Comme fuist Bauduins, à le chière menbrue.
Jusques li chavetiers, qui li ot fait aieue,
Fuit forment honnourés ; chascuns haus le salue,
Et donne or et argent, qui n’i avient il rue,
Pour ce qu’à lui nourir en soit lor pars tenue,
Et que l’aumonne ossi en soit à eulz venue.
Plus de ·xv· florins, ch’est bien cose scéuwe,
En ot li chavetiers à cheste revenue.
Il les prist volentiers, qui point ne s’i argue ;
Lor dist à Bauduin, douchement le salue,
Et lui a dit : « biaus hostes, par Dieu qui fist la nue,
« Je ne plaint pas ma cote ; ça, je l’ai bien vendue ! »
Or mainent Bauduin, crestien, à monstier ;
Li poples devant lui se va agennoullier,
</poem>
|valign=top|
<poem>
“Wij hebben u nodig ! God zal ons hulp bieden,
“Door uw gebed dat God welgevallig zal zijn.”
“Heer,” zei Boudewijn, “u spreekt grote dwaasheid,
“U die gelooft, of denkt, of de gedachte eraan hebt,
“Bij deze woorden hier ! Voorwaar, zo goed ben ik niet520
“Dat God dit voor mij zou doen, mijn gebed verhorend.
“Ik ben een arm mens, spot dus niet met mij ;
“Desalniettemin, schone heren, bij het heilige lichaam van Elia,
“Als u met mij wilt spotten, dank ik u erom.”
En meester Thomas zei: “Vrome man, ik bid u erom,
“Komt met ons mee, zo u ons het leven redt !”
Toen werd door de christenen, die zoveel gezag hebben,
Boudewijn vastgegrepen, met het moedige gelaat.
Voor gezegend houdt zich degene die zijn vuile kleed
Kan wrijven, en kussen, en eenmaal aanraken ;530
Zij geloven vast dat het hen kan genezen
De schoenmaker ziet dat; hij roept naar Boudewijn:
“Ik treur niet om mijn tuniek, die u heeft aangetrokken;
“Door schoenen uit te trekken heb ik hem dikwijls besmeurd.”
Ik geloof dat als God uit de wolk was neergedaald,
Zijn jeugd niet zo buitengewoon goed ontvangen zou zijn
Als Boudewijn dat was, met zijn krachtige gelaat.
Zelfs de schoenmaker, die hem hulp had geboden,
Werd zeer geëerd; elke edele groet hem,
En geeft goud en zilver, dat anders niet op straat ligt,540
Opdat hun aandeel aan zijn voeding zou worden bijgedragen,
En de aalmoes zo ook tot hen zou komen.
Meer dan vijftien florijnen, dat is een welbekende zaak,
Ontving de schoenmaker bij deze terugkeer.
Hij nam ze vrijwillig aan, zonder enig bezwaar;
Toen sprak hij tot Boudewijn, groette hem vriendelijk,
En zei tegen hem: “Beste gastheer, bij God die de wolk maakte,
“Ik treur niet om mijn tuniek; kijk, ik heb hem goed verkocht!”
Nu leiden ze Boudewijn, de christen, naar de kerk;
Het volk gaat voor hem op de knieën vallen,550
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
owzhyxw3qssvejx3frki2s1mprp18s9