Wikisource nlwikisource https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina MediaWiki 1.47.0-wmf.18 first-letter Media Speciaal Overleg Gebruiker Overleg gebruiker Wikisource Overleg Wikisource Bestand Overleg bestand MediaWiki Overleg MediaWiki Sjabloon Overleg sjabloon Help Overleg help Categorie Overleg categorie Hoofdportaal Overleg hoofdportaal Auteur Overleg auteur Pagina Overleg pagina Index Overleg index TimedText TimedText talk Module Overleg module Event Event talk Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/28 104 86764 226414 223166 2026-09-05T15:39:32Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226414 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr}} {{c|{{xx-larger|1813—1863.}} {{dhr}}{{lijn|8em}}{{dhr}} FRAGMENT UIT EENE REDEVOERING, UITGESPROKEN BIJ GE- </br> LEGENHEID VAN HET VIJFTIGJARIG BESTAAN VAN HET </br> NATUURKUNDIG GEZELSCHAP TE UTRECHT, DEN 6 </br> NOVEMBER 1863; {{smaller|DOOR}} {{larger|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885)|P. HARTING.]]}}}} {{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}} . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Geen tijdvak was rijker aan grootsche, invloedrijke ontdekkingen. Wanneer wij de menigte van feiten trachten te overzien, in den loop van die vijftig jaren aan onze kennis toegevoegd, dan overstelpt ons hun aantal. Men ontwaart een gevoel, als wanneer men het oog slaat naar den helderen, nachtelijken hemel, waar duizende lichtstippen ons tegenflikkeren, in welker menigte het oog zich verliest en slechts den indruk ontvangt van eenen algemeenen, daarvan uitstralenden lichtglans. Gij zult mij vergunner u slechts op eenige der sterren van de eerste grootte te wijzen. Toen men dit tijdvak intrad, kende de sterrekundige elf rondom de zon wentelende hemelligchamen. Thans is dit aantal verachtvoudigd, en onder die nieuw aan onze kennis toegevoegde planeten is er één, die de ontdekkers, gelijk een Fransch schrijver van een hunner zeide, aan het einde der pen zagen, waarmede zij de berekening verrigtten, die steunde op de erkenning van de eeuwige wetten, welke het heelal beheerschen. {{nop}}<noinclude>{{rh|{{gap}}{{smaller|1864.}}||{{smaller|1}}{{gap}}}}</noinclude> 8ptdgulr2649k7iq0lsv7bzx07diih4 Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/29 104 86770 226415 223147 2026-09-05T16:26:25Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226415 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|2|1813—1863.|}}</noinclude>Bij den aanvang van dit tijdvak wanhoopte men nog aan de mogelijkheid van immer den afstand van eenig buiten ons zonnestelsel gelegen hemelligchaam te bepalen. Thans kent men den afstand van een aantal dier zoogenaamde vaste sterren, zoo ver van ons verwijderd, dat men genoodzaakt is in de snelheid des lichts eenen nieuwen maatstaf te zoeken om eenigermate aan de verbeelding te hulp te komen. {{dhr}} In de eigenlijke Natuurkunde treden ons niet minder gewigtige ontdekkingen te gemoet. Ik behoef slechts de woorden "photographie" en "elektro-telegraphie" uit te spreken om u dadelijk twee der schoonste uitvindingen van den lateren tijd voor het geheugen te roepen, uitvindingen die, inzonderheid de laatste, tevens het bewijs leveren, hoe een zorgvuldig, proefondervindelijk onderzoek der natuurverschijnselen, aanvankelijk slechts vermeerdering van kennis ten doel hebbende, ten slotte leiden kan tot de belangrijkste praktische toepassingen, terwijl tevens een geheel nieuw onderdeel der Natuurkunde, de leer van het elektro-magnetisme namelijk, daaraan zijn ontstaan te danken had. Doch grepen deze uitvindingen krachtig en weldadig in het maatschappelijk leven in, de geest, die naar eenheid streeft, vindt geene geringere voldoening in de uitkomsten van andere onderzoekingen, die hem in de geheele natuur een groot, innig zamenhangend geheel doet kennen, waarin elk verschijnsel het gevolg is van een of meer voorafgaande verschijnselen, en alle verschijnselen gezamenlijk slechts eene enkele oorzaak hebben, die, honderdvoudig gewijzigd, zich dan eens als warmte, dan eens als licht, dan weder als geluid, als elektriciteit, als magnetisme of diamagnetisme, als aantrekking of afstooting, als werktuigelijke of als scheikundige kracht, of eindelijk als leven openbaart, met één woord: als bewegingen, welke alle naar vaste wetten en in vaste maat uit elkander ontstaan en in elkander kunnen overgaan. Zoo heeft men reeds een diepen blik geslagen in het innige wezen der natuur, en zijn de zekere grondslagen gelegd, waarop latere geslachten veilig kunnen voortbouwen. {{dhr}} Bij het begin van dit tijdperk waren de Sterre- en Natuurkunde<noinclude></noinclude> ezopgscig875cmjw9jxy54gi6xiucal Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/30 104 86771 226416 223148 2026-09-05T16:28:47Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226416 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||1813—1863.|3}}</noinclude>reeds achtbare matronen, vergeleken met de Scheikunde, die eerst eenige jaren vroeger de kinderschoenen had weggeworpen. Maar was zij als wetenschap nog jong, zij was vol kracht en leven en beloofde eerlang hare beide oudere zusters te zullen op zijde streven. En zij heeft die belofte gehouden. Moest het getal van nieuw gevonden feiten de schaal doen overslaan, welligt zoude geene andere natuurwetenschap de vergelijking met haar kunnen doorstaan. Alleen het getal der bekende enkelvoudige stoffen is sedert 1813 met de helft vermeerderd. Het groote meerendeel dier nieuw ontdekte ligchamen zijn metalen, en daaronder zijn eenige, welker bestaan is aangetoond op eene wijze, waarvan men in het begin dezer eeuw zelfs nog geen voorgevoel kon hebben, namelijk door den invloed, dien hunne tegenwoordigheid op den gang der lichtstralen uitoefent. En gewapend met dit magtig herkenningsmiddel trad de Scheikunde, die reeds op aarde zich over het geheele gebied der stof, zoowel levende als doode, had uitgebreid, de hemelruimte in om haar onderzoek op de zon en zelfs op de vaste sterren voort te zetten. {{dhr}} De Meteorologie! Het is nog niet zeer lang geleden, dat menig natuurkundige, bij het hooren van dien naam, de schouders ophaalde en in hetgeen men daarmede bestempelde, geene wetenschap, maar slechts eene opeenhooping van vlijtig verzamelde cijfers zag, die ten hoogste als dienstig om daardoor de klimaten nader te bepalen konden worden beschouwd. Thans is het anders geworden. De Meteorologie heeft eene eervolle plaats onder hare zusters ingenomen. De vraag, waarop men sedert duizende jaren meende, dat geen antwoord immer mogelijk zoude zijn, — de vraag: van waar komt de wind en waar gaat hij heen? — is beantwoord geworden; de weg, dien de stormen afleggen, is aangewezen; zelfs weervoorspelling heeft opgehouden eene belagchelijke poging te zijn, sedert het zonneklaar gebleken is, dat ook de schijnbaar grilligste natuurverschijnselen, de bewegingen in onzen dampkring, aan orde en wet gehoorzamen, en het niet boven het bereik van het verstand des menschen noch van de hem ten dienste staande middelen is, deze nader en nader te leeren kennen. {{nop}}<noinclude></noinclude> t388af0vjsf36804w67hcq5vnvet28m Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/31 104 86772 226417 223151 2026-09-05T16:30:43Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226417 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|4|1813—1863.|}}</noinclude>wenden wij ons van den dampkring naar de daardoor omhulde aarde. Wat is zij in den loop des tijds klein geworden, sedert alle afstanden verkort zijn door spoorwegen en telegraaflijnen! Maar terwijl de aarde zelve ineenkromp, moest men de kaarten, die haar beeld voorstellen, gestadig vergrooten om er telkens de nieuw gemaakte ontdekkingen in op te nemen. De wereldkaart vertoont u thans de zoo lang te vergeefs gezochte noordwestelijke doorvaart, al verdient zij dien naam niet, daar eeuwig ijs haar voor het handelsverkeer sluit. Aan het tegenovergestelde einde der aarde zijn de kusten van het niet minder barre zuidpoolland met zijnen ijsgordel erkend geworden. De binnenlanden van Afrika hebben weinig geheimzinnigs meer, sedert van het noorden en van het zuiden, van het oosten en van het westen moedige reizigers daarin zijn doorgedrongen, ofschoon ten koste van het leven van menigeen hunner. Het eeuwenoude vraagstuk van de bronnen van den Nijl is opgelost. Zelfs het vijfde werelddeel, dat onzen naam nog tot het verste nageslacht zal overbrengen, wanneer ons vaderland zelf welligt eenen anderen draagt, is in zijne geheele breedte doorsneden geworden. En niet alleen het land, maar ook de diepte der zee, die men gewoon was peilloos te noemen, heeft zich aan ons onthuld, en hare bergen en dalen zijn in kaart gebragt. {{dhr}} Met de kennis der aarde zelve breidde zich tevens de kennis der haar bewonende levende wezens in gelijke mate uit. Het getal van bekende soorten van dieren en planten heeft zich in den loop der laatste halve eeuw meer dan verdrievoudigd. Het bedraagt thans omstreeks driemaal honderdduizend! En van zeer vele dier tallooze soorten is niet alleen de uitwendige gedaante, maar ook de inwendige bewerktuiging onderzocht, tot in de allerfijnste bijzonderheden toe, waartoe het mikroskoop, welks grootste verbetering mede binnen dit tijdsbestek plaats greep of althans algemeen werd, in staat stelde. Doch binnen den kring van het heden ten dage bestaande leven beperkt zich onze blik niet. Hij dringt ook door in de ingewanden der aarde en ontwaart daar de overblijfselen van andere vormen uit de dieren- en plantenwereld, die voor duizendtallen van eeuwen ook aan de oppervlakte onzer planeet gewoond en geleefd hebben. Reeds<noinclude></noinclude> ohe6bkjejaqy52l8lkowjs8kep87u6u Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/32 104 86773 226418 223150 2026-09-05T16:31:59Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226418 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||1813—1863.|5}}</noinclude>noemt de wetenschap daarvan meer dan dertig duizend haar eigendom, en het zeer groote meerendeel is de vrucht der ontdekkingen na 1813. Naar gelang onze kennis der elkander opgevolgde scheppingen toeneemt, verdwijnt ook de vroeger schijnbaar onoverkombare kloof, die deze onderling en van de hedendaagsche scheen te scheiden. Het plan des Scheppers wordt ons onthuld door de schepping zelve. Zij vertoont zich aan ons als een enkel zamenhangend en doorloopend geheel, en het daarin verwezenlijkt plan als geen ander dan dat eener gestadig voortgaande vervolkomening. Ziedaar de groote en gewigtige uitkomst van het vergelijkend onderzoek der vroeger en later geleefd hebbende wezens, van het eerste verschijnen der oudste dieren en planten, wier overblijfselen voor ons zijn bewaard gebleven, tot aan den mensch toe, die de laatste schakel van de onmetelijk lange keten is, maar die zelf op de baan der ontwikkeling nog steeds voorwaarts streeft. Excelsior! steeds hooger! Ziedaar de leus der natuur zelve. Excelsior! steeds hooger! Dat zij en blijve ook de leus van elk beoefenaar der natuurwetenschap, en al mogt hij dan ook slechts een droppel werpen in den oceaan der kennis, dan zal hij medegewerkt hebben tot bereiking van het groote doel des Scheppers zelven en niet te vergeefs hebben geleefd. {{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude> m7wxb2voz1rt9yp29v5z5mfxw8o91ls Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/33 104 86774 226419 223152 2026-09-05T16:36:06Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226419 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr}} {{c|{{x-larger|{{sp|DE BEKERPLANTEN}};}} {{smaller|DOOR}} {{sc|C.A.J.A. OUDEMANS.}} {{smaller|(''Vervolg van bl. 317 van den vorigen jaargang.'')}}}} {{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}} {{c|{{larger|SARRACENIA.}}}} {{dhr}} Het geslacht ''Sarracenia'' of ''Sarracena'' werd gegrondvest door {{sc|tournefort}} (''Institutiones Rei Herb''., 1719), en dat wel ter eere van Dr. {{sc|sarrasin}}, die tegen het einde der 18de eeuw te Quebec praktiseerde en de eerste was, die volledige exemplaren van de naar hem genoemde planten naar Europa overzond. {{sc|Sarrasin}} was corresponderend lid der "Académie des Sciences' en stond in briefwisseling met {{sc|tournefort}}. {{sc|Charlevoix}}, die hem op zijne reis naar Canada leerde kennen, spreekt over hem met den grootsten lof, zoo als blijken kan uit deze ontboezeming: "On est surpris de trouver dans une colonie un homme d'un mérite aussi universel, aussi habile dans la médecine, dans l'anatomie, dans la chirurgie et dans la botanique que Mr. {{sc|sarrasin}}, qui a esprit fort orné et ne se distingue pas moins dan le conseil supérieur, dont il est membre, que dans son habileté en tout ce qui est de sa profession." Volgens {{sc|kalm}}, die in het midden der 18de eeuw eene reis naar Canada deed, overleed {{sc|sarrasin}} aan eene kwaadaardige koorts, opgedaan bij een bezoek der hospitalen te Quebec. Ofschoon het geslacht Sarracenia eerst tegen het einde der 17de eeuw voor goed door {{sc|tournefort}} gegrondvest werd, zoo kende men toch de bladen van eene zijner soorten reeds eene eeuw vroeger, hetgeen niet te verwonderen is, als men bedenkt, dat die organen, wegens hun zonderlingen vorm, steeds de aandacht trokken en door reizigers naar Europa herhaaldelijk waren medegebracht. In de "Adversaria" van {{sc|de l'obel}} (1576) vindt men die bladen, hoewel dan<noinclude></noinclude> 72u1ry2xlqz5c2c9lamsbtpvoa74mq4 Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/34 104 86775 226420 223153 2026-09-05T16:39:25Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226420 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE BEKERPLANTEN.|7}}</noinclude>ook onder den vreemden naam van ''"Thuris limpidi folium"'', d.i. "Blad van den helderen balsem", afgebeeld. Die naam werd dáárom door den beroemden kruidkundige gekozen, dewijl de bedoelde bladen in zijn tijd gebruikt werden om den balsem van verschillende Noord-Amerikaansche naaldboomen, en vooral dien van ''Abies balsamea'', bij ons als Canada-balsem bekend, te bewaren en te verzenden, Na {{sc|de l'obel}} werden de bladen van sommige Sarraceniaas door {{sc|clusius}} (''Historia plantarum rariorum'', 1601) onder den naam van ''"Limonio congener"'' (d.i. "plant uit het geslacht der Limoniums"), en door {{sc|c. bauhinus}} (1671) onder dien van ''"Limondum peregrinum foliis forma floris Aristolochiae"'' (d.i. "uitheemsche Limoniumplant met bladen gelijkende op de bloemen van Aristolochia") beschreven, en dat wel om de overeenkomst in vorm uit te drukken, welke er tusschen hen en de bloemen der Aristolochiaas bestaat. Dat nu de namen van {{sc|clusius}} en {{sc|de l' obel}} niet behouden zijn gebleven om onze tegenwoordige Sarraceniaas aan te duiden, kan ons, wegens de verkeerde begrippen, waarvan zij de uitdrukking zijn, niet verwonderen; opmerkelijker echter is het, dat de beter gekozene, en uit niet meer dan één woord bestaande van ''Coilophyllum'', (d.i. "Holbad"), voorgesteld door {{sc|morison}} in zijne "Historia plantarum" (1683), en van ''Bucanephyllum'' (d.i. "Trompetblad"), uitgedacht door {{sc|plukenet}} in zijne "Phytographia'" (1696), voor den naam van ''Sarracenia'' hebben moeten wijken, daar toch deze laatste, zoo als gezegd, eerst in 1719 werd voorgesteld en het recht van prioriteit dus aan de zijde was van den naam van {{sc|morison}}. De eenige verontschuldiging, die voor de schending van dat recht kan worden aangevoerd, is deze, dat {{sc|tournefort}} de namen van {{sc|Morison}} en {{sc|Plukenet}} niet kende, en dat hij zijn geslacht ''Sarracenia'' veel naauwkeuriger beschreef en afbakende, dan {{sc|morison}} en {{sc|Plukenet}} hunne geslachten ''Coilophyllum'' en ''Bucanephyllum''; de neiging echter om den naam van {{sc|sarrasin}} in eere te houden, zal er wel het meest toe hebben bijgedragen om den door {{sc|Tournefort}} gekozen naam te behouden en niet weder door een vroegeren te doen vervangen. De Sarraceniaas behooren allen in Noord-Amerika te huis en tieren meer bepaaldelijk in de boschmoerassen van Florida, Georgië en Zuid-Carolina. Zij zijn overblijvend, met fijne wortelvezels in den<noinclude></noinclude> 64xzbk3sipny53ixkv02dh7ntve1043 Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/39 104 86780 226421 223159 2026-09-05T16:41:42Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226421 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|12|DE BEKERPLANTEN.|}}</noinclude>die, ook wel met hare toppen naar onder gekeerd, maar niet zoo sterk tegen de opperhuid aan gelegen zijn. Naar beneden, d.i. in de richting van den bodem des bekers, zag ik die naaldvormige haren langzaam in aantal afnemen en eindelijk geheel ontbreken. — Ook aan de binnenzijde des deksels trof ik haren aan, die, vreemd genoeg, in hunne onregelmatige verspreiding en hunne grootte met die der glanzige streek overkomen, doch in vorm en teekening van die der doffe niet te onderscheiden zijn. Ook deze haren zijn met hun top naar onder gekeerd. Of nu deze haren aan de afscheiding van het water en den honig, die beiden door de Sarracenia-bekers worden voortgebracht, deel hebben of niet, valt zeer moeijelijk uit te maken. Dat zij den honig afzonderen, is waarschijnlijk, omdat er, nevens hen, geene andere werktuigen aan de zamenstelling van de opperhuid der doffe streek deelnemen; of zij echter ook de waterachtige vloeistof leveren, die, althans in Amerika, de bekers tot op eene aanzienlijke hoogte vult, is eene tweede vraag, die voor geene dadelijke beantwoording vatbaar is. De dikte van den wand der naaldvormige haren in aanmerking genomen, komt het mij niet onwaarschijnlijk voor, dat de opperhuidscellen der glanzige streek bij Sarracenia het water der bekers afzonderen. Wat de afscheiding van eene zoete vloeistof in de nabijheid van den mond der Sarracenia-bekers betreft, deze heb ik wel is waar zelf niet waargenomen, maar, daar Amerikaansche proefnemers, zooals {{sc|macbride}}, daarvan niet alleen gewagen, maar haar zelfs vrij aanzienlijk noemen, zoo bestaat er geene reden om daaraan te twijfelen. Daarenboven pleit voor zulk eene afscheiding de omstandigheid, dat de bedoelde urnen — althans in haar vaderland — zoo sterk door insekten bezocht worden. Dat deze hun snoeplust meest met den dood bekoopen en in het bekerwater verdrinken, kan ons thans, nu wij iets meer van den bouw dier werktuigen weten, niet verwonderen; want het zal iedereen toch wel in de oogen springen, dat de richting der haren, zoo als wij die hier boven hebben aangegeven, een ontwijken in de richting van den bekermond hoogst moeijelijk of zelfs onmogelijk maakt. Omtrent de morphologische waarde van de urnen der Sarraceniaas kan nog weinig met zekerheid gezegd worden, omdat men die werktuigen nog niet stap voor stap in hunne ontwikkeling heeft nagegaan.<noinclude></noinclude> 2wrar3jir60tk8tjgeg955n1xyg8rjl Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/45 104 87595 226422 224726 2026-09-06T09:21:35Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 226422 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Devant à sa poitrine et li priai assez « Que l’afique gardast tant que fuisse tournez « Et r’alez par delà : et se g’ière finez, « Au mains l’en souvenroit, s’il estoit avisez, « Et prieroit pour moi, que je fuisse sauvez. » « Sire, » dist la pucelle, « moult sagement parlez ; « Et Diex me laist tant vivre, où mez cuerz est voez, « Que je voie l’enfant que chi tant me loez : « Et que vous soiés, sire, de chaiens escapez. » « Elas ! » ce dist Ernous, « belle, car en pensez « Par quoy Gaufrois de Frise, li traitres prouvez, « Puist estre bien païés, selonc ses loyautez : « Faussement m’a vendu, dont c’est grant pitez. » Eliénor la belle, où grande est li biautez, A pris ·j· biau forgier, qui bien estoit fremez ; Tantost le deffrema, elle en portoit les clés, Puis en trait une ymage, telle com vous orrez : Elle estoit de fin or, ce dist l’auctoritez, C’estoit un crucefis, en une crois entez. « Sire, » dist la pucelle, « ce crucefis vaez ; « Je le et aoère et croi, jammais en doubterez : « Cascune matinée, que mes corpz est levez, « Je le baise ·iij· foys, telle est ma volentez, « En l’onour dou Signour, qui en crois fu cloez, « Et de la mère Diu, dont Jhésus fu portez. « Et au vespre ensement est de moi aourez : « C’est en le ramenbranche de Diu, qui fu pénez, « A cui je pri de cuer qu’il soit mes avoez ; « Et que jà ne consente que mes corpz soit finez, « Tant qu’ière baptisie, en saint fons consacrez. » « Pucelle, » dist li Roys, « bonne créance avez ; « Or sui de cuer joyans que no loy aourez. » Ensi fu roys Ernous là endroit enfremez, Tant qu’il avint adont, si voir que Diex fu nez, Que gerre commencha dedens ces héritez ; </poem> |valign=top| <poem> Voor op zijn borst en ik smeekte hem herhaaldelijk Dat hij de gesp zou bewaren totdat ik zal omkeren En vandaar terug zal gaan : en als de oorlog ten einde is Het hem tenminste zou bijblijven, als hij verstandig was, En voor mij zou bidden, opdat ik gered zou worden." "Heer," zei het meisje, "u spreekt zeer verstandig; En moge God, aan Wie mijn hart gewijd is, mij zo lang laten leven, Dat ik het kind zie dat u hier zo bij mij aanprijst: En dat u, heer, hierbinnen vandaan ontsnapt bent." {{vnr|770}} "Helaas!" zei Arnoud, "schone, denk er eens aan Hoe Govert van Friesland, de bewezen verrader, Goed betaald kan worden naar zijn loyaliteit: Valselijk heeft hij mij verkocht, wat een grote schande is. » Eleanore de schone, in wie grote schoonheid is, Heeft een mooie kist genomen, die goed gesloten was; Al gauw maakte zij hem open, zij droeg er de sleutels van, Toen haalde zij er een beeld uit, zoals u zult horen: Het was van puur goud, zo zegt de autoriteit, Het was een kruisbeeld, op een kruis geplaatst. {{vnr|80}} "Heer," zei het meisje, "zie dit kruisbeeld; Ik aanbid en geloof erin, u zult er nooit aan twijfelen: Elke ochtend, wanneer mijn lichaam is opgestaan, Kus ik het drie keer, dat is mijn wil, Ter ere van de Heer, die aan het kruis werd genageld, En van de Moeder Gods, door wie Jezus werd gedragen. En in de avond wordt het evenzo door mij aanbeden: Het is ter herinnering aan God, die leed, Aan wie ik met heel mijn hart bid dat Hij mijn beschermer moge zijn; En dat Hij nooit toestaat dat mijn lichaam sterft, Voordat ik gedoopt ben, in het heilige doopvont gewijd." {{vnr|790}} "Meisje," zei de Koning, "u heeft een goed geloof; Nu ben ik met heel mijn hart blij dat u {{SIC|onze wet|ons geloof}} aanhangt." Zo werd koning Arnoud daar ter plekke opgesloten, Totdat het toen gebeurde, zo waar als God geboren werd, Dat er oorlog uitbrak binnen deze bezittingen; </poem> |}<noinclude></noinclude> 8uv5nipew4khpbw1h3cm994cb6fsexy 226423 226422 2026-09-06T09:22:06Z Havang(nl) 4330 226423 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « Devant à sa poitrine et li priai assez « Que l’afique gardast tant que fuisse tournez « Et r’alez par delà : et se g’ière finez, « Au mains l’en souvenroit, s’il estoit avisez, « Et prieroit pour moi, que je fuisse sauvez. » « Sire, » dist la pucelle, « moult sagement parlez ; « Et Diex me laist tant vivre, où mez cuerz est voez, « Que je voie l’enfant que chi tant me loez : « Et que vous soiés, sire, de chaiens escapez. » « Elas ! » ce dist Ernous, « belle, car en pensez « Par quoy Gaufrois de Frise, li traitres prouvez, « Puist estre bien païés, selonc ses loyautez : « Faussement m’a vendu, dont c’est grant pitez. » Eliénor la belle, où grande est li biautez, A pris ·j· biau forgier, qui bien estoit fremez ; Tantost le deffrema, elle en portoit les clés, Puis en trait une ymage, telle com vous orrez : Elle estoit de fin or, ce dist l’auctoritez, C’estoit un crucefis, en une crois entez. « Sire, » dist la pucelle, « ce crucefis vaez ; « Je le et aoère et croi, jammais en doubterez : « Cascune matinée, que mes corpz est levez, « Je le baise ·iij· foys, telle est ma volentez, « En l’onour dou Signour, qui en crois fu cloez, « Et de la mère Diu, dont Jhésus fu portez. « Et au vespre ensement est de moi aourez : « C’est en le ramenbranche de Diu, qui fu pénez, « A cui je pri de cuer qu’il soit mes avoez ; « Et que jà ne consente que mes corpz soit finez, « Tant qu’ière baptisie, en saint fons consacrez. » « Pucelle, » dist li Roys, « bonne créance avez ; « Or sui de cuer joyans que no loy aourez. » Ensi fu roys Ernous là endroit enfremez, Tant qu’il avint adont, si voir que Diex fu nez, Que gerre commencha dedens ces héritez ; </poem> |valign=top| <poem> Voor op zijn borst en ik smeekte hem herhaaldelijk Dat hij de gesp zou bewaren totdat ik zal omkeren En vandaar terug zal gaan : en als de oorlog ten einde is Het hem tenminste zou bijblijven, als hij verstandig was, En voor mij zou bidden, opdat ik gered zou worden." "Heer," zei het meisje, "u spreekt zeer verstandig; En moge God, aan Wie mijn hart gewijd is, mij zo lang laten leven, Dat ik het kind zie dat u hier zo bij mij aanprijst: En dat u, heer, hierbinnen vandaan ontsnapt bent." {{vnr|770}} "Helaas!" zei Arnoud, "schone, denk er eens aan Hoe Govert van Friesland, de bewezen verrader, Goed betaald kan worden naar zijn loyaliteit: Valselijk heeft hij mij verkocht, wat een grote schande is. » Eleanore de schone, in wie grote schoonheid is, Heeft een mooie kist genomen, die goed gesloten was; Al gauw maakte zij hem open, zij droeg er de sleutels van, Toen haalde zij er een beeld uit, zoals u zult horen: Het was van puur goud, zo zegt de autoriteit, Het was een kruisbeeld, op een kruis geplaatst. {{vnr|80}} "Heer," zei het meisje, "zie dit kruisbeeld; Ik aanbid en geloof erin, u zult er nooit aan twijfelen: Elke ochtend, wanneer mijn lichaam is opgestaan, Kus ik het drie keer, dat is mijn wil, Ter ere van de Heer, die aan het kruis werd genageld, En van de Moeder Gods, door wie Jezus werd gedragen. En in de avond wordt het evenzo door mij aanbeden: Het is ter herinnering aan God, die leed, Aan wie ik met heel mijn hart bid dat Hij mijn beschermer moge zijn; En dat Hij nooit toestaat dat mijn lichaam sterft, Voordat ik gedoopt ben, in het heilige doopvont gewijd." {{vnr|790}} "Meisje," zei de Koning, "u heeft een goed geloof; Nu ben ik met heel mijn hart blij dat u {{SIC|onze wet|ons geloof}} belijdt." Zo werd koning Arnoud daar ter plekke opgesloten, Totdat het toen gebeurde, zo waar als God geboren werd, Dat er oorlog uitbrak binnen deze bezittingen; </poem> |}<noinclude></noinclude> t8tn812f6rfhcxc3vwywqfex0nxgtej