Wikisource nlwikisource https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina MediaWiki 1.47.0-wmf.17 first-letter Media Speciaal Overleg Gebruiker Overleg gebruiker Wikisource Overleg Wikisource Bestand Overleg bestand MediaWiki Overleg MediaWiki Sjabloon Overleg sjabloon Help Overleg help Categorie Overleg categorie Hoofdportaal Overleg hoofdportaal Auteur Overleg auteur Pagina Overleg pagina Index Overleg index TimedText TimedText talk Module Overleg module Event Event talk Auteur:Arnold Houbraken 102 9173 226061 44308 2026-08-29T16:27:13Z Vincent Steenberg 280 vereenvoudiging 226061 wikitext text/x-wiki {{Infobox auteur | naam = Arnold Houbraken | portret = Arnold Houbraken3.JPG | gebplaats = [[w:Dordrecht|Dordrecht]] | gebdatum = 28 maart 1660 | overlplaats = [[w:Amsterdam|Amsterdam]] | overldatum = 14 oktober 1719 | pseudoniem = | nationaliteit = Nederlands | genre = proza, gedichten, schilderen | taal = Nederlands | werken = [[Arnold Houbraken/Schouburgh|Schouburgh]] | wikipedia = Arnold Houbraken }} '''Arnold Houbraken''' (1660 - 1719) was een Nederlands schilder en schrijver.. Houbraken was een leerling van onder anderen Jacobus Leveck en Samuel van Hoogstraten. In 1685 huwde hij Sara Sasbout. Rond 1709 verhuisde hij naar Amsterdam op uitnodiging van Jonas Witsen. In 1713 maakte hij een reis naar Engeland om een historisch werk te illustreren. Arnold Houbraken schilderde mythologische en bijbelse taferelen, portretten en landschappen. ==Werken== * ‘Inhoud van 't Sieraad der Afbeelding’ In: Des menschen begin, midden en einde (1712) * ‘Aen den heere Jakob Zeeus, den Wolf in 't schaepsvel ter drukpersse bestellende’ In: De wolf in 't schaepsvel (1711) * Arnold Houbraken (1718-1721) ''[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen]]'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p. 1-3. [[Categorie:Nederlands auteur|Houbraken, Arnold]] [[Categorie:Arnold Houbraken| ]] 8y5i9jxnnev8idaaee3dl2d9src8sbi Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo 100 34760 226071 225993 2026-08-29T18:02:14Z Vincent Steenberg 280 bronnen toegevoegd/verplaatst 226071 wikitext text/x-wiki {{Infobox thema | naam = Nederlandse schilderkunst;<br>Barok en Rococo<br>(ca. 1600-ca. 1750) | afbeelding = Rembrandt-Belsazar.jpg | beschrijving = Dit is een overzicht van alle op [[Wikisource:Over Wikisource|Wikisource]] beschikbare bronnen over Nederlandse schilderkunst uit de periode ca. 1600 tot ca. 1750. | artikelwikipedia = }} == Algemeen == === Tentoonstellingen === ;1767 *''Catalogus van een fraay en uytmuntend kabinetje met konstige schilderyen door de eerste Nederlandse meesters'', Tideman, Amsterdam, [18 maart] 1767.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (10 maart 1767) [[Amsterdamsche Courant/1767/Nummer 30/B. Tideman, J. Ottens de Jonge, C. Blasius en H. de Winter|‘B. Tideman, J. Ottens de Jonge, C. Blasius en H. de Winter, Makelaars, zullen op Woensdag den 18 Maart, […] t’Amst. […] verkopen, […] [advertentie]’]], ''Amsterdamsche Dingsdagsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;1933 *''Kunsthandel Dorus Hermsen N.V.'', Den Haag, december 1933.<br>Aankondigingen en recensies: **Gio. [=Jan Kalff] (16 december 1933) ‘Kunst in Den Haag’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;10. ;1935 *''Vermeer. Oorsprong en invloed Fabritius, De Hooch, De Witte'', Museum Boymans, Rotterdam, 9 juli-9 oktober 1935.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (24 mei 1935) [[Haagsche Courant/Nummer 16042/Boymans' openings-expositie|‘Boymans’ openings-expositie. Werken van Meesters van de Delftsche School’]], ''Haagsche Courant'', vierde blad, p.&nbsp;3. **Anoniem (21 juni 1935) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 108/Nummer 35334/Avondblad/Het Rijksmuseum leent aan Boymans|‘Het Rijksmuseum leent aan Boymans’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, p.&nbsp;13. **Anoniem (9 juli 1935) [[De Gooi- en Eemlander/Jaargang 64/Nummer 159/Schilderkunst|‘Schilderkunst. De Vermeer-tentoonstelling in Boymans’]], ''De Gooi- en Eemlander'', eerste blad, p.&nbsp;3. == Algemene geschiedenis van de Nederlandse schilderkunst uit de barok en rococo == *Houbraken, Arnold (1718-1721) ''[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen]]'', Amsterdam: [s.n.] == Bijzondere onderwerpen == ;Aelst, Evert van (1602-1657) *Houbraken, Arn. (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Evert en Willem van Aelst|"Evert van Aelst […] Willem van Aelst"]], in: Arn. Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p.&nbsp;228-230. ;Aldewereld, Herman van (1628/1629-1669) *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. ;Anthonisz., Aert *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Asch, Pieter van *Arnold Houbraken (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Pieter Janze van Asch|"Pieter Janze van Asch"]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p.&nbsp;235-236. ;Assen, Jan van (ca. 1635-1695/1697) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ary vander Kabel|“Ary vander Kabel”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;235-236, met name 236. ;Baen, Jacobus de (1673-1700) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan de Baan|“Jan de Baan”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;303-324, met name 314. ;Ban, Gerbrand *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Beck, David (1621-1656) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/David Beck|“David Beck”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;83-87. ;Beelt, Cornelis (voor 1612-na 1664) *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. ;Bemmel, Jacob Gerritsz. van *Kramm, Christiaan (1857) [[De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters/Deel 1/Bemmel. (Joost van)|“Bemmel. (Joost van)”]], in: Christiaan Kramm (1857-1864) ''De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters'', Amsterdam: Gebroeders Diederichs, deel I, p.&nbsp;73. ;Bemmel, Willem van (1630-1708) *Kramm, Christiaan (1857) [[De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters/Deel 1/Bemmel. (van)|“Bemmel. (van)”]], in: Christiaan Kramm (1857-1864) ''De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters'', Amsterdam: Gebroeders Diederichs, deel I, p.&nbsp;72-73. ;Bergh, Matthijs van den (1618-1687) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathys vanden Berg|“Mathys vanden Berg”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;15-16. ;Bispinck, Barend (1622/1637-na 1657) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan van Hoeck|“Jan van Hoeck”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;344-345, met name 345. ;Bisschop, Abraham (1670-1729/1730) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Abraham Bisschop|“Abraham [Bisschop]”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;222-223. ;Bisschop, Jacobus (1658-1704) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakobus Bisschop|“Jakobus Bisschop”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;222. ;Bisschop, Cornelis (1630-1674) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kornelis Bisschop|“Kornelis Bisschop”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;220-222. ;Blanckerhoff, Jan Theunisz. (1628-1669) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Teunisz. Blankhof|“Jan Teunisz. Blankhof”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;198-200. ;Bleker, Dirck (ca. 1621-voor 1702) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Blekers|“... Blekers”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;342-343. ;Boone, Daniël (1630/1631-1692) *''Collection Antoon van Welie. Tableaux anciens de l'école italienne, français, allemande, espagnole, flamande et hollandaise. Quelques objets divers'', S.J. Mak van Waay, Amsterdam, 7 april 1936, lotnr. 69.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (16 maart 1936) [[Het Vaderland/Jaargang 67/16 maart 1936/Avondblad/Veiling collectie Antoon van Welie|‘Veiling collectie Antoon van Welie’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p.&nbsp;1. ;Borssom, Anthonie van *Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p.&nbsp;38-48. ;Bos, Jasper van den (1634-na 1656) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gasper vanden Bos|“Gasper vanden Bos”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;328-329. ;Bray, Jan de *''Catalogus van de kersttentoonstelling in het Museum Boymans'', Museum Boymans, Rotterdam, 23 december 1932-7 januari 1933.<br>Aankondigingen en recensies: **P.K.-n. (24 december 1932) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 105/Nummer 34436/Avondblad/Kersttentoonstelling in het Museum Boymans|‘Kersttentoonstelling in het Museum Boymans’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;9. *''Tentoonstelling Bijbelsche Kunst'', Rijksmuseum, Amsterdam, 8 juli-8 oktober 1939.<br>Aankondigingen en recensies: **M.V. (27 juli 1939) ‘Bijbelsche kunst in het Rijksmuseum’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;9. ;Brekelenkam, Quiringh van (1622/30-1669/1670) *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. ;Brisé, Cornelis (ca. 1622-ca. 1670) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kornelis Brize|“Kornelis Brize”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;341-342. ;Codde, Pieter *''Catalogue tableaux anciens, porcelaines diverses, beau meuble Boulle - collection du Baron Liphart-Rathshoff à Dorpat; argenterie interessante, chales, tapis persans, porcelaines emaillées, meubles - provenances diverses'' [veilingcat.], A. Mak, Amsterdam, 11-13 oktober 1921.<br>Aankondigingen: **Anoniem (29 september 1921) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 78/Nummer 270/Avondblad/De firma A. Mak te Amsterdam zendt ons den catalogus van de kunstveiling, welke 11 en 13 October in het gebouw „De Roos” zal worden gehouden|‘De firma A. Mak te Amsterdam zendt ons den catalogus van de kunstveiling, welke 11 en 13 October in het gebouw „De Roos” zal worden gehouden [...]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p.&nbsp;1. ;Compe, Jan ten *[''Stadsgezichten en genretaferelen''], Centraal Museum, Utrecht, ....-15 juli 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies: **H. de Jonge (12 juni 1934) ‘Centraal museum Utrecht. Stadsgezichten en genretafereelen’, ''De Tijd'', Avondblad, [p.&nbsp;5]. ;Cuylenborch, Abraham van (I) *''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies: **Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p.&nbsp;1-2]. ;Delff, Jacob Willemsz. (II) (1619-1661) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakob Delff|“Jakob Delff”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;56-57. ;Diepraam, Arent (1622-1670) *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. ;Dijck, Abraham van (ca. 1635-1680) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan van Hoeck|“Jan van Hoeck”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;344-345, met name 345. ;Does, Jacob van der (I) (1623-1673) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakob vander Does|“Jakob vander Does”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;105-108. ;Donker, Jan *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan en Pieter Donker|“Jan en Pieter Donker”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;93. ;Donker, Pieter (ca. 1635-1668) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan en Pieter Donker|“Jan en Pieter Donker”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;93. ;Doomer, Lambert (1624-1700) *''Kaarten, profielen en panorama’s van Amsterdam'', Museum Fodor, Amsterdam, 10 september-27 november 1932.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (1 oktober 1932) [[De Locomotief/Jaargang 81/Nummer 228/Amsterdam in Vroeger Eeuwen|‘Amsterdam in Vroeger Eeuwen. Eene belangwekkende tentoonstelling’]], ''De Locomotief'', Vijfde Blad, [p.&nbsp;2]. ;Doudijns, Willem (1630-1697) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem Doudyns|“Willem Doudyns”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;234-235. ;Drielenburg, Willem van (1632-1677) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem van Drillenburg|“Willem van Drillenburg”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;147-153. *[''Stadsgezichten en genretaferelen''], Centraal Museum, Utrecht, ....-15 juli 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies: **H. de Jonge (12 juni 1934) ‘Centraal museum Utrecht. Stadsgezichten en genretafereelen’, ''De Tijd'', Avondblad, [p.&nbsp;5]. ;Droochsloot, Cornelis *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. *''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies: **Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p.&nbsp;1-2]. ;Druyvestein, Aart Jansz. (1577-1627) *Arnold Houbraken (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Aart Janze Druivestein|"Aart Janze Druivestein"]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p.&nbsp;60-61. ;Dubbels, Hendrick Jacobsz. *Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;1]. *''’t Is Winter'', Amsterdams Historisch Museum, Amsterdam, ....-2 maart 1987, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies: **Jan Bart Klaster (14 januari 1987) ‘Moralistisch lesje in pretverpakking. Het verdwenen Amsterdam op wintertaferelen’, ''Het Parool'', uit en thuis, p.&nbsp;6. ;Duck, Jacob *[''Stadsgezichten en genretaferelen''], Centraal Museum, Utrecht, ....-15 juli 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies: **H. de Jonge (12 juni 1934) ‘Centraal museum Utrecht. Stadsgezichten en genretafereelen’, ''De Tijd'', Avondblad, [p.&nbsp;5]. ;Duif, Jan Ariens (1617-1649) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Duive|“Jan Duive”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;90-91. ;Dullaert, Heyman *Anoniem (31 maart 1915) [[Nieuwsblad van het Noorden/Jaargang 76/Nummer 28/Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot|‘Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot’]], ''Nieuwsblad van het Noorden'', [eerste blad, p.&nbsp;2]. ;Duynen, Isaac van *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Duyvelant, Jacob (....-na 1662) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan van Hoeck|“Jan van Hoeck”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;344-345, met name 345. ;Eeckhout, Gerbrand van den (1621-1674) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerbrant vanden Eekhout|“Gerbrant vanden Eekhout”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;100-101. *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Esselens, Jacob (1626-1687) [[Bestand:Het Nieuws van den Dag 1878 no 2447 advertisement Belangrijke Verkooping van schilderijen door oude meesters.jpg|thumb|Advertentie uit ''Het Nieuws van den Dag'', 21 februari 1878.]] *''Catalogue de douze tableaux anciens provenant de la célèbre galerie de tableaux de feu Madame la douairière Van Loon-van Winter, à Amsterdam, et d’autres tableaux anciens provenant de la famille Druyvesteyn, de Haarlem, de feu Monsieur Ed. Croese, d’Amsterdam, et d’autres successions'' […], C.F. Roos en C.F. Roos Jr., Amsterdam, 26 februari 1878.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (27 februari 1878) [[Opregte Haarlemsche Courant/1878/Nummer 50/In de heden (dingsdag) te Amsterdam gehouden veiling|‘In de heden (dingsdag) te Amsterdam ge­hou­den veiling […]’]], ''Opregte Woensdagsche Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Everdingen, Allaert van (1617-1675) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Aldert van Everdingen|“Aldert van Everdingen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;95-96. ;Everdingen, Caesar van (1616/1617-1678) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Cesar van Everdingen|“Cesar van Everdingen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;94-95. *''Catalogus tentoonstelling van schilderijen en teekeningen van Nederlandsche Italianiseerende schilders uit de 16e en 17e eeuw'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 14 juli-16 september 1934.<br>Aankondigingen en recensies: **M.V. (27 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 35008/Avondblad/Nederlandsche italianiseerende meesters|‘Neder­land­sche italiani­seeren­de mees­ters’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;9. ;Everdingen, Jan (I) (ca. 1618/1620-1656) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan van Everdingen|“Jan van Everdingen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;95. ;Fabritius, Barent *''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Recensies en aankondigingen: **Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p.&nbsp;3. ;Fris, Pieter (1628-1706) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Pieter Frits|“Pieter Frits”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;345-347. ;Fromantiou, Hendrick de (1633/1634-na 1693) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerard Uilenburg|“Gerard Uilenburg”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;293-303, met name 294-296. *Anoniem (3 april 1937) [[De Telegraaf/Jaargang 45/Nummer 16746/Avondblad/Berlijn beleefde eens een periode van Nederlandsche cultuur|‘Berlijn beleefde eens een periode van Nederlandsche cultuur. Groot was de invloed van Louise van Oranje. Uiteindelijk is niet veel meer van dit alles te merken’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;5. *Anoniem (25 februari 1940) [[Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 63/Nummer 22259/Beroemde Haarlemmers|‘Beroemde Haarlemmers’]], ''Nieuwe Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;3]. ;Gael, Barent (1630/1635-1698) *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. ;Gaesbeeck, Adriaen van *Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p.&nbsp;38-48. ;Gallis, Pieter (1633-1697) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Pieter Gallis|“Pieter Gallis”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;328. ;Geel, Jacob van *''Catalogus van de kersttentoonstelling in het Museum Boymans'', Museum Boymans, Rotterdam, 23 december 1932-7 januari 1933.<br>Aankondigingen en recensies: **P.K.-n. (24 december 1932) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 105/Nummer 34436/Avondblad/Kersttentoonstelling in het Museum Boymans|‘Kersttentoonstelling in het Museum Boymans’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;9. ;Giselaer, Nicolaes de *Anoniem (31 maart 1915) [[Nieuwsblad van het Noorden/Jaargang 76/Nummer 28/Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot|‘Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot’]], ''Nieuwsblad van het Noorden'', [eerste blad, p.&nbsp;2]. ;Gool, Jan van *''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p.&nbsp;2]. ;Graat, Barent (1628-1709) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Barent Graat|“Barent Graat”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;200-209. ;Graauw, Hendrik (1627-1693) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hendrik Graauw|“Hendrik Graauw”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;189-191. ;Grasdorp, Willem *Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p.&nbsp;38-48. ;Grebber, Anthonie Claesz. de *Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p.&nbsp;38-48. ;Grebber, Pieter de (ca. 1600-1652/1653) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;117-125, met name 122. ;Groot, Jan de (1650-1726) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan de Groot|“Jan de Groot”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;58. ;Hackaert, Jan *''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Recensies en aankondigingen: **Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p.&nbsp;3. ;Halen, Arnoud van (1673-1732) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kristoffel Pierson|“Kristoffel Pierson”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;259-262, met name 262. ;Hals, Dirck (1591-1656) *''Collection de Mme Jean Cardon. Tableaux modernes & anciens, dessins, aquarelles, objets d’art, meubles'', Galerie J. et A. Le Roy, frères, Brussel, 24-25 april 1912.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (24 april 1912) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 69/Nummer 113/Ochtendblad/Men schrijft ons uit Brussel|‘Men schrijft ons uit Brussel: […]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Ochtendblad, A, p.&nbsp;1. *Anoniem (18 oktober 1924) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 81/Nummer 289/Avondblad/Kunsthandel Gebr. Douwes|‘Kunsthandel Gebr. Douwes’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p.&nbsp;1. ;Hals, Frans (II) (1618-1669) *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. ;Hals, Harmen *Anoniem (31 maart 1915) [[Nieuwsblad van het Noorden/Jaargang 76/Nummer 28/Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot|‘Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot’]], ''Nieuwsblad van het Noorden'', [eerste blad, p.&nbsp;2]. ;Hannot, Johannes *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Hasselt, Jacob Gerritsz. van (II) (ca. 1598-ca. 1674) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan van Hoeck|“Jan van Hoeck”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;344-345, met name 345. ;Heck, Claes Jacobsz. van der (ca. 1575/ca. 1581-1652) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Nicolaas vander Hek|“Nicolaas vander Hek”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;7-8. ;Heck, Marten Heemskerck van der (ca. 1607-1656) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Marten Heemskerk vander Hek|“Marten Heemskerk vander Hek”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;8. ;Heem, Jan Davidsz. de (1606-1684) *''Catalogus van een fraay en uytmuntend kabinetje met konstige schilderyen door de eerste Nederlandse meesters'', Tideman, Amsterdam, [18 maart] 1767.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (10 maart 1767) [[Amsterdamsche Courant/1767/Nummer 30/B. Tideman, J. Ottens de Jonge, C. Blasius en H. de Winter|‘B. Tideman, J. Ottens de Jonge, C. Blasius en H. de Winter, Makelaars, zullen op Woensdag den 18 Maart, […] t’Amst. […] verkopen, […] [advertentie]’]], ''Amsterdamsche Dingsdagsche Courant'', [p.&nbsp;2]. *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. *''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Recensies en aankondigingen: **Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p.&nbsp;3. ;Heer, Margareta de (voor 1603-voor 1665) *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. ;Helmbreker, Dirck (1633-1696) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Theodoor Helmbreker|“Theodoor Helmbreker”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;108-109. *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Heusch, Willem de *''Kersttentoonstelling van teekeningen van Utrechtsche meesters der 17e en 18e eeuw uit het bezit van Teyler's Stichting te Haarlem'', Centraal Museum, Utrecht, december 1927, geen catalogus bekend.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (25 december 1927) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 84/Nummer 358/Centraal Museum te Utrecht|‘Centraal Museum te Utrecht’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Ochtendblad, B, p.&nbsp;1. *[''Stadsgezichten en genretaferelen''], Centraal Museum, Utrecht, ....-15 juli 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies: **H. de Jonge (12 juni 1934) ‘Centraal museum Utrecht. Stadsgezichten en genretafereelen’, ''De Tijd'', Avondblad, [p.&nbsp;5]. ;Heyden, Jan van der (1637-1712) *Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;1]. *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. ;Hillegaert, Paulus van (I) (1596-1640) [[Bestand:Het Nieuws van den Dag 1878 no 2447 advertisement Belangrijke Verkooping van schilderijen door oude meesters.jpg|thumb|Advertentie uit ''Het Nieuws van den Dag'', 21 februari 1878.]] *''Catalogue de douze tableaux anciens provenant de la célèbre galerie de tableaux de feu Madame la douairière Van Loon-van Winter, à Amsterdam, et d’autres tableaux anciens provenant de la famille Druyvesteyn, de Haarlem, de feu Monsieur Ed. Croese, d’Amsterdam, et d’autres successions'' […], C.F. Roos en C.F. Roos Jr., Amsterdam, 26 februari 1878.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (27 februari 1878) [[Opregte Haarlemsche Courant/1878/Nummer 50/In de heden (dingsdag) te Amsterdam gehouden veiling|‘In de heden (dingsdag) te Amsterdam ge­hou­den veiling […]’]], ''Opregte Woensdagsche Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Holsteyn, Pieter (II) (ca. 1614-1673) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;117-125, met name 124-125. ;Hondecoeter, Gijsbert Gillisz. de *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. *Anoniem (9 oktober 1928) [[De Maasbode/Jaargang 61/Nummer 22102/Ochtendblad/Centraal Museum te Utrecht|‘Centraal Museum te Utrecht. Het jaarverslag’]], ''De Maasbode'', Ochtendblad, derde blad, [p.&nbsp;1]. ;Hondecoeter, Gillis Claesz. de (ca. 1575-1638) *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. *D.L. (1853) [[Album der Natuur/1853/Nieuwe afbeelding Dodo, Lubach|‘Over eene nieuw ontdekte afbeelding van den Dodo’]], ''Album der Natuur'', jrg. 2, p.&nbsp;255. ;Hoogstraten, Jan van (1629/1630-1654) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Samuel van Hoogstraten|“Samuel van Hoogstraten”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;155-170, met name 168-170. ;Hoogstraten, Samuel van (1627-1678) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Samuel van Hoogstraten|“Samuel van Hoogstraten”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;155-170. ;Houbraken, Arnold *''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p.&nbsp;2]. ;Huijsum, Jan van (1682-1749) *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. *Anoniem (4 juni 1930) [[De Telegraaf/Jaargang 38/Nummer 14271/Avondblad/Hooge prijzen bij Christie|‘Hooge prijzen bij Christie’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;9. ;Jacobsz., Jurriaan (1624-1685) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Juriaan Jakobze|“Juriaan Jakobze”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;49-50. ;Janssens van Ceulen, Cornelis (1593-1661) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Janson van Keulen|“Janson van Keulen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;224-225. ;Jongh, Ludolph de *Anoniem (31 maart 1915) [[Nieuwsblad van het Noorden/Jaargang 76/Nummer 28/Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot|‘Het geschenk van dr. P. Hofstede de Groot’]], ''Nieuwsblad van het Noorden'', [eerste blad, p.&nbsp;2]. *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ludolf de Jong|“Ludolf de Jong”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;32-34. ;Jonson van Ceulen, Cornelis (I) *Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;1]. ;Jordaens, Hans (IV) (1616-1680) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hans Jordaans|“Hans Jordaans”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;28-30. ;Kabel, Adriaen van der (1630/1631-1705) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ary vander Kabel|“Ary vander Kabel”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;235-236. ;Kabel, Engel van der (1640/1641-1696) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ary vander Kabel|“Ary vander Kabel”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;235-236. ;Keirincx, Alexander (1600-1652) *Houbraken, Arn. van (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Alexander Kierings|"Alexander Kierings"]], in: Arn. Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p.&nbsp;130. ;Kick, Cornelis (1634-1681) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kornelis Kik|“Kornelis Kik”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;333-334. ;Klomp, Albert Jansz. *''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p.&nbsp;2]. ;Knijff, Wouter (1605/1607-1694) *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. ;Koninck, Philips (1619-1688) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Philips de Koning|“Philips de Koning”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;53-55. *''Catalogue des tableaux anciens des écoles allemande, anglaise, espagnole, flamande, française, hollandaise, italienne, suisse des XVe, XVIe, XVIIe, XVIIIe siècles composant la collection de Son Excellence feu Paul Delaroff, conseiller privé de Sa Majesté l'Empereur de Russie'', F. Lair-Dubreuil, Parijs, 23-24 april 1914.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Veiling-Delaroff|‘Veiling-Delaroff’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p.&nbsp;7. ;Koninck, Salomon (1609-1656) *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. ;Kraanevelt, N. (....-voor 1674) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/N. Kraanevelt|“N. Kraanevelt”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;52. ;Laer, Roeland van (1598-1635/1640) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;117-125, met name 124. ;Latombe, Abraham (1597-na 1628) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Latombe|“Latombe”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;27-28. ;Leemans, Anthonie (1631-1671/1673) *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. ;Lely, Peter *Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;1]. ;Leveck, Jacobus (1634-1675) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakob Lavecq|“Jakob Lavecq”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;153-155. ;Leyster, Judith *''Catalogus van de kersttentoonstelling in het Museum Boymans'', Museum Boymans, Rotterdam, 23 december 1932-7 januari 1933.<br>Aankondigingen en recensies: **P.K.-n. (24 december 1932) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 105/Nummer 34436/Avondblad/Kersttentoonstelling in het Museum Boymans|‘Kersttentoonstelling in het Museum Boymans’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;9. ;Lisse, Dirck van der *''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies: **Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p.&nbsp;1-2]. ;Lundens, Gerrit (1622-1686) *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. ;Luttichuys, Isaack (1616-1673) *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. ;Man, Cornelis de (1621-1706) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kornelis de Man|“Kornelis de Man”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;99-100. ;Marienhof, Aert Jansz. (ca. 1626-1654) *Anoniem (15 oktober 1935) [[De Tijd/Jaargang 91/Nummer 28430/Avondblad/Utrechts Centraal Museum|‘Utrechts Centraal Museum’]], ''De Tijd'', Avondblad, [p.&nbsp;6]. ;Martens de Jonge, Jan *Anoniem (22 juli 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24505/Avondblad/"Rembrandt"|‘„Rembrandt”’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Eerste Blad, [p.&nbsp;1]. ;Meerkerk, Dirk (1602 of 1620-na 1660) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Dirk Meerkerk|“Dirk Meerkerk”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;91-92. ;Meijer, Hendrick de (ca. 1620-na 1689) *Anoniem (10 juli 1910) [[De Maasbode/Jaargang 42/Nummer 10679/Aanwinsten in het Haagsch Museum|‘Aanwinsten in het Haagsch Museum’]], ''De Maasbode'', Ochtendblad, tweede blad, [p.&nbsp;1]. ;Menton, Frans (ca. 1545-1615) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Frans Menton|“Frans Menton”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;15. ;Meyburgh, Bartholomeus (1628-ca. 1708) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kristoffel Pierson|“Kristoffel Pierson”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;259-262. ;Mieris, Willem van [[Bestand:Rotterdamsche Courant vol 1867 no 024 advertisement A. J. & Dirk A. Lamme.jpg|thumb|Advertentie uit de ''Rotterdamsche Courant'', 27 januari 1867]] *Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;1]. *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Mijtens, Johannes (ca. 1614-1670) *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. ;Molenaer, Klaes *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. *''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p.&nbsp;2]. ;Mommers, Hendrick (1619/1620-1693) *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. ;Moor, Carel de (II) (1655-1738) *''Tentoonstelling van zeldzame en belangrijke schilderijen van oude meesters. In de kunstzalen der Maatschappij „Arti et Amicitiae.” Ten behoeve van het Weduwen- en Wezenfonds'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 12 april 1872-....<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (14-15 april 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 89/Amsterdam, 12 April|‘Amsterdam, 12 April’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', bijvoegsel, [p.&nbsp;1]. ;Moucheron, Frederik de (1633-1686) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Frederik de Moucheron|“Frederik de Moucheron”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;327-328. ;Moucheron, Isaac de (1667-1744) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerard Uilenburg|“Gerard Uilenburg”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;293-303, met name 297-298. ;Murant, Emanuel (1622-ca. 1700) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Emanuel Murant|“Emanuel Murant”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;102. ;Nedek, Pieter Pietersz. (1617-na 1692) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Pieter Pieterze Nedek|“Pieter Pieterze Nedek”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;27. ;Neer, Eglon van der *Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;1]. *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Nes, Johan van (....-1650) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan van Nes|“Johan van Nes”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;343-344. ;Netscher, Caspar (1639-1684) *Havelaar, Just (7 september 1921) [[Het Vaderland/Jaargang 53/7 september 1921/Avondblad/Collectie Van Maanen|‘Collectie Van Maanen’]], ''Het Vaderland'', Avondblad B, p.&nbsp;2. ;Netscher, Constantijn *Anoniem (12 maart 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 61/De derde serie schilderijen, (...) leverde een zeer schoone veiling op|‘De derde serie schilderijen, […] leverde een zeer schoone veiling op, […]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;1]. ;Nickelen, Isaak van (1632/1633-1703) *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. ;Nieulandt, Adriaen van (ca. 1586-1658) *Houbraken, Arnold (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Adriaan Nieulant|"Adriaan Nieulant"]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p.&nbsp;42-43. ;Oosterwijck, Maria van *Bosboom-Toussaint, A.L.G. (1862) ''De bloemschilderes Maria van Oosterwijk'', Leiden: A.W. Sythoff. *Bredius, A. (1935) ‘Archiefsprokkelingen. Een en ander over Maria van Oosterwijck, “vermaert Konstschilderesse”’, ''Oud Holland'', jrg. 52, p.&nbsp;180-182. *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Maria van Oosterwyk|“Maria van Oosterwyk”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;214-216. *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Geertje Pieters|“Geertje Pieters”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;216-218. *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Oostfries, Catharina (ca. 1636-1708) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Katarina Oostfries|“Katarina Oostfries”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;209. ;Ossenbeeck, Jan van (ca. 1624-1674) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ossenbek|“Ossenbek”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;170-171. ;Pape, Abraham de (ca. 1620-1666) *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. ;Pardanus, Abraham (1673-1744) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gysbrecht Thys|“Gysbrecht Thys”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;144-145. ;Paulusz., Zacharias (ca. 1580-1648) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Zacharias Paulusz.|“Zacharias Paulusz.”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;55-56. ;Pierson, Christoffel (1631-1714) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kristoffel Pierson|“Kristoffel Pierson”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;259-262. ;Pijnacker, Adam (1620/1622-1673) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Adam Pynaker|“Adam Pynaker”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;96-99. *''Kunsthandel Dorus Hermsen N.V.'', Den Haag, december 1933.<br>Aankondigingen en recensies: **Gio. [=Jan Kalff] (16 december 1933) ‘Kunst in Den Haag’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;10. ;Poel, Egbert Lievensz. van der (1621-1664) *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. *''Oude kunst'', Kunstzaal Bennewitz, Den Haag, ....-23 mei 1936, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (14 mei 1936) [[Het Vaderland/Jaargang 68/14 mei 1936/Avondblad/Oude kunst|‘Oude kunst’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p.&nbsp;1. ;Poorter, Willem de (1608-na 1648) *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. ;Post, Frans *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Frans Post|“Frans Post”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;343-344. *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. *''Annual autumn exhibition of paintings by old Dutch and Flemish masters'', Alfred Brod Galerie, Londen, 5 oktober-4 november 1961.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (13 oktober 1961) ‘Londense expositie van oude meesters’, ''Het Parool'', p.&nbsp;17. ;Pot, Hendrik Gerritsz. (1580/1581-1657) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;117-125, met name 123. ;Puytlinck, Christoffel *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Ravesteyn, Jan van (ca. 1572-1657) [[Bestand:Rotterdamsche Courant vol 1867 no 024 advertisement A. J. & Dirk A. Lamme.jpg|thumb|Advertentie uit de ''Rotterdamsche Courant'', 27 januari 1867]] *''Collection de Mme Jean Cardon. Tableaux modernes & anciens, dessins, aquarelles, objets d’art, meubles'', Galerie J. et A. Le Roy, frères, Brussel, 24-25 april 1912.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (24 april 1912) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 69/Nummer 113/Ochtendblad/Men schrijft ons uit Brussel|‘Men schrijft ons uit Brussel: […]’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Ochtendblad, A, p.&nbsp;1. *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. ;Roestraeten, Pieter van (1630-1700) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Roestraten|“Roestraten”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;191-192. *Anoniem (25 februari 1940) [[Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 63/Nummer 22259/Beroemde Haarlemmers|‘Beroemde Haarlemmers’]], ''Nieuwe Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;3]. ;Romeyn, Willem *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Rotius, Jan Albertsz. (1624-1666) *Anoniem (7 juni 1898) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 232/Nummer 131/Men meldt ons uit Amsterdam|‘Men meldt ons uit Amsterdam: [...]’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', Eerste Blad, [p.&nbsp;2]. *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Albertsz. Roodtseus|“Jan Albertsz. Roodtseus”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;11-12. ;Ruysch, Rachel *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. *''Kunsthandel Dorus Hermsen N.V.'', Den Haag, december 1933.<br>Aankondigingen en recensies: **Gio. [=Jan Kalff] (16 december 1933) ‘Kunst in Den Haag’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;10. ;Saftleven, Cornelis *Anoniem (8 november 1905) [[Het Nieuws van den Dag/1905/Nummer 10999/Wetenschap en kunst|‘Wetenschap en kunst’]], ''Het Nieuws van den Dag'', p. 15. ;Sant-Acker, Frans (''fl''. 1648-1668) *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. ;Santvoort, Dirck Dircksz. (1604-1635) *''Catalogue de tableaux anciens de premier ordre des écoles hollandaise et flamande provenant de différentes successions vente à Amsterdam à hôtel "De Brakke Grond" le mercredi 16 mai 1877'', Van Pappelendam & Schouten, Amsterdam.<br>Uitslagen: **Anoniem (17 mei 1877) [[Algemeen Handelsblad/1877/Nummer 14517/Uitslag der veiling|‘Uitslag der veiling van oude schilderijen op heden, in „de Brakke Grond” alhier. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', [p.&nbsp;3]. *''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p.&nbsp;2]. *''Catalogus van de kersttentoonstelling in het Museum Boymans'', Museum Boymans, Rotterdam, 23 december 1932-7 januari 1933.<br>Aankondigingen en recensies: **P.K.-n. (24 december 1932) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 105/Nummer 34436/Avondblad/Kersttentoonstelling in het Museum Boymans|‘Kersttentoonstelling in het Museum Boymans’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;9. ;Savoyen, Carel van (1618-1665) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Karel van Savoyen|“Karel van Savoyen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;53. ;Schagen, Gillis (1616-1668) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gillis Schagen|“Gillis Schagen”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;30-32. ;Schellinks, Daniël (1627-1701) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem Schellinks|“Willem Schellinks”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;263-273, met name 273. ;Schellinks, Willem (1623-1678) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem Schellinks|“Willem Schellinks”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;263-273. ;Seghers, Hercules *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hercules Segers|“Hercules Segers”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;136-137. *''Hercules Seghers. Omstreeks 1590-omstreeks 1640'', ’s Rijks Prentenkabinet, Amsterdam, 1 april-30 juni 1914.<br>Aankondigingen en recensies: **M.V. (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Prentenkabinet Hercules Seghers|‘Prentenkabinet: Hercules Seghers’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p.&nbsp;6. ;Slingeland, Cornelis van (ca. 1635-1686) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan van Hoeck|“Jan van Hoeck”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;344-345, met name 345. ;Sorgh, Hendrick Martensz. (ca. 1611-1670) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hendrik Martensz. bygenaamt Zorgh|“Hendrik Martensz. bygenaamt Zorgh”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;89-90. *''Tentoonstelling van schilderijen van oude meesters in de zalen van het Gothische Paleis in het Noordeinde te ’s Gravenhage ten behoeve der watersnoodlijdenden'' […], Paleis Noordeinde, Den Haag, 20 maart-30 april 1881.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (26 april 1881) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 215/Nummer 97/De tentoonstelling|‘De tentoonstelling van kunstvoorwerpen van oude meesters, te ’s Gravenhage, ten behoeve der Watersnoodlijdenden, onder de Hooge Bescherming van HH. MM. de Koning en de Koningin. VII. Figuur- en stilleven-schilders’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', [p.&nbsp;581]. ;Stap, Jan Woutersz. genaamd *''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p.&nbsp;3. ;Staphorst, Abraham (ca. 1638-1696) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan van Hoeck|“Jan van Hoeck”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;344-345. ;Staveren, Jan Adriaensz. van *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Stoop, Dirk *''Kersttentoonstelling van teekeningen van Utrechtsche meesters der 17e en 18e eeuw uit het bezit van Teyler's Stichting te Haarlem'', Centraal Museum, Utrecht, december 1927, geen catalogus bekend.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (25 december 1927) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 84/Nummer 358/Centraal Museum te Utrecht|‘Centraal Museum te Utrecht’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Ochtendblad, B, p.&nbsp;1. ;Storck, Abraham [[Bestand:Het Nieuws van den Dag 1878 no 2447 advertisement Belangrijke Verkooping van schilderijen door oude meesters.jpg|thumb|Advertentie uit ''Het Nieuws van den Dag'', 21 februari 1878.]] *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Storck, Jacobus *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. *Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p.&nbsp;38-48. ;Streek, Hendrik van (1659-1720) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Juriaan van Streek|“Juriaan van Streek”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;290-292, met name 292. ;Striep, Christiaan (1634-1673) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan van Hoeck|“Jan van Hoeck”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;344-345, met name 345. ;Swart, Pieter *Mautner, W. (1941) [[Oud-Holland/Jaargang 58/Onbekende Meesters - Onbekende Werken|‘Onbekende Meesters — Onbekende Werken’]], ''Oud-Holland'', jrg. 58, p.&nbsp;38-48. ;Sweel, Jan van (''fl''. 1673-1676) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan de Baan|“Jan de Baan”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;303-324, met name 312. ;Tempel, Abraham van den *''Tentoonstelling van zeldzame en belangrijke schilderijen van oude meesters. In de kunstzalen der Maatschappij „Arti et Amicitiae.” Ten behoeve van het Weduwen- en Wezenfonds'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 12 april 1872-....<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (14-15 april 1872) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 205/Nummer 89/Amsterdam, 12 April|‘Amsterdam, 12 April’]], ''Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage'', bijvoegsel, [p.&nbsp;1]. *Anoniem (22 juli 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24505/Avondblad/"Rembrandt"|‘„Rembrandt”’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Eerste Blad, [p.&nbsp;1]. ;Troost, Cornelis *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Tulden, Theodoor van *Anoniem (24 september 1902) [[De Zuid-Willemsvaart/Jaargang 22/Nummer 76/Veiling Heeswijk|‘Veiling Heeswijk’]], ''De Zuid-Willemsvaart'', [p.&nbsp;2]. ;Vaillant, Andries (1655-1693) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vaillant|“Wallerant, Jan, Bernard, Jaques en Andreas Vaillant”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;102-105. ;Vaillant, Bernard (1632-1698) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vaillant|“Wallerant, Jan, Bernard, Jaques en Andreas Vaillant”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;102-105. ;Vaillant, Jacques (1643-1691) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vaillant|“Wallerant, Jan, Bernard, Jaques en Andreas Vaillant”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;102-105. *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem Schellinks|“Willem Schellinks”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;263-273, met name 266. ;Vaillant, Wallerant (1623-1677) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vaillant|“Wallerant, Jan, Bernard, Jaques en Andreas Vaillant”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;102-105. ;Valkenburg, Dirk *''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p.&nbsp;2]. ;Velde, Jan van de (III) (1620-1662) *Anoniem (18 oktober 1924) [[Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 81/Nummer 289/Avondblad/Kunsthandel Gebr. Douwes|‘Kunsthandel Gebr. Douwes’]], ''Nieuwe Rotterdamsche Courant'', Avondblad, B, p.&nbsp;1. ;Venne, Pieter van de *''Tentoonstelling van oude schilderijen der Collectie N.V. Kunsthandel P. de Boer, Amsterdam'', Koninklijke kunstzaal Kleykamp, 's-Gravenhage, 8 juni-3 juli 1939.<br>Recensies en aankondigingen: **Anoniem (23 juni 1939) [[Haagsche Courant/Nummer 17294/Tentoonstelling van oude schilderijen|‘Tentoonstelling van oude schilderijen’]], ''Haagsche Courant'', tweede blad, p.&nbsp;3. ;Verbeeck, Cornelis (ca. 1590-na 1637) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;117-125, met name 123. ;Verbijl, Jan Govertsz. (1634-1690) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Duive|“Jan Duive”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;90-91. ;Verboom, Adriaen Hendriksz. (1627/1628-1673) [[Bestand:Het Nieuws van den Dag 1878 no 2447 advertisement Belangrijke Verkooping van schilderijen door oude meesters.jpg|thumb|Advertentie uit ''Het Nieuws van den Dag'', 21 februari 1878.]] *''Catalogue de douze tableaux anciens provenant de la célèbre galerie de tableaux de feu Madame la douairière Van Loon-van Winter, à Amsterdam, et d’autres tableaux anciens provenant de la famille Druyvesteyn, de Haarlem, de feu Monsieur Ed. Croese, d’Amsterdam, et d’autres successions'' […], C.F. Roos en C.F. Roos Jr., Amsterdam, 26 februari 1878.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (27 februari 1878) [[Opregte Haarlemsche Courant/1878/Nummer 50/In de heden (dingsdag) te Amsterdam gehouden veiling|‘In de heden (dingsdag) te Amsterdam ge­hou­den veiling […]’]], ''Opregte Woensdagsche Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Verdoel, Adriaen (I) (1623-1675) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Adriaan Verdoel|“Adriaan Verdoel”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;57-58. ;Verkolje, Nicolaas (1673-1746) *''Catalogus der oude schilderijen en der antieke meubelen nagelaten door wijlen Mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen te Enkhuizen'', Frederik Muller & Co., van Pappelendam & Schouten, Enkhuizen, 29 april 1886.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (1 mei 1886) [[Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage/Jaargang 220/Nummer 102/Uit Enkhuizen|‘Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop […] van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen: […]’]], ''Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage'', tweede blad, [p.&nbsp;685]. ;Verschuring, Willem (1660-1726) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Wilhelm Verschuring|“Wilhelm Verschuring”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;196. ;Verspronck, Johannes Cornelisz. (1600/1603-1662) *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;117-125, met name 122-123. ;Verwilt, François *''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies: **Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p.&nbsp;1-2]. ;Victors, Jan *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. *''Catalogus tentoonstelling van schilderijen en teekeningen van Nederlandsche Italianiseerende schilders uit de 16e en 17e eeuw'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 14 juli-16 september 1934.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (14 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 34995/Avondblad/Tentoonstelling in "Arti"|‘Tentoonstelling in „Arti”. Italianisanten uit de 16de en 17de eeuw’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;9. ;Vinne, Vincent Laurensz. van der (I) (1628-1702) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vincent vander Vinne|“Vincent vander Vinne”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;210-214. *Anoniem (25 februari 1940) [[Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 63/Nummer 22259/Beroemde Haarlemmers|‘Beroemde Haarlemmers’]], ''Nieuwe Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;3]. ;Vliet, Hendrick van (1611/1612-1675) *[''Stadsgezichten en genretaferelen''], Centraal Museum, Utrecht, ....-15 juli 1934, geen catalogus.<br>Aankondigingen en recensies: **H. de Jonge (12 juni 1934) ‘Centraal museum Utrecht. Stadsgezichten en genretafereelen’, ''De Tijd'', Avondblad, [p.&nbsp;5]. *Anoniem (15 oktober 1935) [[De Tijd/Jaargang 91/Nummer 28430/Avondblad/Utrechts Centraal Museum|‘Utrechts Centraal Museum’]], ''De Tijd'', Avondblad, [p.&nbsp;6]. ;Vois, Ary de *''Catalogue de tableaux anciens de premier ordre des écoles hollandaise et flamande provenant de différentes successions vente à Amsterdam à hôtel "De Brakke Grond" le mercredi 16 mai 1877'', Van Pappelendam & Schouten, Amsterdam.<br>Uitslagen: **Anoniem (17 mei 1877) [[Algemeen Handelsblad/1877/Nummer 14517/Uitslag der veiling|‘Uitslag der veiling van oude schilderijen op heden, in „de Brakke Grond” alhier. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', [p.&nbsp;3]. ;Voort, Cornelis van der *Anoniem (24 september 1902) [[De Zuid-Willemsvaart/Jaargang 22/Nummer 76/Veiling Heeswijk|‘Veiling Heeswijk’]], ''De Zuid-Willemsvaart'', [p.&nbsp;2]. ;Vrel, Jacob *''Vermeer. Oorsprong en invloed Fabritius, De Hooch, De Witte'', Museum Boymans, Rotterdam, 9 juli-9 oktober 1935.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (24 mei 1935) [[Haagsche Courant/Nummer 16042/Boymans' openings-expositie|‘Boymans’ openings-expositie. Werken van Meesters van de Delftsche School’]], ''Haagsche Courant'', vierde blad, p.&nbsp;3. **Anoniem (9 juli 1935) [[De Gooi- en Eemlander/Jaargang 64/Nummer 159/Schilderkunst|‘Schilderkunst. De Vermeer-tentoonstelling in Boymans’]], ''De Gooi- en Eemlander'', eerste blad, p.&nbsp;3. ;Waben, Jacobus (ca. 1575-ca. 1641) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jaques Wabbe|“Jaques Wabbe”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;10-11. ;Waes, Aert van (ca. 1620-1664) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Duive|“Jan Duive”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;90-91. ;Waldcapelle, Jacob van (1644-1727) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kornelis Kik|“Kornelis Kik”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;333-334, met name 334. ;Waterloo, Anthonie (1609-1690) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Antoni Waterloo|“Antoni Waterloo”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;51. ;Werff, Adriaen van der (1659-1722) *''Collection Antoon van Welie. Tableaux anciens de l'école italienne, français, allemande, espagnole, flamande et hollandaise. Quelques objets divers'', S.J. Mak van Waay, Amsterdam, 7 april 1936, lotnr. 69.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (16 maart 1936) [[Het Vaderland/Jaargang 67/16 maart 1936/Avondblad/Veiling collectie Antoon van Welie|‘Veiling collectie Antoon van Welie’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p.&nbsp;1. ;Wieringa, Harmen Willems *Anoniem (22 juli 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24505/Avondblad/"Rembrandt"|‘„Rembrandt”’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Eerste Blad, [p.&nbsp;1]. ;Wieringen, Cornelis Claesz. (1577-1633) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius|“Johan Torrentius”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;117-125, met name 122. ;Wilkens, Theodoor (ca. 1690-1748) *''Catalogus tentoonstelling van schilderijen en teekeningen van Nederlandsche Italianiseerende schilders uit de 16e en 17e eeuw'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 14 juli-16 september 1934.<br>Aankondigingen en recensies: **M.V. (27 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 35008/Avondblad/Nederlandsche italianiseerende meesters|‘Neder­land­sche italiani­seeren­de mees­ters’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;9. ;Willaerts, Adam (1577-1664) *Houbraken, Arnold (1718) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Adam Willaarts|"Adam Willaarts"]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p.&nbsp;60. *''Schilderijenkabinet van F. H. Wente'', loods op het Damrak, Amsterdam, februari 1890.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (25 februari 1890) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 63/Nummer 19093/Avondblad/Schilderijen-verzamelingen/Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente|‘Onze stadgenoot, de heer F. H. Wente, heeft zijn kostbare verzameling schilderijen in de loods op het Damrak ter bezichtiging gesteld. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede Blad, [p.&nbsp;2]. ;Willaerts, Cornelis *''Catalogus der tentoonstelling van oude schilderkunst te Utrecht'', Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Utrecht, 20 augustus-1 oktober 1894.<br>Aankondigingen en recensies: **Graaf, J.J. (17 september 1894) [[De Tijd/Nummer 14327/De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht|‘De Tentoonstelling van Oude Schilderkunst te Utrecht’]], ''De Tijd'', Tweede Blad, [p.&nbsp;1-2]. ;Wit, Jacob de *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Withoos, Alida (ca. 1661/1662-1730) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathias Withoos|“Mathias Withoos”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;186-189, met name 188. ;Withoos, Frans *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathias Withoos|“Mathias Withoos”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;186-189, met name 189. ;Withoos, Johannes (1648-ca. 1688) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathias Withoos|“Mathias Withoos”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;186-189, met name 188. ;Withoos, Matthias (1627-1703) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathias Withoos|“Mathias Withoos”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;186-189. ;Withoos, Pieter (ca. 1657-1692) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathias Withoos|“Mathias Withoos”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;186-189, met name 189. ;Wittel, Caspar van (1653-1736) *''Kunsthandel Dorus Hermsen N.V.'', Den Haag, december 1933.<br>Aankondigingen en recensies: **Gio. [=Jan Kalff] (16 december 1933) ‘Kunst in Den Haag’, ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;10. *''Catalogus tentoonstelling van schilderijen en teekeningen van Nederlandsche Italianiseerende schilders uit de 16e en 17e eeuw'', Arti et Amicitiae, Amsterdam, 14 juli-16 september 1934.<br>Aankondigingen en recensies: **M.V. (27 juli 1934) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 107/Nummer 35008/Avondblad/Nederlandsche italianiseerende meesters|‘Neder­land­sche italiani­seeren­de mees­ters’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;9. ;Worst, Jan (....-na 1686) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Worst|“Jan Worst”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;147. ;Wouwerman, Jan (1629-1666) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Philip Wouwerman|“Philip Wouwerman”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;69-76, met name 76. ;Wyck, Jan (1652-1700) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Tomas Wyk|“Tomas Wyk”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;16-18. ;Wyntges, Geertje (1636-1712) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Geertje Pieters|“Geertje Pieters”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;216-218. ;Zijl, Gerard Pietersz. van (ca. 1607-1665) *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerard Pieterze van Zyl|“Gerard Pieterze van Zyl”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;225-233. ;Zuylen, J. Hendricksz. van (''fl''. 1644) *Anoniem (7 december 1931) [[De Maasbode/Jaargang 64/Nummer 24049/Avondblad/Centraal Museum te Utrecht|‘Centraal Museum te Utrecht. Nieuwe aanwinsten’]], ''De Maasbode'', Avondblad, p.&nbsp;6. ;Overige onderwerpen *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Willem van Aelst|Willem van Aelst]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Arent Arentsz. genaamd Cabel|Arent Arentsz. genaamd Cabel]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan Asselijn|Jan Asselijn]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Balthasar van der Ast|Balthasar van der Ast]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Justus van Attevelt|Justus van Attevelt]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Hendrick Avercamp|Hendrick Avercamp]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Dirck van Baburen|Dirck van Baburen]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan de Baen|Jan de Baen]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Ludolf Bakhuizen|Ludolf Bakhuizen]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Anthonie Beerstraaten|Anthonie Beerstraaten]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan Abrahamsz. Beerstraaten|Jan Abrahamsz. Beerstraaten]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Sybrand van Beest|Sybrand van Beest]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Cornelis Bega|Cornelis Bega]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Abraham Begeyn|Abraham Begeyn]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Abraham van Beijeren|Abraham van Beijeren]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Nicolaes Berchem|Nicolaes Berchem]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Gerrit Berckheyde|Gerrit Berckheyde]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Job Berckheyde|Job Berckheyde]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Dirck van Bergen|Dirck van Bergen]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Jan van Bijlert|Jan van Bijlert]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Abraham Bloemaert|Abraham Bloemaert]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Adriaen Bloemaert|Adriaen Bloemaert]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Hendrick Bloemaert|Hendrick Bloemaert]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Ferdinand Bol|Ferdinand Bol]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Paulus Bor|Paulus Bor]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Gerard ter Borch (II)|Gerard ter Borch (II)]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Andries Both|Andries Both]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Jan Both|Jan Both]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Richard Brakenburg|Richard Brakenburg]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Leonaert Bramer|Leonaert Bramer]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Bartholomeus Breenbergh|Bartholomeus Breenbergh]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Elias van den Broeck|Elias van den Broeck]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Hendrick ter Brugghen|Hendrick ter Brugghen]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Willem Buytewech|Willem Buytewech]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Michiel Carrée|Michiel Carrée]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/België/Barok en Rococo/Pieter Claesz.|Pieter Claesz.]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Anthonie van Croos|Anthonie van Croos]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Aelbert Cuyp|Aelbert Cuyp]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Benjamin Cuyp|Benjamin Cuyp]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Simon van der Does|Simon van der Does]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Gerard Dou|Gerard Dou]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Joost Cornelisz. Droochsloot|Joost Cornelisz. Droochsloot]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Carel Fabritius|Carel Fabritius]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Pieter Feddes van Harlingen|Pieter Feddes van Harlingen]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Govert Flinck|Govert Flinck]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Wybrand de Geest|Wybrand de Geest]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Arent de Gelder|Arent de Gelder]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jacob Gillig|Jacob Gillig]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Jan van Goyen|Jan van Goyen]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Frans Hals|Frans Hals]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Adriaen Hanneman|Adriaen Hanneman]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Willem Claesz. Heda|Willem Claesz. Heda]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Cornelis de Heem|Cornelis de Heem]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Bartholomeus van der Helst|Bartholomeus van der Helst]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Meindert Hobbema|Meindert Hobbema]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Melchior d'Hondecoeter|Melchior d'Hondecoeter]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Gerard van Honthorst|Gerard van Honthorst]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Pieter de Hooch|Pieter de Hooch]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan van Huchtenburg|Jan van Huchtenburg]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Karel du Jardin|Karel du Jardin]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Willem Kalf|Willem Kalf]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Gerard de Lairesse|Gerard de Lairesse]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Pieter Lastman|Pieter Lastman]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Hendrik van Limborch|Hendrik van Limborch]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Johannes Lingelbach|Johannes Lingelbach]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Nicolaes Maes|Nicolaes Maes]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Gabriël Metsu|Gabriël Metsu]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Michiel van Mierevelt|Michiel van Mierevelt]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Frans van Mieris (I)|Frans van Mieris (I)]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan Miense Molenaer|Jan Miense Molenaer]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Matthijs Naiveu|Matthijs Naiveu]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Aert van der Neer|Aert van der Neer]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jacob Ochtervelt|Jacob Ochtervelt]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Adriaen van Ostade|Adriaen van Ostade]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Isaac van Ostade|Isaac van Ostade]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Anthonie Palamedesz.|Anthonie Palamedesz.]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Cornelis van Poelenburch|Cornelis van Poelenburch]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Paulus Potter|Paulus Potter]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Pieter Potter|Pieter Potter]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Rembrandt|Rembrandt]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jacob van Ruisdael|Jacob van Ruisdael]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Salomon van Ruysdael|Salomon van Ruysdael]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Pieter Saenredam|Pieter Saenredam]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Herman Saftleven|Herman Saftleven]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/België/Roelant Savery|Roelant Savery]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Jan Steen|Jan Steen]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Juriaan van Streek|Juriaan van Streek]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Johannes Torrentius|Johannes Torrentius]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jacob van der Ulft|Jacob van der Ulft]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Adriaen van de Velde|Adriaen van de Velde]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Willem van de Velde (II)|Willem van de Velde (II)]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Adriaen van de Venne|Adriaen van de Venne]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Johannes Vermeer|Johannes Vermeer]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Hendrik Verschuring|Hendrik Verschuring]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Simon de Vlieger|Simon de Vlieger]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan Weenix|Jan Weenix]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan Baptist Weenix|Jan Baptist Weenix]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Thomas Wijck|Thomas Wijck]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Jan Wijnants|Jan Wijnants]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Emanuel de Witte|Emanuel de Witte]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Philips Wouwerman|Philips Wouwerman]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Pieter Wouwerman (II)|Pieter Wouwerman (II)]] *[[Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Joachim Wtewael|Joachim Wtewael]] [[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal beeldende kunst]] ftpawqltvspeki7j6yutbwslvmkmoec De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Alexander Kierings 0 56030 226062 167843 2026-08-29T16:31:53Z Vincent Steenberg 280 226062 wikitext text/x-wiki {{Koptekst | Titel = ‘Alexander Kierings’ | Schrijver = |Override_schrijver = [[Auteur:Arnold Houbraken|Arn. Houbraken]] | Vertaler = | Sectie = | Vorige = [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Kornelis Poelenburg|Kornelis Poelenburg]] | Volgende = [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Joris van Schoten|Joris van Schoten]] | Jaar = 1718 | Opmerkingen = Afkomstig uit Arn. Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel I, p.&nbsp;130. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]]. }} <pages index="De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu" from="170" to="170" fromsection="s2" tosection="s2"/> [[Categorie:Schouburg]] 2cktq8gmidpm7k667bdokhnq87sfp9j Sjabloon:MMDC 10 70778 226092 196982 2026-08-30T07:14:32Z Havang(nl) 4330 226092 wikitext text/x-wiki [http://www.mmdc.nl/static/site/search/detail.html?&recordId={{{1}}}#rnull '''M''']<noinclude> ==Documentatie== Dit sjabloon wordt gebruikt op [[Wikisource:Lijst van gedigitaliseerde Middelnederlandse handschriften en drukken in binnen- en buitenlandse bibliotheken]] ter verkorte weergave van de link naar de database ''Medieval Manuscripts in Dutch Collections'', afgekort MMDC. Vorm: <nowiki>{{MMDC|<recordId>}}</nowiki> Voorbeeldlink: https://www.mmdc.nl/static/site/search/detail.html?&recordId=1335#rnull Het record id 1335 wordt als volgt in het sjabloon gezet: <nowiki>{{MMDC|1335}}</nowiki>;<br> dit geeft als verkorte weergave van de voorbeeldlink : {{MMDC|1335}}</noinclude> [[Categorie:Wikisource:Identificatie sjabloon voor authenticatie]] hz4l6mk2ep0xtcvcq7yakln7f3kzlyb Sjabloon:ISTC 10 71162 226091 196983 2026-08-30T07:14:10Z Havang(nl) 4330 226091 wikitext text/x-wiki [https://data.cerl.org/istc/{{{1}}} '''I''']<noinclude> ==Documentatie== Dit sjabloon wordt gebruikt op [[Wikisource:Lijst van gedigitaliseerde Middelnederlandse handschriften en drukken in binnen- en buitenlandse bibliotheken]] ter verkorte weergave van de link naar de database ''Incunabula Short Title Catalogue'', afgekort ISTC. Vorm: <nowiki>{{ISTC|<ISTC No>}}</nowiki> Voorbeeldlink: https://data.cerl.org/istc/ij00143000 Het ISTC No. ij00143000 wordt als volgt in het sjabloon gezet: <nowiki>{{ISTC|ij00143000}}</nowiki>;<br> dit geeft als verkorte weergave van de voorbeeldlink : {{ISTC|ij00143000}}</noinclude> [[Categorie:Wikisource:Identificatie sjabloon voor authenticatie]] fsxk5ywfljra0j55xiu74ri8e34f6oi Sjabloon:USTC 10 71163 226094 196984 2026-08-30T07:15:43Z Havang(nl) 4330 226094 wikitext text/x-wiki [https://ustc.ac.uk/editions/{{{1}}} '''U''']<noinclude> ==Documentatie== Dit sjabloon wordt gebruikt op [[Wikisource:Lijst van gedigitaliseerde Middelnederlandse handschriften en drukken in binnen- en buitenlandse bibliotheken]] ter verkorte weergave van de link naar de database ''Universal Short Title Catalogue'', afgekort USTC. Vorm: <nowiki>{{USTC|<USTC No>}}</nowiki> Voorbeeldlink: https://ustc.ac.uk/editions/430519 Het USTC No. 430519 wordt als volgt in het sjabloon gezet: <nowiki>{{USTC|430519}}</nowiki>;<br> dit geeft als verkorte weergave van de voorbeeldlink : {{USTC|430519}}</noinclude> [[Categorie:Wikisource:Identificatie sjabloon voor authenticatie]] 66max9wb57fpc3qvm359ul9tzw30i99 Sjabloon:GW 10 71186 226090 197015 2026-08-30T07:12:52Z Havang(nl) 4330 226090 wikitext text/x-wiki [https://www.gesamtkatalogderwiegendrucke.de/docs/{{{1}}}.htm '''GW''']<noinclude> ==Documentatie== Dit sjabloon wordt gebruikt op [[Wikisource:Lijst van gedigitaliseerde Middelnederlandse handschriften en drukken in binnen- en buitenlandse bibliotheken]] ter verkorte weergave van de link naar de database ''Gesamtkatalog der Wiegendrucke'', afgekort GW. Vorm: <nowiki>{{GW|<GW-Nummer>}}</nowiki> Het GW-nummer kan gevonden worden via de site https://digital.staatsbibliothek-berlin.de/ Voorbeeld: https://www.gesamtkatalogderwiegendrucke.de/docs/M43085.htm heeft GW-Nummer M43085 ; dan wordt het GW-Nummer als volgt in het sjabloon gezet: <nowiki>{{GW|M43085}}</nowiki>;<br> dit geeft als verkorte weergave van de link: {{GW|M43085}} '''Opmerking:''' Blijkt de link niet actief te zijn, dan moet misschien GW aan het nummer toegevoegd worden:<br> Voorbeeld: GW-nummer 0668514N kan ook gezien worden als GW0668514N : als {{GW|0668514N}} een dode link blijkt te zijn, dan wordt het GW-Nummer als volgt in het sjabloon gezet: <nowiki>{{GW|GW0668514N}}</nowiki>;<br> dit geeft als verkorte weergave voorbeeldlink 1: {{GW|GW0668514N}} </noinclude> [[Categorie:Wikisource:Identificatie sjabloon voor authenticatie]] 67kpkjox5r4hwcnhqfl3ajw0hf03nml 226096 226090 2026-08-30T07:16:45Z Havang(nl) 4330 226096 wikitext text/x-wiki [https://www.gesamtkatalogderwiegendrucke.de/docs/{{{1}}}.htm '''G''']<noinclude> ==Documentatie== Dit sjabloon wordt gebruikt op [[Wikisource:Lijst van gedigitaliseerde Middelnederlandse handschriften en drukken in binnen- en buitenlandse bibliotheken]] ter verkorte weergave van de link naar de database ''Gesamtkatalog der Wiegendrucke'', afgekort GW. Vorm: <nowiki>{{GW|<GW-Nummer>}}</nowiki> Het GW-nummer kan gevonden worden via de site https://digital.staatsbibliothek-berlin.de/ Voorbeeld: https://www.gesamtkatalogderwiegendrucke.de/docs/M43085.htm heeft GW-Nummer M43085 ; dan wordt het GW-Nummer als volgt in het sjabloon gezet: <nowiki>{{GW|M43085}}</nowiki>;<br> dit geeft als verkorte weergave van de link: {{GW|M43085}} '''Opmerking:''' Blijkt de link niet actief te zijn, dan moet misschien GW aan het nummer toegevoegd worden:<br> Voorbeeld: GW-nummer 0668514N kan ook gezien worden als GW0668514N : als {{GW|0668514N}} een dode link blijkt te zijn, dan wordt het GW-Nummer als volgt in het sjabloon gezet: <nowiki>{{GW|GW0668514N}}</nowiki>;<br> dit geeft als verkorte weergave voorbeeldlink 1: {{GW|GW0668514N}} </noinclude> [[Categorie:Wikisource:Identificatie sjabloon voor authenticatie]] sd8wr7aqmyy32oq4o4mt5qzntm5n560 Sjabloon:STCN 10 71318 226093 197016 2026-08-30T07:14:57Z Havang(nl) 4330 226093 wikitext text/x-wiki [https://data.cerl.org/stcn/{{{1}}} '''S''']<noinclude> ==Documentatie== Dit sjabloon wordt gebruikt op [[Wikisource:Lijst van gedigitaliseerde Middelnederlandse handschriften en drukken in binnen- en buitenlandse bibliotheken]] ter verkorte weergave van de link naar de database ''Short Title Catalog Netherlands'', afgekort STCN. Vorm: <nowiki>{{STCN|<recordId>}}</nowiki> Voorbeeldlink: https://data.cerl.org/stcn/159831822 Het record id 159831822 wordt als volgt in het sjabloon gezet: <nowiki>{{STCN|159831822}}</nowiki>;<br> dit geeft als verkorte weergave van de voorbeeldlink : {{STCN|159831822}}</noinclude> [[Categorie:Wikisource:Identificatie sjabloon voor authenticatie]] 8tsrs4irzslbazfu58iq7wi5jqeh2jj Sjabloon:STCV 10 71409 226095 197210 2026-08-30T07:16:07Z Havang(nl) 4330 226095 wikitext text/x-wiki [https://anet.be/record/stcvopacanet/c:stcv:{{{1}}}/N '''V''']<noinclude> == Documentatie == Dit sjabloon wordt gebruikt op [[Wikisource:Lijst van gedigitaliseerde Middelnederlandse handschriften en drukken in binnen- en buitenlandse bibliotheken]] ter verkorte weergave van de c:stcv link naar de database ''Short Title Catalogus Vlaanderen'' (STCV) Vorm: <nowiki>{{STCV|<recordId c:stcv:...>}}</nowiki> Voorbeeldlink https://anet.be/record/stcvopacanet/c:stcv:12911016/N Het record id: c:stcv:12911016 wordt als volgt in het sjabloon gezet: <nowiki>{{STCV|12911016}}</nowiki>;<br> dit geeft als verkorte weergave van de voorbeeldlink : {{STCV|12911016}} <br>Van de permalink 12911016/N wordt /N niet meegenomen, dit zit reeds in het sjabloon vervat. '''LET OP''':voor anet.be links met de vorm https://anet.be/record/opacanet/c:ldv:{{{1}}}/N moet men het [[Sjabloon:ANET]] gebruiken.</noinclude> [[Categorie:Wikisource:Identificatie sjabloon voor authenticatie]] 55rr5ix3poz1lnd5mjjgmth4jyam6cj Overleg index:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf 107 85797 226087 225532 2026-08-29T20:04:44Z Havang(nl) 4330 226087 wikitext text/x-wiki == Vertaling uit oud-Frans == '''Iedereen kan meehelpen''' aan de vertaling uit oud-Frans van dit Middeleeuws werk. De proefvertaling is verkregen met hulp van AI door in google-AI-modus of in chatgtp gebruik te maken van de volgende prompt: {{block center|{{smaller|« Chercher dans le texte les mots qui sont dans des glossaires de l'ancien Français,<br> puis donner la traduction du texte en Néerlandais, en gardant le lay-out:<br>https://fr.wikisource.org/wiki/Page:Li_romans_de_Bauduin_de_Sebourc.pdf/23 »}}}}(idem voor volgende pagina's met betreffende ...pdf/'''nummer''' in de prompt) later verkort tot: {{block center|{{smaller|Glossaire, puis traduction d'ancien Français en Néerlandais, en gardant<br>le lay-out: https://fr.wikisource.org/wiki/Page:Li_romans_de_Bauduin_de_Sebourc.pdf/...}}}} NB. Nu alles hier vertaald is, verwijst AI naar deze vertaling! ==Tweekoloms Fr-Nl== <nowiki >{| |valign=top| <poem> {{iwpage|fr}} </poem> |valign=top| <poem> Hier de vertaling. </poem> |}</nowiki> Nadat in de Nederlandse pagina met sjabloon ''<nowiki>{{iwpage|fr}}</nowiki>'' de Franstalige transcriptie ter vergelijking binnengehaald is, kan men in in het venster van ''bewerking ter controle bekijken'' deze tekst kopieren en plakken op de plaats van/ter vervanging van <nowiki>{{iwpage|fr}}</nowiki> Dit geeft bij transclusie de tekst fr-nl in twee kolommen.--[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 13 aug 2026 13:24 (CEST) ''Door AI gegenereerd.'' == Eigennamen (Historisch & Mythologisch) == '''Lijst uit Bauduin de Sebourc.''' === Personages en Personen === <poem> • Alisxandres / Alexanders / Alixandre (Alexander, broer van Bauduin, koning van Schotland) • Aliamme / Aliammes /(Anthiames, een van de verraders in dienst van Gaufrois, Anthiames de Roussie, van Rusland.) • Bauduin de Sebourc / Bauduins / Bauduïnet (Boudewijn van Sebourc, de hoofdpersoon) • Bauduin de Biauvais (Boudewijn van Beauvais, oom van Bauduin de Sebourc) • Bauduins Cauderons (Boudewijn Cauderons, kruisvaarder) • Bérart (Een verraderlijke burger uit Lusarches) • Blanche (Zus van graaf Robers van Vlaanderen, geliefde van Bauduin) • Briguedans / Brighedans / Briquedans (Koning van Afrika) • Brohadas (Zoon van de sultan van Perzië) • Calabre (Profetes/waanzinnige uit Mekka) • Corbarans / Corbarant (Corbararan van Oliferne, Saraceense leider) • Elyas (Elias, de Zwaanridder) • Eliénor / Elidnor (Eleonora, zus van de Rouge-Lion) • Ernous de Biauvais / Ernoul (Arnoul van Beauvais, koning van Nijmegen en vader van Bauduin) • Esmerés / Esmerez / Esmeret (Esmeret, oudste broer van Bauduin, koning van Nijmegen) • Euriant (Koning Euriant, stamvader van de familie) • Foukier (Een van de verraders) • Gallerans / Galerans (Galleran, de trouwe ridder van koningin Rose) • Garsiles (Verrader in dienst van Gaufrois) • Gaufrois / Gaufroit / Goufroit (Godefroi/Govert van Friesland, de grote verrader) • Gautiers (Een boosaardige gerechtsbode/beul) • Gérin (Een herbergier in Bavay) • Glorians / Gloriant (Glorian, broer van Bauduin, koning van Cyprus) • Godefroy de Buillon / Godefrois (Godfried van Bouillon, neef van Bauduin) • Hainfrois (Een kwaadaardige ridder aan het hof van Gaufrois) • Harpins de Bourgez (Harpin van Bourges, kruisvaarder) • Henris (Een Vlaamse ridder/verrader) • Hues de Tabarie (Hulde van Tiberias) • Huon d’Odequin (Huon van Odequin, personage uit de kronieken) • Islaire (Koning Islaire, een Saraceense koning) • Ivorine (Ivorine, dochter van de koning van de Haus-Assis) • Jehans d’Alis (Jan van Alis, kruisvaarder) • Jehans de Pontieu (Jan van Ponthieu) • Julien (Koning Julien van Cyprus, tevens de doopnaam van koning Briguedans) • Longis (Longinus, de blinde Romeinse soldaat die Jezus spietste) • Lucabians (Saraceense koning) • Lucions / Lucion (Koning Lucion, vader van Polibant) • Luxion (Saraceense koning) • Madarent / Madarans (Madarant, raadsheer en verrader) • Mainfrois / Mainfroy (Maufroy, een Franse verrader/renegraat) • Matabrune (Matabrune, de boosaardige grootmoeder uit de zwanenlegende) • Nicole / Nicole / Thumas / Gautiers / Pole (Namen van dieven/matrozen) • Olivier (De legendarische paladijn Olivier) • Otinel / Otiniaus (Otinel, neef van Gaufrois) • Othon (Een ridder uit Friesland) • Percheval (Percheval, hertog van Denemarken) • Pièron-l’ermite / Pières-li-ermites (Peter de Kluizenaar) • Polibant (Polibant van Falise, later gedoopt als Saint Brandon / Sint Brandaan) • Polis (Koning Polis uit de kronieken) • Publion (Een boodschapper) • Rénier (Een slager uit Lusarches) • Richars de Cammont (Richard van Camont, kruisvaarder) • Robers / Robert (Graaf Robert van Vlaanderen/Henegouwen) • Roelans / Rollant (De legendarische paladijn Roeland) • Rouges-Lions / Rouge-Lion (De Rode Leeuw, koning van Abilant/Orcanie) • Rose / Roze (Koningin Rose, moeder van Bauduin) • Salahadin / Salehadins (Saladin, de bekende sultanszoon in dit epos) • Salatie (Dochter van Saladin en de dame van Ponthieu) • Sanson / Millon / Gallerant / Godenor / Thiebaut / Litus / Bertaut / Alori / Rogier (Ridders en tegenstanders in de Slag bij Lusarches) • Thiebaus / Thiebaut (Verrader in dienst van Gaufrois) • Thumas (Maistre Thumas, een christelijke priester in Bagdad) • Wistaces de Boulongne / Wistace (Eustachius van Boulogne, neef van Bauduin) • Ydain / Idain (Ida van Boulogne, moeder van Godfried van Bouillon en tante van Bauduin) • Ysoré (Isoré, de maarschalk van Gaufrois) === Heiligen, Religieuze en Goddelijke Figuren === • Adam & Evain / Eve (Adam en Eva) • Apollon / Apolin (Apollon, door de middeleeuwers gezien als Saraceense afgod) • Baraton / Barant (Fictieve Saraceense godheid) • Bugibus / Bregibus (Beëlzebub / een duivel) • Cahus (Een Saraceense demon of godheid) • Jhésu-Cris / Jhésus / Diu / Diex (Jezus Christus / God) • Jupin (Jupiter, hier misvat als Saraceense god) • Mahommet / Mahon / Mahom (Mohammed, hier aanbeden als godheid) • Margot (Saraceense afgod) • Marie / Vierge-Marie (De Maagd Maria) • Sains Danel (Sint Daniël) • Sains Elye / Saint Elye (Sint Elias) • Sains Fremin (Sint Firmijn) • Sains Germains / Saint Germain (Sint Germanus) • Saint Islaire (Sint Hilarius) • Saint Jorge (Sint Joris) • Saint Loys (Sint Lodewijk) • Saint Martel (Sint Martellus of Sint Maarten) • Saint Martin (Sint Martinus / Maarten) • Saint Nicholas (Sint Nicolaas) • Saint Omer (Sint Audomarus / Omer) • Saint Pière / Saint Pierre (Sint Petrus) • Saint Richier (Sint Riquier / Richarius) • Sains Remis (Sint Remigius) • Saint Symon (Sint Simon) • Saint Vinçant / Saint Vinchant (Sint Vincentius) • Sainte Cateline / Cateline (Sainte Catharina) • Tirvogant / Tervagant / Tervogant (Termagant, fictieve Saraceense godheid) === Geografische Namen (Steden, Landen en Regies) === • Abilant (Saraceense stad nabij de Tigris) • Acre (Akko, kruisvaardersstad) • Alemaigne / Alemaingne (Duitsland) • Anthioche (Antiochië) • Aufrique (Afrika) • Babilone (Babylon / Caïro) • Baudas (Bagdad) • Bavay (Bavay, stad in Henegouwen) • Bethléant / Bethleem (Bethlehem) • Boulongne / Bouloigne (Boulogne-sur-Mer) • Brabant (Hertogdom Brabant) • Brandis (Brindisi, Italië) • Brugez / Bruges (Brugge) • Capharnaon (Kafarnaüm) • Cartage (Carthago) • Chipre / Cypre (Cyprus) • Constentin (Constantinopel) • Courtrai (Kortrijk) • Damas (Damaskus) • Danemarche (Denemarken) • Escalon (Asjkelon) • Escoche (Schotland) • Espaingne (Spanje) • Falise / Falisse (Stad/burcht in de buurt van Bagdad/Indië) • Farise (Fictieve oosterse plaatsnaam) • Fescamp (Fécamp, Normandië) • Flandres / Flandre / Flamens (Vlaanderen / Vlamingen) • Franchois / Franchoise / Franche (Frankrijk / Fransen) • Frize / Frison (Friesland / Friezen) • Galilée (Galilea) • Gant (Gent) • Gresse (Griekenland) • Hainou / Hainnau / Hénuïer (Henegouwen / Henegouwers) • Inde / Inde majour (Indië / India) • Jhérusalem / Jherusalem (Jeruzalem) • Kievetout (Civetot, burcht van de Volkskruistocht) • Lille (Rijsel) • Lombardie (Lombardije) • Lusarches / Lusarchez (Plaatsnaam in Friesland) • Mieke / Mièkes (Mekka) • Monclin (Fictieve burcht in het epos) • Mons (Bergen, in Henegouwen) • Mont-Laön (Laon) • Nichotie (Nicosia, Cyprus) • Nike / Niqués (Nicea) • Nimaie / Nimaye / Niemaye (Nijmegen) • Nivelle (Nijvel) • Orcanie (Orkney-eilanden, hier gesitueerd in het Oosten) • Oriant (Het Oosten) • Pavie (Pavia, Italië) • Persis / Persant / Persie (Perzië / Perzen) • Picardie (Picardië) • Pise (Pisa) • Pontieu / Ponthieu (Ponthieu) • Ramez (Ramla, Palestina) • Romme (Rome) • Saint-Amant (Sint-Amands of Saint-Amand-les-Eaux) • Saint-Omer (Sint-Omaars) • Sebourc (Sebourg, burcht nabij Valenciennes) • Sormagane (Fictieve oosterse plaatsnaam) • Surie (Syrië) • Tabarie (Tiberias) • Tarente (Taranto, Italië) • Tigris (De rivier de Tigris) • Tournay / Tournay (Doornik) • Troie (Troje) • Valenchiènez / Valentin (Valenciennes / Valencijn) • Vautainise (Fictieve rijke goudmijn of regio) </poem> '''lijst uit Le Bastard de Buillon:''' === Personages en historische figuren === • Adam (Bijbelse vader) • Alexander / Alexandre (Koning van Schotland) • Alori (Franse krijger) • Anttelspris / Antexpris (De Antichrist) • Ardrastus (Sarasijnse ridder) • Ardeastus (Stichter van Arges) • Athon (Hertog van Bourgondië) • Baudewin / Bauduin de Sebourc (De held) • Blanche (Echtgenote van Baudewin) • Buiëmons / Buiemont (Kruisvaarder) • Buridans (Een van de bastaarden) • Calabre (Moeder van Corbaran) • Constance (Nicht van koning Sanson) • Corbarans / Corbaran (Koning van Jeruzalem) • Croissans / Croissant (Prins van Arges) • Daniel / Danel (Heilige profeet) • Dromadant (Sarasijnse krijger) • Ector / Hector (Koning van Salorie) • Eliënor / Eliénor (Echtgenote van Esmeret) • Elie / Elias (Profeet en Zwaanridder) • Engelier (Franse sergeant) • Enoc (Bijbelse profeet) • Eracles / Erracles (Verraderlijke patriarch) • Erquelaut (Sarasijnse krijger) • Esclamart (Sarasijnse koning) • Esmeret / Esmeret (Koning van Nijmegen) • Eve (Bijbelse moeder) • Fouquerré (Franse sergeant) • Furcaut (Sarasijnse figuur) • Gaufer / Gaufrois de Frise (De grote verrader) • Gérart / Gérars de Nichocie (Ridder uit Cyprus) • Glorians (Koning van Cyprus) • Godefroi de Buillon / Godefros (Kruisvaarderskoning) • Gontacles / Gondacles (Verraderlijke broer van Eracles) • Goutart (Franse sergeant) • Guimant (Kastelijn van Marmande) • Hainfroi (Boodschapper van de koning) • Harpin de Bourges (Hertog en kruisvaarder) • Havardin (Sarasijnse krijger) • Hernaïs (Bouwer van de toren) • Hertaut (Franse sergeant) • Hues d'Odequin / Huon (Heer van Tiberias) • Jehan / Jehans de Ponthieu (Hertog van Ponthieu) • Jonas (Boodschapper van Brandon) • Judas (Bijbelse verrader) • Julien d'Auffrike / Julien (Sarasijnse koning) • Loys-le-gros / Loys (Koning van Frankrijk) • Longis (Soldaat met de heilige lans) • Ludiane (Koningin van Bagdad) • Maguerite (Vrouwennaam) • Mahaut (Vrouwennaam) • Marbrun (Sarasijnse koning) • Marcus (Koning van de Ieren) • Maugis (Magiër uit sagen) • Morgant / Morgan (Sarasijnse koning) • Murgalė de Vaulis (Sarasijnse krijger) • Norandin (Sarasijnse krijger) • Phylippe / Phylippon (Koning van Frankrijk) • Pinable (Sarasijnse amiraal) • Polibant / Brandon (Koning gedoopt tot Brandon) • Pourvéus / Pourveus (Koning van Bagdad) • Prians (Koning Priamus van Troje) • Raimmon (Franse ridder) • Rembaus Creton (Kruisvaarder) • Richier (Priester van Sebourc) • Richars de Cammont (Kruisvaarder) • Rigaut (Franse sergeant) • Robers du Rosoi (Kruisvaarder) • Rose (Koningin van Nijmegen) • Salehadins / Salehadin (Sultan van Babylon) • Salfins (Koning van Arges) • Sanson / Sanses (Koning van Noorwegen) • Saudoine (Sarasijnse koning) • Séghen de Mélide (Sarasijnse figuur) • Simonde / Synamonde (Sarasijnse prinses) • Symon (Herbergier in Valenciennes) • Taillefer (Sarasijnse koning) • Tangre / Tangrès de Puille (Kruisvaarder) • Tidéus (Krijgertollenaar) • Tiéris (Jonge schildknaap) • Tourniquans / Tournikans (Sarasijnse wachter) • Wistace / Uistaces (Graaf van Boulogne) • Ydain (Gravin van Boulogne) == Goden, religieuze en mythologische entiteiten === • Apoline / Apolin (Sarasijnse afgod) • Baraton (Sarasijnse godheid) • Bregibus (Helse demon) • Jhesu-Cris / Jhesus (Jezus Christus) • Jupitel / Jupin (Afgod Jupiter) • Lucabel (Sarasijnse afgod) • Lucifier (Lucifer) • Mahon / Mahoumet (Afgodennaam van Mohammed) • Marie / sainte Marie (Heilige Maagd Maria) • Noiron (Helse demon) • Sathanas (Satan) • Tervogant / Tervogans (Sarasijnse afgod) === Geografische namen (Steden, landen en regio's) === • Abilant (Sarasijnse stad) • Acre (Akko) • Albeville (Abbeville) • Alixandrine (Alexandrië) • Amiens (Franse stad) • Anchin (Abdij) • Ango / Angiers (Anjou) • Arges (Stad) • Aubregiè (Plaatsnaam) • Babilone / Babilone la grant (Babylon) • Baudas (Bagdad) • Bavai (Bavay) • Biauvesis / Biauvais (Beauvaisis) • Bollongne / Boulenois (Boulogne-sur-Mer) • Borgongne (Bourgondië) • Bruges (Brugge) • Calabre (Calabrië) • Chambli (Chambly) • Chastèle (Castilië) • Chivetot (Berg Civetot) • Compiengne (Franse stad) • Damas (Damascus) • Doway (Douai) • Eggletère / Engletère (Engeland) • Escalonne (Askalon) • Escoche (Schotland) • Espaenge / Ispaenge (Spanje) • Fanmart (Famars) • Fescamp (Fécamp) • Flandres (Vlaanderen) • France (Frankrijk) • Gorgatas (Golgotha) • Gresse (Griekenland) • Hainnau / Hainau (Henegouwen) • Illande (Ierland) • Italie / Ytalie (Italië) • Jherusalem (Jeruzalem) • Laon (Franse stad) • Lille (Rijsel) • Lis (Rivier de Leie) • Mèkes / Mec (Mekka) • Marmande (Plaatsnaam) • Matran (Plaatsnaam) • Mélide (Plaatsnaam) • Mon-Faucon (Galg van Montfaucon) • Mons (Bergen) • Nimaie / Nymaie (Nijmegen) • Noïon / Noyon (Franse stad) • Noroèghe / Noruège (Noorwegen) • Ochident (Het Westen) • Oliferne (Plaatsnaam) • Orbrie (Stad) • Orient (Het Oosten) • Ostrevant (Regio) • Paris (Parijs) • Pavie (Pavia) • Picardie (Picardië) • Pontieu / Ponthieu (Ponthieu) • Portemue (Stad) • Puy (Le Puy) • Rains (Reims) • Rohais (Edessa}, • Romenie (Byzantium) • Romme / Rome (Rome) • Rouge-Montaingne (Plaatsnaam) • Saint-Amant (Sint-Amand-les-Eaux) • Saint-Denis (Abdij) • Saint-Quentin (Stad) • Salorie (Plaatsnaam) • Senlis (Franse stad) • Sormasane (Plaatsnaam) • Surie (Syrië) • Synagon (Plaatsnaam) • Tabarie (Tiberias) • Tigris (Berg Tigris) • Tournai / Tournay (Doornik) • Tournesis (Doornikse) • Troies (Troje) • Troulle (Rivier de Trouille) • Valfondée / Val-Fondée (Plaatsnaam) • Valenchiènes (Valenciennes) </poem> f1ysaw8zse3fhq5rhgp0u9hxb0zobdm 226088 226087 2026-08-29T20:12:54Z Havang(nl) 4330 226088 wikitext text/x-wiki == Vertaling uit oud-Frans == '''Iedereen kan meehelpen''' aan de vertaling uit oud-Frans van dit Middeleeuws werk. De proefvertaling is verkregen met hulp van AI door in google-AI-modus of in chatgtp gebruik te maken van de volgende prompt: {{block center|{{smaller|« Chercher dans le texte les mots qui sont dans des glossaires de l'ancien Français,<br> puis donner la traduction du texte en Néerlandais, en gardant le lay-out:<br>https://fr.wikisource.org/wiki/Page:Li_romans_de_Bauduin_de_Sebourc.pdf/23 »}}}}(idem voor volgende pagina's met betreffende ...pdf/'''nummer''' in de prompt) later verkort tot: {{block center|{{smaller|Glossaire, puis traduction d'ancien Français en Néerlandais, en gardant<br>le lay-out: https://fr.wikisource.org/wiki/Page:Li_romans_de_Bauduin_de_Sebourc.pdf/...}}}} NB. Nu alles hier vertaald is, verwijst AI naar deze vertaling! ==Tweekoloms Fr-Nl== <nowiki >{| |valign=top| <poem> {{iwpage|fr}} </poem> |valign=top| <poem> Hier de vertaling. </poem> |}</nowiki> Nadat in de Nederlandse pagina met sjabloon ''<nowiki>{{iwpage|fr}}</nowiki>'' de Franstalige transcriptie ter vergelijking binnengehaald is, kan men in in het venster van ''bewerking ter controle bekijken'' deze tekst kopieren en plakken op de plaats van/ter vervanging van <nowiki>{{iwpage|fr}}</nowiki> Dit geeft bij transclusie de tekst fr-nl in twee kolommen.--[[Gebruiker:Havang(nl)|Havang(nl)]] ([[Overleg gebruiker:Havang(nl)|overleg]]) 13 aug 2026 13:24 (CEST) == Eigennamen (Historisch & Mythologisch) == ''Door AI gegenereerd.'' === uit Bauduin de Sebourc.=== ==== Personages en Personen ==== • Alisxandres / Alexanders / Alixandre (Alexander, broer van Bauduin, koning van Schotland) • Aliamme / Aliammes /(Anthiames, een van de verraders in dienst van Gaufrois, Anthiames de Roussie, van Rusland.) • Bauduin de Sebourc / Bauduins / Bauduïnet (Boudewijn van Sebourc, de hoofdpersoon) • Bauduin de Biauvais (Boudewijn van Beauvais, oom van Bauduin de Sebourc) • Bauduins Cauderons (Boudewijn Cauderons, kruisvaarder) • Bérart (Een verraderlijke burger uit Lusarches) • Blanche (Zus van graaf Robers van Vlaanderen, geliefde van Bauduin) • Briguedans / Brighedans / Briquedans (Koning van Afrika) • Brohadas (Zoon van de sultan van Perzië) • Calabre (Profetes/waanzinnige uit Mekka) • Corbarans / Corbarant (Corbararan van Oliferne, Saraceense leider) • Elyas (Elias, de Zwaanridder) • Eliénor / Elidnor (Eleonora, zus van de Rouge-Lion) • Ernous de Biauvais / Ernoul (Arnoul van Beauvais, koning van Nijmegen en vader van Bauduin) • Esmerés / Esmerez / Esmeret (Esmeret, oudste broer van Bauduin, koning van Nijmegen) • Euriant (Koning Euriant, stamvader van de familie) • Foukier (Een van de verraders) • Gallerans / Galerans (Galleran, de trouwe ridder van koningin Rose) • Garsiles (Verrader in dienst van Gaufrois) • Gaufrois / Gaufroit / Goufroit (Godefroi/Govert van Friesland, de grote verrader) • Gautiers (Een boosaardige gerechtsbode/beul) • Gérin (Een herbergier in Bavay) • Glorians / Gloriant (Glorian, broer van Bauduin, koning van Cyprus) • Godefroy de Buillon / Godefrois (Godfried van Bouillon, neef van Bauduin) • Hainfrois (Een kwaadaardige ridder aan het hof van Gaufrois) • Harpins de Bourgez (Harpin van Bourges, kruisvaarder) • Henris (Een Vlaamse ridder/verrader) • Hues de Tabarie (Hulde van Tiberias) • Huon d’Odequin (Huon van Odequin, personage uit de kronieken) • Islaire (Koning Islaire, een Saraceense koning) • Ivorine (Ivorine, dochter van de koning van de Haus-Assis) • Jehans d’Alis (Jan van Alis, kruisvaarder) • Jehans de Pontieu (Jan van Ponthieu) • Julien (Koning Julien van Cyprus, tevens de doopnaam van koning Briguedans) • Longis (Longinus, de blinde Romeinse soldaat die Jezus spietste) • Lucabians (Saraceense koning) • Lucions / Lucion (Koning Lucion, vader van Polibant) • Luxion (Saraceense koning) • Madarent / Madarans (Madarant, raadsheer en verrader) • Mainfrois / Mainfroy (Maufroy, een Franse verrader/renegraat) • Matabrune (Matabrune, de boosaardige grootmoeder uit de zwanenlegende) • Nicole / Nicole / Thumas / Gautiers / Pole (Namen van dieven/matrozen) • Olivier (De legendarische paladijn Olivier) • Otinel / Otiniaus (Otinel, neef van Gaufrois) • Othon (Een ridder uit Friesland) • Percheval (Percheval, hertog van Denemarken) • Pièron-l’ermite / Pières-li-ermites (Peter de Kluizenaar) • Polibant (Polibant van Falise, later gedoopt als Saint Brandon / Sint Brandaan) • Polis (Koning Polis uit de kronieken) • Publion (Een boodschapper) • Rénier (Een slager uit Lusarches) • Richars de Cammont (Richard van Camont, kruisvaarder) • Robers / Robert (Graaf Robert van Vlaanderen/Henegouwen) • Roelans / Rollant (De legendarische paladijn Roeland) • Rouges-Lions / Rouge-Lion (De Rode Leeuw, koning van Abilant/Orcanie) • Rose / Roze (Koningin Rose, moeder van Bauduin) • Salahadin / Salehadins (Saladin, de bekende sultanszoon in dit epos) • Salatie (Dochter van Saladin en de dame van Ponthieu) • Sanson / Millon / Gallerant / Godenor / Thiebaut / Litus / Bertaut / Alori / Rogier (Ridders en tegenstanders in de Slag bij Lusarches) • Thiebaus / Thiebaut (Verrader in dienst van Gaufrois) • Thumas (Maistre Thumas, een christelijke priester in Bagdad) • Wistaces de Boulongne / Wistace (Eustachius van Boulogne, neef van Bauduin) • Ydain / Idain (Ida van Boulogne, moeder van Godfried van Bouillon en tante van Bauduin) • Ysoré (Isoré, de maarschalk van Gaufrois) ==== Heiligen, Religieuze en Goddelijke Figuren ==== • Adam & Evain / Eve (Adam en Eva) • Apollon / Apolin (Apollon, door de middeleeuwers gezien als Saraceense afgod) • Baraton / Barant (Fictieve Saraceense godheid) • Bugibus / Bregibus (Beëlzebub / een duivel) • Cahus (Een Saraceense demon of godheid) • Jhésu-Cris / Jhésus / Diu / Diex (Jezus Christus / God) • Jupin (Jupiter, hier misvat als Saraceense god) • Mahommet / Mahon / Mahom (Mohammed, hier aanbeden als godheid) • Margot (Saraceense afgod) • Marie / Vierge-Marie (De Maagd Maria) • Sains Danel (Sint Daniël) • Sains Elye / Saint Elye (Sint Elias) • Sains Fremin (Sint Firmijn) • Sains Germains / Saint Germain (Sint Germanus) • Saint Islaire (Sint Hilarius) • Saint Jorge (Sint Joris) • Saint Loys (Sint Lodewijk) • Saint Martel (Sint Martellus of Sint Maarten) • Saint Martin (Sint Martinus / Maarten) • Saint Nicholas (Sint Nicolaas) • Saint Omer (Sint Audomarus / Omer) • Saint Pière / Saint Pierre (Sint Petrus) • Saint Richier (Sint Riquier / Richarius) • Sains Remis (Sint Remigius) • Saint Symon (Sint Simon) • Saint Vinçant / Saint Vinchant (Sint Vincentius) • Sainte Cateline / Cateline (Sainte Catharina) • Tirvogant / Tervagant / Tervogant (Termagant, fictieve Saraceense godheid) ==== Geografische Namen (Steden, Landen en Regios) ==== • Abilant (Saraceense stad nabij de Tigris) • Acre (Akko, kruisvaardersstad) • Alemaigne / Alemaingne (Duitsland) • Anthioche (Antiochië) • Aufrique (Afrika) • Babilone (Babylon / Caïro) • Baudas (Bagdad) • Bavay (Bavay, stad in Henegouwen) • Bethléant / Bethleem (Bethlehem) • Boulongne / Bouloigne (Boulogne-sur-Mer) • Brabant (Hertogdom Brabant) • Brandis (Brindisi, Italië) • Brugez / Bruges (Brugge) • Capharnaon (Kafarnaüm) • Cartage (Carthago) • Chipre / Cypre (Cyprus) • Constentin (Constantinopel) • Courtrai (Kortrijk) • Damas (Damaskus) • Danemarche (Denemarken) • Escalon (Asjkelon) • Escoche (Schotland) • Espaingne (Spanje) • Falise / Falisse (Stad/burcht in de buurt van Bagdad/Indië) • Farise (Fictieve oosterse plaatsnaam) • Fescamp (Fécamp, Normandië) • Flandres / Flandre / Flamens (Vlaanderen / Vlamingen) • Franchois / Franchoise / Franche (Frankrijk / Fransen) • Frize / Frison (Friesland / Friezen) • Galilée (Galilea) • Gant (Gent) • Gresse (Griekenland) • Hainou / Hainnau / Hénuïer (Henegouwen / Henegouwers) • Inde / Inde majour (Indië / India) • Jhérusalem / Jherusalem (Jeruzalem) • Kievetout (Civetot, burcht van de Volkskruistocht) • Lille (Rijsel) • Lombardie (Lombardije) • Lusarches / Lusarchez (Plaatsnaam in Friesland) • Mieke / Mièkes (Mekka) • Monclin (Fictieve burcht in het epos) • Mons (Bergen, in Henegouwen) • Mont-Laön (Laon) • Nichotie (Nicosia, Cyprus) • Nike / Niqués (Nicea) • Nimaie / Nimaye / Niemaye (Nijmegen) • Nivelle (Nijvel) • Orcanie (Orkney-eilanden, hier gesitueerd in het Oosten) • Oriant (Het Oosten) • Pavie (Pavia, Italië) • Persis / Persant / Persie (Perzië / Perzen) • Picardie (Picardië) • Pise (Pisa) • Pontieu / Ponthieu (Ponthieu) • Ramez (Ramla, Palestina) • Romme (Rome) • Saint-Amant (Sint-Amands of Saint-Amand-les-Eaux) • Saint-Omer (Sint-Omaars) • Sebourc (Sebourg, burcht nabij Valenciennes) • Sormagane (Fictieve oosterse plaatsnaam) • Surie (Syrië) • Tabarie (Tiberias) • Tarente (Taranto, Italië) • Tigris (De rivier de Tigris) • Tournay / Tournay (Doornik) • Troie (Troje) • Valenchiènez / Valentin (Valenciennes / Valencijn) • Vautainise (Fictieve rijke goudmijn of regio) ===Uit Le Bastard de Buillon:=== ==== Personages en historische figuren ==== • Adam (Bijbelse vader) • Alexander / Alexandre (Koning van Schotland) • Alori (Franse krijger) • Anttelspris / Antexpris (De Antichrist) • Ardrastus (Sarasijnse ridder) • Ardeastus (Stichter van Arges) • Athon (Hertog van Bourgondië) • Baudewin / Bauduin de Sebourc (De held) • Blanche (Echtgenote van Baudewin) • Buiëmons / Buiemont (Kruisvaarder) • Buridans (Een van de bastaarden) • Calabre (Moeder van Corbaran) • Constance (Nicht van koning Sanson) • Corbarans / Corbaran (Koning van Jeruzalem) • Croissans / Croissant (Prins van Arges) • Daniel / Danel (Heilige profeet) • Dromadant (Sarasijnse krijger) • Ector / Hector (Koning van Salorie) • Eliënor / Eliénor (Echtgenote van Esmeret) • Elie / Elias (Profeet en Zwaanridder) • Engelier (Franse sergeant) • Enoc (Bijbelse profeet) • Eracles / Erracles (Verraderlijke patriarch) • Erquelaut (Sarasijnse krijger) • Esclamart (Sarasijnse koning) • Esmeret / Esmeret (Koning van Nijmegen) • Eve (Bijbelse moeder) • Fouquerré (Franse sergeant) • Furcaut (Sarasijnse figuur) • Gaufer / Gaufrois de Frise (De grote verrader) • Gérart / Gérars de Nichocie (Ridder uit Cyprus) • Glorians (Koning van Cyprus) • Godefroi de Buillon / Godefros (Kruisvaarderskoning) • Gontacles / Gondacles (Verraderlijke broer van Eracles) • Goutart (Franse sergeant) • Guimant (Kastelijn van Marmande) • Hainfroi (Boodschapper van de koning) • Harpin de Bourges (Hertog en kruisvaarder) • Havardin (Sarasijnse krijger) • Hernaïs (Bouwer van de toren) • Hertaut (Franse sergeant) • Hues d'Odequin / Huon (Heer van Tiberias) • Jehan / Jehans de Ponthieu (Hertog van Ponthieu) • Jonas (Boodschapper van Brandon) • Judas (Bijbelse verrader) • Julien d'Auffrike / Julien (Sarasijnse koning) • Loys-le-gros / Loys (Koning van Frankrijk) • Longis (Soldaat met de heilige lans) • Ludiane (Koningin van Bagdad) • Maguerite (Vrouwennaam) • Mahaut (Vrouwennaam) • Marbrun (Sarasijnse koning) • Marcus (Koning van de Ieren) • Maugis (Magiër uit sagen) • Morgant / Morgan (Sarasijnse koning) • Murgalė de Vaulis (Sarasijnse krijger) • Norandin (Sarasijnse krijger) • Phylippe / Phylippon (Koning van Frankrijk) • Pinable (Sarasijnse amiraal) • Polibant / Brandon (Koning gedoopt tot Brandon) • Pourvéus / Pourveus (Koning van Bagdad) • Prians (Koning Priamus van Troje) • Raimmon (Franse ridder) • Rembaus Creton (Kruisvaarder) • Richier (Priester van Sebourc) • Richars de Cammont (Kruisvaarder) • Rigaut (Franse sergeant) • Robers du Rosoi (Kruisvaarder) • Rose (Koningin van Nijmegen) • Salehadins / Salehadin (Sultan van Babylon) • Salfins (Koning van Arges) • Sanson / Sanses (Koning van Noorwegen) • Saudoine (Sarasijnse koning) • Séghen de Mélide (Sarasijnse figuur) • Simonde / Synamonde (Sarasijnse prinses) • Symon (Herbergier in Valenciennes) • Taillefer (Sarasijnse koning) • Tangre / Tangrès de Puille (Kruisvaarder) • Tidéus (Krijgertollenaar) • Tiéris (Jonge schildknaap) • Tourniquans / Tournikans (Sarasijnse wachter) • Wistace / Uistaces (Graaf van Boulogne) • Ydain (Gravin van Boulogne) ==== Goden, religieuze en mythologische entiteiten ==== • Apoline / Apolin (Sarasijnse afgod) • Baraton (Sarasijnse godheid) • Bregibus (Helse demon) • Jhesu-Cris / Jhesus (Jezus Christus) • Jupitel / Jupin (Afgod Jupiter) • Lucabel (Sarasijnse afgod) • Lucifier (Lucifer) • Mahon / Mahoumet (Afgodennaam van Mohammed) • Marie / sainte Marie (Heilige Maagd Maria) • Noiron (Helse demon) • Sathanas (Satan) • Tervogant / Tervogans (Sarasijnse afgod) ==== Geografische namen (Steden, landen en regio's) ==== • Abilant (Sarasijnse stad) • Acre (Akko) • Albeville (Abbeville) • Alixandrine (Alexandrië) • Amiens (Franse stad) • Anchin (Abdij) • Ango / Angiers (Anjou) • Arges (Stad) • Aubregiè (Plaatsnaam) • Babilone / Babilone la grant (Babylon) • Baudas (Bagdad) • Bavai (Bavay) • Biauvesis / Biauvais (Beauvaisis) • Bollongne / Boulenois (Boulogne-sur-Mer) • Borgongne (Bourgondië) • Bruges (Brugge) • Calabre (Calabrië) • Chambli (Chambly) • Chastèle (Castilië) • Chivetot (Berg Civetot) • Compiengne (Franse stad) • Damas (Damascus) • Doway (Douai) • Eggletère / Engletère (Engeland) • Escalonne (Askalon) • Escoche (Schotland) • Espaenge / Ispaenge (Spanje) • Fanmart (Famars) • Fescamp (Fécamp) • Flandres (Vlaanderen) • France (Frankrijk) • Gorgatas (Golgotha) • Gresse (Griekenland) • Hainnau / Hainau (Henegouwen) • Illande (Ierland) • Italie / Ytalie (Italië) • Jherusalem (Jeruzalem) • Laon (Franse stad) • Lille (Rijsel) • Lis (Rivier de Leie) • Mèkes / Mec (Mekka) • Marmande (Plaatsnaam) • Matran (Plaatsnaam) • Mélide (Plaatsnaam) • Mon-Faucon (Galg van Montfaucon) • Mons (Bergen) • Nimaie / Nymaie (Nijmegen) • Noïon / Noyon (Franse stad) • Noroèghe / Noruège (Noorwegen) • Ochident (Het Westen) • Oliferne (Plaatsnaam) • Orbrie (Stad) • Orient (Het Oosten) • Ostrevant (Regio) • Paris (Parijs) • Pavie (Pavia) • Picardie (Picardië) • Pontieu / Ponthieu (Ponthieu) • Portemue (Stad) • Puy (Le Puy) • Rains (Reims) • Rohais (Edessa}, • Romenie (Byzantium) • Romme / Rome (Rome) • Rouge-Montaingne (Plaatsnaam) • Saint-Amant (Sint-Amand-les-Eaux) • Saint-Denis (Abdij) • Saint-Quentin (Stad) • Salorie (Plaatsnaam) • Senlis (Franse stad) • Sormasane (Plaatsnaam) • Surie (Syrië) • Synagon (Plaatsnaam) • Tabarie (Tiberias) • Tigris (Berg Tigris) • Tournai / Tournay (Doornik) • Tournesis (Doornikse) • Troies (Troje) • Troulle (Rivier de Trouille) • Valfondée / Val-Fondée (Plaatsnaam) • Valenchiènes (Valenciennes) 73qjr2yb8kx62pfhxnnsu2bcrz86b9m Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/België/Barok en Rococo/Pieter Claesz. 100 88626 226074 225990 2026-08-29T18:11:28Z Vincent Steenberg 280 typo 226074 wikitext text/x-wiki {{Infobox thema | naam = Pieter Claesz. | afbeelding = | alt = | beschrijving = Bronnen bij de Zuid-Nederlandse schilder [[w:nl:Pieter Claesz.|Pieter Claesz.]] }} == Algemeen == == Inleidingen - Hand- en leerboeken == *Houbraken, Arnold (1719) [[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Nikolaas Berchem|“Nikolaas Berchem”]], in: Arnold Houbraken (1718-1721) ''De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen'', Amsterdam: [s.n.], deel II, p.&nbsp;109-114, met name 110-111. == Verzamelen - Musea - Tentoonstellingen == === Verzamelen === ==== Veilingen ==== ;1888 *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;1914 *''Catalogue des tableaux anciens des écoles allemande, anglaise, espagnole, flamande, française, hollandaise, italienne, suisse des XVe, XVIe, XVIIe, XVIIIe siècles composant la collection de Son Excellence feu Paul Delaroff, conseiller privé de Sa Majesté l'Empereur de Russie'', F. Lair-Dubreuil, Parijs, 23-24 april 1914.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Veiling-Delaroff|‘Veiling-Delaroff’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p.&nbsp;7. === Musea === === Tentoonstellingen === ;1922 *''Tentoonstelling collectie Goudstikker'', Pulchri Studio, ’s-Gravenhage, 4-30 november 1922.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (10 november 1922) [[Haagsche Courant/1922/Nummer 12190/Tentoonstelling collectie-Goudstikker|‘Tentoonstelling collectie-Goudstikker’]], ''Haagsche Courant'', Eerste blad, p.&nbsp;2. [[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal beeldende kunst]] 98k8hx4wyk2rjt0wg8gaguc1tf9fca0 Boudewijn van Sebourg/ZANG XXII 0 88655 226060 226027 2026-08-29T15:49:59Z Havang(nl) 4330 226060 wikitext text/x-wiki <pages index="Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf" from=727 to=755 header=1 /> 6jt15zmtkun8irjzfidj3fq0mos46c1 226065 226060 2026-08-29T17:49:43Z Havang(nl) 4330 Versie 226060 van [[Speciaal:Contributions/Havang(nl)|Havang(nl)]] ongedaan gemaakt. 226065 wikitext text/x-wiki <pages index="Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf" from=691 to=726 header=1 /> t1wykr1s429z5z0ev5lsud5k3konc9e Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/729 104 88659 226031 2026-08-29T13:34:38Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226031 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « As anemis d’enfer, où mauvais fait aler ? » « Comment ? » dist la royne, « merveilles oi conter ! « Chertes, ne fai nul mal pour moi desmanever : « Riens ne tiens de l’autrui, né riens ne vœil embler ; « Ni à homme vivant ne me voilz ains livrer ; « Mais vous devés avoir enfer, sans retourner, « Car vous n’acontés riens à tolir n’à rober, « Nès des femmes d’autrui honnir né vergonder. « De quel lieu qu’avoirs viengne, le volés amasser. » « Dame, » dist li liégaus, « tout ce laissiés ester, « Chuis doit faire le plaie qui bien le scet saner. « Dame, » dist li liégaus, « entendés à rayson : « Reprendre vous convient Gaufroi, vostre baron, « Ou rechevoir sentence en condampnation ; « Car li papes le voelt, donné m’en a le don, « Et si me commanda, à le départison, « S’entendre ne vœilliés à droit, si con dison, « Qu’ardoir on vous fesist en ·j· feu de charbon. » Tant prièrent la dame, li prince d’environ, Qu’elle reprist Gaufroi, le traïtour larron. Ensi que de nouvel les noches en fist-on Et joustes et tournois as champs sor le sablon. Gaufrois jut o sa femme qui belle ot le fasson, Sé li monstra amour assés et à foison. ·j· mois fu à Paris et, après le saison Vint Gaufrois à Nimaie dont il tint le roïon. Contre la dame vont, à grant pourcession, Chanone, clerc et prestre, gent de religion ; Contre lui vont portant et crois et confanon. Puis ne demoura gares, che nous dist le chanson, Que Gaufrois vers sa femme fist grande traïson ; Car Gaufrois se doubtoit et avoit souspechon Que maus ne li venist par son estration, S’apella escuïers et chevaliers de non En cui il se fioit, ch’ert de sa nourechon : </poem> |valign=top| <poem> “ Naar de vijanden van de hel, waar de slechten naartoe gaan? “ “ Hoe? “ zei de koningin, “ ik hoor vreemde dingen vertellen! “ Voorwaar, ik doe geen enkel kwaad om mij zo te kwellen: “ Niets bezit ik van een ander, noch wil ik iets stelen; “ Noch heb ik mij ooit aan een levend mens willen overleveren; “ Maar ú zou de hel moeten hebben, zonder terugkeer, “ Want u telt niets mee als het gaat om ontnemen of roven, “ Noch om de vrouwen van anderen te onteren en te schande te maken. “ Van welke plek de rijkdom ook komt, u wilt het verzamelen. “ 70 “ Dame, “ zei de legaat, “ laat dit alles rusten, “ Degene moet de wond slaan die hem goed weet te genezen. “ Dame, “ zei de legaat, “ luister naar de rede: “ Het is noodzakelijk dat u Gaufroi, uw echtgenoot, weer aanneemt, “ Of de veroordeling bij vonnis ontvangt; “ Want de paus wil het, hij heeft mij dit recht geschonken, “ En zo beval hij mij, bij zijn vertrek, “ Indien u niet naar het recht wilt luisteren, zoals wij zeggen, “ Dat men u zou laten verbranden in een vuur van houtskool. “ De prinsen rondom smeekten de dame zozeer, Dat zij Gaufroi, de verraderlijke dief, weer aanneemt. 80 Zodat men opnieuw de bruiloft vierde Met steekspelen en toernooien op de velden in het zand. Gaufroi deelde het bed met zijn vrouw die een schoon gelaat had, En hij toonde haar liefde, zeer veel en overvloedig. Eén maand was hij te Parijs en, na dat seizoen, Kwam Gaufroi naar Nijmegen, waarvan hij het land bezat. De dame tegemoet gaat, in een grote processie, Kanonunniken, klerken en priesters, religieuze lieden; Zij gaan hem tegemoet, dragend zowel kruis als banier. Toen duurde het nauwelijks lang, zo vertelt ons het lied, 90 Of Gaufroi pleegde een groot verraad jegens zijn vrouw; Want Gaufroi vreesde en had het vermoeden Dat het kwaad hem zou overkomen door haar afkomst, Daarom ontbood hij schildknapen en ridders van naam In wie hij vertrouwde, die uit zijn eigen kring stamden: </poem> |}<noinclude></noinclude> 14338qom5nxqpp0bkfkbb0xsr3dqu6x Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/730 104 88660 226032 2026-08-29T13:39:04Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226032 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Seignour, » se dist Gaufrois, « oïés m’entention ; « Chélés le mien conseil et mon avision, « Et je vous en donrai de l’avoir à foison. « Seignour, » se dist Gaufrois, « j’ai chaiens ma moullier « Qui par nuit et par jour ne fine de tenchier ; « Elle me het de mort, s’en arai destourbier « Sé de li ne me garde, ne m’i oze fier. « Or, ai visé ·j· tour, nobile chevalier, « Qu’en ·j· chastel en Frise le ferrai envoier, « Où elle ara assés à boire et à mengier ; « Et puis, ferons entendre et vallet et huissier « Qu’elle gist en sa chambre, si ne se poet aidier. « Au chief de ·xv· jours dirons, sans atargier, « Que la royne est morte ; puis ferons au monstier « Une bière porter et faire le mestier, « Le service tout sus et après, sans targier, « M’en irai, droit en Franche, tant faire et besongnier « Que li rois me donra sa serour à moullier, « Le plus belle qui soit jusques à Monpélier. « Et sé chestui afaire poons bien essaucier, « Tant d’avoir vous donrai, enchois ·j· an entier, « Qu’il n’i ara si povre n’ait terre de princhier. » Et chil ont acordé, qui de coer sont lasnier. La royne montèrent par desseure ·j· destrier, Par nuit le fist, Gaufrois, à ·j· port envoïer Là où il avoit fait chalant apȧreillier ; Là, misent la royne, vont s’ent li maronnier. La royne ne poet né crier né noisier, Sa bouche ont estoupée, qu’elle ne pot huchier Homme, femme, nès ·j· qui le venist aidier ; De coer reclaimme Dieu, le père droiturier. Dès-si jusques en Frise commenchent à nagier. En une grant foreest ot ·j· chastel plénier, Vint liewes ot de lonc, li bos, au vrai jugier, N’i ot ens c’un chastel qui fist à ressongnier : </poem> |valign=top| <poem> “ Heren, “ zeide Gaufrois, “ luister naar mijn plan; “ Houd mijn voornemen en mijn visioen geheim, “ En ik zal u bezittingen in overvloed schenken. “ Heren, “ zeide Gaufrois, “ ik heb hierbinnen mijn vrouw “ Die bij nacht en bij dag niet ophoudt met kijven; 100 “ Zij haat mij dodelijk, waardoor ik in het ongeluk zal storten “ Als ik mij niet voor haar hoed en haar niet durf te vertrouwen. “ Nu heb ik een list bedacht, edele ridders, “ Om haar naar een kasteel in Friesland te laten sturen, “ Waar zij voldoende te drinken en te eten zal hebben; “ En vervolgens zullen wij zowel bediende als poortwachter doen geloven “ Dat zij in haar kamer ligt en zichzelf niet kan helpen. “ Na verloop van vijftien dagen zullen wij zonder uitstel zeggen “ Dat de koningin gestorven is; daarna laten we naar de kerk “ Een baar dragen en de uitvaartdienst houden, 110 “ De gehele dienst volbrengen en daarna, zonder dralen, “ Zal ik rechtstreeks naar Frankrijk reizen en zo handelen en zwoegen “ Dat de koning mij zijn zuster tot vrouw zal geven, “ De mooiste die er te vinden is tot aan Montpellier. “ En als wij deze zaak tot een goed einde kunnen brengen, “ Zal ik u nog voor een heel jaar is verstreken zoveel rijkdom schenken “ Dat er niemand zo arm zal zijn of hij bezit een prinselijk landgoed. “ En dezen stemden ermee in, zij die van harte trouweloos zijn. De koningin lieten zij plaatsnemen op een strijdros, Bij nacht liet Gaufrois haar naar een haven brengen 120 Waar hij een schuit had laten gereedmaken; Daar zetten zij de koningin in, en de schippers vertrokken. De koningin kan noch schreeuwen noch misbaar maken, Haar mond hebben zij dichtgestopt, zodat zij niemand kon roepen, Man, vrouw, niet één persoon die haar te hulp kon schieten; In haar hart roept zij God aan, de rechtvaardige Vader. Vanaf dat moment beginnen zij richting Friesland te varen. In een groot woud lach een reusachtig kasteel, Twintig mijlen lang was het bos, naar juiste schatting, Er stond daarbinnen maar één kasteel, dat reden gaf tot vrees: 130 </poem> |}<noinclude></noinclude> c05m8ed5l4xlfv51cc658uyu1ba3akd Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/731 104 88661 226033 2026-08-29T13:40:42Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226033 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Illoec vont la roïne, li glout, amanagier. Chastelain en a fait, Gaufrois, d’un escuïer A cui il commanda, quant s’emparti l’autr’ier, Qu’il gardast bien la dame et esté et ivier. Or oïés de Gaufroi, le traïtour murdrier : Dire fist sa maisnie, où il se voilt fier, Que la dame est malade, ne se pooit dréchier. Dame-Diex le confonde qui tout a à jugier ! De grans traïsons faire savoit bien le mestier ; Or, aproche li tamps qu’il ara son loïer. Tant va le cane à l’iauwe qu’il le convient brisier. Gaufrois a fait entendre, contre val la chité, Que la royne ert plainne de trè male santé. L’uis de cha chambre tiènent, li glouton, bien fremé, A cui Gaufrois avoit dit tout le sien secré. Au chief de ·xv· jours ne furent point passé, Quant li traïtour ont moult haut brait et crié ; Et disent que la dame avoit son tamps finé Et que Rose estoit morte, Diex ait de lui pité ! Moult en furent dolant chil de la roïauté. Une moult riche bière ont au monstier porté, En lequelle il avoient une bose bouté. Gaufrois ot ·j· noirs dras vestis et endossé Et menoit grant dolour, le sciècle ot aveulė. Tellement démenoit, li glous, sa fausseté Que chascuns cuidoit bien qu’il disist vérité ; Sé n’estoient li glout qui scèvent son secré, Qui l’un à l’autre dient : « Diex ! » du larron prouvé, « Il nous ferra tout pendere, quant lui venra á gré. » Chertes, il dient voir, il i ont bien visé, Car tout furent pendu enchois ·j· mois passé : Car, après le service si con vous ai conté, Ot Gaufer grant paour c’on ne l’ait acusė, Si dist c’on li avoit son trésor desrobé Et maint hanap d’argent et d’or fin esmeré ; </poem> |valign=top| <poem> Daarheen gaan de koningin en de schurken om zich te vestigen. Gaufrois heeft van een schildknaap de kasteelheer gemaakt, Aan wie hij beval, toen hij onlangs vertrok, Dat hij de dame goed moest bewaken, zowel in de zomer als in de winter. Hoor nu over Gaufroi, de moorddadige verrader: Hij liet zijn gevolg, waarop hij wilde vertrouwen, vertellen Dat de dame ziek is en niet overeind kan komen. Moge de Heer God hem te gronde richten, Hij die alles moet oordelen! In het plegen van groot verraad kende hij zijn vak maar al te goed; Nu naderde de tijd dat hij zijn verdiende loon zou krijgen. 140 De kruik gaat zo lang te water tot zij barst. Gaufrois heeft overal in de stad laten geloven Dat de koningin getroffen was door een zeer slechte gezondheid. De deur van haar kamer hielden de schurken goed gesloten, Aan wie Gaufrois zijn hele geheim had toevertrouwd. Toen er nog geen vijftien dagen waren verstreken, Begonnen de verraders heel luid te kermen en te schreeuwen; En zij zeiden dat de dame haar tijd had beëindigd En dat Rose dood was, moge God haar ziel genadig zijn! Zeer bedroefd waren zij die tot het koninkrijk behoorden. 150 Een zeer rijke lijkbaar hebben zij naar de kerk gedragen, Waarin zij een houten blok hadden gestopt. Gaufrois had zwarte kleren aangetrokken en omgeworpen En toonde groot verdriet; hij hield de wereld voor de gek. Zó intens veinsde de schurk zijn valsheid Dat iedereen dacht dat hij de waarheid sprak; Behalve dan de schurken die zijn geheim kenden, Die tegen elkaar zeiden: "God! Wat een bewezen dief, Hij zal ons allemaal laten ophangen wanneer het hem zint." Voorwaar, zij spraken de waarheid, zij hadden het goed voorzien, 160 Want allen werden opgehangen nog voor er een maand voorbij was: Want na de dienst, zoals ik u heb verteld, Kreeg Gaufroi grote angst dat men hem zou beschuldigen, En dus beweerde hij dat men hem van zijn schat had beroofd En van menige drinkbeker van zilver en van puur, fijn goud; </poem> |}<noinclude></noinclude> 0cyaueiplzd2lhx96rw5lt50ktu9ypp Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/732 104 88662 226034 2026-08-29T13:43:48Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226034 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Tant que chil de sa court en furent eshidé. Mais chil qui servi l’eurent en sa grant fausseté N’acontoient à che le montance d’un dé, Car ne doubtent Gaufroi vaillant ·j· ail pelé, Pour che que bien savoient toute sa malvaisté. S’en cuidoient moult bien estre tout déporté, Mais on avoit pour eulz che buvrage brassé ; Enchois que nul en boive en seront enivré. Seignour, or entendés comment Gaufer ouvra : Il a fait, par nuit, pendre tous chiaus où se fia, A cui sa traïson ot dite de pièche a. ·j· à ·j· les prist-on, Gaufer les commanda Pendre par son putier ; poy de gens i mena, La nuit furent pendut que nus n’en reschapa. Quant vint à lendemain, tout li pople cuida Que che fust pour l’avoir qu’il dist c’on li roba. Ensi fu asséur, dist que nuls ne sara Jammais nuls de ses fais, très bien les chélera. Encor verra li jours que dire li faura, Ensi con vous orrés qui taire se vaurra. Après che tamps, seignour, droit à Paris ala ; Quatre sommiers d’or fin avoekes lui mena, Et quant il vint au roy le trésor li donna. Et quant li roys le tint, moult s’en esléécha, Si a dit à Gaufroi et sé li demanda Que la royne fait ? et Gaufer dit li a, Ensi qu’en souspirant faussement larmoïa : « Sire, la dame est morte. Voir, jammais ne morra ! » Et quant li roys of, adont li escria : « Sire Gaufer, » dist-il, « ne vous esmaïés já. « Vous arés ma serour ; nulle plus belle n’a « Ou royamme de France, le païs par dechà. » Et quant Gaufer l’oï, grande joie mena, Liés en fu à son coer ; ch’est ce qu’il désira. Ensi venoit à kief de quan qu’il pourpensa, </poem> |valign=top| <poem> Zodat degenen van zijn hof erdoor doodsbang waren. Maar degenen die hem gediend hadden in zijn grote valsheid Rekenden dit niet eens aan ter waarde van een dobbelsteen, Want zij vreesden Gaufroi nog geen gepeld teentje knoflook waard, Omdat zij zijn slechtheid door en door kenden 170 Zij dachten er dus heel goed volledig van gespaard te blijven, Maar men had voor hen deze bittere drank gebrouwen; Nog voor iemand ervan drinkt, zullen zij erdoor bedwelmd zijn. Heren, luister nu hoe Gaufer te werk ging: Hij liet 's nachts iedereen ophangen op wie hij vertrouwde, Aan wie hij zijn verraad al een tijdje geleden had verteld. Één voor één nam men hen gevangen, Gaufer beval hen Op te hangen door zijn beul; hij nam er weinig volk mee naartoe, Die nacht werden zij opgehangen, zodat niemand ontsnapte 180. Toen het de volgende ochtend werd, dacht het hele volk Dat het was vanwege het bezit waarvan hij zei dat het van hem gestolen was. Zo was hij gerustgesteld en zei dat niemand ooit Iets van zijn daden zou weten, hij zou ze zeer goed verbergen. Toch zal de dag nog komen dat hij het wel moet opbiechten, Zoals u zult horen, als u tenminste stil wilt blijven, Na die tijd, heren, ging hij rechtstreeks naar Parijs; Vier lastpaarden vol fijn goud nam hij met zich mee, En toen hij bij de koning kwam, schonk hij hem de schat. En toen de koning deze aannam, verheugde hij zich zeer, Toen sprak hij tot Gaufroi en vroeg hem 190 Hoe het met de koningin ging? En Gaufer antwoordde hem, Terwijl hij zuchtend valse tranen huilde: “ Heer, de dame is dood. (In waarheid, zij zal nooit sterven!) “ En toen de koning dit hoorde, riep hij uit: “ Heer Gaufer, “ zei hij, “ wees nu niet bedroefd. “ U zult mijn zuster krijgen; er is geen mooiere dan zij “ In het koninkrijk Frankrijk, in dit hele land hier. “ En toen Gaufer dat hoorde, toonde hij grote vreugde, Hij was opgetogen in zijn hart; dit was precies wat hij wenste. Zo slaagde hij in alles wat hij had uitgedacht 200 </poem> |}<noinclude></noinclude> dvud5s1obptn94l2dcf95tr179jhrj0 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/733 104 88663 226035 2026-08-29T13:45:26Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226035 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Puis a dit coiement : « li jours briément venra « Que roys serai de France, désiré l’ai pièche a. » Or, est li glous Gaufer esjoïs durement. Li roys mande sa soer, qui i vint noblement, Et quant li roys le vit, sé li dist hautement : « Ma soer, loés chellui à cui li mons apent ! « Mariée vous ai aujourd’ui richement, « Ch’est à Gaufer de Frise qui tant a hardement. » « Comment ? » dist la puchelle, « vous éustes couvent « Au quen Robert de Flandre, à cui Hainnau apent, « Que vous me garderiés tant et si longement « Qu’il serroit repairiés de la païenne gent ; « Sé je ne me voloie marier proprement « A ·j· autre qu’à lui, par mon assentement ? » « Belle soer, » dist li roys, « vous parlés folement ! « Chuis doit perdre s’amie qui le laist longement. » « Non fait, » dist la puchelle, qui aime loïalment, « Pour longe demourée, che dist-on bien souvent, « Ne doit-on son ami mettre en oubliëment. » La puchelle gentis fu au coer esbahie Quant elle of le roy qu’à Gaufroi l’ot plėvie ; Contredire ne l’ose, si fu moult courechie. L’archevesques de Rains l’a briément fianchie : Chelle le fist envis, moult en fu esmarie. Si fu li acordance et faite et establie Qu’à Nimaye, le grant, qui sus mer est bastie, En feroit-on les noches après Pasques-flourie. Quant li jours aprocha, dont je vous sénéfie, Li roys semont ses pers et sa chevalerie ; A Nymaie s’en va, à belle compaignie, S’enmaine sa serour en ·j· char c’on charie : Dé-ci jusqu’à Nimaie n’i ot resne laschie. Lå endroit fu la joie et le grant baronnie. Or en lairai ·j· poi, drois est que je vous die De Baudewin, le ber, qui tant ot seignourie, </poem> |valign=top| <poem> Toen zei hij stilletjes: “ De dag zal weldra komen “ Dat ik koning van Frankrijk zal zijn; ik heb het al lang gewenst. “ Nu is de schurk Gaufer enorm verheugd. De koning ontbiedt zijn zuster, die daar edel verscheen, en toen de koning haar zag, zei hij luid tegen haar: “ Mijn zuster, prijs Hem aan wie de wereld toebehoort! “ Ik heb u vandaag rijk uitgehuwelijkt, “ en wel aan Gaufer van Friesland, die zoveel moed bezit. “ “ Hoe? “ zei het meisje, “ u had de afspraak gemaakt Met graaf Robert van Vlaanderen, aan wie Henegouwen toebehoort, 210 “ Dat u mij zo lang en zo goed zou beschermen “ Totdat hij zou zijn teruggekeerd van het heidense volk; “ Tenzij ik uit eigen beweging zou willen trouwen “ Met een ander dan hem, met mijn eigen instemming? “ “ Mooie zuster, “ zei de koning, “ u spreekt dwaas! “ Wie zijn geliefde te lang achterlaat, moet haar verliezen. “ “ Welnee, “ zei het meisje, dat trouw liefheeft, “ Vanwege een lang wegblijven, zo zegt men heel vaak, “ Moet men zijn geliefde nog niet vergeten. “ Het edele meisje was diep in haar hart verslagen Toen ze de koning hoorde zeggen dat hij haar aan Gaufroi had beloofd; Ze durft hem niet tegen te spreken, en ze was zeer bedroefd. De aartsbisschop van Reims heeft haar schielijk verloofd; Zij deed het met tegenzin en was er erg ontdaan over. Zo werd de overeenkomst gesloten en vastgesteld Dat in het grote Nijmegen, dat aan het water is gebouwd, Men de bruiloft zou vieren na Palmzondag. Toen de dag naderde, die ik u noem, Ontbood de koning zijn pairs en zijn ridderschap; Naar Nijmegen gaat hij, met een mooi gezelschap, 230 En neemt zijn zuster mee in een wagen die men mende: Vanhier tot aan Nijmegen werd er geen teugel gevierd. Op die plek was er vreugde en een grote schare edelen. Nu zal ik hier kort over ophouden, het is immers passend dat ik u vertel Over Boudewijn de held, die zoveel aanzien bezat, </poem> |}<noinclude></noinclude> efsycktanfkgbaifxplv16zpvwj3luw Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/734 104 88664 226036 2026-08-29T13:47:13Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226036 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Et du conte de Flandre, cui Jhésus bénéie : Tant avoient nagiet, par le mer ressongnie, C’ou royamme de Cypre, tout droit à Nichochie, Ont trouvé Gloriant, roy d’ichelle partie ; Alisandres d’Escoce i fu, je vous affie, Et si fu Esmerés, à le chière hardie, Wistace de Bollongne et toute la lignie. Là, tinrent parlement, ichelle compaignie, Pour la royne Roze qui ensi fu traïe ; Si devoient venir, bannière desploïe, Pour Nimaie asségier, le grant chité garnie. Atant és Baudewins et le bachelerie : El royame de Cypre, à Nichocie droit, Vint li bers Baudewins, où ses frères trouvoit ; Et quant chil ont vént Baudewin là endroit, Dont le vont acoler et chascuns le baisoit. Dist li contes de Flandre : « seignour, vous avés droit « Qui vo frère baisiés ; car vous li devés foit, \\« C’est vos frères giermains. » Adont lor racontoit L’estat et l’aventure, comment la chose aloit, Et que ch’estoit lor frères germains, sans fax esploit. Li sires de Sebourc trestout lor devisoit Comment il l’ot nouri à son chastel tout droit, Et comment, en sa fille, le Bastard engenroit Qu’ou chastel à Sebourc délivrés les avoit. Quant li frère l’oïrent, chascuns dont larmioit, Moult de fois le baisièrent ; li bers les acoloit. « Baudewins, » font li frère, « moult fesis boin esploit « Des bastars engenrer, car prisier on les doit ! « La vie nous sauvèrent, à l’encontre Gaufroit. » Lors li content le fait du Bastard, qui estoit Li plus hardis qui fust né qui jamais seroit. Quant Baudewins l’oï, grant joie en démenoit, Si dist que les bastars moult volentiers verroit Et de ce qu’il ont fait il les merchiëroit. </poem> |valign=top| <poem> En de graaf van Vlaanderen, moge Jezus hem zegenen: Zo lang hadden zij gevaren, over de geduchte zee, Dat zij in het koninkrijk Cyprus, rechtstreeks naar Nicosia, Gloriant vonden, de koning van dat gebied; Alexander van Schotland was daar, dat verzeker ik u, 240 En ook Esmeret, met het koene gelaat, Eustachius van Boulogne en de hele bloedlijn. Daar hield dat gezelschap parlement, Vanwege koningin Rosa die zo verraden was; En zij moesten komen, met ontplooid vaandel, Om Nijmegen te belegeren, de grote versterkte stad. Toen verscheen Boudewijn en de jonge ridders: In het koninkrijk Cyprus, rechtstreeks te Nicosia, Kwam de edele Boudewijn, waar hij zijn broers aantrof; En toen zij Boudewijn daar zagen, 250 Gingen zij hem omhelzen en ieder kuste hem. De graaf van Vlaanderen zei: "Heren, u heeft gelijk Dat u uw broer kust; want u bent hem trouw verschuldigd, \Het is uw eigen broer." Toen vertelde hij hun De stand van zaken en het avontuur, hoe de zaak verliep, En dat het hun eigen broer was, zonder bedrog. De heer van Sebourc legde hun alles uit Hoe hij hem rechtstreeks in zijn kasteel had opgevoed, En hoe die bij zijn dochter de Bastaard verwekte Dat hij hen in het kasteel van Sebourc had bevrijd. 260 Toen de broers dit hoorden, liet ieder van hen tranen, Vele malen kusten zij hem; de edelman omhelsde hen. "Boudewijn," zeiden de broers, "u deed een zeer goede daad Door de bastaarden te verwekken, want men moet hen prijzen! Zij hebben ons leven gered tegenover Godefroi." Toen vertelden zij hem de daden van de Bastaard, die was De dapperste die ooit geboren was of ooit zou zijn. Toen Boudewijn dit hoorde, toonde hij grote vreugde, En zei dat hij de bastaarden zeer graag zou zien En hen zou bedanken voor wat zij gedaan hadden. 270 </poem> |}<noinclude></noinclude> 6cfew41e9qan1ak38kyvb4e8m18pokn Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/735 104 88665 226037 2026-08-29T13:50:44Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226037 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Ensi menèrent joie, quant li ·j· l’autre voit. Baudewins de Sebourc moult tenrement plouroit Que sa mère fu morte, forment le regrétoit. Là, lor vinrent novelles, d’une espie tout droit, Que Gaufer ert en France et qu’il se marioit A le suer roi Felipe qui France gouvrenoit. Dolans en fu li contes de Flandre qui l’amoit. Lors se misent en mer, et li vens les menoit Par le païs de Frise et vers Nymaie droit. Quant durent aprochier, li contes appelloit Wistace de Bollongne, que pour sage tenoit, Esmeret, Baudewin, que durement amoit, Gloriant, Alixandre qui Escoce tenoit, Le seignour de Sebourc, et puis si lor disoit : « Seignour, » che dist li contes, « qui croire me vaurroit, « Enchois c’on arrivast, li miens cors s’en iroit « En la chite de Nymaie parler au glout Gaufroit ; « Pour r’avoir ma serour mes cors li priëroit « Par coi Baudewins-chi sa femme r’averroit, « Car de plaidier saisis maus venir ne porroit. « Seignour, » se dist li contes, « sé croire me volés, « En Nymaie en irai, qui est boine chités ; « Tant ferai à Gaufroi, qui est lères prouvés, « Que li corps de ma soer me sera délivrés, « Si l’ara Baudewins qui est ses avoués. « Puis assaurrons la ville et tenderons nos trés, « Car qui plaide saisis il est bien avisés. » « Sire, » dist Baudewins, « hé ! car vous em pénés, « Car moult désir la belle en cui maint loïautės. « Ne le vi c’une fois ·xiiij· ans a passés, « Moult volentiers giroie d’encoste ses costés, « Car cou est la plus bielle de ·xxx· roïautés. » Li boins contes de Flandre est issis hors des trés ; A privée maisnie s’est-il acheminés, Dès-si jusqu’à Nymaie ne s’i est arrestés. </poem> |valign=top| <poem> Zo maakten zij vreugde, toen de een de ander zag. Boudewijn van Sebourc weende zeer teder Omdat zijn moeder dood was, hij betreurde haar vurig. Daar kwamen hun berichten, rechtstreeks van een spion, Dat Gaufer in Frankrijk was en dat hij trouwde Met de zus van koning Felipe die Frankrijk regeerde. Bedroefd erom was de graaf van Vlaanderen die hem liefhad. Toen begaven zij zich op zee, en de wind voerde hen Door het land van Friesland en recht naar Nijmegen. Toen zij moesten naderen, riep de graaf 280 Wistace van Boulogne, die hij voor wijs hield, Esmeret, Baudewin, die hij vurig liefhad, Gloriant, Alexander die Schotland bezat, De heer van Sebourc, en toen zei hij tegen hen: “ Heren, “ zo sprak de graaf, “ wie mij zou willen geloven, “ Voordat men zou landen, zou mijn eigen persoon gaan “ Naar la stad Nijmegen om te spreken met de schurk Gaufroit; “ Om mijn zus terug te krijgen zou mijn persoon hem smeken, “ Waardoor Baudewin hier zijn vrouw zou terugkrijgen, “ Want voor wie onderhandelt {{SIC|in het bezit| van het onderpand}}, kan er geen kwaad komen. 290 “ Heren, “ zo sprak de graaf, “ als u mij geloven wilt, “ Naar Nijmegen zal ik gaan, wat een goede stad is; “ Zoveel zal ik doen bij Gaufroi, die een bewezen dief is, “ Dat het lichaam van mijn zus aan mij zal worden overgedragen, “ Zodat Baudewin haar zal hebben, die haar beschermheer is. “ Daarna zullen we de stad bestormen en onze tenten opslaan, “ Want wie onderhandelt in het bezit, die is goed beraden. “ “ Heer, “ sprak Baudewin, “ ach! zet u zich hiervoor in, “ Want zeer verlang ik naar de schone in wie veel trouw huist. “ Ik zag haar slechts één keer, 14 jaar is nu geleden, 300 “ Zeer graag zou ik aan haar zijde liggen, “ Want zij is de mooiste van wel 30 koninkrijken. “ De goede graaf van Vlaanderen is buiten de tenten gegaan; Met een klein privé-gevolg is hij op weg gegaan, Rechtstreeks tot aan Nijmegen heeft hij niet gerust. </poem> |}<noinclude></noinclude> 7yohnd6lr1libjhq7l9cpbhabzj4zgm Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/736 104 88666 226038 2026-08-29T13:54:29Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226038 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> A le porte i avoit ·xxx· sergans armés Qui demandent le conte : « biau sire, à cui estés ? » « Seignour, » che dist li contes, « je sui de Franche pers, « Si vieng servir le roy qui de Franche est chases. « N’avons nulle arméure, de nous ne vous doubtés. » Dont ouvrierent la porte. Es-les-vous ens entrés : Li contes chevaucha avoekes ses privés ; Par dessus le marchiet s’est, li quens, hostelės. Quant li contes se fu revestis et parés, Il monta ou palais les marberins degrés. Au disner fu assis tous li riches barnés, Car le journée estoit li lères espousés A le soer du bon roy qui puis fu enherbés, Par Gaufroi le glouton, ensi con vous orrés. Or fu li quens de Flandre ens ou palais de pris Et voit maint chevalier à haute table assis : Les ·xij· pers de France et le roy de Paris Séant delès Gaufroi qui fu fourrés de gris. Li contes a parlet, si que bien fu oïs, Et dist : « chius Dame-Diex qui en le crois fu mis « Et qui fu, au tiercq jour, de mort résurexsis, « Il garice Gaufroi et trestous mes amis ! » Aussi tost que li contes fu ou palais choisis, Li gentis roys de Franche est en estant salis Et dist : « contes de Flandre, vous soïés bénéis ! « Je ne cuidoie mie qu’encore fuissiés vis. » Li ·xij· pers l’acolent, là fu moult conjoïs, Il fu du sanc de France trestous li plus gentis, Moult il fu festiés des prinches seignouris. A icheste parole s’en est Gaufer partis, Venus est à le tour que fonda Hernaïs : Là, fu le soer au conte, blanche que flour de lis, Lors li a dit : « mauvaise ! venus est vous juis. « Vous frères est chaiens d’outre-mer revertis « A lui vous renderai, vous corps sera bruïs. </poem> |valign=top| <poem> Bij de poort stonden 30 gewapende sergeanten, Die de graaf aanspraken: "Edele heer, aan wie behoort u toe?" "Heren," zeide de graaf, "ik behoor tot de pairs van Frankrijk, En ik kom de koning dienen die over Frankrijk heerst. Wij hebben geen wapenuitrusting bij ons, vrees ons dus niet." 310 Toen openden zij de poort. En zie, daar gingen zij naar binnen: De graaf reed te paard tezamen met zijn vertrouwelingen; Aan de overzijde van de markt nam de graaf zijn intrek. Toen de graaf zich opnieuw gekleed en opgetuigd had, Begeef hij zich naar het paleis via de marmeren treden. Aan de feestdis zat de voltallige, rijke edelliedenverzameling, Want deze dag was de zuster van de goede koning Op verraderlijke wijze uitgehuwelijkt; die koning die later werd vergiftigd Door Gaufroi de smeerlap, zoals u nog zult horen. Nu bevond de graaf van Vlaanderen zich in het grootse paleis 320 En zag menig ridder aan de hoge tafel zitten: De twaalf pairs van Frankrijk en de koning van Parijs Zittend naast Gaufroi, die in het grijs bont gekleed was. De graaf nam het woord, zodat hij goed te horen was, En sprak: "Moge de Heere God, die aan het kruis werd genageld En die op de derde dag uit de dood is opgestaan, Gaufroi en al mijn vrienden beschermen!" Zodra de graaf in het paleis werd opgemerkt, Is de edele koning van Frankrijk direct opgestaan 330 En zeide: "Graaf van Vlaanderen, wees gezegend! Ik dacht geenszins dat u nog in leven was." De twaalf pairs omhelzen hem, daar werd hij hartelijk verwelkomd; Hij was van het alleradellijkste bloed van Frankrijk, Er werd feestelijk voor hem uitgepakt door de soevereine prinsen. Bij deze woorden is Gaufroi vertrokken, En gegaan naar de toren die Hernaïs heeft gesticht. Daar bevond zich de zuster van de graaf, zo blank als een lelie. Toen zeide hij tot haar: "Slechte vrouw! Uw vonnis is nabij. Uw broer is hierbinnen, teruggekeerd van overzee; Aan hem zal ik u overdragen, uw lichaam zal verbrand worden." 340 </poem> |}<noinclude></noinclude> h9n5z88veemrbkueujoasigxcz4dwau Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/737 104 88667 226039 2026-08-29T13:57:23Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226039 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Jammais ne mengerai tant que vous corps soit vis ! » Quant la belle l’entent, li sans li est frémis, De la hidour qu’elle ot a jeté ·iiij· cris : « Ahi ! frère, » dist-elle, « or est mes jours falis ! « Trop vous ai courechié, hélas ! dont je vail pis ; « Car pour ·j· estrainge homme dégerpi mon païs. « Hélas ! che fist amours qui déchoit ses subgis, « Car ch’estoit li plus biaus qui de mère fust vis, « Et tous li plus plaisans et li plus agencis « Qui fust en tout le monde ! s’en fu mes coers espris. « Ahi ! frère, » dist-elle, « li roys de paradis « Vous donnist li conscienche et mannière et avis « Que je ne soie morte par vous, biaus dous amis, « Et d’une pécheresse soit trouvée merchis. » Gaufer le fait conduire par ·ij· sers maléis, Venus est el palais. Gaufer, li Hantéepris, Voit le conte de Flandre ; par le giron l’a pris Et dist : « contes de Flandres, nobles hons seignourris, « Pour vostre vasselage et pour vo boins amis, « Et pour l’onneur de vous qui estes de haut pris, « Ai gardée vo soer ·xiiij· ans acomplis, « C’onkes par moi ne fu le siens corps amenris ; « Et si me fu par lui, jadis, fais ·j· despis « Ou païs de Hainnau, fu près mes corps murdris. « Si vous requir vengance, voïant grans et petis. » Quant li contes l’entent, s’en a geté ·j· ris, Il regarde sa soer qui tant ot cler le vis ; Voïant tout le barnage qui tant fu agencis, Va regardant sa soer dont li coers fu maris. Quant elle voit son frère qui tant estoit hardis, Adont s’agenoulla ; si s’escrie à haus cris : « Ahi ! frère, » dist-elle, « nobles hons de haut pris, « En l’onneur de chellui qui morut par Juïs, « Qui pardonna sa mort au chevalier Longis « Quant en crois le féri de la lanche ens el pis, </poem> |valign=top| <poem> “ Nooit zal ik eten zolang uw lichaam in leven is! “ Toen de schone dit hoorde, huiverde haar bloed, Van de afschuw die zij voelde, slaakte zij · iiij · [vier] kreten: “ Ach! broer, “ zei zij, “ nu is mijn laatste dag aangebroken! “ Ik heb u te zeer gekrenkt, helaas! waardoor ik minder waard ben; “ Want voor een vreemde man heb ik mijn land verlaten. “ Helaas! dat deed de liefde, die haar onderdanen bedriegt, “ Want hij was de mooiste die van een moeder levend werd geboren, “ En de allerplezierigste en de meest welgemanierde Die er in de hele wereld was! Daardoor was mijn hart in vuur en vlam.350 “ Ach! broer, “ zei zij, “ moge de koning van het paradijs “ U het geweten, de mildheid en het inzicht schenken “ Dat ik niet door u sterf, schone lieve vriend, “ En dat er voor een zondares genade mag worden gevonden. “ Gaufer laat hem leiden door twee vervloekte dienaren, Hij is in het paleis gekomen. Gaufer, de bezetene, Ziet de graaf van Vlaanderen; bij de slip van zijn mantel heeft hij hem gegrepen En zei: “ Graaf van Vlaanderen, edele, machtige heer, “ Vanwege uw dapperheid en voor uw goede vrienden, “ En ter ere van u, die van hoge waarde bent,360 “ Heb ik uw zuster veertien volle jaren beschermd, “ Zodat haar lichaam nooit door mij is geschonden; “ En toch werd mij door haar, in het verleden, een belediging aangedaan “ In het land van Henegouwen, waar mijn lichaam bijna werd vermoord. “ Dus eis ik wraak van u, ten aanschouwen van groot en klein. “ Toen de graaf dit hoorde, slaakte hij een lach, Hij keek naar zijn zuster die zo'n helder gelaat had; Ten aanschouwen van alle edelen die zo waardig waren, Keek hij naar zijn zuster wiens hart zo bedroefd was. Toen zij haar broer zag, die zo onverschrokken was,370 Knielde zij terstond neer; en zij riep met luide stem: “ Ach! broer, “ zei zij, “ edele man van hoge waarde, “ Ter ere van Hem die stierf door de Joden, “ Die zijn dood vergaf aan de ridder Longinus “ Toen hij Hem aan het kruis met de lans in de borst stak, </poem> |}<noinclude></noinclude> nxq8euyu6nnc4ox7pxs7rhr1ga5mudu Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/738 104 88668 226040 2026-08-29T14:01:51Z Havang(nl) 4330 /* Niet proefgelezen */ 226040 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Je te requir pardon, nobles contes gentis. Quant je te pri pardon, donner me doys merchis. « Frère, » dist le dansèle, « je te requir pardon « En l’onneur de Jhésu qui souffri pation, « Qui pardonna sa mort à Longis, le baron, « Quant en crois le féri de la lanche habandon ; « Et puis, le Magdalainne fist absolution, « Qui tant fu pécheresse en se régnation. « Elle pria merchi, par bonne entention, « Et li pardonna, Diex, d’umle condition. « Si te requir merchi, frans prinches de renon, « S’amours m’a déchéute, dont j’ai fait mesprison, « J’estoie jouénète ; s’amoie le barron « Pour che que plus très bel n’avoit en nul prison. « Plus sage que n’estoie bien foloïer voit-on. » Quant li contes l’entent, n’en fist sé rire non ; Il acola sa soer et baisa le menton, Devant tous le baisa ·x· fois en ·j· randon, Et li a dit « ma soer, or n’aïès marrison, « Jà ne vous mesferai le monte d’un bouton. « Pour mi ne cangerés jamais vostre baron, « Car il est bons et biaus et de haute estration ; « Je sai bien où il est et en quel région. » Lors fu lie, la dame, s’el prist par le giron : Son frère vœilt baisier le piet et le talon, Mais il l’en redrecha par l’ermin pelichon. Et quant Gaufer perchuit icheste acordison, Il en fu si dolans et ot tel marrison Qu’adont ne désist mot pour tout l’or Psalemon ; Et quant il pot parler, si s’escrie à haut ton : « Qu’est-ce ? contes de Flandre, pour le corps saint Symon, « N’arrai de vostre soer dont autre vengison ? « Je cuidoie ore bien que, sans arrestison, « Le déussiés ardoir en ·j· feu de charbon. » Dist li contes de Flandre : « abaissiés vo raison, </poem> |valign=top| <poem> “ Ik smeek u om vergiffenis, edele, hoofse graaf. Wanneer ik u om vergiffenis smeek, moet u mij genade schenken. “ “ Broer, “ zei de jonkvrouw, “ ik smeek u om vergiffenis Ter ere van Jezus die het lijden onderging, Die zijn dood vergaf aan Longinus, de baron, 380 Toen hij Hem aan het kruis met de lans krachtig stak; En die daarna Magdalena absolutie schonk, Die zo'n grote zondares was in haar aardse leven. Zij smeekte om genade, met vrome intentie, En God vergaf haar, vanwege haar nederige staat. Zo smeek ik u om genade, edele prins van naam, Indien de liefde mij misleid heeft, waardoor ik een misstap beging; Ik was erg jong; en ik hield van de baron Omdat er in geen enkele kerker een knappere man zat. Men ziet wel vaker lieden die wijzer zijn dan ik dwaas handelen. “ 390 Toen de graaf haar hoorde, kon hij niet anders dan lachen; Hij omhelsde zijn zuster en kuste haar op de kin, Ten aanschouwen van allen kuste hij haar · tien · keer achter elkaar, En hij zei tegen haar: “ mijn zuster, voel nu geen verdriet meer, Ik zal u nooit iets misdoen, nog geen knoop waard. Om mij zult u uw baron nooit hoeven te verlaten, Want hij is deugdzaam, knap en van hoge afkomst; Ik weet heel goed waar hij is en in welke streek. “ Toen was de dame zo blij dat ze hem bij de zoom van zijn kleed greep: Ze wilde de voet en de hiel van haar broer kussen, 400 Maar hij tilde haar weer op bij haar hermelijn-gevoerde bontmantel. En toen Gaufer deze verzoening bemerkte, Was hij zo misnoegd en had hij zo'n groot verdriet Dat hij toen geen woord had willen zeggen, zelfs niet voor al het goud van Salomo; En toen hij weer kon spreken, riep hij met luide stem uit: “ Wat is dit? Graaf van Vlaanderen, bij het lichaam van Sint Simon, Zal ik op uw zuster geen andere wraak kunnen nemen? Ik dacht nu juist dat u haar, zonder enig uitstel, Zou moeten verbranden op een vuur van houtskool. “ De graaf van Vlaanderen zei: “ matig uw woorden, 410 </poem> |}<noinclude></noinclude> em1lmqvq2jvv7he1f1mgsm2pyp3ay23 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/739 104 88669 226041 2026-08-29T14:09:19Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226041 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Car n’i a si haut prinche en Franche, le royon, « Que s’il avoit mesfait vaillant ·j· esporon « A ma serour germaine qui clère a le fachon, « N’en prisisse le teste à tout le chaperon. « Cuidiés pour ce s’elle a amet ·j· danseillon, « Ensi qu’amours fait faire par se possession, « Que le doie pour chou mettre à sécution ? « Nennil ! si m’aït Diex qui souffri pation. « Car jamais pour amer, puis que on a parchon, « Et faire les biaus jus d’amie à compaignon, « Ne feroit-on justice, mais on pent un larron, « Car entreus c’on est jone, des rains juer doit-on. » Quant Gaufer ot le conte si faitement parler, Qui aloit sa serour baisier et acoler, Si dist : « contes de Flandres, moult faites à blâmer, « Qui ne faites vo soer ardoir et embraser ! « Elle me vœilt jadis faire en Hainnau tuer. » Dist li contes de Flanders : « tout che laisiés ester ; « De mon ami ne puis bien dire né parler, « Et si n’en puis oïr nès ·j· mal recorder. « Or laissiés ma serour, plus n’en faut sermonner. » « Par Dieu, » che dist Gaufer, « ensi ne poet aler, « Car puis que n’en volés vengance démonstrer, « Vengance en prenderai que le verront li per. » Dist li contes de Flandre : « sé je vous voi lever « Pour ma serour germaine férir ni adéser, « A cheste bonne espée irai vous chief coper. « Et honnit soient chil qui me doivent amer, « Qui de sanc et de char me doivent conforter, « Quant ensément vous soefrent ma serour vilonner ! Adont se prist Gaufer briément à avaler, Si a fait sa chité environ bien fremer, Et puis fist sa commune fervestir et armer. Ou palais les a fait isnèlement monter, Dist au conte de Flandre : « je vous vieng arrester. » </poem> |valign=top| <poem> "Want er is geen prins zo hoog in het koninkrijk Frankrijk, "Die, als hij ter waarde van een enkele spoor had misdaan "Tegen mijn eigen zuster met haar lichte gelaat, "Niet de kop eraf zou worden gehakt, mét de kapoen erbij. "Denkt u soms dat, omdat zij een jonge minnaar heeft liefgehad, "Zoals de liefde dat nu eenmaal doet door haar bezit, "Ik haar daarom ter dood zou moeten laten brengen? "Welnee! Zo helpe mij God die het lijden heeft doorstaan. "Want nooit zal men wegens de liefde, waarvoor men vergeving krijgt, "En het spelen van het mooie minnespel tussen geliefden, 420 "Rechtspraak plegen; men hangt immers een dief op, "Maar zolang men jong is, moet men met de lendenen spelen." Toen Gaufer de graaf op deze wijze hoorde spreken, Terwijl hij zijn zuster ging kussen en omhelzen, Zei hij: "Graaf van Vlaanderen, u treft grote blaam, "Dat u uw zuster niet laat verbranden en in de as leggen! "Zij wilde mij destijds in Henegouwen laten doden." De graaf van Vlaanderen zei: "Laat dat allemaal maar rusten; "Over mijn vriendin kan ik niets dan goeds zeggen en spreken, "En ik kan er zelfs geen enkel kwaad woord over horen luiden. 430 "Laat mijn zuster nu met rust, er hoeft niet meer over gepreekt te worden." "Bij God," zo sprak Gaufer, "zo kan het niet gaan, "Want aangezien u hier geen wraak over wilt tonen, "Zal ik er wraak voor nemen, zodat de pairs het zullen zien." De graaf van Vlaanderen zei: "Als ik u de hand zie opheffen "Om mijn eigen zuster te slaan of te krenken, "Zal ik met dit goede zwaard uw hoofd eraf hakken. "En schande over hen die van mij moeten houden, "Die mij met hun vlees en bloed moeten steunen, "Wanneer zij zomaar toelaten dat u mijn zuster zo schandelijk bejegent!" 440 Toen haastte Gaufer zich snel naar beneden, En hij liet zijn stad rondom goed afsluiten, En daarna liet hij zijn burgers de wapenuitrusting aantrekken en zich bewapenen. In het paleis liet hij hen gezwind naar boven gaan, En zei tegen de graaf van Vlaanderen: "Ik kom u arresteren." </poem> |}<noinclude></noinclude> odwjstjpxbd5xavl4uiwnn28g5tne4d Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/740 104 88670 226042 2026-08-29T14:41:04Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226042 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Lors a dit à se gent : « or le m’alés mener « Par dedens une charcre et bien enprisonner. » Li contes trait l’espée, j. serjant va fraper : Gaufroi cuida férir, le sergant va navrer Que dusques és espaulles li fist l’achier entrer ; Et le tiers et le quart va, li quens, afoler. Le ·xij· per de Franche se vont trestout lever, Que par droit de linage le doivent conforter : Mais Gaufrois s’escria, si c’on l’oi bien cler : « Métés tout en prison, n’en laisiés ·j· ester. » Et quant li rois coisi ensi sa gent mener, En une cambre fuit, pour sa vie sauver. Li ·xij· per de France orent trop à porter ; Là endroit leur convint moult de maus endurer, Mais ne peurent leur fais contre Gaufroi porter. Pris furent li baron, li demainne et li per, Es portes et és tours les fist-on enfremer ; Et le soer au boin conte fist en prison mener, Si dist qu’il le ferra ardoir et embraser. Puis vint au roy de France, si li prist à crier : Sire, de vostre gent me doi bien dolouser, « Qui ore me voloient ensi supéditer « Et le conte de Flandre encontre moi porter ; « Mis les ai en prison, pour tous maus escuer. » Et dist li roys de France : « Gaufer, laissiés ester, « Car chil qui ont mesfait leur ferai comparer. » Dont va avoec le roy, li traïtre, disner Et a quis ·j· venin pour le roy enherber, Qu’il avoit pourvéu, si vint d’outre la mer ; En le coupe du roy li va, li glous, geter Et li rois but du vin qui ne s’en pot garder. Si tost qu’il ot béut, commencha à trambler Et a dit à Gaufroi : « je ne puis plus durer, « Je ne sai qu’il me faut ? » lors se prist à lever, En une chambre fuit : si comme ens dut entrer, </poem> |valign=top| <poem> Toen sprak hij tot zijn volk: “ ga hem nu wegvoeren “ Binnen in een kerker en zet hem goed gevangen. “ De graaf trekt het zwaard, een soldaat gaat hij slaan: Gaufroi dacht hij te treffen, maar de soldaat verwondt hij Zodat tot aan de schouders hij het staal erin deed dringen; 450 En een derde en een vierde gaat hij, de graaf, neerslaan. De twaalf pairs van Frankrijk staan allen tezamen op, Omdat zij hem door het recht van de bloedband moeten steunen: Maar Gaufrois schreeuwde uit, zodat men het heel luid hoorde: “ Werp allen in de gevangenis, laat er niet één vrij. “ En toen de koning luidruchtig zijn volk zo zag wegleiden, Vlucht hij in een kamer, om zijn leven te redden. De twaalf pairs van Frankrijk hadden het te zwaar te verduren; Daar ter plekke moesten zij veel leed doorstaan, Maar zij konden met hun vuist niet tegen Gaufroi standhouden. 460 Gevangen genomen werden de baronnen, de vazallen en de pairs, In de poorten en in de torens sloot men hen op; En de zuster van de goede graaf liet hij naar de gevangenis voeren, En hij zei dat hij haar zal laten verbranden en in de as leggen. Toen ging hij naar de koning van Frankrijk, en begon tegen hem te roepen: “ Heer, over uw volk moet ik mij wel beklagen, “ Die mij zojuist zo wilden overweldigen “ En de graaf van Vlaanderen tegen mij wilden steunen; “ Ik heb hen in de gevangenis gezet, om alle onheil te voorkomen. “ En de koning van Frankrijk zei: “ Gaufer, laat het rusten, 470 “ Want zij die misdreven hebben, zal ik het laten bekopen. “ Toen gaat hij met de koning mee, de verrader, om te dineren En hij heeft een vergif gehaald om de koning te vergiftigen, Dat hij had voorzien, en dat van overzee kwam; In de beker van de koning gaat hij, de snoodaard, het werpen En de koning dronk van de wijn, die zich er niet tegen kon hoeden. Zodra hij gedronken had, begon hij te trillen En zei tegen Gaufroi: “ ik kan het niet langer uithouden, “ Ik weet niet wat mij mankeert? “ toen begon hij op te staan, In een kamer vlucht hij: net toen hij daarbinnen moest gaan, 480 </poem> |}<noinclude></noinclude> exnnsb63l0yekg6bxg861brtggbkh6o Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/741 104 88671 226043 2026-08-29T14:43:56Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226043 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> {{iwpage|fr}} </poem> |valign=top| <poem> Hij viel midden in de kamer; daarna kon hij niet meer opstaan. Daar deed het vergif het hart in zijn lichaam breken, En Gaufer begon luidruchtig te schreeuwen, En hij trok een droevig gezicht en begon te huilen, Zijn handpalmen te wringen, zijn haren uit te trekken. De ridders van Frankrijk en de goede jonge edellieden Waren allen zo bedroefd dat zij niet wisten wat te denken; De zus van de koning van Frankrijk viel wel één keer flauw. En Gaufer liet het lichaam snel balsemen En op een lijkbaar liet hij het opbaren, 490 Daarna zei hij dat hij het in Saint-Denis zou laten begraven. De koning had één zoon, zo hoorde ik vertellen, Lodewijk was zijn naam, zo heb ik horen vermelden, Het was niet de heilige Lodewijk, wie dit ook wil geloven; Hij was in Gascogne, aan de zijde naar de zee toe, Tegen de Engelse koning moest hij strijden, Om de oorlog vol te houden en strijd te leveren. Gaufer begon bij zichzelf te overpeinzen Dat als hij Lodewijk kon laten sterven, Of overleveren aan de Engelse koning, of hem vergif toedienen, 500 Het koninkrijk Frankrijk, dat zijn gelijke ter wereld niet kent, Zou toekomen aan zijn echtgenote die men hem liet trouwen; Zo zou hij de eer van Frankrijk in bezit krijgen. Zo dacht Gaufer; de duivel kwam hem verleiden, Die hem tot het einde toe menige slechte gedachte bezorgde. Slecht doet men eraan zijn hart aan zo'n meester te geven, Want hij schiet tekort in tijden van nood, en wanneer het einde komt Wil hij de ziel van zijn dienaar wegroven En binnenin de hel werpen waar het brandende vuur is, Waaruit Jezus Christus ons {{SIC|allemaal|alle mannen en alle vrouwen}} moge redden. 510 Hoor nu over Gaufroi hoe hij te werk ging: Binnenin een lijkbaar, die men voor hem gereedmaakte, Legde men het lichaam van de koning, nadat men het balsemde. De ridders van Frankrijk riep Gaufer bij zich: "Heren," zei Gaufer, "luister hier naar mij; </poem> |}<noinclude></noinclude> cj0zt1a0tahfdv3gm3bchm8hiyu8ecz 226058 226043 2026-08-29T15:48:51Z Havang(nl) 4330 226058 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Chéi enmi le chambre ; puis ne pot relever. Là, li fist, li venins, le coer au corps crever, Et Gaufer commencha hautement à crier Et maine laide chière et se prist à plourer, Ses paumes à détordre, ches cheveus à tirer. Li chevalier de Franche et li boin bacheler Furent tout si dolant ne scèvent que penser ; La soer au roy de France convint ·j· fois pasmer. Et Gaufer fist le corps briément enbaussumer Et dessus une bière il le fist aourner, Puis, dist qu’à Saint-Denis le ferra entérer. Li roys avoit ·j· fil, si con j’oïs conter, Loys avoit à non, ch’ai oï recorder, Ne fu pas sains Loys, chuis le volt endurer ; Il estoit en Gascongne, au lés devers la mer, Contre le roy Englès le convint estriver, En gerre maintenir et bataille livrer. Gaufer en lui méismes se prist à pourpenser Que s’il pooit Loys faire à mort dévier Ou rendre au roy Englès ou du venin donner, Li royames de France, qui ou monde n’a per, Venroit à se moullier c’on li fist espouser ; Ensi aroit de France l’onneur à possesser. Ensi pensoit Gaufer ; déables le vint tenter Qui jusques en la fin li fist maint mal penser. Mauvais fait le sien coer à tel maistre donner, Car il faut au besong et quant vint au finer Il vœilt de son servant l’âme de lui haper Et par dedens enfer ou fu ardant geter, Dont Jhesu-Cris nous vœille tous et toutes haper. Or oïés de Gaufroi comment il esploita : Par dedens une bière, c’on li apareilla, Mist-on le corps du roy car on embaussuma. Les chevaliers de France, Gaufer, en appella : « Seignour, » che dist Gaufer, « à moi entendés cha ; </poem> |valign=top| <poem> Hij viel midden in de kamer; daarna kon hij niet meer opstaan. Daar deed het vergif het hart in zijn lichaam breken, En Gaufer begon luidruchtig te schreeuwen, En hij trok een droevig gezicht en begon te huilen, Zijn handpalmen te wringen, zijn haren uit te trekken. De ridders van Frankrijk en de goede jonge edellieden Waren allen zo bedroefd dat zij niet wisten wat te denken; De zus van de koning van Frankrijk viel wel één keer flauw. En Gaufer liet het lichaam snel balsemen En op een lijkbaar liet hij het opbaren, 490 Daarna zei hij dat hij het in Saint-Denis zou laten begraven. De koning had één zoon, zo hoorde ik vertellen, Lodewijk was zijn naam, zo heb ik horen vermelden, Het was niet de heilige Lodewijk, wie dit ook wil geloven; Hij was in Gascogne, aan de zijde naar de zee toe, Tegen de Engelse koning moest hij strijden, Om de oorlog vol te houden en strijd te leveren. Gaufer begon bij zichzelf te overpeinzen Dat als hij Lodewijk kon laten sterven, Of overleveren aan de Engelse koning, of hem vergif toedienen, 500 Het koninkrijk Frankrijk, dat zijn gelijke ter wereld niet kent, Zou toekomen aan zijn echtgenote die men hem liet trouwen; Zo zou hij de eer van Frankrijk in bezit krijgen. Zo dacht Gaufer; de duivel kwam hem verleiden, Die hem tot het einde toe menige slechte gedachte bezorgde. Slecht doet men eraan zijn hart aan zo'n meester te geven, Want hij schiet tekort in tijden van nood, en wanneer het einde komt Wil hij de ziel van zijn dienaar wegroven En binnenin de hel werpen waar het brandende vuur is, Waaruit Jezus Christus ons {{SIC|allemaal|alle mannen en alle vrouwen}} moge redden. 510 Hoor nu over Gaufroi hoe hij te werk ging: Binnenin een lijkbaar, die men voor hem gereedmaakte, Legde men het lichaam van de koning, nadat men het balsemde. De ridders van Frankrijk riep Gaufer bij zich: "Heren," zei Gaufer, "luister hier naar mij; </poem> |}<noinclude></noinclude> glykzb1s35ecghyjidjgx9xg15h39i9 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/742 104 88672 226044 2026-08-29T14:51:34Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226044 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Je tieng les ·xij· pers, car on me recorda « Que d’enherber le roy chascuns sa foi jura ; « Le roy ont fait morir, on le m’a dit pièche a, « Si que jusques à tant que Loys revenra « Garderai les barons. » Chascuns s’i acorda, Et Gaufer, li traïtres, à Fransoys présenta Joïaus, or et argent, et tant lor en donna Que chascuns, pour ses dons, durement l’enama. Dessus une litière le corps du roy mis a, Si dist qu’à Saint-Denis entérer le fera. Hors de Nymaie issi et si s’achemina, ·iijm· de ses hommes aveukes lui mena ; A l’issir de Nimaie maisement se saina, As anemis d’enfer âme et corps commanda. Or, aproche le tamps ses maistres li faura. ·j· vallés, que li contes de Flandre i mena, Issi hors de Nymaie, quant tels fais avisa, Bien of le murmure et con le chose ala ; Hors de Nymaye issi, quant Gaufer s’en sevra Qui s’en aloit vers France, mais chuis le recula. A l’ost des ·iiij· frères, le vallés, s’en r’ala ; Wistace de Bollongne et Baudewin trouva, Qui r’atendent le conte qui assés demoura, Car il fu en prison là où on l’enfrema. Et li vallés s’escrie, qui bien les salua, Et dist : « or entendés comment le chose va ; « Le plus grant traïson on vous recordera « Qui onkes mais fust faite né qui jamais sera ! « Li contes des Flamens, quant de chi dessevra, « Les ·xij· pers de France avoec Gaufroi trouva « Et le roys des Fransoys qui sa soer li donna ; « Si soïès bien chertains, quant li contes fu là, « Qu’il fu bien festiés, chascuns moult l’onnera. « Et Gaufer, li traïtres, sa soer li amena, « Si s’en plaindi forment et au conte pria </poem> |valign=top| <poem> “ Ik houd de twaalf {{SIC|pairs|paladijnen}} vast, want men vertelde mij “ Dat iedereen zijn eed zwoer om de koning te vergiften ; “ Ze hebben de koning laten sterven, men heeft het mij onlangs gezegd, “ Zodat ik tot aan de tijd dat Lodewijk zal terugkeren “ De baronnen zal bewaken. “ Iedereen stemde ermee in, 520 En Gaufer, de verrader, schonk aan de Fransen Juwelen, goud en zilver, en gaf hun er zoveel van Dat iedereen, vanwege zijn gaven, vurig van hem ging houden. Op een draagbaar heeft hij het lichaam van de koning gelegd, En zo zei hij dat hij hem in Saint-Denis zal laten begraven. Uit Nijmegen ging hij naar buiten en zo begaf hij zich op weg, Drie duizend van zijn mannen nam hij met zich mee ; Bij het verlaten van Nijmegen maakte hij valselijk een kruisteken, Aan de vijanden van de hel beval hij zijn ziel en lichaam aan. Nu nadert de tijd dat zijn meester hem in de steek zal laten. 530 Een schildknaap, die de graaf van Vlaanderen daarheen bracht, Ging naar buiten uit Nijmegen, toen hij zulke daden opmerkte, Goed hoorde hij het gemor en hoe de zaak verliep ; Uit Nijmegen ging hij naar buiten, toen Gaufer vertrok Die op weg was naar Frankrijk, maar deze deed hem terugdeizen. Naar het leger van de vier broeders keerde de schildknaap terug ; Eustachius van Boulogne en Boudewijn vond hij, Die wachten op de graaf die erg lang wegbleef, Want hij was in de gevangenis waar men hem opsloot. Ende schildknaap roept uit, die hen vriendelijk groet, 540 En zegt: “ luister nu hoe de zaak ervoor staat ; “ Het grootste verraad zal men aan u overleveren “ Dat ooit tevoren werd gepleegd of dat ooit zal zijn ! “ De graaf van de Vlamingen, toen hij van hier vertrok, “ Vond de twaalf pairs van Frankrijk samen met Gaufroi “ En de koning van de Fransen die hem zijn zuster gaf ; “ Wees er dus heel zeker van, toen de graaf daar was, “ Dat hij goed gefêteerd werd, iedereen eerde hem zeer. “ En Gaufer, de verrader, bracht zijn zuster naar hem toe, “ En klaagde daar heftig over en smeekte de graaf 550 </poem> |}<noinclude></noinclude> r7f2q1bnb14oj97uaw889en78yfkjf8 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/743 104 88673 226045 2026-08-29T14:54:26Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226045 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Qu’il en éust vengance ; li contes l’acola « Et par grant amisté mille fois le baisa. « Gaufer en ot tel doel pour poi qu’il n’esraga, « Si k’au conte de Flandre là endroit se merla ; « Li contes fu portés, car chascuns li aida. « Gaufer les fist tous prendere et là emprisonna « Les ·xij· pers de France que nul n’en délivra. « S’avient en le propre hoere que li roys soubita ; « On ne me scet à dire pour coi il dévia, « Car nuls n’ose nommer chellui qui l’enherba, « Je considère en moi que Gaufer i ouvra. « Or, emmainne à Paris le roy qui mors fu là : « Mis est en une bière, le corps enbaussuma, « Tout droit à Saint-Denis ensevelis sera. » Quant li baron oïrent, chascuns lors se sainna. Baudewins de Sebourc en estant se leva, Ses amis et ses frères trestous en appella : « Signeur, » dist Bauduwin, « entendés à moi ça ; « J’ai une cose enprise qui parfaite sera, « Coi qu’il doie avenir mes cors l’acomplira. « Seigneur, » dist Baudewins, « entendés ma rayson ; « Alés assir Nimaie, entour et environ, « Et assalés la ville, n’i a desfention ; « Et g’irai à Paris, la ville de renon, « Par devant tout le pople, dont il i a foison, « Appellerai Gaufroi de mortel traison. « Encouper le vaurrai, as prinches du royon, « Qu’il a le roy de France fait morir par puison « Et qu’il vendi mon père au roy Rouge-Lion ; « Et qu’il traï ma mère, à le clère fachon, « Et si l’a fait morir à tort et sans raison « Et à mauvaise cause tenut no région. « Par ches articles ·iiij· le prouverai larron. « Du menre a desservi qu’il soit, à Monfaucon, « Pendus et encrués à guise de glouton. » </poem> |valign=top| <poem> “ Opdat hij wraak zou hebben; de graaf omhelsde hem “ En kuste hem duizendmaal uit grote vriendschap. “ Gaufer had daar zo'n verdriet van dat hij bijna gek werd, “ Zodat hij ter plekke met de graaf van Vlaanderen slaags raakte; “ De graaf werd weggedragen, want iedereen hielp hem. “ Gaufer liet hen allen gevangennemen en sloot hen daar op, “ De twaalf pairs van Frankrijk, van wie niemand werd bevrijd. “ Het gebeurde op datzelfde uur dat de koning plotseling bezweek; “ Men weet mij niet te zeggen waarom hij heenging, “ Want niemand durft degene te noemen die hem vergiftigde, 560 “ Ik vermoed bij mezelf dat Gaufer hieraan heeft meegewerkt. “ Breng nu de koning die daar stierf naar Parijs: “ Hij is in een lijkkist gelegd, het lichaam gebalsemd, “ Rechtstreeks in Saint-Denis zal hij begraven worden. “ Toen de baronnen dit hoorden, sloeg ieder van hen een kruis. Boudewijn de Sebourc stond recht overeind op, En riep al zijn vrienden en broeders bij elkaar: “ Heren, “ zei Boudewijn, “ luister hier naar mij; “ Ik heb een zaak ondernomen die volbracht zal worden, “ Wat er ook mag gebeuren, {{SIC|mijn lichaam|ikzelf}} zal het volbrengen. 570 “ Heren, “ zei Boudewijn, “ luister naar mijn betoog; “ Ga Nijmegen belegeren, van alle kanten rondom, “ En val de stad aan, er is geen verdediging; “ En ik zal naar Parijs gaan, de stad van faam, “ Voor het oog van het hele volk, waarvan daar een menigte is, “ En ik zal Gaufroi beschuldigen van dodelijk verraad. “ Ik zal hem willen aanklagen voor de prinsen van het koninkrijk, “ Omdat hij de koning van Frankrijk door gif heeft doen sterven “ En omdat hij mijn vader verkocht aan koning Rode-Leeuw; “ En omdat hij mijn moeder verraadde, met haar schone gelaat, 580 “ En haar zo onterecht en zonder reden heeft doen sterven, “ En met een slechte zaak onze regio bezet hield. “ Door deze vier artikelen zal ik bewijzen dat hij een dief is. “ Op zijn minst heeft hij verdiend dat hij, te Montfaucon, “ Wordt opgehangen en gekruisigd als een schurk. “ </poem> |}<noinclude></noinclude> jw2755191mxhgf8cm9bkagyp9sibnzv Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/744 104 88674 226046 2026-08-29T15:03:41Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226046 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Et li frère respondent clèrement, à haut ton : « Frères, n’i alés mie, pour Dieu vous em prion, « Car Gaufer de Nimaie i donra si grant don « Que tout li chevalier seront de sa parchon. » « Seigneur, » dist Baudewins, « je n’en donne ·j· bouton ! « Car en mon fait vaurrai mètre conclusion, « Pour l’onneur dou royaume me tenrai campion « Et qu’il a enherhé le bon roy Phylippon ; « Et que, s’on ne me livre Gaufroi sus le sablon, « Tout les appellerai de mortel traïson, « Et que plainte en ferai, pour avoir vengison, « Au fil le roy de France qui Loëis a non : « Là, les appellerai pour démonstrer rayson. « N’oseront contre dire, quant orront le parchon, « Et de la mort du roy retraire le fachon, « Et je qui en vaurrai monstrer le vengison ; « Il n’a si hardi prinche jusqu’en Cafarnaon « Qui m’ozast contre dire le champ vers le félon, « Car sé il i métoit nulle excusation, « On le porroit tenir à Gaufroi compaignon « Et nuls ne prenderoit à tel fait se parchon. « Seigneur, » dist Baudewins, « à Nymaie en irés, « Si vous logiés devant et la ville assalés ; « Et g’irai à Paris, qui est bonne chité. « Quant je verrai Gaufroi en ses grans majestés, « Je venrai devant lui, ensi qu’oï avés, « Et dirai, voïant tous, que bien ière escoutés, « Que par lui fu li roys des Franchois enherbés ; « Mon gage en liverrai, car ch’est ma volentés, « Mais je ne dirai mie comment sui appellés, « Jusqu’à tant qu’il sera ens ou champ délivrés. « Là, li dirai : léchières, Baudewins sui clamés. « Fiex sui au roy Ernoul qui par toi fu livrés, « Au roy Rouge-Lyon vendus et aquatés, « Et fait morir ma mère, dont ch’est dielx et pités, </poem> |valign=top| <poem> En de broeders antwoorden helder, met luide stem: “ Broeders, ga er niet heen, om Gods wil smeken wij u, “ Want Gaufer van Nijmegen zal daar zo'n groot geschenk geven “ Dat alle ridders aan zijn kant zullen staan. “ “ Heren, “ zei Boudewijn, “ ik geef er geen enkele knoop om!590 “ Want aan mijn zaak wil ik een einde maken, “ Voor de eer van het koninkrijk zal ik mij als kampioen opwerpen “ En bewijzen dat hij de goede koning Philippon heeft vergiftigd; “ En als men Gaufroi niet aan mij overlevert op het {{SIC|zand|van het duel}}, “ Zal ik hen allen beschuldigen van dodelijk verraad, “ En ik zal een klacht indienen, om wraak te nemen, “ Bij de zoon van de koning van Frankrijk die Lodewijk heet: “ Daar zal ik hen dagen om hun redenen te tonen. “ Ze zullen het niet durven tegenspreken, wanneer ze hun aandeel horen, “ En de wijze waarop de koning ter doding is gebracht,600 “ En ik die daarvan de wraak wil opeisen; “ Er is geen prins zo koen, tot in Kapharnaüm toe, “ Die het tegen mij op het veld zou durven opnemen tegen de schurk, “ Want als hij enig excuus zou aanvoeren, “ Zou men hem als een handlanger van Gaufroi kunnen beschouwen, “ En niemand zou aan zo'n daad deel willen hebben. “ Heren, “ zei Boudewijn, “ naar Nijmegen zullen jullie gaan, “ Sla daar jullie kamp op en val de stad aan; “ En ik zal naar Parijs gaan, wat een grote stad is. “ Wanneer ik Gaufroi in zijn grote majesteit zie, 610 “ Zal ik voor hem verschijnen, zoals u gehoord hebt, “ En ik zal ten aanschouwen van iedereen zeggen, zodat het goed gehoord wordt, “ Dat door hem de koning der Fransen werd vergiftigd; “ Mijn {{SIC|onderpand|handschoen, uitdaging voor een duel}} zal ik overhandigen, want dat is mijn wil, “ Maar ik zal absoluut niet zeggen hoe ik heet, “ Totdat het gevecht op het veld is beslecht. “ Daar zal ik hem zeggen: schurk, Boudewijn word ik genoemd! “ Zoon ben ik van koning Ernoul, die door jou werd verraden, “ Aan koning Rode-Leeuw verkocht en verhandeld, “ En je hebt mijn moeder laten sterven, wat een rouw en deernis is! “620 </poem> |}<noinclude></noinclude> jsn6o8b5lmv926dutr1mwi2eyfbu00h Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/745 104 88675 226047 2026-08-29T15:07:30Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226047 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Et tenue à grant tort toute nous hérités. » « Là, li donrai tel cop que tous ert estonnés ! « Moy samble qu’il soit ja desconfis et matés, « N’en prenderoie mie tout l’or de ·ij· chités. » Adont est, Baudewins, sus le destrier montés ; Il a dit : « je m’en vois, car trop tenu m’avés. » Wistaces de Bollongne et li bons Esmerés Sainnièrent Baudewin, si ont les bras levés, A Dieu le commandèrent et il s’en est alés ; O lui estoit Croissans, li damoisiaus loés. Et li troi autre frère sont issu de leur nés, Vers Nymaie s’en vont les grans chemins férés. Les espies s’en vont parmi les hérités, Venu sont à Nymaie, s’ont dit : « fremés ! fremés ! « Vous verrés maintenant vous anemis mortés. » Quant chil de Nymaie eurent of dire et nonchier Que li frère venoient la chité asségier, Dont fremèrent la ville et devant et dérier. Cyprien, Escochois et li Boullenois fier Et li noble Flamenc et li bon Hénuier Sont venu de la ville ·j· assaut commenchier, Si grant et si orrible, ch’ai of tesmoingnier, C’onques si grant ne vit nuls hons, à mon cuidier. Devant estoient mis li bon arbalestrier Qui traioient quarriaus, dont li fer sont d’achier ; A une maistre-porte, qui fu vers le gravier, Sont venu assalir pour la ville empirier. Une avant-porte i ot, ch’ai of tesmoingnier, En sus de le grant-porte l’avoit-on fait dréchier, Bien estoit garitée ; là, avoit ·j· pont fier. Dela chelle avant-porte, dont vous m’oés plaidier, Estoit le maistre-porte c’on fist desvéroullier ; Ne le dangnoient claure serjant né chevalier, Pour chiaus de l’avant-porte où il ot maint archier. S’avoient fait geter enmi le sablonnier </poem> |valign=top| <poem> “ En ten onrechte wordt heel onze erfenis vastgehouden. “ “ Daar zal ik hem zo'n slag toebrengen dat hij geheel bedwelmd zal zijn! “ “ Mij schijnt dat hij al verslagen en klemgezet is, “ “ Ik zou er beslist niet al het goud van twee steden voor willen aannemen. “ Toen is Boudewijn op het strijdros gestegen; Hij zei: “ Ik ga ervandoor, want u heeft mij te lang opgehouden. “ Eustachius van Boulogne en de dappere Esmeret Zegenden Boudewijn, en zij hieven de armen omhoog, Aan God vertrouwden zij hem toe en hij is heengegaan; Bij hem was Croissant, de geprezen edelknaap. 630 En de drie andere broers zijn van hun schepen gekomen, Richting Nijmegen trekken zij over de grote heerwegen. De verkenners begeven zich over de landgoederen, Gekomen zijn zij in Nijmegen en riepen: “ Sluit de poorten! Sluit de poorten! “ “ U zult nu uw dodelijke vijanden zien verschijnen. “ 640 Toen degenen van Nijmegen hoorden vertellen en verkondigen Dat de broers kwamen om de stad te belegeren, Toen sloten zij de stad af, zowel van voren als van achteren. Cyprioten, Schotten en de trotse bewoners van Boulogne En de edele Vlamingen en de dappere Henegouwers 640 Zijn vanuit de stad gekomen om een aanval in te zetten, Zo groot en zo verschrikkelijk, zoals ik heb horen getuigen, Dat nooit een mens een grotere heeft gezien, naar mijn mening. Vooraan waren de goede kruisboogschutters opgesteld Die pijlen afschoten waarvan de punten van staal waren; Bij een hoofdpoort, die naar de rivieroever toe lag, Zijn zij gaan aanvallen om de stad schade toe te brengen. Een voorpoort was daar, zo heb ik horen getuigen, Die men een stuk van de hoofdpoort vandaan had laten oprichten, Deze was goed versterkt; daar was een stevige brug. 650 Achter die voorpoort, waarover u mij hoort spreken, Bevond zich de hoofdpoort die men liet ontgrendelen; Noch schildknaap noch ridder verwaardigde zich deze te sluiten, Vanwege de manschappen in de voorpoort, waar menig boogschutter stond. En zij hadden zich laten neerslaan midden op de zandvlakte </poem> |}<noinclude></noinclude> toeg5r8xfm77yojohx9ti60rrb5k9qd Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/746 104 88676 226048 2026-08-29T15:19:10Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226048 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Plenté de caudes-strèpes, c’on ne puist aprochier. Seigneur, ses caudes-strèpes font trop à ressongnier, Ch’est pour piés affoler et pour gens tresbuchier. Hé ! Diex, qu’à l’assalir oïssiés grailloïer Trompes, tamburs, naquaires et maint cor menuïer ! Espringales faisoient chil dedens descliquier, Engiens et ars à tour pour no gens domagier. Or les aït chius sires qui tout a à jugier ! Ains qu’il aient Nimaie, les faurra traveillier. Seignour, devant Nimaie fu moult grans li chembiaus : Là, péuissiés veioir bannières à labiaus, Pignons dedens ches hanstes, c’on ot fait de fraisniaus ; Ches nobles chevaliers montés sus ches moriaus, Et li sergans à glaive rechoivent grans travaus Pour les fossés emplir, tout selonc les muraus, Qui plain estoient d’iauwe grande con li Escaus. Faisoient, li barron, atrondeler tonniaus Dont li vins estoit hors, s’estoupoit-on les traus, En l’iauwe les get-on et dessus les vaissaus Getoient, li piéton, et assièles et baus ; Là, fissent ·j· tel pont, ains que tournast solaus, Que pour aler de front armés ·xxx· vassaus. Jusqu’au mur vont courant, si portoient martiaus Et grans leviers de fer et glaives et coutiaus : Si frapoient au mur, faire il voloient traus, De targes se couvroient pour doute de quaillaus ; Et quant li bourgois virent de nous gens les assaus, Espoentés en fu et li bas et li haus, Adont ont fait sonner et cloques et apiaus. Li bourgois sont essamble qui demandent consaus : Si fisent aporter d’encoste les crestiaus Grant plenté de charbon, mis i fu li fus chaus, En che charbon boutèrent de fer ·ijc· barriaus. Quant il fu aussi rouges c’on le fiert as martiaus, Contre val le getèrent, avoec fu vive chaus, </poem> |valign=top| <poem> Een overvloed aan voetangels, zodat men niet dichterbij kan komen. Heer, deze voetangels zijn zeer te vrezen, Het is om voeten te verwonden en om mensen te doen struikelen. Heer God! Als men de stormloop inzette, hoorde men schallen: Trompetten, trommels, pauken en menige kleine hoorn! 660 De lieden daarbinnen lieten de {{SIC|springalds|soort katapulten}} afvuren, Apparaten en torenkruisbogen om onze mensen schade te berokkenen. Moge deze Heer hen nu bijstaan, Hij die over alles zal oordelen! Voordat zij Nijmegen hebben, zal het hen veel moeite kosten. Heren, voor Nijmegen was de strijd zeer groot: Daar kon men vaandels met franjes zien, Wimpels aan de lansen, die van essenhout waren gemaakt; Die edele ridders gezeten op hun zwarte paarden, En de sergeanten met het zwaard verdragen grote ontberingen Om de grachten te vullen, overal langs de muren, 670 Die vol water stonden, zo breed als de Schelde. De baronnen lieten lege wijnvaten herwaarts rollen, Waaruit de wijn al weg was, en men stopte de gaten dicht; In het water werpt men ze, en bovenop de vaten Wierpen de voetknechten zowel planken als balken; Daar bouwden zij één zo'n brug, nog voor de zon draaide, Dat er dertig gewapende vazallen zij aan zij overheen konden gaan. Tot aan de muur rennen zij storm, en zij droegen hamers En grote ijzeren hefbomen en zwaarden en messen: Zo sloegen zij op de muur, want zij wilden er gaten in maken; 680 Met schilden dekten zij zich af uit angst voor de keien; En toen de burgers de aanvallen van onze manschappen zagen, Waren zowel de armen als de rijken doodsbang; Toen lieten zij de klokken en alarmsignalen luiden. De burgers zijn bijeengekomen om raad te vragen: Zij lieten naast de kantelen aanrukken: Een grote hoeveelheid houtskool, waarin een heet vuur was aangestoken; In die kolen staken zij tweehonderd ijzeren staven. Toen het ijzer net zo roodgloeiend was als wanneer men er met hamers op slaat, Wierpen zij het naar beneden, en er was ook ongebluste kalk bij. 690 </poem> |}<noinclude></noinclude> rnt8d0bim9mqijn0bub8p0ggr0dscpq Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/747 104 88677 226049 2026-08-29T15:21:22Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226049 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Et oile et plonc boulant getoient à vaissiaus, Dessus les assalans les getoient ; entriaus Ne lor valut blaisons, armures né bliaus, Car li plons et li oiles qui bouloit que la ciaux Lor vint si à ·j· fais desus lor hateriaux Tout furent escaudet et brulet que pourchiaus ; Et s’ardi tous li pons jusqu’en l’iauwe mortaus. Onques n’en escapa né quavelus né caus. Dont prisent à huer et faire cris moult haus, Et de lor chaperons frotoient les muraus ; E no gent ont d’aïr les frons trestous vermaus, Car chuis qui voit sa perte n’est onques liés né baus. Wistaces de Bollongne ot le coer irascu, Si dist à ces neveus : « nous avons tout perdu ! « Hardiement s’estoient, nostre gent, embatu ; « Mais chil qui sont dedens ne sont mie bobu, « Il ont éut science encontre bon argu : « Car sé il ne se fuissent ensément maintenu, « No gent éussent jà le grant mur abatu. » « Heslas ! » dist Esmerés, « chil i ont trop perdu « Qui là sont demouré, car il sont ars du fu ! » « Sire, » se dist Wistaces, « < toudis sont le menu « Tout primiers à l’assaut et primiers confondu. » A l’assalir Nimaie, oïssiés grant tenson. Hé ! Diex, qu’à l’avant-porte dont j’ai fait mention Traient arbalestrier et archier à foison ; Chil dedens se desfendent, en traiant maint bougon : Mais li no ont devant fait portier maint blason, L’avant-porte aprochièrent, à force et à bandon, Dessus une cauchie montèrent de randon. Mais par les caudes-trèpes que jetet i ot-on Ne pooient aler, li nobile baron, N’aprochier la chité à lor devision ; Car les trèpes lor font a piés grant marison, N’osent avant aler, trop doutent le talon. </poem> |valign=top| <poem> En kokende olie en smeltend lood wierpen zij uit vaten, Bovenop de aanvallers goten zij het neer; te midden van hen Baatten hun schilden, rustingen noch tunieken, Want het lood en de olie, die kookten door de hitte, Kwam in één grote geul op hun nekken terecht. Allen werden zij levend gekookt en verbrand als varkens; En de hele brug vloog in brand tot in het dodelijke water. Er ontsnapte er niet één, noch behaard noch kaal. Toen begonnen zij te gillen en zeer luide kreten te slaken, En met hun kappen wreven ze langs de muren; 700 En onze mensen kregen van woede een scharlakenrood voorhoofd, Want hij die zijn verlies inziet, is nimmer blij of vrolijk. Eustachius van Boulogne had een verbitterd hart, En sprak tot zijn neven: “ We hebben alles verloren! “ Koen hadden onze manschappen zich in de strijd geworpen; “ Maar zij daarbinnen zijn allerminst onnozel, “ Zij bezitten de tactische list tegen elke goede krijgskunde: “ Want als zij zich niet op die wijze hadden verdedigd, “ Dan hadden onze manschappen de grote muur al neergehaald. “ “ Helaas! “ sprak Esmeret, “ zij die daar zijn achtergebleven, “ Hebben een te grote prijs betaald, want zij zijn door vuur verbrand! “ “ Heer, “ zeide Eustachius, “ altijd zijn de kleine lieden “ Als allereerste bij de bestorming en als eerste verloren. “ Bij de bestorming van Nijmegen hoorde men een luid tumult. Heer God, bij de voorpoort waarvan ik melding maakte, Schoten kruisboogschutters en handboogschutters in overvloed; Zij daarbinnen verdedigden zich en schoten menig zware pijl af: Maar de onzen hielden vele schilden voor zich uit, Zij naderden de voorpoort, met brute kracht en ongeremd, En beklommen in ijlgang een verhoogde kasseiweg. 720 Maar door de voetangels die men daar had uitgeworpen, Konden zij niet verder trekken, de edele baronnen, Noch de stad naderen zoals zij hadden gepland; Want de voetangels brachten hun voeten grote kwelling toe, Ze durfden niet verder te gaan, te zeer vrezend voor hun hielen. </poem> |}<noinclude></noinclude> r8huk4urqvbfaashushh7l0y47jqq7z Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/748 104 88678 226050 2026-08-29T15:24:09Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226050 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Si fisent aporter d’estrain maint grant buisson Et du fain que menguent li destrier Arragon : Sus le foerre passoient à force li baron, En targant sont venu à bailles de renon ; N’i ot c’un petit pont à le desfention, Le pont ont conquesté à force et à bandon. Quant chil de l’avan-garde virent cheste fachon, L’avant-garde laissièrent, li saudoïer piéton, A val sont descendu ; mais nostre champion Eurent passet le pont dont j’ai fait mention. Et cheulz de l’avain-porte ne furent pas bricon, Car le porte ont fremée, à lor devision, Mais le pont par devant desfendent no baron ; Ne fu mie levés, dont chil ont marrison. A chiaus de l’avain-porte, dont il i ot foison, Livrèrent grant bataille par delès le ponton ; En l’iaue les boutèrent, mort furent li glouton, Car il sont assali ou vausissent ou non. Prise fu l’avain-porte, par force conquestée, Et montèrent à mont, si ont pris lor visée A traire à cheulz dela, de grande randonnée ; De sajettes i ot plus d’une charretée, De coi il vont traiant en le chité loée, Sé que chil des garrites de la porte fremée Ne gètent riens à val, car nus vivans n’i bée, Pour cheus de l’avan-porte qui traiens sans visée ; Plus droit volent sajettes que la nois sus gelée. Maudite soit li pière qui à val soit getée ! Et entre l’avan-porte et l’autre bien quarrée I avoit tant de gens, ch’est vérités prouvée, Que plus n’en i pooit, par nul tour, faire entrée. Si ont li maistre-porte, qui bien estoit férée, Tellement assalie et tellement frapée Qu’en plus de ·xxx· lieus ont le porte froée ; Et chil de la chité menoient grant criée. </poem> |valign=top| <poem> Dus lieten zij menige grote bos stro aanvoeren En van het hooi dat de Aragonese strijdrossen eten: Over het stro trokken de baronnen met kracht, Zich beschermend met schilden kwamen zij bij de vermaarde verschansingen; Er was slechts één kleine brug ter verdediging, 730 De brug hebben zij met kracht en onstuimigheid veroverd. Toen degenen van de voorhoede deze stand van zaken zagen, Verlieten zij de voorhoede, de huursoldaten te voet, Naar beneden zijn zij afgedaald; maar onze kampioenen Hadden de brug overgestoken waarvan ik melding heb gemaakt. En zij van de voorpoort waren geen dwazen, Want zij hebben de poort gesloten, naar hun eigen zin, Maar de brug aan de voorkant verdedigen onze baronnen; Hij werd geenszins opgehaald, waarover dezen vol spijt waren. Tegen hen van de voorpoort, van wie er een grote menigte was, 740 Leverden zij een hevige strijd vlak bij de kleine brug; In het water wierpen zij hen, dood waren de schurken, Want zij worden aangevallen, of ze wilden of niet. De voorpoort werd ingenomen, met kracht veroverd, En zij klommen omhoog, en richtten hun vizier Om met grote onstuimigheid te schieten op hen aan de overkant; Aan pijlen was er wel meer dan een karrenvracht, Waarmee zij begonnen te schieten op de geprezen stad, Zodat zij in de wachttorens van de gesloten poort Niets naar beneden wierpen, want geen levende ziel durfde zich te tonen, 750 Vanwege hen bij de voorpoort die zonder ophouden schoten; Rechter vliegen de pijlen dan de sneeuw op de ijzige grond. Vervloekt zij de steen die naar beneden wordt geworpen! En tussen de voorpoort en de andere, die goed vierkant was, Waren er zoveel mensen, dat is een bewezen waarheid, Dat er op geen enkele wijze nog meer naar binnen konden. Zo hebben zij de hoofdpoort, die goed met ijzer beslagen was, Dusdanig bestormd en dusdanig geslagen Dat op meer dan dertig plaatsen zij de poort hebben ingeslagen; En zij van de stad hieven een groot geschreeuw aan. 760 </poem> |}<noinclude></noinclude> 097siyb4p91n0v3zfpsfipw7x6ly0n8 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/749 104 88679 226051 2026-08-29T15:27:33Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226051 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Esmerés de Nimaie tenoit, el pong, l’espée Et fu tous des primiers qui le porte a minée : La porte contre tère fu en ·j· mont getée Et li porte-couliche qui de fer fu bendée Fu soustenue en air, ne poet faire versée ; De mainte glaive l’ont, le saudoïer, boutée. Là, véissiés assaut et si forte assamblée C’onques mais à chité ne fu telle esgardée ! Moult fu grans li assaus et fière l’envaïe. Chil dedens la chité menoient laide vie, Car moult se vont doutant de nostre baronnie Qui fort vont assalant ; et Esmerés s’escrie : « Or avant, mi baron et ma chevalerie ! « Ne vous i faindés pas, la chités est gaignie, « Ne nous en poet grever fors Diex le fiex Marie ! « Seignour, » dist Esmerés, « or me faites aïe « A r’avoir ma chité qui m’estoit eslongie ! » Dont ont, li Cyprien, le porte jus flastrie. Chil delà sont encontre à bataille rengnie, Mais quant chil qui estoient à mont, par establie, Seurent le porte ouverte, lor garde ont-il laissie ; Si se sont avalet droit enmi le chauchie. Là, véissiés bataille et moult ruiste envaïe : Maint homme reverser, dont li corps gist sans vie ; Crier hideusement à chascune partie ; Li ·j· encontre l’autre démonstroit félonnie. Wistaces de Bollongne et la noble lignie Sont és bailles entret, s’ont la porte choisie Qui tout ouverte fu, car elle estoit briesie. Oïés de Gloriant, à le chière hardie, Il broche le chaval, des esporons l’aigrie, En l’avant-porte entra, droit enmi se maisnie, Au dos le vont sievant et chascuns li escrie : « Aidons nous chier seignour, sé ne li falons mie ! » Tant ala, Glorians dont je vous sénéfie, </poem> |valign=top| <poem> Esmeret van Nijmegen hield in zijn vuist het zwaard En was een van de eersten die de poort neerhaalde: De poort werd tegen de grond in een hoop geworpen En het valhek dat met ijzer was beslagen Werd in de lucht gehouden, het kon niet naar beneden vallen; Met menige lans hebben zij, de soldaten, het omhooggestoten. Daar zou men een aanval zien en zo'n sterke strijd Als men nog nooit eerder bij een stad had aanschouwd! Zeer groot was de aanval en woest de bestorming. Zij binnen de stad leidden een ellendig leven, 770 Want zij waren zeer beducht voor onze baronnen Die krachtig bleven aanvallen; en Esmeret riep uit: “Voorwaarts, mijn baronnen en mijn ridderschap! “Wees niet traag, de stad is reeds gewonnen, “Niemand kan ons schaden behalve God de zoon van Maria! “Heren,” zei Esmeret, “help mij nu “Om mijn stad terug te krijgen die mij was ontnomen!” Toen hebben zij, de Cyprioten, de poort neergesmeten. Zij aan de andere kant stonden opgesteld voor de strijd, Maar toen zij die zich daarboven bevonden, door hun opstelling, 780 Wisten dat de poort open was, verlieten zij hun wachtpost; Ze zijn toen recht naar beneden gegaan, midden op de straatweg. Daar zou men een strijd zien en een zeer hevige aanval: Menig man werd neergehaald, wiens lichaam nu levenloos ligt; Er werd ijselijk geschreeuwd aan weerszijden; De een toonde jegens de ander louter wreedheid. Wistace van Bollongne en zijn adellijk geslacht Zijn de buitenwerken binnengegaan, en hebben de poort gekozen Die wijd openstond, want zij was opengebroken. Hoor nu over Gloriant, met zijn moedige blik, 790 Hij spoort het paard aan, hitst het op met de sporen, Trok de voorpoort binnen, te midden van zijn manschappen, Achter hem aan volgden zij hem en ieder riep hem toe: “Laten we onze dierbare heer helpen, en hem beslist niet in de steek laten!” Zo ver trok Glorians, op wie ik hier doel, </poem> |}<noinclude></noinclude> 62xax40l3rtnm348mlt7ufbnfudqmk3 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/750 104 88680 226052 2026-08-29T15:29:16Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226052 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Qu’à le porte est venus, de vielle anchisserie ; Le chaval esporonne et son royame crie, Ch’est Cypre, le majour, qu’il tint en sa baillie : Es bourgois se féri, moult lor dist vilonnie, Par force et par vertu a le presse partie, Et chil le vont sievant qui ne le héent mie. Esmerés fu à piet, s’a le hache apongnie, Après son frère va ; Nimaie ! haut escrie. Là, furent reculet, tout parmi le cauchie, Li bourgois de la ville qui mainnent laide vie ; Li no les reculèrent près de demi archie. Cyprien entrent ens, s’ont la porte gaignie ; Alixandres d’Escoche, qui tant ot seignourie, Fait devant lui porter sa banière jolie. Or oïés d’Esmeret qui pas n’ot couardie : Si tos qu’il vit le porte qu’il vint sus le caucie, En le porte monta, qui bien fu bateillie, Une banière porte de soie d’Ammarie, Ens ou son de la porte l’a vistement fichie ; Illoec fu la banière vistement desploïe, La ville est conquestée, chuis poins le sénéfie. Esmerés de Nymaie sa banière posa El son de le grant porte, si c’on l’i regarda, Et dehors et dedens. Li bourgois, chà et là, Qui furent as crestiaus, quant on leur recorda De l’enseigne de soie et on lor enseigna, Chascuns tous desconfis de sa garde avala, As hosteus vont courant : chascuns s’essonnia A repondre le sien et l’argent qu’il ot là ; Et eutreus c’on entre ens, Esmerés commanda C’on ne boute le fu nulle part chả nẻ là Car le chité est siène et pour chou lor pria : Mais de mettre à essil point ne lor dévéa, Et de prendre l’avoir et ce c’on i trouva. Ensi prist-on Nymaie, li assaus i fu grans. </poem> |valign=top| <poem> Toen hij bij de poort aankwam, volgens aloude riddertraditie; Spoorde hij het paard aan en riep de naam van zijn koninkrijk, Dat is Cyprus het grote, waarover hij de heerschappij voerde: Hij wierp zich op de burgers, sprak vele harde woorden tot hen, Door kracht en door moed werd de menigte uiteengedreven, 800 En degenen die hem geenszins haatten, volgden hem op de voet. Esmeret was te voet, en had de strijdbijl gegrepen, Achter zijn broer gaat hij aan; "Nijmegen!" roept hij luidkeels. Daar werden ze teruggedreven, midden op de hoofdstraat, De burgers van de stad die een goddeloos leven leiden; De onzen dreven hen terug over de afstand van bijna een half boogschot. De Cyprioten trekken naar binnen, ze hebben de poort heroverd; Alexander van Schotland, die zo'n grote waardigheid bezat, Laat voor zich uit zijn mooie banier dragen. Hoor nu over Esmeret, die allerminst lafhartig was: 810 Zodra hij de poort zag toen hij op de kasseiweg kwam, Klom hij op de poort, die zwaar versterkt was met kantelen, Hij draagt een banier van zijde uit Almería, Op de top van de poort heeft hij hem snel vastgezet; Daar werd de banier snel ontplooid, De stad is veroverd, dit moment symboliseert het. Esmeret van Nijmegen plaatste zijn banier Op de top van de grote poort, zodat men hem daar kon zien, Zowel van buiten als van binnen. De burgers, hier en daar, Die op de kantelen stonden, toen men hen wees 820 Op het zijden vaandel en men het hen toonde, Daalden, geheel ontmoedigd, elk van hun post af, Naar hun huizen rennen ze: ieder haastte zich Om het zijne en het geld dat hij daar had te verbergen; En terwijl men binnentrok, bevel Esmeret Dat men nergens brand mocht stichten, hier noch daar, Want de stad is de zijne en daarom verzocht hij hen dit: Maar hen te plunderen verbood hij hun geenszins, En het bezit te nemen en alles wat men er vond. Zo nam men Nijmegen in, de bestorming was er groot. 830 </poem> |}<noinclude></noinclude> p36dt2ce7winxst7ur9zkbaxp99h3gz Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/751 104 88681 226053 2026-08-29T15:31:36Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226053 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> {{iwpage|fr}} </poem> |valign=top| <poem> De burgers vluchtten, ze begaven zich naar de velden; De een neemt wat mee, de ander draagt helemaal niets, De moeders vluchtten weg en droegen hun kinderen met zich mee. Zo gaat dat in de oorlog: de rijke wordt arm en behoeftig, De avontuurlijke arme wordt rijk en vrij, Menigeen had tijdens zijn leven genoeg vergaard, Maar leerde te bedelen aan het einde van veertig jaar, En.. een ander had in twintig jaar nog geen vier stuivers bezeten, Die sindsdien rijk werd en vaste inkomsten kocht. Daarom moet niemand zichzelf als te dapper beschouwen, 840 Want wanneer het God behaagt, is men op een dag vol smart; De oorlog van vorsten maakt de rijken arm. Veroverd is de stad, zo vertelt ons het verhaal, Bij de poorten en in de torens die hoog en groot zijn, Bevonden zich de twaalf pairs en de machtige graven, En Blanche, de jonkvrouw wier verschijning bekoorlijk was: Uit de gevangenis bevrijdde hen de goede koning Glorians, Esmeret van Nijmegen, en Alexander, de edele, Wistace van Boulogne, die zeer verheugd was. “ Ach! “ zeide hij, “ Nijmegen, wat kost je me veel! 850 “ Om jou te veroveren heb ik de Perzen achtergelaten. “ Men moet immers boven alles zijn naasten te hulp schieten. “ Nu is Nijmegen ingenomen, de stad van hoog aanzien, De twaalf pairs van Frankrijk hebben hun harten verblijd En de graaf van Vlaanderen heft de lofzang aan voor Jezus Christus, En sprak tot zijn zuster, die zo'n helder gelaat had: “ Schone zuster, “ zeide de graaf, “ bij de God van het paradijs, “ Die vorsten ginds, die in het grijs bont zijn gekleed, “ Zijn broeders van Boudewijn, die uw echtgenoot is. “ De dame buigt voor hen en noemt hen vrienden; 860 Zeer feestelijk werd de dame van hoog aanzien onthaald. Nu zal ik dit een kort moment laten rusten, en zal ik terugkeren Naar de jonker Boudewijn, die op weg is naar Parijs: Hij rijdt achter Gaufroi aan, die de {{SIC|Antichrist|aartsbedrieger}} was, En die de koning rechtstreeks naar Saint-Denis laat dragen. </poem> |}<noinclude></noinclude> 71xt9o0krjrovjtbnd19u1ci21gmanp 226059 226053 2026-08-29T15:49:33Z Havang(nl) 4330 226059 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Li bourgois s’enfuïrent, si se mettent as champs ; Tel i a qui emporte, tel qui riens n’est portans, Les mères enfuioïent, s’enportent leur enfans. Ensi est-ce de gerre : riches devient meschans, Povres aventureus devient riches et frans, Tels avoit gaïgniet assés en ses vivans Qu’à truander aprist au chief de ·xl· ans, Et… n’avoit éu ·iiij· sols en vint ans Qui puissedi fu riches et rentes achetans. Pour che ne se doit nuls tenir pour trop vaillans, Car, quant il plaist à Dieu, à ·j· jour est dolans ; La gerre de princhiers fait les riches meschans. Conquise est la chités, che nous dist li romans, Es portes et és tours qui sont hautes et grans Furent li ·xij· per et li contes poissans, Et Blanche, le dansèle dont li corps fu playsans : De prison les geta li bons roys Glorians, Esmerés de Nymaie, Alixanders, li frans, Wistaces de Bollongne qui estoit moult joïans. « Ahi ! » dist-il, « Nymaie, con tu m’ies tout coustans ! « Pour toi à conquester ai laissiet les Persans. « On doit sor toutes riens aidier ses atenans. « Or, est prise Nymaie, la chité de haut pris, Li ·XIj· per de Franche ont les cors resjoïs Et li contes de Flandre va loant Jhésu-Cris, Sé dist à se serour, qui tant ot cler le vis : « Belle soer, » dist li contes, « par Dieu de paradis, « Chil prínche là endroit, qui sont fourré de gris, « Sont frère Baudewin qui est li vos maris. » La dame les encline et les appelle amis ; Tré bien fu festiie la dame de haut pris. Or en lairai ·j· poi, si serai revertis Au dansel Baudewin qui s’en va vers Paris : Après Gaufroi chevauche, qui estoit Autexpris, Qui le roy fait porter tout droit à Saint-Denis. </poem> |valign=top| <poem> De burgers vluchtten, ze begaven zich naar de velden; De een neemt wat mee, de ander draagt helemaal niets, De moeders vluchtten weg en droegen hun kinderen met zich mee. Zo gaat dat in de oorlog: de rijke wordt arm en behoeftig, De avontuurlijke arme wordt rijk en vrij, Menigeen had tijdens zijn leven genoeg vergaard, Maar leerde te bedelen aan het einde van veertig jaar, En.. een ander had in twintig jaar nog geen vier stuivers bezeten, Die sindsdien rijk werd en vaste inkomsten kocht. Daarom moet niemand zichzelf als te dapper beschouwen, 840 Want wanneer het God behaagt, is men op een dag vol smart; De oorlog van vorsten maakt de rijken arm. Veroverd is de stad, zo vertelt ons het verhaal, Bij de poorten en in de torens die hoog en groot zijn, Bevonden zich de twaalf pairs en de machtige graven, En Blanche, de jonkvrouw wier verschijning bekoorlijk was: Uit de gevangenis bevrijdde hen de goede koning Glorians, Esmeret van Nijmegen, en Alexander, de edele, Wistace van Boulogne, die zeer verheugd was. “ Ach! “ zeide hij, “ Nijmegen, wat kost je me veel! 850 “ Om jou te veroveren heb ik de Perzen achtergelaten. “ Men moet immers boven alles zijn naasten te hulp schieten. “ Nu is Nijmegen ingenomen, de stad van hoog aanzien, De twaalf pairs van Frankrijk hebben hun harten verblijd En de graaf van Vlaanderen heft de lofzang aan voor Jezus Christus, En sprak tot zijn zuster, die zo'n helder gelaat had: “ Schone zuster, “ zeide de graaf, “ bij de God van het paradijs, “ Die vorsten ginds, die in het grijs bont zijn gekleed, “ Zijn broeders van Boudewijn, die uw echtgenoot is. “ De dame buigt voor hen en noemt hen vrienden; 860 Zeer feestelijk werd de dame van hoog aanzien onthaald. Nu zal ik dit een kort moment laten rusten, en zal ik terugkeren Naar de jonker Boudewijn, die op weg is naar Parijs: Hij rijdt achter Gaufroi aan, die de {{SIC|Antichrist|aartsbedrieger}} was, En die de koning rechtstreeks naar Saint-Denis laat dragen. </poem> |}<noinclude></noinclude> 6rgphbir7wt9ie8dyq55udbb1equb9o Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/752 104 88682 226054 2026-08-29T15:34:02Z Havang(nl) 4330 /* Niet proefgelezen */ 226054 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> As chevaliers de France a, li glous, tant promis Et donné tant d’avoir as grans et à petis, Que chascuns du traïtre estoit si aveulis Qu’il disoient entr’iaus : « vrais pères Jhésu-Cris, « Pour coi n’est en Gascongne mors et tués Loys ? « Si feriens que Gaufer, qui tant est agencis, « Seroit roys couronnés du royaume de pris. « Chertes, il est bien dignes d’estre ·j· emperéis ! » Ensi dient Fransoys qui eurent l’argent pris. Li hons qui poet donner est adès conjoïs Et li hons qui est nus il est adès despris. Tout droit à Saint-Denis, chelle riche albéye, Fu Gaufer, li gloutons, qu’en fausseté larmie ; De l’albet s’acointa et vers lui s’umélie, Et dist qu’il li donroit si grande seignourie Que la croche de Rains aroit en sa baillie. Quant li albes l’entent, grandement l’en merchie, Gaufroi fist encliner de toute sa clergie Et-ont, encontre lui, pourcession furnie ; Encontre Gaufroi vont chantant le léthanie. La jouvente du roy ont tost ensevelie Et le service fait. Qui est mors on l’oublie. Gaufer sist au disner, en le sale voltie, A Paris envoïa droit à le trosorrie, ·xv· sommiers en fist venir à une fie : As moisnes en donna une grande partie, Il n’i ot chevalier de sé basse lignie Né escuïer aussi né de l’autre maisnie, A cui si largement de che trosor n’otrie, Que chascuns si disoit : « douce Virge-Marie, « Car nous sauvés Gaufroi, qu’il ne perde la vie ! « Li roys est trop bons mors, ch’est raysons c’on l’oublie, « Car onques ne donna né ne fist courtoisie, « Homme nul de sa court ne mist en seignourie. « Sé Loys estoit mors, qui les Englès gerrie, </poem> |valign=top| <poem> Aan de ridders van Frankrijk heeft de schurk zo veel beloofd En zo veel bezit gegeven aan groot en klein, Dat iedereen door de verrader zo erg verblind was Dat zij onder elkaar zeiden: “ Ware vader Jezus Christus, “ Waarom is Louis niet in Gascogne gestorven en gedood? 970 “ Dan zouden we zorgen dat Gaufer, die zo bekwaam is, “ Gekroond zou worden tot koning van het voortreffelijke koninkrijk. “ Voorwaar, hij is het wel waard om een keizer te zijn! “ Zo spraken de Fransen die het geld hadden aangenomen. De man die kan geven, wordt altijd hartelijk ontvangen En de man die behoeftig is, wordt altijd veracht. Rechtstreeks naar Saint-Denis, die rijke abdij, Ging Gaufer, de schurk, die met valse tranen huichelde; Hij zocht toenadering tot de abt en toonde zich nederig, En zei dat hij hem zo'n grote heerschappij zou geven 880 Dat hij de kromstaf van Reims in zijn bezit zou krijgen. Toen de abt dit hoorde, bedankte hij hem uitbundig, Hij liet al zijn geestelijken voor Gaufroi buigen En zij hebben hem tegemoet een processie gehouden; Zij gaan Gaufroi tegemoet terwijl ze de litanie zingen. Het jonge lichaam van de koning hebben zij snel begraven En de dienst volbracht. Wie dood is, wordt vergeten. Gaufer zat aan het diner, in de gewelfde zaal, Naar Parijs stuurde hij gezanten, rechtstreeks naar de schatkamer, Vijftien pakpaarden liet hij in één keer komen: 890 Aan de monniken gaf hij daar een groot deel van, Er was geen ridder van zo'n lage afkomst, Noch schildknaap, noch iemand van het andere gevolg, Aan wie hij niet zo vrijgevig uit deze schat schonk, Dat iedereen zei: “ Zoete Maagd Maria, “ Bescherm onze Gaufroi, zodat hij het leven niet verliest! “ De koning is maar al te dood, het is redelijk dat men hem vergeet, “ Want nooit gaf hij iets of toonde hij hoofsheid, “ Geen enkele man van zijn hof bracht hij tot heerschappij. “ Als Louis maar dood was, die oorlog voert tegen de Engelsen, 900 </poem> |}<noinclude></noinclude> mx06cmkuj6rlgram9ooi7of3nurr4s8 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/753 104 88683 226055 2026-08-29T15:36:08Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226055 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Roy feriens de Gaufroi, car trop a baronnie ; « Bons serroit emperères de toute Rommenie ! » Baudewins disne à court, qui voit le derverie, Et comment toute honneur fu adont convertie Sus le félon Gaufroi. Or ne scet car il die ? S’il l’apelle du champ il fera grant folie Et si tenra chascuns ses parlers à sotie, Car povres hons n’a vois qui onkes soit oïe, Et disoit ·j· grant sens on ne le créroit mie. Gaufer fu au disner servis moult noblement, Chascuns l’onneure et prise et tiènent con régent ; Et li lères mengue et beuvoit liëment Et disoit : « mère Dieu, dame du firmament, « Que mes besongnes viènent aujourd’ui riquement ! « Ensi que je le pense me vient chertainement. « Je serai Jhesu-Cris, sé je vis longement, « Et roys de tout le monde avironnéëment, « Emperères de Romme serai prochainement. « Roys, sour tous roys vaurrai régner souffissaument ! » Ensi disioit Gaufer qui tant ot hardement, Mais tels cuide monter qui avale souvent. Gaufer voit les barons qui li sont en présent, Mais Baudewins li tourne et les eix et le dent ; Si dist à lui méismes : « vrais roys omnipotent, « Comment me maintenrai encontre che pulent ? » « Sire, » che dist Croissans, « atendés seulement « Tant qu’à Paris soïés, où plus ara de gent, « Contes, dux et marcis ; là, porrés hautement « Apeller che traïtre de traïson briément : « Car chi sont clerc et prestre qui ne valent noient, « Il n’ont cure qu’il dient, mais qu’il aient argent. » Quant vint après disner, li prinche seignouri Ont gerpie la table, en estant sont sali ; Gaufer ist de la sale et si baron o lui. Li serjant à le mache criioient à haut cri : </poem> |valign=top| <poem> “ We zouden van Gaufer koning maken, want hij heeft veel macht; “ Een goede keizer zou hij zijn van heel het Romeinse Rijk! “ Bauduin dineert aan het hof, en ziet deze waanzin, En hoe alle eer op dat moment werd omgedraaid Ten gunste van de feodale schurk Gaufer. Nu weet hij niet wat te zeggen. Als hij hem uitdaagt tot een duel, zal hij een grote dwaasheid begaan, En iedereen zal zijn woorden als onzin beschouwen, Want een arme man heeft geen stem die ooit wordt gehoord, En al zou hij een grote wijsheid spreken, men zou hem beslist niet geloven. Gaufer werd tijdens het diner zeer nobel bediend, 910 Iedereen eert en prijst hem en beschouwt hem als regent; En de dief eet en drinkt er vrolijk op los. En hij zei: “ Moeder Gods, vrouwe van het firmament, “ Wat verlopen mijn zaken vandaag toch rijkelijk! “ Precies zoals ik het bedenk, zo overkomt het mij werkelijk. “ Ik zal wel Jezus Christus zijn als ik lang leef, “ En koning over de hele wereld rondom, “ Keizer van Rome zal ik binnenkort zijn. “ Als koning boven alle koningen zal ik met volstrekte macht regeren! “ Zo sprak Gaufer, die zoveel overmoed bezat, 920 Maar wie denkt te stijgen, daalt vaak snel weer neer. Gaufer ziet de baronnen die in zijn aanwezigheid zijn, Maar Bauduin wendt zijn ogen van hem af en laat zijn tanden zien; En hij zei bij zichzelf: “ Ware, almachtige Koning, “ Hoe zal ik mij staande houden tegenover deze ellendeling? “ “ Heer, “ sprak Croissant, “ wacht slechts “ Totdat u in Parijs bent, waar meer volk zal zijn, “ Graven, hertogen en markiezen; daar zult u luidkeels “ Deze verrader in het kort van verraad kunnen beschuldigen. “ Want hier zijn slechts klerken en priesters die niets waard zijn, 930 “ Het kan hen niet schelen wat ze zeggen, als ze maar geld krijgen. “ Toen het na het dineren over was, zijn de nobele prinsen Opgestaan van de tafel en rechtop gesprongen; Gaufer verlaat de zaal en zijn baronnen met hem. De sergeanten met de strijdknuppel riepen met luide stem: </poem> |}<noinclude></noinclude> 6cdo67vquxoh9rv6bfyslxgpqimuaqt Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/754 104 88684 226056 2026-08-29T15:41:18Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226056 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Issiés hors de la voie pour no roy, vés-le-ci ! « Gardés pour no seignour par cui serons gari ! » Quant Baudewins les ot, tous li sans li frémi, Si a dit coiement : « mère Dieu, qu’est-ce chi ? « Adès sont li riche homme honneret et servi « Et li povre mesquant moquiet et escarni ; « Et s’uns hons avoit ore ·xx· royames à lui, « Ou otrestant d’avoir qu’il … jusqu’à Brandi, « Sé le convient morir ; puis l’a-on enfoui, « Aussi bien comme ·j· povre l’ont, li ver, asisti ; « Et sé le paye, Diex, chou qu’il a déservi. « On n’entent riens ou monde, ni esté ni auri, « Fors d’assambler trésor : si n’est-on c’un poi ci. « Ne souvint du Seignour qui en le crois pendi « Et … pour nous sauver crueuse mort souffri, « Et qui son jugement tenra, sans nės ·j· si, « Et dira au mauvais : « traiés en sus de mi ! « Vous avés faussement mon menbre revesti. » « Ahi ! lères Gaufer, que ne penses-tu chi ? « Tu as le roy de France enherbé et murdri, « Mais je t’en ochirrai à mon bon branc fourbi ; « Mais c’on vœille livrer à moi le corps de ti, « Que je désire plus, par Dieu qui ne menti, « Que mère son enfant né dame son ami. » Quant vint après disner, Gaufer ne s’arresta, Il a dit au Fransoys que chevaucher vaurra Dès-si jusqu’à Paris et l’albie laira. Et quant chil ont of, chascuns li acorda : Les chevaus aprestèrent et Gaufer i monta, Envers Paris sus Sainne, li traïtre, s’en va. Baudewins de Sebourc mie ne l’eslonga, Avoec Croissant chevauche qu’adès le conseilla ; « Chertes, » dist Baudewins, « li traïtres morra, « Sé le puis atraper né dechà né delà ! « Qu’il soit en sus des siens, mes corps férir l’ira </poem> |valign=top| <poem> “ Ga uit de weg voor onze koning, zie hem hier! “ Geef acht op onze heer door wie wij beschermd zullen worden! “ Toen Baudewin hen hoorde, beefde al zijn bloed, En hij zei stilletjes: “ Moeder Gods, wat is dit hier? “ Altijd worden de rijke mannen geëerd en gediend 940 “ En de arme stakkers bespot en gehoond; “ En al had men nu twintig koninkrijken in zijn bezit, “ Of evenveel aan rijkdom als men.. tot aan Brindisi, “ Toch moet men sterven; daarna wordt men begraven, “ Net zo goed als een arme, en de wormen tasten hem aan; “ En zo vergeldt God hem wat hij heeft verdiend. “ Men begrijpt niets van de wereld, noch zomer noch winter, “ Behalve het verzamelen van schatten: toch is men hier maar even. “ Men dacht niet aan de Heer die aan het kruis hing 950 “ En.. om ons te redden een gruwelijke dood leed, “ En die Zijn oordeel zal vellen, zonder enig voorbehoud, “ En zal zeggen tegen de slechten: “ Wijk weg van mij! “ Gij hebt valselijk mijn ledematen gekleed. “ “ Ach! dief Gaufer, waarom denk je hier niet aan? “ Je hebt de koning van Frankrijk vergiftigd en vermoord, “ Maar ik zal je doden met mijn goede, gepolijste zwaard; “ Mocht men jouw lichaam maar aan mij uitleveren, “ Wat ik meer verlang, bij God die niet liegt, “ Dan een moeder haar pasgeboren kind of een dame haar geliefde. “ Toen het na de maaltijd was, dralde Gaufer niet, 960 Hij zei tegen de Fransen dat hij te paard wilde stijgen Om van hier recht naar Parijs te gaan en de abdij te verlaten. En toen zij dit hoorden, stemde iedereen met hem in: Zij maakten de paarden gereed en Gaufer steeg erop, Richting Parijs aan de Seine gaat hij, de verrader. Baudewin van Sebourc bleef geenszins ver achter, Samen met Croissant rijdt hij, die hem voortdurend raad gaf; “ Waarlijk, “ zei Baudewin, “ de verrader zal sterven, “ Als ik hem ergens kan inhalen, waar dan ook! “ Zodra hij gescheiden is van de zijnen, zal {{SIC|mijn lichaam|ikzelf}} hem gaan neerslaan. “ 970 </poem> |}<noinclude></noinclude> ns91vxnj061nsmm1vb17ny2wwqbpm0o Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/755 104 88685 226057 2026-08-29T15:44:54Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226057 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « D’un espoit ens ou corps, dont morir le faurra. » « Sire, » che dist Croissans, « jà ne vous avenrra, « Ains atenterés tant c’on le vous liverra « En ·j· champ de bataille ; plus grans honnours sera. » Moult envis, à che fait, Baudewins s’acorda : Adès gaite Gaufroi pour savoir s’il ira Airier le corps de lui, ou s’il s’eslongera ; Mais chou est pour noient, atendre lui faurra Tant que li faus traîtres droit à Paris venra. Là, ara sa desserte, car on le païera Ensi con vous orrés qui taire se vaurra. {{lijn|6em}} </poem> |valign=top| <poem> “ Met een lans in het lichaam, waaraan hij wel sterven moet. “ “ Heer, “ zo sprak Croissant, “ dat zal u geenszins gebeuren, “ Integendeel, u zult zo lang wachten tot men hem aan u overlevert “ Op een slagveld; dat zal een veel grotere eer zijn. “ Zeer tegen zijn zin ging Boudewijn met deze zaak akkoord: Voortdurend bespiedt hij Godfried om te weten of hij zal gaan Om hem in eigen persoon aan te vallen, dan wel of hij zich zal verwijderen; Maar dat is tevergeefs, hij zal op hem moeten wachten Totdat de valse verrader rechtstreeks naar Parijs zal komen. Daar zal hij zijn verdiende loon krijgen, want men zal hem betalen 980 Zoals u zult horen, als u tenminste stil wilt zijn en luisteren. {{lijn|6em}} </poem> |}<noinclude></noinclude> qeontdexdfwqpe3nqyqhnd4pwoym9ua Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/385 104 88686 226063 2026-08-29T17:40:42Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 226063 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|346|''Schouburgh der''|}}</noinclude>Slang geleek, en d’Eeuwigheid volgens d’afbeelding der aloude Egiptenaren vertoonde. Deze papiere Slang natuurlyk gekoleurd en met zyn streepen beschildert, hadden zy van binnen met klapbusschen opgevult, die zy te gelyk door een snoer met buskruit bestreken aanstaken, naar dat zy hem in het midden van die Slangcirkel gestelt hadden: en wyl hy zoo onverschrokt en welgemoet, zonder daar van daan te vlugten, de slagen en vlam van ’t buskruid uitstond, doopten zy hem ''Welgemoed''. Als nader blykt uit dit volgende Vaars, by d’inhuldiging met algemeen toestemmen, uitgesproken: {{gedicht|{{gap}}''Welkom, welkom. Konstgenoot:'' ''Nieulings in ’t beruchte Romen'' {{gap}}''Dat de Konst kweekt in zyn schoot'' ''Uit uw Vaderlant gekomen''; {{gap}}''En ten eerste u aan de Bent'' ''Aangeeft (welker roem zal steig’ren'' {{gap}}''Onbezwalkt tot ’s Waerelts ent.)'' ''’t Konstgenootschap wil niet weyg’ren'', {{gap}}''U ’t ontfangen in der min''. ''Wil de Konst dan helpen bouwen'', {{gap}}''Tot germeenen roem, en in'' ''Onze Bend uw rustig houwen''. {{gap}}''Gy hebt Welgemoed de plicht'' ''Van het Bentrecht zonder vreeze'' {{gap}}''Doorgestaan: uit uw gezicht'' ''Was in ’t minste niet te lezen'' {{gap}}''Dat naar eenig schrikken leek''. {{gap}}''Daar uw groots gemoed uit bleek''. ''Dus van yder een geprezen'', {{gap}}''En als Broeder thans begroet'', ''Met uw Bentnaam, die zal wezen'' {{gap}}''En ook blyven, Welgemoet''.}}<noinclude>{{rechts|''Zyn''}}</noinclude> 3kfm548kq8crg84nitdow7qo52gaoy0 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/757 104 88687 226064 2026-08-29T17:48:44Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226064 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| !Brontekst !Vertaling |- |valign=top| {{c|{{xxxx-larger|'''LI ROMANS'''}}<br>{{larger|'''DE'''}}<br>{{xx-larger|'''BAUDUIN DE SEBOURC.'''}}}} {{lijn|5em}} {{c|{{larger|'''CHANT XXIV.'''}}}} {{dhr|1.5em}} <poem> Qant chevauche Gaufer qu’à Paris est venus, Des grans et des petis i fu bien rechéus : Il a donné biaus dons as grans et as menus, Chevaus et palefrois, dras à fin or tissus, Coupes, hanas, joïaus et aufferrans grenus, Si qu’il fu bien amés des contes et des dus. Régent l’ont fait de Franche, tant que là revenus Sera Loys-le-gros qui s’estoit combatus Au lés devers Gasconge et moult bien maintenus ; Dessus ses anemis démonstroit ses vertus. Gaufer fu ou pailais où ses plais a tenus : A mannière de roy peissans et esléus Seioit el faudestoef ; là, rendoit ses argus Et faisoit parlemens telz c’unques ne fist nuls. D’alever bons usages estoit bien pourvéus, Pour che qu’il fust de tous amés et chier tenus ; Tonniex et maletotes avoit-il abatus Et nuls hons n’i païoit vinage né tréus ; Ensément dist et vœilt ses gens avoir tenus. On le prise et honneure plus c’on ne fist Jhésus, Quant à Jhérusalem fu, à Pasques, venus. Ou palais à Paris, qui tant fu de renon, Seioit en parlement, et o lui maint baron, Gaufer, en lieu de roy, en domination. Bien le voit Baudewins, s’en fronchi le menton : </poem> |valign=top| {{c|{{xxxx-larger|'''DE ROMANS'''}}<br>'''VAN'''<br>{{xx-larger|'''BAUDEWIJN VAN SEBOURG.'''}}}} {{lijn|5em}} {{c|{{larger|'''ZANG XXIV.'''}}}} {{dhr|1.7em}} <poem> Toen Gaufer voortreed en in Parijs was aangekomen, Werd hij door de groten en de kleinen zeer welwillend ontvangen: Hij gaf mooie geschenken aan de groten en de kleinen, Paarden en telgangers, kleding geweven van fijn goud, Bekers, kroezen, juwelen en fiere, krachtige strijdpaarden, Zodat hij zeer geliefd was bij de graven en de hertogen. Regent van Frankrijk hebben zij hem gemaakt, totdat daar teruggekeerd Zal zijn Lodewijk de Dikke, die had gestreden Aan de kant van Gascogne en zich zeer wel had staande gehouden; Tegenover zijn vijanden toonde hij zijn deugden. 10 Gaufer was in het paleis waar hij zijn rechtszaken hield: Op de wijze van een machtige en uitverkoren koning Zat hij op de troon; daar sprak hij zijn oordelen uit En hield parlementen zoals nog nooit iemand had gedaan. Om goede gewoonten in te voeren was hij goed toegerust, Opdat hij door iedereen bemind en in hoge ere gehouden zou worden; Tol op vaten en onrechtvaardige belastingen had hij afgeschaft En geen mens betaalde er wijnaccijns noch tribuut; Op dezelfde wijze sprak hij en wilde hij zijn volk geregeerd houden. Men prijst en eert hem meer dan men met Jezus deed, 20 Toen Hij in Jeruzalem, met Pasen, was aangekomen. In het paleis in Parijs, dat zo groot van roem was, Zat hij in het parlement, en met hem menig baron, Gaufer, in plaats van de koning, in heerschappij. Goed ziet Boudewijn het, en hij fronste er de kin om: </poem> |}<noinclude></noinclude> axdy9k107k7q11orri0vr9vhx9slhfe Boudewijn van Sebourg/ZANG XXIII 0 88688 226066 2026-08-29T17:50:01Z Havang(nl) 4330 Nieuwe pagina aangemaakt met '<pages index="Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf" from=727 to=755 header=1 />' 226066 wikitext text/x-wiki <pages index="Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf" from=727 to=755 header=1 /> 6jt15zmtkun8irjzfidj3fq0mos46c1 Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/386 104 88689 226067 2026-08-29T17:50:20Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 226067 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||''Schilders en Schilderessen''.|347}}</noinclude><section begin="s1"/>Zyne wyze van schilderen was, zoo wel als zyne verkiezingen, verschillig van anderen: want ik heb Zeedestukken van hem gezien, ook Spoken, die geestig en vremd van vindinge waren. Hy onthielt zig, na dat hy van Rome was wedergekeert, meest te Delf, daar hy ook gestorven is, en geneerde zich naderhand, en ondertusschen dat hy noch schilderde, met de Schildery- en Printhandel, daar hy byzonder toe bekwaam scheen, wyl hy in dat verstant was, dat die handel zoo eerlyk niet als ander soort van koopmanschappen moest gedreven worden. <section end="s1"/> <section begin="s2"/>{{gap}}Nu wy al een deel brave Konstschilders, die leden van de Roomsche Bent waren, van onzen Schouburg (hun rol gespeelt hebbende) hebben zien vertrekken, en op nieus aan dit tegenwoordige staal zien, hoe zy zig onder malkander, door geestige bedryven, en andere vrolykheden hebben weten te vermaken, lust het ons van den ganschen zwier van dit Bentleven een schets te malen.<br>{{gap}}''De Bent'' (zeit S. v. Hoogstraten) ''is in onzer voorouderen tyd ingestelt, tot verkwikking der sluimerende geesten. Daar ontfangt men de groene aankomelingen met geestigen toestel, en vereert ’er met nieuwe namen van krachtigen zin. Daar spoelt men de zorg en laatdunkenden waan in zoeten Albaan af, en herwiegt men de genen, die nog niet wel gebakert zyn enz''.<br>{{gap}}De wyze van ’t inhuldigen in de Bent, de potzige vertoonzelen, en ’t Bentleven heeft Bonav. van Overbeek, door Askaan in verscheiden stukken doen afschilderen, die door M. Pool in plaat zyn gebracht. Daar uit kan men zien den gantschen zwier van ’t Roomsche Bentleven, en hoe<section end="s2"/><noinclude>{{rechts|’t}}</noinclude> rit2ndtkyupb8eba7p7oxhag1qeezp0 De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Pieter Frits 0 88690 226068 2026-08-29T17:52:02Z Vincent Steenberg 280 nieuw 226068 wikitext text/x-wiki <pages index="De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu" from=384 to=386 fromsection=s2 tosection=s1 header=2/> h9t5t97bp0iaurnwdnw83bqhpk6m66w Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/758 104 88691 226069 2026-08-29T18:00:40Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226069 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Il n’oze avant aler né dire sa raison Ni apeller Gaufroi de mortel traïson, Pour chou qu’il le véoit en tel régnation. Il en a apellet Croissant, son compaignon : « Compains, » dist Baudewins, « véés-vous le glouton ? « Chertes, j’ai grant désir d’ochirre le félon, « Pour lui me ferai pendere ès puis sor Monfaucon ! » « Non ferés, » dist Croissans, qui coer ot de lion, « Mais r’alons-ent arière en nostre région ; « Car sé vous mesfasiés à Gaufroi ·j· bouton, « J’en voi chi tels ·vc·, si ait m’âme pardon, « Qui vous courroient sus, con li leus le moutton. « Atendés Loëis fil au roy Phyllippon, « Ichius entendera moult bien vostre raison ; « Car, à ce que je voi, che sont tout compaignon, « Qui ·j· tout soel em boute il en fiert ·j· quartron. « Sé plus demourés chi, je n’i voi si mal non. » Quant Baudewins l’entent, si rougi le menton ; Si a dit à Croissant : « vous me tenés bricon « Qui m’en volés mener sans férir horrion ! « Non feroie, par Dieu qui souffri pation, « S’on me devoit trenchier le chief sor le menton. » Dont est salis avant, pour dire une raison Qui à Gaufroi ne fust mie venue à bon ; Mais j avocas vint oster son chaperon Pour commenchier ·j· plait à Gaufroi, le félon, Pour une damoiselle, de moult gent fasson, Qui se plaignoit d’un conte qui li fist mesprison. Li avocas parla, si a dit à haut ton Et dist : « régens de Franche, prinches de grant renon, « Veschi une puchelle de haute estration, « Qui du conte d’Ango se vient plaindre à ton non, « Elle se plaint du conte que là voi en fachon : « Car cheste damoisèle voloit prendere à baron « ·j· noble damoisel, fil Hermant d’Avignon ; </poem> |valign=top| <poem> Hij durft niet naar voren te stappen of zijn standpunt kenbaar te maken, Noch Gaufroi te beschuldigen van dodelijk verraad, Omdat hij hem in zo'n machtige positie zag staan. Hij sprak tot Croissant, zijn metgezel: "Metgezel," zei Boudewijn, "zie je die schurk daar? 30 "Voorwaar, ik heb een groot verlangen om die booswicht te doden, Al zou ik erom worden opgehangen aan de galg van Montfaucon!" "Dat zult u niet doen," zei Croissant, die het hart van een leeuw had, "Maar laten we terugkeren naar onze eigen regio; "Want als u Gaufroi ook maar een zier in de weg legt, "Zie ik er hier wel vijfhonderd, zo waar mijn ziel vergeving krijge, "Die u zouden aanvallen, zoals de wolven het schaap aanvallen. "Wacht op Lodewijk, de zoon van koning Philips, "Die zal uw argumenten zeer zeker goed aanhoren; "Want, naar ik zie, zijn dit allemaal metgezellen, 40 "Wie er ook maar één alleen aanvalt, die treft er een {{SIC|afdeling|kwartier, divisie: hele groep}}. "Als u hier nog langer blijft, zie ik er niets dan onheil in." Toen Boudewijn dit hoorde, kleurde zijn kin vuurrood; Hij zei tegen Croissant: "Je houdt me voor een dwaas "Dat je me hier wilt wegvoeren zonder een slag te slaan! "Dat zou ik niet doen, bij God die het lijden verdroeg, "Al zou men mij het hoofd van de romp moeten haken." Daarop is hij naar voren gesprongen, om zijn zegje te doen Dat Gaufroi beslist niet welgevallig zou zijn geweest; Maar een advocaat kwam naar voren en nam zijn kap af 50 Om een rechtszaak te beginnen tegen Gaufroi, de schurk, Vanwege een jonge dame van zeer edele gedaante, Die klaagde over een graaf die haar onrecht had aangedaan. De advocaat nam het woord en sprak met luide stem En zei: "Regent van Frankrijk, prins van grote faam, "Hier is een jonkvrouw van hoge afkomst, "Die de graaf van Anjou in uw naam komt aanklagen, "Zij klaagt over de graaf die u daar in levenden lijve ziet: "Want deze jonkvrouw wilde als echtgenoot nemen "Een edele jongeman, de zoon van Herman van Avignon; 60 </poem> |}<noinclude></noinclude> ln9p9ut79ewoozywouzjr7uauaidl4x Hoofdportaal:Beeldende kunst/Schilderkunst/Nederland/Barok en Rococo/Anthonie van Croos 100 88692 226070 2026-08-29T18:02:02Z Vincent Steenberg 280 begin 226070 wikitext text/x-wiki {{Infobox thema | naam = Anthonie van Croos | afbeelding = | alt = | beschrijving = Bronnen bij de Noord-Nederlandse schilder, tekenaar en dichter [[w:nl:Anthonie Jansz. van der Croos|Anthonie van Croos]] }} == Algemeen == == Verzamelen - Musea - Tentoonstellingen == === Verzamelen === ==== Veilingen ==== ;1888 *''Tableaux anciens et antiquités. Cabinet de m. S. B. Bos de Harlingue'', Frederik Muller & Cie. et Van Pappelendam & Schouten, 21 februari 1888.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (22 februari 1888) [[Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling|‘Op de heden door de heeren Fr. Muller & Co. en Van Pappelendam & Schouten in den Brakken Grond te Amsterdam gehouden veiling […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;1902 *''Collections des châteaux de Heeswijk et de Haren (VII-ième partie)'', Muller, Amsterdam, september 1902.<br>Aankondigingen en opbrengst: **Anoniem (24 september 1902) [[De Zuid-Willemsvaart/Jaargang 22/Nummer 76/Veiling Heeswijk|‘Veiling Heeswijk’]], ''De Zuid-Willemsvaart'', [p.&nbsp;2]. ;1914 *''Catalogue des tableaux anciens des écoles allemande, anglaise, espagnole, flamande, française, hollandaise, italienne, suisse des XVe, XVIe, XVIIe, XVIIIe siècles composant la collection de Son Excellence feu Paul Delaroff, conseiller privé de Sa Majesté l'Empereur de Russie'', F. Lair-Dubreuil, Parijs, 23-24 april 1914.<br>Aankondigingen en opbrengsten: **Anoniem (25 april 1914) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 87/Nummer 27675/Avondblad/Veiling-Delaroff|‘Veiling-Delaroff’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, Tweede blad, p.&nbsp;7. [[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal beeldende kunst]] g2t0l1xaqy4ckafxbhk6e86qfbfn179 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/759 104 88693 226072 2026-08-29T18:06:49Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226072 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Il ont plėvi l’un l’autre, par bonne entention. « Mais li contes d’Ango, qui blanc a le grenon, « La desfent d’espouser et fait démonstrison « Que chelle est serve à lui venant d’estration ; « Que tout li hoir qui tiènent le fief de sa parson « Ne poèent prendere femme, n’ossi prendere baron, « Fors par l’acort dou prinche qui tient la région ; « De coi nous faisons chi no protectation « De r’avoir cous et frais, s’il ne monstre raison « Et lettres saiëlées qui viègnent du taïon « Ou des boins anchisseurs de la dame de non. « Il ne les monsterroit pour l’avoir d’Avalon, « Car tout de gret le dist. De fait sus li met-on « Que che est pour lui mettre en subgitation « Et tenir à songnant, pour acomplir son bon ; « Et nous volons honneur et fuïr mesprison. « Si en faites ·j· droit, sé qu’oïr le puist-on. Et quant Gaufer l’entent, si drécha le menton, Si dist : « contes d’Ango, r’alés en vo maison, « Car vous estes trop vielles pour faire le fasson « Qu’il apartient à dame, de génération, « Qui est belle et jonette, s’a fourcelu menton. « Vous ne li porriés faire ce qu’elle aroit beson, « Une fie le mois vous sambleroit foyson ; « Mais le bille a mestier de plus pesant baston, « Car dame si n’a cure d’omme, tant soit de non, « S’il ne scet bien buleter de son escorion. « Sire contes d’Ango, » dist Gaufer, « or entent : « Laissiès le damoisèle qui tant a le corps gent, « Vous n’en porriés joïr, n’el serviriés noient « Si comme apartenroit à son démainnement, « Car vous estes trop vielles, si n’a de vous talent. » Dont ot, li quens, grant honte, quant Gaufroi il entent. Chil commenchent à rire qui sont el pavement Et dist li ·j· à l’autre : « Diex ! que Gaufer entent </poem> |valign=top| <poem> “ Zij hebben elkaar trouw beloofd, met de goede intentie. “ Maar de graaf van Anjou, die een witte baard heeft, “ Verbiedt haar te trouwen en voert als bewijs aan “ Dat zij zijn lijfeigene is door haar afkomst; “ Dat alle erfgenamen die het leengoed van zijn persoon houden “ Geen vrouw mogen nemen, noch een echtgenoot mogen kiezen, “ Behalve met de instemming van de prins die de regio bestuurt; “ Waartegen wij hier ons protest aantekenen “ Om onze schade en kosten te verhalen, tenzij hij een reden toont “ En gezegelde brieven die afkomstig zijn van de grootvader 70 “ Of van de goede voorouders van deze nobele dame. “ Hij zou ze nog niet tonen voor alle schatten van Avalon, “ Want hij zegt dit puur uit kwaadwilligheid. Inderdaad beschuldigen wij hem ervan “ Dat dit is om haar in onderworpenheid te brengen “ En haar als minnares te houden, om zijn lusten te botvieren; “ Maar wij willen haar eer beschermen en schande vermijden. “ Spreek hier dus recht over, zodat men het kan horen. “ En toen Gaufer dit hoorde, hief hij zijn kin op, En zei: “ Graaf van Anjou, ga maar gauw terug naar uw huis, “ Want u bent veel te oud om de daad te verrichten 80 “ Die hoort bij een dame, voor het nageslacht, “ Zij die mooi en jong is, en een krachtige kin heeft. “ U zou haar niet kunnen geven wat zij nodig heeft, “ Eén keer per maand zou voor u al overvloed lijken; “ Maar dit jonge ding heeft behoefte aan een zwaardere slag, “ Want een dame geeft niets om een man, hoe hoog zijn status ook is, “ Als hij de kneepjes van het vak niet goed weet te hanteren. “ Heer graaf van Anjou, “ zei Gaufer, “ luister nu goed: “ Laat de jonkvrouw met haar slanke lichaam met rust, “ U zou niet van haar kunnen genieten, noch haar kunnen dienen 90 “ Zoals dat bij haar temperament en behoeften past, “ Want u bent veel te oud, en zij heeft geen lust in u. “ Daarop schaamde de graaf zich diep, toen hij Gaufroi hoorde. Zij die daar op de vloer stonden begonnen luid te lachen Lees de een zei tegen de ander: “ God! Wat verstaat Gaufer het goed! “ </poem> |}<noinclude></noinclude> szgfjwrx2d3fqnz3c7tcsj5yztk21nq Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/760 104 88694 226073 2026-08-29T18:10:34Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226073 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « A bien et à rayson ! fait a bon jugement. » Ensi que pour aler se levoient la gent, Baudewins entre el parc, qui a dit hautement : « Or m’entendés, » dist-il, « trestout communaument, « Chevalier, duc et conte, qui chi estes présent ; « Je livre le mien gage, on le voit clèrement, « Carje vœil prendre ·j· champ : mais au commenchement « Voeil savoir s’on apelle en France nullement, « Et c’on fait de chellui qui son champ ne desfent ? « Si ques j’en voil avoir pour mi ·j· jugement, « Enchois que je vous monstre le traïtour pullent « A cui je me vaurrai combatre temprement. » Dont vont li prinche ensamble, s’on dit, par sentement, Qu’il convient par rayson, et que drois s’i assent Et que ch’est li coustume de France proprement, Puis c’on apelle ·j· homme en lieu déuëment, Il livre ·j· champion, s’il ne se met présent ; Où il se met ou fait, si le pent-on au vent. « Chertes, » che dist Gaufer, « drois et raisons l’aprent. « Cheste coustume-chi n’abaterai noient. » « Gaufer, » dist Baudewins, « or t’arme vistement ! « Je t’apelle de murdre, voïant toute ta gent, « Et si di, voïant tous, qu’enchois l’avesprement « Je te ferai jehir, c’on l’orra clèrement, « Que tu as enherbé le roy où France apent ; « Sans ·xx· paire de murdres dont j’ai sor toi le dent. « Ch’est pour l’onneur de France qu’à toi mes corps se prent « Et, vous qui m’escoutés avironnéement, « S’on ne me laist le champ outrer parfaitement, « Par devant Loëis en demant jugement. « Or t’avise, Gaufer, sus chest arguement, « Fai honte l’anemi et à Dieu te reprent : « Le déable d’enfer as servi longement, « Si qu’il te faut avoir ton darrain païment. » Gaufer of Baudewin qui tels parlers li rent, </poem> |valign=top| <poem> “ Naar behoren en met recht! Dit is een goed vonnis. “ Terwijl de lieden opstonden om te vertrekken, Betreedt Boudewijn het perk, en zegt luidruchtig: “ Luister nu naar mij, “ zei hij, “ allen tezamen, Ridders, hertogen en graven, die hier aanwezig bent; Ik overhandig mijn onderpand, men ziet het duidelijk, Want ik wil een duel aangaan: maar allereerst Wil ik weten of men in Frankrijk iemand wel beschuldigt, En wat men doet met hem die zijn zaak in het perk niet verdedigt? Zodat ik hierover voor mij een oordeel verkrijg, Voordat ik u de stinkende verrader aanwijs. Tegen wie ik spoedig zal willen strijden. “ Daarop overleggen de vorsten samen, en men zegt eensgezind, Dat het passend is volgens de rede, en dat het recht ermee instemt, En dat dit de specifieke gewoonte is van Frankrijk: Zodra men een man naar behoren heeft opgeroepen, Levert hij een kampvechter, als hij zelf niet verschijnt; Waar hij ook schuldig wordt bevonden, hangt men hem op in de wind. “ Voorwaar, “ zo sprak Gaufer, “ recht en rede leren dit. Deze gewoonte zal ik geenszins betwisten. “ “ Gaufer, “ zei Boudewijn, “ wapen je nu snel. Ik beschuldig je van moord, ten overstaan van al je lieden, En ik zeg, ten aanschouwen van allen, dat nog voor de avondval, Ik je zal doen bekennen, zodat men het duidelijk zal horen, Dat jij de koning hebt vergiftigd aan wie Frankrijk toebehoort; Nog afgezien van twintig andere moorden waarvoor ik een grief tegen je heb. Het is voor de eer van Frankrijk dat mijn lichaam de strijd met je aangaat, En, u die mij van alle kanten omringt en aanhoort, Als men mij dit duel niet volkomen laat volbrengen, Dan eis ik een oordeel ten overstaan van Lodewijk. Bedenk je dus goed, Gaufer, bij dit argument, Breng schande over de {{SIC|vijand|de duivel}} en keer terug tot God: De duivel van de hel heb je lang gediend, Zodat het onvermijdelijk is dat je nu je laatste loon ontvangt. “ Gaufer hoorde Boudewijn aan die zulke woorden tot hem richtte, </poem> |}<noinclude></noinclude> 0acb4zgw841u8buaxn18uovo6v1jich Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/761 104 88695 226075 2026-08-29T18:13:53Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226075 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Adont a fait, li glous, ·j· ris moult faussement ; Et dist à Baudewin : « frère, chertainement « Vous avés trop béut à che desjunement ; « Venés à moi parler, vous arés de l’argent. « Li autre en ont éut, s’avés le coer dolent « Que vostre part n’avés, s’en arés largement ! » « Hé ! glous, » dist Baudewins, « tels esquigne du dent, « Si m’aït Diex, qui n’a de rire nul talent. » Baudewins de Sebourc fu droit en son estage, Si a dit si très haut c’on ot bien son langage : « Or entendés, » dist-il, « et li fol et li sage ; « Je livre chi endroit, contre Gaufroi, mon gage, « A fin sé ne li fais jehir, sans tesmongnage, « Qu’il enherba le roy qui tant ot vassellage, « Si me fachiés morir à doel et à hontage. « Car je li prouverai, yoïant tout le barnage, « Qu’il enherba le roy qui tant a haut parage, « Sans murdres qu’il a fait, dont pas n’a le coer sage ; « S’en doit estre pendus comme lères sauvage. « Tout estes aveulé par vostre fol corage « Et pour che qu’il vous a donné de l’avantage ! « Bailliés-le-moi en champ, il a el corps le rage, « Enherbet a le roy, s’en avera domage. » Dist li contes d’Ango qui ot cler le visage : « Gaufer, quérés du pain, car veschi du potage. » Quant Gaufer entendi les dis du bacheler, En estant se leva, sé volt à li rimer. « Va ! glous, » dist Baudewins, « n’est chi tamps de parler ! « Encore anuit vaurrai à vos cheveus tirer. » Et li baron ont dit, sans point de l’arester : « Sire Gaufer, » font-il, « or poés escouter « Che chevalier qui vœilt vostre corps encouper, « Et a dit qu’il vaurra, corps à corps, per à per, « Combatre contre vous, che dist-il, pour prouver « Que le bon roy de France fesistes enherber. </poem> |valign=top| <poem> Toen lachte de schurk heel valselijk; En zei tegen Boudewijn: "Broeder, zeker, U hebt te veel gedronken bij dit ontbijt; Kom met mij praten, u zult geld krijgen. De anderen hebben het gekregen, en u bent bedroefd van hart Omdat u uw deel niet heeft, maar u zult overvloedig krijgen!" "Ach! Schurk," zei Boudewijn, "sommigen grijnzen met de tanden, Zo waarlijk helpe mij God, die totaal geen zin heeft om te lachen." Boudewijn van Sebourc stond fier op zijn plek, En sprak zo luid dat men zijn woorden wel hoorde: 140 "Luister nu," zei hij, "zowel de dwazen als de wijzen; Ik werp hier ter plekke, tegen Gaufroi, mijn handschoen, Opdat ik hem, zonder getuigen, zal doen bekennen Dat hij de koning heeft vergiftigd, die zo vol dapperheid was, En zo niet, laat mij dan sterven in smart en schande. Want ik zal hem bewijzen, ten overstaan van alle baronnen, Dat hij de koning heeft vergiftigd, die van zo hoge komaf was, Nog los van de moorden die hij pleegde, waarvoor hij geen zuiver geweten heeft; Daarom verdient hij het om te worden opgehangen als een wilde dief. U bent allen verblind door uw dwaze geest, 150 En omdat hij u gunsten en geschenken heeft gegeven! Geef hem aan mij over op het veld, de razernij zit in zijn lijf, Hij heeft de koning vergiftigd, en hij zal daarvoor boeten." Toen sprak de graaf van Anjou met het heldere gezicht: "Gaufer, zoek maar brood, want ziehier de {{SIC|soep|het antwoord}}" Toen Gaufer de woorden van de jonge man hoorde, Stond hij recht overeind en wilde op hem afstormen. "Vooruit! Schurk," zei Boudewijn, "het is hier geen tijd om te praten! Vanavond nog zal ik aan je haren willen trekken." En de baronnen zeiden, zonder hem tegen te houden: 160 "Heer Gaufer," zeiden zij, "luister nu Naar deze ridder die uw persoon wil beschuldigen, En heeft gezegd dat hij, lijf aan lijf, als gelijken, Tegen u wil vechten, zo zegt hij, om te bewijzen Dat u de goede koning van Frankrijk heeft laten vergiftigen." </poem> |}<noinclude></noinclude> kq6fjbiecd5qdpequux2ioerpfse8r0 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/762 104 88696 226076 2026-08-29T18:15:42Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226076 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « De che fait chi endroit ne vous poons porter, « Car sé Lois, no sires, en savoit jà parler, « Sachiés qu’il nous feroit trestous déshériter. » « Seigneur, » che dist Gaufer, « vœilliés chestui mener « En lieu où son beuvrage puist anuit reposer, « Et sé demain disoit, devant le desjuner, « Le rayson c’on li a chi oï proposer, « Je me desfenderoie contre lui au jouster ; « Mais quant le gent sont ivre, hastieu sont de parler. « Si le métés en lieu où on le puist trouver, « Et moi aussi vœilliés tenir et enfremer ; « Et s’il voelt, le matin, tel coze recorder, « Je m’en desfenderai coy qu’il doive couster. » Dont parla Baudewins, si c’on l’oï bien cler : « Or, m’entendés, » dist-il, « le demainne et li per ; « Veschi le tierche fois que je doi demander « Bataille corps à corps, si me doi aviser, « Encore véchi mon gage. » Lors le prist à jeter Enmi le parlement, et dist sans arrester : « Je vœil avoir bataille à Gaufroi d’outre-mer, « A fin, sé ne li fai, ains le vespre, conter « Qu’il fist le roi morir par mal venin donner, « Si me fachiés tantost à Monfaucon mener, « Comme fel traïtour et pendre et traïner. « Et sé vous ne me faites se glouton délivrer, « Ensément car on doit campion amener, « Devant Loys de France vous vœil tous apeller « Et dirai c’on l’a fait encontre mi porter ; « Car pour l’onneur de France me vœil aventurer. « N’est pas pour marchéans qu’il a fait desrober, « Ains est pour le bon roy qu’il a fait soubiter, « De coi je li vaurrai sa desserte donner ! « Je me doubte forment ne l’en laissiés r’aler ? » Dist li contes d’Ango : « il ne puet eschaper, « Car je vois de la sale trestous les huis fremer. » </poem> |valign=top| <poem> “ Over deze zaak hier kunnen wij u niet steunen, “ Want als Lodewijk, onze heer, hier ooit van zou horen, “ Weet dan dat hij ons allemaal zou onterven. “ “ Heren, “ zo sprak Gaufer, “ wilt deze man meenemen Naar een plek waar zijn drank vannacht kan rusten, 170 Et als hij morgenochtend, nog vóór het ontbijt, Het betoog herhaalt dat men hem hier heeft horen voeren, Zal ik mij tegen hem verdedigen in een steekspel; Maar wanneer de lieden dronken zijn, spreken zij haastig. Dus zet hem op een plek waar men hem kan vinden, En wilt ook mij vasthouden en opsluiten; En als hij, in de ochtend, zulke zaken wil herhalen, Zal ik mij verdedigen, wat het ook mag kosten. “ Toen sprak Boudewijn, zodat men hem zeer helder hoorde: “ Nu, hoor mij aan, “ zei hij, “ landheer en edelen; 180 Ziehier de derde keer dat ik moet vragen Om een gevecht van man tot man, ik moet wel overwegen, Kijk, hier is nogmaals mijn handschoen. “ Toen wierp hij hem Midden in het parlement, en zei zonder aarzelen: “ Ik wil een gevecht leveren met Godfried van overzee, Met als doel, als ik hem niet vóór de avond laat bekennen Dat hij de koning deed sterven door hem boosaardig vergif te geven, Laat mij dan onmiddellijk naar Montfaucon voeren, Om als een schandelijk verrader te worden opgehangen en gesleept. En als u deze schurk niet aan mij uitlevert, 190 Net zoals men een kampvechter naar voren hoort te brengen, Zal ik u allen ten overstaan van Lodewijk van Frankrijk aanklagen En zeggen dat men dit tegen mij heeft beraamd; Want voor de eer van Frankrijk wil ik mij in het avontuur storten. Het is niet vanwege kooplieden die hij heeft laten beroven, Maar het is vanwege de goede koning die hij plotseling heeft geveld, Waarvan ik hem zijn verdiende loon zal willen geven! Ik vrees ten zeerste dat u hem hierna laat gaan? “ Sprak de graaf van Anjou: “ hij kan niet ontsnappen, Want ik ga alle deuren van de zaal sluiten. “ 200 </poem> |}<noinclude></noinclude> 230rnqmjawnkyfhjbhcyo5mwm5rlbq5 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/763 104 88697 226077 2026-08-29T18:17:42Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226077 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Par le conte d’Ango, qui est en piés salis, Fu, li lères Gaufer, des chevaliers haïs ; Car li contes parla, si qu’il fu bien oïs, Et dist « seigneur baron, entendés à mes dis ; « Veschi grande merveille, par le corps Jhésu-Cris ! « Car chuis chevaliers monstre, et par fais et par dis, « Que par Gaufroi de Frise fu no sires murdris, « Et qu’il l’a enherbė ; dont trop vaurièmes pis « Sé Gaufer par ·j· champ ne s’estoit escondis. « Si nous en blasmeroit no drois sires Loïs « Et sé feroit aumosne s’il nous pendoit tous vis, « Quant pour le roy son père, qui tant fu agencis, « Arièmes fait si poi d’onneur à ses amis « Que li champs de bataille en seroit ariéris « Pour savoir sé li rois fu ensi à fin mis. « Car, sé li roys avoit ensi estet traïs, « Gaufer deverroit estre dedens ·j· feu bruïs ; « Et sé li chevaliers qu’à lui s’est aastis « L’a encoupoet à tort, si en doit valoir pis « Et estre trainés à kewes de ronchis ; « Dont ch’est mes jugemens, n’en voeil estre repris. « Et c’on ne die mie, quant j’en serai partis, « Que li contes d’Ango escusast, en ses dis, « Gaufroi né sa fachon et par lui fu garis ! « Assés tost diroit-on que j’en aroie pris « Joïaus, or et argent et hanas d’or massis, « Pour déporter le champ. Ne plaise à Jhésu-Cris « Que j’en soie blasmés de grans né des petis ! « Pour che qu’en lieu déut m’en vœil estre escondis, « Je di trestout en haut que che est mes otris « Et mes drois jugemens et mes fais et mes dis « Que li champs en soit fais dessus ches prés floris ; « Par coi, sé li roys fu du roy Gaufroi murdris, « Qu’ou royame de France soit de che fait pugnis, « Et s’il n’i avoit coupes qu’il en fust rafranquis. </poem> |valign=top| <poem> Door de graaf van Ango, wiens voeten vuil zijn van het slik, Werd de dief Gaufer door de ridders gehaat; Want de graaf sprak zo luid dat hij goed werd gehoord, En zei: "Heren baronnen, luister naar mijn woorden; Ziehier een groot wonder, bij het lichaam van Jezus Christus! Want deze ridder toont, zowel in daden als in woorden, Dat onze heer door Godfried van Friesland werd vermoord, En dat hij hem heeft vergiftigd; het zou ons daarom veel slechter vergaan Als Gaufer zich niet op het slagveld van schuld zou zuiveren. Onze rechtmatige heer Lodewijk zou ons dit immers verwijten, 210 En hij zou een goede daad verrichten als hij ons allemaal levend ophing, Wanneer wij voor de koning, zijn vader, die zo voortreffelijk was, Zo weinig eer aan zijn vrienden zouden hebben bewezen Dat het slagveld hierom ontweken zou worden Om te achterhalen of de koning aldus aan zijn einde is gekomen. Want, als de koning op deze wijze was verraden, Zou Gaufer in een vuur moeten worden verbrand; En als de ridder die hem heeft uitgedaagd Hem ten onrechte heeft beschuldigd, dan moet het hem slechter vergaan En moet hij worden voortgesleept aan de staarten van knollen; 220 Dit is dan ook mijn vonnis, ik wil hierop niet worden gecorrigeerd. En laat niemand zeggen, wanneer ik hier eenmaal vertrokken ben, Dat de graaf van Ango in zijn woorden Gaufer Of zijn daden probeerde te verschonen, of dat hij door hem werd gered! Men zou al snel zeggen dat ik in ruil daarvoor Juwelen, goud, zilver en bekers van massief goud had aangenomen Om het duel te ontwijken. Moge het Jezus Christus niet behagen Dat ik hiervoor word berispt door de groten of de kleinen! Omdat ik mij op de juiste plaats van alle schuld wil zuiveren, Verklaar ik luidop dat dit mijn instemming is, 230 Mijn rechtmatige vonnis, mijn daad en mijn woord: Dat de strijd beslecht moet worden op deze bloemrijke weiden; Opdat, indien de koning door koning Godfried werd vermoord, Hij in het koninkrijk Frankrijk voor deze daad gestraft zal worden, En indien hij onschuldig is, hij ervan zal worden vrijgesproken." </poem> |}<noinclude></noinclude> 6pu0qvzn69bjxigui3e86ggbcqn1yho Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/764 104 88698 226078 2026-08-29T18:19:11Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226078 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Jamais ne sera hoere du mot ne vaille pis. » Dient li chevalier : « frans contes postéis, « Vous avés bien parlet, si vous sievons, amis ; « Si volons que soïrés des champions saisis. » Et quant Gaufer l’entent, li sans li enfuïs, Onques mais en sa vie ne fu si esbaïs. Non pourquant si leva forment mautalentis Et dist : « par moi sera le gages requellis, « Bien m’en desfenderai, pas n’en sui esbahis ; « Aussi m’aït li Sires qui en le crois fu mis « C’onques li roy de France ne fu par moi murdris ! » « Amen, » dist Baudewins, « Diex ne t’en doinst nient pis. » Prise fu la bataille et briément acordée, A lendemain matin fu mise la journée. Baudewins fu menés, sans nulle demourée, Tout droit en Chastelet, une prison fremée. Li gent de Paris vont faire grant assamblée, Après Baudewin keurent, chascuns le voit et bée Et prioient de coer à le Virge honnorée Que la victoire en soit sus le droit contournée. Gaufer fu ou palais, o sa gent redoubtée, Li cevalier le gardent et soir et matinée ; Li contes d’Anjo tint la salle bien fremée. Gaufrois fu en sa cambre à mainie privée, Ses parens assambla et cheus de sa contrée : Seigneur, » che dist Gaufer, « or oïès me pensée ; « Quant vous verrés demain commenchier la mellée, « Je vous pri que chascuns ait le jovente armée ; « Et sé j’ai le piour, par male destinée, « Si me venés secourre à bannière levée, « S’ochiès le glouton qui ma mort a jurée : « A Nymaie en irons, qui tant est bien fremée. « Sé j’estoie à Nymaie, en ma chité loée, « N’en donroie de France une pomme pellée ; « Tost r’aroie ma pais par monnoie dorée. » </poem> |valign=top| <poem> “ Nooit zal er een moment zijn dat het woord minder waard is. “ Zeggen de ridders: “ edele, machtige graaf, “ U heeft goed gesproken, dus wij volgen u, vriend; “ En wij willen dat u de kampvechters toegewezen krijgt. “ En toen Gaufer dat hoorde, trok het bloed uit hem weg, 240 Nooit eerder in zijn leven was hij zo verbijsterd. Desniettemin stond hij op, zeer mautalentig [verbolgen], En zei: “ door mij zal de uitdaging worden aangenomen, “ Ik zal me er goed tegen verdedigen, ik ben niet bang; “ Zo helpe mij de Heer die aan het kruis is gehangen “ Dat de koning van Frankrijk nooit door mij is vermoord! “ “ Amen, “ zei Boudewijn, “ moge God je niet minder geven. “ Het gevecht werd aanvaard en snel overeengekomen, Voor de volgende ochtend werd de dag vastgesteld. Boudewijn werd weggevoerd, zonder enig uitstel, 250 Rechtstreeks naar het Châtelet, een gesloten gevangenis. Het volk van Parijs stroomt in grote getale samen, Achter Boudewijn lopen ze aan, iedereen bekijkt hem vol verwachting En zij baden uit de grond van hun hart tot de gezegende Maagd Dat de overwinning moge keren naar de zijde van het recht. Gaufer was in het paleis, met zijn geduchte gevolg, De ridders bewaken hem zowel 's avonds als 's morgens; De graaf van Anjou hield de zaal stevig gesloten. Gaufrois was in zijn kamer met zijn privé-gevolg, Zijn verwanten verzamelde hij en degenen uit zijn streek: 260 “ Heren, “ zo sprak Gaufer, “ luister nu naar mijn plan; “ Wanneer u morgen de strijd ziet beginnen, “ Vraag ik u dat eenieder de gewapende jeugd klaar heeft staan; “ En als ik het onderspit delf, door het noodlot, “ Kom mij dan te hulp met opgeheven banier, “ En dood de schurk die mijn dood heeft gezworen: “ Naar Nijmegen zullen we gaan, dat zo goed versterkt is. “ Als ik in Nijmegen was, in mijn geprezen stad, “ Zou ik voor heel Frankrijk nog geen geschilde appel geven; “ Snel zou ik mijn vrede weer terugkopen met gouden munten. “ 270 </poem> |}<noinclude></noinclude> ghg723dg7ki13rrvq3pqqyqolei7zf5 226079 226078 2026-08-29T18:20:39Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226079 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Jamais ne sera hoere du mot ne vaille pis. » Dient li chevalier : « frans contes postéis, « Vous avés bien parlet, si vous sievons, amis ; « Si volons que soïrés des champions saisis. » Et quant Gaufer l’entent, li sans li enfuïs, Onques mais en sa vie ne fu si esbaïs. Non pourquant si leva forment mautalentis Et dist : « par moi sera le gages requellis, « Bien m’en desfenderai, pas n’en sui esbahis ; « Aussi m’aït li Sires qui en le crois fu mis « C’onques li roy de France ne fu par moi murdris ! » « Amen, » dist Baudewins, « Diex ne t’en doinst nient pis. » Prise fu la bataille et briément acordée, A lendemain matin fu mise la journée. Baudewins fu menés, sans nulle demourée, Tout droit en Chastelet, une prison fremée. Li gent de Paris vont faire grant assamblée, Après Baudewin keurent, chascuns le voit et bée Et prioient de coer à le Virge honnorée Que la victoire en soit sus le droit contournée. Gaufer fu ou palais, o sa gent redoubtée, Li cevalier le gardent et soir et matinée ; Li contes d’Anjo tint la salle bien fremée. Gaufrois fu en sa cambre à mainie privée, Ses parens assambla et cheus de sa contrée : Seigneur, » che dist Gaufer, « or oïès me pensée ; « Quant vous verrés demain commenchier la mellée, « Je vous pri que chascuns ait le jovente armée ; « Et sé j’ai le piour, par male destinée, « Si me venés secourre à bannière levée, « S’ochiès le glouton qui ma mort a jurée : « A Nymaie en irons, qui tant est bien fremée. « Sé j’estoie à Nymaie, en ma chité loée, « N’en donroie de France une pomme pellée ; « Tost r’aroie ma pais par monnoie dorée. » </poem> |valign=top| <poem> “ Nooit zal er een moment zijn dat het woord minder waard is. “ Zeggen de ridders: “ edele, machtige graaf, “ U heeft goed gesproken, dus wij volgen u, vriend; “ En wij willen dat u de kampvechters toegewezen krijgt. “ En toen Gaufer dat hoorde, trok het bloed uit hem weg, 240 Nooit eerder in zijn leven was hij zo verbijsterd. Desalniettemin stond hij zeer verbolgen op, En zei: “ door mij zal de uitdaging worden aangenomen, “ Ik zal me er goed tegen verdedigen, ik ben niet bang; “ Zo helpe mij de Heer die aan het kruis is gehangen “ Dat de koning van Frankrijk nooit door mij is vermoord! “ “ Amen, “ zei Boudewijn, “ moge God je niet minder geven. “ Het gevecht werd aanvaard en snel overeengekomen, Voor de volgende ochtend werd de dag vastgesteld. Boudewijn werd weggevoerd, zonder enig uitstel, 250 Rechtstreeks naar het Châtelet, een gesloten gevangenis. Het volk van Parijs stroomt in grote getale samen, Achter Boudewijn lopen ze aan, iedereen bekijkt hem vol verwachting En zij baden uit de grond van hun hart tot de gezegende Maagd Dat de overwinning moge keren naar de zijde van het recht. Gaufer was in het paleis, met zijn geduchte gevolg, De ridders bewaken hem zowel 's avonds als 's morgens; De graaf van Anjou hield de zaal stevig gesloten. Gaufrois was in zijn kamer met zijn privé-gevolg, Zijn verwanten verzamelde hij en degenen uit zijn streek: 260 “ Heren, “ zo sprak Gaufer, “ luister nu naar mijn plan; “ Wanneer u morgen de strijd ziet beginnen, “ Vraag ik u dat eenieder de gewapende jeugd klaar heeft staan; “ En als ik het onderspit delf, door het noodlot, “ Kom mij dan te hulp met opgeheven banier, “ En dood de schurk die mijn dood heeft gezworen: “ Naar Nijmegen zullen we gaan, dat zo goed versterkt is. “ Als ik in Nijmegen was, in mijn geprezen stad, “ Zou ik voor heel Frankrijk nog geen geschilde appel geven; “ Snel zou ik mijn vrede weer terugkopen met gouden munten. “ 270 </poem> |}<noinclude></noinclude> ic7z0a5pzir83z7oy49pq9y0b6b7hl7 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/765 104 88699 226080 2026-08-29T18:25:11Z Havang(nl) 4330 /* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{| |valign=top| <poem> Et chil ont respondu, sans nulle demourrée : « Sire Gaufer, » font-il, « nous ferons vo pensée. » Dont li dist ·j· siens niés, basset à recélée : « Oncles, » dist li varlės qui la chière ot senée, « Sé croire me voiliés, ains demain la journée « Averriés à ·j· prestre vo vie recordée, « Et l’absolution et prise et demandée ; « En serés plus hardis demain en le journée. » « Tais-toi, » che dist Gau…' 226080 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Et chil ont respondu, sans nulle demourrée : « Sire Gaufer, » font-il, « nous ferons vo pensée. » Dont li dist ·j· siens niés, basset à recélée : « Oncles, » dist li varlės qui la chière ot senée, « Sé croire me voiliés, ains demain la journée « Averriés à ·j· prestre vo vie recordée, « Et l’absolution et prise et demandée ; « En serés plus hardis demain en le journée. » « Tais-toi, » che dist Gaufer, « fiex de putain prouvée ! « Ne me confesserai des mois né de l’anée, « Onques prestres ne sot de mes péchiés denrée. » « Oncles, » dist li dansiaus, « créés mon parlement ; « Si parlés à ·j· prestre, pour Dieu, secrétement, « Car qui est confessés il moert plus liëment « Et si li est méri au jour du jugement. » « Tais-toi, » che dist Gaufer, « le corps Dieu te cravent ! « Sé confessés m’estoie, par le mien sérement, « N’aroie pas fianche de vivre longement. « Quant li hons doyt morir, le confession prent. » « Oncles, » dist li dansiaus, « vous savés bien comment « Vous estes maintenus moult desguiséëment « Envers les enfans Rose, la royne au corps gent ; « Le gerre et le débat et le défiément, « Le mortoire qui est dessus le bonne gent « Venue tout par vous, du droit commencement. « Péchiés encombre l’omme, che dist-on bien souvent. » « Tais-toi, » che dist Gaufer, « le corps Dieu te cravent ! » Adont hauche le pong, si le fiert tellement Que tout escervelé à le terre l’estent. « Outre ! » che dist Gaufer, « que jà Diex ne t’ament, « Quant tu m’as tant blasmé et si villainement. « Fax est et outrageus qu’autrui blasme reprent. « Qui d’autrui vœilt mesdire, s’el die coiëment, « Car che que eix ne voit, coers ne doelt né ne scent. » Or, a Gaufer tuet le sien prochain cousin, </poem> |valign=top| <poem> En zij hebben geantwoord, zonder enig uitstel: “ Heer Gaufer, “ zeiden zij, “ wij zullen uw wil doen. “ Toen sprak een neef van hem, zachtjes in het geheim: “ Oom, “ zei de jongeling met het wijze gezicht, “ Als u mij wilt geloven, dan zou u voor de dag van morgen Uw levenswandel aan een priester hebben opgebiecht, En de absolutie gevraagd en ontvangen; Dan zult u morgen overdag dapperder zijn. “ “ Zwijg, “ zei Gaufer, “ zoon van een bewezen hoer! “ “ Ik zal mij in geen maanden of jaren biechten, 280 “ Nooit heeft een priester ook maar een cent van mijn zonden geweten. “ “ Oom, “ zei de jonge edelman, “ geloof mijn woorden; “ “ Spreek toch tot een priester, om Gods wil, in het geheim, “ “ Want wie gebiecht is, sterft met een geruster hart “ “ En zo wordt het hem beloond op de dag van het oordeel. “ “ Zwijg, “ zei Gaufer, “ moge Gods lichaam je verpletteren! “ “ Als ik mij zou biechten, bij mijn eed, “ “ Dan zou ik er geen vertrouwen in hebben nog lang te leven. “ “ Pas wanneer de mens moet sterven, neemt hij de biecht aan. “ “ Oom, “ zei de jonge edelman, “ u weet donders goed hoe 290 “ U zich uiterst schandelijk heeft gedragen “ “ Jegens de kinderen van Rose, de koningin met het schone lichaam; “ “ De oorlog, de strijd en de vijandigheid, “ “ De slachting die over de goede lieden is gekomen, “ “ Is vanaf het allereerste begin volledig door ú veroorzaakt. “ “ Zonde bezwaart de mens, zo zegt men zeer vaak. “ “ Zwijg, “ zei Gaufer, “ moge Gods lichaam je verpletteren! “ Vervolgens heft hij de vuist en slaat hem zo hard Dat hij hem met ingeslagen schedel op de grond uitstrekt. “ Vooruit! “ zei Gaufer, “ moge God je nimmer genadig zijn, “ 300 “ Omdat je mij zozeer en zo schandelijk hebt misprezen. “ “ Vals en onbeschaamd is hij die andermans berisping overneemt. “ “ Wie kwaad wil spreken van een ander, late hij dat in stilte doen, “ “ Want wat het oog niet ziet, deert het hart niet en weet het niet. “ Nu heeft Gaufer zijn naaste neef gedood, </poem> |}<noinclude></noinclude> p2p6cp9ue2sunueqh7fp3epbecxdgbo Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/7 104 88700 226081 2026-08-29T18:35:22Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226081 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| {{c|{{x-larger|AVERTISSEMENT.}}}} {{lijn|3em}} M. Raynouard, à qui nous devons des travaux importans sur la langue romane, croyait qu’il était possible de publier, en quelques années, toutes les œuvres inédites des trouvères et des troubadours. Il avait même tracé la marche à suivre pour la publication de cette bibliothèque nationale de nos anciens poètes : On devait d’abord imprimer les textes complétés et rectifiés à l’aide des différens manuscrits d’un même ouvrage ; ensuite auraient été placées des tables alphabétiques des noms d’hommes, de lieux, etc. ; enfin, deux glossaires, l’un de la langue d’oïl, l’autre de la langue d’oc, auraient terminé ce magnifique monument élevé à la littérature du moyen âge. L’amour des lettres pouvait bien inspirer un pareil projet ; mais, pour l’exécuter, il fallait nécessairement obtenir le concours du gouvernement. Ce fut dans ce but, et poussé par le désir de voir son idée favorite réalisée, que M. Raynouard se soumit à l’obligation de faire des démarches. Elles ne furent pas sans succès : les moyens d’exécution qu’il avait proposés au ministre de l’intérieur, allaient être présentés à la sanction du Roi, lorsque tout-à-coup un changement de ministère survint. Désappointé par ce contre-temps, M. Raynouard aima mieux renoncer à ses espérances que de hasarder de nouvelles tentatives. Il abandonna donc un projet |valign=top| {{c|{{x-larger|INFORMATIE VOORAF.}}}} {{lijn|3em}} De heer Raynouard, aan wie wij belangrijke werken over de Romaanse taal te danken hebben, geloofde dat het mogelijk was om binnen enkele jaren alle onuitgegeven werken van de trouvères en de troubadours te publiceren. Hij had zelfs de te volgen koers uitgestippeld voor de publicatie van deze nationale bibliotheek van onze oude dichters: men moest eerst de teksten drukken, aangevuld en gecorrigeerd met behulp van de verschillende manuscripten van eenzelfde werk; daarna zouden alfabetische lijsten van persoonsnamen, plaatsnamen, enzovoort worden geplaatst; ten slotte zouden twee glossaria, de ene van de langue d'oïl, de andere van de langue d'oc, dit prachtige monument voor de middeleeuwse literatuur hebben voltooid. De liefde voor de letteren kon een dergelijk project zeker inspireren; maar om het uit te voeren, was de medewerking van de regering absoluut noodzakelijk. Met dit doel voor ogen, en gedreven door de wens om zijn favoriete idee gerealiseerd te zien, onderwierp de heer Raynouard zich aan de verplichting om stappen te ondernemen. Deze bleven niet zonder succes: de uitvoeringsmiddelen die hij aan de minister van Binnenlandse Zaken had voorgesteld, stonden op het punt ter goedkeuring aan de Koning te worden voorgelegd, toen er plotseling een ministerwisseling plaatsvond. Teleurgesteld door deze tegenvaller verkoos de heer Raynouard zijn hoop op te geven boven het wagen van nieuwe pogingen. Hij liet dan ook een project varen |}<noinclude></noinclude> 0av5qdi1ypqr79wc21mx8ba8e4yvreu Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/8 104 88701 226082 2026-08-29T18:44:42Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226082 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| {{iwpage|fr}} |valign=top| die in die tijd grote problemen opleverde: sindsdien zijn deze onoverkomelijk geworden; terwijl het met gewone middelen eenvoudig is om de methode die de geleerde academicus voor zijn immense onderneming had bedacht, toe te passen op minder omvangrijke collecties. De publicatie van de R{{asc|omans des croisades}} is een proeve van dit genre. We zullen achtereenvolgens, zonder ons te binden aan de chronologische volgorde, alle gedichten in de langue d'oïl uitgeven die zijn gecomponeerd ter ere van de helden die hebben bijgedragen aan de bevrijding van het Heilige Land. Vervolgens zullen we registers toevoegen die het gebruik van de gehele verzameling vergemakkelijken.<ref>Wij geven het plan van de publicatie aan zonder overigens enige verplichting aan te gaan. Degenen die vrezen dat zij in de toekomst niet de volledige collectie zullen hebben, kunnen afzien van de aankoop van de eerste delen voordat het laatste gedrukt is.</ref> Aangezien deze bestemd is voor degenen die de taal van de troubadours en de geschiedenis van de kruistochten al kennen, hebben we ervan afgezien de boekdelen onnodig te verzwaren door noten en commentaren aan de tekst toe te voegen. Men moest fabelachtige verhalen bovendien niet al te serieus behandelen: het is naar onze mening ruim voldoende om aan de publicatie ervan vrije momenten en een beetje geduld te besteden. We beginnen met het publiceren van de ''Roman de Bauduin de Sebourc'', op basis van twee manuscripten uit de koninklijke bibliotheek, de enige die van dit gedicht bekend zijn. Een grondig onderzoek ervan zou interessante waarnemingen opleveren, maar die zouden in een voorbericht misplaatst zijn; we zullen ons hier dan ook beperken tot de opmerkingen die kunnen dienen om de methode die wij hebben gevolgd toe te lichten. Het oudste van de twee manuscripten is een folio van 161 |}<noinclude></noinclude> 9dao599ym40r1cb7swr70doo2b03h7q Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/9 104 88702 226083 2026-08-29T19:05:14Z Havang(nl) 4330 /* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '{| |valign=top| feuillets d’un vélin grossier et défectueux. Il contient le roman de Bauduin de Sebourc et la suite de Bauduin de Sebourc ou le Roman dou Bastard de Buillon. Les pages ont deux colonnes de 50 à 60 vers chacune. L’écriture est du commencement du xive siècle,<ref>Voy. le fac-simile placé avant la page 1.</ref> mais le volume n’est pas tout entier de la même main. Les xlviij premiers feuillets sont écrits assez vivem… 226083 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| feuillets d’un vélin grossier et défectueux. Il contient le roman de Bauduin de Sebourc et la suite de Bauduin de Sebourc ou le Roman dou Bastard de Buillon. Les pages ont deux colonnes de 50 à 60 vers chacune. L’écriture est du commencement du xive siècle,<ref>Voy. le fac-simile placé avant la page 1.</ref> mais le volume n’est pas tout entier de la même main. Les xlviij premiers feuillets sont écrits assez vivement et ils présentent une bonne copie à partir du xlixe, l’écriture est plus lourde ; les fautes ne paraissent pas toujours causées par l’inattention, elles semblent quelquefois produites par l’incapacité du copiste.<ref>Nous lisons dans la bibliothèque protypographique de M. Barrois, no 2297 :<br>Le Roman de Bauduin de Sebourc au Cœur de Lion, en rimes. In-fo sur vélin, du xive siècle. C’est peut-être l’exemplaire que nous décrivons. Il ne faut pas s’arrêter à ces mots : au Cœur de lion. On les a pris dans la 1re col. du m.s. (ch. 1. v. 45) sans se douter qu’ils exprimaient, dans le reste du roman, une qualité commune à tous les chevaliers. Voy. ch. ix, 173 ; ch. x, 5 ; ch. xiii, 11, 311 ; etc. </ref> Le second manuscrit, in-4o, sur papier, est composé de iijciiijxxij feuillets. Chaque page a 35 lignes ou environ. Cette copie, écrite vers le milieu du xve siècle, est tout-à-fait différente de la première : il y manque un grand nombre de vers, dont la plupart ne pouvaient être omis sans rendre inintelligibles les passages auxquels ils se rapportaient ; d’un autre côté, nous y avons souvent trouvé de quoi suppléer ce qui manquait au premier m.s. Disons de plus que le copiste s’est permis maintes fois d’ajouter, à l’original, des traits sentencieux ou satiriques et qu’il a changé entièrement les chants xxiv et xxv. Nous avons profité des deux manuscrits, en insérant à propos, dans le texte du premier, non-seulement les |valign=top| bladen van een grof en gebrekkig perkament. Het bevat de roman van Bauduin de Sebourc en het vervolg op Bauduin de Sebourc of de Roman dou Bastard de Buillon. De pagina's hebben twee kolommen van elk 50 tot 60 verzen. Het schrift stamt uit het begin van de 14e eeuw,<ref>Zie het facsimile geplaatst vóór pagina 1.</ref> maar het boekdeel is niet helemaal van dezelfde hand. De eerste 48 bladen zijn vrij vlot geschreven en tonen een goed afschrift; vanaf het 49e is het schrift zwaarder; de fouten lijken niet altijd door onoplettendheid te zijn veroorzaakt, ze lijken soms voort te komen uit het onvermogen van de kopiist.<ref>We lezen in de bibliothèque protypographique van de heer Barrois, nr. 2297:Le Roman de Bauduin de Sebourc au Cœur de Lion, in rijm. Folio op perkament, uit de 14e eeuw. Dit is wellicht het exemplaar dat wij beschrijven. Men moet niet blijven stilstaan bij deze woorden: au Cœur de lion (met het Leeuwenhart). Men heeft ze overgenomen uit de eerste kolom van het manuscript (hfdst. 1, vers 45) zonder te vermoeden dat ze in de rest van de roman een eigenschap uitdrukten die alle ridders gemeen hadden. Zie hfdst. ix, 173; hfdst. x, 5; hfdst. xiii, 11, 311; enz.</ref> Het tweede manuscript, in-kwarto, op papier, bestaat uit 382 bladen. Elke pagina telt ongeveer 35 regels. Dit afschrift, geschreven rond het midden van de 15e eeuw, is totaal verschillend van het eerste: er ontbreekt een groot aantal verzen, waarvan de meeste niet weggelaten konden worden zonder de passages waar ze betrekking op hadden onbegrijpelijk te maken; aan de andere kant hebben we er vaak de middelen in gevonden om aan te vullen wat er in het eerste manuscript ontbrak. Laten we hieraan toevoegen dat de kopiist het zich herhaaldelijk heeft veroorloofd om spreuken of satirische trekken aan het origineel toe te voegen en dat hij de zangen xxiv en xxv volledig heeft veranderd. We hebben van beide manuscripten gebruikgemaakt door, waar passend, in de tekst van het eerste niet alleen de |}<noinclude></noinclude> 5ds0hjymytz7e4kl8sodghrz67ja3n9 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/10 104 88703 226084 2026-08-29T19:24:16Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226084 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| vers, les mots et même les lettres du second qui suppléaient des omissions, mais encore les additions que nous attribuons au copiste. Quant aux changemens introduits dans le m.s. du xve siècle, pour ne rien lais- |valign=top| verzen, de woorden en zelfs de letters van het tweede manuscript die omissies aanvulden, maar ook de toevoegingen die wij aan de kopiist toeschrijven.<ref>Voici des exemples qui pourront servir d’éclaircissement : {| |- |align="right"|Ch. 1, v. 49 :|| |- |valign=top|M.s. du xiv{{sup|e}} siècle||<poem> Esmerés, li ainsnés, tint Nimaye en son non ; Et Glorians tint Chipre en se droite perchon ; Alisandres Escoches, chius ot d’onneur foison ; Bauduins, li ainsnez, . . . . . . . . . </poem> |- |valign=top|M.s. du xv{{sup|e}} siècle||<poem> ''Esmerés, li ainés, tint Nimaie en son non ;'' ''Et Glorians tint Cipre en se droite parçon ;'' ''Alixsandres Escoce, chieux ot d’onneur fuison ;'' ''Bauduwins, li mainés,'' . . . . . . . . . </poem> |- |valign=top|Imprimé.||<poem> Esmerés, li ainsnés, tint Nimaye en son non ; Et Glorians tint Chipre en se droite perchon ;. Alisandres Escoche, chius ot d’onneur foison ; Bauduins, li ''m''ainsnez, . . . . . . . . . </poem> |- |align="right"|v. 366 :||<poem> </poem> |- |valign=top|M.s. du xiv{{sup|e}} siècle||<poem> Tant vont nagant par mer grant navire coisie </poem> |- |valign=top|M.s. du xiv{{sup|e}} siècle||<poem> ''Tant vont nagant par mer, icelle baronnie,'' ''Qu’il ont, en mi la mer, grant navie coisie :'' </poem> |- |valign=top|Imprimé.||<poem> Tant vont nagant par mer, ''icelle baronnie'', ''Qu’il ont, en mi la mer,'' grand navire coisie : </poem> |- |align="right"|v. 1038 : |- |valign=top|M.s. du xiv{{sup|e}} siècle||<poem> Entre ces ·ij· bachins cel enfant pozeroie : Et s’il aloit as pumes, enchois qu’à le monnoie, Il aroit sens en lui. </poem> |- |valign=top|M.s. du xv{{sup|e}} siècle||<poem> ''Entre ces deus bacins cel enfant poseroie :'' ''Et s’il aloit as puns, ainçois qu’à le monnoie,'' ''Je vous ai en couvent qu’inocent le tenroie ;'' ''S’il aloit as florins, que dire n’en saroie,'' ''Il aroit sens en lui.'' </poem> |- |valign=top|Imprimé.||<poem> Entre ces ·ij· bachins cel enfant pozeroie : Et s’il aloit as pumes, enchois qu’à le monnoie, ''Je vous ai en couvent qu’inocent le tenroie ;'' ''S’il aloit as florins, que dire n’en saroie,'' Il aroit sens en lui. </poem> |} </ref>. Wat betreft de veranderingen die in het manuscript van de 15e eeuw zijn aangebracht, om niets onver- |}<noinclude></noinclude> mifqpgk68twnoqjl4vaec3o00npzzpz Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/11 104 88704 226085 2026-08-29T19:38:18Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226085 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top|ser à désirer, on les a imprimés avec le texte primitif en regard.<ref>Tout ce qui est étranger au m.s. du xiv{{sup|e}} eeuw a été distingué par des caractères italiques.</ref> Le second m.s. nous permettait aussi de corriger presque toutes les fautes du premier. Nous avons usé de cette faculté pour quelques-unes ; nous signalons les autres, sous la forme du doute, dans un errata<ref>Nous n’avons pas fait entrer dans cet errata certains mots barbares qui ont, dans le m.s., une orthographe à peu près constante, par ex. : ''merlée, merrai, reverrai, serra, solaire, terrai, valoir,'' etc., pour : ''mellée, menrai, revenrai, sara, salaire, tenrai, voloir,'' etc. Nous y avons admis, au contraire ''dama, rassambler, serment, verroit, von,'' etc. qui sont ordinairement écrits : ''dame, ressambler, serement, vorroit, vont,'' etc.</ref> intitulé Corrections proposées. Il nous reste à parler de la division du poème : quoiqu’elle ne soit pas apparente dans les manuscrits, elle est si bien marquée, par le sens des premiers et derniers vers de chaque chant, que nous l’avons adoptée sans balancer. Les poèmes des trouvères sont ordinairement composés de plusieurs chansons ; et chacune d’elles, contenant un récit complet, devait être chantée ou psalmodiée en une séance. Nous en avons des preuves incontestables dans le roman de Bauduin de Sebourc. Voy. ch. v, 19, 924 ; viii, 1247 ; ix, 1 ; xi, 9 ; xii, 919 ; xiii, 937 ; xiv, 1 ; xvi, 3 ; xvii, 1, 1071 ; xviii, 1 ; xix, 1198, etc. |valign=top| teld te laten, heeft men ze tegenover de oorspronkelijke tekst afgedrukt.<ref>Alles wat vreemd is aan het manuscript van de 14e eeuw is onderscheiden door cursieve letters.</ref> Het tweede manuscript stelde ons ook in staat om bijna alle fouten van het eerste te corrigeren. Van die mogelijkheid hebben wij voor enkele gebruikgemaakt; de andere signaleren wij, in de vorm van een twijfel, in een errata<ref>We hebben in deze errata bepaalde barbaarse woorden die in het manuscript een vrijwel constante spelling hebben niet opgenomen, bijvoorbeeld: ''merlée, merrai, reverrai, serra, solaire, terrai, valoir,'' etc., voor : ''mellée, menrai, revenrai, sara, salaire, tenrai, voloir,'' etc. Wij hebben er daarentegen in opgenomen ''dama, rassambler, serment, verroit, von, etc.'' die gewoonlijk geschreven zijn : dame, ressambler, serement, vorroit, vont, etc.</ref> getiteld {{SIC|''Corrections proposées''|Voorgestelde correcties}}. Het rest ons nog te spreken over de indeling van het gedicht: hoewel deze niet zichtbaar is in de manuscripten, wordt zij zo duidelijk aangegeven door de betekenis van de eerste en laatste verzen van elke zang, dat wij haar zonder aarzelen hebben overgenomen. De gedichten van de trouvères zijn gewoonlijk samengesteld uit meerdere ''zangen''; en elk daarvan, dat een compleet verhaal bevat, moest in één zitting worden gezongen of gereciteerd. Hiervan hebben wij onmiskenbare bewijzen in de roman van Bauduin de Sebourc. Zie hfdst. v, 19, 924; viii, 1247; ix, 1; xi, 9; xii, 919; xiii, 937; xiv, 1; xvi, 3; xvii, 1, 1071; xviii, 1; xix, 1198, enz. |}<noinclude></noinclude> pfobovucnqow0u9el1xddbat1yhhejg Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/766 104 88705 226086 2026-08-29T19:47:26Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226086 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Sé le fist enfouir par dedens ·j· gardin. La nuit dormi moult poi, ains tint le chief enclin Et disoit coiëment : « véchi grant larrechin « Que par che chevalier m’avient en ce termin ! « Et si ne le connois né lui né le sien lin, « Fors que chou qu’il se fait apeller Baudewin. « Je li demanderai, demain, tout son couvin « Et si n’espargnerai né argent né flourin « Que je n’aie à lui pais, car je sai trop d’engin. « Je ne sai qui li a recordé mon destin ? « Mais il dist aussi voir que Dieus fist d’iauwe vin. « Or, me rens au déable Lucifer et Kayn, « Ebron et Belgébus et au fel Noradin ; « Tout adès m’ont aidiet à faire mon couvin, « Encor m’aideront-il, car che sont mi cousin. » Ensi trestoute nuit Gaufer se devisa. Quant che vint lendemain, que li solaus leva, Gaufer se fist armer : tout primiers endossa ·j· moult boin volequin qui maint denir cousta, Après le jaserant qu’à maint estour porta, Unes plates d’achier par desseure lacha Et puis cauches de fer en ches jambes chaussa, Coutel, miséricorde, espoy, n’i oublia ; Gorgerette pisainne et coife on li bailla Et ·ij· esporons d’or qu’en ses ·ij· piés frema, ·j· moult riche destrier on li apareilla, Sans demander estrier, Gaufer dessus monta ; ·j· moult riche hiaume en chon chief on posa, Et s’ot riche blason, grosse lanche porta. Et li bers Baudewins moult bien s’apareilla De riches arméures qu’avec lui … porta. Croissans, le sien compains, ce jour li bien aida, Et quant il fu armés, li damoisiaus pria C’on li chantast le messe et li prestres vint là Qui devant Baudewin le corps Jhésu sacra. </poem> |valign=top| <poem> Hij liet hem begraven in het midden van een tuin. De nacht sliep hij zeer weinig, hield veeleer zijn hoofd gebogen Et zeide zachtjes: "Ziehier een grote diefstal Die mij door deze ridder in deze tijd overkomt! En ik ken hem niet, noch hem noch zijn familie, 310 Behalve dat hij zich laat noemen Baudewijn. Ik zal hem morgen naar al zijn plannen vragen En ik zal noch zilver noch florijn sparen Om vrede met hem te hebben, want ik bezit te veel vaardigheid. Ik weet niet wie hem mijn lot heeft verteld? Maar hij sprak even waar als God van water wijn maakte. Nu geef ik mij over aan de duivel Lucifer en Kaïn, Ebron en Beëlzebub en aan de snode Noradin; Altijd hebben zij mij geholpen om mijn plannen te smeden, Nog zullen zij mij helpen, want zij zijn mijn verwanten." 320 Zo sprak Gaufer heel de nacht met zichzelf. Toen de volgende ochtend kwam, en de zon opging, Liet Gaufer zich wapenen: allereerst trok hij aan Een zeer goed wambuis dat menige denier had gekost, Daarna de maliënkolder die hij in menige strijd droeg, Stalen platen reeg hij daar overheen En daarna trok hij ijzeren kousen aan zijn benen, Dolk, genadedolk en speer vergat hij niet; Een halskraag en een harnaskap gaf men hem En twee gouden sporen die men aan zijn twee voeten bond, 330 Een zeer machtig strijdros maakte men voor hem gereed, Zonder om een stijgbeugel te vragen, steeg Gaufer erop; Een zeer rijke helm plaatste men op zijn hoofd, En hij had een prachtig wapenschild en droeg een grote lans. En de heer Baudewijn maakte zich ook zeer goed gereed Met de rijke wapenrusting die hij bij zich droeg. Croissans, zijn metgezel, hielp hem die dag trouw, En toen hij gewapend was, bad de jongeman Dat men de mis voor hem zou zingen, en de priester kwam daar Die voor Baudewijn het lichaam van Jezus consacreerde. 340 </poem> |}<noinclude></noinclude> q6q5d6kxj4z6k4th71ml75ji4u0x3lw 226089 226086 2026-08-30T07:01:13Z Havang(nl) 4330 226089 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Sé le fist enfouir par dedens ·j· gardin. La nuit dormi moult poi, ains tint le chief enclin Et disoit coiëment : « véchi grant larrechin « Que par che chevalier m’avient en ce termin ! « Et si ne le connois né lui né le sien lin, « Fors que chou qu’il se fait apeller Baudewin. « Je li demanderai, demain, tout son couvin « Et si n’espargnerai né argent né flourin « Que je n’aie à lui pais, car je sai trop d’engin. « Je ne sai qui li a recordé mon destin ? « Mais il dist aussi voir que Dieus fist d’iauwe vin. « Or, me rens au déable Lucifer et Kayn, « Ebron et Belgébus et au fel Noradin ; « Tout adès m’ont aidiet à faire mon couvin, « Encor m’aideront-il, car che sont mi cousin. » Ensi trestoute nuit Gaufer se devisa. Quant che vint lendemain, que li solaus leva, Gaufer se fist armer : tout primiers endossa ·j· moult boin volequin qui maint denir cousta, Après le jaserant qu’à maint estour porta, Unes plates d’achier par desseure lacha Et puis cauches de fer en ches jambes chaussa, Coutel, miséricorde, espoy, n’i oublia ; Gorgerette pisainne et coife on li bailla Et ·ij· esporons d’or qu’en ses ·ij· piés frema, ·j· moult riche destrier on li apareilla, Sans demander estrier, Gaufer dessus monta ; ·j· moult riche hiaume en chon chief on posa, Et s’ot riche blason, grosse lanche porta. Et li bers Baudewins moult bien s’apareilla De riches arméures qu’avec lui … porta. Croissans, le sien compains, ce jour li bien aida, Et quant il fu armés, li damoisiaus pria C’on li chantast le messe et li prestres vint là Qui devant Baudewin le corps Jhésu sacra. </poem> |valign=top| <poem> Hij liet hem begraven in het midden van een tuin. De nacht sliep hij zeer weinig, hield veeleer zijn hoofd gebogen Et zeide zachtjes: "Ziehier een grote diefstal Die mij door deze ridder in deze tijd overkomt! En ik ken hem niet, noch hem noch zijn familie, 310 Behalve dat hij zich laat noemen Baudewijn. Ik zal hem morgen naar al zijn plannen vragen En ik zal noch zilver noch florijn sparen Om vrede met hem te hebben, want ik ken veel listen. Ik weet niet wie hem mijn lot heeft verteld? Maar hij {{SIC|sprak even waar|Voir dire, juridische term}} als God van water wijn maakte. Nu geef ik mij over aan de duivel Lucifer en Kaïn, Ebron en Beëlzebub en aan de snode Noradin; Altijd hebben zij mij geholpen om mijn plannen te smeden, Nog zullen zij mij helpen, want zij zijn mijn verwanten." 320 Zo sprak Gaufer heel de nacht met zichzelf. Toen de volgende ochtend kwam, en de zon opging, Liet Gaufer zich wapenen: allereerst trok hij aan Een zeer goed wambuis dat menige denier had gekost, Daarna de maliënkolder die hij in menige strijd droeg, Stalen platen reeg hij daar overheen En daarna trok hij ijzeren kousen aan zijn benen, Dolk, genadedolk en speer vergat hij niet; Een halskraag en een harnaskap gaf men hem En twee gouden sporen die men aan zijn twee voeten bond, 330 Een zeer machtig strijdros maakte men voor hem gereed, Zonder om een stijgbeugel te vragen, steeg Gaufer erop; Een zeer rijke helm plaatste men op zijn hoofd, En hij had een prachtig wapenschild en droeg een grote lans. En de heer Baudewijn maakte zich ook zeer goed gereed Met de rijke wapenrusting die hij bij zich droeg. Croissans, zijn metgezel, hielp hem die dag trouw, En toen hij gewapend was, bad de jongeman Dat men de mis voor hem zou zingen, en de priester kwam daar Die voor Baudewijn het lichaam van Jezus consacreerde. 340 </poem> |}<noinclude></noinclude> pyjr1y8h2c69otevl6wt39l9zwurif5 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/767 104 88706 226097 2026-08-30T07:25:03Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226097 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Alleen in manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> {{dhr|4em}} Or est Gaufrois armés à se devision, Si omme, à le couvierte, s’armèrent à bandon ; Et Bauduwins s’arma sans nulle ariestison. Li boins contes d’Anjo, c’on apiella Guion, Li aida à viestir ·j· jaserant moult bon, Et puis li demanda : « comment avés à non ? » « Sire, » dist li vasaus, « Bauduwins m’apiell’-on, « Fieux la roine Rose, que Dieux face pardon. »</poem></i> {{dhr|4em}} |valign=top| <poem> {{dhr|4em}} <i>Nu heeft Gaufrois zich naar eigen wens uitgerust, Zijn mannen wapenden zich met overgave in het geheim; En Bauduwins wapende zich zonder enig uitstel. De goede graaf van Anjou, die men Guy noemde, Hielp hem bij het aantrekken van een zeer goed malienkolder, En vroeg hem toen: “ hoe is uw naam? “ “ Heer, “ zei de vazal, “ men noemt mij Bauduwins, “ Zoon van koningin Rose, aan wie God genade schenke. “</i> {{dhr|4em}} </poem> |}<noinclude></noinclude> if9l87t3parli0l514k9ivqbrdr9prf 226108 226097 2026-08-30T07:51:23Z Havang(nl) 4330 226108 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> {{dhr|4em}} Or est Gaufrois armés à se devision, Si omme, à le couvierte, s’armèrent à bandon ; Et Bauduwins s’arma sans nulle ariestison. Li boins contes d’Anjo, c’on apiella Guion, Li aida à viestir ·j· jaserant moult bon, Et puis li demanda : « comment avés à non ? » « Sire, » dist li vasaus, « Bauduwins m’apiell’-on, « Fieux la roine Rose, que Dieux face pardon. »</poem></i> {{dhr|4em}} |valign=top| <poem> {{dhr|4em}} <i>Nu heeft Gaufrois zich naar eigen wens uitgerust, Zijn mannen wapenden zich met overgave in het geheim; En Bauduwins wapende zich zonder enig uitstel. De goede graaf van Anjou, die men Guy noemde, Hielp hem bij het aantrekken van een zeer goed malienkolder, En vroeg hem toen: “ hoe is uw naam? “ “ Heer, “ zei de vazal, “ men noemt mij Bauduwins, “ Zoon van koningin Rose, aan wie God genade schenke. “</i> {{dhr|4em}} </poem> |}<noinclude></noinclude> th59djxvpz2jg9witelsuwg0swaxhix Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/768 104 88707 226098 2026-08-30T07:28:55Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226098 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Et li bers Baudewins lors s’acumenia Et a dit « dous Jhésus, qui li monde estora, « Envoie-moi victoire au glouton par delà « Qui men père vendi et as païens livra ; « S’a mis ma mère à fin, qui ·ix· mois me porta ; « Je sai bien ses ·ij· choses, mais je ne sai s’il a « Enherbé roy Phyllippe qui France gouverna, « Mais je li ai mis sus pour ce c’on l’en fera « Venir par devant moi, dont venus ne fust já « Pour nul autre mesfait, trop de bons amis a. « Et chuis noe bien aise, on le m’a dit pièce a, « Cui on tient le menton. Chius qui boins amis a « Est souvens soustenus, ch’est à dire che-là. » Baudewins de Sebourc ne s’i va arrestant, De Chastelet issi et o lui maint sergant, Et … provos méismes l’aloit aconduisant ; Sa grosse lance fait porter du ber Croissant. Hors de Paris issirent, où de gens avoit tant Que ne vous … diroit nuls clers qui voist lisant ; N’i ot mais si grant poeple, che dient li rommant, Ains puis qu’Otiviaus fist le champ contre Rollant. Tout en furent raset et li pré et li champ. Li cordis estoit fait, là va-on conduisant : Baudewin de Sebourc qui aloit apellant Mist-on primiers dedens, car ch’estoit aférant. Les sains ot aporté de Dieu le tout-poissant ; Du baron saint Denis i estoient li dant Et des oissiaus saint Jorge et du corps saint Vinchant, Et si ot de la crois au roy de Bethléant, Où il morut pour nous faire d’enfer garant : Car Charles, l’emperères, qui à priser fist tant, En raporta le crois, ce trouvons-nous lisant, Droit de Constentinoble, une chité plaisant. Nobles sont les reliques dont je vous vois parlant. Baudewins de Sebourc en est salis avant, </poem> |valign=top| <poem> En de baron Boudewijn nam toen de communie En zei: "Lieve Jezus, die de wereld schiep, Schenk mij de overwinning op de schurk daarginds, Die mijn vader verkocht en aan de heidenen uitleverde; En die een einde maakte aan mijn moeder, die mij negen maanden droeg. Ik weet deze twee dingen wel zeker, maar ik weet niet of hij Koning Filips heeft vergiftigd, die Frankrijk regeerde. Maar ik heb het hem ten laste gelegd, zodat men hem Voor mij zal laten verschijnen; want anders was hij nooit gekomen Voor enig ander misdrijf, daar hij te veel goede vrienden heeft. 350 En ik ben nu zeer gerustgesteld, men heeft het mij een tijd geleden al gezegd: Wie men de hand boven het hoofd houdt, en wie goede vrienden heeft, Wordt vaak gesteund, dat wil zeggen in deze zaak." Boudewijn van Sebourc bleef daar niet langer dralen, Uit het kasteel trok hij, en met hem vele soldaten, En ... de provoost zelf ging hem begeleiden; Zijn grote lans liet hij dragen door de edele Croissant. Zij trokken Parijs uit, waar zo ontzettend veel volk was Dat het u ... geen enkele geleerde die kan lezen zou kunnen vertellen; Er was nog nooit zo'n grote menigte geweest, zo zeggen de verhalen, 360 Sinds Otinel op het slagveld streed tegen Roeland. Zowel de weiden als de velden waren er helemaal vol door gepakt. De afzetting van het krijt was gemaakt, men begeeft zich daarheen: Boudewijn van Sebourc, die als eiser optrad, Werd er als eerste in geplaatst, want dat was passend. De relikwieën van de almachtige God waren erheen gebracht; Van de baron Sint-Denis waren de tanden aanwezig, En van de vogels van Sint-Joris, en het lichaam van Sint-Vincent, En er was ook een deel van het kruis van de Koning van Bethlehem, Waarop Hij stierf om ons te behoeden voor de hel; 370 Want keizer Karel, die zozeer geprezen werd, Bracht het kruis mee terug, zo vinden wij al lezend, Rechtstreeks uit Constantinopel, een zeer aangename stad. Nobel zijn de relikwieën waarover ik tot u spreek. Boudewijn van Sebourc is daarop naar voren getreden, </poem> |}<noinclude></noinclude> asmkc5i2swjx2hcr5y311d7g2y2y27l Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/769 104 88708 226099 2026-08-30T07:32:25Z Havang(nl) 4330 /* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '<noinclude>Alleen in manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> Dont l’acola li contes, qui moult ot de renon, Et li dist : « Bauduwins, or n’aiiés soupeçon, « Car vous arés victore, seloncq m’entension. » « Sire, » dist Bauduwins, « sé je tieng le glouton, « De lui ne prenderoie nès une raançon, « Car il vendi mon père au roi Rouge-Lion, « S’a fait morir ma mère, à le clère façon ; « Or en vorai wi prendre, sé Dieux pl… 226099 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Alleen in manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> Dont l’acola li contes, qui moult ot de renon, Et li dist : « Bauduwins, or n’aiiés soupeçon, « Car vous arés victore, seloncq m’entension. » « Sire, » dist Bauduwins, « sé je tieng le glouton, « De lui ne prenderoie nès une raançon, « Car il vendi mon père au roi Rouge-Lion, « S’a fait morir ma mère, à le clère façon ; « Or en vorai wi prendre, sé Dieux plaist, vengison, « Car il a fait maint mal à men estrasion. « Onques de lui ne poc avoir nès un coron. » Dist li contes d’Anjo : « je pri Dieu et son non « Qu’il vous voelle garder encontre le glouton. » Bauduwins demanda ·j· destrier à bandon, Et on li amena et moult biel et moult bon ; Et li bers i monta, onques n’i quist arçon. Adonques l’enmenèrent, li prince et li baron, Au dehors de Paris, à cans sur le sablon ; Là, orent fait ·j· camp bien cordet environ : Bauduwins i entra, là atent le buron. Pour ce qu’il apiella, tout prumiers l’i mist-on. Atant e-vous Gaufroit, qui ait maléiçon, O lui ot une route et de gens grant fuison Qui estoient à lui amit et compagnon : Gaufrois entra ou camp plains de confusion, Il amast mieux à estre entrés en se maison, Car il vit Bauduwin de si grande façon Que moult le redoutoit pour sa condision. Gaufrois entra ou camp, s’a véu Bauduwin Tant fort et bien armet, sus le courant roncin, Forment le redouta quant il vit son destin. Un vesque de Paris, c’on apiella Térin, Aporta les reliques dou vrai cors saint Fremin, Pluiseurs autres reliques qui furent en or fin ; Enmi le camp les mist, sus un noble cousin. Là, furent pluiseurs contes et maint haut palasin </poem></i> |valign=top| <poem> <i>Waarop de graaf hem omhelsde, die zeer hoogstaan stond, En tegen hem zei: “ Boudewijn, twijfel nu niet, “ Want u zult de overwinning behalen, naar mijn overtuiging. “ “ Heer, “ zei Boudewijn, “ als ik de schurk te pakken krijg, “ Zou ik van hem werkelijk geen enkele losprijs aannemen, “ Want hij heeft mijn vader verkocht aan koning Rode-Leeuw, “ En heeft mijn moeder laten sterven, die zo schone vrouw; “ Nu wil ik daar, als het God behaagt, wraak voor nemen, “ Want hij heeft mijn familie veel kwaad aangedaan. “ Nooit heb ik van hem ook maar een zier (rechtvaardigheid) kunnen krijgen. “ De graaf van Anjou zei: “ Ik bid tot God en Zijn Naam “ Dat Hij u wil beschermen tegen deze schurk. “ Boudewijn vroeg een strijdpaard in alle vrijheid, En men bracht hem er een, zowel zeer mooi als zeer goed; En de edelman steeg erop, zonder ooit de zadelboog te grijpen. Toen brachten de prinsen en de baronnen hem weg, Buiten Parijs, naar de velden op het zand; Daar had men een kampplaats rondom goed met touwen afgezet: Boudewijn ging er binnen, daar wacht hij op de schurk. Omdat hij de uitdaging had gedaan, werd hij er als allereerste geplaatst. Intussen is daar Gaufroit, die vervloekt moge zijn, Bij hem had hij een bende en een grote menigte mensen Die zijn vrienden en metgezellen waren: Gaufroit betrad het kamp vol schaamte en verwarring, Hij was liever zijn eigen huis binnengegaan, Want hij zag Boudewijn er zo groots bij staan Dat hij hem zeer vreesde om zijn gesteldheid. Gaufroit betrad het kamp, en zag Boudewijn Zo sterk en goed bewapend op het snelle rijpaard, Hevig vreesde hij hem toen hij zijn lot voor ogen zag. Een bisschop van Parijs, die men Térin noemde, Bracht de relikwieën van het ware lichaam van de heilige Firmin, En verscheidene andere relikwieën die in zuiver goud gevat waren; Midden in het kamp legde hij ze neer, op een edel kussen. Daar waren verscheidene graven en menig hoog paladijn</i> </poem> |}<noinclude></noinclude> dg2bz3jxclkhuinebsdiil09js4s8jo 226107 226099 2026-08-30T07:51:06Z Havang(nl) 4330 226107 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> Dont l’acola li contes, qui moult ot de renon, Et li dist : « Bauduwins, or n’aiiés soupeçon, « Car vous arés victore, seloncq m’entension. » « Sire, » dist Bauduwins, « sé je tieng le glouton, « De lui ne prenderoie nès une raançon, « Car il vendi mon père au roi Rouge-Lion, « S’a fait morir ma mère, à le clère façon ; « Or en vorai wi prendre, sé Dieux plaist, vengison, « Car il a fait maint mal à men estrasion. « Onques de lui ne poc avoir nès un coron. » Dist li contes d’Anjo : « je pri Dieu et son non « Qu’il vous voelle garder encontre le glouton. » Bauduwins demanda ·j· destrier à bandon, Et on li amena et moult biel et moult bon ; Et li bers i monta, onques n’i quist arçon. Adonques l’enmenèrent, li prince et li baron, Au dehors de Paris, à cans sur le sablon ; Là, orent fait ·j· camp bien cordet environ : Bauduwins i entra, là atent le buron. Pour ce qu’il apiella, tout prumiers l’i mist-on. Atant e-vous Gaufroit, qui ait maléiçon, O lui ot une route et de gens grant fuison Qui estoient à lui amit et compagnon : Gaufrois entra ou camp plains de confusion, Il amast mieux à estre entrés en se maison, Car il vit Bauduwin de si grande façon Que moult le redoutoit pour sa condision. Gaufrois entra ou camp, s’a véu Bauduwin Tant fort et bien armet, sus le courant roncin, Forment le redouta quant il vit son destin. Un vesque de Paris, c’on apiella Térin, Aporta les reliques dou vrai cors saint Fremin, Pluiseurs autres reliques qui furent en or fin ; Enmi le camp les mist, sus un noble cousin. Là, furent pluiseurs contes et maint haut palasin </poem></i> |valign=top| <poem> <i>Waarop de graaf hem omhelsde, die zeer hoogstaan stond, En tegen hem zei: “ Boudewijn, twijfel nu niet, “ Want u zult de overwinning behalen, naar mijn overtuiging. “ “ Heer, “ zei Boudewijn, “ als ik de schurk te pakken krijg, “ Zou ik van hem werkelijk geen enkele losprijs aannemen, “ Want hij heeft mijn vader verkocht aan koning Rode-Leeuw, “ En heeft mijn moeder laten sterven, die zo schone vrouw; “ Nu wil ik daar, als het God behaagt, wraak voor nemen, “ Want hij heeft mijn familie veel kwaad aangedaan. “ Nooit heb ik van hem ook maar een zier (rechtvaardigheid) kunnen krijgen. “ De graaf van Anjou zei: “ Ik bid tot God en Zijn Naam “ Dat Hij u wil beschermen tegen deze schurk. “ Boudewijn vroeg een strijdpaard in alle vrijheid, En men bracht hem er een, zowel zeer mooi als zeer goed; En de edelman steeg erop, zonder ooit de zadelboog te grijpen. Toen brachten de prinsen en de baronnen hem weg, Buiten Parijs, naar de velden op het zand; Daar had men een kampplaats rondom goed met touwen afgezet: Boudewijn ging er binnen, daar wacht hij op de schurk. Omdat hij de uitdaging had gedaan, werd hij er als allereerste geplaatst. Intussen is daar Gaufroit, die vervloekt moge zijn, Bij hem had hij een bende en een grote menigte mensen Die zijn vrienden en metgezellen waren: Gaufroit betrad het kamp vol schaamte en verwarring, Hij was liever zijn eigen huis binnengegaan, Want hij zag Boudewijn er zo groots bij staan Dat hij hem zeer vreesde om zijn gesteldheid. Gaufroit betrad het kamp, en zag Boudewijn Zo sterk en goed bewapend op het snelle rijpaard, Hevig vreesde hij hem toen hij zijn lot voor ogen zag. Een bisschop van Parijs, die men Térin noemde, Bracht de relikwieën van het ware lichaam van de heilige Firmin, En verscheidene andere relikwieën die in zuiver goud gevat waren; Midden in het kamp legde hij ze neer, op een edel kussen. Daar waren verscheidene graven en menig hoog paladijn</i> </poem> |}<noinclude></noinclude> qh2rasb5rpyoil0mi74y2z99iwqm9g6 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/770 104 88709 226100 2026-08-30T07:35:28Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226100 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> {{iwpage|fr}} </poem> |valign=top| <poem> Hij is naar de heilige (relikwie) gegaan, heft zijn hand op En zegt: "bij die God die binnen Bethlehem Werd geboren om het behoeftige volk te verlossen, En bij de heilige Maagd die in de glanzende hemel is, Bij de heilige relikwieën waarvan de lichamen, tijdens hun leven, 380 Zwaar martelaarschap leeden ter ere van God de Grote, Zal ik bewijzen dat Gaufroi een verraderlijke huurling is, Waardig om een dood te ondergaan die erger is dan sterven op de brandstapel, Want wie hem alle dagen levend zou villen en zouten Zou hem nog niet geven wat hij verdient, noch zijn ware loon. Er leeft in deze eeuw geen valser verrader! Ik zal het hem bewijzen nog vóór de zon ondergaat." Toen heeft hij de heilige relikwie gekust, boog hij zich ervoor, En daarna is hij weer op zijn strijdpaard geklommen. En Gaufroi nadert gezwind de heilige relikwieën, 390 En zegt: "bij deze relikwieën die in glanzend goud gevat zijn, En bij alle andere waarin alle goeden geloven, Nooit heb ik verraad gepleegd, nog geen penning waard, Aan geen mens ter wereld, aan klein noch aan groot." Hij wilde de heiligen kussen, maar hij begint te wankelen, Dertig voet deinsde hij achteruit door deze goddelijke beschikking, Zijn benen begaven het, en hij viel ter aarde. Boudewijn van Sebourc roept hem luidkeels toe: "Gaufroi, je hebt gelogen...……………" …………... een zeer grote schande om het feit dat hij wankelde, 400 Zo snel als hij maar kon, klom hij weer op zijn paard. De kamprechters, die daar allen aanwezig waren, Hebben het strijdperk verlaten en Gaufroi bleef achter, Bedroefd en vertoornd, want hij vreesde het strijdperk, Maar op zijn machtige familie vertrouwde de schurk; Want hij weet donders goed dat, mocht hij het onderspit delven, Hij, ondanks de Fransen, gered zal worden: Zo had hij het bekokstoofd toen hij het strijdperk betrad. Boudewijn van Sebourc aarzelde geen moment, Toen hij Gaufroi in het oog kreeg, die men hem in het strijdperk overleverde, 410 </poem> |}<noinclude></noinclude> i5ovwo4ve9h6dubbc1cwv80gtmef3qy 226149 226100 2026-08-30T10:50:43Z Havang(nl) 4330 226149 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Il est venus au saint, si va sa maint levant Et dist « par chellui Dieu qui dedens Bethléant « Nasqui pour délivrer le poeple mendiant, « Et par le sainte Vierge qui est ou chiel luisant, « Par les saintes reliques dont li corps, en vivant, « Souffrirent griés martyre en l’onneur Dieu le grant, « Je prouverai Gaufroi traïtour soudoïant, « Digne de mort avoir pis qu’en ·j· fu bruïant, « Car qui l’escourcheroit tous les jours en salant « N’aroit pas se desserte né le sien païemant. « N’a plus félon traïtre en ce siècle vivant ! « Sé li aprouverai ains le soleil couchant. » Dont a baisiés le saint, si les va enclinant, Et puis est remontés par dessus l’aufférant. Et Gaufer va les sains vistement aprochant, Et dist : « par ches reliques qui sont en or luisant, « Et par toutes les autres où tout bon sont créant, « Ains ne fis traïson, d’un dennir valissant, « A homme de che monde, à petit ni à grant. » Les sains cuida baisier, mais il va canchelant, ·xxx· piés recula par itel convenant Les jambes li falirent, à terre va versant. Baudewins de Sebourc li va haut escriant : « Gaufer, tu as menti………………… » ……… moult grant honte de ce qu’il chansela, Au plus tost c’onkes pot ou cheval remonta. Li ordeneur du champ, qui tout estoient là, Ont dégerpi le champ et Gaufer demoura Dolans et courechiés, car le champ redoubta, Mais en son grant linage, li lères, se fia ; Car il scet bien de fi, sé le piour en a, Que, maugré les Fransois, rescous il en sera : Ensi l’ot ordinet quant ens ou champ entra. Baudewins de Sebourc point ne s’i arresta, Quant il perchuit Gaufroi, c’ou champ on li livra, </poem> |valign=top| <poem> Hij is naar de heilige (relikwie) gegaan, heft zijn hand op En zegt: "bij die God die binnen Bethlehem Werd geboren om het behoeftige volk te verlossen, En bij de heilige Maagd die in de glanzende hemel is, Bij de heilige relikwieën waarvan de lichamen, tijdens hun leven, 380 Zwaar martelaarschap leeden ter ere van God de Grote, Zal ik bewijzen dat Gaufroi een verraderlijke huurling is, Waardig om een dood te ondergaan die erger is dan sterven op de brandstapel, Want wie hem alle dagen levend zou villen en zouten Zou hem nog niet geven wat hij verdient, noch zijn ware loon. Er leeft in deze eeuw geen valser verrader! Ik zal het hem bewijzen nog vóór de zon ondergaat." Toen heeft hij de heilige relikwie gekust, boog hij zich ervoor, En daarna is hij weer op zijn strijdpaard geklommen. En Gaufroi nadert gezwind de heilige relikwieën, 390 En zegt: "bij deze relikwieën die in glanzend goud gevat zijn, En bij alle andere waarin alle goeden geloven, Nooit heb ik verraad gepleegd, nog geen penning waard, Aan geen mens ter wereld, aan klein noch aan groot." Hij wilde de heiligen kussen, maar hij begint te wankelen, Dertig voet deinsde hij achteruit door deze goddelijke beschikking, Zijn benen begaven het, en hij viel ter aarde. Boudewijn van Sebourc roept hem luidkeels toe: "Gaufroi, je hebt gelogen...……………" …………... een zeer grote schande om het feit dat hij wankelde, 400 Zo snel als hij maar kon, klom hij weer op zijn paard. De kamprechters, die daar allen aanwezig waren, Hebben het strijdperk verlaten en Gaufroi bleef achter, Bedroefd en vertoornd, want hij vreesde het strijdperk, Maar op zijn machtige familie vertrouwde de schurk; Want hij weet donders goed dat, mocht hij het onderspit delven, Hij, ondanks de Fransen, gered zal worden: Zo had hij het bekokstoofd toen hij het strijdperk betrad. Boudewijn van Sebourc aarzelde geen moment, Toen hij Gaufroi in het oog kreeg, die men hem in het strijdperk overleverde, 410 </poem> |}<noinclude></noinclude> fbf4d36f3wil6tkv2qi2mrkikwhsff4 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/771 104 88710 226101 2026-08-30T07:39:58Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226101 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Alleen in manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> Pour vir le sairement que feront li mesquin : Bauduwins s’ajenoule de loïal cuer et fin, Sa main mist sus les sains et dist en son latin, Lors dist : « par celui Dieu qui de l’iaue fist vin « Le jour qui fu à noeces de saint Arcédeclin, « Par ces saintes reliques dont chi voi le destin, Gaufrois est ·j· traitres et plains de mais couvin ; « Je li ferai jehir, à mon brancq acérin. » Adont baisa les sains, de son parler prist fin. Pour ce qu’il ne sot mie plainement le larcin, Ne vot onques jurer né faire nul destin. Et Gaufrois saut avant, qui ot cuer de mastin, Et mist le main as sains et dist par mal engin : « Si m’ait Jesu-Cris et le cors saint Martin, « Onques je ne pensai mourdres né larecin. » Les sains cuida baisier, si com fist Bauduwin, Mais il est cancelés sus le sablon cauchin ; Tout cancelant s’en va as balles de sapin, Il sambloit que ses cors fust plain de palesin. Gaufrois en ot grant honte, s’en ot le cuer enclin. Quant en ce point le virent François et Angevin, Si dirent l’un à l’autre : « Gaufrois est mis à fin, « Il a tort en le cause, fait en a le dotrin. » Et Bauduwin s’escrie : « widiés le camp, mescin, « Si me laissiés ocire Gaufroit, le beduwin ! « Je n’en feroie pais pour tout l’avoir Pépin « Qu’en l’eure ne l’ocie, par le cors saint Martin. » </poem></i> |valign=top| <poem> <i>Om de eed te zien die de jongemannen zullen zweren: Bauduin knielt neer met een trouw en zuiver hart, Legde zijn hand op de relikwieën en sprak in zijn Latijn, Toen zei hij: “ Bij die God die van water wijn maakte Op de dag van de bruiloft van de heilige Architriclinus, Bij deze heilige relikwieën waarvan ik hier de aanwezigheid zie, Gaufrois is een verrader en vol van slechte bedoelingen; Ik zal hem doen bekennen, met mijn stalen zwaard. “ Toen kuste hij de relikwieën, en zijn toespraak nam een eind. Omdat hij de diefstal niet ten volle kende, Wilde hij geenszins zweren noch enige verklaring afleggen. En Gaufrois springt naar voren, die het hart van een hond had, En legde zijn hand op de relikwieën en sprak met arglist: “ Zo helpe mij Jezus Christus en het lichaam van Sint Maarten, Nooit heb ik gedacht aan moord of aan diefstal. “ Hij dacht de relikwieën te kussen, net zoals Bauduin had gedaan, Maar hij wankelt over het kalkachtige zand; Geheel wankelend begeeft hij zich naar de dennenhouten barrières, Het leek wel alsof zijn lichaam door een verlamming was getroffen. Gaufrois had er grote schande van, en zijn hart boog in schaamte. Toen de Fransen en de Angevijnen hem in deze toestand zagen, Zegden zij tot elkaar: “ Met Gaufrois is het gedaan, Hij is in het ongelijk in deze zaak, hij heeft er het bewijs van geleverd. “ En Bauduin roept uit: “ Verlaat het veld, jongeman, En laat mij Gaufrois, de bedoeïen, neerslaan! Ik zou er geen vrede voor sluiten, zelfs niet voor al het bezit van Pepijn, Of ik dood hem terstond, bij het lichaam van Sint Maarten. “</i> </poem> |}<noinclude></noinclude> dxeqkkvrs7x5qqpdqln5hndbt8u7uxt 226106 226101 2026-08-30T07:50:45Z Havang(nl) 4330 226106 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> Pour vir le sairement que feront li mesquin : Bauduwins s’ajenoule de loïal cuer et fin, Sa main mist sus les sains et dist en son latin, Lors dist : « par celui Dieu qui de l’iaue fist vin « Le jour qui fu à noeces de saint Arcédeclin, « Par ces saintes reliques dont chi voi le destin, Gaufrois est ·j· traitres et plains de mais couvin ; « Je li ferai jehir, à mon brancq acérin. » Adont baisa les sains, de son parler prist fin. Pour ce qu’il ne sot mie plainement le larcin, Ne vot onques jurer né faire nul destin. Et Gaufrois saut avant, qui ot cuer de mastin, Et mist le main as sains et dist par mal engin : « Si m’ait Jesu-Cris et le cors saint Martin, « Onques je ne pensai mourdres né larecin. » Les sains cuida baisier, si com fist Bauduwin, Mais il est cancelés sus le sablon cauchin ; Tout cancelant s’en va as balles de sapin, Il sambloit que ses cors fust plain de palesin. Gaufrois en ot grant honte, s’en ot le cuer enclin. Quant en ce point le virent François et Angevin, Si dirent l’un à l’autre : « Gaufrois est mis à fin, « Il a tort en le cause, fait en a le dotrin. » Et Bauduwin s’escrie : « widiés le camp, mescin, « Si me laissiés ocire Gaufroit, le beduwin ! « Je n’en feroie pais pour tout l’avoir Pépin « Qu’en l’eure ne l’ocie, par le cors saint Martin. » </poem></i> |valign=top| <poem> <i>Om de eed te zien die de jongemannen zullen zweren: Bauduin knielt neer met een trouw en zuiver hart, Legde zijn hand op de relikwieën en sprak in zijn Latijn, Toen zei hij: “ Bij die God die van water wijn maakte Op de dag van de bruiloft van de heilige Architriclinus, Bij deze heilige relikwieën waarvan ik hier de aanwezigheid zie, Gaufrois is een verrader en vol van slechte bedoelingen; Ik zal hem doen bekennen, met mijn stalen zwaard. “ Toen kuste hij de relikwieën, en zijn toespraak nam een eind. Omdat hij de diefstal niet ten volle kende, Wilde hij geenszins zweren noch enige verklaring afleggen. En Gaufrois springt naar voren, die het hart van een hond had, En legde zijn hand op de relikwieën en sprak met arglist: “ Zo helpe mij Jezus Christus en het lichaam van Sint Maarten, Nooit heb ik gedacht aan moord of aan diefstal. “ Hij dacht de relikwieën te kussen, net zoals Bauduin had gedaan, Maar hij wankelt over het kalkachtige zand; Geheel wankelend begeeft hij zich naar de dennenhouten barrières, Het leek wel alsof zijn lichaam door een verlamming was getroffen. Gaufrois had er grote schande van, en zijn hart boog in schaamte. Toen de Fransen en de Angevijnen hem in deze toestand zagen, Zegden zij tot elkaar: “ Met Gaufrois is het gedaan, Hij is in het ongelijk in deze zaak, hij heeft er het bewijs van geleverd. “ En Bauduin roept uit: “ Verlaat het veld, jongeman, En laat mij Gaufrois, de bedoeïen, neerslaan! Ik zou er geen vrede voor sluiten, zelfs niet voor al het bezit van Pepijn, Of ik dood hem terstond, bij het lichaam van Sint Maarten. “</i> </poem> |}<noinclude></noinclude> 3krc9unz3vkyphgvq1f1qrtbgipm75a Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/772 104 88711 226102 2026-08-30T07:42:53Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226102 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Dieu et se douche mère douchement aoura ; Le cheval esporonne et le lance abaissa. Gaufer vint contre lui, point ne le refusa, Car hardis fu et fors, nul homme ne doubta. Li ·j· va férir l’autre au mieudre sens qu’il a, Des lanches se férirent ; Baudewins assena, En l’escut mist le fer, tout-outre li percha. De chou va bien, Gaufroi, que li escus tourna, Car li fers de la lance outre les ais passa Plus d’une aune et demie ; le corps pas ne trouva, Car droit au lės senestre li lance s’esquipa. S’ou corps l’éust ataint, il n’en rescapast jà. II ressache sa lanche car li gaufer brisa : Au ressachier qu’il fist le bon cheval brocha, Le blaison tire à lui, du dos li esracha ; Sus l’archon par devant, li lères souvina. Baudewins vint à lui et le branc entesa, Ains que chuis fust levés, ·j· tel cop li donna Qu’en le senestre cuisse li branc li embarra, Que petit s’en fali le jambe ne copa. L’autre cop cuida rendre, li chevaus s’sferéa, Dès-si jusqu’au cordis le traître porta. Gaufer revint à lui, qui moult s’espoenta, Autour Fransoys revint, à Baudewin cria : « Encor ne sui pas mors, on le vous rendera ! « Chertes, che poise moi que morir vous faurra, « Car bons chevaliers estes, hardi homme en vous a. « Si m’anoie forment de chou qu’il avenrra, « Car vous serés pendus, quant li mien corps vaurra ; « Mi parent sont armet, plus de mil en i a. « S’ai promis tant d’avoir à cheus que véés là, « Sé vous aviés bien droit, n’i garririés-vous jà ; « Car argens fait le jeu, chuis qui point d’argent n’a « Treuve moult poy d’amis, on le scet de pièche a. « Li avoirs que je donne, voir, morir vous fera, </poem> |valign=top| <poem> God en zijn zoete moeder aanbad hij vurig; Het paard spoorde hij aan en de lans bracht hij omlaag. Gaufroi trok tegen hem op, hij weigerde de strijd geenszins, Want hij was dapper en sterk, geen mens vreesde hij. De één ging de ander te lijf met de beste behendigheid die hij bezat, Met de lansen troffen zij elkaar; Boudewijn raakte doel, In het schild dreef hij het ijzer, en doorboorde het volledig. Het liep goed af voor jou, Gaufroi, omdat het schild wegdraaide, Want het ijzer van de lans drong door de houten planken heen Meer dan anderhalve el; het lichaam trof het niet, 420 Want vlak langs de linkerzijde schampte de lans af. Had het hem in het lichaam getroffen, dan was hij er nooit levend vanaf gekomen. Hij trekt zijn lans terug, want die van Gaufroi brak: Bij het terugtrekken dat hij deed, spoorde hij het goede paard aan, Het schild trekt hij naar zich toe, en rukte het van diens rug; Boven op de zadelknop vooraan viel de schurk achterover. Boudewijn kwam op hem af en hief het zwaard omhoog, Voordat deze man was opgestaan, gaf hij hem zo'n slag Dat het zwaard diep in zijn linkerdij drong, Zodat er maar weinig aan scheelde of het been was afgehouwen. 430 De ander probeerde een slag terug te slaan, maar het paard raakte in paniek, En in allerijl droeg het de verrader met zich mee. Gaufroi kwam weer bij zinnen, die zich hevig had rot geschrokken, Rondom de Fransen keerde hij terug, en riep naar Boudewijn: “ Nog ben ik niet dood, men zal het u betaald zetten! “ Waarlijk, het spijt mij dat u zult moeten sterven, “ Want u bent een goed ridder, er steekt een dapper man in u. “ Het mishaagt mij ten zeerste om wat er zal gebeuren, “ Want u zult worden opgehangen, zodra mijn lichaam dat wenst; “ Mijn verwanten zijn gewapend, er zijn er meer dan duizend. 440 “ En ik heb zoveel geld beloofd aan hen die u daar ziet, “ Al had u het volste recht, u zou er nooit levend van afkomen; “ Want geld doet het spel, en wie geen geld heeft “ Vindt maar zeer weinig vrienden, men weet dit al heel lang. “ Het geld dat ik weggeef, zal u waarlijk de dood bezorgen, </poem> |}<noinclude></noinclude> hksdtlgtiumihsxingjh9vd4sb5c4r9 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/773 104 88712 226103 2026-08-30T07:45:14Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226103 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Mais prendės bon avis, on vous conseillera : « Laissiés vo corps mater, quant li poins en sera, « Et j’ai une … soer qui ·xxiiij· ans a, « Elle gouverne Frise ; mes corps le vous donra, « Et si arés Nymaie, quant li mien corps morra ; « Car vous estes si prex, qu’à vous apartenra « La terre et li païs, nuls fors vous ne l’ara, « Car ains tel chevalier li miens corps ne trouva « En joustes n’en tournois, decha mer né delà, « Sé ne fu ·j· bastars qu’à Sebourc demoura, « Qui devant le chastel contre moi behourda. « Je le fis chevalier, le déables m’en aida ! « Car du fer de sa lanche tellement me jousta « Que le corps tout par mi de son fer me passa. « Chuis fu li plus hardis c’onkes Diex estora ! « Maudite soit li pute qu’en ses flans le porta « Et li lères aussi qui le fel engenra ! » Et Baudewins li dist, que point ne s’atarga : « Par Dieu, … félons, jà il ne m’avenra « Que je acorde à vous ce que vous corps dit a ! « Trop mal … me connoist chuis c’onques m’avisa. « Ne me connoissiés mie ? on vous aprendera « Qui je sui nè quelz fielz, si vous en pesera ! « Laissiés coi le bastart, mal ait qui en dira « Nulle riens fors que bien ! car on le me donna ; « J’enrigolai la mère, qui loyaument m’ama, « Mais pour itant, par Dieu, que il ne vous tua, « Jammais piet de ma terre le siens corps ne tenra. « Gaufer, » dist Baudewins, a ne me connoissiés mie ? « Bien me connisterés ains l’eure de Complie : « Ne vous souvient-il pas, traïtres plains d’envie, « Dou petit Baudewin, fil Rose l’agencie, « Que tenistes jadis par grande druérie ; « Et il prist en vo chief vo couronne jolie, « A terre le geta, que toute fu brisie ? </poem> |valign=top| <poem> “ Maar neem goede raad aan, men zal u adviseren: “ Laat uw lichaam temmen, wanneer het moment daar is, “ En ik heb een … zuster die vierentwintig jaar is, “ Zij bestuurt Friesland; mijn lichaam zal haar aan u geven, “ En zo zult u Nijmegen hebben, wanneer mijn lichaam sterft; 450 “ Want u bent zo dapper, dat aan u zal toebehoren “ Het land en de streek, niemand behalve u zal het hebben, “ Want zo'n ridder heeft mijn lichaam nog nooit gevonden “ In steekspelen of toernooien, aan deze of gene zijde van de zee, “ Behalve dan een bastaard die in Sebourc verbleef, “ Die voor het kasteel tegen mij streed met de lans. “ Ik sloeg hem tot ridder, de duivel hielp mij daarbij! “ Want met de ijzeren punt van zijn lans stootte hij zo naar mij “ Dat hij het lichaam van mijn persoon er dwars mee doorboorde. “ Deze was de dapperste die God ooit heeft geschapen! 460 “ Vervloekt zij de hoer die hem in haar schoot droeg “ En ook de schurk die de booswicht verwekte! “ En Boudewijn zei hem, zonder te aarzelen: “ Bij God, … schurk, nooit zal het gebeuren “ Dat ik akkoord ga met wat uw lichaam zojuist heeft gezegd! “ Te slecht … kent deze mij, die mij ooit heeft aanschouwd. “ Kent u mij dan helemaal niet? Men zal het u leren “ Wie ik ben en wiens zoon, en het zal u berouwen! “ Laat de bastaard met rust, schande over hem die over hem “ Iets anders dan goeds zegt! Want men heeft hem aan mij gegeven; 470 “ Ik maakte het hof aan de moeder, die trouw van mij hield, “ Maar desondanks, bij God, hoewel hij u niet heeft gedood, “ Zal zijn lichaam nooit één voet van mijn land bezitten. “ Gaufer, “ zei Boudewijn, “ kent u mij dan helemaal niet? “ U zult mij heel goed kennen nog voor het uur van de Completen: “ Herinnert u zich niet meer, afgunstige verrader, “ De kleine Boudewijn, zoon van de lieftallige Rose, “ Die u destijds vasthield uit grote genegenheid; “ En hij nam van uw hoofd uw mooie kroon, “ Wierp hem op de grond, zodat hij helemaal brak? “ 480 </poem> |}<noinclude></noinclude> o07kyetlnxso63ot8jsfndcysolz2zh Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/774 104 88713 226104 2026-08-30T07:46:57Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226104 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Je sui chuis Baudewins dont je vous sénéfie. « Par vous ai moult lonctamps eslongie ma lignie, « Or sui-je revenus en le moie partie « Si c’on m’a racordé le vostre félonnie, « Et comment vous vendistes à le gent païénie « Mon père roy Hernoul qui tant … seignourie. « S’avés éut Nymaie, à tort, en vo baillie « Et si avés ma mère déchéute et traïe, « Enherbée m’avés, si qu’il ne me plaist mie. « La mort de mon chier père sera sour vous vengie « Et la mort de ma mère, si que je vous desfie ; « Car li coers me dist bien que vous torrai la vie. « Tresdont que j’abati vo couronne jolie, « Fu-ce sénéfiance, mes coers le sénéfie, « Que vostre honnour serroit de par moi abaissie. « Or, vous gardés de moi et ore et autre fie, « De vous ne prenderoie tout l’or de Rommenie. « Ou moi ou vous morra, ains l’eure de Complie, « Car jà ne plaise à Dieu né la Vierge-Marie « Que je perde de vous véue né oïe. » Quant Gaufer entendi Baudewin, le gerrier, Adont fu si dolans qu’en lui n’ot qu’émaier ; Bien scet qu’il avoit tort, mais bien le scet noier, Lors dist à Baudewin : « je ne t’ai mie chier ! « Je te desfi de Dieu, le père droiturier. » Lors entoise le branc à ·ij· mains, sans targier ; Baudewin cuida bien férier ou hanepier, Mais li cos avala sus l’escut de quartier, Demi piet largement i embarra l’achier. Et Baudewins li va de son espoi lanchier, En l’oint vers le boudine le cuida estequier, Mais les plates ne pot par là adamagier ; Delès les heus couvint, le bon espoy, brisier. Quant Baudewins le voit, l’espée va sachier, A Gaufroi rent estal pour lui à mort traitier, </poem> |valign=top| <poem> “ Ik ben Boudewijn, van wie ik u hierbij spreek. “ Door u ben ik zeer lange tijd van mijn familie gescheiden geweest, “ Nu ben ik teruggekeerd naar mijn eigen land, “ Waar men mij verteld heeft over uw verraad, “ En hoe u aan het heidense volk verkocht: “ Mijn vader, koning Arnoul, die zoveel macht bezat. “ Zo hebt u Nijmegen ten onrechte in uw macht gehad, “ En zo hebt u mijn moeder misleid en verraden; “ U hebt mij vergiftigd, wat mij allerminst behaagt. “ De dood van mijn lieve vader zal op u gewroken worden 490 “ En ook de dood van mijn moeder, en daarom daag ik u uit; “ Want mijn hart zegt mij duidelijk dat ik u het leven zal ontnemen. “ Sinds de dag dat ik uw mooie kroon neersloeg, “ Was dat een teken — mijn hart begreep het zo — “ Dat uw eer door mij ten val zou worden gebracht. “ Welnu, wees vanaf nu en in de toekomst voor mij op uw hoede, “ Voor u zou ik al het goud van het Byzantijnse Rijk niet willen aannemen. “ Of ik of u zal sterven, nog vóór het uur van het avondgebed, “ Want moge het God noch de Maagd Maria behagen “ Dat ik u ooit nog uit het oog of uit het oor verlies. “ Toen Gaufer Boudewijn, de krijger, hoorde spreken, Werd hij zo door woede en wanhoop gegrepen; Hij weet heel goed dat hij schuldig is, maar hij kan het ook goed ontkennen. Toen zei hij tegen Boudewijn: “ Ik mag jou totaal niet! “ Ik daag je uit in de naam van God, de rechtvaardige Vader. “ Toen hief hij onmiddellijk het zwaard met twee handen omhoog; Boudewijn dacht dat de slag op zijn helm zou belanden, Maar de slag gleed omlaag over zijn gekwartierde schild, En dreef het staal wel een ruime halve voet diep erin. En Boudewijn op zijn beurt werpt zijn speer naar hem, Hij probeerde hem recht in de buikstreek te spietsen, Maar hij kon de harnasplaten daar niet beschadigen; Vlakbij de pareerstangen moest de goede speer wel breken. Toen Boudewijn dat zag, trok hij snel zijn zwaard, En hij bood Gaufroi fel weerstand om hem de genadeslag toe te brengen, </poem> |}<noinclude></noinclude> qaz3hzwskvum8r1zxdorx0pwgfjh3wh Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/775 104 88714 226105 2026-08-30T07:50:14Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226105 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> Or sont li canpion enmi le camp, andoi. Bauduwins ot grant joie de cou qu’il ot Gaufroi, Hautement li escrie : « lieux sui quant je vous voi. « Je te desfi de Dieu et de sa dine loi ! « Onques mais je ne fui, par Dieu, si priès de toi « Puis que fui à Nimaie : là te vi comme roi, « N’avoie que ·iij· ans, ramenbre-toi de moi, « Car te couronne d’or abati devant toi « A le tière ou palais, plus le virent de troi, « Morir m’en vosis faire à duel et à béloi. « Entre deus bacins fui assis en povre esploi, « De pumes et d’or fin furent enplus andoi : « Je mis les mains as pumes, dont je fus en esfroi ; « Sé j’éuisse pris l’or, li baron de ta loi « M’eusent jugiet à mort, pour faire ton otroi. « A briés parlers, je sui Bauduwins, fieux le roi « Que vendis outre mer, à duel et à anoi ; « Ma mère si fu Rose qu’as mis en povre ploi ; « Andeus les vengerai, ains qu’escapes de moi. » Quant Gaufrois l’entendi, si en fu en esfroi ; Là, fu tristres et mas et de dolant aroi, Si a dit a Bauduwins, par Dieu, ce poise moi « Que j’ai encontre vous le guère et le castoi ; « Et sé vous me volés pardonner vostre anoi, « Je vous ensignerai, par Dieu et par se croi, « Vo mère, la roine : n’est pas morte, ce croi, « Je sai bien où elle est, vivans en boin conroi ; « Je le te renderai, sé j’ai le pais à toi. » « Lères, » dist Bauduwins, « de ce point ne te croi, « Pas ne m’escaperas, pour dire je le doi ! « Tu ne fais pas à croire, puis qu’as menti ta foi. « Gaufroi, » dist Bauduwins, « de Dieu je te desfi. » « Et jou toi, » dist Gaufrois, « quant n’arai pais à ti. » Adonques s’eslor jièrent ·j· arpent et demi, Des lances qui sont roides, des fiers qui sont bruni, </poem></i> |valign=top| <poem> <i>Nu staan de kampvechters te midden van het krijgsperk, allebei. Boudewijn was vervuld van grote vreugde toen hij Gaufroi zag, Luidkeels roept hij hem toe: "Blij ben ik nu ik u zie. Ik daag u uit in de naam van God en Zijn heilige wet! Nooit eerder was ik, bij God, zo dicht bij u Sinds ik in Nijmegen was: daar zag ik u als koning. Ik was toen pas drie jaar oud, herinner u mij, Want ik sloeg uw gouden kroon vlak voor uw ogen af Tegen de grond van het paleis, meer dan drie getuigen zagen het. U wilde mij daarom ter dood brengen, met smart en schande. Tussen twee schalen werd ik geplaatst, in een hachelijke positie, Met appels en met zuiver goud waren ze allebei gevuld: Ik reikte met mijn handen naar de appels, waardoor ik in angst verkeerde; Als ik het goud had genomen, zouden de baronnen van uw wet Mij ter dood hebben veroordeeld, om uw wil te geschieden. Kortom, ik ben Boudewijn, de zoon van de koning Die u overzee verkocht heeft, tot verdriet en kwelling; Mijn moeder was Roos, die u in een deerniswaardige staat stortte; Beiden zal ik wreken, voordat u aan mij ontsnapt." Toen Gaufroi dit hoorde, raakte hij in grote angst; Daar stond hij, bedroefd, verslagen en in een jammerlijke staat, En hij zei tegen Boudewijn: "Bij God, het spijt mij ten zeerste Dat ik met u in oorlog en in strijd gewikkeld ben; En als u mij uw grieven wilt vergeven, Zal ik u wijzen, bij God en bij dit kruis, Waar uw moeder, de koningin, is: zij is niet dood, geloof ik, Ik weet heel goed waar zij is, levend en in goede gezondheid; Ik zal haar aan u teruggeven, mits ik vrede met u sluit." "Schurk!" zei Boudewijn, "op dit punt geloof ik u niet, U zult mij niet ontsnappen, hoezeer u ook beweert dat het uw plicht is! U bent niet te vertrouwen, aangezien u uw eed heeft gebroken. Gaufroi," zei Boudewijn, "in Gods naam daag ik u uit." "En ik jou," zei Gaufroi, "nu ik toch geen vrede met je krijg." Vervolgens stormden zij anderhalve morgen achteruit om afstand te nemen, Met hun lansen die onbuigzaam zijn, en de ijzers die glanzend gepolijst zijn.</i> </poem> |}<noinclude></noinclude> elaqgjcxpo59bryvzegjv8cs3yicw53 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/776 104 88715 226109 2026-08-30T07:56:14Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226109 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Et Gaufer se desfent pour sa vie alongier. En Gaufroi i avoit ·j· hardi losengier : S’il ne fust fax traïtres, j’ose bien afichier C’on ne trouvast, el mont, plus hardi chevalier ; N’o plus bel champion assis sus ·j· destrier, Mais che le honnissoit et estet et ivier Que tout adès voloit jouer de son mestier. Là dehors de Paris, celle noble chité, Furent, li champion, richement adoubé : D’ochirre li ·j· l’autre avoient volenté, Si se fièrent grans cos, moult sont desmesuré ; Li ·j· ne monstre à l’autre amour ni amisté. Baudewins de Sebourc a forment désiré De vengier le sien père, au gent corps naturé, Et sa mère ensément, qui tant ot de bonté. A Gaufroi, le traïtre, a-il maint cop geté, Et Gaufer se gardoit, mais le coer ot iré Qu’il n’ot point de blaison au senestre costé ; Si frapoit, à ·ij· mains, de telle adversité Que s’il éust à plain Baudewin assené, Je croi qu’il li éust le haterel copé. A ·j· cop qu’il jeta Baudewin, le membré, Assena le cheval ·j· cop desmesuré ; Devant en le testière l’a si bien avisé L’armure … li trenche, le cuir a entamé, Le branc li mist en char demi pié mesuré. Li chevaus s’esfréa, le dos li … tourné Et Gaufer i féri par si grande fierté La cuisse li trencha, à son branc afilé. Li chevaus est chéus, le corps ot afolé, Et Baudewins chéi lès j. perron quarré ; A tel mescief chéi près n’a le coer crevé, Li brans li saut du pong, en ou champ ordené. Quant Gaufer vit l’espée, si en a Dieu loé, Du cheval descendi, lors a le branc combré ; </poem> |valign=top| <poem> En Gaufer verdedigt zich om zijn leven te verlengen. In Gaufroi huisde een koene bedrieger: Als hij geen valse verrader was geweest, durf ik wel te beweren Dat men op de wereld geen dapperder ridder zou vinden; Noch een schonere kampioen gezeten op een strijdros, 520 Maar dit onteerde hem, zowel in de zomer als in de winter, Dat hij altijd en overal zijn bedrieglijke stiel wilde uitoefenen. Daar buiten Parijs, die edele stad, Waren de kampioenen rijkelijk bewapend: Om elkaar te doden waren zij vastberaden, En zo brachten zij elkaar grote, mateloze slagen toe; De een toonde de ander liefde noch vriendschap. Boudewijn van Sebourc heeft vurig verlangd Om zijn vader te wreken, die een edel en natuurlijk man was, En evenzo zijn moeder, die zoveel goedheid bezat. 530 Naar Gaufroi, de verrader, heeft hij menige slag uitgedeeld, En Gaufer beschermde zich, maar zijn hart was vol wrok Omdat hij geen schild aan zijn linkerzijde had; Toch sloeg hij, met twee handen, met zulke felheid Dat als hij Baudewin voluit had geraakt, Ik geloof dat hij hem de nek zou hebben afgehakt. Bij een slag die hij naar Baudewin, de sterke, wierp, Trof hij het paard met een mateloze klap; Vooraan op het kopstuk heeft hij het zo goed geraakt Dat het harnas... breekt, en het leder is gekeerd, Het zwaard drong wel een halve voet diep in het vlees. 541 Het paard schrok, de rug ... hem gekeerd En Gaufer sloeg toe met zo'n grote woestheid Dat hij zijn dij doorkliefde met zijn geslepen zwaard. Het paard is gevallen, zijn lichaam was zwaargewond, En Boudewijn viel neer naast een vierkante hardsteen; Met zo'n harde klap viel hij dat zijn hart er bijna van brak, Het zwaard springt uit zijn vuist, daar op het slagveld. Toen Gaufer het zwaard zag, loofde hij God, Steeg hij van het paard af en raapte toen de kling op; 550 </poem> |}<noinclude></noinclude> nbmubhh3b6kw6co6dv1sqk3v0pga44p Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/777 104 88716 226110 2026-08-30T08:00:23Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226110 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Alleen in manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> S’entrefièrent, andoi li cevalier hardi, Et de cors et de pis sont entrecontré si Que les lances brisièrent et froisièrent par mi. Outre sont tout passet, puis se sont revierti ; Cescuns a trait l’espée qui au cain li pendi. Bauduwins de Sebourcq Gaufroi prumiers féri Amont sur le hiaume, c’au soleil resplendi ; Gaufrois fiert en la targe, que li cos descendi Sur le col dou destrier, à ce que dire oï, Le tieste dou ceval a trenciet tout par mi ; Li cevaus est viersés et Bauduwins céi. Et quant Gaufrois le voit, forment s’en esjoï, Se li dist : « Bauduwins, je le vous ai méri, « Vous ne m’escaperès, tos vous arai ocis ! « Puisque ne truis en vous ně trièves né mierchi, « La tieste vous torai à mon bon brancq forbi. » « Lères ! » dist Bauduwins, au corage agensi, « Mes cevaux n’avoit mie tel cose désiervi. « Sé vous ne descendés à piet, encontre mi, « J’ocirai le destrier, en ciertain le vous di. » Gaufrois ne vot descendre, ains ceurt adiès sur li Et le cuidoit fouler à piés de son roncis. « E ! Dieux, » dient François, « et que sera-ce chi ? « Gaufrois a maintenant viers l’autre bien parti ! » Dolant furent François, quant la cose ont coisie, Mais li bers Bauduwins, qui le cière ot hardie, Fiert apriès le destrier de l’espée fourbie ; Là endroit li donna si grande entortelie Que li cevaus le fuit, aprocier ne vot mie. Et Gaufrois s’avisa d’une grant trécerie : Il broce le ceval, autour dou camp tournie Et défuit Bauduwin, pour ce qu’il ne voet mie Que li batalle soit en celui jour fénie ; Car s’il pooit durer jusques à le nuitie, Bauduwins de Sebourcq en pierderoit la vie. </poem></i> |valign=top| <poem> <i>Ze vielen elkaar aan, beide koene ridders, En raakten elkaar zo hard met lijf en borst Dat de lansen braken en middendoor splinterden. Beiden reden ze volledig door, en keerden toen om; Ieder trok het zwaard dat aan zijn gordel hing. Bauduin van Sebourcq trof Gaufroi als eerste Bovenop de helm, die schitterde in de zon; Gaufroi sloeg op het schild, zodat de klap neerdaalde Op de hals van het strijdpaard, naar wat ik hoorde zeggen, De kop van het paard hieuw hij volledig middendoor; Het paard stortte neer en Bauduin viel. En toen Gaufroi dat zag, verheugde hij zich enorm, En zei tegen hem: “ Bauduin, ik heb het u betaald, U zult mij niet ontsnappen, ik zal u geheel doden! Aangezien ik in u noch bestand noch genade vind, Zal ik uw kop eraf hakken met mijn goede, blanke zwaard. “ “ Schurk! “ zei Bauduin, met een waardig gemoed, “ Mijn paard had zo'n lot allerminst verdiend. Als u niet te voet afdaalt, om tegenover mij te staan, Zal ik uw strijdpaard doden, dat zeg ik u voorzeker. “ Gaufroi wilde niet afstijgen, maar stormde meteen op hem af En dacht hem te vertrappen onder de hoeven van zijn rijpaard. “ O! God, “ zeiden de Fransen, “ en wat zal dit hier worden? “ “ Gaufroi staat er nu heel goed voor ten opzichte van de ander! “ Bedroefd waren de Fransen, toen zij de zaak aanschouwden, Maar de held Bauduin, die een moedige blik had, Sloeg daarna naar het strijdpaard met het blanke zwaard; Hij gaf het daar ter plekke zo’n grote uithaal Dat het paard voor hem vluchtte en absoluut niet wilde naderen. En Gaufroi bedacht een grote list: Hij spande het paard de sporen aan, keerde rond het slagveld En ontweek Bauduin, omdat hij helemaal niet wilde Dat de strijd op diezelfde dag beslecht zou worden; Want als hij het zou kunnen volhouden tot de nacht overviel, Zou Bauduin van Sebourcq daar het leven bij inschieten.</i> </poem> |}<noinclude></noinclude> 5yefy96jvecaxw3hzxsyny3x9qoqvwh 226111 226110 2026-08-30T08:02:39Z Havang(nl) 4330 226111 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> S’entrefièrent, andoi li cevalier hardi, Et de cors et de pis sont entrecontré si Que les lances brisièrent et froisièrent par mi. Outre sont tout passet, puis se sont revierti ; Cescuns a trait l’espée qui au cain li pendi. Bauduwins de Sebourcq Gaufroi prumiers féri Amont sur le hiaume, c’au soleil resplendi ; Gaufrois fiert en la targe, que li cos descendi Sur le col dou destrier, à ce que dire oï, Le tieste dou ceval a trenciet tout par mi ; Li cevaus est viersés et Bauduwins céi. Et quant Gaufrois le voit, forment s’en esjoï, Se li dist : « Bauduwins, je le vous ai méri, « Vous ne m’escaperès, tos vous arai ocis ! « Puisque ne truis en vous ně trièves né mierchi, « La tieste vous torai à mon bon brancq forbi. » « Lères ! » dist Bauduwins, au corage agensi, « Mes cevaux n’avoit mie tel cose désiervi. « Sé vous ne descendés à piet, encontre mi, « J’ocirai le destrier, en ciertain le vous di. » Gaufrois ne vot descendre, ains ceurt adiès sur li Et le cuidoit fouler à piés de son roncis. « E ! Dieux, » dient François, « et que sera-ce chi ? « Gaufrois a maintenant viers l’autre bien parti ! » Dolant furent François, quant la cose ont coisie, Mais li bers Bauduwins, qui le cière ot hardie, Fiert apriès le destrier de l’espée fourbie ; Là endroit li donna si grande entortelie Que li cevaus le fuit, aprocier ne vot mie. Et Gaufrois s’avisa d’une grant trécerie : Il broce le ceval, autour dou camp tournie Et défuit Bauduwin, pour ce qu’il ne voet mie Que li batalle soit en celui jour fénie ; Car s’il pooit durer jusques à le nuitie, Bauduwins de Sebourcq en pierderoit la vie. </poem></i> |valign=top| <poem> <i>Ze vielen elkaar aan, beide koene ridders, En raakten elkaar zo hard met lijf en borst Dat de lansen braken en middendoor splinterden. Beiden reden ze volledig door, en keerden toen om; Ieder trok het zwaard dat aan zijn gordel hing. Bauduin van Sebourcq trof Gaufroi als eerste Bovenop de helm, die schitterde in de zon; Gaufroi sloeg op het schild, zodat de klap neerdaalde Op de hals van het strijdpaard, naar wat ik hoorde zeggen, De kop van het paard hieuw hij volledig middendoor; Het paard stortte neer en Bauduin viel. En toen Gaufroi dat zag, verheugde hij zich enorm, En zei tegen hem: “ Bauduin, ik heb het u betaald, U zult mij niet ontsnappen, ik zal u geheel doden! Aangezien ik in u noch bestand noch genade vind, Zal ik uw kop eraf hakken met mijn goede, blanke zwaard. “ “ Schurk! “ zei Bauduin, met een waardig gemoed, “ Mijn paard had zo'n lot allerminst verdiend. Als u niet te voet afdaalt, om tegenover mij te staan, Zal ik uw strijdpaard doden, dat zeg ik u voorzeker. “ Gaufroi wilde niet afstijgen, maar stormde meteen op hem af En dacht hem te vertrappen onder de hoeven van zijn rijpaard. “ O! God, “ zeiden de Fransen, “ en wat zal dit hier worden? “ “ Gaufroi staat er nu heel goed voor ten opzichte van de ander! “ Bedroefd waren de Fransen, toen zij de zaak aanschouwden, Maar de held Bauduin, die een moedige blik had, Sloeg daarna naar het strijdpaard met het blanke zwaard; Hij gaf het daar ter plekke zo’n grote uithaal Dat het paard voor hem vluchtte en absoluut niet wilde naderen. En Gaufroi bedacht een grote list: Hij spande het paard de sporen aan, keerde rond het slagveld En ontweek Bauduin, omdat hij helemaal niet wilde Dat de strijd op diezelfde dag beslecht zou worden; Want als hij het zou kunnen volhouden tot de nacht overviel, Zou Bauduin van Sebourcq daar het leven bij inschieten.</i> </poem> |}<noinclude></noinclude> od9572whsb5ec77df1x6cwzog5frkw3 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/778 104 88717 226112 2026-08-30T08:03:41Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226112 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Baudewins i akeurt, comme lions cresté, Mais ains qu’il i venist, l’avoit, Gaufer, hapé : Le branc leva en l’air et puis si l’a geté Pour mètre hors du champ, tout à sa volenté, Par coi ses anemis ne l’en fesist griété. Adès sont traïtour de lor fait avisé. Quant Gaufer tint l’espée, tout en air le leva Pour geter hors du champ ; tellement l’envoïa Que tout parmi les gens, li lères, le jeta. Là, ot ·j· sergant d’armes, garde ne s’en donna, Où li cos doit chair trestout adès cherra, Li brans chéi sour lui, li déables l’i porta, Car le bras et l’espaulle, li achiers, li trencha. Et quant li sergant vit le domage qu’il a, Il fu si effraés c’un tel cri en geta Que jusques en Paris le vois de lui ala ; Il a prise l’espée, ens ou champ le rua Pour afoler Gaufroi, mais point ne l’assena. Baudewins vit l’espée, adonkes le hapa, Jofans fu à son coer que le branc d’achier r’a, Vaincus cuida bien estre quant Gaufer li osta. Gaufer fu moult dolans, Jhésu en maugréa, Mais il fut si soutiex que tantost s’avisa Que che n’est mie drois de che car on li a S’espée regetée ; adont se pourpensa Qu’à gouverneurs du champ ·j· droit demandera Pour oir jugement, car volentiers plaida. Ch’est mannière de faus, qui onques droit n’ama. Gaufer, quant il perchuit qu’ensi avoit s’espée Li gentis Baudewins, mie ne li agrée ; As gardes s’escria, à moult haute allenée : « Seigneur, faites-me droit, sans nulle demourée ; « Je di que chuis vassaus à cui on a getée « L’espée que j’avoie de mon droit conquestée, « Mise hors du cordis et par force boutée, </poem> |valign=top| <poem> Boudewijn snelt toe, als een leeuw met opgezette manen, Maar voordat hij erbij kon komen, had Gaufer het gegrepen: Hij hief de kling in de lucht en wierp het vervolgens weg Om het buiten het veld te krijgen, geheel naar zijn wil, Opdat zijn vijand hem er geen schade mee zou berokkenen. Verraders zijn altijd listig in hun daden. Toen Gaufer het zwaard vasthad, hief hij het hoog in de lucht Om het buiten het veld te werpen; hij smeet het zo krachtig Dat hij, de schurk, het midden tussen de mensen gooide. Daar stond een wapenknecht, die er geen erg in had, 560 Waar de slag moet vallen, daar zal hij ook prompt neerkomen, De kling viel op hem, de duivel bracht hem daarheen, Want het staal hakte zijn arm en zijn schouder eraf. En toen de knecht de schade zag die hij had opgelopen, Was hij zo ontzet dat hij een zodanige kreet slaakte Dat het geluid ervan tot in Parijs te horen was; Hij nam het zwaard en wierp het het strijdperk in Om Gaufroi te verwonden, maar hij raakte hem helemaal niet. Boudewijn zag het zwaard en greep het toen snel vast, Zijn hart leefde op nu hij de stalen kling weer terug had, 570 Hij dacht al dat hij overwonnen was toen Gaufer het hem ontnam. Gaufer was zeer bedroefd en vervloekte Jezus, Maar hij was zo sluw dat hij zich direct bedacht Dat dit absoluut niet rechtvaardig is, omdat men hem Zijn zwaard had teruggegooid; toen bedacht hij Dat hij aan de kampleiders een oordeel zou vragen Om een uitspraak te horen, want hij pleitte graag. Dat is de aard van een bedrieger, die nooit van het recht hield. Gaufer, toen hij bemerkte dat de edele Boudewijn Zijn zwaard zo weer in handen had, was daar allerminst blij mee; 580 Hij riep de bewakers toe, met luide stem en buiten adem: “ Heren, doe mij recht, zonder enig uitstel; “ Ik zeg dat ik een strijder ben naar wie men “ Het zwaard heeft gegooid dat ik rechtmatig had veroverd, “ Buiten het strijdperk gebracht en er met kracht uit gestoten, </poem> |}<noinclude></noinclude> jm0bd6cbgoxk4swj3mx14fq4xmy5pcz Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/779 104 88718 226113 2026-08-30T08:05:19Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226113 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> Bauduwins ceurt apriès, et li glous le tarie ; Quant Bauduwins le cuide férir parmi l’oïe, Il s’eslonge de lui, ataindre ne le puet mie. Dont pierçut, Bauduwins, le grant losengerie : « E ! Dieux, » dist Bauduwins, « qu’en la Vierge-Marie « Presis, pour nous sauver, et car et sancq et vie, « Voelliés-moi conforter ! Dame saintéfiie, « Et si très vraiement, Dame, je vous en prie, « Que sé je puis mater le laron plain d’envie, « Je paserai le mer et irai en Surie « Vengier le mort ton fil sus le gent païénie. » Gaufrois ceurt tout adiès, Bauduwin n’atent mie, Sé dist à Bauduwin : « encor ne m’as-tu mie ! « Sé solaus esconsoit, tu as pierdut la vie. « Il fait mauvais juer à moi, je le t’afie, « Tu n’es c’uns aprentis, mais je sai le mestrie. » Bauduwins fu dolans et plains de marison De cou qu’il ne pooit ataindre le glouton ; Quant il le cuide avoir au férir de randon, Tantos s’est eslongiés à un autre coron, Et li bers ceurt apriès, contre val le sablon. Si fort se travilla, au courir de randon, Que li sueurs dou cors li dégoute à fuison « E ! Dieux, » dist Bauduwins qui cuer ot de lion, « Onques mais ne trouvai nul si fait canpion ! « Or, scet-il plus de honte que Judas, le félon « Qui vendi Jesu-Cris par male desraison. » Il escrie à Gaufroit : « or entent ma liçon ; « Descent de ton ceval, par tel devision « Que je te ferai chi une bielle parçon : « ·iiij· cos me fréras, prumiers, en ·j· randon ; « Et sé tu ne me tues, apriès celle ocoison, « Ne voel sur ti c’un cop né c’un seul horion. » « Bauduwins, » dist Gaufroit, « je n’en donne ·j· bouton ! « Je ne te voel nul mal, si ait m’arme pardon, </poem></i> |valign=top| <poem> <i>Boudewijn rent erachteraan, en de schurk tart hem; Wanneer Boudewijn hem denkt te slaan bij het oor, Wijkt hij van hem weg, hij kan hem geenszins raken. Toen doorzag Boudewijn het grote bedrog: “ O! God, “ zei Boudewijn, “ die in de Maagd Maria Vlees, bloed en leven aannam om ons te redden, Wilt mij troosten! Geheiligde Vrouwe, En zo waarlijk, Vrouwe, smeek ik u hierom, Dat als ik de dief vol afgunst kan verslaan, Ik de zee zal oversteken en naar Syrië zal gaan Om de dood van uw zoon te wreken op het heidense volk. “ Gaufrois snelt meteen toe, Boudewijn wacht helemaal niet, En zegt tegen Boudewijn: “ je hebt me nog lang niet! Als de zon ondergaat, heb jij je leven verloren. Het is slecht met mij spelen, dat verzeker ik je, Je bent slechts een leerling, maar ik ken het meesterschap. “ Boudewijn was bedroefd en vol van ontstemming Omdat hij de schurk maar niet kon bereiken; Wanneer hij hem denkt te hebben bij een hevige slag, Is deze alweer naar een andere hoek uitgeweken, En de edelman rent erachteraan, ginds over het zand. Hij matte zich zo hard af, in die hevige stormloop, Dat het zweet hem in overvloed van het lijf droop. “ O! God, “ zei Boudewijn die het hart van een leeuw had, “ Nooit eerder vond ik zo'n kampvechter! Welnu, hij kent meer schandelijkheid dan Judas, de verrader Die Jezus Christus verkocht uit pure slechtheid. “ Hij roept naar Gaufrois: “ luister nu naar mijn voorstel; Stijg af van je paard, onder deze voorwaarde Dat ik je hier een mooie deal zal maken: “ Vier slagen mag je mij toebrengen, eerst, in één ruk; En als je me niet doodt, na die gelegenheid, Wil ik op jou slechts één klap of één enkele slag terug. “ “ Boudewijn, “ zei Gaufrois, “ het kan me geen knoop schelen! “ Ik wil je geen kwaad doen, zo zij mijn ziel vergeven,</i> </poem> |}<noinclude></noinclude> iwq0gth5rqclzi9yhqqfd380flsrx1u Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/780 104 88719 226114 2026-08-30T08:22:26Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226114 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Ne li doit, jammais jour, estre plus délivrée ; « Aidier il n’en s’en doit, par nulle destinée. « Si vous pri que droiture m’en soit par vous donnée, « Sé je demande droit, vo lois n’en soit faussée. » Dient li ordeneur : « ne faites assamblée, « Tenés vous en che point jusqu’à no retournée. » « Voire, » dist Baudewins, à le chière menbrée, « Mais sus moi en poet estre li perte contournée : « Qui apelle de champ, ch’est bien coze prouvée « Et coustume notoire, de pièce a allevée, « Que li apellans doit estre, ains nonne sonnée, « Ou champ à sen pareil et commenchier mellée ; « Et s’entre ·ij· solaus, au point de la vesprée, « Ne rent son compaignon récréant la journée, « N’i poet venir à tamps mais en toute l’année ; « Trouvés est en son tort, s’a le char traiënée « Et puis sé le pent-on, s’a le vie finée. « Et vous alés ensamble, dont mie ne m’agrée, « Adès s’en va li tamps, une hoere est tost passée ; « Mais ch’est au grief de mi, par le Vierge honnerée, « Ch’est drois que vous monstre … icheste dessevrée « C’a solaus abaissé qui est clers sans nuée. « Entreus que vous arés vostre oevre devisée, « Li deveroie bien le teste avoir coupée ; « S’est drois que ma raisons i soit aussi gardée. » Et chil ont respondu, à moult haute allenée : « S’anuit ne l’avés mort, ch’est le nostre pensée, « Si le tués demain, quant li aube est crevée. » Li ordeneur du champ, qui garder le devoient, Alèrent à conseil et puis se devisoient Comment à chestui fait maintenir se poroient ? Le sergant afolet moult très fort plaindre doivent, Le bras avoit trenchiet dont moult… courechoient ; S’ont dit a Baudewin s’espée li torròient, Plus ne s’en aidera, pour riens ne li lairoient. </poem> |valign=top| <poem> " Hij mag nooit, op geen enkele dag, meer worden vrijgelaten; " Hij mag erbij niet worden geholpen, door geen enkele bestemming. " Daarom verzoek ik u dat mij door u recht wordt gedaan," “ Als ik recht eis, moge uw wet dan niet worden geschonden. “ De arbiters van het perk zeiden: “ Organiseer geen confrontatie, 590 “ Houdt u in deze toestand tot aan onze terugkeer. “ “ Zeker, “ zei Boudewijn, met het krachtige gelaat, “ Maar op mij kan het verlies worden afgewenteld: “ Wie uitdaagt tot het perk, dat is een beproefde zaak “ En een bekende gewoonte, sinds lange tijd ingesteld, “ Dat de uitdager aanwezig moet zijn, vóór het luiden van de none, “ In het perk met zijn gelijke en de strijd moet beginnen; “ En als hij tussen twee zonnen, op het punt van de avond, “ Zijn metgezel die dag niet tot opgeven dwingt, “ Kan hij daar de rest van het jaar niet meer op tijd voor komen; 600 “ Dan wordt hij in het ongelijk gesteld, wordt zijn lichaam voortgesleept “ En daarna hangt men hem op, en zo eindigt zijn leven. “ En u gaat nu samen overleggen, wat mij allerminst behaagt, “ De tijd tikt voort, een uur is snel voorbij; “ Maar dit is in mijn nadeel, bij de geëerde Maagd, “ Het is recht dat u mij toont … deze scheiding “ Nu de zon gezakt is, die helder was zonder wolken. “ Terwijl u uw werk heeft geraamd, “ Zou ik hem allang het hoofd hebben moeten afhakken; “ Het is recht dat mijn argumenten hierin ook worden gereserveerd. “ 610 En zij antwoordden hem, met zeer luide stem: “ Als u hem vanavond niet doodt, zo is onze gedachte, “ Dood hem dan morgen, zodra de dageraad aanbreekt. “ De arbiters van het perk, die het moesten bewaken, Gingen in beraad en overlegden toen Hoe zij zich in deze zaak staande konden houden? Om de zwaargewonde sergeant moesten zij zeer luid klagen, Zijn arm was afgehakt, waarover zij zeer ... vergramd waren; Zij zeiden tegen Boudewijn dat zij hem zijn zwaard zouden ontnemen, Hij zal zich er niet meer mee helpen, voor niets zouden ze het hem laten. 620 </poem> |}<noinclude></noinclude> r9jyj4nfumimpdk0mvpnsafgai6qu8n Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/781 104 88720 226115 2026-08-30T09:12:56Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226115 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> « Ains vous requier que j’aie pais et acordison, « Et je vous renderai, sans point d’ariestison, « Rose, le vostre mère, à la clère façon ; « Car je l’ai enmurée, ens ou pais Frison, « En une haute tour dedens ·j· haut dongon. « Je vous requiere de pais, gentis fis à baron, « En l’onneur de le pais et dou digne pardon « Que Dieux fist à Longis, qui par malle ocoison « Le féri de la lance, par tel devision « Que li sans en salli si que bien le vit-on ; « Il pria Dieu mercit, par bonne entension, « Et Dieux li pardonna, s’en ot salvasion. « En l’onneur celui Dieu, te pri acordison : « S’irons, entre nous deus, au temple Salemon « Et vengier Jesu-Cris sur le geste Mahon. » « Taisiés, » dist Bauduwins, « fel encrieme, félon, « Dieux me voelle desfendre d’un si fait compagnon ! « Car vous n’amés tant riens que faire traïson. » Gaufrois scet bien parler et bien couviertement, Et Bauduwins le siet courant moult longement ; L’iaue et le sueur le grieve durement. Gaufrois scet bien fuir, à el à riens n’entent, Car si puet ensi faire jusqu’à l’anuitement, Quites est et délivres, sans paiier point d’argent ; Et Bauduwins le siet moult vigréusement. Ne l’ataindesist mie jusqu’au aviesprement Quant il s’est avisés d’un autre tour briefment : S’espée jete apriès, par moult grant mautalent, ·iiij· cos i geta, par grant efforcement, Il ne le puet consièvre, dont le cuer ot dolant ; Mais au ·vc· cop ataindi tèlement Que le gambe li a trencie radement Et li cevaux quai, à le tière s’estent. Quant Gaufrois, li traîtres, son ceval navret sent, Jus des arçons salli, moult vigréusement, </poem></i> |valign=top| <poem> <i>“ Integendeel, ik verzoek u dat ik vrede en verzoening verkrijg, “ En ik zal u teruggeven, zonder enig uitstel, “ Rose, uw moeder met het schone gelaat; “ Want ik heb haar ingemuurd, ginds in het Friese land, “ In een hoge toren, binnenin een hoge donjon. “ Ik smeek u om vrede, edele zoon van een baron, “ Ter ere van de vrede en de waardige vergeving “ Die God schonk aan Longinus, die door een kwalijke daad “ Hem stak met de lans, op zo'n wijze “ Dat het bloed eruit sprong, zodat men het duidelijk zag; “ Hij bad God om genade, met een oprechte intentie, “ En God vergaf het hem, waardoor hij zijn zielenheil vond. “ Ter ere van diezelfde God, smeek ik u om verzoening: “ Dan zullen wij, samen met ons tweeën, naar de tempel van Salomo gaan “ En Jezus Christus wreken op de bende van Mohammed. “ “ Zwijg, “ zei Boudewijn, “ afschuwelijke misdadiger, mispunt, “ Moge God mij behoeden voor zo'n metgezel! “ Want er is niets waar u zoveel van houdt als van verraad plegen. “ Gaufrois weet heel goed en zeer bedekt te spreken, En Boudewijn achtervolgt hem al rennend een hele tijd; Het water en het zweet vallen hem zwaar af. Gaufrois weet goed te vluchten, aan iets anders denkt hij niet, Want als hij dit zo kan volhouden tot het vallen van de avond, Is hij vrij en ontslagen, zonder een cent te betalen; En Boudewijn achtervolgt hem zeer energiek. Hij zou hem geenszins hebben ingehaald voor de avondschemering Toen hij plotseling een andere list bedacht: Hij werpt zijn zwaard hem achterna, in grote woede, Vier slagen wierp hij zo, met grote kracht, Hij kan hem niet raken, waarover zijn hart treurig was; Maar bij de vijfde worp raakte hij hem zodanig Dat hij hem het been er kordaat af hakte, En het paard stortte neer, languit op de grond. Toen Gaufrois, de verrader, voelde dat zijn paard gewond was, Sprong hij zeer gezwind uit het zadel,</i> </poem> |}<noinclude></noinclude> fynv1nzrpaf3bduitxtot9gws1vuxn2 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/782 104 88721 226116 2026-08-30T09:14:28Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226116 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Mais pour justiche faire, à cui commis estoient, A Gaufer, le félon, une main trencheroient Ens ou lieu du serjant, ensi l’afoleroient. Ensi à chi conseil ensamble s’acordoient, As champions s’en vinrent c’ou champ les atendoient. Gaufer, quant il perchieut qu’ensi va le traitin …. Li ordeneur du champ vinrent à Baudewin, Hors des poins li hostèrent son bon branc achérin ; Quant Baudewins le voit, si tint le chief enclin, Le Seigneur réclama, qui de l’iauwe fist vin, Dont se resvertua, chière fist de mastin, Et puis a dit à gardes : « franc noble palasin, « Wiediés hors de che champ, seigneur, pour saint Martin « Si me lachiés ochirre che traïtour frarin ; « Et sé je n’ai espée, je n’en donne ·j· frelin ! « Je preng en men aïde le saint pooir dévin : « Sé Diex me vœilt aidier, poi pris le sien engin ! « Chertes, je li ferrai jehir son larrechin « Et qu’il a fait le roy enherber par venin ; « Laver ne l’en porroit toute l’iauwe du Rin. » « Vassaus, » dient les gardes, « enchois verrés vo fin « Et vostre jugement, sans nul mauvais traitin, « Pour loïaument jugier sommes … tous aclin. » Les gardes apellèrent Gaufer, le losengier : « Sire Gaufer, » font-il, « li per voillent jugier « Que l’espée est perdue, ne vous poet empirier ; « Mais à geter orains avint grant encombrier, « Car le pong du sergant qui estoit sus l’erbier « Trenchastes tellement n’i remest que taillier ; « Si c’un menbre otrestel vous en convint laissier. « Ch’est costume de France, jugement de princhier, « Car qui tue d’espée, morir doit par achier ; « Qui tolt autrui ·j· menbre, le sien i faut laisier, « Ou faire à le partie tant qu’il puist apaisier. » Adont s’en va, Gaufer, vers le sergant prier </poem> |valign=top| <poem> Maar om gerechtigheid te doen, waarmee zij belast waren, Zouden zij Gaufer, de verrader, een hand afhakken In de plaats van de sergeant, zo zouden zij hem verminken. Zo werden zij het samen over deze raad eens, En gingen naar de kampvechters die hen op het veld opwachtten. Gaufer, toen hij merkte dat de zaak er zo voorstond... De orderegelaars van het veld kwamen naar Boudewijn, Uit zijn handen namen zij zijn goede stalen zwaard; Toen Boudewijn dit zag, hield hij het hoofd gebogen, Hij riep de Heer aan, die van water wijn maakte, 630 Waarna hij weer moed vatte en een grimmig gezicht trok, En toen zei hij tegen de ridders: “ Vrije, edele paladijnen, “ Verlaat dit veld, heren, bij Sint-Martinus, “ En laat mij deze snode verrader doden; “ En al heb ik geen zwaard, het kan me geen cent schelen! “ Ik neem de heilige goddelijke macht tot mijn hulp: “ Als God mij wil helpen, acht ik zijn list van weinig waarde! “ Waarlijk, ik zal hem zijn diefstal doen bekennen, “ En dat hij de koning met gif heeft laten vergiftigen; “ Al het water van de Rijn zou hem daar niet van kunnen witwassen. “ 640 “ Vazal, “ zeiden de wachters, “ veeleer zult u uw einde zien “ En uw vonnis, zonder enig vals bedrog, “ Om trouw te oordelen zijn wij allen geneigd. “ De wachters riepen Gaufer, de bedrieger: “ Heer Gaufer, “ zeiden zij, “ de pairs willen oordelen “ Dat het zwaard verloren is, wat u niet kan benadelen; “ Maar bij het werpen zojuist deed zich een groot incident voor, “ Want de vuist van de sergeant die op het gras lag, “ Hebt u zodanig afgehakt dat er niets meer te snijden overbleef; “ Zodat u een gelijkwaardig ledemaat hier moet achterlaten. 650 “ Dit is het gebruik van Frankrijk, een vorstelijk vonnis, “ Want wie met het zwaard doodt, moet sterven door het staal; “ Wie een ander een ledemaat ontneemt, moet het zijne achterlaten, “ Of de tegenpartij zoveel genoegdoening geven dat hij vrede sluit. “ Toen ging Gaufer heen om de sergeant te smeken </poem> |}<noinclude></noinclude> kn5cc8zvnemmsnk6e48itlh1rm5mis5 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/783 104 88722 226117 2026-08-30T09:17:15Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226117 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> Et puis ceurt à l’espée Bauduwin au cors gent ; Hors dou cordic le giète tout outre sur la gent, ·j· siergant consievi, là dehors, tèlement C’un bras li a copé et le poing ensement. Et quant cis sent le cop, si cria hautement Et dist : « lères Gaufrois, li cors Dieu te cravent ! » Il prist le brancq d’acier qui trençoit radement, Ou camp le rejeta ; Bauduwins le reprent. Dont commencent à rire trestout communement. Gaufrois fu moult dolans que li bers r’ot s’espée, Jugement demanda, criant à le volée ; Adonques fu, li balle, isniellement levée, A gardes est venus, Gaufrois, sans demorée Et dist : « signeur, bien doit droiture estre gardée ; « Ce n’est mie raisons, secourt de droit l’agrée, « Puisque j’ai hors dou camp sen espée jetée « Qu’elle li soit jamais rendue né livrée. » Dist li contes d’Anjo qui la barbe ot mellée : « A barons en sera la cose pourparlée. » « Sire, » dist Bauduwins, à le brace quarée, « S’on va en parlement, la journée est alée ! « Solaus esconsera, s’iert ma vie finée. » Dist li contes d’Anjo : « par ceste destinée « Et que la détriance est sur vous contournée, « S’anuit ne l’avés mort, c’est bien nostre pensée « Que demain l’ociiés, au point de la journée. » Li prince vont ensamble pour le cose jugier, Si enquièrent consiel à maint boin cevalier ; Et puis as canpions prendent à repairier. Dist li contes d’Anjo, sans nul avant parlier : « Bauduwins, je me viene des princes consillier ; « Par jugement est dit, je ne le doi noiier, « Que de la vostre espée ne vous poés aidier, « Hors dou camp l’estuet mettre sans point de l’atargier. « Mais il convient Gaufroi au siergant apaisier, </poem></i> |valign=top| <poem> <i>En dan rent Boudewijn met het edele lichaam naar het zwaard; Buiten de omheining werpt hij het, dwars over de mensen heen, Een schildknaap treft hij daar buiten zo hevig, Dat hij hem een arm heeft afgehakt en de vuist evenzo. En toen deze de slag voelde, riep hij luidkeels En zei: "Schurk Gaufrois, moge Gods lichaam je verpletteren!" Hij nam het stalen zwaard dat scherp sneed, En wierp het terug in het perk; Boudewijn raapt het weer op. Daarop beginnen zij allen tezamen te lachen. Gaufrois was zeer bedroefd dat de edele heer zijn zwaard terugvond, Hij eiste een vonnis, luidkeels roepend in het rond; Toen werd de baljuwstaf snel opgeheven, Naar de bewakers is Gaufrois gegaan, zonder uitstel, En zei: "Heren, het recht moet welbewaard blijven; Het is geenszins redelijk, noch strookt het met het recht, Aangezien ik zijn zwaard buiten het perk heb geworpen, Dat het hem ooit wordt teruggegeven of overhandigd." De graaf van Anjou, die een grijze baard had, sprak: "Met de baronnen zal deze zaak worden besproken." "Heer," sprak Boudewijn met de krachtige schouders, "Als men in beraad gaat, is de dag voorbij! De zon zal ondergaan, en dan is mijn leven ten einde." De graaf van Anjou sprak: "Door deze lotsbestemming, En omdat het uitstel zich tegen u heeft gekeerd, Als u hem vanavond niet hebt gedood, is het onze vaste gedachte Dat u hem morgen doodt, bij het aanbreken van de dag." De vorsten gaan samen om de zaak te berechten, Zij vragen raad aan menig goed ridder; En daarna keren zij terug naar de kampvechters. De graaf van Anjou sprak, zonder voorafgaand uitstel: "Boudewijn, ik kom overleggen namens de vorsten; Bij vonnis is uitgesproken, ik mag het niet ontkennen, Dat u zich niet met uw zwaard mag behelpen, Buiten het perk dient men het te leggen, zonder enig dralen. Maar het is gepast om Gaufrois met de schildknaap te verzoenen."</i> </poem> |}<noinclude></noinclude> 8lnu4qrx0d0wuvxx99361ti2ot1zfmk Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/784 104 88723 226118 2026-08-30T09:20:11Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226118 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Que tant prisist du sien, tout à son désirier, Que jammais en sa vie n’èust d’autrui mestier, Mais li sergans en jure le père droiturier N’en prenderoit tout l’or qui est à Monpélier, Onques prendre n’en volt né maille né dennier. Li sergans fu dolans, ne se volt acorder Pour conte né pour duc né pour prince né pour per. Baudewins de Sebourc l’emprist à apeller : « Vassaus, » dist Baudewins, « voilliés-moi escouter ; « Jammais n’arrai honneur, en terre ni en mer, « S’une coze ne faites dont je vaurrai parler ? » « Amis, » dist li sergans, « sor sains vous puis jurer « Je ferrai trestout ce que vaurrés deviser, « Mais que voie Gaufroi morir ou afoler. » « Oïl, » dist Baudewins, « il ne poet contrester. « Je vous pri qu’à Gaufroi vœilliés sa main prester « Dès-si jusques au nuit : sé je le puis mater, « Ensi le verré-vous et pendere et encruer ; « Et sé Diex li voloit la victoire donner, « Adont … feries-vous de son pong desmenbrer ; « Car je ne vœil que nulz vivans me puist réther « Qu’à — ·j·homme afolet voise jà assambler. « Nulle honnour n’averroie d’un tel homme tuer ! « Ch’est grant cose d’onneur, si c’on le doit amer. « Vassaus, » dist Baudewins, le chevalier hardis, « Je vous pri qu’à Gaufer soit donnés li respis, « Jusqu’à tant que li ·j· de nous sera ochis. « Sé Gaufer est vaincus, il sera à fin mis, « Pendus comme larrons ou escourchiés tous vis ; « Et s’il me poet mater, au voloir Jhésu-Cris, « S’en fait faire justice des juges de Paris. » « Sire, » dist li vassaus, « vous estes bien apris, « Et je le vous otroie, chertes ; mais ch’est envis, « Car s’il fust afolés ce fust miex vous pourfis. « Sé je devoie faire le champ qu’avés empris, </poem> |valign=top| <poem> Dat hij zoveel van zijn bezit zou aannemen, geheel naar zijn wens, Zodat hij nooit van zijn leven de hulp van een ander nodig zou hebben; Maar de sergeant zweert bij de rechtvaardige Vader Dat hij al het goud dat in Montpellier is nog niet zou aannemen, Nooit wilde hij er ook maar een oortje of een penning van aannemen. 660 De sergeant was bedroefd en wilde er niet mee instemmen, Niet voor een graaf, noch voor een hertog, noch voor een prins of gelijke. Boudewijn van Sebourc begon hem aan te spreken: "Vazal," zei Boudewijn, "gelieve naar mij te luisteren; Nooit zal ik eer behalen, te land noch ter zee, Als u niet één zaak doet waarover ik wil spreken." "Vriend," zei de schildknaap, "ik kan u op de heiligen zweren Dat ik werkelijk alles zal doen wat u wilt bevelen, Als ik Gaufroi maar zie sterven of verminkt worden." "Ja," zei Boudewijn, "hij kan er niet aan ontkomen. 670 Ik vraag u dat u Gaufroi uw hand wilt reiken Vanaf nu tot aan de nacht: indien ik hem kan overwinnen, Dan zult u hem zo zien ophangen en aan het kruis slaan; En als God hem de overwinning zou willen schenken, Dan... zou u zijn hand kunnen afhakken; Want ik wil niet dat enig levend mens mij kan verwijten Dat ik een reeds verminkt man ben gaan bevechten. Ik zou er geen enkele eer aan behalen een dergelijk man te doden! Het is een zaak van grote eer, die men in ere moet houden." "Vazal," zei Boudewijn, de dappere ridder, 680 "Ik vraag u dat aan Gaufroi dit uitstel wordt verleend, Totdat een van ons beiden zal zijn gedood. Als Gaufroi overwonnen is, zal er een einde aan hem worden gemaakt, Opgehangen als een dief of levend gevild; En als hij mij weet te overwinnen, naar de wil van Jezus Christus, Laat dan recht over hem spreken door de rechters van Parijs." "Heer," zei de vazal, "u bent zeer welgemanierd, En ik sta het u toe, voorwaar; maar het is tegen mijn zin, Want als hij verminkt was geweest, was dat beter voor uw voordeel. Indien ik het tweegevecht moest voeren dat u bent aangegaan, 690 </poem> |}<noinclude></noinclude> 2z5aehl46kbmteprahujff4walkzu8b Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/785 104 88724 226119 2026-08-30T09:22:12Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226119 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> « Tout à se volenté et à se désirier, « U on ira tantos Gaufroit ·j· poin trencier ; « Car çou est la coustume de France l’irétier : « Qui tot ·j· menbre autrui, tantos li faut ballier « Celui en caparel et là, li faut trencier « Ou faire à le partie, par argent ou ormier, « Le pais, tant que li plaise ; tant en volons jugier. : Et le siergant s’escrie, sans point de détriier : « Copés le poin Gaufroit ! je n’en arai denier. « Cà, » dit li siergans d’armes qui fu au roi de France, « Copés le poing Gaufroit, j’en voel avoir vengance ! « Jà n’en arai denier né nulle autre ounérance. » Et quant Gaufroit l’oï, si fu en grant doutance. Et quant Bauduwins vit si faite détriance, Venus est au siergant, où pas n’ot congnissance, Sé li dist : soufrés-vous de celle mesquéance ? « Je vous en vengerai sans point de détriance ! « Car jà ne m’avenra, sé Dieux plaist, tel vietance « A un homme afolé men mautalent essance ; « J’ai plus cier que je n’aie né espée né lance, « Car sé le puis mater ce sera grant vietance. » Et li siergans li dist, sans nulle demorance : « Je li donne respit, par vostre soufisance. » La bare fu ostée et Bauduwins s’avance, Il traist ·j· coutelet et le tient par poissance ; Venus est à Gaufroit, qui moult sot de mescance, Son escut li a goint si très priès de sa pance C’ou haubiert le féri, dont li malle estoit blance. Ens ou maistre-costé l’asena, sans doutance, Son coutiel bouta ens dé-si jusqu’à le mance. Au resaquier qu’il fist, li sans aval se lance ; Bauduwin feri sy Gaufroi de son coutiel Qu’au rasaquier qu’il fist li salent li boïel. Adont cria Gaufrois et fist ·j· lait apiel, Il entoise le brancq, si féri le dansiel : </poem></i> |valign=top| <poem> </>“ Geheel naar zijn wil en naar zijn verlangen, Zal men direct de hand van Gaufroi gaan afhakken; Want dat is de gewoonte van het Franse erfgoed: Wie het lichaamsdeel van een ander wegneemt, moet direct Dat van hemzelf als vergelding overhandigen, en daar moet men het afhakken, Of met de tegenpartij, door middel van zilver of zuiver goud, De vrede sluiten, totdat het hem behaagt; zoveel willen wij oordelen. “ En de sergeant roept uit, zonder enig uitstel: “ Hak de hand van Gaufroi af! Ik wil er geen penning voor hebben. Hierheen, “ zei de wapensergeant die van de koning van Frankrijk was, “ Hak de hand van Gaufroi af, ik wil er wraak voor hebben! Nooit zal ik er geld voor aannemen, noch enige andere eer. “ En toen Gaufroi het hoorde, was hij in grote angst. En toen Bauduin zo'n vertraging zag, Is hij naar de sergeant gegaan, die hij niet kende, En zei tegen hem: “ Duldt u deze kwalijke zaak? Ik zal u er direct, zonder uitstel, voor wreken! Want het zal mij, zo God het wil, nooit als een schande overkomen Dat ik mijn woede botvier op een reeds verminkte man; Het is mij dierbaarder dat ik noch zwaard noch lans bezit, Want als ik hem zo kan bedwingen, zal dat een grote schande zijn. “ En de sergeant zei tegen hem, zonder enig dralen: “ Ik geef hem uitstel, op uw gezag. “ De barrière werd weggehaald en Bauduin stapt naar voren, Hij trekt een mesje en houdt het met kracht vast; Hij is naar Gaufroi gelopen, die veel tegenspoed kende, Hij bracht zijn schild zo dicht bij diens buik Dat hij de maliekolder trof, waarvan de ringen glanzend waren. In de zijde trof hij hem, zonder twijfel, Hij stootte zijn mes erin, tot aan het heft toe. Bij het uittrekken dat hij deed, stroomde het bloed naar beneden; Bauduin trof Gaufroi zo met zijn mes Dat bij het uittrekken dat hij deed, zijn ingewanden eruit sprongen. Toen schreeuwde Gaufroi en slaakte een ijselijke kreet, Hij heft het zwaard op en trof de jonker:</i> </poem> |}<noinclude></noinclude> o0p2crx4d4nc3fucnkju2sv9x45obzk 226120 226119 2026-08-30T09:22:43Z Havang(nl) 4330 226120 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> « Tout à se volenté et à se désirier, « U on ira tantos Gaufroit ·j· poin trencier ; « Car çou est la coustume de France l’irétier : « Qui tot ·j· menbre autrui, tantos li faut ballier « Celui en caparel et là, li faut trencier « Ou faire à le partie, par argent ou ormier, « Le pais, tant que li plaise ; tant en volons jugier. : Et le siergant s’escrie, sans point de détriier : « Copés le poin Gaufroit ! je n’en arai denier. « Cà, » dit li siergans d’armes qui fu au roi de France, « Copés le poing Gaufroit, j’en voel avoir vengance ! « Jà n’en arai denier né nulle autre ounérance. » Et quant Gaufroit l’oï, si fu en grant doutance. Et quant Bauduwins vit si faite détriance, Venus est au siergant, où pas n’ot congnissance, Sé li dist : soufrés-vous de celle mesquéance ? « Je vous en vengerai sans point de détriance ! « Car jà ne m’avenra, sé Dieux plaist, tel vietance « A un homme afolé men mautalent essance ; « J’ai plus cier que je n’aie né espée né lance, « Car sé le puis mater ce sera grant vietance. » Et li siergans li dist, sans nulle demorance : « Je li donne respit, par vostre soufisance. » La bare fu ostée et Bauduwins s’avance, Il traist ·j· coutelet et le tient par poissance ; Venus est à Gaufroit, qui moult sot de mescance, Son escut li a goint si très priès de sa pance C’ou haubiert le féri, dont li malle estoit blance. Ens ou maistre-costé l’asena, sans doutance, Son coutiel bouta ens dé-si jusqu’à le mance. Au resaquier qu’il fist, li sans aval se lance ; Bauduwin feri sy Gaufroi de son coutiel Qu’au rasaquier qu’il fist li salent li boïel. Adont cria Gaufrois et fist ·j· lait apiel, Il entoise le brancq, si féri le dansiel : </poem></i> |valign=top| <poem> <i>“ Geheel naar zijn wil en naar zijn verlangen, Zal men direct de hand van Gaufroi gaan afhakken; Want dat is de gewoonte van het Franse erfgoed: Wie het lichaamsdeel van een ander wegneemt, moet direct Dat van hemzelf als vergelding overhandigen, en daar moet men het afhakken, Of met de tegenpartij, door middel van zilver of zuiver goud, De vrede sluiten, totdat het hem behaagt; zoveel willen wij oordelen. “ En de sergeant roept uit, zonder enig uitstel: “ Hak de hand van Gaufroi af! Ik wil er geen penning voor hebben. Hierheen, “ zei de wapensergeant die van de koning van Frankrijk was, “ Hak de hand van Gaufroi af, ik wil er wraak voor hebben! Nooit zal ik er geld voor aannemen, noch enige andere eer. “ En toen Gaufroi het hoorde, was hij in grote angst. En toen Bauduin zo'n vertraging zag, Is hij naar de sergeant gegaan, die hij niet kende, En zei tegen hem: “ Duldt u deze kwalijke zaak? Ik zal u er direct, zonder uitstel, voor wreken! Want het zal mij, zo God het wil, nooit als een schande overkomen Dat ik mijn woede botvier op een reeds verminkte man; Het is mij dierbaarder dat ik noch zwaard noch lans bezit, Want als ik hem zo kan bedwingen, zal dat een grote schande zijn. “ En de sergeant zei tegen hem, zonder enig dralen: “ Ik geef hem uitstel, op uw gezag. “ De barrière werd weggehaald en Bauduin stapt naar voren, Hij trekt een mesje en houdt het met kracht vast; Hij is naar Gaufroi gelopen, die veel tegenspoed kende, Hij bracht zijn schild zo dicht bij diens buik Dat hij de maliekolder trof, waarvan de ringen glanzend waren. In de zijde trof hij hem, zonder twijfel, Hij stootte zijn mes erin, tot aan het heft toe. Bij het uittrekken dat hij deed, stroomde het bloed naar beneden; Bauduin trof Gaufroi zo met zijn mes Dat bij het uittrekken dat hij deed, zijn ingewanden eruit sprongen. Toen schreeuwde Gaufroi en slaakte een ijselijke kreet, Hij heft het zwaard op en trof de jonker:</i> </poem> |}<noinclude></noinclude> kryoyipbmpb7hsvy7ieiqdt2oi1240x Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/786 104 88725 226121 2026-08-30T09:28:01Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226121 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Bien vaurroie qu’éust andeus les piés rostis « Et crevés les ·ij· iex et encore assés pis. « Vassaus, » dist Baudewins, « par Dieu de paradis, « Il venra bien à tamps d’estre mors et ochis ; « Vous orrés de ses fais ains que jours soit falis ! » « Diex ! » dient li Franchois, « con chuis hons est gentis ! « Il ne fesist jà chou, s’il ne fust trop hardis. » Et Baudewins s’escrie, comme hons amanevis : « Or chà, lères Gaufer, qui mon père vendis « Et s’enherbast Phyllippe, le roy de Saint-Denis, « Jehir le te ferai, s’il plaist à Jhésu-Cris, « Et de ma mère aussi, diras que t’en fesis. » Gaufer hauche l’espée, de férir aâtis, A Baudewin s’en va con hons d’aïr espris : Baudewins fist ·j· saut, si ch’est vers lui guechis, Si l’ahert à ·ij· bras, qu’il ot gros et furnis, Si l’estraint tellement qu’il se joint à son pis ; Là, li donna du tour dont il ot bon avis, A terre le geta si que tous estourdis. Et puis est vistement dessus son corps salis, De ses broches de fer, qu’il ot à gans massis, Li donna horrions … de ·lx·vi· Entour le haterel estoit si bien trellis De gorgière pisainne, s’avoit par dessous mis ·j· grant coler d’achier comme plates de pris, Com plus fiert Baudewins tant est plus ressortis ; Ses broches n’i valurent ·j· tout soel parésis. Gaufer faisoit samblant qu’il fust mors et ochis. Baudewins s’est levés, si a son coutel pris Qu’il li voloit lanchier droitement ens el pis ; Mais Gaufer, li traïtres, est sus ses piés salis, Puis a prise s’espée, si s’escrie à haus cris : « Par me foy, Baudewins, pas ne sui desconfis ! « Sé j’ai fait mal les vostres, encor lor ferai pis. » Dolans fu Baudewins, quant il ch’est perchius </poem> |valign=top| <poem> “ Ik zou wel willen dat zijn beide voeten geroosterd waren “ En zijn twee ogen uitgebarsten, en nog veel erger. “ Edelman, “ zei Boudewijn, “ bij de God van het paradijs, “ De tijd om te sterven en gedood te worden zal spoedig komen; “ U zult van zijn daden horen voordat de dag voorbij is! “ “ God! “ zeiden de Fransen, “ wat is deze man edel! “ Hij zou dit nooit doen als hij niet buitengewoon dapper was. “ En Boudewijn roept uit, als een strijdvaardig man: “ Kom op, verrader Gaufer, die mijn vader verkocht En Filippe vergiftigde, de koning van Saint-Denis, 700 “ Bekennen zal ik het je laten doen, als het Jezus Christus behaagt, “ En ook over mijn moeder zul je zeggen wat je haar hebt aangedaan. “ Gaufer heft het zwaard, belust om toe te slaan, Naar Boudewijn gaat hij toe als een man door woede bezeten: Boudewijn deed een sprong, en heeft zich naar hem toe gedraaid, Hij grijpt hem met beide armen, die groot en stevig waren, Hij klemde hem zo hard vast dat hij tegen zijn borst gedrukt zat; Daar gaf hij hem de zwaai die hij goed had uitgedacht, Tegen de grond wierp hij hem, zodat hij geheel duizelig was. En toen is hij snel bovenop zijn lichaam gesprongen, Met de ijzeren pinnen die hij aan zijn massieve handschoenen had, Gaf hij hem harde klappen... van zesenzestig. Rondom de nek was hij zo goed gevlochten Met een Pisaanse halsband, en hij had eronder gedragen Een grote stalen kraag als kostbare pantserplaten, Hoe harder Boudewijn slaat, hoe meer het wordt teruggekaatst; Zijn pinnen waren nog geen enkele parisis waard. Gaufer deed alsof hij dood en gedood was. Boudewijn stond op, en heeft zijn mes genomen Dat hij hem rechtstreeks in de borst wilde werpen; 720 Maar Gaufer, de verrader, is op zijn voeten gesprongen, Toen nam hij zijn zwaard en riep met luide stem: “ Bij mijn geloof, Boudewijn, ik ben nog niet verslagen! “ Als ik de uwen kwaad heb gedaan, zal ik hun nog erger aandoen. “ Bedroefd was Boudewijn, toen hij dit merkte </poem> |}<noinclude></noinclude> ddre4rmh03iwjckc2e9xpp5qx8g36uc Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/787 104 88726 226122 2026-08-30T09:37:09Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226122 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> Bien le cuida ataindre parmi le hateriel, Mais Bauduwins i mist son escut en cautiel, Et Gaufrois i féri ; si en fist tel masiel Qu’il en a abatu ·ij· quartiers ou praiel. Sur l’espaule l’ataint et trença le claviel, Mais en car n’ataint mie le noble damoisiel ; Car Dieux le garandi, pour le coer qu’ot loïel, Et Bauduwins s’escrie : « Gaufrois, par saint Marsiel, « Ne sai sé vous aves tuet vostre pourciel, « Mais vous fineries bien de tripes plain platiel. Gaufrois est moult dolans qu’ensi estoit férus, Li sans li ist dou cors, dont moult fu espierdus ; Sus couru Bauduwin, qui tant estoit menbrus, Mais Bauduwins s’est bien contre lui desfendus : A le luite l’a pris et si l’a jeté jus. Iluèques sont tournet par desus les palus ; Là, se toulièrent-il li uns sus l’autre jus, Et là s’est cescuns d’iaux tèlement maintenus Que cescuns des ·ij· est si lases devenus Ne se poèent mouvoir, tant ont les cuers confus. Et Gaufrois fu de cuer dolans et irascus, Car Bauduwin défuit, ne l’ose atendre plus ; Et Bauduwins le fiert, li cevaliers menbrus, Et dist : « lères mauvais, ce ne vaut ·ij· festus, « Plus ne vous aidera vos maitres Bregibus ! « Il a passet loncq tans qu’iestes à lui rendus, « O lui serés anuit ricement recéus. » Et Gaufrois jete ·j· cop dou brancq qui fu moulus, Et Bauduwins saut outre ; li cos est jus céus, A val ens ou sablon est en tière férus. Adont au retourner va courir Gaufroit sus, De se coutiel li lance qui boins fu et agus ; En l’espaule le fiert, les os li a ronpus. Un tour li fist de luite et Gaufrois est céus, Dont jeta ·j· tel crit que bien fu entendus. </poem></i> |valign=top| <i><poem> Hij dacht hem goed te raken in de nek, Maar Boudewijn plaatste zijn schild daar als bescherming, En Godfried sloeg erop; hij richtte zo'n ravage aan Dat hij er twee stukken of delen van af sloeg. Op de schouder raakt hij hem en klieft het sleutelbeen, Maar het vlees van de edele jongeman raakt hij helemaal niet; Want God beschermde hem, vanwege zijn loyale hart, En Boudewijn roept uit: « Godfried, bij Sint Marcel, « Ik weet niet of u uw varken al heeft geslacht,« Maar u zou wel eindigen met een bord vol ingewanden. » Godfried is zeer bedroefd dat hij zo geslagen werd, Het bloed stroomt uit zijn lichaam, waardoor hij erg ontdaan was; Hij rende op Boudewijn af, die zo sterk gebouwd was, Maar Boudewijn heeft zich goed tegen hem verdedigd: In de worsteling greep hij hem en zo wierp hij hem neer. Daar rolden zij over de grond in de modder; Daar wentelden zij zich, de een over de ander heen, En daar hield ieder van hen zich zo kranig staande Dat elk van de twee zo vermoeid raakte Dat zij zich niet meer konden bewegen, zo uitgeput waren hun harten. En Godfried was diep bedroefd en woedend in zijn hart, Omdat hij Boudewijn ontweek en hem niet meer durfde af te wachten; En Boudewijn slaat hem, de sterk gebouwde ridder, En zegt: « Slechte schurk, dit is nog geen twee strootjes waard, « Uw meester Bregibus zal u niet meer helpen! « Het is al lang geleden dat u zich aan hem heeft overgegeven, « Bij hem zult u vannacht koninklijk worden ontvangen. » En Godfried deelt een slag uit met zijn geslepen zwaard, En Boudewijn springt opzij; de slag valt omlaag, Beneden in het zand slaat het diep in de grond. Toen, bij het omdraaien, stormt hij op Godfried af, Met zijn mes dat goed en scherp was, werpt hij naar hem; In de schouder raakt hij hem, hij heeft zijn botten gebroken. Hij gaf hem nog een draai in de worsteling en Godfried viel, Waarna hij zo'n schreeuw slaakte dat die overal goed te horen was. </poem></i> |}<noinclude></noinclude> 2zdxwyxk6s7ez213qlaaqd2d20py646 226150 226122 2026-08-30T10:52:00Z Havang(nl) 4330 226150 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> Bien le cuida ataindre parmi le hateriel, Mais Bauduwins i mist son escut en cautiel, Et Gaufrois i féri ; si en fist tel masiel Qu’il en a abatu ·ij· quartiers ou praiel. Sur l’espaule l’ataint et trença le claviel, Mais en car n’ataint mie le noble damoisiel ; Car Dieux le garandi, pour le coer qu’ot loïel, Et Bauduwins s’escrie : « Gaufrois, par saint Marsiel, « Ne sai sé vous aves tuet vostre pourciel, « Mais vous fineries bien de tripes plain platiel. Gaufrois est moult dolans qu’ensi estoit férus, Li sans li ist dou cors, dont moult fu espierdus ; Sus couru Bauduwin, qui tant estoit menbrus, Mais Bauduwins s’est bien contre lui desfendus : A le luite l’a pris et si l’a jeté jus. Iluèques sont tournet par desus les palus ; Là, se toulièrent-il li uns sus l’autre jus, Et là s’est cescuns d’iaux tèlement maintenus Que cescuns des ·ij· est si lases devenus Ne se poèent mouvoir, tant ont les cuers confus. Et Gaufrois fu de cuer dolans et irascus, Car Bauduwin défuit, ne l’ose atendre plus ; Et Bauduwins le fiert, li cevaliers menbrus, Et dist : « lères mauvais, ce ne vaut ·ij· festus, « Plus ne vous aidera vos maitres Bregibus ! « Il a passet loncq tans qu’iestes à lui rendus, « O lui serés anuit ricement recéus. » Et Gaufrois jete ·j· cop dou brancq qui fu moulus, Et Bauduwins saut outre ; li cos est jus céus, A val ens ou sablon est en tière férus. Adont au retourner va courir Gaufroit sus, De se coutiel li lance qui boins fu et agus ; En l’espaule le fiert, les os li a ronpus. Un tour li fist de luite et Gaufrois est céus, Dont jeta ·j· tel crit que bien fu entendus. </poem></i> |valign=top| <i><poem> Hij dacht hem goed te raken in de nek, Maar Boudewijn plaatste zijn schild daar als bescherming, En Godfried sloeg erop; hij richtte zo'n ravage aan Dat hij er twee stukken of delen van af sloeg. Op de schouder raakt hij hem en klieft het sleutelbeen, Maar het vlees van de edele jongeman raakt hij helemaal niet; Want God beschermde hem, vanwege zijn loyale hart, En Boudewijn roept uit: « Godfried, bij Sint Marcel, « Ik weet niet of u uw varken al heeft geslacht, « Maar u zou wel eindigen met een bord vol ingewanden. » Godfried is zeer bedroefd dat hij zo geslagen werd, Het bloed stroomt uit zijn lichaam, waardoor hij erg ontdaan was; Hij rende op Boudewijn af, die zo sterk gebouwd was, Maar Boudewijn heeft zich goed tegen hem verdedigd: In de worsteling greep hij hem en zo wierp hij hem neer. Daar rolden zij over de grond in de modder; Daar wentelden zij zich, de een over de ander heen, En daar hield ieder van hen zich zo kranig staande Dat elk van de twee zo vermoeid raakte Dat zij zich niet meer konden bewegen, zo uitgeput waren hun harten. En Godfried was diep bedroefd en woedend in zijn hart, Omdat hij Boudewijn ontweek en hem niet meer durfde af te wachten; En Boudewijn slaat hem, de sterk gebouwde ridder, En zegt: « Slechte schurk, dit is nog geen twee strootjes waard, « Uw meester Bregibus zal u niet meer helpen! « Het is al lang geleden dat u zich aan hem heeft overgegeven, « Bij hem zult u vannacht koninklijk worden ontvangen. » En Godfried deelt een slag uit met zijn geslepen zwaard, En Boudewijn springt opzij; de slag valt omlaag, Beneden in het zand slaat het diep in de grond. Toen, bij het omdraaien, stormt hij op Godfried af, Met zijn mes dat goed en scherp was, werpt hij naar hem; In de schouder raakt hij hem, hij heeft zijn botten gebroken. Hij gaf hem nog een draai in de worsteling en Godfried viel, Waarna hij zo'n schreeuw slaakte dat die overal goed te horen was. </poem></i> |}<noinclude></noinclude> pfhr5ym7oq2o1uaimsorw5qc1p5tamq Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/788 104 88727 226123 2026-08-30T09:38:37Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226123 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Que Gaufer fu levés ; soere li est courus. Gaufer fiert de l’espée dont li brans fu molus, Entour lui estorie, li lères durféus ; Et d’estoc et de taille s’est si bien desfendus Que Baudewins ne poet estre à son corps venus. Et quant il voit Gaufer qu’ensi ch’est pourvéus, De coer réclaimme Dieu, qui pour nous fu vendus, Gaufroi laisse taner li chevaliers menbrus. N’avoit c’un soel coutel, Baudewins li eslus, Et chuis avoit espée dont il fu retenus, Où qu’il ataint le ber a les adous fendus. De sa targe se coevre, Baudewins li crémus, Et Gaufer i frapoit. Ains ne fu mais escus Qui tant fust despanés, trenchiés né desrompus ! Par dessous le blaison estoit li coutiaus nus Dont Baudewins le gaite, qu’à point en soit férus, Mais Gaufer s’en gardoit, ch’estoit tout ses argus. Grande fu la bataille qui dura toute jour : Gaufer fiert à ·ij· mains, à force et à vigour, Et Baudewins li gète son escut paint à flour ; Quant voit le cop venir, il en fait cover tour. De vengier le sien père avoit si grant ardour Qu’il ne li souvenoit de mort né de paour. Gaufer li gète ·j· cop qui fu de grande hisdour, A ·ij· mains le desquierke par si très grant fiérour Qu’il i mist coer et corps, volenté, à che jour ; Baudewins fist ·j· saut, qui vit le cop greignour, L’espée chiet à terre par dessus la verdour, En le terre coula et entra, à che jour, Plus de piet et demi, che dient li pluisour. Et Baudewins se haste, à le frèche coulour, Si con Gaufer tiroit son espée à droit tour, Le féri Baudewins, qui pas n’avoit crémour ; En l’espaule senestere consieut le traïtour, Tout-outre li a mis le sien coutel meillour. </poem> |valign=top| <poem> Toen Gaufer was opgestaan, snelde zijn zuster naar hem toe. Gaufer slaat toe met het zwaard waarvan de kling geslepen was, Rondom hem is tumult, de hardvochtige schurk; Met zowel steken als houwen verdedigde hij zich zo goed Dat Boudewijn niet dicht bij zijn lichaam kon komen. 730 En toen hij zag dat Gaufer zich zo had toegerust, Riep de sterke ridder vanuit zijn hart God aan, die voor ons werd verkocht, En hij liet Gaufroi begaan. De uitverkoren Boudewijn had slechts één enkel mes, Terwijl de ander het zwaard had waarmee hij werd tegengehouden, Waar het de held ook raakt, klieft het de wapenrusting. Met zijn schild dekt de gevreesde Boudewijn zich toe, En Gaufer sloeg erop in. Nooit was er een schild Dat zo verscheurd, doorboord en kapotgeslagen werd! Onder het wapenschild hield hij het mes ontbloot 740 Waarmee Boudewijn hem beloert, om op het juiste moment toe te slaan, Maar Gaufer hoedde zich davor, dat was al zijn listigheid. Groot was de strijd die de hele dag duurde: Gaufer slaat met twee handen, met kracht en met overgave, En Boudewijn werpt hem zijn met bloemen beschilderde schild toe; Wanneer hij de slag ziet komen, weert hij hem handig af. Om zijn vader te wreken had hij zo'n grote hartstocht Dat hij niet dacht aan de dood of aan angst. Gaufer deelt hem een slag uit die van grote ijselijkheid was, Met twee handen haalt hij uit met zulke grote woede 750 Dat hij er op die dag hart en ziel, en al zijn wil in legde; Boudewijn deed een sprong toen hij de enorme slag zag komen, Het zwaard valt op de grond, over het groene gras, In de aarde gleed en drong het, op die dag, Meer dan anderhalve voet diep, zo zeggen de meesten. En Boudewijn haast zich, met een frisse gelaatskleur, Terwijl Gaufer zijn zwaard met een flinke ruk probeerde los te trekken, Sloeg Boudewijn hem, die totaal geen vrees kende; In de linkerschouder trof hij de verrader, En dwars erdoorheen stak hij zijn beste mes. 760 </poem> |}<noinclude></noinclude> k5u1k486n52v795fkgsqmlb5xmr3ot5 226124 226123 2026-08-30T09:39:33Z Havang(nl) 4330 226124 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Que Gaufer fu levés ; soere li est courus. Gaufer fiert de l’espée dont li brans fu molus, Entour lui estorie, li lères durféus ; Et d’estoc et de taille s’est si bien desfendus Que Baudewins ne poet estre à son corps venus. Et quant il voit Gaufer qu’ensi ch’est pourvéus, De coer réclaimme Dieu, qui pour nous fu vendus, Gaufroi laisse taner li chevaliers menbrus. N’avoit c’un soel coutel, Baudewins li eslus, Et chuis avoit espée dont il fu retenus, Où qu’il ataint le ber a les adous fendus. De sa targe se coevre, Baudewins li crémus, Et Gaufer i frapoit. Ains ne fu mais escus Qui tant fust despanés, trenchiés né desrompus ! Par dessous le blaison estoit li coutiaus nus Dont Baudewins le gaite, qu’à point en soit férus, Mais Gaufer s’en gardoit, ch’estoit tout ses argus. Grande fu la bataille qui dura toute jour : Gaufer fiert à ·ij· mains, à force et à vigour, Et Baudewins li gète son escut paint à flour ; Quant voit le cop venir, il en fait cover tour. De vengier le sien père avoit si grant ardour Qu’il ne li souvenoit de mort né de paour. Gaufer li gète ·j· cop qui fu de grande hisdour, A ·ij· mains le desquierke par si très grant fiérour Qu’il i mist coer et corps, volenté, à che jour ; Baudewins fist ·j· saut, qui vit le cop greignour, L’espée chiet à terre par dessus la verdour, En le terre coula et entra, à che jour, Plus de piet et demi, che dient li pluisour. Et Baudewins se haste, à le frèche coulour, Si con Gaufer tiroit son espée à droit tour, Le féri Baudewins, qui pas n’avoit crémour ; En l’espaule senestere consieut le traïtour, Tout-outre li a mis le sien coutel meillour. </poem> |valign=top| <poem> Toen Gaufer was opgestaan, snelde zijn zuster naar hem toe. Gaufer slaat toe met het zwaard waarvan de kling geslepen was, Rondom hem is tumult, de hardvochtige schurk; Met zowel steken als houwen verdedigde hij zich zo goed Dat Boudewijn niet dicht bij zijn lichaam kon komen. 730 En toen hij zag dat Gaufer zich zo had toegerust, Riep de sterke ridder vanuit zijn hart God aan, die voor ons werd verkocht, En hij liet Gaufroi begaan. De uitverkoren Boudewijn had slechts één enkel mes, Terwijl de ander het zwaard had waarmee hij werd tegengehouden, Waar het de held ook raakt, klieft het de wapenrusting. Met zijn schild dekt de gevreesde Boudewijn zich toe, En Gaufer sloeg erop in. Nooit was er een schild Dat zo verscheurd, doorboord en kapotgeslagen werd! Onder het wapenschild hield hij het mes ontbloot 740 Waarmee Boudewijn hem beloert, om op het juiste moment toe te slaan, Maar Gaufer hoedde zich daarvoor, dat was al zijn listigheid. Groot was de strijd die de hele dag duurde: Gaufer slaat met twee handen, met kracht en met overgave, En Boudewijn werpt hem zijn met bloemen beschilderde schild toe; Wanneer hij de slag ziet komen, weert hij hem handig af. Om zijn vader te wreken had hij zo'n grote hartstocht Dat hij niet dacht aan de dood of aan angst. Gaufer deelt hem een slag uit die van grote ijselijkheid was, Met twee handen haalt hij uit met zulke grote woede 750 Dat hij er op die dag hart en ziel, en al zijn wil in legde; Boudewijn deed een sprong toen hij de enorme slag zag komen, Het zwaard valt op de grond, over het groene gras, In de aarde gleed en drong het, op die dag, Meer dan anderhalve voet diep, zo zeggen de meesten. En Boudewijn haast zich, met een frisse gelaatskleur, Terwijl Gaufer zijn zwaard met een flinke ruk probeerde los te trekken, Sloeg Boudewijn hem, die totaal geen vrees kende; In de linkerschouder trof hij de verrader, En dwars erdoorheen stak hij zijn beste mes. 760 </poem> |}<noinclude></noinclude> mx4lseql27qrnmqmgo0u7brk1oewvgt 226125 226124 2026-08-30T09:41:11Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226125 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> Que Gaufer fu levés ; soere li est courus. Gaufer fiert de l’espée dont li brans fu molus, Entour lui estorie, li lères durféus ; Et d’estoc et de taille s’est si bien desfendus Que Baudewins ne poet estre à son corps venus. Et quant il voit Gaufer qu’ensi ch’est pourvéus, De coer réclaimme Dieu, qui pour nous fu vendus, Gaufroi laisse taner li chevaliers menbrus. N’avoit c’un soel coutel, Baudewins li eslus, Et chuis avoit espée dont il fu retenus, Où qu’il ataint le ber a les adous fendus. De sa targe se coevre, Baudewins li crémus, Et Gaufer i frapoit. Ains ne fu mais escus Qui tant fust despanés, trenchiés né desrompus ! Par dessous le blaison estoit li coutiaus nus Dont Baudewins le gaite, qu’à point en soit férus, Mais Gaufer s’en gardoit, ch’estoit tout ses argus. Grande fu la bataille qui dura toute jour : Gaufer fiert à ·ij· mains, à force et à vigour, Et Baudewins li gète son escut paint à flour ; Quant voit le cop venir, il en fait cover tour. De vengier le sien père avoit si grant ardour Qu’il ne li souvenoit de mort né de paour. Gaufer li gète ·j· cop qui fu de grande hisdour, A ·ij· mains le desquierke par si très grant fiérour Qu’il i mist coer et corps, volenté, à che jour ; Baudewins fist ·j· saut, qui vit le cop greignour, L’espée chiet à terre par dessus la verdour, En le terre coula et entra, à che jour, Plus de piet et demi, che dient li pluisour. Et Baudewins se haste, à le frèche coulour, Si con Gaufer tiroit son espée à droit tour, Le féri Baudewins, qui pas n’avoit crémour ; En l’espaule senestere consieut le traïtour, Tout-outre li a mis le sien coutel meillour. </poem></i> |valign=top| <poem> <i>Reeds was hij, door Boudewijn, gedood en vernietigd, Als zijn familie zich niet in het veld had gestort: Juist op die plek werd Gaufrois zozeer te hulp geschoten; Gedood was de jonker en aan zijn einde gekomen Als hij zich tegen hen niet zo uitermate goed had verdedigd; Maar hij verdedigt zich tegen hen, zijn schild werd aan stukken geslagen. En de graaf van Anjou is op het slagveld gekomen: Daar was een groot handgemenij van graven en van hertogen. Of de Fransen het nu willen of niet, deze daad is welbekend, Gaufrois werd weggevoerd over de grasrijke weiden, In de richting van Compiègne hebben zij hun weg vervolgd; En de Fransen volgen hen, die een verslagen hart hebben. Boudewijn hebben zij te paard geholpen, die bedroefd was en stom, Bedroefd is hij om Gaufrois die hem zo is ontnomen. Nu voert Gaufrois zijn mannen en zijn baronnen mee, Door Frankrijk rijden zij te paard, met de sporen in de zij. “ Heren, “ zo sprak Gaufrois, “ moge God u vergeven, “ U heeft mij bevrijd van de grote ondergang! “ Heeft u die snode verrader niet gezien? “ Als u niet was gekomen, is het vast mijn overtuiging “ Dat hij een einde aan mij had gemaakt, slecht zou mijn lot zijn geweest. “ “ Heer, “ zeiden zijn mannen, “ u zou geen losgeld hebben gehad, “ U was aan de verliezende hand; daarom hielp men u. “ “ Laten we doorrijden, “ sprak Gaufrois, “ want ik heb grote vrees “ Dat we niet ingehaald worden in deze streek. “ De hele nacht reden zij door; zo deden ook de baronnen Die Gaufrois volgden, met de sporen in de zij. “ Ach! God, “ sprak Boudewijn, “ geef mij de schurk terug “ Die mijn nageslacht zoveel kwaad heeft aangedaan, “ En die mijn vader verkocht aan de koning Rode-Leeuw. “ Nooit zal ik verblijd zijn als ik er geen wraak voor krijg! “ Nog nooit in mijn leven zag ik zo'n schrokker heersen. “ Mogen de vijanden hem wegdragen, naar zijn eigen believen! “ En de Fransen riepen uit: “ welaan, baronnen, rijden we te paard, “ Opdat we Gaufrois in onze gevangenis krijgen.</i> </poem> |}<noinclude></noinclude> edmzfnzkaatpmcwj1yp7zcapry4d5sm 226128 226125 2026-08-30T09:50:44Z Havang(nl) 4330 226128 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Que Gaufer fu levés ; soere li est courus. Gaufer fiert de l’espée dont li brans fu molus, Entour lui estorie, li lères durféus ; Et d’estoc et de taille s’est si bien desfendus Que Baudewins ne poet estre à son corps venus. Et quant il voit Gaufer qu’ensi ch’est pourvéus, De coer réclaimme Dieu, qui pour nous fu vendus, Gaufroi laisse taner li chevaliers menbrus. N’avoit c’un soel coutel, Baudewins li eslus, Et chuis avoit espée dont il fu retenus, Où qu’il ataint le ber a les adous fendus. De sa targe se coevre, Baudewins li crémus, Et Gaufer i frapoit. Ains ne fu mais escus Qui tant fust despanés, trenchiés né desrompus ! Par dessous le blaison estoit li coutiaus nus Dont Baudewins le gaite, qu’à point en soit férus, Mais Gaufer s’en gardoit, ch’estoit tout ses argus. Grande fu la bataille qui dura toute jour : Gaufer fiert à ·ij· mains, à force et à vigour, Et Baudewins li gète son escut paint à flour ; Quant voit le cop venir, il en fait cover tour. De vengier le sien père avoit si grant ardour Qu’il ne li souvenoit de mort né de paour. Gaufer li gète ·j· cop qui fu de grande hisdour, A ·ij· mains le desquierke par si très grant fiérour Qu’il i mist coer et corps, volenté, à che jour ; Baudewins fist ·j· saut, qui vit le cop greignour, L’espée chiet à terre par dessus la verdour, En le terre coula et entra, à che jour, Plus de piet et demi, che dient li pluisour. Et Baudewins se haste, à le frèche coulour, Si con Gaufer tiroit son espée à droit tour, Le féri Baudewins, qui pas n’avoit crémour ; En l’espaule senestere consieut le traïtour, Tout-outre li a mis le sien coutel meillour. </poem> |valign=top| <poem> Toen Gaufer was opgestaan, snelde zijn zuster naar hem toe. Gaufer slaat toe met het zwaard waarvan de kling geslepen was, Rondom hem is tumult, de hardvochtige schurk; Met zowel steken als houwen verdedigde hij zich zo goed Dat Boudewijn niet dicht bij zijn lichaam kon komen. 730 En toen hij zag dat Gaufer zich zo had toegerust, Riep de sterke ridder vanuit zijn hart God aan, die voor ons werd verkocht, En hij liet Gaufroi begaan. De uitverkoren Boudewijn had slechts één enkel mes, Terwijl de ander het zwaard had waarmee hij werd tegengehouden, Waar het de held ook raakt, klieft het de wapenrusting. Met zijn schild dekt de gevreesde Boudewijn zich toe, En Gaufer sloeg erop in. Nooit was er een schild Dat zo verscheurd, doorboord en kapotgeslagen werd! Onder het wapenschild hield hij het mes ontbloot 740 Waarmee Boudewijn hem beloert, om op het juiste moment toe te slaan, Maar Gaufer hoedde zich davor, dat was al zijn listigheid. Groot was de strijd die de hele dag duurde: Gaufer slaat met twee handen, met kracht en met overgave, En Boudewijn werpt hem zijn met bloemen beschilderde schild toe; Wanneer hij de slag ziet komen, weert hij hem handig af. Om zijn vader te wreken had hij zo'n grote hartstocht Dat hij niet dacht aan de dood of aan angst. Gaufer deelt hem een slag uit die van grote ijselijkheid was, Met twee handen haalt hij uit met zulke grote woede 750 Dat hij er op die dag hart en ziel, en al zijn wil in legde; Boudewijn deed een sprong toen hij de enorme slag zag komen, Het zwaard valt op de grond, over het groene gras, In de aarde gleed en drong het, op die dag, Meer dan anderhalve voet diep, zo zeggen de meesten. En Boudewijn haast zich, met een frisse gelaatskleur, Terwijl Gaufer zijn zwaard met een flinke ruk probeerde los te trekken, Sloeg Boudewijn hem, die totaal geen vrees kende; In de linkerschouder trof hij de verrader, En dwars erdoorheen stak hij zijn beste mes. 760 </poem> |}<noinclude></noinclude> k5u1k486n52v795fkgsqmlb5xmr3ot5 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/789 104 88728 226126 2026-08-30T09:44:32Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226126 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> Jà fu, par Bauduwin, et mors et confondus, Sé ne fust ses linages qui ou camp s’es férus : Là endroit fu, Gaufrois, tèlement secourus, Mors fust li damoisiaux et à sa fin venus Si ne se fust à iaux si très bien desfendus ; Mais à iaux se desfent, ronpus fu ses escus. Et li contes d’Anjo est ens el camp venus : Là, i ot grant mellé de contes et de dus. Voellent ou non François, cis fais est bien séus, En fu Gaufrois menés parmi les prés erbus, Au lès deviers Compiègne ont leur cemins tenus ; Et li François les sievent, qui les cuers ont confus. Bauduwin ont montet, qui dolans fu et mus, Dolans est de Gaufroit qui li est si tolus. Or enmaine Gaufroit si omme et si baron, Parmi France cevaucent, à coiette d’esporon. « Signeur, » ce dist Gaufrois, « Dieux vous face pardon, « Vous m’avés délivret de grant destrusion ! « N’avès-vous pas véut ce traïtour félon ? « Sé ne fusiés venus, c’est bien m’entension « Qu’il m’éuist mis à fin, mal estout me parçon. » « Sire, » dient si omme, « n’éuissiés raançon, « Vous estiés au desous ; pour ce vous aida-on. » « Cevauçons, » dist Gaufrois, « car j’ai grant soupeçon « Que ne soions ratains en ceste région. » Toute nuit cevaucièrent ; ousi font li baron Qui sievoient Gaufroi, à coiste d’esporon. « E ! Dieux, » dist Bauduwins, « rendėme le laron « Qui tant a fait de mal le moie estrasion, « Et qui vendi mon père au roi Rouge-Lion. « Jamais ne serai liés s’en arai vengison ! « Onques tant en ma vie ne vi resgner glouton. « Li anemi l’enportent, à sa devision ! » Et François s’escriièrent : « or cevauçons, baron, « Par coi aïons Gaufroi en le nostre prison. </poem></i> |valign=top| <i><poem> Bij het terugtrekken springt het bloed uit de bedrieger En Boudewijn roept hem toe: "Deze slag is zonder liefde! "U bent mijn stiefvader, maar de ouden "Zeggen: wie een stiefvader heeft die in dwaze dwaling verkeert, "Dat het kind niet zonder grote moeite levend de dag verlaat." Zeer bedroefd was Godefroi, en hij had een groot zwaartegevoel in het hart Toen hij zichzelf gewond zag, waardoor hij vol angst was; Heft hij het zwaard op en stapt op Boudewijn af: En Boudewijn beschermt zichzelf, hij die zoveel kracht bezat, Jezus aanroepend, die door de heilige lans 770 Werd gestoken door Longinus voor onze verlossing; Want hij zag Godefroi in zo'n woeste houding Dat niemand zo dapper zou zijn dat hij er geen angst voor had. Boudewijn raapte van de grond het stuk van een lans op, Tegen Godefroi rent hij met zo'n grote kracht, Zo hard trof hij hem bij die felle ontmoeting, Dat hij hem tegen de grond sloeg en zich toen over hem heen boog En hij hield zijn mes vast waarin hij veel vertrouwen had: Met een zeer grote vaart stootte hij het in zijn buik Zodat hij zijn mes er helemaal in dreef tot aan het heft. 780 Boudewijn was dapper en vol heldenmoed, Hij hield Godefroi onder zich en dwong hem tot onderwerping; En daar slaat en stoot hij hem, want hij kende die praktijk goed, Vijftien wonden bracht hij hem toe, zowel in het lichaam als in het gezicht. En Godefroi schreeuwde heel luid in zijn eigen taal: "Boudewijn, laat het rusten, laat de baronnen komen, "Want ik geef me gewonnen, ik voel de grote razernij van de dood; "Ik wil niet langer verbergen wat ik door schandelijk gedrag heb gedaan, "Ik wil het bekennen en mij daarna zonder uitstel "Gaan biechten. Ik heb een vals huwelijk gesloten, 790 "Je moeder leeft nog, zij die zo goed en wijs is; "In een kasteel heb ik haar opgesloten, diep in een woud, "Voor alle baronnen wil ik over mijn grote misdaad vertellen. "Als je het werk van dit grote verraad wilt leren kennen, "Zal het je niet ontbreken aan een andere boodschap." </poem></i> |}<noinclude></noinclude> llb1vjzl1tab1xxpdaiagrysasntk5g 226127 226126 2026-08-30T09:47:31Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226127 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> Jà fu, par Bauduwin, et mors et confondus, Sé ne fust ses linages qui ou camp s’es férus : Là endroit fu, Gaufrois, tèlement secourus, Mors fust li damoisiaux et à sa fin venus Si ne se fust à iaux si très bien desfendus ; Mais à iaux se desfent, ronpus fu ses escus. Et li contes d’Anjo est ens el camp venus : Là, i ot grant mellé de contes et de dus. Voellent ou non François, cis fais est bien séus, En fu Gaufrois menés parmi les prés erbus, Au lès deviers Compiègne ont leur cemins tenus ; Et li François les sievent, qui les cuers ont confus. Bauduwin ont montet, qui dolans fu et mus, Dolans est de Gaufroit qui li est si tolus. Or enmaine Gaufroit si omme et si baron, Parmi France cevaucent, à coiette d’esporon. « Signeur, » ce dist Gaufrois, « Dieux vous face pardon, « Vous m’avés délivret de grant destrusion ! « N’avès-vous pas véut ce traïtour félon ? « Sé ne fusiés venus, c’est bien m’entension « Qu’il m’éuist mis à fin, mal estout me parçon. » « Sire, » dient si omme, « n’éuissiés raançon, « Vous estiés au desous ; pour ce vous aida-on. » « Cevauçons, » dist Gaufrois, « car j’ai grant soupeçon « Que ne soions ratains en ceste région. » Toute nuit cevaucièrent ; ousi font li baron Qui sievoient Gaufroi, à coiste d’esporon. « E ! Dieux, » dist Bauduwins, « rendėme le laron « Qui tant a fait de mal le moie estrasion, « Et qui vendi mon père au roi Rouge-Lion. « Jamais ne serai liés s’en arai vengison ! « Onques tant en ma vie ne vi resgner glouton. « Li anemi l’enportent, à sa devision ! » Et François s’escriièrent : « or cevauçons, baron, « Par coi aïons Gaufroi en le nostre prison. </poem></i> |valign=top| <i><poem> Reeds was hij, door Boudewijn, gedood en vernietigd, Als zijn familie zich niet in het veld had gestort: Juist op die plek werd Gaufrois zozeer te hulp geschoten; Gedood was de jonker en aan zijn einde gekomen Als hij zich tegen hen niet zo uitermate goed had verdedigd; Maar hij verdedigt zich tegen hen, zijn schild werd aan stukken geslagen. En de graaf van Anjou is op het slagveld gekomen: Daar was een groot handgemenij van graven en van hertogen. Of de Fransen het nu willen of niet, deze daad is welbekend, Gaufrois werd weggevoerd over de grasrijke weiden, In de richting van Compiègne hebben zij hun weg vervolgd; En de Fransen volgen hen, die een verslagen hart hebben. Boudewijn hebben zij te paard geholpen, die bedroefd was en stom, Bedroefd is hij om Gaufrois die hem zo is ontnomen. Nu voert Gaufrois zijn mannen en zijn baronnen mee, Door Frankrijk rijden zij te paard, met de sporen in de zij. “ Heren, “ zo sprak Gaufrois, “ moge God u vergeven, “ U heeft mij bevrijd van de grote ondergang! “ Heeft u die snode verrader niet gezien? “ Als u niet was gekomen, is het vast mijn overtuiging “ Dat hij een einde aan mij had gemaakt, slecht zou mijn lot zijn geweest. “ “ Heer, “ zeiden zijn mannen, “ u zou geen losgeld hebben gehad, “ U was aan de verliezende hand; daarom hielp men u. “ “ Laten we doorrijden, “ sprak Gaufrois, “ want ik heb grote vrees “ Dat we niet ingehaald worden in deze streek. “ De hele nacht reden zij door; zo deden ook de baronnen Die Gaufrois volgden, met de sporen in de zij. “ Ach! God, “ sprak Boudewijn, “ geef mij de schurk terug “ Die mijn nageslacht zoveel kwaad heeft aangedaan, “ En die mijn vader verkocht aan de koning Rode-Leeuw. “ Nooit zal ik verblijd zijn als ik er geen wraak voor krijg! “ Nog nooit in mijn leven zag ik zo'n schrokker heersen. “ Mogen de vijanden hem wegdragen, naar zijn eigen believen! “ En de Fransen riepen uit: “ welaan, baronnen, rijden we te paard, “ Opdat we Gaufrois in onze gevangenis krijgen. </poem></i> |}<noinclude></noinclude> dp8u4pmezl04hgulaj9b04fb9p9p2g3 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/790 104 88729 226129 2026-08-30T09:54:09Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226129 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Au ressachier en saut li sans dou boiséour Et Baudewins li crie : « chuis cos est sans amour ! « Vous estes mes parastres, mais li anchiénour « Dient : qui a parastre qui est de fole esrour, « Que li enfes ne poet sans painne issir du jour. » Moult fu dolans Gaufer, s’ot au coer grant pesance Quant il se vit navrés, dont fu plains de doutance ; Il entoise le brane, vers Baudewin s’avance : Et Baudewins se coevre, qui tant ot de poissance, Jhėsu va réclamant, qui de la sainte lance Fu férus par Longis pour nostre délivrance ; Car il veioit Gaufroi en telle contenanche Ne fust nulz si hardis qui n’en éust doutanche. Baudewins prist à terre le tronchon d’une lanche, Contre Gaufroi s’en keurt par si grande poissanche, Si fort le behourda par si fière acointance, Qu’à terre l’abati et puis sor lui s’avanche Et tenoit son coutel où il ot grant fiance : Par si très grant randon le bouta en sa pance Que son coutel li mist tout ens jusqu’à le manche. Baudewins fu hardis et plains de vasselage, Gaufroi tint dessous lui, se le mist en servage ; Et là, le fiert et frape, car bien en sot l’usaege, ·XV· plaies li fist qu’ens ou corps c’ou visage. Et Gaufer s’escria moult haut en son langage : « Baudewins, lai ester, fai venir la barnage, « « Car je me rens vaincu, de mort sent le grant rage ; « Si ne vœil plus chéler ce qu’ai fait par outrage, « Reconnoistre le vœil et puis sans arrestage « Me vaurrai confesser. J’ai fait fax mariage, « Encore vit ta mère qui tant est bonne et sage ; « En ·j· chastel l’ai mise, par dedens ·j· bosquage, « Devant tous les barrons vaurrai dire grant rage. « Sé de grans traïsons voelz aprendre l’ouvrage « Il ne te converra avoir autre message. </poem> |valign=top| <poem> Bij het terugtrekken springt het bloed uit de bedrieger En Boudewijn roept hem toe: "Deze slag is zonder liefde! "U bent mijn stiefvader, maar de ouden "Zeggen: wie een stiefvader heeft die in dwaze dwaling verkeert, "Dat het kind niet zonder grote moeite levend de dag verlaat." Zeer bedroefd was Gaufer, en hij had een groot zwaartegevoel in het hart Toen hij zichzelf gewond zag, waardoor hij vol angst was; Heft hij het zwaard op en stapt op Boudewijn af: En Boudewijn beschermt zichzelf, hij die zoveel kracht bezat, Jezus aanroepend, die door de heilige lans 770 Werd gestoken door Longinus voor onze verlossing; Want hij zag Godefroi in zo'n woeste houding Dat niemand zo dapper zou zijn dat hij er geen angst voor had. Boudewijn raapte van de grond het stuk van een lans op, Tegen Godefroi rent hij met zo'n grote kracht, Zo hard trof hij hem bij die felle ontmoeting, Dat hij hem tegen de grond sloeg en zich toen over hem heen boog En hij hield zijn mes vast waarin hij veel vertrouwen had: Met een zeer grote vaart stootte hij het in zijn buik Zodat hij zijn mes er helemaal in dreef tot aan het heft. 780 Boudewijn was dapper en vol heldenmoed, Hij hield Godefroi onder zich en dwong hem tot onderwerping; En daar slaat en stoot hij hem, want hij kende die praktijk goed, Vijftien wonden bracht hij hem toe, zowel in het lichaam als in het gezicht. En Gaufer schreeuwde heel luid in zijn eigen taal: "Boudewijn, laat het rusten, laat de baronnen komen, "Want ik geef me gewonnen, ik voel de grote razernij van de dood; "Ik wil niet langer verbergen wat ik door schandelijk gedrag heb gedaan, "Ik wil het bekennen en mij daarna zonder uitstel "Gaan biechten. Ik heb een vals huwelijk gesloten, 790 "Je moeder leeft nog, zij die zo goed en wijs is; "In een kasteel heb ik haar opgesloten, diep in een woud, "Voor alle baronnen wil ik over mijn grote misdaad vertellen. "Als je het werk van dit grote verraad wilt leren kennen, "Zal het je niet ontbreken aan een andere boodschap." </poem> |}<noinclude></noinclude> rwa634sany07rruyg84iqlht9es6k1v Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/791 104 88730 226130 2026-08-30T09:56:51Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226130 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <poem> Jamais n’arons honneur dou fil roi Philipon, Sé nous ne li rendons en sa délivrison Celui qui fist morir son signeur par puison. Moult fu grande la siete apriès Gaufroi le fier : Tous li pais de France, et devant et dérier, Vont sievant le glouton, ne le vorent laissier ; Li uns porte une mace et li autres un levier. Gaufrois viers Laünois prist fort à cevaucier, Pour ce qu’enviers Nimaie se cuide repairier ; Mais enviers le Tiérase, si com j’oi noncier, Encontra, cis Gaufrois, un encontre trop fier : Ustace de Boulongne cevauçoit tout premier Et liiij enfant Rose, qui sont boin cevalier, Et le conte de Flandres, qui tant ot le cuer fier, Li ·xij· per de France et tout li haut princier Que Gaufrois à Nimate laissa en son dongier ; Cieux encontra Gaufroit droit en ·j· val plénier, Ne s’en donnèrent garde jusques à l’aprocier. Quant li François pierçurent les gens dou losengier, Il crient à le mort ! Cil n’a nul recouvrier, Si ont laissiet Gaufroi, leur signeur, ou sentier ; Li baron l’ont trouvé navré sur j. destrier, Se li ont dit : « Gaufroi, pour Dieu, le droiturier, « Chi vous ont aportě tout li diable d’infier. « Gaufroi, » dient li princes, « vous soiiés bien venus ! « Vous poriés bien valoir que fuissiés pendus. » Gaufrois ne dist nul mot, car tristres est et mus. A icelle parolle est Bauduwins venus : Devant trestous les autres est bien reconnéus De son rice lignage, qui tant fu esleus ; Adont fu fiestiiés de contes et de dus, Adont leur dist comment il se fu combatus A Gaufroi, le glouton, que priesques fu vaincus, Si fu de son barnage ens ou camp secourus. « Bauduwins, » dist li princes, « Gaufrois est retenus. » </poem> |valign=top| <poem> <i>Nooit zullen wij eer hebben van de zoon van koning Philipon, Tenzij wij hem in ruil voor zijn vrijlating Degene overhandigen die zijn heer door vergif deed sterven. Groot was de achtervolging na Gaufroi de fiere: Heel het land van Frankrijk, van voren en van achteren, Volgt de schurk, ze wilden hem niet met rust laten; De een draagt een knots en de ander een knuppel. Gaufroi begon stevig te rijden richting Laünois, Omdat hij denkt terug te keren naar Nimaie; Maar richting de Tiérase, zo hoorde ik zeggen, Kwam deze Gaufroi een zeer felle ontmoeting tegen: Ustace van Boulongne reed helemaal vooraan En de vierenvijftig kinderen van Rose, die goede ridders zijn, En de graaf van Vlaanderen, die zo'n trots hart had, De twaalf pairs van Frankrijk en alle hoge prinsen Die Gaufroi in Nimaie in zijn macht had achtergelaten; Dien tegenkwam Gaufroi recht in een brede vallei, Ze waren niet op hun hoede tot aan het naderen. Toen de Fransen de lieden van de bedrieger opmerkten, Riepen zij moord en brand! Hij heeft geen enkele redding, Dus hebben ze Gaufroi, hun heer, achtergelaten op het pad; De baronnen hebben hem gewond op een strijdros gevonden, En ze zeiden tegen hem: “ Gaufroi, voor God, de rechtvaardige, “ Hier hebben alle duivels uit de hel u naartoe gebracht. “ Gaufroi, “ zeggen de prinsen, “ wees welkom! “ U zoudt er wel goed aan doen als u werd opgehangen. “ Gaufroi zei geen enkel woord, want hij is bedroefd en stom. Bij die woorden is Bauduwins gekomen: Voor alle anderen is hij goed herkenbaar Aan zijn rijke afstamming, die zo hooggeacht was; Toen werd hij toegejuicht door graven en hertogen, Toen vertelde hij hun hoe hij had gestreden Tegen Gaufroi, de schurk, die bijna was overwonnen, En hoe hij door zijn ridders op het slagveld was gered. “ Bauduwins, “ zei de prins, “ Gaufroi is gevangengenomen. “</i> </poem> |}<noinclude></noinclude> hfwxp3kqhrlbvznuvw20022zrtiwkcc Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/792 104 88731 226131 2026-08-30T09:58:45Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226131 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> {{iwpage|fr}} </poem> |valign=top| <poem> “ Ik heb nooit iets goeds gedaan, in de dagen van mijn leven! “ Boudewijn die … hiervan getuigenis wil hebben, Stond overeind, hij talmde geenszins, Tegen de wachters riep hij: “ Maak hier een doorgang, “ En kom luisteren naar de tocht van Gaufroi; 800 “ Zowel de dwazen als de wijzen moeten dit horen. “ Bij deze woorden verschijnt de grote clan op het veld Van Gaufroi, de schurk, elk met het schild aan de nek: Via de hoofdtouwen, die met goed vakmanschap waren gemaakt, Zijn de schurken binnengekomen die van zijn bloedverwanten waren, Gaufroi hebben zij weer te paard geholpen op een bruine hengst uit Carthago. Boudewijn vielen zij aan, die zo'n trots gezicht toonde, En hij verdedigde zich als een man met een moedig hart; Aan menig verrader bracht hij die dag schade toe. Zij hadden geen tijd om op dit erfgoed te blijven, 810 Samen met Gaufroi gaan zij ervandoor, over het gras naar beneden, In de richting van Mont-Laon, over een grote en brede weg, Gaan zij heen, de verraders die allerminst wijs zijn, En zij voeren Gaufroi mee, die de razernij in het lijf had. Zij gaan ervandoor, de verraders, met sporen in de flanken; En zij voeren Gaufroi mee, de verraderlijke dief, Wiens lichaam en gezicht zwaar gewond waren. Boudewijn van Sebourc roept met luide stem: “ Nu snel! Achter Gaufroi aan, heren, edele baronnen! “ Neem wraak op hem voor de goede koning Filips 820 “ Die hij heeft laten vergiftigen zodat hij stierf door het gif. “ Daarop sporen de Fransen en de Bourgondiërs hun paarden aan; Aan Boudewijn gaven zij een rasstrijdpaard uit Aragon. Achter Gaufroi jagen zij aan, met macht en in volle vaart, Maar de nacht is gevallen en de snode schurken Rijden de hele nacht door, zonder enige stilstand; En de Fransen gaan hen achterna, de dappere metgezellen. De goede graaf van Anjou, die een witte snor had, Was zeer bedroefd in zijn hart over deze situatie, Omdat Gaufroi gered was; vaak roept hij met luide stem: 830 </poem> |}<noinclude></noinclude> d04oearpx3tbh4nv95dd5ktsg8qjx90 226152 226131 2026-08-30T10:53:45Z Havang(nl) 4330 226152 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Je ne fis onques bien, ès jours de mon éage ! » Baudewins qui … chou voelt avoir tesmongnage, Se leva contre mont, de noient ne s’atarge, A gardes s’escria : « faites dechà passage, « Si venés de Gaufroi entendre le viage ; « Bien le doivent oir et li fol et li sage. » A ches mos, ens ou champ ès-vous le grant linage De Gaufroi, le félon, chascuns au col le targe : Par le maistre-cordis, c’on fist par bon ouvrage, Sont entré li félon qui furent du parage, Gaufroi ont remonté sus ·j· bai de Cartage. Baudewin asselirent, qui tant ot fier visage, Et il se desfendoit comme hons de fier corage ; A plusours traitours porta, le jour, domage. Chil n’avoient loisir d’estre en chel héritage, A tout Gaufroi s’en vont, tout contre val l’erbage, Au lés vers Mont-Laön, ·j· chemin grant et large, S’en vont, li traïtour qui ne sont mie sage, Si emmainnent Gaufroi qui ou corps ot le rage. S’en vont, li traïtour, à coite d’esporon ; Si emmainnent Gaufroi, le traïtour larron, Qui moult avoit navret le corps et le fachon. Baudewins de Sebourc va criant à haut ton : « Or tost ! après Gaufroi, seignour, noble baron ! « Prendés à lui vengance du bon roy Phyllippon « Qu’il a fait enherber et morir par puison. » Dont brochent le chevaus Fransoys et Bourgueignon ; Baudewin ont bailliet ·j· destrier Arragon. Après Gaufroi chevauchent, à force et à bandon, Mais la nuis est venue et li cuivers félon Chevauchent toute nuit, sans nulle arrestison ; Et Fransoys vont après, li vaillant compaignon. Li bons contes d’Ango, qui blant of le grenon, Fu au coer moult dolans, en sa condition, Que Gaufer fu rescous ; souvent crie à haut ton : </poem> |valign=top| <poem> “ Ik heb nooit iets goeds gedaan, in de dagen van mijn leven! “ Boudewijn die … hiervan getuigenis wil hebben, Stond overeind, hij talmde geenszins, Tegen de wachters riep hij: “ Maak hier een doorgang, “ En kom luisteren naar de tocht van Gaufroi; 800 “ Zowel de dwazen als de wijzen moeten dit horen. “ Bij deze woorden verschijnt de grote clan op het veld Van Gaufroi, de schurk, elk met het schild aan de nek: Via de hoofdtouwen, die met goed vakmanschap waren gemaakt, Zijn de schurken binnengekomen die van zijn bloedverwanten waren, Gaufroi hebben zij weer te paard geholpen op een bruine hengst uit Carthago. Boudewijn vielen zij aan, die zo'n trots gezicht toonde, En hij verdedigde zich als een man met een moedig hart; Aan menig verrader bracht hij die dag schade toe. Zij hadden geen tijd om op dit erfgoed te blijven, 810 Samen met Gaufroi gaan zij ervandoor, over het gras naar beneden, In de richting van Mont-Laon, over een grote en brede weg, Gaan zij heen, de verraders die allerminst wijs zijn, En zij voeren Gaufroi mee, die de razernij in het lijf had. Zij gaan ervandoor, de verraders, met sporen in de flanken; En zij voeren Gaufroi mee, de verraderlijke dief, Wiens lichaam en gezicht zwaar gewond waren. Boudewijn van Sebourc roept met luide stem: “ Nu snel! Achter Gaufroi aan, heren, edele baronnen! “ Neem wraak op hem voor de goede koning Filips 820 “ Die hij heeft laten vergiftigen zodat hij stierf door het gif. “ Daarop sporen de Fransen en de Bourgondiërs hun paarden aan; Aan Boudewijn gaven zij een rasstrijdpaard uit Aragon. Achter Gaufroi jagen zij aan, met macht en in volle vaart, Maar de nacht is gevallen en de snode schurken Rijden de hele nacht door, zonder enige stilstand; En de Fransen gaan hen achterna, de dappere metgezellen. De goede graaf van Anjou, die een witte snor had, Was zeer bedroefd in zijn hart over deze situatie, Omdat Gaufroi gered was; vaak roept hij met luide stem: 830 </poem> |}<noinclude></noinclude> 5tkwezv8sn2029vhxwxxahgus8aoyiq Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/793 104 88732 226132 2026-08-30T10:02:34Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226132 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> « Je voel, » dist Bauduwins, « que il me soit rendus, « C’ar c’est mes priseniers, estre ne doit tolus. » Li princes li présentent, quant ces mot ont oüs. Adont se tint, Gaufrois, forment à décéus, De cou qu’il avoit fait se tint moult confondus. Adont li demanda Bauduwins, li menbrus : « Gaufrois, où est ma mère ? qu’est ses cors devenus ? » Adont li dist Gaufrois, li lères durféus, Le foriest et le tour où ses cors est tenus. « Signeur, » ce dist Gaufrois, « foi que je doi Jésus, « J’ai grande volenté, sé n’estoie tenus, « D’estre, dedens ·j· bos, ermites devenus. » « E ! Dieux, » dist Bauduwins, « quel ermite véci ! » « Par Dieu, » ce dist li autres, « je loc qu’il soit viesti « Dedens une abéie, sé priëra pour mi. » « E ! Dieux, » ce dist Gaufrois, « sui-ge moquiés ensi ? « Sé je péuisse avoir mon afaire compli, « Je vous éuisse fait moine de penderi ! » « Par Dieu, » dient li prince, a si ferons-nous ensi « Et vous ferons abé de Monfaucon oussi. » « Signeur, » ce dist Gaufrois, « trestous je vous desfi : « Jà ne sarés tant faire de mal le cors de mi « Que je n’en aie plus, ce saciés, désiervi. « Je ne puis escaper, je le sai tout de fi, « Riens n’i vauroit monnoie né prière autresi. « Sé n’avoie plus fait que m’avès en hai, « Et pour ce qu’en Nimaie en prison vous flastri, « Sé serai-ge pendus, bien le sai tout de fi. « J’ai fait des maus assés, or viènent… sur mi. » Droitement à Paris sont venut li baron. Onques le traîtour ne misent en prison, En une quiete-pointe asisent le glouton ; Si vous dirai comment et en quelle ocoison. Si faitement c’on tent pour faire un auqueton, Les ·ij· piés li tendirent, cescun à ·ij· coron, </poem></i> |valign=top| <poem> <i>“ Ik wil, “ zei Boudewijn, “ dat hij aan mij wordt overgedragen, “ Want hij is mijn gevangene, hij mag mij niet worden ontnomen. “ De prinsen dragen hem over, toen zij deze woorden hoorden. Toen hield Godfried zich voor zeer bedrogen, Over wat hij had gedaan voelde hij zich diep beschaamd. Toen vroeg Boudewijn, de sterke, hem: “ Godfried, waar is mijn moeder? Wat is er van haar lichaam geworden? “ Toen vertelde Godfried, de hardvochtige booswicht, hem Over het bos en de toren waar haar lichaam gevangen wordt gehouden. “ Heren, “ zei Godfried, “ bij het geloof in Jezus, “ Ik heb een groot verlangen, als ik niet gevangen zat, “ Om, te midden van een bos, kluizenaar te worden. “ “ O! God, “ zei Boudewijn, “ wat een kluizenaar zien we hier! “ “ Bij God, “ zei de ander, “ ik stel voor dat hij gekleed wordt “ In een abdij, dan zal hij voor mij bidden. “ “ O! God, “ zei Godfried, “ word ik zo bespot? “ Als ik mijn zaak had kunnen voltooien, “ Zou ik van u een monnik van de galg hebben gemaakt! “ “ Bij God, “ zeiden de prinsen, “ zo zullen wij het ook doen “ En we zullen u ook abt van Montfaucon maken. “ “ Heren, “ zei Godfried, “ ik daag u allen uit: “ U zult mijn lichaam nooit zoveel kwaad kunnen doen “ Of ik heb er, weet dat wel, nog meer verdiend. “ Ik kan niet ontsnappen, dat weet ik drommels goed, “ Niets zou baten, geen losgeld en ook geen gebed. “ Al had ik niet meer gedaan dan waarom u mij haat, “ En omdat ik u in Nijmegen in de gevangenis heb geworpen, “ Dan nog zal ik worden opgehangen, dat weet ik drommels goed. “ Ik heb slechte daden genoeg gedaan, laat ze nu maar ... over mij komen. “ Rechtstreeks naar Parijs kwamen de baronnen. Nooit zetten zij de verrader in de gevangenis, Op een gewatteerde deken zetten zij de schurk vast; Ik zal u vertellen hoe en bij welke gelegenheid. Net zoals men spant om een wambuis te maken, Zijn twee voeten bonden zij vast, elk aan twee paarden,<i> </poem> |}<noinclude></noinclude> esfd48zalspctqr9nfy475l15c9k0x0 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/794 104 88733 226133 2026-08-30T10:03:56Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226133 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> {{iwpage|fr}} </poem> |valign=top| <poem> “ Heren, laten wij rijden, om Gods wil bidden wij u erom. “ Nooit eerder gebeurde zulk een onheil in het rijk van Karel, “ Als Gaufer ons ontsnapt, die het hart van een gulzigaard heeft! “ Toen was de achtervolging groot doorheen het koninkrijk, En de verwanten van Gaufer reden richting Laon; Om naar Térasse te gaan hadden zij een grote toewijding, Maar in de richting van Montagu, zoals wij al lezend vinden, Hadden zij een slechte ontmoeting, in dat seizoen, Zoals u zult horen in het goede lied. Heren, rechtstreeks in Terraisse, waar veel bos is, 840 Hadden de snode verraders een slechte ontmoeting: De twaalf pairs van Frankrijk, van nobel leengoed, Kwamen aangereden doorheen het grondgebied; Eustachius van Boulogne was er evenzo bij En de graaf van Vlaanderen, die zoveel moed had, En Glorians van Cyprus, met de trotse houding, Alexander van Schotland en vele anderen. Zij hadden Nijmegen ingenomen, dat zich aan de zee uitstrekt, En hadden bevrijd, als de geschiedenis niet liegt, De twaalf pairs van Frankrijk en de Vlaamse graaf, 850 Zoals u zojuist heeft horen vertellen. Rechtstreeks naar Parijs kwamen zij, de jonge baronnen, Om op Gaufer, naar hun wens, wraak te nemen. Terwijl zij reden, ontmoetten zij zijn volk: Gaufer werd edel in een draagstoel gedragen, Uit de grond van zijn hart dankte hij God, aan wie de wereld toebehoort, Omdat men hem op zulk een wijze had gered; “ Baronnen, “ zo sprak Gaufer, “ u bent mijn verwanten, “ Want ik heb, op de dag van vandaag, door u allen redding gevonden; “ Maar als ik in Nijmegen aankom, beloof ik u, 860 “ Dat eenieder er een rechtmatige beloning voor zal krijgen! “ Zij reden met vreugde, zij vreesden helemaal niets, Maar de ontmoeting is vaak erger dan de hinderlaag. Nu rijdt Gaufer, die in een draagstoel was geplaatst, Zijn wonden bezorgden hem grote pijn en een hevige kwelling; </poem> |}<noinclude></noinclude> rloxs67qlryucpyeyu4y3g6rq41jqiq 226134 226133 2026-08-30T10:04:31Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226134 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Seignour, car chevauchons, pour Dieu vous en prion. « Ains n’avint tels meschiés ou royame Karlon « Sé Gaufer nous escape, qui coer a de glouton ! » Dont fu grans li encaus contre val le royon, Et li parent Gaufroi chevauchent vers Laön ; Pour aler vers Térasse ont grant dévotion, Mais devers Montagu, si con lisant trouvon, Eurent mauvais encontre, à ichelle saison, Ensi con vous orrés en le bonne chanson. Seignour, droit en Terraisse, où de bois a gramment, Eurent mauvais encontre li traïtour pullent : Li ·xij· per de Franche, de noble chasement, Venoient chevauchant parmi le ténement ; Wistace de Bollongne i estoit ensément Et li conte de Flandre, qui tant ot hardement, Et Glorians de Cypre, au fier contenement, Alixandre d’Escoche et des autres gramment. Nimaie avoient prise, qui sus le mer s’estent, S’avoient délivret, sé l’istoire ne ment, Les ·xij· pers de France et le conte Flamenc, Ensi qu’avés of retraire justement. Droit à Paris venoient, li barron de jouvent, Pour avoir de Gaufroi, à lor gret, vengement. Ensi qu’il chevauchoient, encontrèrent sa gent : Gaufer fu en litière aportés noblement, De coer gratioit Dieu, à cui li mons apent, De che car on l’avoit rescous si faitement ; « Baron, » che dist Gaufer, « vous estes mi parent, « Car j’ai, à che jour d’ui, par vous tous sauvement ; « Mais s’à Nimaie vieng, je vous ai en couvent « Que chascuns en ara ·j· loïal païement ! » Chil chevauchent à joie, ne se doubtent noient, Mais pis vault li encontres que li agais souvent. Or chevauche Gaufer, qui fu mis en litière, Ses plaies li faisoient grant mal et grant hasquière ; </poem> |valign=top| <poem> “ Heren, laten wij rijden, om Gods wil bidden wij u erom. “ Nooit eerder gebeurde zulk een onheil in het rijk van Karel, “ Als Gaufer ons ontsnapt, die het hart van een gulzigaard heeft! “ Toen was de achtervolging groot doorheen het koninkrijk, En de verwanten van Gaufer reden richting Laon; Om naar Térasse te gaan hadden zij een grote toewijding, Maar in de richting van Montagu, zoals wij al lezend vinden, Hadden zij een slechte ontmoeting, in dat seizoen, Zoals u zult horen in het goede lied. Heren, rechtstreeks in Terraisse, waar veel bos is, 840 Hadden de snode verraders een slechte ontmoeting: De twaalf pairs van Frankrijk, van nobel leengoed, Kwamen aangereden doorheen het grondgebied; Eustachius van Boulogne was er evenzo bij En de graaf van Vlaanderen, die zoveel moed had, En Glorians van Cyprus, met de trotse houding, Alexander van Schotland en vele anderen. Zij hadden Nijmegen ingenomen, dat zich aan de zee uitstrekt, En hadden bevrijd, als de geschiedenis niet liegt, De twaalf pairs van Frankrijk en de Vlaamse graaf, 850 Zoals u zojuist heeft horen vertellen. Rechtstreeks naar Parijs kwamen zij, de jonge baronnen, Om op Gaufer, naar hun wens, wraak te nemen. Terwijl zij reden, ontmoetten zij zijn volk: Gaufer werd edel in een draagstoel gedragen, Uit de grond van zijn hart dankte hij God, aan wie de wereld toebehoort, Omdat men hem op zulk een wijze had gered; “ Baronnen, “ zo sprak Gaufer, “ u bent mijn verwanten, “ Want ik heb, op de dag van vandaag, door u allen redding gevonden; “ Maar als ik in Nijmegen aankom, beloof ik u, 860 “ Dat eenieder er een rechtmatige beloning voor zal krijgen! “ Zij reden met vreugde, zij vreesden helemaal niets, Maar de ontmoeting is vaak erger dan de hinderlaag. Nu rijdt Gaufer, die in een draagstoel was geplaatst, Zijn wonden bezorgden hem grote pijn en een hevige kwelling; </poem> |}<noinclude></noinclude> 1bw0hwlor7ai1nx7ggccqf0fmsuz8s6 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/795 104 88734 226135 2026-08-30T10:11:53Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226135 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> Et les ·ij· bras oussi, la tieste ens ou moilon. ·iiij· bans i avoit de très boine fáçon ; Là, le vont estandant, à force et à bandon, Si fort, priès ne li ront li vaine dou pomon, Et li vaine dou cuer ne tient s’à bien pau non. Droitement sur le ventre li mettent ·j· péron, ·ij· cens livres pesoit, la pière, ou environ ; Gaufrois ne demanda onques confession. En icelle jéhine longement le tint-on : Là, recorda comment enerba Phélipon Et comment il vendi, à tort et sans raison, Le père Bauduwin au roi Rouge-Lion ; De le roïne Rose, à le clère façon, Leur dist et leur conta toute l’establison. Li ·iiij· frères l’oent. Quant oent le glouton, Trestout cil qui l’oïrent recorder se liçon Disoient l’un à l’autre : « escoutés le clerçon, « Comment il a apris, bien en scet le façon. » Signeur, » ce dist Gaufroit qui cuer ot de grifon, « Dit ai ce que je sai ; mais morir me face-on, « Je ne dirai plus riens, je sui ci sans raison. « J’ai enerbet le roi, prendés-ent vengison, « Mais hastès-moi me mort, car de ce vous prion. « Lères, » dist Bauduwins qui cuer of de lion, « Nous en irons diner, car le table met-on, « Et apriès le diner, arés délivrison. » « Tel preut puist-il vous faire, » dist Gaufroit à haut son, « Qu’il fait le cors de moy ! si n’arés sé mal non. » Par devant le jéhuine de Gaufroi, le tirant, Furent mises les tables tos et incontinent : Tronpeur et viéleur s’i vont esbanoïant Et vont devant Gaufroi le diner aportant. Li aucun li demandent : « que ne venés avant ? « Vous déuissiès bien iestre assis trestout devant. » Et li aucun le vont de caut brouet jetant. </poem></i> |valign=top| <poem> <i>En de beide armen ook, het hoofd midden in de kern. Vier banken waren er van zeer goede makelij; Daar strekken zij hem uit, met geweld en zonder genade, Zo hard, dat bijna zijn longader breekt, En de ader van zijn hart houdt het op heel weinig na. Dit. Recht op zijn buik leggen zij een zware steen, Tweehonderd pond woog het rotsblok, of daaromtrent; Gaufrois vroeg nergens om een biecht. In deze foltering hield men hem lange tijd: Daar bekende hij hoe hij Phélipon had vergiftigd En hoe hij, ten onrechte en zonder reden, verkocht De vader Bauduin aan de koning Rood-Leeuw; Over de koningin Rose, met haar schone gelaat, Vertelde en deed hij hun de hele samenzwering uit de doeken. De vier broers horen het. Wanneer zij de schurk horen, Zeggen allen die hem zijn les hoorden opzeggen De een tegen de ander: “ Luister eens naar die slimme vogel, “ Hoe hij geleerd heeft, de kneepjes kent hij wel. “ “ Heren, “ zei Gaufroit die het hart van een griffioen had, “ Gezegd heb ik wat ik weet; maar laat mij nu sterven, “ Ik zal niets meer zeggen, ik ben hier zonder reden. “ Ik heb de koning vergiftigd, neem er wraak voor, “ Maar bespoedig mijn dood, want dat is wat ik u vraag. “ “ Dief, “ zei Bauduwins die het hart van een leeuw had, “ Wij gaan eerst eten, want de tafel wordt gedekt, “ En na het eten zult u uw verlossing krijgen. “ “ Moge het u evenveel goed doen, “ zei Gaufroit met luide stem, “ Als het mijn lichaam doet! u zult er niets dan onheil van hebben. “ Vóór de martelplaats van de tiran Gaufroi, Werden de tafels direct en zonder dralen klaargezet: Trompetters en vedelaars vermaken zich daar En brengen het eten vlak voor het gezicht van Gaufroi. Sommigen vragen hem: “ Waarom komt u niet naar voren? “ “ U zou immers helemaal vooraan moeten zitten. “ En sommigen overgieten hem met hete bouillon.</i> </poem> |}<noinclude></noinclude> clhmey4pnoz7pzox4lu37qpizwe7msz Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/796 104 88735 226136 2026-08-30T10:13:31Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226136 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Mais Gaufer en jura le Vierge trésorière Que s’à Nimaie vint, dont li mur sont de pierre, Que tout li ·xij· per en seront mis en bière. Ensi qu’il chevauchoit parmi le sablonnière, Dedens une valée regarde sus costière : Gaufer a perchéut venir mainte banière, Lors a dit à se gent : « biau seignour, par saint Pière, « Je n’irai plus avant, sé ne sai la manière « De cheus que je voi chi venir à lie chière. » Et .. Fransois venoient con gent arbalestrière. Trovet ont ·j· garchon, enmi ·j· charière, A cui ont demandé briément, à vois légière, Qui estoit chelle gent qui mal sambloit bregière ? Chuis lor va recordant le fait et le mannière Et que estoit Gaufer et sa maisnie fière. Dient li ·xij· per : « hé ! Vierge trésorière, « Bien viènent à lor tour chelle gent losengière ! » Liet furent li baron, li demaine et li per Qu’il porroient Gaufer devant eulz encontrer ; Chascuns point le chaval, sans point de l’arrester, Les lanches avalèrent, dont li fer furent cler, As traïtours escrient : « ne poés escaper ! » Chascuns abat le sien, as lanches avaler. Li traïtour, quant virent cheulz ensi assambler, Il ont laissiet Gaufroi, ne l’en peurent mener ; A le fuite sont mis, pour leur vies sauver. Wistaces de Bollongne et Gloriant, le ber, Sont venu à Gaufroi, si ont pris à crier : « Gaufer, bien veignies-vous, par Dieu c’on doit loer ! « Lonc tamps vous avons quis, ne vous poïens trouver. « Moult de maus avés fait no linage endurer ! « Tant va le quane à l’iawe qui le convient froer. » Moult fu Gaufer dolans, si fist chière abaubie. Atant ès-vous Fransoys, banière desploïe, Baudewins de Sebourc fu devant une archie : </poem> |valign=top| <poem> Maar Gaufer zwoer bij de Maagd, de schatbewaarster, Dat als hij in Nijmegen kwam, waarvan de muren van steen zijn, Dat alle twaalf pairs daar in de lijkkist zouden worden gelegd. Terwijl hij door de zandvlakte reed, Keek hij in een vallei langs de helling: 870 Gaufer merkte op dat er menige banier naderde, Toen zei hij tegen zijn volk: “ schone heren, bij Sint Pieter, “ Ik ga niet verder, als ik niet weet wat de aard is “ Van hen die ik hier met een vrolijk gezicht zie naderen. “ En de Fransen kwamen als een schare kruisboogschutters. Zij vonden een jongen midden op een weg, Aan wie zij kort vroegen, met zachte stem, Wie dat volk was dat er nogal strijdlustig uitzag? Deze vertelde hen de feiten en de toedracht, En wie Gaufer was en zijn trotse gevolg. 880 De twaalf pairs zeiden: “ ach! Maagd schatbewaarster, “ Die bedrieglijke mensen komen net op tijd aan de beurt! “ Blij waren de baronnen, de heren en de pairs Dat zij Gaufer recht voor zich zouden aantreffen; Ieder spoort het paard aan, zonder het in te houden, Zij lieten de lansen zakken, waarvan de ijzers glansden, Tegen de verraders roepen zij: “ jullie kunnen niet ontsnappen! “ Ieder slaat de zijne neer door de lansen te laten zakken. Toen de verraders hen zo zagen samenkomen, Lieten zij Gaufroi achter, ze konden hem niet meenemen; 890 Zij sloegen op de vlucht om hun leven te redden. Wistace van Boulogne en Gloriant, de edelman, Kwamen naar Gaufroi en begonnen te roepen: “ Gaufer, wees welkom, bij God die men moet loven! “ Lange tijd hebben we u gezocht, we konden u niet vinden. “ Veel kwaad heeft u ons geslacht laten verdragen! “ De kruik gaat zo lang te water tot ze breekt. “ Zeer bedroefd was Gaufer, en hij trok een verslagen gezicht. Ondertussen zijn daar de Fransen, met ontplooide banier, Boudewijn van Sebourc reed voor een schare boogschutters uit: 900 </poem> |}<noinclude></noinclude> 4ys7i808tgxzezok4b17lcfh7j54abx Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/797 104 88736 226137 2026-08-30T10:15:54Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226137 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <poem> Et Gaufroit crie et brait, moult se va resquignant. « Qu’es-se ? » dist Bauduwins, « Gaufroi, n’alés criant. « Saciés, s’il a céens cevalier né siergant « Qu’il vous face nul bien, je m’irai coureçant. » Li queux de le quisine est venus acourant, D’une torque d’ongnons va Gaufroi couronnant. Moult fellement le va, li lères, regardant. Quant li prince ont disgné, dou tout à leur commant, Les tables ont ostet cevalier et siergant, Et li ménestrel vont leur mestier atenprent : Là, fissent une tresque, li baron soufisant, Qui dura celui jour jusqu’à soliel coucant. « Elas ! » ce dist Gaufrois, a bien me vois piercevant « Celui qui il mesquiet, on li va mesoffrant. » Droit à soleil couçant, fu Gaufrois atelés A ·iiij· fors cevaus et puis fu traiënés Tout contre val Paris, qui est boines cités ; Tout droit à Monfaucon là fu-il encrués. Gaufrois fu mis à fin, ensi que vous oés. Bauduwins a ses frères vistement apiellés : « Signeur, alons en Frise, les rices irétés, « S’alons quère no mère, il en est tans pasés. » Et cil ont respondut : « si com vous commandés. » A haus barons de France fu li congiés rouvés Et li contes de Flandres est avoecques alés, Et li contes Wistaces, leurs boins cousins carnés. Ne sai que vous en fust nus lons plus devisés, Venut sont à Nimaie, s’ont leur gent asamblés : Il entrent en le mer, ès barges et ès nés, Au lés par deviers Frise è-les-vous aroutés ; Et li vens leur fu bons qui les i a jetés, Ens ou pais de Frise sont, li baron, entrés. Viers le foriest s’en vont, é-les-vous aroutés, Bien seurent le cemin, car il leur fu monstrés. Tant vont li quatre frère, le foriest ont trouvée </poem> |valign=top| <poem> <i>En Gaufroit schreeuwt en brult, en trekt lelijke gezichten. “ Wat is er? “ zei Baudwin, “ Gaufroi, hou op met schreeuwen. “ Weet wel, als er hierbinnen een ridder of dienaar is “ Die u enig goeds doet, ik zal flink vertoornd raken. “ De kok van de keuken is aangerand komen rennen, Met een uienkrans gaat hij Gaufroi kronen. Zeer boosaardig kijkt de schurk hem aan. Toen de prinsen gedineerd hadden, geheel naar hun wens, Hebben de ridders en dienaren de tafels afgeruimd, En de minstrelen beginnen hun ambacht uit te oefenen: Daar dansten de voortreffelijke baronnen een reidans, Die die dag duurde tot de ondergang van de zon. “ Helaas! “ zei Gaufrois, “ ik begin het nu goed te beseffen: “ Wie het ongeluk treft, die wordt door iedereen slecht behandeld. “ Recht bij zonsondergang werd Gaufrois ingespannen Aan vier sterke paarden en daarna werd hij voortgesleurd Helemaal omlaag door Parijs, wat een mooie stad is; Rechtstreeks naar Montfaucon, daar werd hij opgehangen. Gaufrois werd aan zijn einde gebracht, zoals u hoort. Baudwin heeft zijn broers snel bij zich geroepen: “ Heren, laten we naar Friesland gaan, naar de rijke erfgoederen, “ En laten we onze moeder gaan zoeken, het is er nu wel de tijd voor. “ En zij hebben geantwoord: “ Zoals u bevelen geeft. “ Aan de hoge baronnen van Frankrijk werd het verlof gevraagd En de graaf van Vlaanderen is met hen meegegaan, En graaf Wistace, hun goede vleselijke neef. Ik weet niet wat ik daar nog langer over zou uitweiden, Gekomen zijn zij in Nijmegen, en ze hebben hun manschappen verzameld: Zij gaan de zee op, in de aken en in de schepen, In de richting van Friesland hebben zij zich op weg begeven; En de wind was hun gunstig, die hen daarheen heeft geblazen, In het land van Friesland zijn de baronnen binnengevallen. Naar het bos gaan zij, kijk hen daar eens op weg gaan, Goed kenden zij de weg, want die was hun gewezen. Zover gaan de vier broers, dat zij het bos hebben gevonden</i> </poem> |}<noinclude></noinclude> mbmerkan44ac0jbntnhbdvnd2xjrjbu Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/798 104 88737 226138 2026-08-30T10:18:18Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226138 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Quant il vit la litière et cheus de sa lignie, Adont leur escria : « seignour, je vous em prie, « Avés véut Gaufroi en icheste partie ? » « Cousins, » se dist Wistace, « il est en ma baillie. » Quant Baudewins l’entent, qui le chière ot hardie, Du cheval descendi enmi la praiërie Et puis s’agenoulla en menant chière lie Et dist : « dous Jhésu-Cris, je te loe et gratie « Quant je r’ai le glouton qui m’a fait tel hasquie ! » Venus est à Gaufroi, hautement li escrie : « Glous, » che dist Baudewins, « or ne me chélés mie, « Dites-moi qu’avés fait de ma mère agentie ? « Avant-hier me disistes qu’encore estoit en vie. » « Ch’est voirs, » che dist Gaufer, « sé Diex me bénéie ! « Dedens une forest, en Frise le garnie, « En une riche tour qui bien est bateillie, « Là, est Rose, la dame, et s’a bonne maisnie « Qui li donnent assés pain et char, vin sor lie. » « Or tost, » dist Baudewins, « or ne .. chélés mie, « Fait vous ai récréant à l’espée fourbie, « Or dites sé j’ai droit ou sé je ne l’ai mie ? « Faites à Dieu honneur et à sainte Marie, « Et au déable honte, qui vous tient compaingnie. »  « Hélas ! » che dist Gaufer, « fortune me cravente ! « Jà soloie tenir terres et mainte rente, « Mais fole convoitise m’a fait tout mettre à vente ; « Je ne puis escaper, si m’en doit bien faire ente. « Hé ! déables d’enfer, par toi ai cheste atente ! « Bien voi nuls ne te sert qu’en fin ne s’en repente. « On ne se poet warder de sa fausse jouvente « Et tels en cuide issir qui bien souvent i rente ; « Qui le sert ·j· soel jour, il en sert plus de ·xxx·, « Qui au déable entent, trestout adès le tente. « Or l’ai-je tant servi, pas n’est que m’en repente, « Car che seroit à tort, m’âme je li présente. </poem> |valign=top| <poem> Toen hij de draagkoets zag en degenen van zijn geslacht, Riep hij hen toen toe: "Heren, ik smeek u, Hebt u Gaufroi in deze streek gezien?" "Nef," zeide Wistace, "hij bevindt zich in mijn macht." Toen Baudewin dit hoorde, die een dapper gelaat had, Steeg hij van het paard af midden in de weide En toen knielde hij neer met een blij gezicht En zeide: "Lieve Jezus Christus, ik loof en dank U Nu ik de schurk terugheb die mij zo'n kwelling heeft aangedaan!" Hij is naar Gaufroi toe gegaan en roept hem luidruchtig toe: 910 "Schurk," zo sprak Baudewin, "verberg het nu niet voor mij, Zeg mij, wat hebt u gedaan met mijn edele moeder? Eergisteren vertelde u mij dat zij nog in leven was." "Dat is waar," zo sprak Gaufer, "moge God mij zegenen! Midden in een woud, in het versterkte Friesland, In een machtige toren die goed voorzien is van kantelen, Daar bevindt zich Rose, de vrouwe, en zij heeft goed personeel Die haar voldoende brood en vlees geven, en goede wijn." "Vooruit snel," zeide Baudewin, "verberg het nu niet voor mij, Ik heb u tot overgave gedwongen met mijn gewette zwaard, 920 Zeg nu of ik in mijn recht sta of dat ik dat geenszins sta? Schenk eer aan God en aan de heilige Maria, En breng schande toe aan de duivel, die u gezelschap houdt." "Helaas!" zo sprak Gaufer, "het lot vernietigt mij! Ooit was ik gewend landen en menige rente te bezitten, Maar dwaze hebzucht heeft mij alles doen verkopen; Ik kan niet ontsnappen, dus dit moet mij wel schande toebrengen. O! duivel van de hel, door jou bevind ik mij in deze toestand! Ik zie wel dat niemand jou dient zonder er uiteindelijk spijt van te krijgen. Men kan zich niet behoeden voor zijn valse jeugd 930 En menigeen die denkt eruit te komen, betaalt er vaak nog tol voor; Wie hem dient slechts één enkele dag, dient hem daarna meer dan dertig dagen, Wie naar de duivel luistert, die brengt hij voortdurend in verzoeking. Nu heb ik hem zo lang gediend, het is niet zo dat ik er berouw van heb, Want dat zou ten onrechte zijn, mijn ziel draag ik aan hem over." </poem> |}<noinclude></noinclude> k1c2ojnnb6kaup1lpx4bdpcnam0ht7r Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/799 104 88738 226139 2026-08-30T10:20:35Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226139 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <poem> Et le noble castiel et le tour bien fremée. Quant vinrent au castiel, cil qui gardent l’entrée Ont le pont sus levet et le porte coulée ; Mis se sont à desfense, comme gent redoutée. Une dame s’en est à le roïne alée, Qui dedens celle tour est laiens enfremée : « Roïne, » dist la dame, a vous serés délivrée, « Là dehors sont vo fil et cil de vo contrée ! » Quant la roine l’ot, s’est céue pasmee Et quant se releva si est haut escriée, En disant « mère Dieu, roïne couronnée, « Dame, vous en soiiés et bénie et loée ! » Et li ·iiiij· baron, de boine relommée, Asalirent le tour de boine randonnée. Si vous dirai comment il l’eurent conquestée : Car les arbres dou bos copèrent grant ramée, Les fosés ont enplis et l’ique sourmontée ; Par force i sont entret, si ont le gent tuée, Et le roïne Rose de prison délivrée. Adont fu de ses fieux baisie et acolée. « Dame, » dist Esmerés, à le brace quarée, « Acolés Bauduwin, s’il vous plaist et agrée, « Le père dou Bastart qui tant a relommée. » Bauduwins acola la roïne senée Et la roïne Rose est céue pasmée. Et li uns et li autres se pasma, la journée, Tellement c’on cuida, plus de demi lieuée, Que cescuns d’iaux éuist l’arme dou cors sevrée. Là, fu grans li pités et li joie menée. A le recongnissance de le mère et l’enfant Fu grande li pités, pour voir le vous créant ! Piteusement li va, Bauduwins, recordant Comment il fu noris, moult jovenet enfant, Ou castiel à Sebourcq, dedens Hainau séant ; Comment à Valenciènes il ala tournoïant, </poem> |valign=top| <poem> <i>En het edele kasteel en de goed versterkte toren. Toen zij bij het kasteel kwamen, hebben zij die de ingang bewaken De ophaalbrug omhooggehaald en de valpoort neergelaten; Zij stelden zich teweeg tot de verdediging, als dapper volk. Een dame is spoedig naar de koningin gegaan, Die daarbinnen in die toren gevangen zit: "Koningin," zei de dame, "u zult worden bevrijd, Daarbuiten staan uw zonen en de mannen uit uw land!" Toen de koningin dit hoorde, viel zij flauw En toen zij weer opstond, riep zij luidkeels uit, Zeggende: "Moeder Gods, gekroonde koningin, Vrouwe, wees hiervoor gezegend en geprezen!" En de vier baronnen, van zeer goede naam, Bestormden de toren met grote onstuimigheid. Ik zal u vertellen hoe zij deze veroverden: Want zij kapten een grote hoeveelheid takken van de bomen uit het bos, Hebben de grachten ermee gevuld en de borstwering overmeesterd; Met geweld zijn zij binnengedrongen, en zij hebben de manschappen gedood, En koningin Rose uit haar gevangenschap bevrijd. Toen werd zij door haar zonen gekust en omhelsd. "Vrouwe," zei Esmeret, de man met de brede schouders, "Omhels Bauduin, als het u behaagt en bevalt, De vader van de Bastaard, die zo'n grote faam geniet." Bauduin omhelsde de wijze koningin En koningin Rose viel (wederom) flauw. En de een na de ander viel die dag in onmacht, Zodanig dat men dacht, wel een flinke tijd lang, Dat bij ieder van hen de ziel van het lichaam gescheiden was. Daar werd grote ontroering getoond en grote vreugde bedreven Bij de herkenning tussen de moeder en het kind Was de ontroering groot, dat verzeker ik u waarlijk! Hunkerend en teder herinnert Bauduin haar eraan, Hoe hij werd opgevoed, als een heel jong kind, In het kasteel te Sebourg, gelegen in Henegouwen; Hoe hij in Valenciennes aan toernooien deelnam,</i></poem> |}<noinclude></noinclude> hkfvmdxgustawlev56qltbzxjmb96du Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/800 104 88739 226140 2026-08-30T10:29:19Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226140 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Pièchà l’a desservie, si en ara l’atente. » Et Baudewins s’escrie : « Gaufer, que ne m’entens-te ? » « Que volés ? » dist Gaufer, « ja ne sarés m’entente, « Tant qu’à Paris venrai, la noble chité gente. « En générael dirai une oaire si pullente « N’i ara si hardi qui ne s’en espoente ! « Seigneur, » ce dist Gaufer, « je sui en vo commant ; « Chertes, che poise moi, j’en ai mon coer dolant. « Aïés de moi pitié ! franc chevalier poissant, « Je vous lairai ma terre et quanques j’ai vaillant « Et le païs de Frise et dérière et devant. « Si devenrai hermites en ·j· bos verdoïant, « Si prierai à Dieu, le père roy amant, « Qu’il ait de moi pitié ; car trop vois redoutant « Le caudière d’enfer, là où vont li mesquant. » « Hé ! Diex, » dist Baudewins, qui tant ot fier samblant, « Con veschi bon hermite et bien en Dieu créant ! « S’il estoit escapés sus son destrier courant, « Et il fust enfremés en Nimaie, le grant, « Il ne fist onques mal qu’il n’en fisist otant ! « Gaufer, » dist Baudewins, « foy que doy saint Vinchant, « Je vous ferai hermite ès bois de bauliant. » Li ·xij· per de Franche et li autre princhier Fisent ·j· grant bahut briément apareillier, Et puis vont par desseure le fel Gaufer loier Et puis l’ont acouplet à kewes de destrier, Et si vont traienant Gaufroi, le losengier, Dès-si jusqu’à Paris, pour lui à blanstengier ; Onques autre litière ne font apareillier. « Hé ! Diex, » che dist Gaufer, « qu’il me doit anoïer ! « Je soloie jadis grant terre justichier « Et s’avoie le soer roy Phyllippe à moullier ; « Je ne péusse chose en che mont soushaidier « Que n’éuse tantost tout à mon désirier ; « Or m’ont si atrapet le déable……… </poem> |valign=top| <poem> “ Lange tijd heeft hij het verdiend, zo zal hij het nu afwachten. “ En Boudewijn roept uit: “ Gaufer, waarom hoort u mij niet? “ “ Wat wilt u? “ zei Gaufer, “ u zult mijn bedoeling niet kennen, Totdat ik in Parijs aankom, de nobele, schone stad. In het openbaar zal ik een zo stinkende lucht uitbazen 940 Dat er niemand zo koen zal zijn die er niet van schrikt! “ “ Heer, “ zo sprak Gaufer, “ ik sta onder uw bevel; Voorwaar, dit bedroeft mij, ik heb er een treurend hart van. Heb medelijden met mij! Machtige, edele ridder, Ik zal u mijn land achterlaten en al mijn bezit, En het land van Friesland, van achteren en van voren. Zo zal ik kluizenaar worden in een groenend bos, En zo zal ik bidden tot God, de liefhebbende Vader en Koning, Dat Hij medelijden met mij heeft; want ik ben al te bang voor De ketel van de hel, waar de ongelukkigen heen gaan. “ 950 “ Ach! God, “ sprak Boudewijn, die zo'n trots voorkomen had, “ Wat zien we hier een goede kluizenaar en welgemanierd in het geloof! Als hij ontsnapt zou zijn op zijn rennend strijdpaard, En hij opgesloten zou zitten in het grote Nijmegen, Zou hij nooit kwaad hebben gedaan, of hij deed het nu weer evenzeer! Gaufer, “ sprak Boudewijn, “ bij het geloof in Sint Vincent, Ik zal u kluizenaar maken in de weelderige bossen. “ De twaalf pairs van Frankrijk en de andere vorsten Lieten snel een grote bak klaarmaken, En vervolgens binden ze de misdadige Gaufer daar bovenop 960 En daarna koppelen ze die aan de staarten van de strijdpaarden, En zo slepen ze Gaufroi, de bedrieger, voort, Helemaal vanaf hier tot aan Parijs, om hem te schande te maken; Geen enkele andere draagstoel laten zij voor hem klaarmaken. “ Ach! God, “ zo sprak Gaufer, “ wat moet dit mij pijn doen! Ik was voorheen gewend over een groot land te regeren En ik had 's avonds koningin Filippa als echtgenote; Ik kon in deze wereld niets wensen Of ik had het terstond geheel naar mijn verlangen; Nu hebben de duivels mij zo gevangen……… 970 </poem> |}<noinclude></noinclude> 39n05ke9x19b55ztpw5vo58upd9g95o Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/801 104 88740 226141 2026-08-30T10:31:28Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226141 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> Comment il pierdi Blance par traïson si grant, Comment vint en Falise où conquist Polibant ; Les miracles li va, de Baudas, recordant, Comment le Haut-Asis abati son beubant Et le bielle Ivorine que par il ama tant ; Et comment il fu pris dou rice roi-soudant Qui avoit la ducesse qui Pontieu fu tenant, Comment elle le fist entrer en Abilant Et Esmeret, son frère, trouva tristre et dolant, Comment vint en Pontieu parmi le mer bruïant Et jusques en infier furent adont nagant, Et comment il conquist le lion avenant ; Et dou conte de Flandres à qui il fist le camp Et de Gaufroi qu’il fist, en l’estour, récréant. Et la roine Rose va, de pitet, plorant. Et li mengiers fu prés, l’iaue siervent siergant, Et puis apriès mengier se vont aceminant. Ne sai que vous alasse le cançon eslongant, Tant alèrent ensamble, parmi le mer nagant, Qu’il vinrent à Nimaie ; là, se vont arivant. Blance, le suer au conte, ot le cuer moult joïant : Bien sot que Bauduwins li ot en couvenant, Si tos qu’il revenroit, il l’iroit espousant. L’asamblée désire de son loïel amant, Bien li estoit avis, sé vivre pooit lant, Qu’elle éuist à marit Bauduwins, le poissant ; Et, pour ·j· seul délit c’on fait en lit gisant, Tenroit bien enploiiet ses maus dont elle ot tant. A l’entrer à Nimaie, vint toute li clergie Contre Rose, le gente, et l’autre baronnie, Chantant moult doucement de le Vierge-Marie ; Bauduwin acolèrent, cescuns si le fiestie. Bauduwins vint à Blance, estroit l’a enbracie Et li a demandet : « comment vous est, amie ? » Celle dista dous amis, je sui toute haitie </poem></i> |valign=top| <poem> <i>Hoe hij Blanche verloor door zo'n groot verraad, Hoe hij in Falise aankwam waar hij Polibant overwon; Hij herinnert haar de wonderen van Baudas, Hoe de Haut-Asis zijn hoogmoed werd ontnomen En de schone Ivorine die hij zo vurig liefhad; En hoe hij gevangen werd genomen door de rijke koning-sultan Die de hertogin had die over Pontieu heerste, Hoe zij hem Abilant deed binnengaan En hij Esmeret, zijn broer, bedroefd en treurend aantrof, Hoe hij in Pontieu aankwam over de woeste zee En zij toen tot in de hel voeren, En hoe hij de indrukwekkende leeuw overwon; En over de graaf van Vlaanderen met wie hij de strijd aanging En over Gaufroi die hij, in het gevecht, deed overgeven. En koningin Rose begint, uit deernis, te huilen. En de maaltijd stond gereed, schildknapen serveren het water,. En na de maaltijd begeven zij zich op weg. Ik weet niet waarom ik het lied voor u langer zou maken, Zij voeren zo lang samen over de zee, Dat zij in Nijmegen aankwamen; daar gaan zij aan land. Blanche, de zuster van de graaf, had een zeer verheugd hart: Zij wist wel dat Boudewijn haar had beloofd. Dat zodra hij zou terugkeren, hij haar zou trouwen. Zij verlangt naar de vereniging met haar trouwe minnaar, Het was haar vaste overtuiging, als zij lang mocht leven, Dat zij de machtige Boudewijn tot echtgenoot zou hebben; En voor slechts één enkel genot dat men delend in bed beleeft, Zou zij haar vele leed, dat zij had doorstaan, goed besteed achten. Bij de binnenkomst in Nijmegen kwam de gehele geestelijkheid Tegemoet aan de edele Rose en de overige edelen, Heel zoet zingend over de Maagd Maria; Zij omhelsden Boudewijn, eenieder verwelkomt hem feestelijk. Boudewijn kwam naar Blanche, sloot haar innig in zijn armen En vroeg haar: "Hoe is het met u, geliefde?" Zij zeide: "Lieve vriend, ik ben volkomen welgemoed."</i> </poem> |}<noinclude></noinclude> 8nd91o2knk0g4xmxf8vq63096svw0j0 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/802 104 88741 226142 2026-08-30T10:34:49Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226142 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Qu’il me convient………………… « Mais sé pooie…………………… « Dont péusse……………………… « M’en iroie outre mer Jhésu-Crist renoier, « Et s’amenroie chi le poeple losengier « Pour venir dechà mer crestiens essillier ; « N’i lairoie en estant crucéfis né monstier. » Ensi disoit Gaufer, que Diex doinst encombrier ! A Paris sont venu li noble messagier : Baudewins de Sebourc ne s’i volt ataergier, Il a fait ou palais Gaufroi apareillier ; En une kieute-pointe font le glouton couchier, Les piés li fist estendre et les ·ij· bras loier, Le corps li a fait tendre comme arc d’arbalestrier Et puis dessus le ventre, pour lui plus courechier, Li mist-on une pierre pesans plus d’un mortier. Là, commencha Gaufer moult haut à prééchier, Car devant lui estoient li per et li gerrier : « Seignour, » se dist Gaufer, « bien me doit anoïer « Qu’ensément voi mon corps ens el vostre dangier ! « S’à Nimaie péusse venir et herbergier, « Li ·xij· per de France éussent mal loïer, « Car j’éusse à chascun fait le teste trenchier. « Je ne puis escaper, je vœil tout descliquier ; « Tel coze vous vaurrai et dire et retraitier « C’onques je ne vauls dire à prestre de monstier. « Seigneur, » che dist Gaufer, « je ne vœil riens céler : « Je fis le roy Hernoul as païens délivrer, « Je vendi le sien corps au païens d’outre-mer ; « Et la royne Rose ai fait emprisonner « En la terre de Frise, bien le porrés trouver « En le forest d’Argonne, droit au chastel Uter ; « La soer au roy de France alai dont espouser, « Puis fis le roy Phillippe par venin enherber. « Sé j’éusse vesscut, j’éusse fait tuer </poem> |valign=top| <poem> " Dat het mij schikt…………………… “ Maar als ik kon…………………… “ Waarmee ik zou kunnen……………………… “ Zou ik overzee gaan om Jezus Christus af te zweren, “ En dan zou ik hier het bedrieglijke volk meebrengen “ Om aan deze zijde van de zee de christenen te vernietigen; “ Ik zou er geen kruisbeeld of kerk overeind laten staan. “ Zo sprak Gaufer, aan wie God moge ongeluk schenken! Naar Parijs zijn de edele boodschappers gekomen: Boudewijn van Sebourc wilde daar niet dralen, 980 Hij heeft in het paleis de folterbank voor Gaufroi gereed laten maken; Op een doorgestikte deken liet men de schurk neerleggen, Zijn voeten liet hij strekken en zijn beide armen binden, Zijn lichaam liet hij spannen als de boog van een kruisboogschutter En toen bovenop zijn buik, om hem nog meer te kwellen, Legde men een steen die zwaarder woog dan een vijzel. Daar begon Gaufer zeer luidkeels te preken, Want voor hem stonden de pairs en de krijgers: “ Heren, “ zo sprak Gaufer, “ het moet mij wel verdrieten 990 “ Dat ik mijn lichaam zo in uw macht zie! “ Als ik in Nijmegen had kunnen aankomen en verblijven, “ Zouden de twaalf pairs van Frankrijk een slechte beloning hebben gekregen, “ Want ik zou bij ieder van hen het hoofd hebben laten afsnijden. “ Ik kan niet ontsnappen, ik wil alles opbiechten; “ Zulk een zaak zal ik u vertellen en uiteenzetten “ Die ik nooit heb willen vertellen aan een priester in de kerk. “ Heren, “ zo sprak Gaufer, “ ik wil niets verbergen: “ Ik heb koning Hernoul aan de heidenen uitgeleverd, “ Ik heb zijn lichaam verkocht aan de heidenen van overzee; 1000 “ En koningin Rose heb ik laten gevangenzetten “ In het land van Friesland, daar zult u haar wel vinden “ In het bos van Argonne, recht bij het kasteel Uter; “ De zuster van de koning van Frankrijk ging ik toen trouwen, “ Daarna heb ik koning Phillippe met gif laten vergiftigen. “ Als ik had geleefd, zou ik hebben laten doden </poem> |}<noinclude></noinclude> fywn03dodfhsz8aqf6djzprg4n3rjyy Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/803 104 88742 226143 2026-08-30T10:37:10Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226143 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> « Puisque le vostre cors arai en ma ballie ! « Je cuide estre ciertaine que ne me faurés mie. » Sages fu Bauduwins, à le cière menbrée, Devant tous les barons de la cité loée Espousa, li bers, Blance, au point de la journée ; Et li contes de Flandres a se suer adiestrée. Le tière de Hainau a Bauduwin donnée, Mais retenir n’en vot demie né denrée Et dist tout en oiant, en la salla pavée : « Jà tière ne tenrai deça le mer salée. » Croisant, son compagnon, qui tant ot relommée, Fist, li bers, espouser une dame loée Que Gaufrois ot devant à moulier espousée. De le mort de Gaufroi ne fu onques irée, Pour ce fu à Croisant otroiie et donnée. Bauduwins espousa en la salla pavée Et Croissans, li vasaus, qui tant ot relommée : Moult fu grande la fieste qui là fu démenée, Cil ménestrel i ont grande vie menée ; N’i a celui qui n’ait boine robe fourée Et mainent lie cière, car moult il leur agrée. Moult fu grande la fieste as noeces Bauduwin ; Là, furent tout joians et varlet et mesquin, La nuit mainent grant fieste et mainent leur destin, Là recordent leurs viers de-ci jusqu’au matin. Et la roïne Rose ses fieux et si cousin Renforcièrent leur fieste ou palais marberin ; Là, furent liëment en joie li mesquin. Puis, se parti li cours où on but moult de vin : Ustase viers Boulongne se remist au cemin Et li contes de Flandres, le païs rice et fin, Et Bauduwins remest, o lui maint palasin. Si frère sont iluecq, qui à lui sont enclin, Compagnie li tiènent au viespre et au matin. La cité fu en joie sans tourble et sans hustin. </poem></i> |valign=top| <poem> <i>“ Aangezien ik uw lichaam in mijn macht zal hebben! “ Ben ik er zeker van dat u mij nooit in de steek zult laten. “ Wijs was Boudewijn, met het krachtige gezicht, Voor alle baronnen van de geprezen stad Trouwde de held met Blanche, bij het aanbreken van de dag; En de graaf van Vlaanderen heeft zijn zuster begeleid. Het land van Henegouwen heeft hij aan Boudewijn gegeven, Maar deze wilde er nog geen penning of bezit van houden En zei openlijk, in de geplaveide zaal: “ Nooit zal ik land bezitten aan deze kant van de zoute zee. “ Croisant, zijn metgezel, die zo'n grote roem genoot, Liet de held trouwen met een geprezen dame Die Gwijde (Gaufrois) voordien tot echtgenote had genomen. Over de dood van Gwijde was men hersteld en niet meer bedroefd, Daarom werd zij aan Croisant toegestaan en gegeven. Boudewijn trouwde in de geplaveide zaal En Croisant, de vazal, die zo'n grote roem genoot: Zeer groot was het feest dat daar werd gevierd, De minstrelen hebben daar een groots leven geleid; Er was niemand die geen mooie gevoerde mantel had En zij toonden een vrolijk gezicht, want het behaagde hun zeer. Zeer groot was het feest bij de bruiloft van Boudewijn; Daar waren allen vreugdevol, zowel knapen als jongelingen, 's Nachts vieren zij groot feest en volgen hun bestemming, Daar dragen zij hun verzen voor tot in de ochtend. En koningin Rose, haar zonen en haar neven Versterkten hun feest in het marmeren paleis; Daar waren de jongelingen vrolijk en in vreugde. Daarna ging het hof uiteen waar men veel wijn dronk: Eustatius begaf zich weer op weg naar Boulogne En de graaf van Vlaanderen naar het rijke en schone land, En Boudewijn bleef achter, en met hem menig hoveling. Zijn broers zijn daar, die hem genegen zijn, Zij houden hem gezelschap in de avond en de ochtend. De stad was in vreugde, zonder onrust en zonder twist.</i> </poem> |}<noinclude></noinclude> 36nfsgwjuv0lh32vw3vq9uce7cyt6t2 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/804 104 88743 226144 2026-08-30T10:39:08Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226144 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Loëis, le sien fil, et puis par dons donner « M’éusse fait, à Rains, noblement couronner’; « Car il n’est riens qu’avoirs si ne face aveuler « Et j’ai fait, par argent, mainte âme condampner. « En volés-vous oïr plus dire né conter ? « Je cuideroie ·j· cler cheste année embriéver « A escrire les maus que j’ai volut penser, « Les grandes faussetés dont bien me sai merler ; « Murdres et traïsons, pucelles violer, « Autrui mal conseillier, autrui déshériter. « Je croi c’on ne porroit, en ·j· an, recorder « Les maus né le meschiés dont j’a volut user. « As déables d’enfer doi m’ame commander ! » …………… li baron et tout li ·xij· per : « ……………… car l’en laissons aler, « ………………… sa vie amender. » « Chertes, » dist Baudewins, « il li faut amaser, « Je li ferai pour nient se maison carpenter. » « E ! glous, » che dist Gaufer, « laissiés ton rigoler, « Tu me fesies jadis ma couronne verser « Et le jetas en l’aire, que le virent mi per ; « Tresdont me dist, li coers, que j’aroie à porter « Par toi et par ton fait : ne m’en pos délivrer, « Car ta mère te fist en sus de moi aler. « Le déable te fisent à Sebourc amaser, « Car li Bastars me fist du tout supéditer : « Les prisons me toli, qu’avoie à gouverner, « Et sé je les péusse à Nimaie mener, « Je en éuse fait le place délivrer ; « Mais par che fel bastard que tu vos engenrer « Ai trestout che mesquief, ch’est légier à prouver. » « Hé ! Diex, » dist Baudewins, « laissiesme tant régner « Qu’encor voie mon fil qui tant fait à doubter, « Le plus noble bastard dont on puist point parler ! » Dont va dessus Gaufroi une pierre geter, </poem> |valign=top| <poem> “ Lodewijk, zijn zoon, en hem daarna door geschenken te geven “ Zou ik mijzelf, in Reims, nobel hebben laten kronen; “ Want er is niets dat rijkdom niet blind kan maken, “ En ik heb, door geld, menige ziel verdoemd. “ Wilt u er nog meer over horen vertellen? 1010 “ Ik zou geloven dat een klerk dit hele jaar nodig heeft om op te schrijven “ Om de wandaden op te tekenen die ik heb willen beramen, “ De grote valasheden waarin ik mij zo goed wist te mengen; “ Moorden en verraad, maagden verkrachten, “ Anderen slecht adviseren, anderen onterven. “ Ik geloof dat men niet, in één jaar, zou kunnen opnoemen “ De wandaden noch het onheil dat ik heb willen bedrijven. “ Aan de duivels van de hel moet ik mijn ziel toevertrouwen! “ …………… de baronnen en alle twaalf pairs: “ ……………… want laten we hem gaan, 1020 “ ………………… zijn leven te beteren. “ “ Voorwaar, “ zei Boudewijn, “ hij moet zich gaan vestigen, “ Ik zal voor niets zijn huis laten timmeren. “ “ Ha! schurk, “ zei Gwijde (Gaufer), “ houd op met je spotternij, “ Jij liet mij destijds mijn kroon verliezen “ En smeet hem in de lucht, wat mijn pairs zagen; “ Sindsdien zei mijn hart mij, dat ik (dit) zou moeten dragen “ Door jou en door jouw toedoen: ik kon er mij niet van verlossen, “ Want jouw moeder liet jou boven mij uitstijgen. “ De duivels deden jou in Sebourg vestigen, 1030 “ Want de Bastaard heeft mij volledig onderworpen: “ De gevangenen nam hij mij af, die ik moest bewaken, “ En als ik hen naar Nijmegen had kunnen voeren, “ Zou ik die plaats daarmee hebben bevrijd; “ Maar door die snode bastaard die jij wilde verwekken “ Heb ik al dit onheil, dat is eenvoudig te bewijzen. “ “ Ach! God, “ zei Boudewijn, “ laat mij nog zo lang heersen “ Dat ik nog mijn zoon mag zien die zoveel ontzag inboezemt, “ De edelste bastaard van wie men ooit kan spreken! “ Toen ging Gaufroi een steen naar hem toe werpen, 1040 </poem> |}<noinclude></noinclude> 8jvxw2yvwbctog6yt3ml3qivwoyihx2 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/805 104 88744 226145 2026-08-30T10:40:29Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226145 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Qui ·c livres pesoit, si con j’oïs conter. Dont commencha, Gaufer, laidement à urler, Et li baron de France vont devant li danser, Caroler et tresquier et lui avironner ; Si ont dit à Gaufroi, où il n’ot qu’à irer : « Puis que nous carolons, il vous convient chanter. » Les tables furent mises par le palais de pris, Devant le fel Gaufroi sont au mengier assis ; Li ménestrel viellent, disant gales et ris. Li keus de le cuisine en est avant salis, D’une torque d’oignons, voïant tous les marcis, A couronné Gaufroi ; puis s’est à genous mis, Dist : « roys de tout le monde, je sui ·j· vos amis « S’est drois qu’à che disner soïés de moi servis. » Lors prist du caut bruet, sé li geta ou vis ; Et Gaufer s’escria : « lères, tu me honnis ! » Ensi fu, toute jour, en celle kieute-pointe, Gaufer, qui jadis ot le char de lui moult cointe ; Li keus de le cuisine l’a de se brouet ointe. Si le vont pétillant de maint coutel à pointe, Et des piés et des mains li hostent mainte jointe. Quant vint à le vesprée, que li caure chéi, Li prinche et li baron n’i ont fait nul détri : Atelet ont Gaufroi à ·j· courrant ronchi, A Monfaucon s’en vinrent, là où on le pendi. Par devant tout le poeple, sa fausseté jehi. Li ·xij· per de France, qui bien furent nourri, Portérent moult d’onneur Baudewin, le hardi ; Biau don li présentèrent, mais li bers les rendi, Puis revint à Nimaie et o lui si ami, Et Blanche, sa moullier, ala encontre lui. Baudewins le baisa et puis li dist ensi : « Belle, or vous a mes corps vengiet de l’anemi « Qui vous tint en prison ·xiiij· ans et demi, « Che fu li fax Gaufer qui mon père vendi. » </poem> |valign=top| <poem> Die dit boek woog, zo heb ik horen vertellen. Toen begon Gaufroi ijselijk te brullen, En de baronnen van Frankrijk gaan voor hem dansen, Rondedansen en springen en hem omsingelen; Zij zeiden tot Gaufroi, die enkel in woede kon ontsteken: “Aangezien wij dansen, betaamt het u te zingen.” De tafels werden gedekt in het prachtige paleis, Voor de snode Gaufroi zitten zij aan de maaltijd; De minstrelen spelen op de vedel, met scherts en vrolijkheid. De chef-kok van de keuken is naar voren gesprongen, 1050 Met een vlecht van uien, ten aanschouwen van alle markiezen, Heeft hij Gaufroi gekroond; daarna is hij op zijn knieën gevallen, En zei: “Koning van de hele wereld, ik ben uw vriend, Het is rechtvaardig dat u bij dit diner door mij wordt bediend.” Toen nam hij van de hete bouillon en wierp die in zijn gezicht; En Gaufroi schreeuwde: “Schurk, je schandeert mij!” Zo zat hij, de hele dag, in die gewatteerde deken, Gaufroi, die voorheen zo'n elegant lichaam had; De kok van de keuken heeft hem met zijn brij ingesmeerd. En ze steken hem met menig puntig mes, 1060 En van voeten en handen ontnemen ze hem menig gewricht. Toen de avond viel en de hitte afnam, Hebben de prins en de baronnen geen enkel uitstel geduld: Ze bonden Gaufroi vast aan een snel rennend werkpaard, Naar Montfaucon kwamen zij, de plaats waar men hem ophing. Ten overstaan van het hele volk bekende hij zijn valsheid. De twaalf pairs van Frankrijk, die welgemanierd waren, Betoonden veel eer aan Boudewijn de Koene; Een mooi geschenk boden zij hem aan, maar de edelman gaf het terug, Toen keerde hij terug naar Nijmegen, en met hem zijn vrienden, 1070 En Blanche, zijn echtgenote, ging hem tegemoet. Boudewijn kuste haar en sprak toen als volgt tot haar: “Schone, nu heeft mijn persoon u gewroken op de vijand Die u veertien en een half jaar in de gevangenis hield; Dat was de valse Gaufroi, die mijn vader heeft verkocht.” </poem> |}<noinclude></noinclude> 9gz81n9ps86fn7f1401f5akjntpnv81 Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/806 104 88745 226146 2026-08-30T10:44:22Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226146 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Seigneur, » dist Baudewins, « je vous prie merchi, « Alons querre ma mère qui soef me nourri. » N’i remest c’une nuit, li vassaus dont je di, Avoec Blanche sa femme ; lendemain s’em parti : Esmerés de Nymaie ala avoèkes lui, Glorians, Alixandres, Wistace, au corps joli. Et li contes de Flandre espousa puissedi Le soer au roy de France qui chuis Gaufer murdri. Quant vint à lendemain, droit à l’aube crevée, Li enfant s’en sont mis en haute mer salée ; Vers Frise vont nagant, chelle riche contrée, Et ont tant esploitié la forest ont trouvée Là où le tour estoit, ens ou moilon fondée, Où la royne Rose fu mise chelle année. Ne sai que la chanson vous en fust démenée, Tant vont par le forest la tour ont avisée ; Quant virent le chastel, si vinrent à l’entrée : Il sont entré dedens, que nuls ne lor dévée, Dedens une sale ont la royne avisée Qui estoit à son coer dolante et tourmentée, Car n’en pooit issir, trop près estoit gardée, Mais on leur a le sale ouverte et deffremée. Glorians, Esmerés et la lignie amée Ont la royne Rose baisie et acolée ; Et la dame chéi devant ses fiex, pasmée. Li gentil damoisel l’ont moult tost relevée. Baudewins s’escria : « douche mère senée, « Vous ne me connissiés, ch’est vérités prouvée, « Mais vous estes ma mère de vo droit apellée ; « Car je sui Baudewins qu’à Nimaie, la lée, « Abati à Gaufroi sa couronne dorée, « De coi vous m’envoïastes hors de vostre contrée. « Mais tout droit à Sebourc fu ma char alevée, « Et là fis du Bastart l’eureuse engenrée, « Par cui vo vie fu et vo mors respitée. </poem> |valign=top| <poem> “ Heren, “ zei Boudewijn, “ ik vraag u om genade, “ Laten we mijn moeder gaan zoeken die mij teder heeft gevoed. “ Hij verbleef er slechts één nacht, de vazal van wie ik spreek, Samen met Blanche, zijn vrouw; de volgende dag vertrok hij: Esmeret van Nijmegen ging met hem mee, Glorian, Alexander, Eustatius, met het fraaie lichaam. En de graaf van Vlaanderen trouwde nadien De zuster van de koning van Frankrijk die die Gaufer vermoordde. Toen de volgende dag aanbrak, precies bij het aanbreken van de dageraad, Zijn de kinderen de open, zoute zee opgegaan; Richting Friesland varen zij, dat rijke land, En zij hebben zo dapper voortgemaakt dat zij het bos hebben gevonden Waar de toren stond, in het hart ervan gebouwd, Waar koningin Rose dat jaar gevangen was gezet. Ik weet niet welk lied u daarvan is gezongen, Zolang trekken zij door het bos tot zij de toren hebben opgemerkt; Toen zij het kasteel zagen, kwamen zij bij de ingang: Zij zijn er binnengegaan, zonder dat iemand het hun weigerde, In een zaal hebben zij de koningin opgemerkt Die in haar hart bedroefd en gekweld was, Omdat zij er niet uit kon, zo nauw werd zij bewaakt, Maar men heeft de zaal voor hen geopend en van het slot gehaald. Glorian, Esmeret en het geliefde geslacht Hebben koningin Rose gekust en omhelsd; En de dame viel voor haar zonen neer, flauwgevallen. De edele jonkers hebben haar zeer snel weer overeind geholpen. Boudewijn riep uit: “ lieve, wijze moeder, “ U herkent mij niet, dat is een bewezen waarheid, “ Maar u bent mijn moeder, terecht zo genoemd; “ Want ik ben Boudewijn die in Nijmegen, het brede, “ Gaufer zijn gouden kroon van het hoofd sloeg, “ Waarom u mij wegzond, weg uit uw land. “ Maar juist in Sebourg werd mijn lichaam grootgebracht, “ En daar verwekte ik bij de Bastaard het gelukkige nageslacht, “ Waardoor uw leven behouden bleef en uw dood werd uitgesteld. </poem> |}<noinclude></noinclude> arz7neg6ghwc3pf0nehjl8ru4hrizox Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/807 104 88746 226147 2026-08-30T10:46:43Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226147 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Quant la dame l’oï, lors fist une escriée : » Ahi ! fiex Baudewins, hons de grant renommée, « On parole de ti jusques en Galilée ! » Biaus fielx, car me baisiés, n’en puis estre assasée ! » De joie et de dolour fu si fort apressée Qu’en baisant son enfant est chéue pasmée. Moult fu grande la joie de Rose, la royne, Quant Baudewins, le bel, tint là en se saisine ; Si qu’à son chier enfant li fist d’amour maint signe. Lors issirent de là et chascuns s’achemine. Tant naga, par le mer, la compaignie digne, Qu’à Nimaie arrivèrent, ce fu en briés termine : Lá estoit le plus belle, de trè bonne doctrine, Qui fust en tout le mont jusqu’en tère Jupine. Ensi à honneur furent chil qui girent du Chisne. Car, quant ·j· fais est pris sus mauvaise rachine, Che n’est mie merveille s’encore pis défine ; Gaufer commencha mal, s’empirèrent si signe. Or est drois et raisons c’ui mais je vous destine Le materre roïaus de la geste divine. De Baudewin avés of l’istoire fine, O primes vint le fleur qui miex vault de farine ; Car retraire porrés oïr, ains lonc termine, Comment et ses bastars il soit puis la couvine : Et comment Baudewins, où toute honnour acline, Aida à gerroïer, sus le gent Sarrasine, Baudewin, son cousin, roy de la terre digne Qui conquist maint païs, à l’espée achérine ; Et prist Mièkes, le grant, et la tour marberine Là où il engenra, en une Sarasine, Le Bastart de Bullon qui fu de france orine, Le plus hardi princhier en terre Beduïne Qui onkes i régnast. Il fu estrais du Chisne, Par cui li Sarrasin eurent mauvaise estrine, Dont pluisour jongléours vos ont dit le rachine. </poem> |valign=top| <poem> Toen de dame het hoorde, slaakte zij een kreet: “ Ach! zoon Boudewijn, man van grote faam, “ Men spreekt over u tot in Galilea! “ Schone zoon, kus mij toch, ik kan er niet genoeg van krijgen! “ Door vreugde en verdriet werd zij zo hevig overmand Dat zij, terwijl zij haar kind kuste, flauwgevallen is. Zeer groot was de vreugde van Rose, de koningin, Toen zij Boudewijn, de schone, daar in haar bezit hield; Zodat zij haar lieve kind menig teken van liefde gaf. Toen vertrokken zij vandaar en ieder ging op weg. 1120 Zolang voer het waardige gezelschap over de zee, Dat zij in Nijmegen aankwamen, dat was in korte tijd: Daar was de mooiste vrouw, van zeer goede deugden, Die er in de hele wereld was tot aan het land van Jupijn. Zo kwamen zij die van de Zwaan afstammenden tot eer. Want, wanneer een daad op een slechte wortel is gebouwd, Is het geen wonder als zij nog slechter eindigt; Gaufer begon slecht, en zijn tekenen verslechterden. Nu is het recht en rede dat ik u vanaf nu bestem Tot de koninklijke materie van het goddelijke heldendicht. 1130 Van Boudewijn hebt u de schone geschiedenis gehoord, Waar eerst de bloem verscheen die beter is dan meel; Want u zult, voor het einde van een lange tijd, horen vertellen Hoe het daarna met hem en zijn bastaards verging: En hoe Boudewijn, naar wie alle eer zich neigt, Hielp te strijden, tegen het Saraceense volk, Boudewijn, zijn neef, koning van het waardige land Die menig land veroverde met het stalen zwaard; En hij nam Mekka, de grote, en de marmeren toren Waar hij verwekte, bij een Saraceense vrouw, 1140 De Bastaard van Bouillon die van Franse herkomst was, De koenste prins in het Bedoeïnenland Die er ooit regeerde. Hij was gesproten uit de Zwaan, Door wie de Saracenen een slechte ontvangst kregen, Waarvan menig jongleur u de oorsprong heeft verteld. </poem> |}<noinclude></noinclude> r6flgox9pom7y7kct2vc23rxm6z773t Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/808 104 88747 226148 2026-08-30T10:48:27Z Havang(nl) 4330 niet proefgelezen 226148 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> S’en dirai le parfait, ains que mes livres fine, Et de Salehadin qu’à nous monstra haïne, Qu’ou tournoi à Chambrai enama le roïne Qu’en Arragone fu arse, en j. fu d’espine. Par le bon Chauveigni en sot-on le couvine, Dont vous orés retraire mainte parole fine, Tout ensi que l’aproève escripture dévine. {{lijn|6em}} </poem> |valign=top| <poem> Ik zal er het volledige einde van vertellen, voordat mijn boek eindigt, En over Saladin, die ons zijn haat toonde, Die op het toernooi in Cambrai verliefd werd op de koningin, Die in Aragón werd verbrand, in een vuur van doornen. Door de goede Chauvigny wist men van deze geschiedenis, 1150 Waarvan u menig treffend woord zult horen vertellen, Precies zoals het goddelijke geschrift het bewijst. {{lijn|6em}} </poem> |}<noinclude></noinclude> o5nnfxeu8ar5c8duglplh9l1ulmndjo Boudewijn van Sebourg/ZANG XXIV 0 88748 226151 2026-08-30T10:52:25Z Havang(nl) 4330 Nieuwe pagina aangemaakt met '<pages index="Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf" from=756 to=808 header=1 />' 226151 wikitext text/x-wiki <pages index="Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf" from=756 to=808 header=1 /> 56x6hmadisl2ulhrf2dqrh6djm0n1z6