Wikisource
nlwikisource
https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina
MediaWiki 1.47.0-wmf.17
first-letter
Media
Speciaal
Overleg
Gebruiker
Overleg gebruiker
Wikisource
Overleg Wikisource
Bestand
Overleg bestand
MediaWiki
Overleg MediaWiki
Sjabloon
Overleg sjabloon
Help
Overleg help
Categorie
Overleg categorie
Hoofdportaal
Overleg hoofdportaal
Auteur
Overleg auteur
Pagina
Overleg pagina
Index
Overleg index
TimedText
TimedText talk
Module
Overleg module
Event
Event talk
Hoofdportaal:Verzamelen
100
44169
226159
222030
2026-08-30T13:33:11Z
Vincent Steenberg
280
+bron
226159
wikitext
text/x-wiki
{{Infobox hoofdportaal
| afbeelding = Penny-black.jpg
| informatie = Dit is een overzicht van alle op [[Wikisource:Over Wikisource|Wikisource]] aanwezige bronnen over [[:w:Verzamelen|verzamelen]]. [[Hoofdportaal:Overzicht van alle hoofdportalen|Overzicht van alle hoofdportalen]].
}}
== Verzamelen van munten, penningen en bankbiljetten ==
=== Algemeen ===
[[Bestand:Algemeen Handelsblad 1843 no 3490 advertisement Gedenkpenningen en Munten.jpg|thumb|300px|Advertentie uit het ''Algemeen Handelsblad'', 16 januari 1843.]]
;Veilingen
*''Catalogue de la très-intéressante collection de médailles grecques, romaines, hollandaises, ainsi que des jetons ayant rapport à l’histoire universelle depuis les temps les plus reculés jusqu’à nos jours. Oeuvres numismatiques, médailliers, etc., le tout collectionné et délaissé par M. J. J. Becker, Bz., d’Amsterdam'', Huis met de Hoofden, Amsterdam, juni 1854.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (19 juni 1854) [[Algemeen Handelsblad/1854/Nummer 7027/De belangstelling in het verzamelen van munten en penningen|‘De belangstelling in het verzamelen van munten en penningen […] is sedert de laatst verloopene vijf en twintig of dertig jaren zeer merkbaar toegenomen. […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', [p. 1].
*''Collections de feu M. Mr. J. I. van Doorninck à Zwolle, de M. Jacq. N. van Gelder à la Haye, de feu M. S. R. Stokvis Jr. à Rotterdam, de Monsieur le Dr. L. R. Bunnik, Utrecht'', J. Schulman, Amsterdam, 11 december 1905 ''sqq''.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (15 december 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24651/Avondblad/Munt- en penningveiling|‘Munt- en penningveiling’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, eerste blad, [p. 1].
;Département des monnaies, médailles et antiques de la Bibliothèque nationale de France
*Anoniem (27 december 1831) [[Leeuwarder Courant/1831/Nummer 103/Leeuwarden, den 26 December|‘Leeuwarden, den 26 December’, alinea 2]], ''Leeuwarder Courant'', [p. 2].
;Het Koninklijk Penningkabinet
*Anoniem (6 november 1895) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 68/Nummer 20980/Avondblad/Het Koninklijk Penning-Kabinet|‘Het Koninklijk Penning-Kabinet te ’s-Gravenhage […]’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, eerste blad, [p. 2].
*Anoniem (20 februari 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 8/Prijskamp voor een gedenkpenning|‘Prijskamp voor een gedenkpenning’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 8, p. 52.
;Vereeniging voor Penningkunde
*Anoniem (23 mei 1933) [[Het Vaderland/Jaargang 65/23 mei 1933/Avondblad/Vereeniging voor Penningkunst|‘Vereeniging voor Penningkunst’]], ''Het Vaderland'', Avondblad C, p. 1.
=== Munt- en penningkunde ===
;Algemeen
*Chijs, P.O. van der (6 maart 1847) [[Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant/1847/Nummer 19/Uitnoodiging|‘Uitnoodiging aan de Bewoners van Gelderland en deszelfs omstreken, vooral aan Landbouwers, en hen, die oude gebouwen afbreken’]], ''Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant'', [p. 2].
;Herdenkingspenningen
*Anoniem (1 december 1825) [[Rotterdamsche Courant/1825/Nummer 144/Bij den Boekhandelaar B. Schuuring|‘Bij den Boekhandelaar B. Schuuring […] te Rotterdam, is nog een gering getal voorhanden van eene gedenkwaardige medaille, […] [advertentie]’]], ''Rotterdamsche Courant'', [p. 4].
*Anoniem (30 juni 1828) [[Leydse Courant/Jaargang 1828/Nummer 78/Leyden den 28 Junij|‘Leyden den 28 Junij’]], ''Leydsche Courant'', [p. 2-3].
*Anoniem (20 februari 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 8/Prijskamp voor een gedenkpenning|‘Prijskamp voor een gedenkpenning’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 8, p. 52.
*Anoniem (21 augustus 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 34/De jury|‘De jury voor den wedstrijd ten behoeve van den gedenkpenning, welke H. M. de Koningin wenscht te doen slaan bij gelegenheid harer plechtige inhuldiging […]’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 34, p. 158.
;Herdenkingspenningen; Jheronimus Bosch-penning
*Ebeling, H.J.M. (16 juni 1930) [[Provinciale Noordbrabantsche en 's-Hertogenbossche Courant/Jaargang 159/Nummer 139/Bij den Penning van Jheronimus Bosch|‘Bij den Penning van Jheronimus Bosch’]], ''Provinciale Noordbrabantsche en 's-Hertogenbossche Courant'', derde blad, [p. 3].
;Muntvondsten
*Anoniem (8 augustus 1839) [[De Noordbrabanter/1839/Nummer 95/Oudheden|‘Oudheden’]], ''Noord-Brabander'', [p. 1].
*Anoniem (24 mei 1876) [[Het Nieuws van den Dag/1876/Nummer 1909/Eenige dagen na de gemelde vondst der 17 geldstukken|‘Eenige dagen na de gemelde vondst der 17 geldstukken, […]’]], ''Het Nieuws van den Dag'', [p. 2].
*Anoniem (29 juli 1893) [[Opregte Haarlemsche Courant/1893/Nummer 176/Bij Medemblik|‘Bij Medemblik is een gouden muntstuk gevonden […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 3].
*Anoniem (29 juli 1893) [[Opregte Haarlemsche Courant/1893/Nummer 176/Te Oud-Appelscha|‘Te Oud-Appelscha is gister een oude zilveren munt […] gevonden. […]’]], ''Oprechte Haarlemsche Courant'', [p. 3].
*Anoniem (18 maart 1899) [[Leeuwarder Courant/1899/Nummer 66/Te Oud-Gastel|‘Te Oud-Gastel (N.-B.) […]’]], ''Leeuwarder Courant'', [eerste blad], [p. 2].
;Romeinse munten
*Castellini, Giovan. Zaratino (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Adottione (2)|“Adottione nae de Medaglien van den Heer Giovan. Zaratino Castellini”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 17.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Indulgentia (1)|“Indulgentia. Aflaet, nae de uytbeeldinge van Antonius Pius”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 23.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Indulgentia (2)|“Indulgentia van Severus”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 23.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Indulgentia (3)|“Indulgentia Gordiani”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 23.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Equita (1)|“Equita. Billijckheyt. nae de Medaglie van Gordianus”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 63-64.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Virtu (5)|“Virtu, nae de Medaglie van Alexander”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 85.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Virtu (6)|“Virtu, nae de Medaglie van Domitianus en Galba”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 85.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Virtu Heroica (2)|“Virtu Heroica, gelijck dieselve van den Ouden afgemaelt is, en gevonden wort in de Medaglie van den Keyser Gordianus”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 85-86.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Virtu Heroica (3)|“Virtu Heroica. Heldische Deughd. nae de Medaglie van Maximinus”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 86.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Virtu Heroica (4)|“Virtu Heroica. nae de Medaglie van Geta”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 86.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Virtu del’ Animo e del Corpo|“Virtu del’ Animo e del Corpo. Kracht of Deughd aen lichaem en gemoed. nae de Medaglie van Trajanus”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 86.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Concordia (3)|“Concordia, nae de Medaglie van Pupienus”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 98.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Concordia Militare (2)|“Concordia Militare. Krijghs-Eendracht, nae de Medaglie van Nerva”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 98.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Honore (1)|“Honore, nae de Gedenckpenningh van Vitellius”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 116.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Honore (4)|“Honore nelle medaglia de Ant. Pio”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 117.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Eternita (5)|“Eternita, nae de Medaglie van Faustin”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 127-128.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Eternita (6)|“Eternita, nae de Medaglie van Titus”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 128.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/De vreedige of goedertierene Fortuyne|“De vreedige of goedertierene Fortuyne, nae de Medaglie van Antonius Pius”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 131.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/De gulde Fortune|“De gulde Fortune, nae de Medaglie van Adrianus”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 131.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Gerustheyd|“Gerustheyd, nae de Medaglie van Antonius Pius”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 160.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Fama chiara|“Fama chiara. Heldere Fama. nae de Medaglie van Antoninus”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 161-162.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Italien (3)|“Italien nae de Medaglie van den Keyser Adrianus”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 228.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Italia & Roma|“Italia & Roma”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 228.
*Ripa, Cesare (1644) [[Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants/Landbouws-oefning|“Landbouws-oefning, nae de Medaglie van Gordianus”]], in: Cesare Ripa [''et al''.] (1644) ''Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants'', Amstelredam: Dirck Pietersz Pers, p. 280.
=== Muntkundigen ===
;Stephanik, Johan Wilhelmus (1860-1905)
*Anoniem (19 juni 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 25/Prijsvragen|‘Prijsvragen’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 25, p. 120.
=== Medailleurs ===
;Abeele, Pieter van (1608-1684)
*''Collections de feu M. Mr. J. I. van Doorninck à Zwolle, de M. Jacq. N. van Gelder à la Haye, de feu M. S. R. Stokvis Jr. à Rotterdam, de Monsieur le Dr. L. R. Bunnik, Utrecht'', J. Schulman, Amsterdam, 11 december 1905 ''sqq''.<br>Aankondigingen en opbrengsten:
**Anoniem (15 december 1905) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 78/Nummer 24651/Avondblad/Munt- en penningveiling|‘Munt- en penningveiling’]], ''Algemeen Handelsblad'', Avondblad, eerste blad, [p. 1].
;Baars, Johan Hendrik (1875-1899)
*Anoniem (21 augustus 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 34/De jury|‘De jury voor den wedstrijd ten behoeve van den gedenkpenning, welke H. M. de Koningin wenscht te doen slaan bij gelegenheid harer plechtige inhuldiging […]’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 34, p. 158.
;Bemme, Adriaan (1753-1831)
*Kramm, Christiaan (1857) [[De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters/Deel 1/Bemme, Jansz. (Adriaan)|“Bemme, Jansz. (Adriaan)”]], in: Christiaan Kramm (1857-1864) ''De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters'', Amsterdam: Gebroeders Diederichs, deel I, p. 72.
;Bemme, Joannes (1775-1841)
*Kramm, Christiaan (1857) [[De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters/Deel 1/Bemme Adrz. (Joannes)|“Bemme Adrz. (Joannes)”]], in: Christiaan Kramm (1857-1864) ''De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters'', Amsterdam: Gebroeders Diederichs, deel I, p. 72.
;Braemt, Joseph Pieter (1796-1864)
*Anoniem (30 juni 1828) [[Leydse Courant/Jaargang 1828/Nummer 78/Leyden den 28 Junij|‘Leyden den 28 Junij’]], ''Leydsche Courant'', [p. 2-3].
;Goor, Jacob Jan van (1874-1956)
*Ebeling, H.J.M. (16 juni 1930) [[Provinciale Noordbrabantsche en 's-Hertogenbossche Courant/Jaargang 159/Nummer 139/Bij den Penning van Jheronimus Bosch|‘Bij den Penning van Jheronimus Bosch’]], ''Provinciale Noordbrabantsche en 's-Hertogenbossche Courant'', derde blad, [p. 3].
;Kellen, Johan Philip van der (1831-1906)
*Anoniem (20 februari 1897) [[Architectura/Jaargang 5/Nummer 8/Prijskamp voor een gedenkpenning|‘Prijskamp voor een gedenkpenning’]], ''Architectura'', jrg. 5, nr. 8, p. 52.
;Wienecke, Johannes Cornelis (1872-1945)
*Anoniem (15 oktober 1935) [[De Tijd/Jaargang 91/Nummer 28430/Avondblad/Utrechts Centraal Museum|‘Utrechts Centraal Museum. Interessante aanwinsten’]], ''De Tijd'', Avondblad, [p. 6].
;Wiener, Leopold (1823-1891)
*Anoniem (18 maart 1858) [[Algemeen Handelsblad/1858/Nummer 8190/Brussel, Dingsdag 16 Maart|‘Brussel, Dingsdag 16 Maart’, alinea 5]], ''Algemeen Handelsblad'', p. 2.
== Filatelie ==
[[Bestand:Algemeen Handelsblad 1881 no 15847 advertisement postzegels, enveloppen, briefkaarten.jpg|thumb|300px|Advertentie uit het ''Algemeen Handelsblad'', 30 januari 1881.]]
=== Geschiedenis ===
*Anoniem (30 november 1934) [[Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant/Jaargang 134/Nummer 283/Postzegelnieuws|‘Postzegelnieuws’]], ''Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant'', eerste blad, p. 2.
=== Catalogi ===
=== Postwaarden - Postwaardestukken - Poststempels ===
;Postwaarden
*Anoniem (8 augustus 1867) [[De Noordbrabanter/Jaargang 39/Nummer 93/Men verneemt dat|‘Men verneemt dat, […] eerstdaags mede aan de postkantoren verkrijgbaar zullen worden gesteld postzegels van 20, 25 en 50 cents, […]’]], ''De Noordbrabanter'', [p. 3].
*Anoniem (11 mei 1936) [[Haagsche Courant/1936/Nummer 16338/Bijzondere frankeerzegels|‘Bijzondere frankeerzegels. Ter gelegenheid van het 300-jarige bestaan der Utrechtsche universiteit’]], ''Haagsche Courant'', vierde blad, p. 3.
=== Thematische filatelie ===
== Overige verzamelingen ==
{{hoofdportalen}}
[[Categorie:Wikisource:Hoofdportalen]]
1l3u2uc0ld6inawr17tjwy7pwhy46w1
Boudewijn van Sebourg/ZANG I
0
87576
226234
224686
2026-08-31T11:42:02Z
Havang(nl)
4330
226234
wikitext
text/x-wiki
<pages index="Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf" from=23 to=54 header=1 />
gjx54sppiqqm9qrc47h0phile91kuec
Boudewijn van Sebourg/ZANG XIII
0
88254
226232
225517
2026-08-31T11:29:06Z
Havang(nl)
4330
226232
wikitext
text/x-wiki
<pages index="Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf" from=379 to=406 header=1 next="[[Boudewijn van Sebourg/ZANG XIV|ZANG XIV]]"/>
m9cb9pbgkhi569yvyzdl36rwxs0v9t9
DE ROMAN VAN BOUDEWIJN VAN SEBOURG.
0
88255
226233
225518
2026-08-31T11:33:35Z
Havang(nl)
4330
226233
wikitext
text/x-wiki
<pages index="Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf" from=23 to=406 header=1 current="DE ROMAN VAN BOUDEWIJN VAN SEBOURG." next="[[DE ROMAN VAN DE BASTAARD VAN BOUILLON.]]"/>
c2mb2i1hdpu1f2xc1b3cdybld1pbf88
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/8
104
88701
226236
226082
2026-08-31T11:45:54Z
Havang(nl)
4330
226236
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
qui présentait, à cette époque, de grandes difficultés : depuis, elles sont devenues insurmontables ; tandis qu’il est facile, avec des ressources ordinaires, d’appliquer à des collections peu volumineuses la méthode que le savant académicien avait imaginée pour son immense entreprise.
La publication des Romans des croisades est un essai de ce genre. Nous ferons paraître successivement, sans nous assujettir à l’ordre chronologique, tous les poèmes en langue d’oïl composés en l’honneur des héros qui contribuèrent à la délivrance de la Terre-Sainte. Puis nous donnerons des tables qui faciliteront l’usage de la collection entière.<ref>Nous indiquons le plan de la publication sans prendre d’ailleurs aucun engagement. Ceux qui appréhenderaient de ne pas avoir, dans la suite, la collection complète, peuvent s’abstenir d’acheter les premiers volumes, avant que le dernier soit imprimé.</ref> Comme elle est destinée à ceux qui connaissent déjà la langue des trouvères et l’histoire des croisades, nous nous sommes dispensés de grossir inutilement les volumes, en ajoutant au texte des notes et des commentaires. Il ne fallait pas non plus traiter trop sérieusement des récits fabuleux : c’est bien assez, selon nous, de consacrer, à leur publication, des momens de loisir et un peu de patience.
Nous commençons par publier le Roman de Bauduin de Sebourc, d’après deux manuscrits de la bibliothèque royale, les seuls que l’on connaisse de ce poème. Leur examen approfondi fournirait des observations intéressantes, mais elles seraient déplacées dans un avertissement nous nous bornerons donc ici aux remarques qui peuvent servir à développer la méthode que nous avons suivie.
Le plus ancien des deux manuscrits est un in-fo de clxj
|valign=top|
die in die tijd grote problemen opleverde: sindsdien zijn deze onoverkomelijk geworden; terwijl het met gewone middelen eenvoudig is om de methode die de geleerde academicus voor zijn immense onderneming had bedacht, toe te passen op minder omvangrijke collecties.
De publicatie van de R{{asc|omans des croisades}} is een proeve van dit genre. We zullen achtereenvolgens, zonder ons te binden aan de chronologische volgorde, alle gedichten in de langue d'oïl uitgeven die zijn gecomponeerd ter ere van de helden die hebben bijgedragen aan de bevrijding van het Heilige Land. Vervolgens zullen we registers toevoegen die het gebruik van de gehele verzameling vergemakkelijken.<ref>Wij geven het plan van de publicatie aan zonder overigens enige verplichting aan te gaan. Degenen die vrezen dat zij in de toekomst niet de volledige collectie zullen hebben, kunnen afzien van de aankoop van de eerste delen voordat het laatste gedrukt is.</ref> Aangezien deze bestemd is voor degenen die de taal van de troubadours en de geschiedenis van de kruistochten al kennen, hebben we ervan afgezien de boekdelen onnodig te verzwaren door noten en commentaren aan de tekst toe te voegen. Men moest fabelachtige verhalen bovendien niet al te serieus behandelen: het is naar onze mening ruim voldoende om aan de publicatie ervan vrije momenten en een beetje geduld te besteden.
We beginnen met het publiceren van de ''Roman de Bauduin de Sebourc'', op basis van twee manuscripten uit de koninklijke bibliotheek, de enige die van dit gedicht bekend zijn. Een grondig onderzoek ervan zou interessante waarnemingen opleveren, maar die zouden in een voorbericht misplaatst zijn; we zullen ons hier dan ook beperken tot de opmerkingen die kunnen dienen om de methode die wij hebben gevolgd toe te lichten.
Het oudste van de twee manuscripten is een folio van 161
|}<noinclude></noinclude>
i7pxd36rtpqsa9n7vvai4eelacmdeim
Index:Algemeen Handelsblad 1858 no 8190.pdf
106
88749
226153
2026-08-30T12:55:16Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
226153
proofread-index
text/x-wiki
{{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template
|Type=tijdschrift
|Taal=nl
|wikidata=
|Titel=Algemeen Handelsblad
|Ondertitel=
|Deel=
|Auteur=
|Vertaler=
|Redacteur=
|Illustrator=
|Stroming=
|Jaar=1858
|Uitgever=
|Plaats=
|Druk=
|OorspronkelijkeUitgave=
|Key=
|doe_wikidata=
|ISBN=
|OCLC=
|LCCN=
|BNF_ARK=
|DBNL=
|Bron=pdf
|Afbeelding=1
|Voortgang=C
|Delen=
|Pagina's=<pagelist 1=1 />
|Opmerkingen=Zie [[:Categorie:Algemeen Handelsblad, 1858, Nummer 8190]]
|NestedInhoud=
|Breedte=
|Css=
|Header=
|Footer=
}}
nop6nmnd6xfbegcqd681tm1wxe1ytta
Pagina:Algemeen Handelsblad 1858 no 8190.pdf/2
104
88750
226154
2026-08-30T12:57:24Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
226154
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />'''BLADZ. 2.'''</noinclude><section begin="s1"/>{{c|{{larger|𝕱𝖗𝖆𝖓𝖘𝖈𝖍𝖊 𝕻𝖔𝖘𝖙}}}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/>{{c|PARIJS, Maandag 15 Maart.}}
{{gap}}De Heer Milhaud, vergezeld van verscheidene handelaren uit Lyon, is gisteren door den Keizer ten gehoore ontvangen, bij welke gelegenheid hij aan Z. M. het plan eener nieuwe crediet-instelling, ten behoeve van den zijdehandel, heeft ontwikkeld, ten einde hen, die zich op de teelt der zijdewormen toeleggen, de zijdefabriekanten en de in dezen tak van nijverheid werkzame arbeidersklasse te hulp te komen.
<br>{{gap}}— Volgens berigten uit Lyon, zullen aldaar in den loop van den aanstaanden zomer zeer belangrijke werken worden ondernomen; reeds heeft men met sommigen een begin gemaakt. Onder anderen zal het oude stadhuis worden vergroot, de keizerlijke straat aangelegd, de verschillende hospitalen zullen aanzienlijke verbouwingen doen bewerkstelligen en anderen meer.
<br>{{gap}}— Naar luid van sommige berigten heeft Orsini uit de gevangenis la Roquette een tweeden brief aan den Keizer geschreven. Hij moet daarin hebben verklaard, dat hij diep berouw gevoelde over de misdaad door hem gepleegd, waarvan de gevolgen zoo vreeselijk zijn geweest, en andermaal een beroep op den Keizer hebben gedaan, om aan Italie zijne vrijheid te hergeven.
<br>{{gap}}— Men wil dat de generaal Roguet, die bij gelegenheid van den aanslag op 14 Jan. gewond werd, morgen op den geboortedag van den Kroonprins, tot grootkruis van het legioen van eer zal worden bevorderd.
<br>{{gap}}— De Maarschalk Canrobert zal Dingsdag of Woensdag der volgende week zijn hoofdkwartier te Nancy vestigen.
<br>{{gap}}— Het vlugschrift: „''Napoleon III en Engeland''” blijft steeds een der voornaamste onderwerpen van de gesprekken in de hoogere en lagere maatschappelijke kringen. Men wil hebben bespeurd, dat de gunstige indruk, aanvankelijk door hetzelve te weeg gebragt, niet algemeen stand heeft gehouden, en spoedig bij velen heeft plaats gemaakt voor een gevoel van ontevredenheid of ten minste van teleurstelling. Dit verschijnsel zou hoofdzakelijk een gevolg zijn, van den door den schrijver aangenomen vorm. Hij heeft uitsluitend voor de Britsche natie gearbeid, en het kon uit dien hoofde niet anders, of hij moest zeer sterk de opofferingen doen uitkomen, welke Frankrijk zich heeft getroost tot instandhouding der alliantie. Hier te lande rijst dien ten gevolge de niet geheel onnatuurlijke vraag, of het goed is geweest, dat men zich zooveel heeft laten welgevallen voor eene alliantie, die betrekkelijk geringe voordeelen heeft opgeleverd en naar alle waarschijnlijkheid ook in de toekomst Frankrijk weinig of geene voordeelen zal opleveren.
<br>{{gap}}— Dr. Kern heeft heden morgen een langdurig onderhoud met den graaf Walewski gehad en dezen eene nota van zijne regering overhandigd. Zij moet betrekking hebben op de laatste, ten opzigte der vlugtelingen genomen maatregelen van het eedgenootschap, en op de aangelegenheid der paspoorten.
<br>{{gap}}— Men verneemt, dat eene deputatie van inwoners van Herzcgowina, op weg is naar Petersburg, Weenen en Parijs. Deze reis moet een geheel zelfstandige stap der bevolking zijn, welke door geen der vertegenwoordigers der drie mogendheden te Konstantinopel goedgekeurd is.
<br>{{gap}}— Het is thans volkomen bevestigd, dat de oproerige beweging, welke te Châlons voor eenige dagen heeft plaats gehad, is veroorzaakt geworden door het arresteren van verscheidene personen, die reeds vroeger om staatkundige redenen van hunne vrijheid waren beroofd geweest en voornamelijk door het in hechtenis nemen van een handelaar, in die stad zeer gezien. Te Châlons heeft de democratische partij steeds vele aanhangers geteld, en in het departement van de Rhône en Saône zijn gedurende de tweede republiek zeer vele radicalen verkozen.
<br>{{gap}}— Men verneemt, dat den 9den dezer, met het stoomschip Dante, een Franschman uit Genua te Nizza is aangebragt, begeleid door agenten van policie, die terstond na zijne aankomst naar de Fransche grenzen is gevoerd, om aldaar aan de bevoegde autoriteit overgegeven te worden.
<br>{{gap}}— De Jezuiten zijn ijverig in de weer om gelden in te zamelen voor de oprigting van een collegie. Zij vragen aan de inschrijvers 200 frs. te storten in vier jaren. Men kan die som als geschenk of als rentelooze leening geven. Zij beloven aan de inschrijvers het regt op ruim 500 missen en ruim 1200 rozekransen per jaar. Dit laatste maakt te Bordeaux een ongunstigen indruk.
<br>{{gap}}— De waterstand in de Seine is in de laatste dagen aanmerkelijk verbeterd, ten gevolge waarvan vele fabrieken, welke uit gebrek aan water den arbeid geheel of ten deele hadden gestaakt, weder in vollen gang zijn. De vaart op de rivier is mede hervat.
<br>{{gap}}— Uit Turijn wordt gemeld, dat het tuighuis voor het leger waarschijnlijk uit de hoofdstad naar Alexandrie zal worden verplaatst. Er wordt bijgevoegd, dat de minister van oorlog, de Heer Lamarmora, zeer gezind is om dit plan te ondersteunen.
<br>{{gap}}— Men meldt, dat de graaf Cavour het ministerie van binnenl. zaken aan den Heer D. Buffa wil opdragen.
<br>{{gap}}— Naar luid van berigten uit Rome zou aldaar het voornemen bestaan om aan het hoofd der legatien weder kardinalen te plaatsen. Het is nog niet bekend of hier bij de nieuwe indeeling der provincien van 1850, of wel de voormalige zal worden gevolgd.
<br>{{gap}}— Uit Madrid wordt gemeld, dat de Hertog van Valencia op 10 dezer aldaar is teruggekeerd, na twee dagen te Aranjuez te hebben doorgebragt. Hij koestert het voornemen, om den 20sten dezer naar Frankrijk op reis te gaan; te Biaritz zal hij gedurende eenigen tijd verblijf houden.
{{lijn|8em}}
<section end="s2"/>
<section begin="s3"/>{{c|{{larger|𝕭𝖊𝖑𝖌𝖎𝖘𝖈𝖍𝖊 𝕻𝖔𝖘𝖙.}}}}
<section end="s3"/>
<section begin="s4"/>{{c|BRUSSEL, Dingsdag 16 Maart.}}
{{gap}}De kamer van vertegenwoordigers hield gisteren geene zitting, vermits er geen genoegzaam aantal leden was opgekomen.
<br>{{gap}}— De wet tot wijziging der bepalingen van het strafwetboek nopens misdrijven, welke stoornis in de betrekkingen met andere staten kunnen te weeg brengen, is thans uitgevaardigd.
<br>{{gap}}Tevens bevat de ''Moniteur'' eene circulaire van den minister van justitie, waarin de ambtenaren van het openbaar ministerie herinnerd worden, dat zij volgens de bestaande bepalingen niet anders, dan met voorkennis en voorafgaande goedkeuring der hooge regering, eene regtsvervolging wegens misdrijven van politieken aard mogen instellen.
<br>{{gap}}— Men berigt, dat de hertog van Brabant in zijn paleis alhier eene groote zaal doet bouwen, waarin de geschiedenis van het Gulden Vlies, door middel van penseel-voortbrengselen zal worden afgebeeld. Den vermaarden schilder Hendrik Leys te Antwerpen, is reeds de last opgedragen eene groote schilderij te vervaardigen, voorstellende de instelling der orde.
<br>{{gap}}— Men verneemt, dat Leopold Wiener door de Portugesche regering is belast met de vervaardiging van een grooten gedenkpenning, ter vereeuwiging van het huwelijk des Konings van Portugal.
<section end="s4"/>
<section begin="s5"/>{{lijn}}{{lijn}}
{{c|{{x-larger|'''{{sp|BINNENLAN}}D.'''}}}}
{{lijn}}{{lijn}}
<section end="s5"/>
<section begin="s6"/>{{c|AMSTERDAM, Woensdag 17 Maart.}}
{{gap}}Bij besluit van 11 dezer heeft Z. M. bepaald, dat de artillerie-troepen in verschillende plaatsen garnizoen houdende, en het corps pontonniers, gestationneerd te Zutphen, gedurende den loop van dit jaar practische oefeningen zullen houden, en tevens, dat van af 15 Julij tot 1 October eenige compagnien van de verschillende regementen vesting-artillerie tot het houden van proeven in de vlakte van Waalsdorp zullen camperen.
{{lijn|8em}}
{{gap}}Volgens eene resolutie van den Minister van Financien, kan de lossing van steenkolen, bij invoer van buitenslands, slechts dan zonder pertinente verificatie worden toegelaten, wanneer de inslag onder genot van gedeeltelijken vrijdom van accijns regtstreeks uit een van buitenslands gekomen schip, op eene aangewezen of toegestane losplaats wordt bewerkstelligd, doch met wanneer de steenkolen aldaar in ligters overgeladen en naar de elders gelegen fabriek verzonden worden.
{{lijn|8em}}
{{gap}}Overzigt van de opbrengst der middelen (hoofdsom en opcenten) over de twee eerste maanden 1858: Directe belastingen ƒ 2,364,942.47; in- en uitg. regten en scheepvaartregten ƒ 485,743.59; accijnsen ƒ 3,012,582.20½; waarborg- en belasting der gouden en zilveren werken ƒ 29,908.12½; indirecte belast. ƒ 1,954,578.64½; opbrengst der posterijen ƒ 274,461.18½; opbrengst der staats-loterij ƒ 137.269.50. Totaal ƒ 8,259,485.72, tegen ƒ 8,429,860.18½ over gelijk tijdvak in 1857. De raming was ƒ 9,187,233.32.
{{lijn|8em}}
{{gap}}In het jaar 1856 werd door Orsini eene beschrijving van zijne vroegere lotgevallen in het Engelsch uitgegeven, die reeds toen veel opgang maakte, door het avontuurlijke van des schrijvers loopbaan. Sedert heeft Orsini zich door zijn aanslag tegen den Keizer der Franschen algemeen berucht gemaakt en deze omstandigheid is zeker niet weinig geschikt, om de aandacht nog meer op dit boekje te vestigen. Wij twijfelen dan ook niet of de Nederduitsche vertaling, die daarvan dezer dagen, onder den titel: „Felice Orsini, de Gevangenissen der Oostenrijkers in Italie,” bij den boekhandelaar F. C. Bührmann alhier in het licht verschenen en door den vertaler voorzien is, van eene inleiding en een aanhangsel, handelende over den toestand van Italie, zal vele lezers vinden.
{{lijn|8em}}
<section end="s6"/>
<section begin="s7"/>{{gap}}<nowiki>*</nowiki> HELLEVOETSLUIS, 16 Maart. Gisteren is alhier uit de vest opgehaald het lijk van zekeren H. V., die zich in den vroegen morgen naar buiten had begeven, en vermoedelijk met opzet een einde aan zijn leven heeft gemaakt.
{{lijn|8em}}
<section end="s7"/>
<section begin="s8"/>{{gap}}<nowiki>*</nowiki> MEDEMBLIK, 16 Maart. Te Werwershoof heeft zich dezer dagen een jonge boerenzoon, van gegoede ouders, door zich op het land aan een paal te verworgen, van het leven beroofd. Men schrijft die wanhopige daad aan krankzinnigheid toe.
<section end="s8"/>
<section begin="s9"/>{{gap}}<nowiki>*</nowiki> HARDERWIJK, 16 Maart. Op den 30sten Maart zal van hier vertrekken, om op den 31sten daaraanvolgende over te gaan aan boord van het schip Regina Maris, liggende te Rotterdam, gezagvoerder S. Ouwehand, een detachement suppletie-troepen, sterk 125 man, bestemd voor O. I., onder commando van den 1sten luit. der infanterie C. J. B. Bol, medegeleider den 2den luit. der artill. H. v. d. Stock.
{{lijn|8em}}
<section end="s9"/>
<section begin="s10"/>{{gap}}<nowiki>*</nowiki> ZWOLLE, 16 Maart. De schipperij in deze streken koesterde deze week algemeen de hoop, dat de groote vaart nu wederom zou worden geopend, doordien men had vernomen, dat de stoomboot Minister Thorbecke, varende tusschen deze stad en Hull, gepasseerden Vrijdag morgen van Harlingen gestoomd was, met het doel, om deze stad te bereiken. Dit is echter niet gelukt, daar de zee aan deze kusten nog algemeen zwaar met ijs bezet is.
{{lijn|8em}}
<section end="s10"/>
<section begin="s11"/>{{gap}}MIDDELBURG, 15 Maart. Zaturdag avond is een soldaat van het alhier in garnizoen liggende 8ste regement infanterie ter zake van diefstal, gepleegd ten nadeele van een kapitein bij dat regement, bij wien hij als oppasser in dienst stond, in verzekerde bewaring genomen en naar het huis van burgerlijke en militaire verzekering overgebragt. Aldaar werd hij gisteren namiddag omstreeks een uur door een der oppassers in zijne cel gevonden, van het leven beroofd door middel van ophanging.<noinclude>{{c|(VERVOLG DER BERIGTEN ZIE BLADZ. 5.)}}</noinclude>
<section end="s11"/>
<section begin="s12"/>{{lijn}}{{lijn}}
{{c|{{x-larger|'''{{sp|CORRESPONDENTI}}E.'''}}}}
{{lijn}}{{lijn}}
{{gap}}N. N. maakt opmerkzaam op een misbruik in een groot artikel van handel. Het is namelijk eene daadzaak, dat nooit een enkele van de aanvoerders van boter, op de aanzienlijkste markten in dat artikel, in Nederland, in één gedeelte des jaars het minimum en in een ander gedeelte des jaars het maximum van den prijs bedingt, welke in de prijscouranten vermeld worden; en is het niet minder waar, dat de marktmeesters op de aanzienlijke marktplaatsen zelven handelaars in boter zijn. Het geheimzinnige van het eerstgenoemde, wordt door het bestaan van het laatstgemelde opgehelderd. Ofschoon N. N. noch marktmeester noch handelaar of winkelier, maar enkel consommateur van de bedoelde koopwaar is, is het hem echter, gelijk aan zoo vele anderen bekend, dat de handelaren in boter, in de zomermaanden, met de boeren prijs maken ter leverancie. Dit is het tijdstip waarop de markt zooveel mogelijk gedrukt wordt. Daarentegen wordt omstreeks en in de maand October de markt zooveel mogelijk opgevoerd, dewijl de marktprijzen van dien tijd, veelal ten grondslag strekken voor geleverde of nog te leven winter-provisien aan de kalanten, die zich te vrede moeten stellen met de verzekering dat de hoogere prijzen, welke in rekening gebragt worden, aan den uitvoer naar Engeland toe te schrijven zijn.
{{lijn|8em}}
{{gap}}Wij nemen het berigt wegens de verkiezing te Deventer niet op, omdat die gebeurtenis reeds te lang geleden is.
<section end="s12"/>
<section begin="s13"/>{{lijn}}{{lijn}}
{{c|{{x-larger|'''{{sp|ADVERTENTIE}}N.'''}}}}
{{lijn}}{{lijn}}
<section end="s13"/>
<section begin="s14"/>{{gap|4em}}Getrouwd:{{float right|M. S. DE WITT {{sc|en}} J. VORDERMAN.{{gap}}}}
<br>{{gap}}{{sc|’s Hage}}, 17 Maart 1858.{{float right|(4306)}}
{{lijn}}
<section end="s14"/>
<section begin="s15"/>{{gap}}Heden beviel van een welgeschapen ''ZOON'', C. C. SCHUT, geliefde Echtgenoote van{{float right|F. W. VIEHOFF.{{gap}}
<br>{{gap}}{{sc|Amstekdam}}, 15 Maart 1858.
<br>{{gap|8em}}''Eenige Kennisgeving''.{{float right|(4300)}}
{{lijn}}
<section end="s15"/>
<section begin="s16"/>{{gap}}Bevallen van een welgeschapen ''ZOON'', R. CITROEN—VAN OS.
<br>{{gap}}{{sc|Amsterdam}}, 16 Maart 1858.{{float right|(4311)}}
{{lijn}}
<section end="s16"/>
<section begin="s17"/>{{gap}}Heden verloste voorspoedig van eene welgeschapene ''{{sp|DOCHTE}}R'', J. RODING, geliefde Echtgenoote van{{float right|E. F. STROINK.}}
<br>{{gap}}{{sc|Amsterdam}}, 16 Maart 1858.{{float right|(4327)}}
{{lijn}}
<section end="s17"/>
<section begin="s18"/>{{gap}}Heden beviel door Gods goedheid zeer voorspoedig van een welgeschapen ''ZOON'', JUDITH TEIXEIRA DE MATTOS, geliefde Echtgenoote van
<br>{{gap}}{{sc|Amsterdam}}, 17 Maart 1858.{{float right|H. FRANCO MENDES. (4328)}}
{{lijn}}
<section end="s18"/>
<section begin="s19"/>{{gap}}Bevallen van een ''ZOON'', J. DE KRUYFF, Echtgenoote van
<br>{{gap}}{{sc|IJsselstein}},{{float right|G. VAN DORSSEN {{sc|Gzn}}.,{{gap}}}}
<br>15 {{sp|Maart}} 1858.{{float right|''Fabrikant in Hoepels''.{{gap}}(4284)}}
{{lijn}}
<section end="s19"/>
<section begin="s20"/>{{gap}}Het behaagde den Hemelschen Vader, heden na een geduldig lijden van negen weken, nog onverwacht, tot zich te nemen mijn innig geliefden eenigen Zoon, den Wel-Edelen Zeer Gel. Heer HENDRIK WILHELM BOSCH, in leven Doctorandus in de Letteren, in den ouderdom van Drie en Dertig Jaren, diep betreurd door mij, zijne Zusters, Bloedverwanten en Vrienden.{{float right|Wed. JACOB BOSCH,{{gap}}}}
<br>{{gap}}{{sc|Amsterdam}}, 13 Maart 1858.{{float right|VAN TANGE.{{gap}}(4261)}}
{{lijn}}
<section end="s20"/>
<section begin="s21"/>{{gap}}Heden overleed na een langdurig lijden van 4 maanden, mijn geliefde Derde Zoon, JACOBUS CORNELIS, in den ouderdom van ruim 28 jaren.
<br>{{gap}}{{sc|Amsterdam}}, 14 Maart 1858.{{float right|Wed. C. VAN SWAANINGEN,}}
<br>{{gap|4em}}(4310){{float right|Geb. DE RIDDER.{{gap}}}}
{{lijn}}
<section end="s21"/>
<section begin="s22"/>{{gap}}Heden overleed, in den ouderdom van 23 jaren, JOHANNE CAROLINE HENRIETTE OYEMAN, geliefde jongste Dochter van
<br>{{gap}}{{sc|Amsterdam}}, 14 Maart 1858.{{float right|B. L. OYEMAN.{{gap}}(4329)}}
{{lijn}}
<section end="s22"/>
<section begin="s23"/>{{gap}}Na eene kortstondige doch hevige ziekte overleed heden mijne dierbare Echtgenoot JOHANNA ELISABETH BLOM, na eene genoegelijke Echtvereeniging van bijna Zes Jaren, mij nalatende Twee Kinderen, te jong om hun verlies te beseffen.{{float right|A. BöHM.{{gap}}(4312)}}
<br>{{gap}}{{sc|Amsterdam}}, 15 Maart 1858.{{float right|''Eenige en Algemeene Kennisgeving''.{{gap}}}}
{{lijn}}
<section end="s23"/>
<section begin="s24"/>{{gap}}Heden overleed in den ouderdom van bijna 50 jaren, na een lang en geduldig lijden, mijne geliefde Dochter ELISABETH WILHELMINA KOOT, na voorzien te zijn geweest van de HH. Sacramenten der Stervenden.
<br>{{gap}}{{sc|Houtrijk en Polanen}},{{float right|Wed. J. DE VRIES,{{gap}}}}
<br>{{gap|4em}}14 Maart 1858.{{float right|Geb. LEYTENS.{{gap|4em}}}}
<br>{{gap}}''Strekkende deze tot Algemeene en Bijzondere Kennisgeving''.{{float right|(4313)}}
{{lijn}}
<section end="s24"/>
<section begin="s25"/>{{gap}}De Schuldeischers in het Faillissement van F. J. GREVING, worden opgeroepen om de Rekening en Verantwoording aan te hooren, welke door den Curator ten overstaan van den Edel Achtb. Heer Regter-Commissaris zal worden afgelegd op Vrijdag 19 Maart e. k., des Voormiddags ten 10¾ Ure, in het Lokaal van de Tweede Kamer der Arrondissements-Regtbank, op het Paleis van Justitie alhier.
<br>{{gap}}{{sc|Amsterdam}}, 17 Maart 1858.{{float right|''De Curator'',{{gap|4em}}}}
<br>{{gap|6em}}(4321){{float right|Mr. F. {{sc|Th. WESTERWOUDT}}.}}
{{lijn}}
<section end="s25"/>
<section begin="s26"/>{{gap}}Zij, die iets te vorderen hebben van, verschuldigd zijn aan of onder zich hebben, behoorende tot den Boedel van den Hoog Edel Gestrengen Heer ALBERT GUSSENK’LO, Gepensioneerd Luitenant Kolonel te Utrecht en zijne onlangs aldaar overledene Echtgenoot Vrouwe MARIA HENDRINA BREEBAART, gelieven daarvan vóór den 1sten April 1858 schriftelijk opgave te doen ten Kantore van den Notaris TEMMINCK, te Utrecht.{{float right|(4295)}}
{{lijn}}
<section end="s26"/>
<section begin="s27"/>{{c|{{x-larger|{{sp|TE HUUR}}}}}}
tegen Mei of vroeger: Een '''{{sp|HUI}}S,''' bevattende 4 Kamers, Keuken, Meiden- en Provisiekamers en van alle Gemakken voorzien, waarbij een groote, net aangelegde TUIN met Vruchtboomen, tegen den Huurprijs van ƒ 200, gelegen buiten de Leidsche Poort. Adres Franco Brieven Lett. V. bij H. W. WILLEMS , Koningsplein.{{float right|(4302)}}
{{lijn}}
<section end="s27"/>
<section begin="s28"/>[[Bestand:Algemeen Handelsblad 1858 no 8190 ad galanterien, kramerijen en rijtuig-monteersels.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:Algemeen Handelsblad 1858 no 8190 ad weduwe.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:Algemeen Handelsblad 1858 no 8190 ad krenten, rozijnen, vijgen, pruimedanten, amandelen.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:Algemeen Handelsblad 1858 no 8190 ad Hendk. Corns. Guillebert.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:Algemeen Handelsblad 1858 no 8190 ad jongeling.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:Algemeen Handelsblad 1858 no 8190 ad stoomboot Mercurius.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:Algemeen Handelsblad 1858 no 8190 ad Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:Algemeen Handelsblad 1858 no 8190 ad stoomboten.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:Algemeen Handelsblad 1858 no 8190 ad goederen stoomvaart-dienst.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:Algemeen Handelsblad 1858 no 8190 ad General Steam Navigation Company.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:Algemeen Handelsblad 1858 no 8190 ad Stoomvaart-Vereeniging Amicitia.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:Algemeen Handelsblad 1858 no 8190 ad voor goederen en passagiers naar Newcastle.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:Algemeen Handelsblad 1858 no 8190 ad naar Batavia, Samarang en Soerabaya.jpg|500px|center]]
{{lijn}}
[[Bestand:Algemeen Handelsblad 1858 no 8190 ad naar de Kaap de Goede Hoop en Port Natal.jpg|500px|center]]
<section end="s28"/><noinclude></noinclude>
1xj1hk1v5exapybjawpr3s2mytd6j0f
Algemeen Handelsblad/1858/Nummer 8190/Parijs, Maandag 15 Maart
0
88751
226155
2026-08-30T12:59:46Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
226155
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Parijs, Maandag 15 Maart’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit het ''Algemeen Handelsblad'', donderdag 18 maart 1858, p. 2. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Algemeen Handelsblad 1858 no 8190.pdf" from=2 to=2 fromsection=s2 tosection=s2/>
[[Categorie:Algemeen Handelsblad, 1858, Nummer 8190]]
8bccqr1lc3o48wj1b6ini32755j2k13
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/809
104
88752
226156
2026-08-30T13:01:23Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226156
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
!Brontekst
!Vertaling
|-
|valign=top|
{{c|{{xxxx-larger|'''LI ROMANS'''}}<br>{{larger|'''DE'''}}<br>{{xx-larger|'''BAUDUIN DE SEBOURC.'''}}}}
{{lijn|5em}}
{{c|{{larger|'''CHANT XXV.'''}}}}
{{dhr|1.5em}}
<poem>
Seigneur, or entendés, franc nobile bourgois,
Que Dame-Dieu de gloire, qui fu mis en la crois,
Nous deffende d’enfer, car là ne maint nus drois.
Si entendés matère faite de mos courtois,
Délitable à oïr, qui bien le met en vois :
Che fu el tamps de may, que soés est le mois,
Qu’aubespine et tous arbres reviènent en leur plois ;
Et que li lourseignos chante haut, ens ou bois,
Si amoureusement, qu’il n’est coers si destrois
Qui ne s’en resjoïsse, s’ameit a une fois ;
Mais li rude ignorant, où amours n’a ses drois,
Ne sont digne, en nul tamps, fors que de humer pois :
Caus lis, grande escuèle, ch’est tous leur esbanois,
De chiaus ne vint éwrs biens né fruis bénéois.
Mais à vrais amoreus, où maint sens et savoies,
Ne doit estre nuls biens repus ni enfouois ;
Car aprendre poet-on, à oïr mos coutois,
A amer par amours, …… c’est une lois
Qu’assés se renouvelle avoec che joli mois.
Seignour, à ichel tamps, che tesmogne le vois,
Estoit dedens Nimaie, ou palais maginois,
Baudewins de Sebourc, qui puissedi fu rois
De la sainte chité où Diex fu mis en crois :
Là endroit li souvient comment jadis sa fois
Fu jurée et plévie, ens ou païs Turcois,
</poem>
|valign=top|
{{c|{{xxxx-larger|'''DE ROMANS'''}}<br>'''VAN'''<br>{{xx-larger|'''BAUDEWIJN VAN SEBOURG.'''}}}}
{{lijn|5em}}
{{c|{{larger|'''ZANG XXV.'''}}}}
{{dhr|1.7em}}
<poem>
Heren, luister nu, edele en oprechte burgers,
Dat God de Heer van de glorie, die aan het kruis werd genageld,
Ons moge beschermen tegen de hel, want daar heerst geen enkel recht.
Luister daarom naar een geschiedenis geschreven in hoofse woorden,
Heerlijk om te horen voor wie haar met een mooie stem voordraagt:
Het was in de tijd van mei, de maand die zo zacht en aangenaam is,
Waarin de meidoorn en alle bomen weer in de knop schieten;
En waarin de nachtegaal hoog zingt, diep in het bos,
Zo vol liefde, dat er geen hart is dat zo gekweld is
Of het verheugt zich, als het ooit heeft liefgehad;10
Maar de ruwe onwetenden, in wie de liefde geen rechten heeft,
Zijn op geen enkel moment meer waard dan erwten eten:
Kale schalen en grote schotels, dat is heel hun vermaak,
Uit zulke lieden komt nooit enig geluk, goeds of gezegende vrucht voort.
Maar voor de ware minnaars, in wie wijsheid en verstand wonen,
Mag geen enkel goed verborgen of begraven blijven;
Want men kan leren, door het horen van hoofse woorden,
Hoe teder en oprecht lief te hebben ...... dat is een wet
Die telkens weer vernieuwd wordt met deze vrolijke maand.
Heren, in die tijd, zo getuigt het verhaal,20
Bevond zich in Nijmegen, in het machtige paleis,
Boudewijn van Sebourc, die nadien koning werd
Van de heilige stad waar God aan het kruis werd genageld:
Juist op die plek herinnerde hij zich hoe weleer zijn eed
Gezworen en bezegeld was, ginds in het Turkse land,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
rtub5cwxvvqo9vyb71pduhouygy4arz
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/810
104
88753
226157
2026-08-30T13:05:33Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226157
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Au bon roy Baudewin, qui est ses cousins drois,
Qu’il r’iroit outre mer, quant mors seroit Gaufrois,
Pour maintenir le gerre au païens maliois ;
Et pour lui à aidier, au bon branc Viénois,
A conquerre les villes, les tours et les berfrois
Jusqu’à Mièkes, le grant, et les Babilonois.
Lors dist qu’il ne lairoit pour Rains né pour Artois
Ne voist son cousin vir en che païs Grigois ;
Si dist à sa moullier : « belle soer, m’en vois
« Vengier le mort de Dieu. Tant que je serai drois,
« N’aront païen durée, ore ni autre fois. »
« Sire, » che dist la dame, « foy que doi saint Fransoys,
« Ne passerés sans mi ·iiij· piés, non pas trois :
« G’irai avoèques vous, si con fis autre fois
« Où j’eus pour vostre amours moult de maus et d’anois ;
« Si eustes-vous pour moi, ensi l’apor.. drois.
« Or irai avoec vous sus les Turs maléois,
« Car, chertes, compaignie ne vault mie une nois
« Sé bonne amours n’i est, on l’a dit mainte fois. »
Baudewins de Sebourc n’i a fait arrestée,
A noble compaignie et autres belle armée
Entra, li chevaliers, dedens la mer salée.
Congiet prist à sa mère, la royne senée,
A ses frères aussi ; mainte larme ont plourée.
Dist la royne Rose : « Sainte Vierge loée,
« Onkes mes fiex n’i ot ·j· soel jour arrestée
« Qu’adės ne fust en gerre et en grande mellée !
« No lignie morra delà le mer Béthée,
« Tout sievent Godefroi qui tant ot renommée. »
Tant ala Baudewins, à le chière menbrée,
Que droit au bras Saint-Jorge est sa nés arrivée.
De veioir ses enfans avoit song et pensée,
Forment les désiroit pour véoir leur posnée ;
Mais par tamps les verra, ch’est vérités prouvée,
Car li gentil bastart, dont j’ai fait devisée,
</poem>
|valign=top|
<poem>
Aan de goede koning Boudewijn, die zijn neef in de rechte lijn is,
Dat hij zou terugkeren overzee, wanneer Godfried gestorven zou zijn,
Om de oorlog voort te zetten tegen de kwaadaardige heidenen;
En om hem bij te staan, met het goede zwaard van Wenen,
Om de steden, de torens en de belforten te veroveren 30
Tot aan het grote Mekka en de Babyloniërs.
Toen zei hij dat hij het noch voor Reims noch voor Artesië zou laten,
Om niet zijn neef te gaan opzoeken in dat Griekse land;
Zo sprak hij tot zijn echtgenote: “ Schone zuster, ik ga heen
“ Om de dood van God te wreken. Zolang ik recht overeind sta,
“ Zullen de heidenen geen stand houden, nu noch een andere keer.“
“ Heer, “ zo sprak de dame, “ bij het geloof in Sint Franciscus,
“ U zult niet vertrekken zonder mij, geen vier voet, zelfs geen drie:
“ Ik zal met u meegaan, zoals ik een andere keer deed
“ Waar ik om uw liefde veel tegenspoed en pijn verdroeg; 40
“ En zo deed u ook voor mij, zoals het rechtmatig hoort.
“ Nu zal ik met u meegaan tegen de vervloekte Turken,
“ Want, voorwaar, gezelschap is nog geen noot waard
“ Als er geen ware liefde in is, dat is al menigmaal gezegd. “
Boudewijn van Sebourc heeft daar geen halt gehouden,
Met een nobel gezelschap en een ander prachtig leger
Voer hij, de ridder, de zoute zee op.
Afscheid nam hij van zijn moeder, de wijze koningin,
En ook van zijn broeders; menige traan hebben zij gehuild.
Koningin Rosa sprak: “ Gezegend zij de Heilige Maagd, 50
“ Nooit heeft mijn zoon ook maar één enkele dag rust gekend
“ Zonder dat hij voortdurend in oorlog en in grote strijd gewikkeld was!
“ Onze bloedlijn zal sterven ginds over de Bethische zee,
“ Zij volgen allen Godfried, die zozeer roemrucht was. “
Zo lang trok Boudewijn voort, met zijn vastberaden gelaat,
Dat zijn schip recht bij de arm van Sint-Joris is aangekomen.
Om zijn kinderen te zien had hij grote zorg en gedachten,
Hevig verlangde hij ernaar om hun dapperheid te aanschouwen;
Maar spoedig zal hij hen zien, dat is een bewezen waarheid,
Want de edele bastaarden, over wie ik verteld heb, 60
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
9x3h45085rymxxgwkfu9960lye3zbv3
Algemeen Handelsblad/1858/Nummer 8190/Brussel, Dingsdag 16 Maart
0
88754
226158
2026-08-30T13:22:57Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
226158
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Brussel, Dingsdag 16 Maart’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit het ''Algemeen Handelsblad'', donderdag 18 maart 1858, p. 2. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Algemeen Handelsblad 1858 no 8190.pdf" from=2 to=2 fromsection=s4 tosection=s4/>
[[Categorie:Algemeen Handelsblad, 1858, Nummer 8190]]
qmhqabcite8gd5exm5l9cfa95kpcuvd
Algemeen Handelsblad/1858/Nummer 8190/Amsterdam, Woensdag 17 Maart
0
88755
226160
2026-08-30T13:34:32Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
226160
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Amsterdam, Woensdag 17 Maart’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit het ''Algemeen Handelsblad'', donderdag 18 maart 1858, p. 2. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Algemeen Handelsblad 1858 no 8190.pdf" from=2 to=2 fromsection=s6 tosection=s6/>
[[Categorie:Algemeen Handelsblad, 1858, Nummer 8190]]
68z30l8s5hjkg0s4ok8ads0mznj58b5
Algemeen Handelsblad/1858/Nummer 8190/Hellevoetsluis, 16 Maart
0
88756
226161
2026-08-30T13:43:10Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
226161
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Hellevoetsluis, 16 Maart’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit het ''Algemeen Handelsblad'', donderdag 18 maart 1858, p. 2. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Algemeen Handelsblad 1858 no 8190.pdf" from=2 to=2 fromsection=s7 tosection=s7/>
[[Categorie:Algemeen Handelsblad, 1858, Nummer 8190]]
hcoznt3bbanb8wf3jw9ukynpgrgcsja
Algemeen Handelsblad/1858/Nummer 8190/Medemblik, 16 Maart
0
88757
226162
2026-08-30T13:44:03Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
226162
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Medemblik, 16 Maart’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit het ''Algemeen Handelsblad'', donderdag 18 maart 1858, p. 2. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Algemeen Handelsblad 1858 no 8190.pdf" from=2 to=2 fromsection=s8 tosection=s8/>
[[Categorie:Algemeen Handelsblad, 1858, Nummer 8190]]
hiykobwkuf6zx62utoerr10izk5e39n
Algemeen Handelsblad/1858/Nummer 8190/Harderwijk, 16 Maart
0
88758
226163
2026-08-30T13:45:07Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
226163
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Harderwijk, 16 Maart’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit het ''Algemeen Handelsblad'', donderdag 18 maart 1858, p. 2. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Algemeen Handelsblad 1858 no 8190.pdf" from=2 to=2 fromsection=s9 tosection=s9/>
[[Categorie:Algemeen Handelsblad, 1858, Nummer 8190]]
38lfo4dhn1bzort8bbqw98vo4craap4
Algemeen Handelsblad/1858/Nummer 8190/Zwolle, 16 Maart
0
88759
226164
2026-08-30T13:47:36Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
226164
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Zwolle, 16 Maart’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit het ''Algemeen Handelsblad'', donderdag 18 maart 1858, p. 2. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Algemeen Handelsblad 1858 no 8190.pdf" from=2 to=2 fromsection=s10 tosection=s10/>
[[Categorie:Algemeen Handelsblad, 1858, Nummer 8190]]
tuyzf8vdtke0dzh9y252rytaqnfnh1s
Algemeen Handelsblad/1858/Nummer 8190/Middelburg, 15 Maart
0
88760
226165
2026-08-30T13:49:43Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
226165
wikitext
text/x-wiki
{{Koptekst
| Titel = ‘Middelburg, 15 Maart’
| Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver
| Vertaler = |Override_vertaler =
| Sectie =
| Vorige =
| Volgende =
| Jaar =
| Opmerkingen = Afkomstig uit het ''Algemeen Handelsblad'', donderdag 18 maart 1858, p. 2. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]].
}}
<pages index="Algemeen Handelsblad 1858 no 8190.pdf" from=2 to=2 fromsection=s11 tosection=s11/>
[[Categorie:Algemeen Handelsblad, 1858, Nummer 8190]]
28tcjhl4vemp4fy6kqlamllo25qyb0w
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/811
104
88761
226166
2026-08-30T14:09:32Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226166
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
Apriès le mariage et le fieste de non,
Couronna, Bauduwins, Esmeret le baron ;
Nimaie li donna et le noble roïon,
Et li mist le couronne ou il vosist ou non.
Retenir ne le vot onques en se parçon,
Car li cevaliers ot grande dévosion
D’aler, outre le mer, ou temple Salemon :
Moult désire à véoir, en sa condision,
Le Bastart de Sebourcq que prisiet li ot-on
Et les autres ossi qui sont biel dansillon.
« E ! Dieux, » dist Bauduwins, « qui soufri pasion,
« Sé mes enfans avoie, tous ·xxx·, en me maison,
« J’averoie acompli toute m’entension ;
« Mais pour mi à véir pasèrent, à dromon,
« Le haute mer salée, ensi le me dist-on,
« Or irai outre mer à bien courte saison. »
Signeur, à icel tans dont je fac mension,
Avoit en Alemagne ·j· conte moult preud’on,
Le conte Hédelin, ensi l’apielloit-on ;
Cieux faisoit aparlier, à sa devision,
·j· aparel si noble ains si biel ne vit-on,
Pour paser outre mer, à force et à bandon.
Bauduwins de Sebourcq le prist à compagnon,
Si se misent en mer, si com dist no cançon,
A l’entrée de march que revient li saison ;
A icel tans passa, Bauduwins, au crin blon,
S’enmena se moullier, à le clère façon.
Bauduwins prist congiet à sen estrasion
Et à se mère ossi, la roïne de non ;
Et se fu à Boulongne, cèle ville de non :
Congiet prist à Ustace, le nobile baron,
A la contesse Idain, qui ait bénéiçon.
Quant il ot pris congiet à se grant nasion,
A ses frères ossi, qui ont cuer de lion,
Li bers se mist en mer, sans nulle ariestison,
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>Na het huwelijk en het grote doopfeest,
Kroonde Boudewijn Esmeret, de baron;
Nimaie schonk hem het edele koninkrijk,
En zij zette hem de kroon op, of hij nu wilde of niet.
Hij wilde hem geenszins aan zijn zijde houden,
Want de ridder had een grote devotie
Om overzee te gaan, naar de tempel van Salomo:
Hij verlangde vurig, in zijn hoedanigheid, te zien
De Bastaard van Sebourg, die men zo had geprezen,
En de anderen ook, die schone jonge edellieden zijn.
“ Ach! God, “ zeide Boudewijn, “ die het lijden verdroeg,
“ Als ik mijn kinderen had, alle dertig, in mijn huis,
“ Dan zou ik mijn hele wens hebben vervuld;
“ Maar om mij te zien staken zij, per dromon,
“ De hoge zoute zee over, zo heeft men mij verteld,
“ Nu zal ik overzee gaan in een zeer kort seizoen. “
Heren, in die tijd waarvan ik melding maak,
Was er in Duitsland een graaf, een zeer rechtschapen man,
De graaf Hédelin, zo noemde men hem;
Deze liet klaarmaken, naar zijn eigen ontwerp,
Een uitrusting zo edel, zo mooi zag men er nooit een,
Om overzee te varen, met macht en in overvloed.
Boudewijn van Sebourg nam hem tot metgezel,
En zij begaven zich op zee, zoals ons lied vertelt,
Bij het begin van maart, wanneer het seizoen weerkeert;
In die tijd voer Boudewijn over, hij met het blonde haar,
En nam zijn echtgenote mee, met haar schone gezicht.
Boudewijn nam afscheid van zijn geboortestreek
En ook van zijn moeder, de koningin van naam;
En hij was te Boulogne, die stad van naam:
Afscheid nam hij van Eustachius, de nobele baron,
En van de gravin Ida, die gezegend moge zijn.
Toen hij afscheid had genomen van zijn grote familie,
En ook van zijn broers, die het hart van een leeuw hebben,
Begaf de edelman zich op zee, zonder enig oponthoud,</i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
pbaelkyq2wml60kmc8q70og57vi67t7
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/812
104
88762
226167
2026-08-30T14:13:28Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226167
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Estoient arrivet delà le mer salée,
Droit en une chité qui est Rohais clamée ;
Vers Andioche siet, enmi une valée.
Quant li roys Godefrois, cui ame soit sauvée,
Ot conquis Anthioche et toute la contrée,
A son frère donna Rohais, le bien fremée.
Baudewins em porta le non mainte journée,
Et quant Godefrois ot l’ame du corps sevrée,
Et Baudewins fu rois de la terre honnerée
Là où le char Dieu fu et plaïe et navrée
Et de la mort aussi, au tier jour, suscitée,
Il otroïa Rohais, chelle chité loée,
Thiéri de Hasebaing, à le brache quarrée.
Chuis Thiéris li avoit bien aidiet, à l’espée,
En ·XVij· batailles et grant amour monstrée ;
Pour che li en donna, li bons roys, sa saudée.
De boin maistre servir a-on bonne journée.
Thiéris de Hazebaing fu contes de Rohais,
Une noble chité où il a biau palais.
Baudewins de Buillon, qui des bons fu estrais,
Li donna le chité, che fu pour ses biens-fais.
De bon maistre servir, amende li varlais.
Toudis fait bon bien faire, ch’est ·j· bons entremais.
Or dirai de Thierri qui à Roihais fu trais :
Contes fu dou païs, s’en tenoit les bienfais ;
S’avoit une moullier dont li corps fu estrais
Dou linage des Turs, mais ses coers ert retrais
Du tout à nostre loy en créance parfais,
Oriande ot à non. Ch’estoit ·j· drois souhais
A véoir chelle dame ; car … vis fu pourtrais
Au samblant d’une ymage, nus ne verra jamais
Plus belle de son corps qui plaisans fu et gais.
Mais Thiéris amoit miex gesir o ses varlés
Qu’avoèkes cheste dame, n’i abitast jamais ;
Ains haïot le contesse, mains parlés li dist lais
</poem>
|valign=top|
<poem>
Waren aangekomen van over de zoute zee,
Rechtstreeks in een stad die {{SIC|Rohais|Edessa}} wordt genoemd;
Richting Antiochië is zij gelegen, midden in een vallei.
Toen koning Godfried, wiens ziel gered moge zijn,
Antiochië en de hele streek had veroverd,
Gaf hij aan zijn broer Rohais, de welversterkte stad.
Boudewijn droeg de naam [hiervan] menige dag,
En toen Godfried’s ziel van het lichaam was gescheiden,
En Boudewijn koning was van het geëerde land
Waar het vlees van God werd gekweld en gewond, 70
En ook op de derde dag uit de dood rees,
Schenk hij Rohais, die geprezen stad,
Aan Thomas van Hazebroek, met de brede armen.
Deze Thomas had hem goed geholpen, met het zwaard,
In zeventien veldslagen en had hem grote trouw getoond;
Daarom gaf de goede koning hem dit als zijn soldij.
Een goede meester dienen brengt een goede dag.
Thomas van Hazebroek was graaf van Rohais,
Een edele stad waar hij een prachtig paleis had.
Boudewijn van Bouillon, die uit de goeden was gesproten, 80
Gaf hem de stad, en dat was om zijn goede daden.
Door een goede meester te dienen, vaart de schildknaap wel.
Het is altijd goed om wel te doen, dat is een goede deugd.
Nu zal ik vertellen over Thomas die naar Rohais was getrokken:
Graaf was hij van het land, en hij hield er de voordelen van;
Ook had hij een echtgenote wier lichaam was gesproten
Uit het geslacht van de Turken, maar haar hart was gekeerd
En in alles volmaakt tot ons geloof en onze wet,
Oriande was haar naam. Het was een ware wens
Om deze dame te zien; want haar gezicht was gevormd 90
Naar de gelijkenis van een standbeeld, niemand zal ooit
Een mooiere vrouw zien, die behaaglijk en vrolijk was.
Maar Thomas lag liever met zijn schildknapen
Dan met deze dame, en hij sliep nooit bij haar;
Integendeel, hij haatte de gravin, en sprak dikwijls harde woorden tegen haar.
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
89w2uyirpmfplhwdcknx64jqspetzm8
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/813
104
88763
226168
2026-08-30T14:18:37Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226168
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
Avoèques Hédelin, le conte de renon ;
O lui fu sa moulier, qui Blance avoit à non,
Qui ne voloit guerpir par nès une ocoison,
Ains voelt paser le mer avoèques son baron.
Or, s’en va Bauduwins qui se tière laissa,
Le conte Hedelin avoèques lui mena.
Baudu wins de Sebourcq durement convoita
Qu’il voie les enfans que ses cors engenra ;
Le Bastart de Sebourcq durement convoita,
Car ce fu li plus preus qui à son tans régna.
Or dirai dou Bastart comment il s’ariva,
Car de son père vir durement désira ;
Dou Bastart de Sebourcq est drois que je vous die
Là où il ariva né en quelle partie :
Li enfant arivérent en tière de Surie,
Par deviers Andioce ont leur voie aquellie ;
En la cit de Rohais, qui sur mer est bastie,
Entra li boins Bastars dont je vous sénéfie.
Li boins rois Bauduwins l’avoit en manbournie,
Mais quant fu couronnés, la cités fu laissie
Et donnet son cousin qui l’avoit en ballie ;
Tiéris de Hasebours l’avoit en manbournie,
Ycieux si tient Rohais, la citet batillie,
Pour ce que il estoit estrais de sa lignie.
Tiéris se maria et prist dame agensie,
Fille d’un Sarasin, l’amulaine d’Orbrie,
Qu’en ·j· castiel avoit, Bauduwins, gaagnie ;
Sen cousin le donna, lués que fu batisie,
Et leur donna Rohais et le tière agensie :
Grant tans le tint en pais, sans nulles envaïes.
Or estoit cieux Tiéris de si mauvaise vie
Qu’acoustumet avoit, par grande trécerie,
Par malle convoitise et par oevre anemie,
Une talle si grande et de telle robrie
C’onques ne fu, en ville, telle talle paiie.
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>Met Hédelin, de graaf van faam;
Bij hem was zijn vrouw, die Blanche had als naam,
Die hem om geen enkele reden verlaten wou,
Maar met haar echtgenoot de zee oversteken zou.
Nu vertrekt Boudewijn, die zijn eigen land verliet,
De graaf Hadelijn nam hij mee op deze reis.
Boudewijn van Sebourcq verlangde vurig in zijn geest
Dat hij de kinderen zag die hij zelf had verwekt;
Naar de Bastaard van Sebourcq verlangde hij zeer,
Want dat was de dapperste die in zijn tijd regeerde.
Nu zal ik vertellen hoe de Bastaard kwam aan land,
Omdat hij vurig verlangde te zien zijn vaders hand;
Over de Bastaard van Sebourcq is het recht dat ik vermeld
Waar hij aan land kwam en in welk gebied gestrand:
De kinderen kwamen aan in het land van Syrië,
Richting Antiochië hebben zij hun weg gekozen;
In de stad Edessa (Rohais), die aan de zee is gebouwd,
Trok de goede Bastaard binnen van wie ik u vertel.
De goede koning Boudewijn had deze in zijn voogdij,
Maar toen hij werd gekroond, werd de stad verlaten
En geschonken aan zijn neef die haar in bestuur nam;
Diederik van Hasebours had haar onder zijn hoede,
Deze regeert nu over Edessa, de versterkte stad,
Omdat hij gesproten was uit diens eigen bloedlijn.
Diederik trouwde en nam een schone dame tot vrouw,
Dochter van een Saraceen, de emir van Orbrie,
Die Boudewijn in een kasteel had overwonnen;
Aan zijn neef schonk hij haar, zodra zij was gedoopt,
En hij gaf hun Edessa en het schone land erbij:
Lange tijd hield hij het in vrede, zonder enige strijd.
Nu was deze Diederik van zo'n slecht levenspad
Dat hij de gewoonte had, door groot verraad,
Door boze hebzucht en door duivels werk,
Een belasting te heffen, zo zwaar en vol roof,
Dat er nooit in een stad zo'n tol is betaald.</i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
jsfcz8incoe7y2ft3xq3we7mu6kmwp1
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/814
104
88764
226169
2026-08-30T14:21:42Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226169
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Où elle n’avoit coupes. Moult estoit ses coers vrais,
Moult avoit bonne grâce et de clers et de lais ;
Car grâce porte moult, aussi fait li biens-fais.
Oriande fu femme au conte Thiéri,
Le conte de Rohais, seignour, dont je vous di ;
Chou estoit la plus belle qu’ains de mère nasqui,
N’avoit si bonne dame jusqu’au port de Brandi,
Mais li quens n’amoit mie, tant éust corps poli,
Ains amoit sa maisnie. S’avoit moult en haï
Le corps de la contesse, la dame au corps joli ;
Sé li avoit blasmé le défaute de li
Et dist c’on le saroit, pour lui avoir pugni.
Dont, li quens s’avisa, par l’enort d’anemi,
Par quel tour porroit faire le dame, sans nul si.
Le grief mort rechevoir, sans prendere nul détri :
Sé li mist sus de fait, si que chascuns l’of,
Qu’Oriande ot trouvée avoèkes son ami
Et gisant, bras à bras, nut à nut, endormi.
Dont, la dame geta et maint plour et maint cri,
Et li quens, pour che fait, à se gent s’en plaindi
Et, par faus tesmongnages, en prouva che fait-chi
Et qu’elle ot marchandé de lui avoir murdri.
Dont on juga la dame, aut gent corps seignouri,
Ardoir … en un fu, sans faire nul détri.
Dont chil de la chité furent tout eshabi,
Il amoient la dame, le seignour on har ;
Et pour sa fole esrour, dont vous avés oï,
Tout chil de la chité si le haïrent si
Que tout vaussissent bien, pour voir le vous afi,
C’on l’éust affolet ou tuet ou murdri.
Pour le dame plouroient, tout chil qui ont of
Parler du jugement qui estoit fais sour lui ;
Bourgoises et bourgois et damoisel joli
Crioient hautement, en disant : « Dieu, merchi !
« Mourra le meillour dame k’ains de mère nasqui ! »
</poem>
|valign=top|
<poem>
Waar zij geen schuld aan had. Zeer oprecht was haar hart,
Zij stond in zeer goede gunst bij zowel geestelijken als leken;
Want gratie brengt veel teweeg, evenals goede daden.
Oriande was de vrouw van graaf Thiéri,
De graaf van Rohais, heren, over wie ik u vertel; 100
Zij was de mooiste vrouw die ooit uit een moeder werd geboren,
Er was geen dame zo goed tot aan de haven van Brandi,
Maar de graaf hield volstrekt niet van haar, hoe fraai ook haar gestalte was,
In plaats daarvan hield hij van zijn gevolg. Zo had hij een grote afkeer
Van de persoon van de gravin, de dame met het mooie gelaat;
En hij had haar valselijk beschuldigd van een misstap
En zei dat men het te weten zou komen, om haar te kunnen straffen.
Toen bedacht de graaf zich, door de influistering van de vijand,
Met welke list hij de dame, zonder enige twijfel, 110
De bittere dood kon laten sterven, zonder enig uitstel:
Hij schreef haar daadwerkelijk misdaden toe, zodat iedereen het hoorde,
Dat Oriande betrapt was met haar minnaar,
Terwijl ze daar lagen, arm in arm, naakt aan naakt, in slaap.
Toen slaakte de dame menige traan en menige kreet,
En de graaf klaagde hierover steen en been bij zijn volk
En bewees deze daad door middel van valse getuigenissen,
En dat zij een complot had gesmeed om hem te vermoorden.
Daarom veroordeelde men de dame, die nobele en verheven verschijning,
Om levend te verbranden... in een vuur, zonder enig uitstel.
Daarop waren de bewoners van de stad geheel ontzet, 120
Zij hielden van de dame en haatten de heer;
En vanwege zijn krankzinnige misstap, waarover u zojuist gehoord hebt,
Haatten alle inwoners van de stad hem zozeer
Dat zij allen vurig wensten, dat verzeker ik u als de waarheid,
Dat men hém had verminkt, gedood of vermoord.
Om de dame weenden allen die hadden gehoord
Spreken over het vonnis dat over haar was geveld;
Burgeressen, burgers en edele jongelingen
Riepen met luide stem en zeiden: "God, ontferm U!
Nu zal de beste dame sterven die ooit uit een moeder werd geboren!" 130
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
9a4uugkonm3krm7auvf11b5jgbkb203
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/815
104
88765
226170
2026-08-30T14:23:29Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226170
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
Et, avoecq ce, avoit se moullier en haie,
Car bougres il estoit et tous plains d’irésie ;
Et que d’un homme avoit plus cier le druérie
Que de femme qui fust jusques en Lonbardie.
Et s’estoit li contesse de tel biauté garnie
Que pour…… très bielle du mont estoit prisie.
Ne vot jesir o lui une seule nuitie,
Bien vosist qu’elle fust et arse et essillie.
Moult estoit mauvais hons, li cors Dieu le maudie,
Comment qui fust estrais de haute anciserie.
Li contes de Rohais, qui ot à non Tiéris,
Estoit moult durement de ses hommes haïs,
Sé ce n’estoit d’aucuns à qui il ert amis ;
Toutes femmes héoit, ce nous dist li escris,
Bien vosist que se femme, blance que fleur de lis,
Fust arse et essillie, pour voir je le vous dis ;
Tout adiès soutilloit que ses cors fust bruis.
En prison l’ot tenue, ne sai ·v· ans ou sis,
Or estoit de nouviel adont ·i· consiel pris
Que la dame arderoit, li lères maléis :
Car il li ot mis sus, que li dame jentis
S’estoit adont mesfaite d’un vasal du païs ;
S’en avoit Dieu juré, le roi de paradis,
Que le dame arderoit, qui tant ot cler le vis.
Contre val le cité i avoit plains et cris
Et ploroient les gens et estoient maris,
Pour le noble contesse qui le cuer … jentis ;
Car c’est la mileur dame c’onques fist Jesu-Cris,
Apriès le douce Vierge qui tant est de haut pris,
Car c’est la souveraine, ce nous dist li escris.
De la dame dirons qui est en grans péris,
Car lant se fist amer, la contesse jentis,
Que tout crient et pleurent clèrement à haut cris :
« Ai ! dame, » font-il, « noble cors signouris,
« Vous nous soliés donner et les vairs et les gris
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>En, daarnaast, had hij zijn echtgenote in haat,
Want hij was een ketter en geheel vol ketterij;
En dat hij de minne van een man dierbaarder had
Dan die van welke vrouw dan ook tot in Lombardije.
En toch was de gravin met zo'n schoonheid gezegend
Dat zij voor…… een zeer schone van de wereld werd geprezen.
Hij wilde niet één enkele nacht met haar slapen,
Wel wenste hij dat zij verbrand en verbannen was.
Hij was een zeer slechte man, moge Gods lichaam hem vervloeken,
Hoezeer hij ook stamde uit een hoog voorgeslacht.
De graaf van Edessa, die de naam Thiéris droeg,
Werd door zijn mannen zeer hevig gehaat,
Tenzij het enkelen waren met wie hij bevriend was;
Alle vrouwen haatte hij, zo vertelt ons het geschrift,
Wel wenste hij dat zijn vrouw, blank als de leliebloem,
Verbrand en verbannen was, voorwaar ik zeg het u;
Voortdurend beraamde hij dat haar lichaam verbrand zou worden.
In de gevangenis had hij haar gehouden, ik weet niet, 5 of 6 jaar,
Toen was er onlangs een besluit genomen
Dat de dame zou branden, de vervloekte schurk:
Want hij had haar ten laste gelegd dat de edele dame
Zich toen misdragen had met een vazal van het land;
Daarom had hij God gezworen, de koning van het paradijs,
Dat hij de dame zou verbranden, die zo'n helder gezicht had.
Beneden in de stad klonken er misbare en kreten
En de mensen weenden en waren diepbedroefd,
Om de edele gravin die het teder hart bezat;
Want zij is de beste dame die Jezus Christus ooit maakte,
Na de zachte Maagd die in zo'n hoge eer staat,
Want zij is de soevereine, zo vertelt ons het geschrift.
Over de dame zullen we spreken die in groot gevaar verkeert,
Want zij had zich zo geliefd gemaakt, de edele gravin,
Dat allen helder en met luide stem wenen en roepen:
“ Ach! dame, “ zeggen zij, “ adellijke, statige verschijning,
“ U placht ons zowel het bonte als het grijze eekhoornbont te schenken</i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
ajohg3r06fu0mccfnlmym531lggwyjd
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/816
104
88766
226171
2026-08-30T14:28:15Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226171
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Tout parmi la chité la noise s’espandi :
Et li ·xxx· bastart, au jour dont je vous di,
Estoient en Rohais à l’ostel Amaurri,
·j· mout riche borgoys ; s’ont bien che fait of
D’Oriande le belle, que chascuns le plaindi,
Si furent pour che fait dolant et esmari.
Li ·xxx· bastart furent courechié et dolant
Quant de la dame oirent le chertain convenant ;
Et chascuns .. aloit le conte blastengant
Et vaussissent très bien, li petit et li grant,
Que li quens fust ochis d’une espée trenchant.
Li Bastars de Sebourc, qui ot coer de soudant,
Vint devant le palais où li fus va ardant
Et perchieut Oriande et le sien dous samblant :
Tant le vit belle et douche, parfaite et avenant,
Qu’ossitost qu’il le vit, l’en prist pitié si grant
Et de l’amour la dame se va si embrasant
Qu’il en jura Jhésu, le père roy amant,
Ne .. lairoit ardoir, pour d’or fin son pesant.
A ses frères revint, si lor va escriant :
« Sé vous estes mi frère, si le m’alés monstrant !
« Car foi que doi à Dieu, le père tout-poissant,
« Je rescourrai la dame, au gent corps avenant ;
« S’ochirrai à dolour le félon soudoïant
« Qui, à tort, voelt ardoir la dame maintenant,
« Dont chil de cheste ville sont durement dolant.
« Personne ne vi hui qui n’en voist larmiant ;
« Il n’a en cheste ville homme, femme ni enfant,
« Qui ne voist pour le dame moult tenrement plourant.
« Sé mort aviens le conte, je n’en donroie ·j· gant,
« Car, à che que je voi, nous arons bon garant :
« Li communs de la ville en va moult murmurant. »
Et chil ont respondu : « or alés dont devant,
« Pour morir et pour vivre ne vous faurons noiant ! »
Tout li ·xxx· bastart vont vistement montant,
</poem>
|valign=top|
<poem>
Door de hele stad verspreidde het gerucht zich:
En de dertig bastaarden, op de dag waarover ik u vertel,
Waren in Rohais in het verblijf van Amaurri,
Een zeer rijke burger; ze hebben deze daad goed gehoord
Over de schone Oriande, die iedereen beklaagde,
Zodat zij door deze daad bedroefd en ontzet waren.
De dertig bastaarden waren woedend en bedroefd
Toen zij hoorden van het zekere lot van de dame;
En ieder ... ging de graaf vervloeken
En zij wensten zeer wel, de kleinen en de groten, 140
Dat de graaf gedood zou worden door een snijdend zwaard.
De Bastaard van Sebourc, die het hart van een sultan had,
Kwam voor het paleis waar het vuur brandt
En nam Oriande waar en haar zachte verschijning:
Hij zag haar zo mooi en lieflijk, volmaakt en bekoorlijk,
Dat zodra hij haar zag, hem zo'n groot medelijden beving
En hij door de liefde voor de dame zo in vuur en vlam raakte
Dat hij zwoer bij Jezus, de vader, de liefhebbende koning,
Dat hij haar niet zou laten verbranden, niet voor haar gewicht in fijn goud.
Naar zijn broers keerde hij terug, en hij riep hen toe: 150
“ Als jullie mijn broers zijn, laat het mij dan zien!
“ Want bij het geloof in God, de almachtige Vader,
“ Ik zal de dame redden, met haar schone en bekoorlijke lichaam;
“ En ik zal met smart de boosaardige tiran doden
“ Die, ten onrechte, de dame nu wil verbranden,
“ Waarover de mensen van deze stad hevig bedroefd zijn.
“ Geen mens zag ik vandaag die niet in tranen wegging;
“ Er is in deze stad man, vrouw noch kind,
“ Die niet zeer teder weent om de dame.
“ Als wij de graaf doden, zou het mij geen handschoen schelen, 160
“ Want, naar wat ik zie, zullen wij een goede bescherming hebben:
“ Het gewone volk van de stad mort er immers hevig over. “
En zij antwoordden: “ ga dan nu voorop,
“ Wij zullen u niet in de steek laten om te sterven of te leven! “
Alle dertig bastaarden stegen snel te paard,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
2dpbbnqaj5k41e77xrmny29x6gd19xb
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/817
104
88767
226172
2026-08-30T14:39:26Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226172
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
« Et les rices joiaux et les aniaux masis,
« Conforter les malades et les povres quaitis :
« Or, vous fait-on morir, ce est uns grans despis.
« Mièdres seroit pendus li vos sires Tiéris,
« Car par se fauseté nous a tous asiervis. »
Devant la maistre-salle, en la cit de Rohais,
Estoit enmi le place ·j·… d’espine fais,
Pour ardoir le contesse ; par le glouton punais
Qui estoit d’érésie entequiés et entais.
Hais fu de le gent, car moult estoit mauvais ;
Parmi le ville crient, en disant : « Sire vrais,
« Voielliés aidier no dame qui atent si grans fais ! »
Li Bastars de Sebourcq cevauce, à plains eslais,
Contre val la cité ; si entendi les plais,
Tous plora li coumuns, moult i fu li dués lais.
Et li Bastars demande tantos, à ·ij· varlės,
Pour coi tel duel démainent ? ce n’est mie souhais.
Cil li ont recordé, doucement et en pais,
De le dame c’on doit ardoir, viers le palais ;
Si n’a si bonne dame dès-si jusqu’à Calais.
L’estat de leur signeur li dirent à ·j· fais.
Quant li Bastars l’oi, s’en jura saint Gervais
Qu’il secoura la dame pour qui li dués est fais.
Li Bastars de Sebourcq n’i fist ariestement
Devant le palans vint, où estoient la gent :
Voit le dame amener devant le feu briesment,
En plus le peliçon, plorant moult tenrement ;
Quant li Bastars le vit, moult grant pitet l’en prent,
Car c’estoit la plus bielle qui fust ou firmament.
Li baron de Rohais faisoient parlement
Et prièrent Tieri assés et doucement
Qui déporte le dame, si ne l’arde noient.
« Signeur, » ce dist Tiéris, « j’ai fait mon sairement,
« Jamais ne mengerai de boin pain de fourment
« Si sera la dame arse, à duel et à tourment. »
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>" En de kostbare juwelen en de massieve ringen,
“ Troosten de zieken en de arme beklagenswaardigen:
“ Nu laat men u sterven, dat is een grote schande.
“ Beter zou uw heer Thierry worden opgehangen,
“ Want door zijn valsheid heeft hij ons allen onderworpen. “
Voor de hoofdzaal, in de stad Rohais,
Werd in het midden van het plein {{SIC| …doorntakken|een brandstapel van doorntakken}} gemaakt,
Om de gravin te verbranden; door de stinkende schurk
Die met ketterij besmet en bezoedeld was.
Hij werd gehaat door het volk, want hij was zeer slecht;
Doorheen de stad roepen zij en zeggen: “ Ware Heer, “
“ Wil onze vrouwe helpen die zo'n grote beproeving wacht! “
De Bastaard van Sebourcq rijdt in volle galop,
Dwars door de stad; zo hoorde hij de klachten,
Het hele volk weende, zeer lelijk was de rouw daar.
En de Bastaard vraagt direct aan twee schildknapen,
Waarom zij zo'n groot verdriet uiten? Dit is geen wens.
Zij hebben het hem verteld, zacht en in vrede,
Over de dame die men moet verbranden, nabij het paleis;
Er is geen zo'n goede dame van hier tot aan Calais.
De toestand van hun heer vertelden zij hem in één moeite.
Toen de Bastaard het hoorde, zwoer hij bij Sint-Gervais
Dat hij de dame zou redden voor wie de rouw is gemaakt.
De Bastaard van Sebourcq hield daar niet in
Voor het palissadehek kwam hij, waar de mensen waren:
Hij ziet de dame al snel voor het vuur brengen,
Slechts in haar pelsmantel, terwijl zij zeer teder weende;
Toen de Bastaard haar zag, greep een zeer groot medelijden hem aan,
Want zij was de mooiste die er onder het uitspansel was.
De baronnen van Edessa hielden beraad
En smeekten Thierry herhaaldelijk en vriendelijk
Dat hij de dame zou sparen, en haar geenszins zou verbranden.
“ Heren, “ zo sprak Thierry, “ ik heb mijn eed gezworen, “
“ Nooit zal ik nog goed brood van tarwe eten “
“ Tot de dame verbrand zal zijn, in rouw en in kwelling. “</i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
9q1se0pq33k6goxwqwg6rvi8c1rj4st
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/818
104
88768
226173
2026-08-30T14:40:58Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226173
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Les lanches ens ès poins, dont li fer sont trenchant,
Les escus à leur cos, qui d’or furent luisant
A une crois d’asur ens ou moilon séant ;
Che fu la connoissanche qu’il aloient portant.
Chascuns of une crois, che va sénéfiant
Qu’il aloient vengier, outre le mer brufant,
Le mort de Jhésu-Crist où li bien sont créant.
Li Bastars de Sebourc va le destrier hurtant
Et va férir Thiéri, le conte souffisant :
Le lance, à tout le fer, li va ou corps boutant ;
Li coer li pourfendi, mort le va trébuchant,
Li contes chéi mors. Lors se va escriant :
« Li amit à le dame ! venés trestout avant ! »
Li Bastars de Sebourc a le quen Thiéri mort,
Si frère sont à lui venu, pour faire fort.
Li Bastars s’escria : « trestout chil aront tort
« Qui vers chelle contesse vauront estre à descort ! »
Lors vint à Oriande, qui vers lui se ramort,
Sé li dist : « douche dame, je vous ferrai ressort. »
Adont leva la dame dessus son cheval sort.
Chil environ che taisent, tout aussi coi c’on dort.
Li quens ot ·j· filloeil c’on clamoit Capanort,
Baillus fu de la ville, si fu moult de gran port ;
·j· bastart va férir : et chuis pas ne se tort,
Enchois le referri de son pignon d’estort,
Par dessus le cauchie l’abati soef mort.
Dont li ·xxx· bastart ont le dame menée
Lassus ens ou palais et si l’ont enfremée.
Une tour i avoit, où li dame est entrée,
La commune perchoit qui estoit effraée,
Si ne scèvent que faire pour euls mettre à l’espée ;
La dame de Rohais s’est en haut escriée :
» Ahi ! ma bonne gent, courtoise et bien senée,
« Je vous prie, pour Dieu qui fist chiel et rousée,
« Que la mort mon seignour aïés hui pardonnée
</poem>
|valign=top|
<poem>
De lansen in de vuisten, waarvan de ijzers scherp zijn,
De schilden aan hun hals, die glanzend van goud waren
Met een azuurblauw kruis in het midden geplaatst;
Dat was het herkenningsteken dat zij droegen.
Ieder had een kruis, dat de betekenis meedroeg 170
Dat zij, over de woeste zee, de dood gingen wreken
Van Jezus Christus, in wie de goeden geloven.
De Bastaard van Sebourc drijft zijn strijdpaard aan
En gaat Thiéri treffen, de voortreffelijke graaf:
De lans, met het ijzer en al, stoot hij hem in het lichaam;
Het hart doorboorde hij hem, dood stort hij hem neer,
De graaf viel dood neer. Toen riep hij luidkeels:
"Vrienden van de vrouwe! Komt allen naar voren!"
De Bastaard van Sebourc heeft de graaf Thiéri gedood,
Zijn broers zijn naar hem toe gekomen, om zich sterk te maken. 180
De Bastaard riep uit: "Ieder zal ongelijk hebben
Die met deze gravin in onmin wil leven!"
Toen kwam hij bij Oriande, die zich aan hem vastklklampt,
En hij zei tegen haar: "Lieve vrouwe, ik zal u te hulp komen."
Toen tilde hij de dame op zijn vaalrode paard.
Zij die eromheen staan zwijgen, zo stil als men slaapt.
De graaf had een peetzoon die men Capanort noemde,
Hij was baljuw van de stad en was een man van groot aanzien;
Een bastaard gaat hij treffen: en deze wijkt geenszins,
Integendeel, hij treft hem op zijn beurt met zijn strijdvaan, 190
Over de verharde weg wierp hij hem zachtjes dood neer.
Waarop de dertig bastaarden de dame hebben meegenomen
Daarboven in het paleis en haar daar hebben opgesloten.
Er was een toren, waar de dame is binnengegaan,
De burgerij merkte het op en was doodsbang,
En ze weten niet wat te doen om hen over de kling te jagen;
De vrouwe van Rohais heeft luid naar boven geroepen:
"Ach! Mijn goede mensen, hoofs en welgemanierd,
Ik smeek u, voor God die de hemel en de dauw schiep,
Dat u de dood van mijn heer vandaag zult vergeven." 200
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
6tkfbgca8qyzl5ntxyd027a286s9wgo
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/819
104
88769
226174
2026-08-30T15:02:18Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226174
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
Dont furent, li baron, coureciet et dolent.
Atant ès-vous venus le Bastart de jouvent ;
Devant le dame vint, qui ot grant mautalent,
Il a parlet en haut, si que cescuns l’entent :
« Signeur, » dist li Bastars, « or oiiés mon talent :
« S’il est nus hons vivans qui soit ou firmament,
« Né desous né deseure, avironneëment,
« Qui voelle dire jà, devant moi en présent,
« Que ceste dame-ci, qui grant martire sent,
« Ait désiervi la mort si dolereusement ;
« Je di qu’il a menti, et que faus jugement
« A couru sur le dame qui nul mal n’i entent.
« Et s’il n’est nus qui die qu’il ne va ensément,
« Je m’en conbaterai, contre lui, vraiement ;
« Et sé je sui vaincus, voiant vous en présent,
« Honnis soiiés tres…. sé mon cors on ne pent.
« Et vous, sires Tiéri, princes dou casement,
« Alés, si vous armés tantos incontinent :
« Je vous ferai jehir, ainçois l’aviesprement,
« Que vous estes érites, plain de faus couvenent,
« Et qu’à tort ceste dame encoupés ensement. »
Et quant Tiéris l’oï, si escrie à se gent :
« Prendés-moi ce glouton, qui outrageusement
« A parlet contre moi. » Mais cou est de noient ;
Li Bastars trait l’espée, ses frères ensément,
Et dist : ne vous mouvés contre mi nullement,
« Car li rois de Surie si me tient à parent. »
Deviers lui se sont trait, li aucun, doucement,
Car leur signeur haïoient, trestous, communément ;
Si qu’il vosisent bien, saciés ciertainement,
Que on l’éuist pendut et encruet au vent.
Folie fait li sires, quant il est de sa gent
Haïs et pau amés, car on dit proprement :
N’est pas sires de tière né de son casement
Qui de ses hommes est hais par mautalent.
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>Waarom de baronnen kwaad en bedroefd waren.
En zie daar, de jonge Bastaard kwam eraan;
Hij trad voor de dame, die grote woede voelde,
En hij sprak met luide stem, zodat iedereen hem hoorde:
“ Heren, “ zei de Bastaard, “ hoor nu mijn wil:
“ Als er een levend mens is onder het firmament,
“ Hetzij hieronder of hierboven, overal rondom,
“ Die nu, hier in mijn aanwezigheid, wil beweren
“ Dat deze dame, die zo'n groot martelaarschap ondergaat,
“ De dood op zo'n pijnlijke wijze heeft verdiend;
“ Dan zeg ik dat hij liegt, en dat een vals vonnis
“ Geveld is over de dame, die geen enkel kwaad in de zin heeft.
“ En als er niemand is die zegt dat het zo niet gegaan is,
“ Dan zal ik werkelijk de strijd met hem aangaan;
“ En als ik overwonnen word ten aanschouwen van u allen,
“ Schande aan hen ... als men mijn lichaam niet ophangt.
“ En u, heer Thierri, prins van het leengoed,
“ Ga heen en wapen u onmiddellijk terstond:
“ Ik zal u doen bekennen, nog vóór het vallen van de avond,
“ Dat u een ketter bent, vol van valse trouw,
“ En dat u deze dame ten onrechte op gelijke wijze beschuldigt. “
En toen Thierri dit hoorde, riep hij luid tot zijn manschappen:
“ Grijp mij die schurk, die zo schandalig
“ Tegen mij heeft gesproken. “ Maar dat haalde niets uit;
De Bastaard trok zijn zwaard, en zijn broer deed hetzelfde,
En zei: “ Kom op geen enkele wijze tegen mij in beweging,
“ Want de koning van Syrië beschouwt mij als familie. “
Sommigen trokken zachtjes naar zijn zijde,
Want zij haatten hun heer allemaal tezamen;
Zodat zij heel graag wilden, weet dat zeker,
Dat men hem had opgehangen en in de wind had laten bengelen.
Een heer begaat een dwaasheid wanneer hij door zijn eigen volk
Gehaat en weinig geliefd is, want men zegt terecht:
Men is geen heer van een land noch van zijn leengoed
Als men door zijn eigen mensen vanwege kwaadwillendheid wordt gehaat.</i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
1l0j4bdi5mkcptddwwid9ruz0ukcyzv
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/820
104
88770
226175
2026-08-30T15:07:13Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226175
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« A cheulz qui l’ont ochis ! Il ne valoit riens née,
« Il m’avoit, sans raison et sans cause, encoupée ;
« Et m’éust maintenant et arse et embrasée
« Sé Jhésu-Crist ne fust et la Vierge honnerée.
« Et, Franc chevalier, d’une estrainge contrée,
« Vous savés de Thiéri l’oevre et le destinée
« Et comment il avoit sa vie démenée !
« Mais faites une chose, s’il vous plaist et agrée,
« Dont vous serés prisiet tant qu’averés durée :
« Faites ou feu geter la maisnie privée
« Où mes sires avoit la soie amour donnée.
« J’en sai ·xv· saiens, de male renommée,
« Or les boutés ou feu, sans nulle demourée. »
Et chil ont respondu, à moult haute alenée :
« Dame, vous dites bien, par le Vierge loée ! »
Dont fut le mort au conte là endroit pardonnée,
Chascuns jura sá foi et l’i a créantée
Qu’à cheus qui l’ont ochis ne mesfera riens née.
Li bourgois de Rohais, celle ville garnie,
Pardonnèrent le mort, trestout à une fie,
Du conte de Rohais qui fu plains d’érisie ;
A ·xxx· damoisiaus ont leur foi fianchie
Que já ·j· trestous seus n’i ara villonnie.
Li Bastars de Sebourc, qui tant ot seignourie,
Est venus à le dame, hautement li escrie :
« Dame, » dist li Bastars, « car me sauvés la vie !
« Car pour vous à sauver de… grande hasquie
« M’embati si endroit, avoèkes ma maisnie ;
« Et pour ce que j’oï vostre chevalerie,
« Bourgoise et bourgois qui, tout à une fie,
« Disoient, tout ensamble, que vous estes traïe
« Et que li quens estoit tous plains de bougresie.
« Et de vices plenté, autres que je ne die,
« L’ai-je mort et tuet, dont je fis grant folie.
« Che fu pour vostre amour, douche dame jolie,
</poem>
|valign=top|
<poem>
“ Aan degenen die hem hebben gedood! Hij was niets waard,
“ Hij had mij, zonder reden en zonder oorzaak, beschuldigd;
“ En hij zou mij nu hebben verbrand en in vlammen doen opgaan
“ Als Jezus Christus er niet was geweest en de geëerde Maagd.
“ En, Frankische ridder, uit een vreemd land,
“ U kent het werk en het lot van Thiéri
“ En hoe hij zijn leven had geleid!
“ Maar doe één ding, als het u behaagt en bevalt,
“ Waarom u geprezen zult worden zolang u zult leven:
“ Laat de persoonlijke kring in het vuur werpen 210
“ Waaraan mijn heer zijn liefde had geschonken.
“ Ik ken er vijftien hierbinnen, van slechte reputatie,
“ Werp hen nu in het vuur, zonder enig uitstel. “
En zij hebben geantwoord, met zeer luide stem:
“ Dame, u spreekt wel, geprezen zij de Maagd! “
Toen werd de dood van de graaf daar ter plekke vergeven,
Ieder zwoer zijn trouw en heeft daar beloofd
Dat men degenen die hem hebben gedood geen enkel kwaad zal doen.
De burgers van Rohais, die welvoorziene stad,
Vergaven allemaal tegelijk de dood 220
Van de graaf van Rohais, die vol ketterij was;
Aan dertig jongelingen hebben zij hun trouw gezworen
Dat nooit een enkele van hen schande zal ondervinden.
De Bastaard van Sebourc, die zoveel heerschappij bezat,
Is naar de dame toegekomen, luid roept hij haar toe:
“ Dame, “ zei de Bastaard, “ red mij toch het leven!
“ Want om u te redden uit… grote nood
“ Drong ik hier binnen, samen met mijn gevolg;
“ En omdat ik hoorde van uw ridderschap,
“ Burgers en burgeressen die, allemaal tegelijk, 230
“ Allemaal samen zeiden dat u verraden was
“ En dat de graaf geheel vol ketterij was.
“ En een overvloed aan ondeugden, andere dan ik zal noemen,
“ Heb ik hem gedood en omgebracht, waarmee ik een grote dwaasheid beging.
“ Dit was voor uw liefde, mooie, lieflijke dame,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
gi061oeskr8u5l2l821utifkk6729ro
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/821
104
88771
226176
2026-08-30T15:12:08Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226176
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
Liet furent li pluisour, entour et environ,
Quant Bastart oïrent dire telle raison ;
Deviers lui se sont trait, si dient à haut son :
« Vengiés-nous dou traître, gentis fis à baron. »
Li Bastars trait l’espée, quant en oï le son,
Venus est à Tiéri, le maléoit glouton,
Puis li dist : « faus érites, t’aie maléiçon
« Quant tu voes telle dame destruire sans raison ! »
Sur le cief li donna ·j· si grant horion
Que il le pourfendi de-si jusqu’au menton.
Dont furent asalit aucun autre laron,
Qu’à leur signeur estoient privet et compagnon,
Jetet furent trestout ens ou feu de randon.
La ville fu esmeute, entour et environ :
Li gentil-homme d’armes s’armèrent de randon,
Pour tuer le Bastart orent dévosion ;
Mais li bourgois les misent en leur délivrison
Et leur firent desfense, par boine intension,
O le Bastart se mirent à le desfensison.
Ou marquiet de Rohais fu grans l’asamblison :
D’une part sont rengiet cevalier et baron,
D’autre part, li bourgois qui sont de grant renon.
Encor estois li dame, en plus son peliçon,
Devant le feu asise, à grant confusion ;
Mais quant le tourble vit et le desfensison,
Ou marquiet acouroit, en criant à haut son :
« Signeur, soiiés en pais, pour Dieu vous en prion.
Le force dou Bastart crut tant celle saison,
Tant iérent de se part li bourgois et piéton ;
Il ont pris les gens d’armes et tous mis en prison,
Et ont fait le Bastart, qui cuer ot de lion,
Souverain de la ville, ou il vosist ou non.
La dame vint……, se li crie à haut son :
« Sire, toute sui vostre, à vo devision !
« De mort m’avés rescouse, si me mech en vo non,
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>Blij waren de meesten, overal rondom,
Toen zij de Bastaard zulke woorden hoorden spreken;
Naar hem hebben zij zich begeven, en zij riepen met luide stem:
“ Wreek ons op de verrader, edele zoon van een baron. “
De Bastaard trok het zwaard, toen hij het geluid hoorde,
Hij is naar Tiéri gegaan, de vervloekte schurk,
Toen zei hij tot hem: “ valse erfgenaam, de vervloeking rust op u,
Aangezien u zo'n dame zonder enige reden wilt vernietigen! “
Op zijn hoofd gaf hij hem een zo geweldige klap
Dat hij hem doormidden kliefde, tot aan zijn kin.
Toen werden enkele andere dieven aangevallen,
Die vertrouwelingen en metgezellen van hun heer waren,
Zij werden allen pardoes in het laaiende vuur geworpen.
De stad raakte in rep en roer, overal rondom:
De edele wapenmannen wapenden zich in ijling,
Zij waren vurig vastberaden om de Bastaard te doden;
Maar de burgers brachten hen in hun macht
En boden hun weerstand, met goede bedoelingen,
Samen met de Bastaard wierpen zij zich in de verdediging.
Op de markt van Rohais was de samenscholing groot:
Aan de ene kant stonden ridders en baronnen opgesteld,
Aan de andere kant de burgers, die in hoog aanzien stonden.
Nog steeds zat de dame, in haar lichte bontmantel,
Gezeten voor het vuur, in grote ontreddering;
Maar toen zij de opschudding en de strijd zag,
Snelde zij naar de markt, terwijl zij met luide stem riep:
“ Heren, weest in vrede, om Gods wil smeken wij u hierom. “
De macht van de Bastaard groeide dat seizoen aanzienlijk,
Zoveel burgers en voetvolk stonden aan zijn zijde;
Zij hebben de gendarmes aangehouden en allen in de kerker geworpen,
En zij hebben de Bastaard, die het hart van een leeuw had,
Heerser van de stad gemaakt, of hij nu wilde of niet.
De dame kwam naar hem toe..., en roept hem met luide stem toe:
“ Heer, ik ben geheel de uwe, tot uw beschikking!
“ Van de dood heeft u mij gered, dus stel ik mij onder uw hoede, “</i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
savr5phoo7za9u9aa5bpb7hijd7f9qr
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/822
104
88772
226177
2026-08-30T15:17:22Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226177
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Car já coilars amans, n’avera belle amie. »
Quant le contesse oï le damoisel parler,
Adont le commencha moult bien à regarder :
Si perchuit le Bastard si très bel bacheler
Que plus… de son corps ne péust-on trouver !
Tant l’a véut plaisant et bel à remirer,
Qu’elle li dist : « vassaus, je vous doi bien amer,
« Car fait avés mon corps de le mort eschaper,
« Si que mon corps vous doi très bien abandonner ;
« Et je m’otrie à vous, sans point de l’arrester,
« Car vous valés très bien d’un païs gouverner.
« Et je veu, à chellui qui se laissa péner,
« Que jamais ne vaurrai nul autre homme espouser ;
« A mari vous vaurrai, s’el volés créanter. »
« Dame, » dist li Bastars, « ne vous doi refuser ;
« Enchois, sé je vous ai, j’en doi bien Dieu loer,
« Car pour le vostre amour me vins aventurer. »
Moult fut liés, li Bastars, quant le contesse entent ;
Dont le prist à espeuse, par l’acort de sa gent.
Thiéris, qui mors estoit, avoit ·j· sien parent
Qui de Rohais issi à ·j· ajournement :
Devers Jhérusalem chevauche fièrement,
Jusques à saint Sépulcre ne fist arrestement,
Où Diex ressussita pour nostre sauvement.
Là, trouva le bon roy à cui Surie apent,
Qui avoit assamblé tout son efforcement
Pour aler assir Mièkes, où li pons est d’argent.
Li rois s’ert mariés, en chel an proprement,
S’avoit pris Margalie qui de biautė resplent ;
Le dame estoit enchainte, assés nouvellement.
Atant és le message qui au perron descent ;
Devant le roy s’en vint, sé li dist hautement :
« Roys Baudewins, » dist-il, « il te va malement !
« En la chite de Rohais i a trop grant tourment !
« Thiéris de Hasebaing est ochis vraiement,
</poem>
|valign=top|
<poem>
“ Want een laffe minnaar zal nooit een schone geliefde hebben. “
Toen de gravin de jonker hoorde spreken,
Begon zij hem toen zeer goed te bekijken:
Zij nam in de Bastaard zo'n schone jonge ridder waar,
Dat men niet meer … van zijn lichaam zou kunnen vinden! 240
Zij vond hem zo aangenaam en mooi om te aanschouwen,
Dat zij tot hem zeide: “ edelman, ik moet u wel liefhebben,
“ Want u heeft mijn lichaam aan de dood doen ontsnappen,
“ Zodat ik mijn lichaam zeer wel aan u moet overgeven;
“ En ik schenk mezelf aan u, zonder enige aarzeling,
“ Want u bent het zeer wel waard om een land te besturen.
“ En ik zweer, bij Hem die Zich liet pijnigen [aan het kruis],
“ Dat ik nooit een andere man zal willen trouwen;
“ Tot echtgenoot wil ik u, als u het wilt beloven. “
“ Vrouwe, “ zeide de Bastaard, “ ik mag u niet weigeren; 250
“ Integendeel, als ik u tref, moet ik God wel prijzen,
“ Want voor uw liefde ben ik dit avontuur aangegaan. “
Zeer verheugd was de Bastaard, toen hij de gravin hoorde;
Toen nam hij haar tot echtgenote, met instemming van zijn volk.
Thierri, die gestorven was, had een bloedverwant van hem,
Die bij het aanbreken van de dag uit Edessa vertrok:
In de richting van Jeruzalem rijdt hij onverschrokken voort,
Tot aan het Heilig Graf hield hij niet halt,
Waar God herrees voor onze zaligmaking.
Daar vond hij de goede koning aan wie Syrië toebehoort, 260
Die al zijn strijdkrachten had verzameld
Om Mekka te gaan belegeren, waar de brug van zilver is.
De koning was getrouwd, precies in datzelfde jaar,
En had Margalie genomen, die schittert van schoonheid;
De dame was zwanger, nog vrij kort geleden.
En zie daar de heraut/bode die van de stenen trap afstijgt;
Voor de koning trad hij, en zeide luidkeels tot hem:
“ Koning Boudewijn, “ zeide hij, “ het gaat slecht met u!
“ In de stad Edessa heerst een al te grote kwelling!
“ Thierri van Haspengouw is waarlijk gedood! 270
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
0ozrw5v6rho1luvas3su8tcmm54nxjs
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/823
104
88773
226178
2026-08-30T15:19:51Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226178
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
« Sé poés de moi faire vo talent et vo bon. »
« Dame, » dist li Bastars, « oiiés m’entension ;
« Je voel, més qu’il vous plaise, que m’aiiés à baron. »
Lie fu li contesse, quant ot le dansillon,
Car biaux fu et hardis, milleur ne trouvast-on.
Or, oiiés dou Bastart qui tant a de renon :
Il a pris les gens d’armes, s’en prist délivrison
Et donna à cescun ·j· destrier Aragon,
De l’or et de l’argent leur donna à fuison ;
Hors de Rohais les mist, à leur sauvation.
Li Bastars de Sebourcq les a mis à raison :
« Signeur, » dist li Bastars, « oiiés m’entension ;
« Alés-vous-ent tout droit au temple Salemon
« Et si me salués, sans nulle ariestison,
« Le boin roi de Surie, Baudewin, le baron.
« Dites c’un sien cousin, de sen estrasion,
« A mis à fin Tieri, qui par male raison
« Ouvroit à se moullier, qui clère a le façon,
« Car il estoit érites, il n’amoit sé hons non ;
« Pour ce l’ai mis à fin et à sécusion,
« Et la dame me voet avoir pour son baron.
« Et si dites au roi, qui ait bénéiçon,
» Que il viègne as … noeces, et nous li en prion,
« Car je n’espouserai jusques à son renon.
« Signeur, » dist li Bastars, « tantos vous en irés ;
« Dites roi Baudewin, qui tant est redoutés,
« Que il viègne à mes noeces et ses rices barnés,
« Et j’atenderai tant d’estre anis mariés
« Que li boins rois venra, qui tant est redoutés. »
Et cil ont respondut : « si com vous commandés. »
Dou Bastart se partirent, è-les-vous aroutés,
Et dist li uns à l’autre : « cieux vasaus est dervés,
« Qui mande le boin roi qui tient ces irétés,
« Et s’a mort son cousin qui de lui est amés !
« Plus l’amoit Bauduwins, li boins rois couronnés,
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>“ U kunt met mij doen naar uw wil en uw welbehagen. “
“ Vrouwe, “ zei de Bastaard, “ luister naar mijn plan;
“ Ik wil, mits het u behaagt, dat u mij als echtgenoot neemt. “
Blij was de gravin toen ze de jonge edelman hoorde,
Want hij was mooi en dapper, een betere zou men niet vinden.
Nu, luister over de Bastaard die zo'on grote faam geniet:
Hij nam de wapenlieden en liet hen vrij,
En schonk aan ieder een Aragonees strijdpaard,
Goud en zilver gaf hij hen in overvloed;
Buiten Rohais bracht hij hen, voor hun eigen veiligheid.
De Bastaard van Sebourcq sprak hen aldus toe:
“ Heren, “ zei de Bastaard, “ luister naar mijn plan;
“ Gaat u rechtstreeks naar de tempel van Salomo
“ En groet daar voor mij, zonder enig uitstel,
“ De goede koning van Syrië, Boudewijn de baron.
“ Zeg dat een neef van hem, van zijn eigen bloedlijn,
“ Een einde heeft gemaakt aan Tieri, die door onrecht
“ Onjuist handelde jegens zijn vrouw, die een schoon gezicht heeft,
“ Want hij was een ketter, hij hield van geen ander dan van mannen;
“ Daarom heb ik hem gedood en terechtgesteld,
“ En de dame wil mij nu als haar echtgenoot hebben.
“ En zeg ook tegen de koning, moge hij gezegend zijn,”
Dat hij naar onze bruiloft komt, en wij smeken het hem,
“ Want ik zal niet trouwen vóór zijn goedkeuring er is.
“ Heren, “ zei de Bastaard, “ u zult dadelijk vertrekken;
“ Zeg tegen koning Boudewijn, die zozeer gevreesd wordt,
“ Dat hij naar mijn bruiloft komt met zijn machtige baronnen,
“ En ik zal zo lang wachten om in de echt verbonden te worden
“ Tot de goede koning komt, die zozeer gevreesd wordt. “
En zij antwoordden: “ Zoals u beveelt. “
Van de Bastaard gingen zij uiteen, en zie hen daar op weg gaan,
En de een zei tegen de ander: “ Deze vazal is krankzinnig,
“ Die de goede koning ontbiedt die deze gebieden bezit,
“ Terwijl hij diens neef heeft gedood, die door hem geliefd was!
“ Boudewijn hield meer van hem, de goede gekroonde koning, “</i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
45h4kllb3kaozvmb9lvsbky97iuvc2h
226179
226178
2026-08-30T15:21:15Z
Havang(nl)
4330
226179
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
« Sé poés de moi faire vo talent et vo bon. »
« Dame, » dist li Bastars, « oiiés m’entension ;
« Je voel, més qu’il vous plaise, que m’aiiés à baron. »
Lie fu li contesse, quant ot le dansillon,
Car biaux fu et hardis, milleur ne trouvast-on.
Or, oiiés dou Bastart qui tant a de renon :
Il a pris les gens d’armes, s’en prist délivrison
Et donna à cescun ·j· destrier Aragon,
De l’or et de l’argent leur donna à fuison ;
Hors de Rohais les mist, à leur sauvation.
Li Bastars de Sebourcq les a mis à raison :
« Signeur, » dist li Bastars, « oiiés m’entension ;
« Alés-vous-ent tout droit au temple Salemon
« Et si me salués, sans nulle ariestison,
« Le boin roi de Surie, Baudewin, le baron.
« Dites c’un sien cousin, de sen estrasion,
« A mis à fin Tieri, qui par male raison
« Ouvroit à se moullier, qui clère a le façon,
« Car il estoit érites, il n’amoit sé hons non ;
« Pour ce l’ai mis à fin et à sécusion,
« Et la dame me voet avoir pour son baron.
« Et si dites au roi, qui ait bénéiçon,
» Que il viègne as … noeces, et nous li en prion,
« Car je n’espouserai jusques à son renon.
« Signeur, » dist li Bastars, « tantos vous en irés ;
« Dites roi Baudewin, qui tant est redoutés,
« Que il viègne à mes noeces et ses rices barnés,
« Et j’atenderai tant d’estre anis mariés
« Que li boins rois venra, qui tant est redoutés. »
Et cil ont respondut : « si com vous commandés. »
Dou Bastart se partirent, è-les-vous aroutés,
Et dist li uns à l’autre : « cieux vasaus est dervés,
« Qui mande le boin roi qui tient ces irétés,
« Et s’a mort son cousin qui de lui est amés !
« Plus l’amoit Bauduwins, li boins rois couronnés,
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>“ U kunt met mij doen naar uw wil en uw welbehagen. “
“ Vrouwe, “ zei de Bastaard, “ luister naar mijn plan;
“ Ik wil, mits het u behaagt, dat u mij als echtgenoot neemt. “
Blij was de gravin toen ze de jonge edelman hoorde,
Want hij was mooi en dapper, een betere zou men niet vinden.
Nu, luister over de Bastaard die zo'n grote faam geniet:
Hij nam de wapenlieden en liet hen vrij,
En schonk aan ieder een Aragonees strijdpaard,
Goud en zilver gaf hij hen in overvloed;
Buiten Rohais bracht hij hen, voor hun eigen veiligheid.
De Bastaard van Sebourcq sprak hen aldus toe:
“ Heren, “ zei de Bastaard, “ luister naar mijn plan;
“ Gaat u rechtstreeks naar de tempel van Salomo
“ En groet daar voor mij, zonder enig uitstel,
“ De goede koning van Syrië, Boudewijn de baron.
“ Zeg dat een neef van hem, van zijn eigen bloedlijn,
“ Een einde heeft gemaakt aan Tieri, die door onrecht
“ Onjuist handelde jegens zijn vrouw, die een schoon gezicht heeft,
“ Want hij was een ketter, hij hield van geen ander dan van mannen;
“ Daarom heb ik hem gedood en terechtgesteld,
“ En de dame wil mij nu als haar echtgenoot hebben.
“ En zeg ook tegen de koning, moge hij gezegend zijn,”
Dat hij naar onze bruiloft komt, en wij smeken het hem,
“ Want ik zal niet trouwen vóór zijn goedkeuring er is.
“ Heren, “ zei de Bastaard, “ u zult dadelijk vertrekken;
“ Zeg tegen koning Boudewijn, die zozeer gevreesd wordt,
“ Dat hij naar mijn bruiloft komt met zijn machtige baronnen,
“ En ik zal zo lang wachten om in de echt verbonden te worden
“ Tot de goede koning komt, die zozeer gevreesd wordt. “
En zij antwoordden: “ Zoals u beveelt. “
Van de Bastaard gingen zij uiteen, en zie hen daar op weg gaan,
En de een zei tegen de ander: “ Deze vazal is krankzinnig,
“ Die de goede koning ontbiedt die deze gebieden bezit,
“ Terwijl hij diens neef heeft gedood, die door hem geliefd was!
“ Boudewijn hield meer van hem, de goede gekroonde koning, “</i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
mso2x5carvhkgfrcb95o19vhte7wo42
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/824
104
88774
226180
2026-08-30T15:23:11Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226180
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Par ·j· vassal de France, plain de grant hardement.
« Le dame a espousée, qui est de biau jouvent,
« Et si vous di, pour voir, que trestoute la gent
« Le tiènent à seignour de tout le casement ;
« Sé li ont fait hommage et juré sérement
« Qu’encontre tous seignour l’aideront loïaument. »
Quant li roys Baudewins chelle parole entent,
Il en ot moult son coer courechié et dolent ;
« Hé ! Diex, » se dist li roys, « pères du firmament,
« Qui est ore li hons qu’ensi à moi mesprent ? »
A icheste parolle que li rois se desment,
Atant ès-vous venu, enmi le pavement,
Baudewins de Sebourc, au fier contenement,
Et sa moullier aussi et trestoute sa gent ;
Le roy vint saluer bel et courtoisement.
Et li roys Baudewins le rechieut liement,
Douchement l’acola et li dist hautement :
« Cousins, bien viengiés-vous en chestui tènement !
« Je ne fuisse aussi liés pour mille mars d’argent !
« Or irons, moi et vous, sus la païène gent,
« Vengier le mort Jhésu qui morut à tourment.
« Maint royaume avons pris, puis nostre passement,
« Et la terre aquitée avironnéement ;
« Damas et Tabarie et Acre proprement,
« Escalonne et Siglaie, qui forte est durement,
« Et mainte autre chité, ce vous ai-je couvent,
« Maint roy et maint soudant démis subgitement.
« Mais encore en sai ·v· tout d’un engenrement
« Que, s’il ne sont conquis et mis à finement,
« Crestiens méteront à déclin temprement ;
« Car chil sont roy poissant et plain de harlement,
« Honnerable et poissant, estrais de haute gent.
« Mais à nous sont rebelle, le corps Dieu les cravent !
« Si nous ont fait maint mal et maint destourbement.
« Sire, » dist Baudewins, à cui Sebourc apent,
</poem>
|valign=top|
<poem>
“ Door een vazal uit Frankrijk, vol van grote moed.
“ Hij heeft de dame getrouwd, die in de bloei van haar jeugd is,
“ En ik zeg u, in waarheid, dat werkelijk alle mensen
“ Hem als heer erkennen over het gehele leengoed;
“ Ze hebben hem manschap bewezen en een eed gezworen
“ Dat ze hem trouw zullen bijstaan tegen elke heer. “
Wanneer koning Boudewijn deze woorden hoort,
Is zijn hart daardoor zeer vertoornd en bedroefd;
“ Ach! God, “ zeide de koning, “ vader van het uitspansel,
“ Wie is nu de man die zich zo tegen mij misdraagt? “ 280
Terwijl de koning zo buiten zinnen raakt door deze woorden,
Zie, daar kwam aan, midden over de vloer,
Boudewijn van Sebourc, met een trotse houding,
En ook zijn vrouw en al zijn manschappen;
Hij kwam de koning mooi en hoofs begroeten.
En koning Boudewijn ontving hem blijhartig,
Omhelsde hem teder en zeide luidruchtig:
“ Neef, wees welgekomen op dit grondgebied!
“ Ik zou niet zo blij zijn geweest voor duizend mark zilver!
“ Nu zullen wij gaan, ik en jij, tegen het heidense volk, 290
“ Om de dood te wreken van Jezus die in kwelling stierf.
“ Vele koninkrijken hebben wij ingenomen sinds onze oversteek,
“ En het land in de hele omtrek bevrijd;
“ Damascus en Tiberias en ook Akko,
“ Ashkelon en Siglaie, die buitengewoon sterk is,
“ En menige andere stad, dat heb ik u beloofd,
“ Menig koning en menig sultan plotseling onderworpen.
“ Maar ik weet er nog vijf van hetzelfde gebroed
“ Die, als zij niet worden overwonnen en vernietigd,
“ De christenen weldra ten val zullen brengen; 300
“ Want zij zijn machtige koningen en vol strijdlust,
“ Eervol en machtig, voortgekomen uit edel volk.
“ Maar jegens ons zijn zij opstandig, moge Gods lichaam hen verpletteren!
“ En ze hebben ons menig kwaad en menige hindernis berokkend.
“ Heer, “ zeide Boudewijn, aan wie Sebourc toebehoort,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
jo535tbvrhkblk26ptkmybtk9iq2dyi
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/825
104
88775
226181
2026-08-30T15:26:38Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226181
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
Que nul homme qui fust desous Dieu amasés,
Car à mainte besongne li a été privés.
Par deviers Rohais est, li Bastars, retournés :
Cescuns li fist grant fieste, c’est fine véritės,
Car il cuidoient bien que li Bastars loés
Euist coumision et ses briés saiëlés
De par le roi Bauduwin qui est leur avoés.
En la cit de Rohais, qui bien fu batillie,
Estoient li bastars, tous trente à une fie.
Li Bastars de Sebourcq est en grant signourie,
Car onques n’ot paour en nul jour de sa vie ;
Li Bastars-sans-paour fu clamés en sa vie.
La dame de Rohais, qui de biauté flanbie,
Enmena le Bastart qui le cière ot hardie :
Oriande ot à non, la contesse jolie,
Dou tout au boin Bastart s’est, la dame, otroiie.
Encor estoit pucielle, si con l’istoire crie,
Onques li faus Tiéris ne li fist compagnie.
Oriande fu bielle, douce, jone, avenans ;
Marié ot estet à Tiéri bien ·iiij· ans,
Onques ne fu à lui, ses maris, abitans,
Car érites estoit, ce nous dist li romans.
La bielle a enamet et monstret biau sanblans ….
Li Bastars de Sebourcq, qui biaux fu et plaisans,
Li a dit biellement : « douce dame plaisans,
« Or ne vous anuit mie sé je sui atendans,
« Car j’ai mandet le roi, à qui sui atenans,
« C’ouneur me viègne faire, sé cou est ses commans. »
« Sire, » dist Oriande, la pucielle avenans,
« A tout ce qu’il vous plaist je sui obeisans ;
« Mais de tant je vous di, tels est li miens sanblans,
« S’à signeur ne vous ai, sur sains vous sui jurans
« Que mais n’arai marit, tant com soie vivans. »
« Né jou, » dist li Bastars, « n’ière femme espousans. »
Ensi s’entrefiièrent que je vous vois contans.
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>Dat geen mens die onder God leeft bemind werd,
Want in menige noodzaak was hij hem nabij.
Langs de kant van Edessa is de Bastaard teruggekeerd:
Iedereen bereidde hem een groot feest, dat is de pure waarheid,
Want zij geloofden vast dat de geprezen Bastaard
Een volmacht had en zijn gezegelde brieven
Vanwege koning Boudewijn, die hun beschermheer is.
In de stad Edessa, die goed versterkt was,
Waren de bastaarden, alle dertig tegelijk.
De Bastaard van Sebourc geniet groot aanzien,
Want nooit heeft hij angst gekend op geen enkele dag van zijn leven;
De Bastaard-zonder-vrees werd hij in zijn leven genoemd.
De vrouwe van Edessa, die straalt van schoonheid,
Nam de Bastaard mee, die een moedige blik had:
Oriande was haar naam, de charmante gravin,
Geheel aan de goede Bastaard heeft de vrouwe zich gegeven.
Nog altijd was zij maagd, zo verkondigt het verhaal,
Nooit heeft de valse Thierry haar gezelschap gehouden.
Oriande was mooi, zacht, jong en beallijk;
Getrouwd was zij met Thierry, wel vier jaar lang,
Nooit heeft hij met haar samengeleefd, haar echtgenoot,
Want hij was onvruchtbaar, zo vertelt ons de roman.
De schone is verliefd geworden en toonde haar genegenheid...
De Bastaard van Sebourc, die knap was en innemend,
Sprak haar minzaam toe: “ zoete, bevallige vrouwe,
“ Laat het u geenszins hinderen dat ik nog even afwacht,
“ Want ik heb de koning ontboden, aan wie ik trouw verschuldigd ben,
“ Om mij de eer te komen bewijzen, indien dat zijn bevel is. “
“ Heer, “ zeide Oriande, de beallijke maagd,
“ In alles wat u behaagt ben ik u gehoorzaam;
“ Maar dit zeg ik u, dit is mijn vaste voornemen,
“ Als ik u niet als echtgenoot krijg, zweer ik u op de heiligen
“ Dat ik nooit meer een man zal hebben, zolang ik leef. “
“ En ik evenmin, “ sprak de Bastaard, “ zal een andere vrouw trouwen. “
Zo gaven zij elkaar hun woord, dat ik u hier vertel.</i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
cdlbskcn18qjcoefkztgqw89cr6k2ab
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/826
104
88776
226182
2026-08-30T15:28:38Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226182
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Comment les appell’-on ? ne les chélés noient. »
Dist li roys de Surie, au fier contenement :
« Li·j· tient Rochebrune, qui vers moi le desfent,
« Saudoines est clamés, s’a coer fier que serpent ;
« Ectors de Salorie, qui vers Orbrie apent,
« Frères est à Saudoine, si l’aimme loïaument.
« Encore i a·iij· frères qui tiènent vraiement
« Mièkes, la noble chite, et le grant pont d’argent :
« Chil troi frère sont fier et plain de grant renon ;
« Il i est Esclamars, Taillefers et Marbrun,
« Qui la chité de Mièkes gouvernent sans parchon.
« Piècha lor ai mandé qu’il vosissent Mahon
« Renoier vistement, sans nulle arrestison ;
« Mais il ne le feroient pour tout l’or d’Avignon.
« Si les ai deffiés, n’a pas longue saison.
« Jammais ne serai liés en ma condition,
« Si les averai mis en ma subjection. »
« Sire, » dist Baudewins, « j’en ai dévotion.
« Je vous prie, pour Dieu qui souffri pation,
« Qué me vœilliés mener, sans nulle arrestison,
« Où me puisse combatre à le geste Noiron. »
Et li frans chevaliers c’on apelloit Othon
Qui de Rohais avoit commenchiet sa raison,
Dist au roy de Surie, si c’on l’ot environ :
« Sire, que ferés-vous du traïtour glouton
« Qui a Rohais saisie, sans vo commandison,
« Et ochis vostre ami qui Thiéris ot à non ? »
Dist li roys de Surie : « chuis a le coer félon
« Qui tel outrage a fait par dedens mon royon ;
« Mais chier l’amendera, à bien courte saison ! »
Baudewin de Sebourc, le nobile roïon,
Appella, le bons roys, sé li dist à cler son :
« Baudewins, biaus cousins, je vous donne en droit don
« Le chité de Rohais et le terre environ.
« Bien devés amender de moy et de mon non,
</poem>
|valign=top|
<poem>
“ Hoe noemt men hen? Verberg hen geenszins. “
Sprak de koning van Syrië, met een trotse houding:
“ Eenieder houdt Rochebrune bezet, die zich tegen mij verdedigt,
Sultan wordt hij genoemd, en hij heeft een hart zo trots als een serpent;
Ector van Salorie, wiens land aan Orbrie grenst, 310
Is de broer van de Sultan, en hij bemint hem trouw.
Verder zijn er nog drie broers die waarlijk heersen over
Mièkes, de edele stad, en de grote zilveren brug:
Deze drie broers zijn trots en bezitten een grote faam;
Het zijn Esclamars, Taillefers en Marbrun,
Die de stad Mièkes besturen zonder onderlinge deling.
Sinds geruime tijd heb ik hen bevolen dat zij Mahon
Snel zouden verloochenen, zonder enig uitstel;
Maar zij zouden dat niet doen voor al het goud van Avignon.
Dus heb ik hen uitgedaagd, nog niet zo lang geleden. 320
Nooit zal ik gelukkig zijn in mijn gemoed,
Totdat ik hen aan mijn gezag heb onderworpen. “
“ Heer, “ sprak Boudewijn, “ ik bezit de toewijding.
Ik bid u, omwille van God die het lijden verdroeg,
Dat u mij wilt meenemen, zonder enig uitstel,
Naar de plek waar ik kan strijden tegen het volk van Nero. “
En de edele ridder die men Othon noemde,
Die zojuist zijn betoog over Rohais was begonnen,
Sprak tot de koning van Syrië, zodat men het rondom hoorde:
“ Heer, wat zult u doen met de schandelijke verrader 330
Die Rohais heeft ingenomen, zonder uw bevel,
En uw vriend heeft gedood, die Thiéris heette? “
De koning van Syrië sprak: “ Hij heeft een boosaardig hart
Die een dergelijke wanddaad heeft gepleegd binnen mijn rijk;
Maar hij zal het duur betalen, binnen zeer korte tijd! “
Boudewijn van Sebourc, de edele jonge held,
Riep de goede koning bij zich, en sprak tot hem met heldere stem:
“ Boudewijn, mooie neef, ik schenk u als rechtmatig recht
De stad Rohais en het omliggende land.
Gij zult waarlijk welvaren door mij en mijn naam, 340
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
gpcbaus698kqdd0zt2tfzdvc3bt00bs
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/827
104
88777
226183
2026-08-30T16:02:01Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226183
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
Or, dirai des barons qui les cors ont dolans.
Viers Jérusalem vont, sus les destriers courans ;
Tant cevaucent, ensamble, les plains et les pendans
Qu’en Jérusalem vinrent, la citet soufisans.
Le roi i ont trouvet, qui moult estoit vallans.
Des cevaliers dirai c’ou palais se sont mis :
Li uns d’iaux a parlet, si s’escrie à haut cris
Et dista rois Bauduwins, mors est li vos amis,
« Li sires de Rohais qui ot à non Tiéris !
« Mort l’a uns cevaliers d’un estragne païs ;
« D’acort a les bourgois et plentet de marcis.
« Espouser doit la dame Oriande, au cler vis.
« Sé li vassaus vosist, à fin nous éuist mis,
« Mais par se courtoisie nous a de mort garis ;
« Cescun de nous donna ·j· boin palefroit gris
« Et donna à cescun ·c· libvres de parsis.
« Sé vous mande par nous, li vasaus signouris,
« Qu’à Rohais en alés, le citet de haut pris,
« Car il est vo cousins, vos drus et vos amis,
« Et se doit marier à le dame gentis.
« Si alés à ses noeces, sé c’est li siens otris,
« Car, par droit de linage, li devés estre aidis ;
« Sé li faites ouneur et en fais et en dis. »
Quant li rois Bauduwins a si fais mos oïs,
Il en fu, en son cuer, durement esmaris.
« Qu’es-se ? » dist-il, « diable ! sui-ge dont asiervis,
« Que cis par cui mes proîmes est ensi à fin mis
« Me mande que je voise à ses noeces jolis ?
« Li hons qui devient vieux est souvent escarnis. »
Moult fu li rois dolans, quant li parler entent ;
Au cevalier demande : « or, me dites comment
« On apielle celui qui me tient à parent ? »
Et cil ont respondut : « ne savons vraiëment,
« Mais il tua Tiéri bien et hardiement.
« Il dist c’est vo cousins, saciés ciertainement. »
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>Nu zal ik spreken van de baronnen wiens harten bedroefd zijn.
Naar Jeruzalem gaan zij, op hun rennende strijdrossen;
Zij rijden zo ver, tezamen over vlaktes en hellingen,
Dat zij in Jeruzalem aankwamen, de machtige stad.
De koning hebben zij daar aangetroffen, die zeer dapper was.
Over de ridders zal ik vertellen die het paleis zijn binnengegaan:
Een van hen nam het woord en riep met luide stem
En zei: “ O koning Boudewijn, dood is uw vriend,
“ De heer van Edessa, die de naam Thiery droeg!
“ Gedood heeft hem een ridder uit een vreemd land;
“ Hij heeft een akkoord met de burgers en een overvloed aan markiezen.
“ Trouwen zal hij met de vrouwe Oriande, met het schone gezicht.
“ Indien deze vazal had gewild, had hij ons aan ons einde gebracht,
“ Maar door zijn hoofsheid heeft hij ons voor de dood behoed;
“ Aan eenieder van ons schonk hij een goed grijs rijpaard
“ En schonk aan eenieder honderd Parijse ponden.
“ Zo laat hij u via ons weten, de edele vazal,
“ Dat u naar Edessa moet gaan, de stad van hoge waarde,
“ Want hij is uw neef, uw vertrouweling en uw vriend,
“ En hij staat op het punt te trouwen met de edele vrouwe.
“ Ga dus naar zijn bruiloft, als dat zijn wens is,
“ Want, bij het recht van bloedverwantschap, behoort u hem bij te staan;
“ Zo bewijst u hem eer, zowel in daden als in woorden. “
Toen koning Boudewijn zulke woorden had gehoord,
Was hij, in zijn hart, hevig ontzet.
“ Wat is dit? “ zei hij, “ Duivel! Ben ik dan slaaf geworden,
“ Dat degene door wie mijn naaste zo aan zijn einde is gebracht
“ Mij ontbiedt om naar zijn vrolijke bruiloft te komen?
“ De man die oud wordt, wordt dikwijls bespot. “
Zeer bedroefd was de koning, toen hij deze woorden hoorde;
Aan de ridder vraagt hij: “ Welnu, vertel mij hoe
“ Men hem noemt die mij als verwant beschouwt? “
En zij antwoordden: “ Wij weten het werkelijk niet,
“ Maar hij heeft Thiery goed en onverschrokken gedood.
“ Hij zei dat hij uw neef is, weet dat zeker. “</i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
k6m3tgmycdf5lmj22tjycs7ry7hjmu1
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/828
104
88778
226184
2026-08-30T17:58:21Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226184
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
{{iwpage|fr}}
</poem>
|valign=top|
<poem>
“ Aangezien u uit liefde voor mij de zee, per dromon,
“ Bent overgestoken met uw vrouw, met haar schone gelaat:
“ Zult u hiervoor Edessa als uw erfdeel krijgen. “
Boudewijn bedankt hem ervoor, hij die het hart van een leeuw had,
En de koning zei tegen hem: “ Er is ginds een schurk
“ Die de stad in grote tweespalt heeft gebracht:
“ Hij heeft mijn man gedood, die de naam Thiéris droeg,
“ En zijn vrouw genomen, die Oriande heette;
“ Allen hebben hem manschap gezworen, de vorsten van rondom.
“ Welnu, u moet daarheen gaan en met u mijn baronnen. “ 350
“ Heer, “ zei Boudewijn, “ u geeft mij een mooi geschenk!
“ Een kasteel in Spanje, om een vergelijking te maken,
“ Zou ik met het zwaard en met de knuppel moeten veroveren. “
De koning van Syrië zei: “ Schone neef, luister:
“ U zult naar Edessa gaan en u zult met u meenemen
“ Corborant van Oliferne, die zozeer gevreesd wordt,
“ En Richard de edele, die in Caumont geboren is,
“ En die zal met u meegaan; Bohemund en Tancred,
“ Hugo van Tiberias, die u hier ziet,
“ De hertog Harpin van Bourges, die zo edel van aard is, 360
“ De bisschop van Matran, die dapper genoeg is,
“ En de heer Jan van Alis, die zo edel van aard is,
“ Boudewijn Cauderons, een geprezen ridder,
“ En Pieter de Kluizenaar, die dapper genoeg is;
“ Dertig christenen zult u met u meevoeren.
“ En ondertussen, schone neef, dat u naar Edessa zult gaan,
“ Zal ik mijn legers verzamelen in al mijn steden;
“ Ik zal scheepsbeschuit klaarmaken en goed gezouten spek,
“ En ik zal zowel paviljoenen als tenten laten gereedmaken,
“ En lansen en schilden en goede vergulde maliënkolders, 370
“ En kisten en lastdieren en met edelstenen bezette helmen,
“ Waarmee we naar Mekka zullen trekken, zodra u terugkeert. “
En Boudewijn antwoordt: “ Zoals u beveelt. “
Samen met koning Corborant en de andere vazallen
Is hij, uit Jeruzalem, vertrokken en heengegaan.
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
d5b47wslp0zu31wdc6h39por3oyp4ad
226185
226184
2026-08-30T17:59:15Z
Havang(nl)
4330
226185
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Quant pour l’amour de moi avés mer, à dromon,
« Passée o vo moullier, à le clère fachon :
« Si en arés Rohais en le vostre parchon. »
Baudewins l’em merchie, qui coer ot de lion,
Et li roys li a dit : « il a ens ·j· garchon
« Qui a mise le ville en grant discention :
« Il a mort le mien homme, qui Thiéris ot à non,
« Et prise sa moullier qu’Oriande ot à non ;
« Tout li ont fait hommage, li prinche d’environ.
« Or, vous i faut aler et o vous mi baron. »
« Sire, » dist Baudewins, « vous me donnés biau don !
« ·j· chastel en Espaigne, tant qu’en comparison.
« Conquerre le m’estoit au fer et au baston. »
Dist li roys de Surie : « biaus cousins, entendés :
« Vous irés à Rohais et avoec vous menrés
« Corborant d’Oliferne, qui tant est redoubtés,
« Et Richart, le gentil, qui à Cammont fut nés,
« Et s’ira avoec vous ; Buiémons et Tangrés,
« Hues de Tabarie, que vous ichi vaés,
« Li dus Harpins de Bourges, qui tant est naturés,
« Li vesques du Matran, qui est hardis assés,
« Et dans Jehans d’Alis, qui tant est naturés,
« Baudewins Cauderons, ·j· chevaliers loés,
« Et Pières-li-hermites, qui est hardis assés ;
« ·xxx· crestiens avoec vous conduirés.
« Et entreus, biaus cousins, qu’à Rohais en irés,
« Assamblerai mes os par toutes mes chités ;
« S’appresterai bescuis et boins bacons salés
« Et ferrai apprester et paveillons et trés
« Et lanches et escus et boins haubers safrés
« Et cofres et sommiers et hyaumes gelmés,
« Par coi irons à Mièkes, si tost que revenrés. »
Et Baudewins respont : « si con vous commandés. »
O le roy Corborant et les autres chasés
S’est, de Jhérusalem, partis et dessevrés,
</poem>
|valign=top|
<poem>
“ Aangezien u uit liefde voor mij de zee, per dromon,
“ Bent overgestoken met uw vrouw, met haar schone gelaat:
“ Zult u hiervoor Edessa als uw erfdeel krijgen. “
Boudewijn bedankt hem ervoor, hij die het hart van een leeuw had,
En de koning zei tegen hem: “ Er is ginds een schurk
“ Die de stad in grote tweespalt heeft gebracht:
“ Hij heeft mijn man gedood, die de naam Thiéris droeg,
“ En zijn vrouw genomen, die Oriande heette;
“ Allen hebben hem manschap gezworen, de vorsten van rondom.
“ Welnu, u moet daarheen gaan en met u mijn baronnen. “ 350
“ Heer, “ zei Boudewijn, “ u geeft mij een mooi geschenk!
“ Een kasteel in Spanje, om een vergelijking te maken,
“ Zou ik met het zwaard en met de knuppel moeten veroveren. “
De koning van Syrië zei: “ Schone neef, luister:
“ U zult naar Edessa gaan en u zult met u meenemen
“ Corborant van Oliferne, die zozeer gevreesd wordt,
“ En Richard de edele, die in Caumont geboren is,
“ En die zal met u meegaan; Bohemund en Tancred,
“ Hugo van Tiberias, die u hier ziet,
“ De hertog Harpin van Bourges, die zo edel van aard is, 360
“ De bisschop van Matran, die dapper genoeg is,
“ En de heer Jan van Alis, die zo edel van aard is,
“ Boudewijn Cauderons, een geprezen ridder,
“ En Pieter de Kluizenaar, die dapper genoeg is;
“ Dertig christenen zult u met u meevoeren.
“ En ondertussen, schone neef, dat u naar Edessa zult gaan,
“ Zal ik mijn legers verzamelen in al mijn steden;
“ Ik zal scheepsbeschuit klaarmaken en goed gezouten spek,
“ En ik zal zowel paviljoenen als tenten laten gereedmaken,
“ En lansen en schilden en goede vergulde maliënkolders, 370
“ En kisten en lastdieren en met edelstenen bezette helmen,
“ Waarmee we naar Mekka zullen trekken, zodra u terugkeert. “
En Boudewijn antwoordt: “ Zoals u beveelt. “
Samen met koning Corborant en de andere vazallen
Is hij, uit Jeruzalem, vertrokken en heengegaan.
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
1k51iu86jv694bawyc76a227ixflrsh
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/829
104
88779
226186
2026-08-30T18:01:52Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226186
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
Dist li rois Bauduwins : « li cors Dieu le cravent !
« Car je n’i tiens linage né ami né parent,
« Et sé je le tenoie, par le mien serrement
« Je le feroie pendre et encruer au vent.
« Si mar a fait Tiéri morir si faitement,
« Je prenderai de lui si crueus vengement
« C’on en sara parler jusqu’à l’Arbre-qui-fent ! »
A icelle parolle qu’il parlent ensément,
Atant és Bauduwin de Sebourcq droitement
Et Blance, sa moulier qui tant ot le cors gent,
Le conte Hédelin, qui tant ot hardement,
Plentet de cevaliers et moult de boine gens :
Le roi ont salué bien et courtoisement.
Bauduwins de Sebourcq parla proumièrement
Et dist « cis Jesu-Cris, à qui li mons apent,
« Il gart le rice roi qui tant a d’ensient ! »
Et quant li rois le vit, de le joie s’estent
Et dist : « bien végniés-vous, cousins, ciertainement,
« Et la vostre moullier qui de biauté resplent. »
Adonques l’acolla moult amiablement
Et le bouce li baise, li rois, moult doucement.
Les tables furent mises, enmi le pavement,
Au mengier sont asis, siervis sont ricement :
Là, se sont devisés assés et longement
Et li rois demanda de se mère, souvent,
Et d’Ustace son frère demanda largement ?
Et Bauduwins li fait de tout racordement,
Et de Gaufroit de Frise li dist le jugement ;
Tout son estat li dist et son démainement.
Li rois en loe Dieu, le père omnipotent.
« Cousins, » ce dist li rois, a voelliés-moi escouter :
« Pour ce qu’en grant travel me venés viséter,
« Vous donrai signourie, pour vous à amonter.
« J’ai parties mes tières à princes deça mer,
« C’une seule citè je n’ai mais à donner,
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>Koning Boudewijn zei: "Moge het lichaam van God hem vernietigen!
Want ik reken hem niet tot mijn nageslacht, noch als vriend of verwant,
En als ik hem in mijn macht had, bij mijn plechtige eed,
Zou ik hem laten ophangen en laten wegrotten in de wind.
Wee hem dat hij Thierry op zo'n wijze heeft doen sterven,
Ik zal zo'n wrede wraak op hem nemen
Dat men erover zal spreken tot aan de Gespleten Boom!"
Juist op het moment dat zij zo samen spraken,
Kwam daar Boudewijn van Sebourcq rechtstreeks aan,
En Blance, zijn vrouw die zo'n mooi lichaam had,
Graaf Hédelin, die zoveel moed bezat,
Vergezeld door een menigte ridders och menig goed man:
Zij hebben de koning goed en hoofs gegroet.
Bauduwin van Sebourcq nam als eerste het woord
En zei: "Moge Jezus Christus, aan wie de wereld toebehoort,
De machtige koning beschermen die zoveel wijsheid bezit!"
En toen de koning hem zag, overlaadde vreugde hem
En zei: "Wees welgekomen, neef, zeer zeker,
En ook uw vrouw, die schittert van schoonheid."
Vervolgens omarmde hij hem zeer minzaam
En kuste hem op de mond, de koning, zeer teder.
De tafels werden klaargemaakt, midden op de vloer,
Zij namen plaats om te eten en werden rijkelijk bediend:
Daar hebben zij uitgebreid en langdurig met elkaar gesproken,
En de koning vroeg herhaaldelijk naar zijn moeder,
En naar Eustace, zijn broer, vroeg hij uitvoerig.
En Boudewijn bracht hem van alles op de hoogte,
En over Godfried van Friesland vertelde hij hem het vonnis;
Zijn hele toestand vertelde hij hem en zijn handel en wandel.
De koning looft God erom, de almachtige Vader.
"Neef," zo sprak de koning, "luister naar mij:
"Omdat u onder grote inspanning mij komt bezoeken,
Zal ik u een heerlijkheid schenken, om u in stand te verheffen.
Ik heb mijn gronden verdeeld onder de prinsen aan deze kant van de zee,
Zodat ik nog slechts één enkele stad weg te geven heb,"</i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
ewkwp5k2jyy1r366y7h7ylxstmqcn0y
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/830
104
88780
226187
2026-08-30T18:03:48Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226187
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Pour aler à Rohais où ses fiex est chasés
Et li ·j· bastard qu’il avoit engenres.
Lors, de Jhérusalem, la chité honnerée,
Issirent, crestien, à bannière levée :
Tangrés et Buiémons ont le voie monstrée,
L’avan-garde menèrent de chelle gent loée.
Tant se va esploitant, la compaigne senée,
Qu’il ont chelle chité véue et regardée
Où li Bastars estoit, qui le chière ot menbrée.
Par dedens le chité est la nouvelle alée
Que crestien venoient pour gaster la contrée :
Li Bastars de Sebourc a le cloke sonnée,
Le commune assambla ; et quant fu aünée,
Droit à une fenestre a se face amonstrée.
Adont les appella, sans nulle demourée :
« Seigneur, » dist li Bastars, « or oïés ma pensée ;
« Il est bien vérités vo dame ai espousée
« Et le conte Thiéri mis à mort, par espée,
« Pour che que fausement avoit sa vie usée
« Et qu’il voloit à tort, ch’est bien chose avérée,
« Essillier sa moullier qui est blanche que fée.
« Or, a chascun de vous, à mi, sa foy jurée
« Que vous ne me faurrés, tant qu’averés durée ;
« Je ne vous connois pas, mais s’il .. vous agrée,
« De vous me partirai, sans nulle demourée,
« Et si vous gerpirai o ma moullier loée.
« Bien et paisiblement s’ert vo pais confremée
« Au boin roy Baudewin, à le brache quarrée ;
« Si n’arés chi à val né gerre né mellée.
« Sé je demeure chi, gerre arés cheste année :
« Et pour tant le vous di, sé m’âme soit sauvée,
« Que sé de moi aidier n’avés bonne pensée,
a De vous me partirai, sans point de l’arrestée ;
« Et s’aidier me volés, au trenchant de l’espée,
« Je demourai o vous et soir et avesprée. »
</poem>
|valign=top|
<poem>
Om naar Rohais te gaan waar zijn zoon gevestigd is
En de ene bastaard die hij had verwekt.
Toen, uit Jeruzalem, de geëerde stad,
Trokken de christenen uit, met opgeheven banier:
Tancredo en Bohemund hebben de weg gewezen, 380
Zij leidden de voorhoede van dat geprezen volk.
Al voorttrekkend deed de wijze compagnie haar voordeel,
Totdat zij die stad hebben gezien en aanschouwd
Waar de Bastaard was, die een krachtig gelaat had.
Binnen de stad is het nieuws verspreid
Dat de christenen kwamen om het land te verwoesten:
De Bastaard van Sebourc heeft de klok geluid,
De gemeenschap verzamelde hij; en toen ze bijeen was,
Heeft hij recht voor een venster zijn gezicht getoond.
Toen sprak hij hen toe, zonder enig uitstel: 390
"Heren," zei de Bastaard, "hoor nu mijn gedachte;
Het is de pure waarheid dat ik uw vrouwe heb getrouwd
En graaf Thierry ter dood heb gebracht, met het zwaard,
Omdat hij valselijk zijn leven had geleid
En omdat hij ten onrechte, dat is een bewezen zaak,
Zijn vrouw, die zo blank is als een fee, wilde verbannen.
Nu heeft ieder van u aan mij zijn trouw gezworen
Dat u mij niet in de steek zult laten, zolang u zult leven;
Ik ken u niet, maar als het u behaagt,
Zal ik van u vertrekken, zonder enig uitstel, 400
En zo zal ik u achterlaten met mijn geprezen vrouw.
Goed en vreedzaam zal uw land bevestigd worden
Aan de goede koning Boudewijn met de sterke armen;
Zodat u hier beneden noch oorlog noch strijd zult hebben.
Als ik hier blijf, zult u dit jaar oorlog hebben:
En daarom zeg ik het u, zo waar mijn ziel gered worde,
Dat als u geen goede wil hebt om mij te helpen,
Ik van u zal vertrekken, zonder enig oponthoud;
En als u mij wilt helpen, met de scherpte van het zwaard,
Zal ik bij u blijven, zowel 's avonds als in de nacht." 410
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
inch56swkiao5j092og4gut3gwaq2uc
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/831
104
88781
226188
2026-08-30T18:06:16Z
Havang(nl)
4330
/* Wikisource:Niet proefgelezen */ Nieuwe pagina aangemaakt met '<noinclude>Variant manuscript B.</noinclude> {| |valign=top| <i><poem> « La cité de Rohais qui tant fait à loer ; « Je le vous donne en don, je vous en voel doer. « Mais il vous i convient à obanie aler : « ·j· cevalier a ens, que Dieux puist craventer, « ·j· mien cousin a mort qui l’avoit à garder ; « Encontre lui vous faut le ville conquester. « Sire, » dist Bauduwins, « ce fait à créanter. « Et je vous ferai voir le vassal pr…
226188
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
« La cité de Rohais qui tant fait à loer ;
« Je le vous donne en don, je vous en voel doer.
« Mais il vous i convient à obanie aler :
« ·j· cevalier a ens, que Dieux puist craventer,
« ·j· mien cousin a mort qui l’avoit à garder ;
« Encontre lui vous faut le ville conquester.
« Sire, » dist Bauduwins, « ce fait à créanter.
« Et je vous ferai voir le vassal présenter,
« Une corde ens ou col le vous ferai mener ;
« Car contre vous ne puet le traitre durer.
« Si mar fist vo cousin de ce siècle finer,
Onques si grant outrage ne vic onques penser.
« Je croi qu’encontre vous il se voet rebéler ! »
Li boins rois de Surie à Bauduwin livra
Corbarant d’Oliferne, à cui li rois pria
Qu’o Bauduwin alast à Rohais par deça ;
Et droit en Andioce Buiémont mandera
Qu’il viègne asir Rohais, au jour que dit sera ;
Et Tantret, qui tient Mièques, ousi i envoïa,
Le ber Harpin de Bourges dist qu’avec lui ira
Et Pières-li-ermites qui l’âne cevauça ;
Ricars, li restorés, mie ne li faura,
Et Bauduwins Caudrons où boin cevalier a.
Les os furent criées, ou païs par delà,
Pour aségier Rohais ; pour le Bastart qui l’a
Et qui ochi Tiéri que li rois tant ama.
Hors de Jérusalem li os s’acemina.
Sé je le vous di prief, ne vous anoïera,
Car priès sui de matère qui longement dura,
Noble, rice et puissans, c’on vous recordera.
Dehors Jérusalem est l’ost aceminée,
Deviers Rohais s’en vont à banière levée ;
Li rois i va ossi qui le barbe ot mellée.
De le paine qu’il ot reçut, par mainte anée,
Sambloit ·xx· ans plus vieux qui ne fust en l’anée.
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>“ De stad Edessa die zozeer geprezen mag worden;
“ Ik schenk haar aan u, ik wil haar u als gift doen.
“ Maar u moet er in allerijl heen gaan:
“ Er is daar een ridder binnen, moge God hem vernietigen,
“ Die een neef van mij heeft gedood die haar moest bewaken;
“ Tegen hem zult u de stad moeten veroveren. “
“ Heer, “ zei Boudewijn, “ dit valt toe te zeggen.
“ En ik zal u die vazal doen overleveren,
“ Met een touw om zijn hals zal ik hem voor u leiden;
“ Want tegen u kan de verrader geen stand houden.
“ Tot zijn onheil deed hij uw neef uit deze wereld heengaan,
Nimmer zag ik ooit zo'n grote schanddaad bedenken.
“ Ik geloof dat hij tegen u in opstand wil komen! “]
De goede koning van Syrië droeg aan Boudewijn
Corbarant van Oliferne over, aan wie de koning vroeg
Om met Boudewijn mee naar gindse kant, naar Edessa, te gaan;
En rechtstreeks naar Antiochië zal hij Bohemund sturen
Zodat hij Edessa komt belegeren, op de dag die genoemd zal worden;
En Tancred, die Mequinez bezit, stuurde hij er ook heen,
De baron Harpin van Bourges zei dat hij met hem mee zal gaan
En Pieter de Kluizenaar, die op de ezel reed;
Regaud, de herstelde, zal hem zeker niet in de steek laten,
En Boudewijn Caudron, die een goede ridder is.
De legers werden opgeroepen, in het land daarginds,
Om Edessa te belegeren; vanwege de Bastaard die het bezit
En die Thiery doodde, die de koning zozeer liefhad.
Buiten Jeruzalem zette het leger zich in beweging.
Als ik het u kort vertel, zal het u niet vervelen,
Want ik ben nabij de stof die lange tijd voortduurde,
Edel, rijk en machtig, die men u zal verhalen.
Buiten Jeruzalem is het leger op weg gegaan,
Richting Edessa trekken zij met opgeheven vaandels;
De koning gaat er ook heen, die een grijzende baard had.
Door de beproevingen die hij verdroeg, gedurende vele jaren,
Leek hij wel twintig jaar ouder dan hij in dat jaar was.</i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
mw9dod5rmi6u0kq9kc7z0r4zqajmnu6
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/832
104
88782
226189
2026-08-30T18:08:41Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226189
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Et chil sont escriet, tout à une volée :
« Sire, vous demourrés en le nostre contrée,
« Et nous vous aiderons tant qu’averons durée ! »
Chascuns liève sa main, alianche ont jurée.
Li Bastard de Sebourc forment se resjoï,
Quant de chiaus de Rohais le parrolle entendi.
Sé jura Dame-Dieu, qui pour nous mort souffri,
Que jamais n’averra le païs dégerpi,
Si averra au roy monstré le coer de li ;
Né jà ne li dira qu’il le tient à ami,
Devant qu’il ara fait, sor lui, fait si hardi
Qu’il sera tous joïans, quant li ara jehi
Son estre et son estaet et … affaire aussi.
Car sé li roys l’avoit en bataille saisi
Et il scéust le non de son père genti,
Tost averoit de lui et manaide et merchi.
Sus se point s’afioit li Bastars dont je di.
Li Bastars de Sebourc fist forment à prisier :
Quant vit l’ost crestienne venir et aprochier,
Enchois qu’il i laissast tré né tente fichier,
Issi hors de Rohais, o lui maint chevalier
Et maint noble bourgois qui moult l’avoient chier ;
Hors de Rohais issirent, bien sont ·xv· millier,
Envers les crestiens s’en vont tout le sentier.
Tangrés et Buiémons, chil venoient primier ;
Quant virent les bourgois venir et aprochier,
En conroi se sont mis, li noble Berruïer,
Chascuns le lanche ou pong et l’escut de quartier ;
S’ont fait maint riche cor sonner et grailloïer.
Assés près de Rohais,·ij· trais d’arbalestrier,
S’alèrent encontrer pour estour commenchier,
A chascune partie s’alèrent apointier ;
Chascuns du bien férir avoit le corps lanier.
Là, péussiés veioir ·j· estour si très fier :
L’un mort desseure l’autre verser et trébuchier,
</poem>
|valign=top|
<poem>
En zij riepen uit, allen tegelijk:
"Heer, u zult in ons land verblijven,
en wij zullen u helpen zolang wij het volhouden!"
Ieder heft zijn hand op, een bondgenootschap is gezworen.
De Bastaard van Sebourc verheugde zich zeer,
toen hij de woorden van de inwoners van Rohais hoorde.
Toen zwoer hij bij de Here God, die voor ons de dood leed,
dat het nooit zou gebeuren dat hij het land zou verlaten,
totdat hij de koning zijn ware gezindheid had getoond;
en hij zal hem geenszins vertellen dat hij hem als vriend beschouwt,
voordat hij, ten overstaan van hem, een zo koene daad heeft verricht
dat hij vol vreugde zal zijn, wanneer hij hem heeft geopenbaard
zijn wezen, zijn stand en ... ook zijn situatie.
Want als de koning hem in de strijd gevangen zou nemen
en hij de naam van zijn edele vader zou kennen,
dan zou hij al gauw van hem zowel genade als clementie ontvangen.
Op dit punt vertrouwde de Bastaard over wie ik spreek.
De Bastaard van Sebourc toonde zich zeer lofwaardig:
toen hij het christelijke leger zag komen en naderen,
nog voordat hij hen daar een paviljoen of tent liet opzetten,
trok hij naar buiten uit Rohais, met in zijn gezelschap menig ridder
en menig nobel burger die hem zeer liefhad;
buiten Rohais trokken zij, het zijn er wel vijftienduizend,
richting de christenen gaan zij over het pad.
Tancred en Bohemund, zij kwamen als eersten;
toen zij de burgers zagen komen en naderen,
stelden zij zich in slagorde op, de edele Berruiers,
ieder de lans in de vuist en het viergelaagde schild;
en zij lieten menig rijke hoorn schallen en trompetten blazen.
Vrij dicht bij Rohais, op twee boogschoten afstand van een kruisboogschutter,
gingen zij elkaar tegemoet om de strijd te beginnen,
aan weerszijden gingen zij zich opstellen;
ieder had het lichaam paraat om hard toe te slaan.
Daar had u een zo zeer felle strijd kunnen zien:
de een dood bovenop de ander zien vallen en neerstorten,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
5m0tk4zjyynv4sd0nx3t3hpq51gwqji
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/387
104
88783
226190
2026-08-30T18:08:51Z
Vincent Steenberg
280
/* Proefgelezen */
226190
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|348|''Schouburgh der''|}}</noinclude>’t ontrent de vertooningen, wanneer een nieuling ingewyd, de Benteed afgenomen werd, en op ’t Bentmaal toegaat; wanneer zomwyl om de dampen van de maag en ’t hooft meer lucht te geven, het gezelschap zig tot een omtocht of wandeling naar buiten begeeft, ’t geen wy om ons tweede Deel met een klucht te sluiten, in vaarzen hebben beschreven, zoodanig als de beteekenissen der Bentnamen ons stof en leyding daar toe aan de hant gaven: Waarom wy de namen ook niet naar het bedryf, maar het bedryf naar de namen hebben moeten schikken; op dat de zelve in hun natuurlyke zinduiding mochten geplaatst worden. Dus wy ook in ’t zelve een spiegelgevegt moesten bedenken; om zommige namen niet uit hunne beteekenis te wringen, of in te voegen waar zy niet eigen zyn, of te pas komen.<br>{{gap}}Is zulks, als wy vertoonen zullen, niet op eene stont gebeurt, het is op verscheiden tyden voorgevallen, en wy hebben daar in het voorbeelt der Tooneeldichteren gevolgt, welke alle byzondere zaken die tot een zelve einde doelen, in een bedryf doen ’t zamenloopen.
{{Block center/s}}{{initiaal|B}}Londe <ref>{{fine|''Franciscus de Wit'', Hist. Schild, van Gent, dog wierd meest Apol genoemt; om dat hy ook een Dichter was, maar in beide slecht. Jan Vos (dat my in den zin schiet) maakte op een slecht stuk Schildery daar een kreupel rympje by geschreven was, dit volgende puntdicht:}}
{{fine|''Dit Rym en Schilderstuk zyn eveneens van aart:''<br>''De maalkonst deugt niet veel, en ’t rym is ook niet waart''.<br>''Waarom of Jas het stuk niet voor het rym deed wyken?''<br>''Om dat het rym en ’t stuk elkander zou gelyken''.}}</ref> ''Febus'' groots gehult,<br>Had den <ref>{{fine|''Jan Francis van Bloemen'' Lants. Schild. van Antwerp.}}</ref> ''Horisont'' vergult<noinclude>{{block center/e}}
{{rechts|En}}</noinclude>
egi9lgza4wcmqf6m620diirqzbyavle
226191
226190
2026-08-30T18:09:20Z
Vincent Steenberg
280
opmaak
226191
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|348|''Schouburgh der''|}}</noinclude>’t ontrent de vertooningen, wanneer een nieuling ingewyd, de Benteed afgenomen werd, en op ’t Bentmaal toegaat; wanneer zomwyl om de dampen van de maag en ’t hooft meer lucht te geven, het gezelschap zig tot een omtocht of wandeling naar buiten begeeft, ’t geen wy om ons tweede Deel met een klucht te sluiten, in vaarzen hebben beschreven, zoodanig als de beteekenissen der Bentnamen ons stof en leyding daar toe aan de hant gaven: Waarom wy de namen ook niet naar het bedryf, maar het bedryf naar de namen hebben moeten schikken; op dat de zelve in hun natuurlyke zinduiding mochten geplaatst worden. Dus wy ook in ’t zelve een spiegelgevegt moesten bedenken; om zommige namen niet uit hunne beteekenis te wringen, of in te voegen waar zy niet eigen zyn, of te pas komen.<br>{{gap}}Is zulks, als wy vertoonen zullen, niet op eene stont gebeurt, het is op verscheiden tyden voorgevallen, en wy hebben daar in het voorbeelt der Tooneeldichteren gevolgt, welke alle byzondere zaken die tot een zelve einde doelen, in een bedryf doen ’t zamenloopen.
{{Block center/s}}{{initiaal|B}}Londe <ref>{{fine|''Franciscus de Wit'', Hist. Schild, van Gent, dog wierd meest Apol genoemt; om dat hy ook een Dichter was, maar in beide slecht. Jan Vos (dat my in den zin schiet) maakte op een slecht stuk Schildery daar een kreupel rympje by geschreven was, dit volgende puntdicht:}}
{{dhr}}
{{fine|''Dit Rym en Schilderstuk zyn eveneens van aart:''<br>''De maalkonst deugt niet veel, en ’t rym is ook niet waart''.<br>''Waarom of Jas het stuk niet voor het rym deed wyken?''<br>''Om dat het rym en ’t stuk elkander zou gelyken''.}}</ref> ''Febus'' groots gehult,<br>Had den <ref>{{fine|''Jan Francis van Bloemen'' Lants. Schild. van Antwerp.}}</ref> ''Horisont'' vergult<noinclude>{{block center/e}}
{{rechts|En}}</noinclude>
0sediqo95zrad0pw3l9gtw2y59nzrei
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/833
104
88784
226192
2026-08-30T18:10:45Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226192
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
Li rois mande en Rohais, par lettres saiëlées,
Qu’à trestous les bourgois il a leur mort jurée ;
Pour ce qu’il ont soufiert, en fait et en pensée,
Que Tiéris, ses cousins, éust la vie finée.
Li mésages s’en va qui le lettre a portée,
A Rohais est entrés, droit à nonne sonnée :
Le Bastart de Sebourcq a le lettre monstrée
Et à tous les bourgois de la cité loée.
Et quant li bourgois ont la nouvelle escoutée,
Moult en furent dolant, mie ne leur agrée.
« Signeur, » dist li Bastars, « or oiiés ma pensée :
« Cieux qui se rendera ara malle saudée ;
« Morans ounestement au trençant de l’espée !
« Forte est vostre cités et si est bien murée,
« S’estes bien pourvéut de pain, de car salée,
« De vins et de viandes, pour bien vivre une anée.
« Dites-moi vo talent, franque gent honnerée ?
« Sé rendre vous volés, c’est li mienne pensée
« De ci me partirai, sans nulle demorée,
« Et sé m’en retourai outre le mer salée ;
« Et sé vous me volés tout aidier à l’espée,
« Avoec vous demorai tant que j’arai durée. »
Quant li Bastars ot dit toute sa volenté,
Li bourgois de la ville se sont tout escrié :
« Sire, » font li bourgois, « par Dieu de magesté,
« Ne vous eslongiés mie, ne laissiés la cité,
« Car nous vous aiderons de boine volenté ;
« Jamais ne vous faurons en jour de vostre aé ! »
« Signeur, » dist li Bastars, « vous avés bien parlé ! »
E-vous, à le raison que je vous ai conté,
Sont venut li coureur qui le feu ont bouté ;
Es fourbous de la ville furent tendu li tré,
Tout autour de la ville, environ de tous lé.
Et li bourgois se sont fierviesti et armé,
De Rohais sont isus noblement acesmé :
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>De koning stuurt brieven, met zijn zegel eraan, naar Rohais,
Dat hij aan alle burgers hun dood heeft gezworen;
Omdat zij hebben toegelaten, in daad en in gedachte,
Dat Thierry, zijn neef, zijn leven beëindigde.
De boodschapper die de brief droeg vertrekt,
Hij kwam Rohais binnen, precies toen het middaguur sloeg:
De Bastaard van Sebourcq heeft de brief getoond
En aan alle burgers van de geprezen stad.
En toen de burgers het nieuws hadden gehoord,
Waren zij zeer bedroefd, het beviel hen allerminst.
"Heren," zei de Bastaard, "hoor nu mijn gedachte:
"Wie zich overgeeft, zal een slechte beloning krijgen;
"Laten we eervol sterven door de scherpte van het zwaard!
"Sterk is uw stad en ze is goed ommuurd,
"En u bent goed voorzien van brood, van gezouten vlees,
"Van wijn en levensmiddelen, om wel een jaar te leven.
"Zeg me wat u wilt, edel en geëerd volk?
"Als u zich wilt overgeven, is het mijn gedachte
"Om hier onmiddellijk te vertrekken, zonder enig uitstel,
"En ik zal terugkeren over de zoute zee;
"En als u mij allemaal wilt helpen met het zwaard,
"Zal ik bij u blijven zolang ik nog leef."
Toen de Bastaard alles had gezegd wat hij wilde,
Riepen de burgers van de stad allemaal uit:
"Heer," zeiden de burgers, "bij God in majesteit,
"Ga toch niet weg, verlaat de stad niet,
"Want wij zullen u met goede wil helpen;
"Nooit zullen wij u in de steek laten in alle dagen van uw leven!"
"Heren," zei de Bastaard, "u heeft goed gesproken!"
En zie, tijdens het gesprek dat ik u zojuist vertelde,
Kwamen de verkenners aan die het vuur hebben aangestoken;
In de buitenwijken van de stad werden de tenten opgezet,
Helemaal rondom de stad, aan alle kanten.
En de burgers hebben zich snel gekleed en bewapend,
Uit Rohais trokken zij edel uitgedost naar buiten:</i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
7bu6avz5sn90h8wuea5b2pcdcw1el7s
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/834
104
88785
226193
2026-08-30T18:13:11Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226193
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Chervėles espautrer, fendre maint hanepier,
Et ochirre et abatre maint auferrant coursier
Dont li maistre gisoient ochis ou sablonnier.
Tout li ·xxx· bastard, dont vous m’oés plaidier,
Se tenoient en renc pour l’un l’autre prisier ;
Chascuns ot ·j· blason dont li chams fu d’ormier
A une crois d’asur qui moult fist à prisier.
Ensamble sont adès pour l’un l’autre avanchier,
Si aidoit li ·j· l’autre quant en avoit mestier ;
Li ·j· ne volt de l’autre partir né eslongier,
Ains brochent tout ensamble, à loi de bon gerrier.
Tout partout où il vont sont les rens despéchier ;
Buiémont abatirent, Tangré font trébuchier.
S’il ne fuissent rescous, à l’espée d’achier,
Malement lor alast, car le bon bastard fier
Assalirent Tangré, le nobile princhier,
Et il se desfendoit à guise de gerrier ;
Mais li bastard l’ont fait en ·iiij· liex plaïer,
Poi faut qu’il ne l’ont mort dedens l’estour plénier.
Mais on dist ·j· parler souvent en réprouvier :
Que li hons qui doit pendre ne doit mie noïer.
Cheste rayson ichi je le di pour Tangré
Que li bastard avoient malement atourné :
Pas ne devoit morir, point n’estoit destiné
Ne devoit pas morir au riche branc létré ;
Quant, par dedens Bollongne, l’amirable frété,
Fu mis à male fin, car on l’ot encrué.
Là endroit fu pendus, à doel et à vieuté,
Pour le mort Godefroi c’on avoit enherbé ;
Dont le contesse Ydain en ot telle vieuté
Que le conte fist pendre où tant ot de bonté,
Proèche et hardement, plains de grant volenté :
Car li estoire dist, dont li ver sont rimé,
Qu’il n’avoit plus hardi en le crestienté.
A Boullongne morut, ensi con j’ai conté,
</poem>
|valign=top|
<poem>
Hersenen openslaan, menig helm klieven,
En menig grijs strijdros doden en neerslaan
Waarvan de meesters gedood op de zandvlakte lagen.
Al de dertig bastaarden, over wie u mij hoort spreken,
Hielden zich in de rij om elkaar te steunen; 450
Ieder had een wapenschild waarvan het veld van puur goud was
Met een kruis van lazuur dat zeer te prijzen was.
Samen zijn zij voortdurend om elkaar vooruit te helpen,
En zo hielp de een de ander wanneer men het nodig had;
De een wilde niet van de ander scheiden noch wijken,
Maar zij stormen allen samen, als goede krijgers.
Overal waar zij gaan, breken zij de gelederen;
Bohemund sloegen zij neer, Tancred lieten zij struikelen.
Als zij niet waren ontzet met het stalen zwaard,
Zou het slecht met hen zijn afgelopen, want de trotse, goede bastaarden 460
Vielen Tancred aan, de edele prins,
En hij verdedigde zich als een krijger;
Maar de bastaarden hebben hem op vier plaatsen verwond,
Het scheelde weinig of zij hadden hem gedood in de volle strijd.
Maar men zegt vaak een woord als spreekwoord:
Dat de man die moet hangen, geenszins moet verdrinken.
Deze reden hier zeg ik voor Tancred
Die de bastaarden er slecht aan toe hadden gericht:
Hij hoorde niet te sterven, het was geenszins voorbestemd,
Hij hoorde niet te sterven door het rijke, gegraveerde zwaard; 470
Toen, binnen Boulogne, de geëerde admiraal
Tot een slecht einde werd gebracht, want men had hem gespietst.
Daar ter plaatse werd hij opgehangen, in rouw en vernedering,
Vanwege de dood van Godfried, die men had vergiftigd;
Waarover gravin Ida zo'n afschuw had
Dat zij de graaf liet ophangen, in wie zoveel goedheid was,
Dapperheid en stoutmoedigheid, vol van grote wilskracht;
Want de geschiedenis zegt, waarvan de verzen zijn gerijmd,
Dat er geen dappere man meer was in de christenheid.
In Boulogne stierf hij, zoals ik heb verteld, 480
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
pzbi8j7oj3ljf3a5ktz5z490c19tf7m
Categorie:Algemeen Handelsblad, 1858, Nummer 8190
14
88786
226194
2026-08-30T19:03:23Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
226194
wikitext
text/x-wiki
[[Categorie:Algemeen Handelsblad, 1858]]
hro19zm2ni20zxb2alb3g44ub52pa1u
Categorie:Algemeen Handelsblad, 1858
14
88787
226195
2026-08-30T19:03:39Z
Vincent Steenberg
280
nieuw
226195
wikitext
text/x-wiki
[[Categorie:Algemeen Handelsblad]]
3afuiqg5l4boiutb14tu3af50vcbv7r
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/835
104
88788
226196
2026-08-31T05:54:16Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226196
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
Bien furent ·xxx· mille, noblement arouté ;
·x· mille en demora pour garder la cité.
Et li trente bastart se sont aceminé :
Li Bastars de Sebourcq, qui le cuer ot osé,
Cevauce tout devant ·j· arpent mesuré.
De l’ost roi Bauduwin estoient désevré,
Trestout d’une compagne, ·xxx vasal armé ;
Ili fu Corbarans, Buiémons et Tangré,
Bauduwins de Sebourcq, au corage menbré,
Si fu Harpins de Bourges, où tant a de fierté,
Bauduwins Cauderons, Ricars, li restoré ;
·xxx· les plus puissans qui soit ou roïauté.
Cescuns avoit au col ·j· fort escu doré
Et une rice lance et ·j· fier acéré.
Et li ·xxx· bastart venoient à briève :
A cevaliers de là, qui viènent arouté,
Keurent, à plains eslais, par vivre poesté.
Cescun son compagnon a si bien asenė….
Li Bastars de Sebourcq a celui jour jousté
Encontre Corbarant, de telle volenté
Que tout outre le cors li a le fier passé ;
A tière l’abati, si l’a moult fort ouvré.
Par le mien ensient, jà l’éuist afiné
Quant ses pères i vint, où tant ot de bonté,
Qui le Bastart asaut de son brancq acéré :
Mais tout cil de Rohais ont maint grant cor sonné,
En l’estour se férirent, ensi que vif maufé.
La gent au rice roi i furent reculé,
S’en i ot maint ocis et à le mort livré.
Et li gentil bastart furent en volenté
D’aquère grant proesse ou d’estre à fin mené.
Oriande, la bielle, où tant ot de biauté,
Fu là-sus as crestiaux, deseure le fossé ;
Regarde le Bastart et le mortalité.
Oriande, la bielle, fu as crestiaux montée
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>Ze waren wel met dertigduizend, edel opgesteld;
tienduizend bleven achter om de stad te bewaken.
En de dertig bastaarden zijn op weg gegaan:
de Bastaard van Sebourcq, die een moedig hart had,
rijdt helemaal vooraan, op een gemeten afstand van een arpent.
Van het leger van koning Boudewijn waren zij gescheiden,
allen samen in één compagnie, dertig gewapende vazallen;
daarbij waren Corbaran, Bohemund en Tancred,
Boudewijn van Sebourcq, standvastig van geest,
en Harpin van Bourges, in wie zoveel trots schuilt,
Boudewijn Calderon, en Richard de Herstelde;
de dertig machtigsten die er in het koninkrijk zijn.
Ieder droeg aan de hals een sterk verguld schild
en een prachtige lans en een felle stalen punt.
En de dertig bastaarden kwamen in galop naderbij:
op de ridders van ginds, die daar opgesteld aankomen,
stormen zij in volle ren, met krachtig vermogen, af.
Ieder heeft zijn metgezel zo goed getroffen...
De Bastaard van Sebourcq heeft die dag gestreden
tegen Corbaran, met zo'en felle wil
dat hij de ijzeren punt dwars door zijn lichaam heeft gedreven;
hij wierp hem ter aarde en heeft hem zwaar gewond.
Naar mijn vaste overtuiging had hij hem daar afgemaakt,
ware het niet dat zijn vader erbij kwam, die zo vol goedheid was,
die de Bastaard aanvalt met zijn scherpe zwaard:
maar allen uit Rohais hebben op menig grote hoorn geblazen,
zij stortten zich in de strijd als levende duivels.
De manschappen van de machtige koning werden daar teruggedreven,
en velen werden er gedood en aan de dood overgeleverd.
En de edele bastaarden waren vastberaden
om grote heldenmoed te tonen of aan hun einde te komen.
Oriande, de schone, in wie zoveel schoonheid was,
stond daarboven op de kantelen, boven de gracht;
zij kijkt naar de Bastaard en het dodelijke gevecht.
Oriande, de schone, was naar de kantelen geklommen.</i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
hdq5k83hlvm1fk01usq7hk5s2hr2l6y
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/836
104
88789
226197
2026-08-31T05:56:58Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226197
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Mais onques pieur mort n’avient en nul régné ;
Car par le mort du conte, dont je vous ai parlé,
Furent, dedens Surie c’on avoit conquesté,
Esméut l’un sor l’autre, par telle aversité
Que tout s’entre-nièrent li crestien loé.
Baudewins de Seboure, dont je vous ai conté,
Ot grandement à faire pour le mort de Tangré :
Du linage le Chisne, le noble parenté,
Ne remest plus que lui en chelle roïauté,
Que tout ne fuissent mort, à doel et à vieuté ;
Corbarans en morut et maint autre chasé.
Et par chest encombrier, par le desloïauté,
Vint rois Salehadins en sa grant majesté :
Car il trouva no poeple forment avalué,
Dont il reconquesta mainte noble chité
Ensi com je dirai qui m’ara escouté.
Or, dirai des bastars comment se sont mellé :
Il ont maint crestien ochis et afiné,
Tangré ont moult bléchié, mais on l’a remonté.
Jà fuissent, no baron, desconfit et maté
Quant Corbarans i vint, qui son cor a sonné ;
Baudewins de Sebourc estoit à son costé :
Chil venoient derrier, à ·xxm· adoubé,
En l’estour se férirent richement ordené.
Là, véissiés estour et fier et aduré :
Maint noble chevalier à le terre versé,
Ches arainnes bondissent et chil cor ont sonné
Que tout en retentissent et li champ et li pré.
Hé ! Diex, que li bastard s’i sont bien esprouvé !
Tout ensamble se tiènent rengiet et bien serré,
Sé li ·j· en cheioit li autre l’ont levé ;
Moult estoient l’un l’autre amistable et secré,
Si doivent estre, chil, de bon sanc engenré.
Grande fu l’envaïe, parmi le praiërie,
Tout li ·xxx· bastard i fièrent par maistrie :
</poem>
|valign=top|
<poem>
Maar nooit gebeurde er een ergere dood in welk koninkrijk dan ook;
Want door de dood van de graaf, over wie ik u heb verteld,
Werd er binnen het veroverde Syrië
De een tegen de ander opgeruid, door zulke rampspoed
Dat de geprezen christenen elkaar allemaal bestreden.
Boudewijn de Sebourc, over wie ik u heb verteld,
Had veel te stellen met de dood van Tancrede:
Van het geslacht van de Zwaan, de edele verwanten,
Bleef er niemand anders dan hij over in dat koninkrijk,
Omdat allen gestorven waren, in rouw en ellende; 490
Corbaran stierf eraan en menig ander leenman.
En door deze rampspoed, door de trouweloosheid,
Kwam koning Saladin in zijn grote majesteit:
Want hij vond ons volk zwaar verzwakt,
Waardoor hij menige edele stad heroverde
Zoals ik zal vertellen aan wie naar mij luistert.
Nu zal ik vertellen over de bastaarden, hoe zij zich in de strijd mengden:
Zij hebben menig christen gedood en omgebracht,
Tancrede hebben zij zwaar verwond, maar men heeft hem weer overeind geholpen.
Al zouden onze baronnen verslagen en overwonnen zijn 500
Toen Corbaran eraan kwam, die zijn hoorn luid blies;
Boudewijn de Sebourc stond aan zijn zijde:
Zij kwamen van achteren, met twintigduizend gewapenden,
In de strijd wierpen zij zich in rijke ordening.
Daar zou je een gevecht zien, wild en hardnekkig:
Menig edel ridder tegen de grond geworpen,
De bronzen bazuinen schallen en de hoorns hebben geklonken
Zodat alles weerklinkt, zowel het veld als de wei.
Heer! God, wat hebben de bastaarden zich daar goed bewezen!
Allen samen hielden zij zich in het gelid en dicht aaneengesloten, 510
Als er één viel, hebben de anderen hem opgetild;
Zeer vriendelijk en trouw waren zij jegens elkaar,
Zo horen zij ook te zijn, die uit goed bloed gesproten zijn.
Groot was de aanval, te midden van de weiden,
Alle dertig bastaarden sloegen daar toe met meesterschap:
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
4nlpd64uzxf6x7isod05pljnqpttist
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/837
104
88790
226198
2026-08-31T05:59:22Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226198
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
Et pierçoit le Bastart, de grande relommée,
Qui bien se maintenoit par dedens le mellée.
« E ! Dieux, » dist la dansielle, « qui fist ciel et rousée,
« Sauvés-moi ce vasal où je me sui donnée !
« Car c’est li plus hardis c’onques caindist d’espée. »
Et li gentis Bastars, à qui proesse agrée,
I féri vallaument au trençant de l’espée.
Tout ensément c’uns leus, qui ist de la ramée,
Qui se fiert ès brebis pour avoir sa guelée,
Ousi fait li Bastars à celle matinée ;
Il ne doute la mort une pume pelée.
Par lui ot, Corbarans, ce jour le car navrée
C’on l’enporta en l’ost à noise et à criée.
Li boins rois Bauduwins de Surie, le lée,
Regrète Corbarant, s’a la coulour muée :
« Ai ! boins rois, » dist-il, « com malle destinée !
« Cieux qui vous a navré a fait malle journée. »
Li rois monte ou destrier, à le resgne dorée,
Venus est en l’estour, sans nulle demorée,
Où se baronnie est ; forment li désagrée.
Bauduwins de Sebourcq li vint à l’encontrée
Et a dit : « sires rois, ne me faites célée,
« D’ont est cieux cevaliers et de quelle contrée
« Qui la cit de Rohais a ensi conquestée ?
« A cou que puis véoir, par le Vierge loče,
« Le don que m’avés fait de le citet loée
« J’en … goïrai point de l’onneur ceste année ? »
Bauduwins de Sebourcq dedens l’estour entra,
Regarde le Bastart qui tous les tré pierça,
Il a pris une lance, viers le Bastart s’en va ;
Et li Bastars viers lui vistement s’adreça ;
Cescuns ot une lance, li uns l’autre aproça :
Tels horions se donnent, à ce c’on me conta,
Et de cors et de pis cescuns si fort jousta
Que li uns et li autres à le tière viersa.
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
</i>En zij neemt de Bastaard waar, van grote faam,
Die zich kranig weerde midden in het gedrang.
“ Ach! God, “ zei de jonkvrouw, “ die hemel en dauw schiep, “
“ Red mij deze vazal aan wie ik mij heb gegeven! “
“ Want hij is de dapperste die ooit een zwaard omgordde. “
En de edele Bastaard, die graag naar dapperheid streeft,
Sloeg daar moedig toe met de scherpte van het zwaard.
Net zoals een wolf, die uit het struikgewas komt,
Die zich op de schapen stort om zijn buik te vullen,
Zo deed de Bastaard op deze ochtend;
Hij vreest de dood nog geen geschilde appel.
Door hem werd, Corbarans, die dag het vlees doorboord
Zodat men hem onder groot rumoer en geschreeuw naar het legerkamp droeg.
De goede koning Boudewijn van Syrië, de brede,
Betreurt Corbarant, en is lijkbleek weggetrokken:
“ Ach! goede koning, “ zei hij, “ wat een rampspoedig lot! “
“ Degene die u verwond heeft, heeft een slechte dag bezorgd. “
De koning bestijgt het strijdros, met de gouden teugel,
Is in de strijd gekomen, zonder enig uitstel,
Waar zijn baronnen zijn; het mishaagt hem ten zeerste.
Bauduin de Sebourcq kwam hem tegemoet
En zei: “ heer koning, verzwijg het mij niet, “
“ Van waar is deze ridder en uit welke streek “
“ Die de stad Rohais zo heeft veroverd? “
“ Naar wat ik kan zien, bij de geprezen Maagd, “
“ Zal ik van de gift die u mij deed van de geprezen stad “
“ Dit jaar … wel genieten van de eer? “
Bauduwins de Sebourcq mengde zich in de strijd,
Kijkt naar de Bastaard die door alle linies heen brak,
Hij nam een lans en gaat naar de Bastaard toe;
En de Bastaard richtte zich snel tot hem;
Ieder had een lans, de een naderde de ander:
Zulke harde klappen gaven zij elkaar, naar wat men mij vertelde,
En met lichaam en borst turnden zij zo hard tegen elkaar
Dat de een en de ander ter aarde stortte.</i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
ev296hx6m8mcb0amtoinx17hdq28htd
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/838
104
88791
226199
2026-08-31T06:04:07Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226199
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Tout partout où il vont ont le place widie,
Nulz ne les ose atendre, trop ont chière hardie.
Baudewins de Sebourc, quant vit le compaignie,
Corborant apella qui tant ot seignourrie :
« Sire, » dist Baudewins, « or ne me chėlės mie,
Qui sont chil chevalier qui portent enseignie
« Leur targes par devant d’or fin qui reflambie
« A une crois d’asur, quel chose sénéfie ? »
« Sire, » dist Corborans, « sé Diex me bénéie,
« Se sont li traïtour, che m’a dit une espie,
« Qui maintienent la gerre au bon roy de Surie ;
« La chite de Rohais ont… desconseillie,
« C’on n’i fait pour no roy une foeille d’ortie.
« Mais par chellui Seignour qui de mort vint à vie,
« Si mar ont li glouton la chose entoueillie
« Ni au roy Baudewin le gerre commenchie,
« Trop chier l’aquateront, le mort ont desservie ! »
Lors broche le chaval, des esporons l’aigrie,
Vers les ·xxx· bastars a se voie aqueillie ;
Li Bastars de Sebourc a se voie aqueillie,
Vers le roy Corborant chevauche par maistrie.
Hé ! Dieus, que l’aprochier li donna grant haignie !
Tellement l’assena, de la lanche aguisie,
Que sa targe li a desroute et déshartie ;
La lance fu si rode qu’elle n’est pas ploïe,
Et il l’a si boutée et par tel fellonnie
Que le roy Corborant, qu’Oliferne maistrie,
Assena tellement, si con l’istoire crie,
Que lui et le cheval, qui estoit de Hongrie,
Abati ens ou champ, volant sa baronnie.
Lors i vint Baudewins qui les bastars escrie :
« Fil à putain, » dist-il, « li corps Dieu vous maudie !
« Trestous vous ochirai à m’espée fourbie. »
Li Bastars de Sebourc, quant le vois a ore,
En apella ses frères, que il ne haï mie :
</poem>
|valign=top|
<poem>
Overal waar zij gaan, wordt de plaats vrijgemaakt,
Niemand durft hen op te wachten, ze zien er te stoutmoedig uit.
Boudewijn van Sebourc, toen hij de compagnie zag,
Riep Corborant aan, die zo'n grote heerschappij bezat:
“ Heer, “ zei Boudewijn, “ verberg het me nu niet, 520
Wie zijn die ridders die als herkenningsteken
“ Hun schilden aan de voorkant dragen van fijn goud dat schittert
“ Met een kruis van lazuurblauw, wat betekent dat? “
“ Heer, “ zei Corborant, “ moge God mij zegenen,
“ Het zijn de verraders, zo heeft een spion mij verteld,
“ Die de oorlog voeren tegen de goede koning van Syrië;
“ De stad Rohais hebben zij… in het onheil gestort,
“ Zodat men er voor onze koning nog geen brandnetelblad voor over heeft.
“ Maar bij die Heer die van de dood naar het leven overging,
“ Des te slechter hebben de schurken de zaak bemoeilijkt 530
“ En de oorlog tegen koning Boudewijn ontketend,
“ Zeer duur zullen zij het bekopen, de dood hebben zij verdiend! “
Toen spoorde hij het paard aan, met de sporen hitsde hij het op,
Naar de dertig bastaarden heeft hij zijn weg ingezet;
De Bastaard van Sebourc heeft zijn weg ingezet,
Naar koning Corborant rijdt hij met meesterschap.
O! God, wat bracht de nadering hem een grote haat!
Zodanig trof hij hem, met de scherpe lans,
Dat hij zijn schild vernielde en aan stukken sloeg;
De lans was zo onbuigzaam dat zij niet boog, 540
En hij heeft er zo hard en met zo'n boosaardigheid mee gestoten
Dat hij koning Corborant, die over Oliferna heerst,
Zodanig trof, zoals het verhaal uitroept,
Dat hij hem en het paard, dat uit Hongarije kwam,
Neerwierp in het veld, ten overstaan van zijn ridders.
Toen kwam Boudewijn daarheen, die de bastaarden toeriep:
“ Hoerenzoons, “ zei hij, “ moge Gods lichaam u vervloeken!
“ Allemaal zal ik u doden met mijn glanzend zwaard. “
De Bastaard van Sebourc, toen hij de stem hoorde,
Riep zijn broeders aan, die hij geenszins haatte: 550
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
gom4znqi4ubde806h5n50lhitlck5yt
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/839
104
88792
226200
2026-08-31T06:06:51Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226200
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
Et li ·xxx· bastart, qui tout estoient là,
Asalirent leur père ; cescuns à lui frapa.
Tangré et Buiémont, où boin cevalier a,
Vont aidier Bauduwin qui en piés se dréça.
Encontre ses enfans, que li bers engenra,
Se desfent fièrement, point ne les espargna.
Par force fu rescous, car on le remonta ;
Li dus Harpins de Bourges destrier li délivra.
Grande fu li batalle et deçà et delà :
Li bourgois de Rohais, qui adont furent là,
S’i pruevent vallaument, nus d’iaux ne recula ;
De si jusques au viespre li batalle dura.
Li Bastars retournèrent, quant viespres aproca,
« Dites, » fait-il, « vo roi, où tant de biaulet a,
« Que demain au matin, si tos qu’il ajourra,
« M’envoie ·j· cevalier, tout le milleur qu’il a :
« Sus ces prés isterai contre lui, par delà,
« Et si me puet mater la citet avera
« Et si fera de mi, li rois, çou qu’il vora.
« Et sé celui conquiers, c’on i envoïera,
« Li boins rois de Surie le ville me laira
« Toute quite et délivre, riens n’i demandera ;
« Je le tenrai de lui, mes cors le siervira
« A trestous les besoins que il me mandera.
« Et s’il ne voelt confaire, bien vanter se pora
« Ne li faurai de guère tant que mes cors dura !
« Je sui ·j· sien cousin, il le scet de pièça :
« Onques moi aresgnier, li rois, ne me dengna
« Né demander comment li linages en va ;
« Quant savoir ne le dagne, mon cors pau prisiet a. »
La parolle au Bastart fu dite vistement
Au boin roi Bauduwin, à cui Surie apent ;
Uns cevaliers li dist dou vasal l’airement,
Qui demande batalle à un prince briefment
Pour le guère aquiever et le destourbement.
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>En de dertig bastaarden, die daar allemaal waren,
vielen hun vader aan; iedereen sloeg naar hem.
Tancrede en Bohemund, die goede ridders zijn,
Gaan Boudewijn helpen die weer overeind ging staan.
Tegenover zijn kinderen, die de edelman verwekte,
Verdedigt hij zich vurig, hij spaarde hen geenszins.
Met geweld werd hij gered, want men hielp hem weer in het zadel;
Hertog Harpin van Bourges bezorgde hem een strijdros.
Groot was de strijd aan weerszijden:
De burgers van Rohais, die toen daar waren,
Bewijzen zich moedig, niemand van hen week terug;
Van toen af tot aan de avond duurde de strijd.
De Bastaard keerde terug, toen de avond naderde,
"Zeg," zei hij, "aan uw koning, die zoveel schoonheid bezit,
"Dat hij mij morgenochtend, zodra de dag aanbreekt,
"Eén ridder stuurt, de allerbeste die hij heeft:
"Op deze weiden zal ik daarginds tegen hem aantreden,
"En als hij mij kan verslaan, zal hij de stad krijgen
"En dan zal de koning met mij doen wat hij wil.
"En als ik degene overwin die daarheen gestuurd zal worden,
"Zal de goede koning van Syrië mij de stad overlaten
"Geheel vrij en ontslagen, hij zal er niets meer opeisen;
"Ik zal haar van hem in leen houden, mijn persoon zal hem dienen
"Bij alle noden waarvoor hij mij zal ontbieden.
"En als hij dit niet wil doen, kan hij er zeker van zijn
"Dat ik hem niet zal ontbreken in de strijd zolang mijn lichaam leeft!
"I ben een neef van hem, hij weet dat al een tijdje:
"Nooit heeft de koning zich verwaardigd mij aan te spreken
"Noch te vragen hoe het met de familielijn gaat;
"Aangezien hij het niet wil weten, heeft hij weinig waardering voor mij."
Het woord van de Bastaard werd snel overgebracht
Aan de goede koning Boudewijn, aan wie Syrië toebehoort;
Een ridder vertelde hem over het gedrag van de vazal,
Die binnenkort een tweegevecht eist van een prins
Om de oorlog te beëindigen en de onrust.
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
c89rgixu8llvqxeqk6hbfy7scj2nnp6
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/840
104
88793
226201
2026-08-31T06:09:07Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226201
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Seigneur, » dist li Bastars, « savés que je vous prie ;
« Chuis chevaliers nous a dit moult grant villonnie,
« Or l’alons assalir, trestout à une fie,
« Et qui s’i faindera le corps Dieu le maudie ! »
Dont i vont, li bastard, chascuns lance abaissie :
A lor père assalir, qu’il ne connoissent mie,
Ont mis tout leur pooir, nus ne s’en faindi mie.
Là, péussiés véoir une jouste esforcie :
Leur père ont abatu delès une cauchie,
Ains ne fu si dolans à nul jour de sa vie.
Baudewins de Sebourc ot moult le coer dolent
Quant se vit abatu à terre si vieument :
Il est salis em piés et très bien se desfent,
Mais jà fust pris par force, sé l’istoire ne ment,
Quant Richars de Chammont i vint apertement,
Baudewins Cauderons, qui moult of hardement,
Le dux Harpins de Bourges et maint autre ensement.
Là fu grans le bataille et fier li caplement.
Li Bastars de Sebourc va criant hautement :
« Seigneur, desfendons-nous, pour Dieu omnipotent,
« Par cói nostre anemi ne se vantent noient
« Qu’il nous aient maté à che commenchement ! »
Qui véist les bastars férir moult vassaument,
Coper testes et bras, maint en ont fait sanglent.
Baudewins de Seboure i fiert hardiëment
Et li roys Corborans où Oliferne apent ;
Tangrés et Buiémons, qui estoient parent,
Et Pières-li-ermites, qui moult ot d’essient,
Li dux Harpins de Bourges et li autre ensément.
Les bastard reculèrent par vif efforcement,
Vers Rohais, la chité, ont fait repairement.
A bailles de la ville ot grant tournoïement,
Là, en i ot des mors et des ochis gramment.
Baudewins de Sebourc s’i prouva richement,
·j· sien fil abati à bailles droitement ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
“ Heren, “ zei de Bastaard, “ weet wat ik van u vraag;
“ Deze ridder heeft ons een zeer grote belediging aangedaan,
“ Laten we hem nu aanvallen, allemaal tegelijk,
“ En wie zich inhoudt, moge God zijn lichaam vervloeken! “
Toen gingen de bastaarden op weg, elk met de lans geveld:
Om hun vader aan te vallen, die zij helemaal niet kennen,
Zetten zij al hun kracht in, niemand hield zich in.
Daar had u een hevige steekspelen kunnen zien:
Hun vader hebben zij neergehaald bij een steenweg,
Nooit was hij zo bedroefd op geen enkele dag van zijn leven. 560
Baudewin van Sebourc had een zeer bedroefd hart
Toen hij zichzelf zo smadelijk op de grond neergehaald zag:
Hij is opgesprongen op zijn voeten en verdedigt zich zeer goed,
Maar hij zou al met kracht gevangen zijn, als de geschiedenis niet liegt,
Toen Richard van Chammont daar openlijk aankwam,
Baudewin Cauderons, die zeer veel moed bezat,
De hertog Harpin van Bourges en evenzo vele anderen.
Daar was het gevecht groot en het wapengekletter fel.
De Bastaard van Sebourc riep luidkeels:
“ Heren, laten we ons verdedigen, voor de almachtige God, 570
“ Zodat onze vijanden zich er helemaal niet op beroemen
“ Dat zij ons bij dit begin hebben verslagen! “
Wie de bastaarden zeer dapper had zien slaan,
Hofden en armen afhakken, velen hebben zij bebloed gemaakt.
Baudewin van Sebourc slaat daar moedig toe
En koning Corboran, waaronder Oliferne valt;
Tangré en Bohemund, die familie waren,
En Pieter de Kluizenaar, die veel wijsheid bezat,
De hertog Harpin van Bourges en evenzo de anderen.
De bastaarden deinsden terug door hevige kracht, 580
Naar Rohais, the stad, hebben zij hun terugtocht gemaakt.
Bij de barrières van de stad was er een groot toernooi,
Daar waren er zeer veel doden en gevallenen.
Baudewin van Sebourc bewees daar rijkelijk zijn waarde,
Hij sloeg zijn eigen zoon recht neer bij de barrières;
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
lmzj8ame8bfsahc91apfj1pa2gedxbh
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/841
104
88794
226202
2026-08-31T06:11:24Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226202
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
Qui est bien aparant de durer longement.
« Signeur, » ce dist li rois, « or oiiés mon talent :
« A ci nul cevalier qui osast nullement
« Faire ceste batalle et ce tournoïement
« Contre ce cevalier qui a tel hardement ? »
Bauduwins de Sebourcq parla prumièrement
Et a dit au boin roi : « sire, ciertainement
» Nus ne doit le batalle, c’on demande ensément,
« Faire, tant que g’i soie ci endroit en présent ;
« C’ar donnée m’avés le citet qui resplent,
« Sé le doi desrainier, nature s’i asent :
« Le batalle ferai, je le désir forment. »
Viers le Bastart s’en va tost et hastievement,
Si pierçoit as crestiaux li Bastart qui l’atent ;
A sa vois, qu’il ot clère, li cria hautement :
« Cevaliers, » dist li bers, « oiiés m’entendement ;
« Vous avés demandet, ensi que je l’entent,
« Batalle contre un autre, à itel couvenent :
« Sé vous estes vaincus né matés nullement,
« Vous estes au voloir et tout ou jugement
« Dou boin roi Bauduwin qui tant a le cors gent ;
« Et sé mater poés, on vous a en couvent
« Que le cité à vous iert tout entirement. »
« Par Dieu, » dist li Bastars, « je le di vraiëment !
« Et encore le di-ge, sé véoie en présent
« Homme qui contre mi s’armast hastievement.
« Sé vous volés riens dire, g’irai là vraiëment ;
« S’acorderons le pais par loial sairement. »
« Vassaus, » dist Bauduwins, « or oiiés ma pensée :
« Li boins rois de Surie m’a le cité donnée,
« La cites iert à mi, quant l’arai conquestée.
« Vous le tenés à tort, c’est vérités prouvée ;
« Si faites grant folie, sé m’âme soit sauvée,
« qui tenés irétage de telle relommée,
« Quant nulle providense vous n’i avés monstrée
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>Die duidelijk bestemd is om lang te duren.
“ Heren, “ zei de koning, “ luister nu naar mijn wens:
“ Is hier een ridder die het op enigerlei wijze zou durven
“ Dit gevecht en dit toernooi aan te gaan
“ Tegen deze ridder die zo'n grote moed bezit? “
Boudewijn van Sebourc sprak als eerste
En zei tegen de goede koning: “ Heer, zeker
“ Moet niemand het gevecht, dat men evenzo vraagt,
“ Aangaan, zolang ik hier in eigen persoon aanwezig ben;
“ Want u heeft mij de stad gegeven die schittert,
“ Als ik haar door strijd moet opeisen, stemt mijn aard hiermee in:
“ Ik zal het gevecht aangaan, ik verlang er vurig naar. “
Naar de Bastaard gaat hij snel en haastig,
En hij bemerkt bij de kantelen de Bastaard die op hem wacht;
Met zijn heldere stem riep hij hem luidruchtig toe:
“ Ridder, “ zei de edelman, “ luister naar mijn woorden;
“ U heeft gevraagd, zo begrijp ik het,
“ Om een gevecht tegen een ander, onder deze voorwaarde:
“ Als u overwonnen of op enigerlei wijze verslagen bent,
“ Bent u overgeleverd aan de wil en geheel aan het oordeel
“ Van de goede koning Boudewijn die zo'n nobele gestalte heeft;
“ En als u kunt overwinnen, is u beloofd
“ Dat de stad geheel aan u zal toebehoren. “
“ Bij God, “ zei de Bastaard, “ ik zeg het naar waarheid!
“ En nogmaals zeg ik het, als ik hier aanwezig zag
“ Een man die zich snel tegen mij zou wapenen.
“ Als u iets wilt zeggen, zal ik daar zeker heengaan;
“ En zo zullen we de vrede sluiten met een loyale eed. “
“ Vazal, “ zei Boudewijn, “ luister nu naar mijn gedachte:
“ De goede koning van Syrië heeft mij de stad gegeven,
“ De stad zal van mij zijn, wanneer ik haar heb veroverd.
“ U houdt haar onterecht bezet, dat is een bewezen waarheid;
“ U begaat een grote dwaasheid, zo waar mijn ziel gered zij,
“ Door erfgoed van zo'n grote faam te bezitten,
“ Terwijl u daarin geen enkel recht heeft getoond. “</i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
olnnnxcvjplwek9iqbrcvn397p4ipph
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/842
104
88795
226203
2026-08-31T06:13:03Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226203
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Et li autre bastard i viènent fièrement :
Au rescourre leur frère i ot moult grant content ;
Chascuns amoit l’un l’autre, car raysons s’i assent.
A bailles de Rohais fu grans li paletis.
Baudewins de Sebourc s’escria à haus cris :
« Os-tu, mauvais léchières et traïtres falis,
« Qui au roy de Surie as tellement mespris
« Que tu li veus tolir sa terre et son païs !
« Che n’est mie raysons, s’est pités que tu vis.
« Li roys le m’a donnée, de moy en ert servis,
« Je te desfi de Dieu, le roy de paradis !
« Vien-t-ent à moi combatre, voire, par tel devis
« Que, sé je sui par toy matės et recrandis,
« Je te larai Rohais, si en seras servis ;
« Et ferai acorder le roy et ses subgis
« Que Rohais la chité sera tiène toudis,
« Que jà n’en perderas ·j· tout soel parésis :
« Et, sé je te conquers, si t’en soies fuïs
« Et eslonges Rohais que n’i soies coisis. »
Quant li Bastars l’entent, si fu tous résidis,
Son père ne prisa ·j· tout soel parésis ;
Lors li dist hautement : « chevaliers postéis,
« Je ferai le bataille ensi comme tu dis.
a Vous m’averés demain, par Dieu de paradis,
« Mais qu’acordet me soient li parler qu’ai oïs. »
Baudewins li acorde. Li Bastars s’est partis,
En le chité rentra, maugré ses anemis,
La porte ont refremée ; et li grans pons levis
Fu relevés à mont et fremés à devis.
Baudewins de Sebourc, li chevaliers nouris,
Fist retraite corner : puis, a fait les marchis
Logier devant Rohais, dessus les prés flouris.
La chité ont assise, puis ont ·j· conseil pris
Comment aront le ville et les bourgois ochis
Qui se sont revélet, de coi il valent pis ?
</poem>
|valign=top|
<poem>
En de andere bastaarden komen er trots aan:
Bij het te hulp schieten van hun broer was er een zeer grote strijd;
Ieder hield van de ander, want de rede stemt ermee in.
Bij de barricaden van Edessa was het handgemeen groot.
Boudewijn van Sebourc riep met luide stem: 590
“ Hoor je mij, slechte schurk en lafhartige verrader,
“ Die zich tegen de koning van Syrië zozeer heeft misdragen
“ Dat je hem zijn land en zijn streek wilt ontnemen!
“ Dat is geenszins rechtvaardig, het is een schande dat je leeft.
“ De koning heeft het mij gegeven, door mij zal hij gediend worden,
“ Ik daag je uit in de naam van God, de koning van het paradijs!
“ Kom met mij vechten, ja, en wel onder deze voorwaarden:
“ Dat, als ik door jou verslagen en tot overgave gedwongen ben,
“ Ik jou Edessa zal overlaten, zodat jij erdoor gediend zult worden;
“ En ik zal de koning en zijn onderdanen tot een akkoord brengen 600
“ Dat de stad Edessa voor altijd de jouwe zal zijn,
“ Zodat je er nooit één enkele cent van zult verliezen:
“ En, als ik jou overwin, dat je dan vlucht
“ En ver weg blijft van Edessa, zodat je er niet meer gezien wordt. “
Toen de Bastaard dit hoorde, was hij geheel vastberaden,
Om zijn vader gaf hij nog geen enkele cent;
Toen zei hij luidruchtig: “ Machtige ridder,
“ Ik zal de strijd aangaan zoals je zegt.
“ Morgen zullen jullie mij hebben, bij God van het paradijs,
“ Mits de woorden die ik gehoord heb, mij worden ingewilligd. “ 610
Boudewijn stemt ermee in. De Bastaard is vertrokken,
In de stad keerde hij terug, ondanks zijn vijanden,
De poort hebben zij weer gesloten; en de grote ophaalbrug
Werd omhoog getrokken en naar wens perfect afgesloten.
Boudewijn van Sebourc, de edele ridder,
Liet de aftocht blazen: daarna liet hij de markiezen
Kamp opslaan voor Edessa, op de bloeiende weiden.
De stad hebben zij belegerd, daarna hebben zij de raad gevormd
Hoe zij de stad zouden innemen en de burgers doden
Die in opstand zijn gekomen, waardoor zij er nu slechter aan toe zijn? 620
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
kjn81rf30huofvx8v9qa47428abgtbp
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/843
104
88796
226204
2026-08-31T08:29:17Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226204
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
« Et, sans le souverain, vous l’avés gouvrenée.
« Mais quant li souverains de la ville fremée
« Le m’a donnet en don, estre me doit livrée.
« Je vous desfi de Dieu qui fist ciel et rousée,
« Batalle arés à moi demain à le journée ! »
« Par Dieu, » dist li Bastars, « ceste raison m’agrée,
« Mais je voel que li rois ait la cose jurée ;
« Et, sé je sui vaincus par vous en le mellée,
« Qu’à bourgois de Rohais soit boine pais donnée
« Et c’on ne leur mesface une pume pelée :
« Et sé, par aventure qui vient de destinée,
« Vous avoie vaincut, que vo gent fust sauvée
« Et que toute le ville fust à moi demorée. »
« Voire, » dist Bauduwins, « ensi iert confremée. »
Prise fu la batalle dou père et de l’enfant,
Et li uns et li autres le va ensi jurant.
Bauduwins de Sebourcq va à trés repairant
Et au roi de Surie va le cose contant.
Par l’ost en fisent joie, li petit et li grant,
De cou que ceste guère ira briefment finant ;
Et li nuis est passée et li jours va crevant.
Celle nuit garde l’ost, jusqu’à l’aube aparant,
Li dus Harpins de Bourges qui à prisier fist tant ;
Et lendemain matin se vont, en l’ost, levant.
Bauduwins de Sebourcq va le messe escoutant
Et le roi de Surie et maint baron saçant
Qui tout prient à Dieu, le père roi amant,
Qu’il otroit le victoire le père roi poissant.
Apriès le messe ditte, ne se vont ariestant,
Pour Bauduwin armer se vont aparélant :
Ou dos li ont viestit un rice jaserant
Et une boine plate li vont ou dos laçant,
De pans et de gorgière le vont bien acesmant,
Espée boine et rice li va, li rois, donnant ;
On l’apielle Murglaie, ce fu Cornumarant :
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>“ En, zonder de soeverein, hebt u haar geregeerd.
“ Maar aangezien de soeverein van de versterkte stad
“ Haar aan mij ten geschenke heeft gegeven, moet zij aan mij worden overgedragen.
“ Ik daag u uit in de naam van God die de hemel en de dauw schiep,
“ Morgen bij het aanbreken van de dag zult u met mij strijden! “
“ Bij God, “ zeide de Bastaard, “ deze reden behaagt mij,
“ Maar ik wil dat de koning deze zaak heeft gezworen;
“ En, indien ik door u overwonnen word in het strijdperk,
“ Dat aan de burgers van Rohais een goede vrede worde geschonken
“ En dat men hun geen geschilde appel in de weg legt:
“ En indien ik, door het lot dat het lot bepaalt,
“ U zou overwinnen, dat uw manschappen gespaard blijven
“ En dat de gehele stad aan mij verblijft. “
“ Inderdaad, “ zeide Boudewijn, “ zo zal het worden bekrachtigd. “
Gevochten werd de strijd tussen de vader en het kind,
En de een en de ander ging dat zo zweren.
Boudewijn van Sebourcq keerde terug naar zijn tenten
En aan de koning van Syrië ging hij de zaak vertellen.
In het legerkamp maakten zij vreugde, de kleinen en de groten,
Omdat deze oorlog spoedig zou eindigen;
En de nacht is voorbij en de dag breekt aan.
Die nacht bewaakt het leger, tot aan de opkomende dageraad,
Hertog Harpin van Bourges die zo hoog geprezen werd;
En de volgende ochtend staan zij, in het kamp, op.
Boudewijn van Sebourcq gaat de mis aanhoren
En de koning van Syrië en menig edele baron
Die allen bidden tot God, de liefdevolle Vader en Koning,
Dat Hij de overwinning schenke aan de machtige Vader en Koning.
Nadat de mis was uitgesproken, dralen zij niet,
Om Boudewijn te wapenen maken zij zich gereed:
Op zijn rug hebben zij hem een rijke maliënkolder aangetrokken
En een goed plaatpantser snoeren zij hem op zijn rug,
Met schootstukken en halskraag rusten zij hem goed toe,
Een goed en kostbaar zwaard gaat de koning hem geven;
Men noemt het Murglaie, het was van Cornumarant.</i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
mz6qucto5ce240m33xjzcn6kfszb75r
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/844
104
88797
226205
2026-08-31T08:31:35Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226205
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Dont parla Baudewins de Sebourc, li gentis.
Baudewins de Sebourc appella Corbarant,
Huon de Tabarie, ·j· damoisel plaisant,
Tangré et Buiémont et le vesque vaillant
Et le riche barnage, dont il i avoit tant :
« Seigneur, » dist Baudewins, « or oïés mon samblant ;
« J’ai empris ·j· estour à ce vassal poissant
« Qui ensi a mespris au bon roy conquérant.
« Le bataille ai enpris par itel couvenant :
« Sé je le puis avoir matet et recréant,
« De Rohais istera et o lui si sergant,
« Jamais ni enterra ès jours de son vivant
« Et me lara le ville, si n’en tenra ·j· gant ;
« Et s’il me poet conquerre, à l’espée trenchant,
« Nous li arons trestout de no foi couvenant
« La ville li lairons et l’irons acordant
« Au bon roy de Surie, Baudewin, l’avenant. »
Adont vont à conseil, li prinche combatant,
Et Baudewins leur va douchement dépriant
Que che conseil acordent ; chil s’i vont otroïant.
Ensément demoura jusqu’à l’aube crevant,
Que par l’ost se levèrent li petit et li grant.
Baudewins de Sebourc ne s’i va arrestant,
Il vesti l’auqueton qui fu de bougerant,
Et puis après vesti le hauberc jaserant ;
Unes plates lacha et puis chaindi le branc,
S’avoit cauches de fer de très bon jaserant.
Et quant il fu armés de tout, à son commant,
Erroment est montés sus le destrier courant
Et puis mist ens ou chief le hiaume luisant,
Et a pris le blason et le lanche trenchant.
Es-vous ·j· chevalier qui li va escriant :
« Baudewins, biau dous sire, par Dieu le roy amant,
« Vos champions est jà sus le pré verdorant,
« Armés de toutes armes, montés sus l’auferrant.
</poem>
|valign=top|
<poem>
Waarover Boudewijn van Sebourc sprak, de edele.
Boudewijn van Sebourc riep Corbarant,
Huon van Tabarië, en een aangename jonker,
Tancred en Bohemund en de dappere bisschop
En de rijke edelen, van wie er zovelen waren:
“ Heren, “ zei Boudewijn, “ hoor nu mijn plan;
“ Ik heb een gevecht aangenomen tegen deze machtige vazal
“ Die zo misdreven heeft tegen de goede, veroverende koning.
“ De strijd heb ik aangenomen onder deze voorwaarde:
“ Als ik hem mat en opgevend kan krijgen, 630
“ Zal hij uit Rohais vertrekken en met hem zijn manschappen,
“ Nooit zal hij er meer binnengaan tijdens de dagen van zijn leven
“ En hij zal mij de stad overlaten, hij zal er geen handschoen van houden;
“ En als hij mij kan overwinnen met het scherpe zwaard,
“ Dan zullen wij hem volledig volgens onze eed nakomen
“ Dat we hem de stad laten en we zullen vrede met hem sluiten
“ Met de goede koning van Syrië, Boudewijn, de schone. “
Toen gingen zij in beraad, de strijdende prinsen,
En Boudewijn smeekte hen teder
Dat zij met deze raad instemden; en zij gingen ermee akkoord. 640
Op deze wijze bleef het zo tot het aanbreken van de dageraad,
Toen door het legerkamp de kleinen en de groten opstonden.
Boudewijn van Sebourc aarzelde niet,
Hij trok het wambuis aan dat van bombazijn was,
En daarna trok hij de fijne maliënkolder aan;
Pantserplaten bond hij vast en daarna omgordde hij het zwaard,
En hij had ijzeren beenbeschermers van zeer goede maliën.
En toen hij volledig gewapend was, naar zijn wens,
Is hij terstond bestegen op het rennende strijdpaard
En daarna zette hij op het hoofd de glanzende helm, 650
En nam het schild en de scherpe lans.
Zie daar een ridder die naar hem roept:
“ Boudewijn, schone lieve heer, bij God de liefhebbende koning,
“ Uw kampvechter staat al op de groenende weide,
“ Gewapend met alle wapens, gezeten op het grijze strijdpaard.
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
25gw58nn7toh4813hrh9fqs6exaphos
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/845
104
88798
226206
2026-08-31T08:33:17Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226206
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<poem>
Maint crestien en fist morir, en son vivant.
Bauduwins de Sebourcq va ou destrier montant.
E-vous ·j· cevalier qui li vient escriant :
« Sire, ce canpion est jà venus ou camp. »
« Or tos ! » dist Bauduwins, « alés-moi aprestant. »
Adont li ont laciet un hiaume luisant
Et donnet un blason et lance et fier trencant.
Des tentes est isus, de Dieu se va sainant ;
Li baron le saignièrent et le vont acolant :
Et Bauduwins cevauce, si a esploitiet tant
Qu’il trouva le Bastart sus le pré verdoïant.
A crestiaux de Rohais i avoit de gens tant
Tout en furent enplis et dérière et devant,
Et si fu Oriande, la bielle au cors plaisant,
Qui prioit moult de cuer pour son loïel amant.
Bauduwins de Sebourcq se va moult escriant :
« Par foi, vous vos alastes hui tenpre descouçant ? »
« Par Dieu, » dist li Bastars, « je vous en di bien tant,
« Que le batalle vois tèlement désirant
« Que je n’en peuch à nuit dormir né tant né cant.
« Sire, » dist li Bastars, « moult atendut vous ai,
« Je cuidoie bien jà, ne vous en mentirai,
« Que fusiés repentis, ensément le pensai.
« Liés sui quant je vous vois, il me samble que j’ai
« Vaincue la batalle ; tantos mort vous arai !
« Véés-vous-là me dame qui tant a le cors gai,
« Là-sus sus ces garites ? Amée pièça l’ai ;
« Quant je vous arai mort, à femme l’averai.
« Pour …. de son cors, sur vous tel cop frérai
« Que de ci ens és dens je vous pourfenderai !
« Li rois qui vous donna ceste cité que j’ai
« Ne fist mie grant cose pour vous, que bien le sai :
« Vous en arés le mort, car je m’en pénerai.
« Je vous desfi de Dieu et de saint Nicolai !
« Or vous gardés de mi, car je vous destruirai,
</poem>
|valign=top|
<poem>
<i>Veel christenen liet hij sterven tijdens zijn leven.
Bauduin van Sebourcq bestijgt zijn strijdpaard.
Zie daar een ridder die naar hem toe komt roepen:
“ Heer, deze kampvechter is al op het slagveld gekomen. “
“ Snel dan! “ zei Bauduin, “ maak mij maar gereed. “
Toen hebben zij hem een glanzende helm vastgesnoerd
En gaven hem een schild en een lans met een scherp ijzer.
Uit de tenten is hij getreden, zichzelf zegenend in Gods naam;
De baronnen zegenden hem en omhelsden hem:
En Bauduin rijdt te paard, en hij heeft zich zozeer gehaast
Dat hij de Bastaard aantrof op de groenende weide.
Op de kantelen van Rohais stonden zoveel mensen
Dat het er helemaal vol mee was, zowel vanbinnen als vanbuiten,
En daar was ook Oriande, de schone met het bevallige lichaam,
Die vurig uit haar hart bad voor haar trouwe geliefde.
Bauduin van Sebourcq roept luidkeels:
“ Bij mijn trouw, ging u vanmorgen vroeg zo gehaast op pad? “
“ Bij God, “ zei de Bastaard, “ ik zeg u dit wel,
“ Dat ik de strijd zozeer verlang
“ Dat ik vannacht geen oog dicht kon doen, hoegenaamd niet.
“ Heer, “ zei de Bastaard, “ ik heb lang op u gewacht,
“ Ik dacht zowaar al, ik zal er niet om liegen,
“ Dat u berouw had gekregen, zo dacht ik werkelijk.
“ Blij ben ik nu ik u zie, het lijkt wel of ik
“ De strijd al gewonnen heb; weldra zal ik u gedood hebben!
“ Ziet u daar mijn dame met haar zo vrolijke verschijning,
“ Daar daarboven op die wachttorens? Al een hele tijd heb ik haar lief;
“ Wanneer ik u gedood heb, zal ik haar tot vrouw nemen.
“ Om bezit te nemen van haar lichaam, zal ik u zo'n slag toebrengen
“ Dat ik u vanaf hier tot in de tanden zal doorklieven!
“ De koning die u deze stad gaf die ik bezit
“ Deed helemaal niets groots voor u, want dat weet ik wel:
“ U zult er de dood door vinden, want ik zal mij ervoor inspannen.
“ Ik daag u uit in de naam van God en van Sint-Nicolaas!
“ Wees nu op uw hoede voor mij, want ik zal u vernietigen,</i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
enac2lvfebfrdvo1zdu7lktema9nkou
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/846
104
88799
226207
2026-08-31T08:35:35Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226207
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Par ·iij· fois a criet c’on li voist envoïant
« Chellui qui contre lui emprist er soir le champ ;
« Et dist, que s’il ne vient enchois nonne sonnant,
« Que de sa foy mentie il l’ira encoupant. »
« Hé ! Diex, » dist Baudewins, « comme il se va hastant !
« Ch’est contre son domage et son combrier grant. »
Lors a dit à ches hommes : « à Jhésu vous commant. »
Hors de son paveillon va, Baudewins, issant :
Né per né compaignon ne va o lui menant.
Le chevalier regarde le Bastard, son enfant,
Qui fièrement l’atent sus le lance apoïant ;
Si dist : « vés-là vassal d’un corage vaillant !
« Bien samble prex as armes qui le va regardant. »
Ensément Baudewins aloit son fil prisant,
Qui moult of convoitiet à véoir son samblant.
Li Bastars de Sebourc fu ens ou champ armés,
Sa lance fu à terre, s’el tint par l’autre lés ;
Sus l’arestoel s’apoie comme vassaus menbrés.
Et Baudewins brocha, si est vers lui alés,
A haute vois li crie : « chevaliers, vous m’arés !
« Mais assés miex venist, par Dieu qui fu pénés
Qu’encore ne fuissiés de vostre lit levés !
« Ch’est encontre vo mal que si fort vous hastés. »
Et li Bastard respont : « par Dieu, vous ne savés,
« Che ne dirés vous mie ains que vous m’eschapés !
« Or, me dites comment nous champ est acordés ? »
« Vassaus, » dist Baudewins, « à-par-main le sarés :
« A vous me combaterai, à fin que vous jurés
« Que, sé par moy vous estes recréans et matés,
« La chité de Rohais cuite vous me larés,
« Né jamais les bourgois vous ne conforterés ;
« Et, sé je sui vaincus, cheste chité arés
« A vo commandement et à pais le tenrés. »
« Voire, » dist li Bastars, « merveilles me contés !
« Estes-vous si grans maistres en cestui hérités
</poem>
|valign=top|
<poem>
“ Al driemaal heeft hij geroepen dat men hem diegene moet sturen
“ Die gisteravond het strijdperk tegen hem heeft aangenomen;
“ En hij zegt dat, als hij niet komt voor het luiden van het middaguur,
“ Hij hem zal gaan beschuldigen van zijn gebroken eed. “
“ Ach! God, “ zei Boudewijn, “ wat heeft hij toch een haast! 660
“ Het is in zijn eigen nadeel en tot zijn grote kwelling. “
Toen zei hij tegen zijn mannen: “ aan Jezus beveel ik u aan. “
Boudewijn gaat zijn tent uit, naar buiten:
Noch gelijke, noch metgezel neemt hij met zich mee.
De ridder kijkt naar de Bastaard, zijn kind,
Die hem trots opwacht, steunend op zijn lans;
En hij zegt: “ zie daar een vazal met een moedig hart!
“ Hij lijkt zeer dapper in de wapenstrijd voor wie hem zo bekijkt. “
Zo stond Boudewijn zijn zoon te prijzen,
Wiens gelaat hij zo vurig had verlangd te zien. 670
De Bastaard van Sebourc stond gewapend in het strijdperk,
Zijn lans stond op de grond, en hij hield hem aan het andere eind vast;
Op de lanssteun leunt hij als een welgebouwde vazal.
En Boudewijn spoorde zijn paard aan, en is naar hem toe gereden,
Met luide stem roept hij hem toe: “ ridder, u zult mij krijgen!
“ Maar het was veel beter geweest, bij God die heeft geleden,
“ Dat u nog niet uit uw bed was opgestaan!
“ Het is tegen uw eigen bestwil dat u zich zo haast. “
En de Bastaard antwoordt: “ bij God, u weet het niet,
“ Dit zult u zeker niet zeggen voordat u aan mij ontsnapt! 680
“ Vooruit, vertel mij hoe de voorwaarden van onze strijd zijn afgesproken? “
“ Vazal, “ zei Boudewijn, “ dadelijk zult u het weten:
“ Met u zal ik strijden, opdat u zweert
“ Dat, als u door mij uitgeput en verslagen bent,
“ U de stad Rohais onvoorwaardelijk aan mij zult overlaten,
“ En de burgers nooit meer zult steunen;
“ En, als ik overwonnen ben, zult u deze stad bezitten
“ Onder uw gezag, en u zult haar in vrede besturen. “
“ Waarlijk, “ zei de Bastaard, “ u vertelt mij wonderlijke dingen!
“ Bent u zo'n grote heer in dit erfgoed 690
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
q76e6odjb9qc54y8fpd5ov5zehkjdzf
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/847
104
88800
226208
2026-08-31T08:38:08Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226208
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
« Ne poès escaper puisque droit ci vous ai ! »
« C’est voirs, » dist Bauduwins, « bien croi que je morai,
« Alés quière vo sacq et je m’i bouterai. »
Or, se sont eslongiet li canpion roïal,
Puis vinrent l’un viers l’autre, cescun sur son ceval :
Des lances qui sont roides, au pignon de cendal,
Se donnèrent grans cos li doi amit carnal :
S’ont leur lances brisie à leur proumiers asal.
Bauduwins trait l’espée, trençant que Durendal,
Et li Bastars la soie qui trence par jugal ;
Li uns va ferir l’autre sur le maistre nasal.
Là, véisiés batalle et moult fort batestal :
Bauduwins de Sebourcq o cuer de boin vasal,
Je croi qu’en tout le monde n’ot si enpérial ;
Durs estoit et légiers, il ot soufiert maint mal.
Ne donne de son fil le monte d’un eltal,
Non pourquant le trouva si fier, en ce journal,
C’onques mais ne reçut, par homme, tel traval
Qui reçut pour son fil qui le cuer ot loïal.
Grande fu la batalle et fière la mellée.
Li haut baron de l’ost estoient sur le prée,
En sus de le batalle bien une arbalestrée ;
Et regardent l’estour et le fière mellée,
Et se vont espérer à qui iert la journée :
Car li uns et li autres a telle relommée
Cescun son compagnon requiert bien à l’espée,
Ossi bien que le mort ne doutasent denrée.
Li Bastars de Sebourcq, où viertus fu prouvée,
A sen père donna une telle colée,
Sus le seniestre espaule a l’armure entamée
Si que li sans viermaus l’en fille sus le prée.
Quant Bauduwins le voit, s’a le coulour muée,
Au Bastart gette ·j· cop, ensi qu’en le volée,
Et li Bastars li gette devant sa targe lée ;
Bauduwins i féri, qui par mi l’a copée,
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>“ Je kunt niet ontsnappen nu ik u hier precies heb! “
“ Het is waar, “ zei Boudewijn, “ ik geloof wel dat ik sterven zal,
“ Ga uw zak halen en ik zal er mij in werpen. “
Nu hebben de koninklijke kampioenen afstand genomen,
Toen kwamen ze naar elkaar toe, ieder op zijn paard:
Met de lansen die stijf zijn, met het vaantje van zijde,
Gaven de twee bloedverwanten elkaar grote klappen:
En zij hebben hun lansen gebroken bij hun eerste aanval.
Boudewijn trekt het zwaard, scherper snijdend dan Durendal,
And de Bastaard het zijne dat rechtmatig snijdt;
De een gaat de ander raken op het belangrijkste neusstuk van de helm.
Daar zou u een veldslag zien en een zeer hevig lawaai:
Boudewijn van Sebourcq met het hart van een goede vazal,
Ik geloof dat er in de hele wereld geen zo keizerlijk was;
Hard was hij en behendig, hij had menig kwaad doorstaan.
Hij geeft om zijn zoon nog niet de waarde van een kleinigheid,
Niettemin vond hij hem zo trots, op deze dag,
Dat hij nooit tevoren, door een man, zo'n zware inspanning onderging
Als hij onderging door zijn zoon die het hart loyaal had.
Groot was de veldslag en trots het handgeméén.
De hoge baronnen van het leger stonden op de weide,
Verwijderd van de veldslag wel het schot van een kruisboog;
En zij bekijken het gevecht en het trotse handgeméén,
En zij gaan hopen aan wie de dagvriend zal toebehoren:
Want de een en de ander heeft zo'n grote roem
Ieder daagt zijn metgezel flink uit met het zwaard,
Evenzeer alsof zij de dood voor geen cent vreesden.
De Bastaard van Sebourcq, wiens deugd bewezen was,
Gaf aan zijn vader zo'n zware zwaardhouw,
Op de linkerschouder is de wapenrusting opengebroken
Zodat het helderroode bloed ervan over de weide stroomt.
Toen Boudewijn het zag, veranderde hij van kleur,
Naar de Bastaard deelt hij één slag uit, alsof in de vlucht,
En de Bastaard werpt zich voor zijn brede schild;
Boudewijn sloeg daarop, en heeft het middendoor gehakt,</i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
aupqd1f7wiejm3dyrk0csycmkunyar2
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/848
104
88801
226209
2026-08-31T08:42:51Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226209
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Que li baron feront toutes vos volentés ?
« Pas ne vous en crérai, ès jours de mes aés,
« Sé che ne vous acorde Buiémons et Tangrés,
« Corbarans d’Oliferne, li bons rois couronnés,
« Huon de Tabarie ; mais sé cheus m’amenés,
« A fin que chil me jurent ce que dit vous avés,
« Je m’i tenrai moult bien. Et je, à l’autre lés,
« Pour che que je vaurai que très bien me créés,
« Je vous donrai en plèges, sé prendre le volés,
« Oriande, ma femme, où grans est li biautés. »
« Vassaus, » dist Baudewins, « tel plèges me donrés !
« Je ne vous i créroie ·ij· deniers monaés.
« Il en a par le monde, si m’aït Diex, assés
« S’il avoient perdut, as tables et as dés,
« Et femmes et enfans, n’en donroient d’assés
« Le monte d’un denier. Autres plèges lairés. »
« Sire, » dist li vassaus, « che est bien vérités.
« Faites venir les prinches que je hai demandés,
« Et je vous liverai plèges à vostres sés. »
Baudewins retourna, galopant vers les très,
·j· chevalier apelle, si li dist : « chà venés,
« Alés à Corbarant et se li recordés
« Qu’à moy viègne parler, que n’i soit arrestés ;
« Huon de Tabarie o lui me ramenés,
« Buiémont de Sézille et ses cousins Tangrés. »
Et chuis a respondut : « sé con vous commandés. »
Ne sai que vous en fust nus soursplais devisés,
Chil vinrent as barons, ensi qu’of avés ;
Baudewins de Sebourc les a araisonnés :
« Seigneur, » dist Baudewins qu’à Sebourc fu nouris,
« Vés-ci ·j· chevalier où j’ai che champ enpris ;
« Il voelt que vous jurés les sains de paradis
« Que, sé je sui par lui en ce champ desconfis,
« Que le siège lairés et ce noble païs,
« Né que jamais nul jour, tant que vous soïés vis,
</poem>
|valign=top|
<poem>
“ Dat de baronnen al uw wensen zullen vervullen? “
“ Ik zal u hierin nooit geloven, in alle dagen van mijn leven, “
“ Tenzij Bohemund en Tancred dit met u overeenkomen, “
“ En Corbaran van Oliferne, de goede gekroonde koning, “
“ En Huon van Tiberias; maar als u hen hierheen brengt, “
“ Zodat zij mij zweren wat u zojuist heeft gezegd, “
“ Dan zal ik mij er zeer wel aan houden. En ik, aan de andere kant, “
“ Omdat ik wil dat u mij ten volle gelooft, “
“ Zal u als onderpand geven, als u dat wilt aannemen, “
“ Oriande, mijn vrouw, wier schoonheid groot is. “ 700
“ Vazal, “ zeide Boudewijn, “ zulk een onderpand zult u mij geven! “
“ Ik zou u nog geen twee geslagen penningen geloven. “
“ Er zijn er ter wereld, zo helpe mij God, genoeg “
“ Die, als zij alles hadden verloren bij het bord- en dobbelspel, “
“ Zowel vrouwen als kinderen, er nog geen waarde “
“ Van één penning om zouden geven. U zult andere borgen achterlaten. “
“ Heer, “ zeide de vazal, “ dat is de zuivere waarheid. “
“ Laat de vorsten komen die ik heb gevraagd, “
“ En ik zal u borgen leveren naar uw eigen genoegen. “
Boudewijn keerde om en galoppeerde naar de tenten, 710
Hij roept een ridder en zegt tot hem: “ kom hierheen, “
“ Ga naar Corbaran en herinner hem eraan “
“ Dat hij met mij komt spreken, zonder uitstel; “
“ Breng Huon van Tiberias met hem mee terug, “
“ Bohemund van Sicilië en zijn neef Tancred. “
And de ander antwoordde: “ zoals u beveelt. “
Ik weet niet of u enig misnoegen werd betoond,
Zij kwamen bij de baronnen, zoals u heeft gehoord;
Boudewijn van Sebourc sprak hen aldus toe:
“ Heren, “ zeide Boudewijn die in Sebourc was opgevoed, 720
“ Zie hier een ridder met wie ik deze strijd ben aangegaan; “
“ Hij wil dat u zweert bij de heiligen van het paradijs “
“ Dat, indien ik door hem op dit veld word verslagen, “
“ U het beleg zult opbreken en dit edele land zult verlaten, “
“ En dat u nooit, op geen enkele dag zolang u leeft, “
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
ophpvoa44wo8sq60jdc6ebe911mckkg
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/849
104
88802
226210
2026-08-31T08:49:10Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226210
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
Plus d’une paume i est, li boine espée, entrée.
Au resaquier qu’il fist, s’a se targe virée,
Hors des mains dou Bastart est à le tière alée,
Lespée Bauduwin est a le tière coulée.
Et quant Bauduwins voit qu’il a pierdut s’espée,
Au Bastart est venus, qui ot cière menbrée,
Et l’estraint à ·ij· mains tout parmi le ventrée ;
Et li Bastars l’ahiert. La, fu luite esgardée :
Mais Bauduwins fu durs, s’ot viertut esprouvée,
Là sont-il, anbedoi, quéus a le tiérée,
Li Bastars fu desous. La, i ot grant criée.
Or, sont andoi céus, li vallant canpion,
Ii tournent et retournent et luitent, li baron,
Mais Bauduwins estoit plus fors, ce nous dist-on,
Que li Bastars, ses fieux, plus dure ot le façon ;
S’en ot trop le piour a cel establison :
Ses péres fu sur li, qui cuer ot de lion,
Qui de ses poins li donne souvent grant horion.
Une miséricorde avoit à son géron ;
Li Bastars li saca, ou il vosist ou non,
Son pére l’esteca parmi le haubregon :
Sé ne fussent les plates, mors fust sans raançon.
Bauduwins se dréça, car il ot soupeçon,
Enviers l’espte queurt, qui gisoit ou sablon ;
Et li Bastart le siet qui reprist son blason ;
Puis revinrent ensamble commencier le tençon.
La endroit se combatent, li nobile baron,
Jusqu’a viespre sonnant dura li caplison.
« Vasaus, » dist li Bastars, « t’aies maléiçon !
« Car moult me fais de maus et de paine a fuison.
« Onques n’en soufri tant, par nés un canpion,
« Et s’ai éut afaire, si ait m’arme pardon,
« Contre le plus fort homme de France le roïon. »
« Vassaus, » dist Bauduwins, « comment l’apielloit-on ? »
« Par foi, » dist li Bastars, « Gaufrot avoit à non.
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>Meer dan een handpalm diep is het goede zwaard binnengedrongen.
Toen hij het terugtrok, is zijn schild weggedraaid;
uit de handen van de Bastaard is het op de grond gevallen,
het zwaard van Boudewijn is naar de aarde gegleden.
En toen Boudewijn zag dat hij zijn zwaard kwijt was,
is hij naar de Bastaard toe gegaan, die een krachtig gezicht had,
en greep hem met twee handen stevig rond de buik;
en de Bastaard pakte hem ook vast. Daar werd een worsteling aanschouwd:
maar Boudewijn was hard en had zijn kracht al bewezen,
daar liggen zij, beiden ter aarde gestort,
de Bastaard lag onderop. Daar klonk een luid geschreeuw.
Nu zijn beiden gevallen, de dappere kampioenen,
zij draaien en keren en worstelen, de baronnen,
maar Boudewijn was sterker, zo vertelt men ons,
dan de Bastaard, zijn zoon; hij was geharder gebouwd;
daardoor had de ander het zwaar te verduren in deze positie:
zijn vader zat bovenop hem, die het hart van een leeuw had,
en hem met zijn vuisten vaak een flinke klap verkocht.
Een genadedolk had hij aan zijn gordel hangen;
de Bastaard rukte hem los, of hij (Boudewijn) nu wilde of niet,
en stak zijn vader dwars door het maliënkolder:
als de harnasplaten er niet waren geweest, was hij onherroepelijk dood geweest.
Boudewijn richtte zich op, want hij vertrouwde het niet,
hij rende naar het zwaard dat in het zand lag;
en de Bastaard volgde hem, nadat hij zijn schild weer had gepakt;
daarna kwamen zij weer samen om de strijd te hervatten.
Op die plek vechten zij, de edele baronnen,
tot het luiden van de avondklok duurde het geding.
"Vazal," zei de Bastaard, "vervloekt luidt uw naam!
"Want u doet mij zeer veel kwaad en overvloedig lijden.
"Nooit heb ik zoveel doorstaan van welke kampioen dan ook,
"en hoewel ik strijd heb geleverd, moge mijn ziel vergeving vinden,
"tegen de sterkste man van het koninkrijk Frankrijk."
"Vazal," zei Boudewijn, "hoe noemde men hem?"
"Bij mijn geloof," zei de Bastaard, "Gaufrot was zijn naam."</i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
am1gmejcn5x7n55jcaxyhjatfypzv3q
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/850
104
88803
226211
2026-08-31T08:55:07Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226211
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
{{iwpage|fr}}
</poem>
|valign=top|
<poem>
“ U zult niet toestaan, noch door daden noch door woorden,
“ Dat de koning van Syrië of de zijnen worden belegerd.
“ En hij heeft mij beloofd, bij het lichaam van Jezus Christus,
“ Dat, als ik hem overwin op deze bloemrijke weiden,
“ Hij mij Edessa en het nobele domein zal overlaten. “730
En zij stemden toe, hoewel met grote tegenzin;
Maar, omdat zij vertrouwen stelden in de nobele markies,
Hebben zij de zaak bereidwillig en zonder tegenzin aanvaard.
“ Nu snel! “ zei Boudewijn, die dapper en koen was,
“ Edelen, levert mij borgen uit het midden van uw vrienden. “
De Bastaard ontbood zijn broeders, tot wel tien toe;
Zij kwamen naar buiten uit Edessa, gezeten op grijze paarden,
Totdat zij bij de Bastaard halt hielden.
Uit Edessa vertrokken de bastaarden onmiddellijk;
Zij kwamen bij de Bastaard, die hen op het veld opwacht, 740
En zeiden luid tot hem, zonder enig dralen:
“ Broeder, wij staan hier tot uw beschikking. “
“ Heren, “ zei de Bastaard, “ hoor nu mijn wil;
“ Gaat heen als borgen voor mij, en wel snel,
“ Want weet, heren broeders, dat ik de afspraak heb...
“ Dat, als ik overwonnen word en als God ermee instemt,
“ Ik de stad zal achterlaten en heel dit leengoed. “
En zij antwoordden: “ Tot uw beschikking. “
“ Hoe zo, “ zei Boudewijn met een trotse houding,
“ Bent u allen werkelijk elkaars volle broeders? “750
“ Jazeker, “ zeiden de bastaarden, “ bij de almachtige God,
“ En er zijn er in Edessa waarlijk nog eens zoveel. “
“ Bij mijn geloof, “ zei Boudewijn, “ ik geloof vast
“ Dat u bastaarden bent, want mijn hart vertelt het mij. “
En zij antwoordden: “ Vervloekt zij degene die erom liegt! “
Zij zeiden tegen hun broeder: “ Neem nu wraak
“ Op hem die ons zo schaamteloos bastaarden noemt. “
Naar de tenten trekken de tien openlijk op.
De Bastaard van Sebourc aarzelde niet,
Hij sprak helder en luid tot Boudewijn: 760
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
s4sinodn17t2zbndmko4mlb0410etb8
226224
226211
2026-08-31T10:13:03Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226224
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Vous ne consentirés, né par fais nė par dis,
« Que du roy de Surie né des siens soit assis.
« Et il m’ara covent, sus le corps Jhésu-Cris,
« Que, sé je le conquier dessus ches prés floris,
« Qu’il me laira Rohais et le noble pourpris. »
Et chil ont acordé, mais che fu moult envis ;
Mais, pour che qu’il se fient ens ou noble marcis,
Ont le chose acordée volentiers non envis.
« Or tost ! » dist Baudewins, qui fu prex et hardis,
« Vassaus, livres-me plèges d’aucuns de vous amis. »
Li Bastars a mandé ses frères, jusqu’à ·x· ;
Chil issen de Rohais, dessus les chevaus gris,
Enfreci qu’au Bastard n’ont arrestance pris.
De Rohais se partirent, li bastard, erroment ;
Au Bastard sont venu, qui ou champ les atent,
Se li ont dit en haut, sans nul arrestement :
« Frère, nous sommes chi à vo commandement. »
« Seignour, » dist li Bastars, « or oïés mon talent ;
« Alés-vous-ent en plèges, pour moy, isnèlement,
« Car sachiés, seignour frère, que … en couvenent
« Que, sé je sui vaincus et sé Diex s’i assent,
« Que la ville lairai et tout ce quasement. »
Et chil ont respoudu : « à vo commandement. »
« Comment, » dist Baudewins, au fier contenement,
« Estes-vous trestout frère ensamble proprement ? »
« Oïl, » font li bastard, « par Dieu omnipotent,
« Et s’en a, en Rohais, plus d’otant vraiement. »
« Par foi, » dist Baudewins, « je croi chartainement
« Que vous estes bastars, quer li coers le m’aprent ? »
Et chil ont respondu : « pendus soit qui en ment ! »
Il ont dit à lor frère : « car prendés vengement
« De chel qui nous appelle bastard si faitement. »
Envers les trés en vont, li ·x·, apertement.
Li Bastars de Sebourc n’i fist arrestement,
Il dist à Baudewin, à se vois, clèrement :
</poem>
|valign=top|
<poem>
“ U zult niet toestaan, noch door daden noch door woorden,
“ Dat de koning van Syrië of de zijnen worden belegerd.
“ En hij heeft mij beloofd, bij het lichaam van Jezus Christus,
“ Dat, als ik hem overwin op deze bloemrijke weiden,
“ Hij mij Edessa en het nobele domein zal overlaten. “730
En zij stemden toe, hoewel met grote tegenzin;
Maar, omdat zij vertrouwen stelden in de nobele markies,
Hebben zij de zaak bereidwillig en zonder tegenzin aanvaard.
“ Nu snel! “ zei Boudewijn, die dapper en koen was,
“ Edelen, levert mij borgen uit het midden van uw vrienden. “
De Bastaard ontbood zijn broeders, tot wel tien toe;
Zij kwamen naar buiten uit Edessa, gezeten op grijze paarden,
Totdat zij bij de Bastaard halt hielden.
Uit Edessa vertrokken de bastaarden onmiddellijk;
Zij kwamen bij de Bastaard, die hen op het veld opwacht, 740
En zeiden luid tot hem, zonder enig dralen:
“ Broeder, wij staan hier tot uw beschikking. “
“ Heren, “ zei de Bastaard, “ hoor nu mijn wil;
“ Gaat heen als borgen voor mij, en wel snel,
“ Want weet, heren broeders, dat ik de afspraak heb...
“ Dat, als ik overwonnen word en als God ermee instemt,
“ Ik de stad zal achterlaten en heel dit leengoed. “
En zij antwoordden: “ Tot uw beschikking. “
“ Hoe zo, “ zei Boudewijn met een trotse houding,
“ Bent u allen werkelijk elkaars volle broeders? “750
“ Jazeker, “ zeiden de bastaarden, “ bij de almachtige God,
“ En er zijn er in Edessa waarlijk nog eens zoveel. “
“ Bij mijn geloof, “ zei Boudewijn, “ ik geloof vast
“ Dat u bastaarden bent, want mijn hart vertelt het mij. “
En zij antwoordden: “ Vervloekt zij degene die erom liegt! “
Zij zeiden tegen hun broeder: “ Neem nu wraak
“ Op hem die ons zo schaamteloos bastaarden noemt. “
Naar de tenten trekken de tien openlijk op.
De Bastaard van Sebourc aarzelde niet,
Hij sprak helder en luid tot Boudewijn: 760
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
awe3wfhzhtnir7vh2uc154rq2fw9ovk
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/851
104
88804
226212
2026-08-31T08:57:13Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226212
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
« Il me fist cevalier, jà n’ait s’arme pardon ;
« Je fu fais cevalier d’un si mau… glouton,
« Qu’à paines en poroit avenir sé mal non.
« Par foi, » dist li Bastars, « je fu fais cevalier
« Dou plus fort traitour de France l’irétier,
« N’aroie pas fiance Dieux me péuist aidier.
« Cieux Sires le confonde, qui tout a à jugier ! »
Quant Bauduwins l’entent, le sancq prist à cangier,
Si a dit au Bastart : « ne me voelliés noiier ;
« Vasaus, d’ons estes-vous né de quel irétier ? »
« Sire, » dist li Bastars, « dou pais Hainuïer,
« Bien priès de Valenciènes, à ·j· castiel plénier
« C’en apielle Sebourcq, seloncq le mien cuidier. »
Dont jeta son blason, Bauduwins, au sentier
Et de l’autre partie jeta son brancq d’acier,
Et a dit au Bastart : a biaux fieux, vie-me baisier,
« Car je sui le tiens pères, sé Dieux me puist aidier.
« G’ai à non Bauduwins et si te vos gaignier
« En le noble dansielle qu’iert fille au cevalier.
« Fieux sui de le roïne qui Nimaie a ballier. »
Quant li Bastars l’entent, n’i ot que eslécier,
Hors de son cief r’osta le hiaume d’acier ;
Ossi fist Bauduwins ; l’un l’autre vont baisier.
Li Bastars à ses frères commença à hucier :
« C’or descendés à val, trestout mi frère entier,
« Si venés Bauduwin, vo père, fiestiier. »
Adont devant son père se va agenoulier,
De çou qui li a fait li va mercit criier ;
Et li ·xxx· bastart vont le pont abassier,
Si vinrent à leur père, courant desus l’ierbier,
L’un l’acolle devant et li autre dérier.
Li boins rois Bauduwins forment se resléça
Quant il vit telle fieste ; adont tantos broça
Et vint à Bauduwin et se li escria :
« Bauduwins de Sebourcq, » dist li rois, « qu’es-se là ?
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>“ Hij sloeg mij tot ridder, moge zijn ziel nooit vergeving vinden;
“ Ik werd tot ridder geslagen door zo'n slechte.... schurk,
“ Dat er nauwelijks iets goeds van had kunnen komen.
“ Bij mijn geloof, “ zei de Bastaard, “ ik werd tot ridder geslagen
“ Door de grootste verrader en erfgenaam van Frankrijk,
“ Ik had geen hoop dat God mij zou kunnen helpen.
“ Moge de Heer hem vernietigen, Hij die over alles moet oordelen! “
Toen Boudewijn dit hoorde, veranderde zijn bloed van kleur,
En hij zei tegen de Bastaard: “ wil het niet voor mij verzwijgen;
“ Vazal, waar zijt gij geboren en van welke landheer? “
“ Heer, “ zei de Bastaard, “ uit het land van Henegouwen,
“ Zeer dicht bij Valenciennes, in een versterkt kasteel
“ Dat men Sebourcq noemt, naar mijn mening. “
Toen wierp Boudewijn zijn schild op het pad
En aan de andere kant wierp hij zijn stalen zwaard,
En hij zei tegen de Bastaard: “ lieve zoon, kom mij kussen,
“ Want ik ben uw vader, zo moge God mij helpen.
“ Ik heet Boudewijn en ik heb u verwekt
“ Bij de edele jonkvrouw die de dochter van de ridder was.
“ Ik ben de zoon van de koningin die Nijmegen in bezit heeft. “
Toen de Bastaard dit hoorde, was er niets dan grote vreugde,
Van zijn hoofd nam hij de stalen helm af;
Hetzelfde deed Boudewijn; de een ging de ander kussen.
De Bastaard begon naar zijn broers te roepen:
“ Kom nu allemaal naar beneden, al mijn broers tezamen,
“ En kom Boudewijn, uw vader, verwelkomen. “
Toen ging hij voor zijn vader op de knieën,
En smeekte hem om vergeving voor wat hij hem had aangedaan;
En de dertig bastaarden lieten de ophaalbrug zakken,
En kwamen naar hun vader toe, rennend over het gras,
De een omhelst hem van voren en de anderen van achteren.
De goede koning Boudewijn verheugde zich zeer
Toen hij zo'n feest zag; toen spoorde hij zijn paard aan
En kwam naar Boudewijn toe en riep naar hem:
“ Boudewijn van Sebourcq, “ zei de koning, “ wat is daar gaande? *</i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
e1qtlucdhoji2inr3bec6dzx4q0nnyt
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/852
104
88805
226213
2026-08-31T09:01:54Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226213
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Vassaus, je vous desfi de Dieu primièrement
« Et puis du corps de moy ! » Lors, hurta vistement
Le boin courant destrier, qui ne coert mie lent ;
Baudewins de Seboure li revient ensément ;
Les lanches abaissièrent pour jouster radement,
Des lanches se férirent par si fier mautalent
Les lanches ont froées, ne durèrent noient.
Il s’empassèrent outre, chascuns s’espée prent ;
Au retour qu’il ont fait, s’en fièrent fermement.
Dou père vers le fil i ot grant caplement :
Li un ne connoist l’autre, par nès ·j· convenent,
Pour ochirre l’un l’autre avoient grant talent.
Es prés devant Nymaie i ot bataille fière,
Dou fil contre le père, qui monstroient manière
D’ochirre li ·j· l’autre, chascuns fait bonne chière :
Li Bastars de Seboure ne se traist pas dérière,
Il entoise le branc ; si va, si qu’en costière,
Le sien père férir sus sa targe plénière ;
Le pointe se fiqua par dessous le gorgière,
Le fer li entama et percha comme osière
Si que le sanc en fist couler sus le charière.
Quant Baudewins le voit, si réclama saint Pière
Et a dit « mère Dieu, royne trésorière,
« Sé chius m’assenne ensi, j’arai mestier de bière ! »
Baudewins de Sebourc, qui tant de bonté a,
Quant vit son sanc à terre forment li em pesa ;
Si dist que jamais jour il ne se prisera,
S’il ne se poet vengier. Li Bastars li cria :
« Par me foi, chevaliers, malement vous ira !
« Vous porrés… moult bien, ains que partés de chà,
« Que che fu le déables qui chi vous aporta. »
Baudewins l’entent bien, mays poy i aconta,
Bien se pense à vengier ; lors le branc entesa,
Vers le Bastard s’en vint et le cop li esma.
Chuis liève son blason, qui le cop redoubta,
</poem>
|valign=top|
<poem>
“ Edelman, ik daag u allereerst uit in de naam van God
“ En vervolgens met mijn eigen lichaam! “ Toen spoorde hij snel
Het goede, snelvoetige strijdpaard aan, dat allerminst traag rende;
Boudewijn van Sebourc komt op dezelfde wijze op hem af;
Zij lieten de lansen zakken om onstuimig te steken,
Met de lansen troffen zij elkaar met zo'n felle woede
Dat de lansen verbrijzelden en volstrekt geen stand hielden.
Zij stormden elkaar voorbij, ieder grijpt zijn zwaard;
Bij de keer die zij maakten, sloegen zij krachtig op elkaar in.
Tussen de vader en de zoon was er een groot gevecht: 770
De een kent de ander niet, door een zekere samenloop,
Om elkaar te doden hadden zij een groot verlangen.
In de weiden voor Nijmegen was er een felle strijd,
Van de zoon tegen de vader, die de neiging toonden
Om elkaar te doden, ieder houdt zich kranig:
De Bastaard van Sebourc hield zich niet in tegenspoed in,
Hij heft het zwaard; en gaat zo, dat hij in de flank,
Zijn eigen vader raakt op zijn grote schild;
De punt boorde zich vast net onder de halsberg,
Het ijzer schramde hem en sneed erdoor als door een wilgentwijg 780
Zodat het bloed ervan over het pad stroomde.
Wanneer Boudewijn dat ziet, riep hij Sint-Petrus aan
En zei: “ Moeder Gods, koningin en schatbewaarster,
“ Als deze mij zo treft, zal ik een lijkbaar nodig hebben! “
Boudewijn van Sebourc, die zoveel goeds in zich heeft,
Toen hij zijn bloed op de grond zag, griefde het hem hevig;
En hij zei dat hij zichzelf nooit meer zal waarderen,
Als hij zich niet wreken kan. De Bastaard riep hem toe:
“ Bij mijn geloof, ridder, het zal slecht met u aflopen!
“ U zult... zeer wel merken, voordat u hiervandaan vertrekt, 790
“ Dat het de duivel was die u hierheen heeft gebracht. “
Boudewijn hoort hem wel, maar hij sloeg er weinig acht op,
Hij denkt er duchtig aan zich te wreken; toen hief hij het zwaard,
Kwam op de Bastaard af en richtte de slag op hem.
Deze heft zijn schild op, want hij duchtte de slag,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
0d41o1ecuqb96kku86d4swxpq52ex0g
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/853
104
88806
226214
2026-08-31T09:05:55Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226214
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
« Vous estes-vous rendus à ciaux de par delà ? »
« Sire, » dist Bauduwins, a nanil, n’en doutés já.
« Mais tous ces damoisiaux, que vous véés iça,
« Ce sont tout mi enfant, mes cors les engenra ;
« Et vé-ci le Bastart de Sebourcq, par delà,
« Qui encontre Gaufroi tellement behourda
« Qu’à tière l’abati et moult fort le navra.
« Çou est li plus hardis qui jamais nes sera,
« Voelliés lui pardonner ce que mesfait vous a. »
Adont rois Bauduwins le Bastart acolla
Et ire et mautalent, li rois, leur pardonna ;
Et cescuns des bastars tière ou castiel donna.
Li rois entre en Rohais, que nus ne li véa,
Bauduwin de Sebourcq le grant cité donna,
Et une autre citet au Bastart présenta ;
Mais li Bastars li dist : que jà riens n’en tenra
Se il ne le conquiert, si qu’au roi demanda
Le roïaume d’Egipte que conquerre il ira.
·x· mille saudoiiers li rois li otroïa,
Par itel couvenent li Bastars les ara
Que un ans tous entirs li rois les païera.
Li Bastars de Sebourcq Oriande espousa ;
Moult fu grande li fieste que adont on mena,
·j· mois dura le court et puis se désevra.
Li Bastars de Sebourcq le congiet demanda
Et trestous ses amis .. son père baisa ;
Trestous ses ·xxx· frères en Egipte mena
Et ·x· mil saudoiiers que li rois li donna.
Puis, fu tant en Egipte, à ce c’on me conta,
Qu’il conquist le roïaume ; ses frères maria ;
A cescun de ses frères une ville donna
Ou un castiel puissant et moult les onnera.
Et li rois Bauduwins en Jérusalem va,
Puis ne demora gaires que ses os asambla
Et jure Dame-Dieu, qui le monde estora,
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>“ Heeft u zich overgegeven aan degenen van ginds? “
“ Heer, “ zei Boudewijn, “ zeker niet, twijfel daar nooit aan.
“ Maar al deze jongemannen, die u hier ziet,
“ Dat zijn allemaal mijn kinderen, mijn eigen lichaam heeft hen verwekt;
“ En zie hier de Bastaard van Sebourcq, daarginds,
“ Die zodanig tegen Godfried toernooide
“ Dat hij hem ter aarde wierp en hem zeer zwaar verwondde.
“ Dit is de dapperste die ooit geboren zal worden,
“ Gelieve hem te vergeven wat hij u misdaan heeft. “
Toen omhelsde koning Boudewijn de Bastaard
En de koning vergaf hun zijn toorn en wrok;
En aan elk van de bastaarden schonk hij land of een kasteel.
De koning trekt Rohais binnen, wat niemand hem ontzegde,
Aan Boudewijn van Sebourcq schonk hij de grote stad,
En een andere stad bood hij aan de Bastaard aan;
Maar de Bastaard zei hem: dat hij er nooit iets van zal bezitten
Als hij het niet zelf verovert, en dus vroeg hij de koning
Om het koninkrijk Egypte, dat hij zal gaan veroveren.
Tienduizend huursoldaten stond de koning hem toe,
Onder de voorwaarde dat de Bastaard hen zal krijgen
Als de koning hen een heel jaar lang volledig betaalt.
De Bastaard van Sebourcq trouwde met Oriande;
Groot was het feest dat men toen vierde,
Een maand lang duurde het hof en toen ging het uiteen.
De Bastaard van Sebourcq vroeg om afscheid
En kuste al zijn vrienden .. zijn vader;
Al zijn dertig broers nam hij mee naar Egypte
En de tienduizend huursoldaten die de koning hem gaf.
Daarna was hij zo lang in Egypte, naar men mij vertelde,
Dat hij het koninkrijk veroverde; hij huwde zijn broers uit;
Aan elk van zijn broers gaf hij een stad
Of een machtig kasteel en hij eerde hen zeer.
En koning Boudewijn gaat naar Jeruzalem,
Toen duurde het niet lang of hij verzamelde zijn leger
En zweert bij de Moeder Gods, die de wereld schiep,</>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
oivl5ugl8zjcciu1dru7ld3hpy81t2e
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/854
104
88807
226215
2026-08-31T09:07:14Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226215
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Et Baudewins i fiert, qui le coer dolant a :
De forche et de vertu tellement i frapa,
Qu’el fort escut devers son espée embarra,
Demi piet largement li espée i entra.
Li Bastars sent le cop, Dame-Dieu aoura
De che que li espée son blason encontra ;
Et Baudewins li crie : « li autres miex ira !
« Sé ne fust li blason, vengiés me fuisse já. »
Li Bastars vint vers lui, s’espée li monstra,
Pour férir sus l’espaulle le signe fait li a ;
Mais il fist ·j· rabat, dessus se ravala.
Baudewins tint le frain et à mont li tira :
Le chevaus où il sist le teste haut drécha,
Li Bastars de l’espée en joustant li livra,
Le teste du cheval li espée encontra,
Parmi les arméures, ou wit qu’il i trouva,
Entra li brans d’achier, que li Bastars bouta,
Dès-si jusques as heus ; ou corps li embarra.
Li chevaus chéi mors et Baudewin versa.
Si tost qu’il vint à terre, en estant se leva,
Onques plus dolans hons ne but né ne menga :
« Hé ! Diex, » dist Baudewins, « qu’est-ce que m’avenra ?
« J’ai fait mainte bataille delà mer et dechà,
« Onques ne trouvai homme, puis qu’à moy s’assambla,
« Dont je fuisse grevés ; mais chius me honnira.
« Maudite soit li hoere que mes corps le trouva ! »
Et li Bastars s’escrie : « chevaliers, qu’est-ce là ?
« Chertes, ce pose moy que vous chevaus gist là ;
« Assener vous cuidai aillours, n’en doubtés ià. »
Baudewins fu à piet, plains fu de grant esmai ;
Son cheval chéi mort, moult regréta le bai.
Il a dit au Bastard : « vous cheval ochirrai ;
« Sé vous ne descendés, le piet li trencherai :
« Mais descendés à piet, nul mal ne vous ferai
« De ci qu’à ichelle heure qu’à terre vous verrai. »
</poem>
|valign=top|
<poem>
En Boudewijn slaat toe, die een bedroefd hart heeft:
Met zo'n kracht en dapperheid sloeg hij toe,
Dat zijn zwaard zich in het sterke schild boorde,
Ruim een halve voet drong het zwaard erin.
De Bastaard voelt de klap en aanbad de Heere God 800
Omdat het zwaard zijn blazoen had getroffen;
En Boudewijn roept hem toe: "De volgende zal beter gaan!
Ware het niet voor het blazoen, dan had ik mij al gewroken."
De Bastaard kwam naar hem toe, toonde hem zijn zwaard,
Om op de schouder te slaan maakte hij een beweging;
Maar hij maakte een ontwijking en dook eronder.
Boudewijn hield de teugel vast en trok hem omhoog:
Het paard waarop hij zat, richtte de kop hoog op,
De Bastaard bracht hem met het zwaard tijdens het steken een slag toe,
Het zwaard trof de kop van het paard, 810
Door de harnaselementen heen, waar hij een opening vond,
Drong het stalen lemmet door dat de Bastaard stootte,
Tot aan het gevecht; het boorde zich in het lichaam.
Het paard viel dood neer en wierp Boudewijn omver.
Zodra hij op de grond viel, rees hij overeind,
Nooit dronk of at een bedroefder man:
"O God," zeide Boudewijn, "wat zal mij overkomen?
Ik heb menige strijd geleverd, overzee en aan deze kant,
Nooit vond ik een man die, toen hij zich met mij mat,
Mij in het nauw bracht; maar deze zal mij te schande maken. 820
Vervloekt zij het uur dat ik hem ben tegengekomen!"
En de Bastaard roept uit: "Ridder, wat is daar aan de hand?
Waarlijk, het spijt mij dat uw paard daar ligt;
Ik was van plan u elders te treffen, twijfel daar niet aan."
Boudewijn was te voet, vervuld van grote ontsteltenis;
Zijn paard viel dood neer, zeer betreurde hij de bruine.
Hij zei tegen de Bastaard: "Ik zal uw paard doden;
Als u niet afstijgt, zal ik hem de poot afhakken:
Maar stijg te voet af, ik zal u geen kwaad doen
Vanaf nu tot aan het uur dat ik u op de grond zal zien." 830
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
obnw8pd07bymgtdgv9a4r46b4eejl35
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/855
104
88808
226216
2026-08-31T09:17:25Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226216
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<i><poem>
Que jamais en se vie nul jour ne finera
De ci à icelle eure que conquestée ara
Le grant citet de Mièques, et à fin métera
Escamart et Sadoine, o tant de fiertet a,
Marbrin et Talefier : ensi li rois jura.
Cil furent ·iiij· frères, à ce c’on me conta,
Et le ve fu Ector qui gouvrena
Salorie, le grande, où rice païs a :
Frère sont Sinamonde, où li rois engenra
Le Bastart de Buillon qui vallaument resgna,
Ensi que vous orés qui taire se vora.
{{lijn|4em}}
</poem></i>
|valign=top|
<poem>
<i>Dat hij nooit in zijn leven op een dag zal ophouden
Vanaf nu tot het uur dat hij veroverd zal hebben
De grote stad Mekka, en een einde zal maken aan
Escamart en Sadoine, die zoveel trots bezitten,
Marbrin en Talefier: aldus zwoer de koning.
Zij waren vier broers, naar wat men mij vertelde,
En de vijfde was Hector die regeerde over
Salorie de grote, wat een rijk land is:
Zij zijn broers van Sinamonde, bij wie de koning verwekte
De Bastaard van Bouillon die dapper regeerde,
Zoals u zult horen, wie stil wil zijn. </i>
{{lijn|4em}}
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
f00t5ml0g64z98jin524dc2xsm1sirz
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/856
104
88809
226217
2026-08-31T09:18:45Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226217
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Et li Bastars s’escrie : « jà ne m’i fierai,
« Mais gardés-vous de moy, car je vous honnirai,
« Par dedens ma chité bien tost vous emmerrai !
« Or vous rendés à moy et je vous pardonrai
« Che que mesfait avés ; grant honnour vous ferai.
« Sé vous ne vous rendés, briément vous tuërai :
« Chertes, au primier cop qu’aujourd’ui vous ferai,
« Soïés fis et chartains c’un tel cop vous donrai
« Que vous chief et vo teste à ·j· cop trencherai.
« A tout le miex venir, ·j· bras vo coperai
« Et puis, dedens Rohais, en prison vous menrai. »
« Vassaus, » dist Baudewins, « savés que je ferai ;
« Je pense moult trè bien qu’à vous pas ne durrai :
« Or alés querre ·j· sac et je m’i mucherai. »
Baudewins tint l’espée, au poing d’or reluisant,
Vers le Bastard s’en va, moult vistement courant :
Au cheval le Bastard va sé bien assenant
C’un piet li a copet, de s’espée trenchant.
Li chevaus est chéus, li Bastard va versant ;
Mais il se releva moult tost en sen estant,
Vers Baudewin en va, se li va escriant :
« Encor ne m’avés mie maté et recréant !
« Or, vous gardés de moy, d’ore mais en avant. »
Lors acole l’escut, le branc va entesant.
Li j. va férir l’autre, ne se vont espargnant ;
Par dessus les hiaumes se vont maint cop donnant,
Les blasons qu’il portoient vont, en maint lieu, copant.
Li Bastars de Sebourc avoit coer de soudant
Et ses pères avoit le corps d’un amirant :
Li ·j· requéroit l’autre par merveillous samblant.
Onques hons ne vit mais ·j· estour si pesant
De ·ij· hommes sans plus, en bataille n’en champ.
Grande fu la bataille, par dessus le praiel :
Li pères et li fielx faisoient grant maisel,
Tout estoient desrout, li escut, en cantel ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
En de Bastaard roept: “Nooit zal ik erop vertrouwen,
Maar pas op voor mij, want ik zal u schande aandoen,
Naar mijn stad zal ik u weldra meevoeren!
Geef u nu aan mij over en ik zal u vergeven
Wat u misdaan hebt; grote eer zal ik u bewijzen.
Als u zich niet overgeeft, zal ik u spoedig doden:
Voorwaar, bij de eerste slag die ik u vandaag zal toebrengen,
Wees er zeker en gewis van dat ik u zo'n slag zal geven
Dat ik uw hals en uw hoofd in één klap zal afhakken.
In het beste geval zal ik een arm van u afhakken 840
En u daarna, binnen Rohais, naar de gevangenis voeren.”
“Vazal,” zei Boudewijn, “weet u wat ik zal doen;
Ik denk wel heel zeker dat ik het niet tegen u zal volhouden:
Ga nu maar een zak zoeken en ik zal me daarin verbergen.”
Boudewijn hield het zwaard vast, met de glanzende gouden gevest,
Naar de Bastaard gaat hij, zeer gezwind rennend:
Het paard van de Bastaard treft hij zo goed
Dat hij er een poot van heeft afgehakt, met zijn scherpe zwaard.
Het paard is gevallen, de Bastaard stort neer;
Maar hij stond zeer snel weer overeind, 850
Naar Boudewijn gaat hij en roept hem toe:
“Nog hebt u mij helemaal niet verslagen en overwonnen!
Welnu, pas op voor mij, van nu af aan.”
Toen omklemde hij het schild, het zwaard opheffend.
De een ging de ander treffen, ze spaarden elkaar niet;
Op de helmen bleven ze elkaar vele slagen toebrengen,
De wapenschilden die zij droegen, hakten zij op menige plek stuk.
De Bastaard van Sebourc had het hart van een sultan
And zijn vader had het lichaam van een emir:
De een bestreed de ander met een ontzagwekkende aanblik. 860
Nooit zag een mens zo'n zware strijd
Van slechts twee mannen, in een gevecht of op een veld.
Groot was de strijd, op de weide:
De vader en de zoon richtten een grote slachting aan,
Alles was vernield, de schilden in stukken;
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
f9wj0oo806kddl5wty8s6ld7p6bj449
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/857
104
88810
226218
2026-08-31T09:20:53Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226218
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Andoy furent à piet, li noble damoisel.
Baudewins de Sebourc va férir le dansel :
De l’espée d’achier, qui of trenchant coutel,
Le féri tellement qu’il trencha le clavel ;
En le char li donna, à che cop, tel mérel
Que li sans en raïa, frec en sont li quaillel.
Baudewins li escrie, si dist ·j· mot nouvel :
« Vassaus, » dist Baudewins, « foy que doy saint Marcel,
« Je croi que vous avés tués vostre pourchel,
« Car vous fineriés bien de tripes plain platel.
Li Bastars de Sebourc, quant vit son sanc raïer,
Son escu gète à terre et sa lance d’achier ;
Venus est à son père, le nobile princhier,
Parmi le corps l’ahert, si le prist à luitier :
Et Baudewins l’ahert, qui bien sot le mestier ;
Par si grant mautalent va son fil espongnier,
A ·j· tour de sa gambe le va si toueillier
Contre terre l’estent. Là, le fist trébuchier
Près que le coer du ventre ne li a fait froissier,
Non pourquant l’abati à si grant encombrier
Que li coers li fali, ne se pooit aidier ;
Quant il revint à lui, si commenche à huchier :
« A ! Baudewins, biaus père, Diex vous vœille avanchier !
« Aujourd’ui perderés le Bastard droiturier
« Qui de vous à véoir avoit grant désirier.
« Jamais ne vous verrai né vous franche moullier ! »
Li Bastars sent l’angoisse dont il fu apressés,
Car petit s’en fali ses coers ne fu crevés ;
Lors a dit, li Bastars, ·iiij· mos bien entés :
« A ! Baudewins, biaus pères, jamais ne me verrés ! »
Quant Baudewins l’entent, en estant ch’est levés,
Il a dit au Bastard : « amis, or vous levés,
« Si me dites, amis, pour Dieu ne me célés,
« Qui est chius Baudewins que vous chi regrétés ? »
« Vassaus, » dist li Bastars, « à-par-main le sarés :
</poem>
|valign=top|
<poem>
Beiden waren te voet, de edele jonkers.
Boudewijn van Sebourc gaat de jongeling te lijf:
Met het stalen zwaard, dat een scherp lemmet had,
Sloeg hij hem zo hard dat hij de malienkraag doorkliefde;
In het vlees gaf hij hem, met deze slag, zo'n merkteken 870
Dat het bloed eruit stroomde; vers zijn de druppels.
Boudewijn roept hem toe en spreekt een nieuw woord:
"Vazal," zei Boudewijn, "bij de trouw die ik verschuldigd ben aan Sint-Marcel,
Ik geloof dat u uw varken heeft geslacht,
Want u zou wel eindigen met een bord vol darmen."
De Bastaard van Sebourc, toen hij zijn bloed zag stromen,
Werpt zijn schild ter aarde en zijn stalen lans;
Hij is naar zijn vader gekomen, de edele vorst,
Grijpt hem bij het lichaam en begon met hem te worstelen:
And Boudewijn grijpt hem vast, die het vak goed kende; 880
Met zeer grote toorn pakt hij zijn zoon aan,
Met een zwaai van zijn been sleurt hij hem zo rond
Dat hij hem tegen de grond smakt. Daar deed hij hem struikelen,
Zodat het scheelde of hij had het hart in zijn buik gekneusd,
Niettemin wierp hij hem met zo'n grote slag neer
Dat de moed hem ontbrak en hij zichzelf niet kon helpen;
Toen hij weer bijkwam, begon hij te roepen:
"Ach! Boudewijn, mooie vader, moge God u vooruithelpen!
Vandaag zult u de rechtmatige Bastaard verliezen,
Die een groot verlangen had om u te zien. 890
Nooit zal ik u weerzien, noch uw edele vrouw!"
De Bastaard voelt de angst waarmee hij werd bedrukt,
Want het scheelde maar weinig of zijn hart was gebarsten;
Toen sprak de Bastaard vier welgekozen woorden:
"Ach! Boudewijn, mooie vader, nooit zult u mij weerzien!"
Toen Boudewijn dit hoort, is hij dadelijk opgestaan,
Hij zei tegen de Bastaard: "vriend, sta nu op,
En zeg mij, vriend, verberg het om Gods wil niet voor mij,
Wie is die Boudewijn die u hier zo beklampt?"
"Vazal," zei de Bastaard, "terstond zult u het weten: 900
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
qvac7xzg041roq8e4zfkucmm31ux4pt
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/858
104
88811
226219
2026-08-31T09:26:56Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226219
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Chertes, che est li pères dont je fu engenrés ;
« Li plus hardis du monde et li plus redoubtés,
« Li plus aventureus et li plus redoubtés,
« Li plus sages du monde, li miex emparentés !
« S’il savoit que par vous fuisse ensément tués,
« Ne vous garantiroit royames né chités
« Né villes né chastiaus où fuissiés enfremés ;
« Mais savoir ne le pooit, tant sui-je plus irés.
« Hé ! dame de Sebourc, jammais ne me verrés ! »
Quant Baudevins l’entent, li sans li est mués,
Il oste son hiaume, si le geta és près ;
Il a dit au Bastard : « vostre hyaume ostés.
« Baudewins de Sebourc sui par non appellés ;
« Vous estes de Sebourc, puisque vous em parlés,
« ·xxx· fielx i laissai quant je m’en sui sevrés. »
Quant li Bastars l’entent, à genous ch’est getés,
Son hiaume r’osta, puis si s’est escriés :
« Ahi ! pères, » dist-il, « et c’or me pardonnés
« Che que mesfait vous ai ! Ains n’avint tel pités
« Que je me sui à vous si faitement mellés.
« Je sui li ·j· des ·xxx· bastars que vous aves ;
« Je délivrai vo frères, ne sai sé le savés ? »
« Oïl, » dist Baudewins, « bien le dist Esmerés,
« Glorians, Alixandres, s’est de vous moult loés,
« Et aussi est Wistaces, li conte honnerés. »
« Pères, » dist li Bastars, « par moi estes navrés,
« Dont je sui coureciés, dolans et aïrés ;
« Je vous prie, pour Dieu, le teste me copés,
« Je l’ai bien desservi, si voir que Diex fu nés. »
« Biaus fiex, » dist Baudewins, « pour noient em parlés !
« Chertes, je sui moult liés que si bien t’es prouvés. »
Lors le baise et acole, ·j· poi ch’est reposés ;
Sus l’erbe sont assis, chascuns estoit lassés.
Adont i acourut Buiémons et Tangrés,
Hues de Tabarie qui tant fu redoubtés,</poem>
|valign=top|
<poem>
“ Zeker, dit is de vader door wie ik werd verwekt;
“ De dapperste ter wereld en de meest geduchte,
“ De meest avontuurlijke en de meest geduchte,
“ De wijste ter wereld, met de beste familiebanden!
“ Als hij wist dat ik zo door u was gedood,
“ Zou geen koninkrijk of stad u kunnen beschermen,
“ Noch steden noch kastelen waarin u zich zou opsluiten;
“ Maar hij kon het niet weten, daarom ben ik des te meer bedroefd.
“ Ach! Vrouwe van Sebourc, u zult mij nooit meer terugzien! “
Toen Boudewijn dit hoorde, draaide zijn bloed om, 910
Hij zette zijn helm af en wierp hem in de weide;
Hij zei tegen de Bastaard: “ zet uw helm af.
“ Boudewijn van Sebourc is de naam waaronder ik word genoemd;
“ U bent van Sebourc, aangezien u erover spreekt,
“ Dertig zonen liet ik daar achter toen ik vertrok. “
Toen de Bastaard dit hoorde, wierp hij zich op zijn knieën,
Hij zette zijn helm ook af en riep toen uit:
“ Ach! Vader, “ zei hij, “ vergeef mij nu
“ Wat ik u heb misdaan! Nooit is er zulk een deerniswekkend feit gebeurd
“ Dat ik zo met u in conflict ben geraakt. 920
“ Ik ben één van de dertig bastaarden die u heeft;
“ Ik heb uw broers bevrijd, ik weet niet of u dat weet? “
“ Ja, “ zei Boudewijn, “ Esmeret heeft het goed verteld,
“ Glorians en Alexander hebben u zeer geprezen,
“ En dat deed ook Wistace, de geëerde graaf. “
“ Vader, “ zei de Bastaard, “ door mij bent u gewond,
“ Waarover ik bedroefd, pijnlijk getroffen en vertoornd ben;
“ Ik bid u, in Gods naam, sla mij het hoofd af,
“ Ik heb het wel verdiend, zo waarlijk als God is geboren. “
“ Lieve zoon, “ zei Boudewijn, “ praat geen onzin! 930
“ Voorwaar, ik ben zeer blij dat je je zo goed bewezen hebt. “
Toen kuste en omhelsde hij hem, waarna hij een beetje uitrustte;
Op het gras zaten zij, beiden waren vermoeid.
Toen kwamen Bohemund en Tancred aangerend,
En Hughes van Tiberias die zozeer werd gevreesd,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
t5g4qi11yre8n82ekbsybkcqg650kpm
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/859
104
88812
226220
2026-08-31T09:29:03Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226220
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Corbarans d’Oliferne, li bons rois couronnés ;
S’ont dit à Baudewin : « estes-vous rassotés ?
« Qu’est-ce à dire, biau sire, que che glout ne tués ?
« Sire, » font li baron, « que ne tolés la vie
« Chellui par cui Rohais a esté mal baillie ? »
« Seignenr, » dist Baudewins, « je ne l’ochirrai mie,
« Car chou est mes amis, pour voir le vous affie.
« Sachiés que ch’est mes fielx, sé Diex me bénéie,
« Chou est li bons Bastars de Sebourc, la garnie,
« Qui tant a fait d’onneur à chiaus de sa lignie.
« Sa force ai esprouvée, à l’espée fourbie,
« Ains plus hardis de lui n’ot armure vestie !
« J’ai esté ·xxx· fois en bataille renghie,
« J’ai fait ·ij· champs mortés ; li ·j· fu en Orbrie,
« Li autres à Paris, la chité seignourie :
« Mais onques ne trouvai, en nès une partie,
« Homme qui me fesist tant de maus la moitie
« Comme a fait li miens fiex, dont je l’en regratie.
« Liés sui que j’ai trouvé sa char si très hardie,
« Jamais ne li faurrai. » Adont, la compaignie
Honneurent le Bastard, chascuns si le festie
Et sé li ont promis moult très grant courtoisie.
Li autre ·x· bastard, cui Jhésus bénéie,
Ont leur père acolet et baisiet mainte fie.
Envers Rohais s’en vont, la chité agencie.
Quant li bourgois en ont véut le mancolie,
Des garites lassus de la tour bateillie,
Demandent au Bastard quel choze sénéfie ?
Et il lor recorda et lor achertéfie
Qu’il n’i a traïson né mal né tricherie.
Li Bastars de Sebourc au bourgois recorda
Comment en le bataille le sien père trouva.
Oriande fu lie quant le choze escouta,
Le porte fist ouvrir et à Baudewin va ;
Pour l’amour son seignour douchement l’acola.
</poem>
|valign=top|
<poem>
Corbarans van Oliferne, de goede gekroonde koning;
Die zeiden tegen Boudewijn: “ Bent u gek geworden? “
“ Wat betekent dit, edele heer, waarom doodt u deze schurk niet? “
“ Heer, “ zeiden de baronnen, “ waarom ontneemt u het leven niet “
“ Van hem door wie Rohais zo zwaar is toegetakeld? “ 940
“ Heren, “ zei Boudewijn, “ ik zal hem helemaal niet doden, “
“ Want hij is mijn vriend, voorwaar, ik verzeker het u. “
“ Weet dat hij mijn zoon is, zo moge God mij zegenen, “
“ Dit is de goede Bastaard van Sebourc, de goedgeklede, “
“ Die zoveel eer heeft gebracht aan de zijnen van zijn geslacht. “
“ Zijn kracht heb ik beproefd, met het blanke zwaard, “
“ Nooit droeg een dapperder man dan hij een harnas! “
“ Ik heb dertig keer in een slagorde gestaan, “
“ Ik heb twee dodelijke veldslagen geleverd; de ene was in Orbrië, “ 950
“ De andere in Parijs, de heerszuchtige stad: “
“ Maar nooit vond ik, in welk landsdeel dan ook, “
“ Een man die mij nog de helft zoveel schade toebracht “
“ Als mijn eigen zoon heeft gedaan, waarvoor ik hem dank. “
“ Ik ben blij dat ik zijn vlees en bloed zo uiterst koen heb bevonden, “
“ Nooit zal ik hem in de steek laten. “ Toen begroette het gezelschap “
De Bastaard met eer, iedereen feestte met hem “
En zij beloofden hem zeer grote hoofsheid. “
De andere tien bastaarden, die Jezus moge zegenen, “
Hebben hun vader omhelsd en menigmaal gekust. “
Richting Rohais vertrekken zij, de schone stad. “
Toen de burgers de opschudding zagen, “
Vanaf de wachttorens daarboven op de gekanteelde toren, “
Vroegen zij de Bastaard wat dit te betekenen had? “
En hij herinnerde het hen en verzekerde hen “
Dat er geen sprake was van verraad, noch kwaad, noch bedrog. “
De Bastaard van Sebourc vertelde de burgers “
Hoe hij zijn vader in de veldslag had gevonden. “
Oriande was blij toen zij de zaak aanhoorde, “
Zij liet de poort openen en ging naar Boudewijn toe; “
Omwille van de liefde voor haar heer omhelsde zij hem teder. 970
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
9nwwnh6c5ug97wlf0av4of2wlvlqhmd
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/860
104
88813
226221
2026-08-31T09:45:14Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226221
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Baudewins de Seboure grant honnour li fist là.
Les autres ·xx· bastard par devant lui manda ;
Quant Baudewins les vit, adont baisier les va :
« Enfant, » dist Baudewins, « Diex chi vous envoïa !
« Liés sui que je vous voi ou païs par dechȧ.
« Droit à Jhérusalem li miens corps vous menra,
« Chevaliers vous ferai et mes corps vous donra
« Terres et richetés tant qu’il vous souffira. »
Li Bastars de Sebourc adont li escria :
« J’ai esté chevaliers, biau sire, lonc tamps a ;
« Le me fesist Gaufer qui puis le compara ! »
Li disners fu cornés, chascuns séoir ..a,
Bien eurent à disner : assés on lor donna
Et pain et char ; et vin assés on aporta.
Quant vint après disner, chascuns jouer s’en va :
Li ·j· joue as esquiés, li autres behourda ;
Et quant che vint au nuit, chascuns couchier s’en va.
Lendemain au matin Baudewins se leva,
Tous ses ·xxx· bastars ayoec lui emmena ;
De Rohais sont issut, que nuls n’i arresta,
Envers Jhérusalem, où Diex ressucita,
S’en vont, li crestien ; li os se desloga.
Oriande, la belle, o son seignour ala ;
Corbarans d’Oliferne ses os en remena ;
Hues de Tabarie, qui no loy essaucha,
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De Rohais ch’est, li os, sevrée et départie ;
Corbarans d’Oliferne, Hues de Tabarie,
Et Richars de Cammont, où Corbarans se fie.
Plus l’amoit, Corbarans, c’omme qui fust en vie,
Et puissedi l’ochist, à l’espée fourbie ;
Mais quant il le tua, ne le conoissoit mie,
Car Richars de Cammont, dont je vous sénéfie,
Ot d’armes de parens sa jouvente vestie,
Ensi que vous orrés, sé ma vois est oïe.
</poem>
|valign=top|
<poem>
Baudewin van Sebourc betoonde hem daar grote eer.
De andere twintig bastaarden ontbood hij voor zich;
Toen Baudewin hen zag, ging hij hen kussen:
“ Kinderen, “ zei Baudewin, “ God heeft jullie hierheen gezonden!
“ Ik ben verheugd dat ik jullie hier in dit land zie.
“ Mijn eigen lichaam zal jullie rechtstreeks naar Jeruzalem leiden,
“ Ridders zal ik van jullie maken en mijn lichaam zal jullie schenken
“ Landen en rijkdommen, zoveel als voor jullie zal volstaan. “
De Bastaard van Sebourc riep toen naar hem:
“ Ik ben al ridder geweest, mooie heer, lange tijd geleden;
“ Gaufer heeft mij dat gemaakt, die het later bezuurde! “
Het diner werd geblazen, iedereen ging zitten,
Zij hadden een goede maaltijd: er werd hun voldoende gegeven
Zowel brood als vlees; en er werd voldoende wijn aangevoerd.
Toen het na het diner was, ging eenieder zich vermaken:
De ene speelt het schaakspel, de ander doet een steekspel;
En toen het nacht werd, ging eenieder slapen.
De volgende ochtend stond Baudewin op,
Al zijn dertig bastaarden nam hij met zich mee;
Uit Edessa zijn zij vertrokken, zodat niemand er achterblijft,
Richting Jeruzalem, waar God herrees,
Gaan zij, de christenen; het leger brak op.
Oriande, de schone, ging met haar heer mee;
Corbaran van Oliferne nam zijn leger weer mee terug;
Hugo van Tiberias, die onze wet hooghield,
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Van Edessa is het, het leger, gescheiden en opgesplitst;
Corbaran van Oliferne, Hugo van Tiberias,
En Richard van Camont, op wie Corbaran vertrouwt.
Meer hield hij van hem, Corbaran, dan van wie dan ook die in leven was,
En nadien doodde hij hem met het blanke zwaard;
Maar toen hij hem doodde, kende hij hem helemaal niet,
Want Richard van Camont, op wie ik u wijs,
Had in zijn jeugd de wapens van zijn verwanten aangetrokken,
Zoals u zult horen, als mijn stem wordt gehoord.
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
25vi739yg176jbmvvsdazkwyg5t182d
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/861
104
88814
226222
2026-08-31T10:00:52Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226222
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Tant se va esploitant, la noble baronnie,
Qu’en Jhérusalem vinrent, chelle chité jolie
Où Diex ressucita et vint de mort à vie ;
Là endroit ont trouvé le bon roy de Surie,
Dedens le tour David, avoèkes Margalie.
Toute Jhérusalem fu de gens raemplie,
De nobles saudoïers et de chevalerie,
Qui devoient aler dessus le gent haïe.
Li rois les ot mandés, s’ot le chose apointie,
Car il voloit aler à Mièkes, la garnie,
Et droit à Rochebrune et puis conquerre Orbrie.
Atant ès-vous venus Huon de Tabarie,
Baudewin de Sebourc et l’autre baronnie :
Au roy ont recordé con la chose est taillie,
Et des ·xxx· bastars ont recordé la vie.
Et quant li rois l’oï, Jhésu-Crist en gracie,
Puis a dit au barons : « biau seignour, je vous prie
« Que me venés aidier sus le gent païènie ;
« Encore i a ·v· rois, en terre de Surie,
« Par cui crestienté porroit estre essillie,
« Jamais joie n’arai, s’aront éut hasquie.
« Sé Godefrois vescust, ne fuissent pas en vie !
« Il i est rois Saudoines, Rochebrune maistrie ;
« Rois Esclamars de Mièkes, Ector de Salorie,
« Taillifers et Marbruns ; chil ·v·, je vous affie,
« Il sont frère germain, si sont de grant lignie,
« Et si ont une soer, s’elle estoit baptisie,
« Digne seroit d’avoir homme de seignourie.
« Sé de ches roys estoit la plache dégerpie,
« Jusques en Babilone, le grant chité garnie,
« N’i aroit roy né duc qui riens me contredie. »
« Diex ! » dient li barron, « dame sainte Marie !
« Con chuis roys est poissans et de grant seignourie ! »
Dont se sont escriet trestout à une fie :
« Ne vous esmaïés jà, nobles roys de Surie,
</poem>
|valign=top|
<poem>
Terwijl zij zich voortspoedden, de edele baronnen,
Kwamen zij in Jeruzalem, die mooie stad
Waar God herrees en van de dood tot het leven kwam;
Op die plek troffen zij de goede koning van Syrië aan,
Binnen de Davidstoren, in het gezelschap van Margalie. 1010
Heel Jeruzalem was volgestroomd met mensen,
Met edele soldeniers en ridders,
Die ten strijde moesten trekken tegen het gehate volk.
De koning had hen ontboden en de zaak geregeld,
Want hij wilde naar het welvoorziene Mekka trekken,
En rechtstreeks naar Rochebrune en daarna Orbrie veroveren.
Op dat moment verschenen daar Huon van Tabarië,
Bauduin van Sebourc en de overige baronnen:
Aan de koning deden zij verslag van hoe de zaken stonden,
En over de dertig bastaarden vertelden zij hun levensverhaal. 1020
And toen de koning dit hoorde, dankte hij Jezus Christus,
Daarna zei hij tegen de baronnen: “ schone heren, ik bid u
“ Dat gij mij komt helpen tegen het heidense volk;
“ Er zijn nog vijf koningen in het land van Syrië,
“ Door wie het christendom vernietigd zou kunnen worden,
“ Nooit zal ik vreugde kennen, tenzij zij hun straf hebben ondergaan.
“ Als Godefroi nog leefde, zouden zij niet meer in leven zijn!
“ Koning Saudoines heerst daar, hij beheerst Rochebrune;
“ Koning Esclamars heerst over Mekka, Ector over Salorie,
“ Taillifers en Marbruns; deze vijf, zo verzeker ik u, 1030
“ Zijn vleselijke broeders, zij zijn van een groot geslacht,
“ En zij hebben een zuster; als zij gedoopt zou worden,
“ Zou zij het waard zijn een man van hoge adel te hebben.
“ Als deze koningen de plaats zouden hebben verlaten,
“ Zou er tot aan Babylon, de grote, welvoorziene stad,
“ Geen koning of hertog zijn die mij ergens in tegenspreekt. “
“ God! “ zeiden de baronnen, “ vrouwe heilige Maria!
“ Wat is deze koning machtig en van grote waardigheid! “
Toen riepen zij allen tegelijkertijd uit:
“ Verontrust u geenszins, edele koning van Syrië, 1040
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
d2esjw18vxpgzan7a7ccttevx5d5ngl
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/862
104
88815
226223
2026-08-31T10:04:42Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226223
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Nous vous aiderons tout, tant que serons en vie !
« Alons où il vous plaist, car chascuns vons em prie. »
{{lijn|6em}}
</poem>
|valign=top|
<poem>
“ Wij zullen u allemaal helpen, zolang wij in leven zijn!
“ Laten we gaan waar u maar wilt, want eenieder smeekt u daarom. “
{{lijn|6em}}
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
fyk8w2ynjw7lu5caval3knkj6b597up
Boudewijn van Sebourg/ZANG XXV
0
88816
226225
2026-08-31T10:13:24Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226225
wikitext
text/x-wiki
<pages index="Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf" from=809 to=862 header=1 />
0kmubdtdv31uqupttcs390knbrm33ag
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/863
104
88817
226226
2026-08-31T10:20:22Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226226
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
!Brontekst
!Vertaling
|-
|valign=top|
{{c|{{xxxx-larger|'''LI ROMANS'''}}<br>{{larger|'''DE'''}}<br>{{xx-larger|'''BAUDUIN DE SEBOURC.'''}}}}
{{lijn|5em}}
{{c|{{larger|'''CHANT XXVI.'''}}}}
{{dhr|1.5em}}
<i><poem>
Or, commence cançon où de biaux mos moult a :
Li boins rois Bauduwins à Corbarant manda,
Tangret et Buiémont, o tant de bontet a,
Et Ricier de Caumont, que Jésus tant ama,
Et ducq Herpin de Bourges mie n’i oublia,
Et dan Pière-l’ermite, qui l’âne cevaúça,
Et pluiseurs cevaliers, li rices rois manda,
Pour conquerre le resgne et le païs delà.
Un jone fil avoit, li rois, qu’il engenra
En le fille au soudant qu’à moulier espousa ;
Cieux ot à non Ouris, onques bien ne pensa :
Li Bastars de Buillon puissedi le tua,
Ensi que vous orés, quant li tans en sera.
Signeur, ce fu en mai, qu’iviers se déclina,
Que li solaus luist clers, li tans se rescaufa,
Qu’en Jerusalem fu li rois que Dieux ama.
Signeur, or entendés, s’orés boine cançon :
Que Dame-Dieu de glore, qui Longis fist pardon,
…………………………………………………….
…………………………………………………….
……………………………………………………
……………………………………………………
…………………………………………………….
……………………………………………………
……………………………………………………
</poem></i>
|valign=top|
{{c|{{xxxx-larger|'''DE ROMANS'''}}<br>'''VAN'''<br>{{xx-larger|'''BAUDEWIJN VAN SEBOURG.'''}}}}
{{lijn|5em}}
{{c|{{larger|'''ZANG XXVI.'''}}}}
{{dhr|1.7em}}
<poem>
<i>Nu begint een lied waarin vele schone woorden staan:
De goede koning Boudewijn ontbood Corbarant,
Tancred en Bohemund, die zoveel goedheid bezit,
En ridder van Caumont, die Jezus zozeer liefhad,
En hertog Herpin van Bourges vergat hij geenszins,
En heer Pieter de Kluizenaar, die op de ezel reed,
En meerdere ridders ontbood de machtige koning,
Om het koninkrijk en het land daarginds te veroveren.
Een jonge zoon had de koning, die hij verwekte
Bij de dochter van de sultan die hij tot echtgenote huwde;
Deze heette Ouris, en hij dacht nooit aan het goede:
De Bastaard van Bouillon doodde hem nadien,
Zoals u zult horen, wanneer de tijd daarvoor is gekomen.
Heren, het was in mei, toen de winter ten einde liep,
Toen de zon helder scheen en het weer opwarmde,
Dat de koning die God liefhad in Jeruzalem was.
Heren, luistert nu, en u zult een goed lied horen:
Moge de Heere God der glorie, die Longinus vergiffenis schonk,
…………………………………………………….
…………………………………………………….
……………………………………………………
……………………………………………………
…………………………………………………….
……………………………………………………
…………………………………………………… </i>
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
n31hkd5desteayocwe3ug8m3whjuqbg
226227
226226
2026-08-31T10:30:30Z
Havang(nl)
4330
226227
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Variant manuscript B.</noinclude>
{|
!Brontekst
!Vertaling
|-
|valign=top|
{{c|{{xxxx-larger|'''LI ROMANS'''}}<br>{{larger|'''DE'''}}<br>{{xx-larger|'''BAUDUIN DE SEBOURC.'''}}}}
{{lijn|5em}}
{{c|{{larger|'''CHANT XXVI.'''}}}}
{{dhr|1.5em}}
<poem>
<i>Or, commence cançon où de biaux mos moult a :
Li boins rois Bauduwins à Corbarant manda,
Tangret et Buiémont, o tant de bontet a,
Et Ricier de Caumont, que Jésus tant ama,
Et ducq Herpin de Bourges mie n’i oublia,
Et dan Pière-l’ermite, qui l’âne cevaúça,
Et pluiseurs cevaliers, li rices rois manda,
Pour conquerre le resgne et le païs delà.
Un jone fil avoit, li rois, qu’il engenra
En le fille au soudant qu’à moulier espousa ;
Cieux ot à non Ouris, onques bien ne pensa :
Li Bastars de Buillon puissedi le tua,
Ensi que vous orés, quant li tans en sera.
Signeur, ce fu en mai, qu’iviers se déclina,
Que li solaus luist clers, li tans se rescaufa,
Qu’en Jerusalem fu li rois que Dieux ama.
Signeur, or entendés, s’orés boine cançon :
Que Dame-Dieu de glore, qui Longis fist pardon,</i>
<noinclude>Niet getranscribeerde rest van manuscript B.</noinclude>
……………………………………………………
……………………………………………………
……………………………………………………
……………………………………………………
……………………………………………………
……………………………………………………
……………………………………………………
</poem>
|valign=top|
{{c|{{xxxx-larger|'''DE ROMANS'''}}<br>'''VAN'''<br>{{xx-larger|'''BAUDEWIJN VAN SEBOURG.'''}}}}
{{lijn|5em}}
{{c|{{larger|'''ZANG XXVI.'''}}}}
{{dhr|1.7em}}
<poem>
<i>Nu begint een lied waarin vele schone woorden staan:
De goede koning Boudewijn ontbood Corbarant,
Tancred en Bohemund, die zoveel goedheid bezit,
En ridder van Caumont, die Jezus zozeer liefhad,
En hertog Herpin van Bourges vergat hij geenszins,
En heer Pieter de Kluizenaar, die op de ezel reed,
En meerdere ridders ontbood de machtige koning,
Om het koninkrijk en het land daarginds te veroveren.
Een jonge zoon had de koning, die hij verwekte
Bij de dochter van de sultan die hij tot echtgenote huwde;
Deze heette Ouris, en hij dacht nooit aan het goede:
De Bastaard van Bouillon doodde hem nadien,
Zoals u zult horen, wanneer de tijd daarvoor is gekomen.
Heren, het was in mei, toen de winter ten einde liep,
Toen de zon helder scheen en het weer opwarmde,
Dat de koning die God liefhad in Jeruzalem was.
Heren, luistert nu, en u zult een goed lied horen:
Moge de Heere God der glorie, die Longinus vergiffenis schonk,</i>
<noinclude>Niet getranscribeerde rest van manuscript B.</noinclude>
……………………………………………………
……………………………………………………
……………………………………………………
……………………………………………………
……………………………………………………
……………………………………………………
……………………………………………………
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
5u95gwiuj23g1fz1147pl9k8op4sqac
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/864
104
88818
226228
2026-08-31T10:44:25Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226228
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Niet getranscribeerde rest van manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<poem>
……………………………………………………
……………………………………………………
……………………………………………………
……………………………………………………
…………………………………………………… </poem>
<noinclude>Einde manuscript A:</noinclude>
{{c|Chis romans est de Bauduwin de Sebourcq ;<br>
et qui voet oïr le fin et le mort de<br>
Bauduwin de Sebourcq, se lisèche<br>
le romant dou Bastart de<br>
Buillon, car c'est ce<br>
qui s'ensiet<br>
aprits.}}
|valign=top|
<poem>
……………………………………………………
……………………………………………………
……………………………………………………
……………………………………………………
…………………………………………………… </poem>
<noinclude>Einde manuscript A:</noinclude>
{{c|Deze roman gaat over Boudewijn van Sebourc;<br>en wie het einde en de dood wil horen<br>van Boudewijn van Sebourc, die<br>moet de roman lezen van de<br>Bastaard van Bouillon,<br>want dat is wat<br>hierna volgt.}}<noinclude></noinclude>
rgzclu411wyequ4r884k2a4z3bzf5hc
226230
226228
2026-08-31T10:46:46Z
Havang(nl)
4330
226230
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude><noinclude>Niet getranscribeerde rest van manuscript B.</noinclude>
{|
|valign=top|
<poem>
……………………………………………………
……………………………………………………
……………………………………………………
……………………………………………………
…………………………………………………… </poem>
<noinclude>Einde manuscript A:</noinclude>
{{c|Chis romans est de Bauduwin de Sebourcq ;<br>
et qui voet oïr le fin et le mort de<br>
Bauduwin de Sebourcq, se lisèche<br>
le romant dou Bastart de<br>
Buillon, car c'est ce<br>
qui s'ensiet<br>
aprits.}}
|valign=top|
<poem>
……………………………………………………
……………………………………………………
……………………………………………………
……………………………………………………
…………………………………………………… </poem>
<noinclude>Einde manuscript A:</noinclude>
{{c|Deze roman gaat over Boudewijn van Sebourc;<br>en wie het einde en de dood wil horen<br>van Boudewijn van Sebourc, die<br>moet de roman lezen van de<br>Bastaard van Bouillon,<br>want dat is wat<br>hierna volgt.}}<noinclude></noinclude>
dnot83wf41tayav52kog0yzf1k7fwpr
Boudewijn van Sebourg/ZANG XXVI
0
88819
226229
2026-08-31T10:45:53Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226229
wikitext
text/x-wiki
<pages index="Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf" from=863 to=864 header=1 />
nsohz871h7ja4e2r0b34sk9aioias7k
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/865
104
88820
226231
2026-08-31T11:23:04Z
Havang(nl)
4330
/* Zonder tekst */
226231
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="0" user="Havang(nl)" /></noinclude><nowiki />
{{dhr|5em}}
{{c|{{asc|ACHEVÉ D'IMPRIMER<br>SUR LES PRESSES OFFSET DE L'IMPRIMERIE REDA 5. A.<br>A CHÈNE-BOURG (GENÈVE), SUISSE<br><br>AOÛT 1972}}}}<noinclude></noinclude>
keks8mro4c84nml21n5o8l53x1082gq
Boudewijn van Sebourg/ Vooraf
0
88821
226235
2026-08-31T11:44:06Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226235
wikitext
text/x-wiki
<pages index="Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf" from=6 to=10 header=1 />
oekclklxzuuiv5wfsn9o7up1fl1fefy
DE ROMAN VAN DE BASTAARD VAN BOUILLON.
0
88822
226237
2026-08-31T11:51:54Z
Havang(nl)
4330
niet proefgelezen
226237
wikitext
text/x-wiki
<pages index="Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf" from=417 to=864 header=1 prev="[[DE ROMAN VAN BOUDEWIJN VAN SEBOURG.]]" current="DE ROMAN VAN DE BASTAARD VAN BOUILLON." next=""/>
fi1bt2dioss7x5ge3hc3d4de702j0y1