Wikisource nlwikisource https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina MediaWiki 1.47.0-wmf.18 first-letter Media Speciaal Overleg Gebruiker Overleg gebruiker Wikisource Overleg Wikisource Bestand Overleg bestand MediaWiki Overleg MediaWiki Sjabloon Overleg sjabloon Help Overleg help Categorie Overleg categorie Hoofdportaal Overleg hoofdportaal Auteur Overleg auteur Pagina Overleg pagina Index Overleg index TimedText TimedText talk Module Overleg module Event Event talk Sjabloon:Troonredes 10 7297 226473 211796 2026-09-07T11:49:41Z Madjo80 1237 2026 toegevoegd aan troonredes sjabloon 226473 wikitext text/x-wiki {| class="navigatiesjabloon" style="width:100%; clear:both; margin-top:1em; margin-bottom:-7px; border:1px solid #aaaaaa; background-color:#f8f8f8;" cellpadding="0" <tr><th style="width:100%; font-size:87%; padding-bottom:2px; text-align:center; background-color:#ddeef8; color:black;">Troonredes van andere jaren</th></tr> |- | align="center" style="font-size:87%; padding:0px 3px 0px 3px;"| [[Troonrede 1980|1980]] · [[Troonrede 1981|1981]] · [[Troonrede 1982|1982]] · [[Troonrede 1983|1983]] · [[Troonrede 1984|1984]] · [[Troonrede 1985|1985]] · [[Troonrede 1986|1986]] · [[Troonrede 1987|1987]] · [[Troonrede 1988|1988]] · [[Troonrede 1989|1989]] · [[Troonrede 1990|1990]] · [[Troonrede 1991|1991]] · [[Troonrede 1992|1992]] · [[Troonrede 1993|1993]] · [[Troonrede 1994|1994]] · [[Troonrede 1995|1995]] · [[Troonrede 1996|1996]] · [[Troonrede 1997|1997]] · [[Troonrede 1998|1998]] · [[Troonrede 1999|1999]] · [[Troonrede 2000|2000]] · [[Troonrede 2001|2001]] · [[Troonrede 2002|2002]] · [[Troonrede 2003|2003]] · [[Troonrede 2004|2004]] · [[Troonrede 2005|2005]] · [[Troonrede 2006|2006]] · [[Troonrede 2007|2007]] · [[Troonrede 2008|2008]] · [[Troonrede 2009|2009]] · [[Troonrede 2010|2010]] · [[Troonrede 2011|2011]] · [[Troonrede 2012|2012]] · [[Troonrede 2013|2013]] · [[Troonrede 2014|2014]] · [[Troonrede 2015|2015]] · [[Troonrede 2016|2016]] · [[Troonrede 2017|2017]] · [[Troonrede 2018|2018]] · [[Troonrede 2019|2019]] · [[Troonrede 2020|2020]] · [[Troonrede 2021|2021]] · [[Troonrede 2022|2022]] · [[Troonrede 2023|2023]] · [[Troonrede 2024|2024]] · [[Troonrede 2025|2025]] · [[Troonrede 2026|2026]] |}<noinclude> [[Categorie:Wikisource:Sjablonen navigatie|Troonredes]] </noinclude> ndrasej4tlapb4nxdgs5juq33vp99x7 Hoofdportaal:Geschiedenis/Nederland/Tijdperken 100 39935 226471 196994 2026-09-07T10:53:21Z Vincent Steenberg 280 +bronnen 226471 wikitext text/x-wiki {{Infobox thema | naam = Geschiedenis van Nederland; Tijdperken | afbeelding = 201402201834a Brittenburg Bleijswijk 1725.jpg | alt = Historische voorstelling van Lugdunum Batavorum (Brittenburg), een fort uit de Romeinse tijd | beschrijving = Bronnen bij de [[w:Geschiedenis van Nederland|geschiedenis van Nederland]] naar tijdperk. }} == Prehistorie == *Anoniem (31 augustus 1885) [[De Tijd/1885/Nummer 11590/De te Nijeveen gevonden kano|‘De te Nijeveen in den grond gevonden kano […]’]], ''De Tijd'', [eerste blad], [p.&nbsp;2]. *Anoniem (26 april 1935) [[De Telegraaf/Jaargang 43/Nummer 16044/Avondblad/Opgravingen in de Kaapsche bosschen|‘Opgravingen in de Kaapsche bosschen’]], ''De Telegraaf'', Avondblad, derde blad, p.&nbsp;6. == Romeinse tijd == *Anoniem (13 oktober 1881) [[Nederlandsche Staatscourant/1881/Nummer 241/Koninklijke Akademie van Wetenschappen|‘Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Afdeeling Letterkunde. Vergadering op Maandag 10 October 1881’]], ''Nederlandsche Staats-Courant'', [p.&nbsp;1]. *Anoniem (29 januari 1934) [[Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant/Jaargang 134/Nummer 24/Gedenkstukken van geschiedenis en kunst|‘Gedenkstukken van geschiedenis en kunst. Overblijfselen van Romeinsch Nijmegen’]], ''Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant'', eerste blad, p.&nbsp;2. == Middeleeuwen == *Joh.M. de Wolff (5 november 1910) ‘De eerste Bisschop van Utrecht. I’, ''Het Centrum'', Derde Blad, [p.&nbsp;1]. == 16e eeuw == *[[Hoofdportaal:Geschiedenis/Nieuwe geschiedenis/Tachtigjarige Oorlog|Tachtigjarige Oorlog]] == 17e eeuw == ;Nederlandse betrokkenheid bij de Boheemse Opstand *Anoniem (15 mei 1619) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1619/15 mei/VVt ’s Gravenhaghe, den 14. dito|‘VVt ’s Gravenhaghe, den 14. dito. [= 14 mei 1619]’, alinea 5]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c''. ;Reactie op de veldtocht van Spinola, 1620 *Anoniem ([augustus 1620]) ''[[Eygentlicke afbeeldinge van het Legher Ed. H. M. Heeren Staten ende sijn Princelijcke Exelentie, met alle ghelegentheydt van dien|Eygentlicke afbeeldinge van het Legher Ed. H. M. Heeren Staten ende sijn Princelijcke Exelentie, met alle ghelegentheydt van dien. Midtsgaders de Afbeeldinghe der Stadt Weesel, ende de om leggende plaetsen, daer hem onse partyen houden]]'' [nieuwsprent], Leyden: Niclaes Geelkerck. *Anoniem (21 augustus 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/21 augustus/Wt Aernhem den 19. dito|‘Wt Aernhem den 19. dito. [= 19 augustus 1620]’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p.&nbsp;2]. *Anoniem (28 augustus 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/28 augustus#art2al11|‘Wt Ceulen’, alinea 11]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;6-8. *Anoniem (5 september 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/5 september#art1al8|‘Verhael hoe dat zijn Excellentie Marquis Spinola is over den Rhijn ghemarcheert, ende ghetrocken naer Franckfort’, alinea 8-9]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;3-7. *Anoniem (10 oktober 1620) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1620/10 oktober/VVt Franckfoort den 2. October|‘VVt Franckfoort den 2. October’, alinea 2]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;1]. *Anoniem (10 oktober 1620) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1620/10 oktober/VVt het Velt-leger des Princen van Orangien teghenvvoordich by VVesel|‘VVt het Velt-leger des Princen van Orangien teghenvvoordich by VVesel’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;2]. *Anoniem (17 oktober 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/17 oktober/VVt des Prince van Orangien Veltleger den 14 October|‘VVt des Prince van Orangien [Veltleger] den 14 October’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p.&nbsp;2]. *Anoniem (17 oktober 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/17 oktober/VVt Ceulen, den 10 October|‘VVt Ceulen, den 10 October’, alinea 2]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c''., [p.&nbsp;2]. *Anoniem (5 december 1620) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1620/5 december/Wt Ceulen den 29. dito|‘Wt Ceulen den 29. dito. [= 29 november 1620]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;2]. *Anoniem (12 december 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/12 december/VVt VVorms, den 30 dito|‘VVt VVorms, den 30 dito. [= 30 november 1620]’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p.&nbsp;1]. *Anoniem (12 december 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/12 december/VVt der Bergstraten, den 2. December|‘VVt der Bergstraten, den 2. December’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p.&nbsp;1]. *Anoniem (12 december 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/12 december/Van Ceulen den 5 December|‘Van Ceulen den 5 December’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p.&nbsp;1-2]. ;Spotprent op het onvermogen van de Republiek om Frederik van de Palts te beschermen tegen de keizer, 1621 *Anoniem (1621) ''[[Nederlandsch blasoen oft emblema van desen teghenwoordighen tiit|Nederlandsch blasoen oft emblema van desen teghenwoordighen tiit, met een corte declaratie daer van]]'', [s.n.]: [s.l.]. ;Bezoek van de ambassadeur van de Republiek Venetië, Girolamo Trevisano, 6 oktober 1620 e.v. *Anoniem (10 oktober 1620) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1620/10 oktober/Inkomste des Ambassadeurs van Venetien|‘Inkomste des Ambassadeurs van Venetien’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;2]. *Anoniem (25 januari 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/25 januari/Wt Venetien den 8. Ianuarij, 1621|‘Wt Venetien den 8. Ianuarij, 1621’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;1]. ;Afdanking van een deel van het Staatse leger, mei 1650 *Wiselius, Samuel Iperuszoon (1828) ''Geschied- en regtskundig onderzoek, rakende het eigenmatig en afzonderlijk afdanken van krijgsvolk bij de Staten van Holland, in den jare 1650, met de gevolgen daarvan; vooral wat betreft de handelingen van de Algemeene Staten en van Prins Willem den Tweede;'' […], Te Brussel: bij Brest van Kempen.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (12 januari 1829) [[Nederlandsche Staatscourant/1829/Nummer 10/Departement van Binnenlandsche Zaken|‘Departement van Binnenlandsche Zaken [advertentie]’]], ''Nederlandsche Staats-Courant'', [p.&nbsp;4]. ;Driedaagse Zeeslag, 28 februari-2 maart 1653 *Anoniem (6 maart 1653) [[Wekelycke Nieus Uyt Vranckryck Engelant Ende andre Plaetsen/1653/Nummer 10#art2|‘Vyt s’ Graven-Hage den 6. Martij 1653’]], ''Wekelycke Nieus Uyt Vranckryck Engelant Ende andre Plaetsen'', p.&nbsp;5-7. == 18e eeuw-ca. 1795 == *Anoniem (7 februari 1737) [[Oprechte Haerlemsche Courant/Jaargang 1737/Nummer 6/De gecommitteerde raden van de Staten van Holland en West-Vriesland, adverteren by desen|‘De gecommitteerde raden van de Staten van Holland en West-Vriesland, adverteren by desen, […] [advertentie]’]], ''Oprechte Haerlemsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Algemeen *Munniks, J. (1785-[…]) ''Staatkundige-beschryving der voornaamste geschiedenissen in de Waereld, betrekking hebbende tot de republiek der Nederlanden'', Amsterdam: J. Verlem.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (17 december 1784) [[Nederlandsche Courant/1784/Nummer 151/Amsterdam den 16 December|‘Amsterdam den 16 December’]], ''Nederlandsche Courant'', [p.&nbsp;1]. ;Patriottentijd, 1780-1787 *Anoniem ([1782]) ''Aanspraak aan Willem den Vijfden Neerlands erfstadhouder. &c. &c. &c.'', [s.l.]: [s.n.].<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (5 augustus 1782) [[Diemer of Watergraafsmeersche Courant/1782/Nummer 93/Op heeden is uitgegeeven|‘Op heeden is uitgegeeven […] [advertentie]’]], ''Diemer of Watergraafsmeersche Courant'', [p.&nbsp;2]. *Anoniem (17 december 1784) [[Nederlandsche Courant/1784/Nummer 151/’s Hage den 15 December|‘’s Hage den 15 December’, alinea 2]], ''Nederlandsche Courant'', [p.&nbsp;1]. *Cambon, M.G. de, geboren van der Werken ([1788]) ''Gedenkschrift ter huldiging van de oprechte vaderlandsche societeiten'', 's Gravenhage: J.F. Jacobs de Agé.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (23 april 1789) [[Opregte Haarlemsche Courant/1789/Nummer 49/Gedenkschrift ter Hulding van de Oprechte Vaderlandsche Societeiten|‘Gedenkschrift ter Hulding van de Oprechte Vaderlandsche Societeiten, […] [advertentie]’]], ''Oprechte Donderdagse Haarlemse Courant'', [p.&nbsp;4]. *[Capellen tot den Pol, Joan Derk van der] (september 1781) ''[[Aan het volk van Nederland]]'', [s.l.]: [s.n.]. *Fredrik Willem den II. van Pruissen (25 september 1786) [[Leydse Courant/1786/Nummer 115/Extract uit een brief van ’s Gravenhage den 21 September|‘Extract uit een brief van ’s Gravenhage den 21 September. Zie hier eene Copie van de Missive van Zyne Koninglyke Majesteit Fredrik Willem den II. van Pruissen, aan H. H. Mog. de Heeren Staaten der Vereenigde Nederlanden’]], ''Leydse Courant'', [p.&nbsp;1 en 4]. *Marck, F.A. van der (1783) ''Redenvoering van F. A. van der Marck, over de liefde tot het vaderland, te bestuuren overeenkomstig met de redelyke en gezellige natuur der menschen, of over den waaren aard van het zogenaamde patriotismus. Openlyk uitgesprooken den 25 van Herfstmaand des jaars 1783. By gelegenheid van het plechtig aanvaarden van het gewoone hoog leeraarsampt in de rechten, in de doorluchtige school te Deventer'', Deventer: G. Brouwer, Amsterdam: J. Allart.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (17 januari 1784) [[Hollandsche Historische Courant/1784/Nummer 8/By Johannes Allart, Boekverkoper te Amsterdam, en G. Brouwer, Boekverkoper te Deventer|‘By Johannes Allart, Boekverkoper te Amsterdam, en G. Brouwer, Boekverkoper te Deventer, is uitgegeeven […] [advertentie]’]], ''Hollandsche Historische Courant'', [p.&nbsp;2]. *Q.N. (1784) ''Echt berigt wegens de receptie van Kaat Mossel, op de Militaire parade in ’s Hage, op Zondag den 13. Juny 1784'', Rotterdam: Hofhout.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (2 juli 1784) [[Nederlandsche Courant/1784/Nummer 79/Echt bericht van de Receptie van Kaat Mossel|‘Echt bericht van de Receptie van Kaat Mossel, […] [advertentie]’]], ''Nederlandsche Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Vierde Engels-Nederlandse Oorlog, 1780-1784 *Anoniem (5 augustus 1782) [[Diemer of Watergraafsmeersche Courant/1782/Nummer 93/Nederlanden|‘Nederlanden’, alinea 2 en 5]], ''Diemer of Watergraafsmeersche Courant'', [p.&nbsp;1]. ;Vierde Engels-Nederlandse Oorlog, 1780-1784; vredesonderhandelingen *Anoniem (5 augustus 1784) [[Hollandsche Historische Courant/1784/Nummer 8/Nederlanden|‘Nederlanden’, alinea 9]], ''Hollandsche Historische Courant'', [p.&nbsp;1]. ;Slag bij de Doggersbank, 1781 *Anoniem (10 augustus 1881) [[Het Nieuws van den Dag/1881/Nummer 3515/In ons verslag|‘In ons verslag van de viering van het eeuwfeest van den zeeslag bij Doggerebank, komt voor: […]’]], ''Het Nieuws van den Dag'', Eerste Blad, [p.&nbsp;2]. ;Keteloorlog, 1781-1785 *Anoniem (17 december 1784) [[Nederlandsche Courant/1784/Nummer 151/Triest den 22 November|‘Triest den 22 November’]], ''Nederlandsche Courant'', [p.&nbsp;1]. *Anoniem (17 december 1784) [[Nederlandsche Courant/1784/Nummer 151/’s Hage den 15 December|‘’s Hage den 15 December’, alinea 3]], ''Nederlandsche Courant'', [p.&nbsp;1]. ;Conflict met de Republiek Venetië, 1784 *Anoniem (5 augustus 1784) [[Hollandsche Historische Courant/1784/Nummer 8/Nederlanden|‘Nederlanden’, alinea 8]], ''Hollandsche Historische Courant'', [p.&nbsp;1]. ;Bondgenootschap Nederland-Frankrijk, 10 november 1785 *Anoniem (24 november 1785) [[Rotterdamsche Courant/1785/Nummer 141/Het Alliantie-Tractaat|‘Het Alliantie-Tractaat tusschen den koning van Frankryk en de Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden, den 10 November 1785 te Fontainebleau gesloten, is van den volgenden inhoud: […]’]], ''Rotterdamsche Courant'', [p.&nbsp;1]. == ca. 1795-ca. 1815 == *[[Besluit voor een nieuwe nationale vlag (1796)]] (14 februari 1796). *Anoniem (12 april 1889) [[De Tijd/1889/Nummer 2688/’t Doet ons genoegen|‘’t Doet ons genoegen, te vernemen dat […]’]], ''De Tijd'', [eerste blad], [p.&nbsp;2]. == 19e eeuw == *Roland Holst-van der Schalk, H. ([1903]) ''[[Kapitaal en Arbeid in Nederland, 1|Kapitaal en Arbeid in Nederland. Bijdrage tot de economische geschiedenis der 19de eeuw]]'', Amsterdam: A.B. Soep. ;Geschiedenis van de Joden *Anoniem (20 december 1892) [[Limburger Koerier/Jaargang 47/Nummer 212/Schimmert, 19 Dec.|‘Schimmert, 19 Dec.’]], ''Limburger Koerier'', [p.&nbsp;3]. *Anoniem (21 juni 1893) [[Ons Zuiden/Jaargang 1/Nummer 142/Maastricht 20 Juni/Rechtszaken|‘Rechtszaken’]], ''Ons Zuiden'', [p.&nbsp;2]. == 20e eeuw; algemeen == ;Nederlandse Zionistenbond, 1899-1992 *Anoniem (6 december 1952) [[Het Rotterdamsch Parool/Jaargang 12/Nummer 288/Zionistenbond|‘Zionistenbond protesteert tegen anti-semitisme’]], ''Het Rotterdamsch Parool'', p.&nbsp;6. == Ca. 1900-ca. 1918 == ;Eerste Wereldoorlog; handelsembargo's *Anoniem (24 april 1919) [[De Nieuwe Courant/Jaargang 19/Nummer 112/Avondblad/Levensmiddelen naar Duitschland|‘Levensmiddelen naar Duitschland’]], ''De Nieuwe Courant'', Avondblad, [p.&nbsp;1]. ;Eerste Wereldoorlog; Nederlandsche Overzee Trust Maatschappij, 1914-1919 *Anoniem (24 april 1919) [[De Nieuwe Courant/Jaargang 19/Nummer 112/Avondblad/Vrijheid van handel|‘Vrijheid van handel’]], ''De Nieuwe Courant'', Avondblad, [p.&nbsp;1]. *Anoniem (24 april 1919) [[De Nieuwe Courant/Jaargang 19/Nummer 112/Avondblad/Embargo opgeheven|‘Embargo opgeheven’]], ''De Nieuwe Courant'', Avondblad, [p.&nbsp;1]. ;Eerste Wereldoorlog; rantsoenering *Anoniem (30 september 1916) [[Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 41/Nummer 9151/Het Bonnenstelsel in ongenade|‘Het Bonnenstelsel in ongenade’]], ''Nieuwe Haarlemsche Courant'', Tweede Blad, [p.&nbsp;2]. *Anoniem (24 april 1919) [[De Nieuwe Courant/Jaargang 19/Nummer 112/Avondblad/De broodkaart|‘De broodkaart’]], ''De Nieuwe Courant'', Avondblad, [p.&nbsp;1]. *Anoniem (24 april 1919) [[De Nieuwe Courant/Jaargang 19/Nummer 112/Avondblad/Verhooging van het suikerrantsoen|‘Verhooging van het suikerrantsoen’]], ''De Nieuwe Courant'', Avondblad, [p.&nbsp;1]. ;Eerste Wereldoorlog; conserveerverbond van vleeswaren *Anoniem (24 april 1919) [[De Nieuwe Courant/Jaargang 19/Nummer 112/Avondblad/Geconserveerde vleeschwaren|‘Geconserveerde vleeschwaren’]], ''De Nieuwe Courant'', Avondblad, [p.&nbsp;1]. == Ca. 1918-ca. 1940 == ;Crisisjaren *Anoniem (11 december 1934) [[De Standaard/Jaargang 63/Nummer 19219/Huishoudelijke voorlichting|‘Huishoudelijke voorlichting in benarden tijd’]], ''De Standaard'', p.&nbsp;4. *Anoniem (11 december 1934) [[De Standaard/Jaargang 63/Nummer 19219/Roomsch-Katholieke Werkgevers|‘Roomsch-Katholieke Werkgevers. Gecombineerde vergadering te Den Haag’]], ''De Standaard'', p.&nbsp;4. *Anoniem (11 mei 1936) [[Haagsche Courant/1936/Nummer 16338/Haagsch Crisis-comité|‘Haagsch Crisis-comité’]], ''Haagsche Courant'', vierde blad, p.&nbsp;3. == Tweede Wereldoorlog == *Anoniem (7 juli 1941) [[Leeuwarder Courant/Jaargang 190/Nummer 157/Verlenging spertijd fotografisch bedrijf enz.|‘Verlenging spertijd fotografisch bedrijf enz.’]], ''Leeuwarder Courant'', [eerste blad], [p.&nbsp;3]. *Anoniem (14 mei 1945) [[Dagblad voor Noord-Limburg/Jaargang 1/Nummer 21/Tegelen|‘Tegelen. Pastoor Windhausen overleden?’]], ''Dagblad voor Noord-Limburg'', [p.&nbsp;2]. *Anoniem (26 september 1945) [[De Bredasche Courant/Jaargang 155/26 september 1945/Plechtige herdenking van de gevallenen op de Vloeiweide te Rijsbergen|‘Plechtige herdenking van de gevallenen op de Vloeiweide te Rijsbergen’]], ''De Bredasche Courant'', [p.&nbsp;2]. *Anoniem (9 oktober 1947) [[Algemeen Handelsblad/Jaargang 3/Nummer 644/Drie doodstraffen geëist|‘Drie doodstraffen geëist. Een der gruwelijkste misdaden uit de bezettingstijd voor Bijz. Gerechtshof. Vloeiweide-drama’]], ''Algemeen Handelsblad'', p.&nbsp;2. *Wilhelmina der Nederlanden (1940-1945) [[Radiotoespraken Wilhelmina|Radiotoespraken]]. [[Categorie:Hoofdportaal geschiedenis]] [[Categorie:Geschiedenis van Nederland| ]] 15jgyofi0liprr7ydd9zaixko4rxxq6 Hoofdportaal:Geschiedenis/Nieuwe geschiedenis/Dertigjarige Oorlog 100 66308 226470 206522 2026-09-07T09:59:50Z Vincent Steenberg 280 +bronnen 226470 wikitext text/x-wiki {{Infobox thema | naam = Dertigjarige Oorlog | afbeelding = Hanging from The Miseries and Misfortunes of War by Jacques Callot.jpg | alt = Executie van een aantal dieven, vermoedelijk soldaten die zich schuldig maakten aan plundering | beschrijving = Bronnen bij de [[w:nl:Dertigjarige Oorlog|Dertigjarige Oorlog]]. }} == Algemeen == *Haug, C.F. ([1824]-1826) ''De Dertigjarige Oorlog. Eene bijdrage tot de krijgskundige geschiedenis'' […], Delft: P. de Groot.<br>Aankondigingen en recensies: **Anoniem (2 november 1824) [[Rotterdamsche Courant/1824/Nummer 132/Bij den Drukker en Boekverkooper P. de Groot|‘Bij den Drukker en Boekverkooper P. de Groot, te Delft, is gedrukt en bij de voornaamste Boekhandelaren te bekomen: […] [advertentie]’]], ''Rotterdamsche Courant'', [p.&nbsp;3]. **Anoniem (12 september 1825) [[Leydse Courant/1825/Nummer 109/Iets over den Dertigjarigen Oorlog|‘Iets over den Dertigjarigen Oorlog 1618-1648’]], ''Leydsche Courant'', [p.&nbsp;2-3]. [[Bestand:Utrechtsche Provinciale en Stads-Courant 1845 no 139 advertisement Geschiedenis van den Dertigjarigen Oorlog.jpg|thumb|240px|Advertentie uit de ''Utrechtsche Provinciale en Stads-Courant'', 19 november 1845]] *Sporschill, Johann (1845) ''Geschiedenis van den Dertigjarigen Oorlog'', Nijmegen: C.A. Vieweg. == Bijzondere onderwerpen == ;Boheemse opstand, 1618-1620 :[[Afbeelding:1rightarrow.png|15px]] Zie [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Tsjechië/17e eeuw/Boheemse Opstand]] ;Duitse vorsten nemen soldaten aan, juni 1618 *Anoniem (14 juni 1618) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1618/14 juni/VVt Ceulen, den 11. Dito|‘VVt Ceulen, den 11. Dito. [= 11 juni 1618]’, alinea 4]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c''. *Anoniem (22 juni 1618) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1618/22 juni/VVt Ceulen, den 18. Dito|‘VVt Ceulen, den 18. Dito. [= 18 juni 1618]’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c''. ;Bündner Wirren, 1618-1639 :[[Afbeelding:1rightarrow.png|15px]] Zie [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Zwitserland/Graubünden/Bündner Wirren]] ;Hongaarse opstanden, 1619-1626 :[[Afbeelding:1rightarrow.png|15px]] Zie [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Hongarije]] ;Overzicht van legereenheden, augustus 1620 *Anoniem (12 september 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/12 september#art1al15|‘Wt Weenen 20. Augusti’, alinea 15-27]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;3-8. ;Paltse veldtocht, 1620-1623 :[[Afbeelding:1rightarrow.png|15px]] Zie [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/ca. 1500-ca. 1648/Paltse veldtocht]] ;Lijst van katholieke en protestantse vorsten, enz., en hun bondgenoten, december 1620 *Anoniem (5 december 1620) ''[[Nieuwe Tijdinghen/1620/5 december (2)|Cataloge vande Coningen, Princen, Graven ende andere Vorsten, met den Keyser Ferdinandvs II. opentlijck houdende teghen de Vnie der Calvinisten ende alle Adherente Protestanten]]'', T’Hantwerpen: By Abraham Verhoeven. ;Financiering *Anoniem (8 januari 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 3#art5|‘Extract getrocken vvt het Keyserlijck Placcaet, gepubliceert binnen VVeenen in Oostenrijck, nopende de generaele Schattinghen opghestelt tot onderhoudinghe van de Oorloghe’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;4-8. ;Gevolgen van de Dertigjarige Oorlog voor de burgerbevolking *Anoniem (27 februari 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/27 februari#art6al3|‘Wt Weenen in oostenrijck 5. Februarij’, alinea 3]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;8. *Anoniem (25 januari 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/25 januari/Wt Franckfort den 16. dito|‘Wt Franckfort den 16. dito. [= 16 januari 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;2]. *Anoniem (10 april 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/10 april/VVt VVorms den 27. dito|‘VVt VVorms den 27. dito. [= 27 maart 1621]’, alinea 2]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;2]. *Anoniem (12 mei 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/12 mei/VVt Egher den 29. April|‘VVt Egher den 29. April’, alinea 3]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;1]. *Anoniem (12 mei 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/12 mei/VVt VVorms den 1. Mey|‘VVt VVorms den 1. Mey’, alinea 3]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;1]. *Anoniem (29 maart 1636) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1636/Nummer 13/Wt Leipsigh den 6. Martij|‘Wt Leipsigh den 6. Martij’, alinea 4]], ''Tydingen uyt verscheyden Quartieren'', [p.&nbsp;1]. ;Veldtocht van Johan Banér van Bohemen naar Fritzlar, 1640 *Anoniem (5 juni 1640) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1640/Nummer 23/Wt Neurenburch den 26 dito|‘Wt Neurenburch den 26 dito. [= 26 mei 1640]’]], ''Ordinaris Dingsdaeghse Courante'', [p.&nbsp;1-2]. *Anoniem (5 juni 1640) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1640/Nummer 23/Wt Bremen den 30 dito|‘Wt Bremen den 30 dito. [= 30 mei 1640]’]], ''Ordinaris Dingsdaeghse Courante'', [p.&nbsp;2]. *Anoniem (5 juni 1640) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1640/Nummer 23/Wt Franckfort den 31 dito|‘Wt Franckfort den 31 dito. [= 31 mei 1640]’, alinea 2-3]], ''Ordinaris Dingsdaeghse Courante'', [p.&nbsp;2]. *Anoniem (5 juni 1640) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1640/Nummer 23/Wt Antwerpen den 2 Iunij|‘Wt Antwerpen den 2 Iunij’]], ''Ordinaris Dingsdaeghse Courante'', [p.&nbsp;2] (als ‘Den Oversten Beck’). ;Zweeds-Franse coalitie (1630-1648) *Anoniem (29 maart 1636) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1636/Nummer 13/Wt Metz den 28. Februarij|‘Wt Metz den 28. Februarij’]], ''Tydingen uyt verscheyden Quartieren'', [p.&nbsp;1]. *Anoniem (29 maart 1636) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1636/Nummer 13/Wt Leipsigh den 6. Martij|‘Wt Leipsigh den 6. Martij’]], ''Tydingen uyt verscheyden Quartieren'', [p.&nbsp;1]. ;Transsylvanische inval in Hongarije, 1644-1645; Wapenstilstand, 22 augustus 1645 *Anoniem (19 september 1645) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1645/Nummer 38/Uyt Wenen den 30 dito|‘Uyt Wenen den 30 dito. [= 30 augustus 1645]’]], ''Ordinaris Dingsdaegsche Courante'', [p.&nbsp;1]. *Anoniem (19 september 1645) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1645/Nummer 38/Uyt Neurenburg den 8 dito|‘Uyt Neurenburg den 8 dito [= 6 september 1645]’]], ''Ordinaris Dingsdaegsche Courante'', [p.&nbsp;1]. ;Wapenstilstand van Kötzschenbroda, 27 augustus 1645 *Anoniem (19 september 1645) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1645/Nummer 38/Uyt Leipsigh den 6 dito|‘Uyt Leipsigh den 6 dito [= 6 september 1645]’]], ''Ordinaris Dingsdaegsche Courante'', [p.&nbsp;1]. ;Invasie van Saksen door Zweden *Anoniem (19 september 1645) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1645/Nummer 38/Uyt Prage den 2 September|‘Uyt Prage den 2 September’]], ''Ordinaris Dingsdaegsche Courante'', [p.&nbsp;1]. ;Beierse veldtocht, 1646-1647 *Anoniem (23 oktober 1646) [[Ordinarise Middel-weeckse Courante/1646/Nummer 43/Wt Vlm den 10 Octobris 1646|‘Wt Vlm den 10 Octobris 1646’]], ''Ordinarise Middel-weeckse Courante'', [p.&nbsp;1]. ;Vrede van Westfalen *Anoniem (17 januari 1645) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1645/Nummer 3/Uyt Osenbrugge den 21 dito|‘Uyt Osenbrugge den 21 dito. [= 21 december 1644]’]], ''Ordinaris Dingsdaegsche Courante'', [p.&nbsp;1]. *Anoniem (8 maart 1650) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1650/Nummer 11/Uyt Nurenbergh den 25 dito|‘Uyt Nurenbergh den 25 dito. [= 25 februari 1650]’]], ''Ordinaris Dingsdaeghsche Courante'', [p.&nbsp;1]. ;Nürnberger Exekutionstag, april 1649-juli 1650 *Anoniem (8 maart 1650) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1650/Nummer 11/Uyt Nurenbergh den 25 dito|‘Uyt Nurenbergh den 25 dito. [= 25 februari 1650]’]], ''Ordinaris Dingsdaeghsche Courante'', [p.&nbsp;1]. [[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal geschiedenis]] j6o3w825egtu68t385oqxm4aesr0fgh Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Augsburg 100 79398 226469 208397 2026-09-07T09:29:27Z Vincent Steenberg 280 lf, +bron 226469 wikitext text/x-wiki {{Infobox thema | naam = Geschiedenis van Augsburg | afbeelding = Beschreibung der Städt der Welt - Braun & Hogenberg - btv1b52512111k (128 of 378).jpg | alt = Augsburg in 1582 | beschrijving = Bronnen bij de geschiedenis van [[w:Augsburg (stad)|Augsburg]] }} == Geschiedenis van tijdperken; afzonderlijk == === 17e eeuw === *Anoniem (8 augustus 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/8 augustus#art3|‘Wt Augspurg van xxij. ditto. [= 22 juli 1620]’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;5-6. *Anoniem (15 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/15 maart/Wt Aughsburgh den 3. Martij|‘Wt Aughsburgh den 3. Martij’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;2]. *Anoniem (20 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/20 maart/Wt Aughsburgh den 10. Martij|‘Wt Aughsburgh den 10. Martij’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;2]. *Anoniem (27 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/27 maart/Wt Aughsburgh den 13. dito|‘Wt Aughsburgh den 13. dito. [= 13 maart 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;2].' ;Beleg van Augsburg, 1646 *Anoniem (23 oktober 1646) [[Ordinarise Middel-weeckse Courante/1646/Nummer 43/Wt Vlm den 10 Octobris 1646|‘Wt Vlm den 10 Octobris 1646’]], ''Ordinarise Middel-weeckse Courante'', [p.&nbsp;1]. [[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal geschiedenis]] 5o0a9ax4habhj7we7i21fqxnei8frry Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/43 104 86784 226427 223163 2026-09-06T14:10:14Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226427 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|16|DE BEKERPLANTEN.|}}</noinclude>het, met Canada-balsem gevuld, uit Canada had medegebracht, was ter hand gesteld. Ofschoon {{sc|de l'obel}} er voor zich zelven aan twijfelde, of de urn wel afkomstig was van hetzelfde gewas, dat den daarin besloten balsem geleverd had, gaf hij haar toch, gelijk wij reeds zeiden, den oneigenlijken naam van ''"Thuris limpidi folium"'' (blad van den helderen balsem), een titel, die in 1650 door {{sc|joh. bauhinus}} werd overgenomen.—De bloemen van ''S. flava'' werden het eerst beschreven door {{sc|morison}} (''Hist. Plantarum'', 1683), en dat wel naar aanleiding van inlichtingen en teekeningen, hem door een Engelsch kruidkundige, {{sc|john banister}}, uit Virginië verstrekt. ''S. flava'' is van de 6 andere soorten van het geslacht, waarvan alleen nog slechts ''S. variolaris'' gele bloemen draagt, zeer duidelijk onderscheiden. Zij heeft lange smalle bladen, wier urn van boven naar onder langzamerhand naauwer wordt en ongeveer halverhoogte het blad zeer spits eindigt, en wier eentoonig groen slechts aan de binnenvlakte van den mond der urnen en zoo ook aan de binnenzijde van het deksel door purperen nerven wordt afgebroken. De vleugel aan de voorzijde der urnen is, in vergelijking met dien van andere soorten, smal te noemen en neemt van den mond des bekers tot halverhoogte het blad in breedte langzamerhand toe, maar van daar dan ook weer even regelmatig af. Het deksel, eenigzins driehoekig van vorm, heeft een opgerichten stand en een naar achter omgeslagen boord. Onder het droogen nemen de bladen van ''S. flava'', die, in 't voorbijgaan gezegd, dikwerf 7 decim. lang worden, eene blaauwachtige tint aan; en tevens wordt hunne inwendige oppervlakte daarbij glanzig als zijde. De eigenaardige wijze, waarop de bloembladen van ''S. flava'' (fig. 10 b, volg. bl.) over de inhammen van het stempelscherm (''a'') naar beneden hangen, zoo als {{sc|curtis}} zegt: "somewhat in the manner as a woman's leg hangs over the pummel of the side-saddle", gaf aanleiding tot den vreemden naam van "side-saddle-flower" (d.i. dameszadelbloem), waarmeê men gewoon is de Sarraceniaas in Engeland aan te duiden. De kultuur der ''S. flava'' dagteekent van het jaar 1752, als wanneer levende exemplaren in 't bezit waren van {{sc|philip miller}}, den bekenden hortulanus van den apothekerstuin te Chelsea bij Londen. ''Sarracenia variolaris'', waarvan in fig. 4 (bl. 11) een blad is afgebeeld, gelijkt wel eenigzins op ''S. flava'', maar is daar toch van onderscheiden<noinclude></noinclude> h9fel0vo6h8npjeyr23x98uyqzsabup Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/46 104 86786 226428 223167 2026-09-06T14:23:33Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226428 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||DE BEKERPLANTEN.|19}}</noinclude>des deksels, 't welk, niettegenstaande zijn naar achter omgeslagen boorden, toch niet beter te vergelijken is dan bij een uitgespreiden waaijer. De haartjes, die bij ''S. flava'' zoo dicht tegen de inwendige oppervlakte der urnen aan gedrukt zijn, dat men ze slechts bij een naauwkeurig onderzoek ontdekt, staan hier wijd uit en loopen dan ook spoedig in het oog. ''S. Drummondii'' werd in 1842 of 1843 door een Amerikaansch kruidkundige, Dr. {{sc|chapman}}, in Florida (in de nabijheid der stad Appalachicola) aan den westelijken zoom der rivier van denzelfden naam ontdekt. In de kassen van den Hertog van Devonshire werden de eerste levende exemplaren dezer plant ten toon gesteld, Niettegenstaande zij aldaar in de bloeijende ''Victoria regia'' eene gevaarlijke mededingster had, wist zij toch de bewondering der bezoekers van Chatsworth gaande te houden. De bloemen van ''S. Drummondii'' zijn paarsrood en hebben een geel stempelschild. In plaats van ''S. Drummondii'' treft men somwijlen, hoezeer dan ook onder denzelfden naam, eene andere soort van ''Sarracenia'' aan, door {{sc|decaisne}} als ''S. undulata'' beschreven. Deze laatste is echter, behalve door haar groen stempelschild, nog daardoor van ''S. Drummondii'' onderscheiden, dat hare bladen korter, doch breeder zijn en, in plaats van zuiver witte, licht rozenroode vlekken op hun rug vertoonen; daarenboven is de rand van hun deksel veel sterker gegolfd. De onder den naam van ''S. Drummondii'' door {{sc|van houtte}} in Deel VI (pl. 560) zijner ''"Flore des Serres et des Jardins de l' Europe"'' gegeven afbeelding heeft op ''S. undulata'' betrekking. ''Sarracenia rubra'', eene vijfde soort van hetzelfde geslacht, hoewel minder prachtig, wat hare urnen betreft, dan ''S. Drummondii'', verdient toch wegens hare sierlijkheid en haar behagelijk voorkomen eene afzonderlijke vermelding. Eigen aan de moerassen van Zuid-Carolina, werd zij aldaar door den Amerikaanschen kruidkundige {{sc|walter}} ontdekt, en in 1786 door {{sc|john fraser}} levend naar Engeland overgebracht. Deze soort heeft (zie fig. 12 volg. bl.) zeer tengere, in de nabijheid van haar mond purperachtig aangeloopen of geaderde, tot 3 decim. hooge urnen, een bijkans recht opstaand en puntig toeloopend deksel en bloemen, die door zulke lange stelen gedragen worden, dat zij ver boven de bladen uitsteken. Doordien de bloembladen bij deze<noinclude></noinclude> lsetcx8v52nsouwyl8gro9kyme5r77i Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/49 104 86812 226429 223216 2026-09-06T14:27:52Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226429 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|22|DE BEKERPLANTEN.|}}</noinclude>toegezonden gedroogde bekers en de bladen van het geslacht ''Statice'', dat toen ter tijde den naam droeg van ''Limonium'', eene zekere overeenkomst in vorm bestond. Vandaar de naam van "''Limonio congener''" (plant uit het geslacht der Limoniums), waaronder ''S. purpurea'' door {{sc|clusius}} werd beschreven. Ook de overeenkomst in uiterlijk tusschen de bekers der bedoelde ''Sarracenia'' en de bloemen der Aristolochiaas ontging genoemden kruidkundige niet, hoezeer hem dan ook het feit niet bekend was, dat er in gene, even als in deze, een honigachtig vocht wordt afgescheiden. De bloemen van ''S. purpurea'' bleven in Europa onbekend tot aan het einde der 17de eeuw, op welk tijdstip zij, met die van ''S. flava'', door {{sc|morison}} beschreven werden. Het was bij die gelegenheid, dat M., zooals wij vroeger mededeelden, den naam van ''Coilophyllum'' (Holblad) voor het tegenwoordige geslacht ''Sarracenia'' voorsloeg; een naam, die kort daarna een mededinger vond in dien van ''Bucanephyllum'' van {{sc|plukenet}}, en eindelijk voor dien van ''Sarracenia'', door {{sc|tournefort}} gekozen, wijken moest. Even als bij ''S. rubra'', is ook bij ''S. purpurea'' het deksel der bekers rechtopstaand; daarbij heeft het een hart- of niervorm, en is het purper-geaderd en aan de binnenzijde van duidelijke haren voorzien. De bloemen van laatstgenoemde soort zijn bloed- of paarsrood en omsluiten een groen of paarsgroen stempelscherm. In den ''"Hortus Kewensis"'' vindt men opgegeven, dat ''S. purpurea'', door {{sc|john tradescant}}, vóór 1640, naar Europa werd overgevoerd. In den laatsten tijd is ''S. purpurea'', vreemd genoeg, als een onfeilbaar middel aangeprezen geworden tegen de pokken, en dat wel bepaaldelijk tegen uitgebroken pokken, die, eenvoudig door het innemen van een waterig aftreksel van een spijslepel wortelpoeder, zonder gevaar voor den zieke, spoorloos verdwijnen zouden. In den ''"Cosmos"'' van 1862, pag. 115, vindt men daaromtrent de volgende mededeeling: "Le docteur {{sc|f. w. morris}}, résidant à Halifax, affirme que le Sarracenia purpurea ou Indian Cap, plante très-abondante de la Nouvelle-Ecosse, est un remède souverain contre la petite vérole à tous les degrés, à ce point que 12 heures après avoir été administrée, elle fait disparaître tous les symptômes de la fatale maladie.<noinclude></noinclude> h49yhgx0yw1f9mqps2l1hgxlxg0l1tw Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/50 104 86815 226430 223223 2026-09-06T14:28:47Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226430 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" /> {{rh||DE BEKERPLANTEN.|23}}</noinclude>Quelque alarmantes, quelque nombreuses que soient les symptômes, si confluente que soit la maladie, l'action du remède est tellement énergique, qu'il laisse à peine des traces de l'évasion. Mêlée à du thé ou à du café, la plante en dénature à peine le goût; de sorte que le remède qu'elle fournit est aussi efficace que facile à prendre." In hoe stellige bewoordingen de geneeskracht der ''S. purpurea'' in de boven aangehaalde regels ook wordt geprezen, zoo kunnen wij toch, tot onzen spijt, niet anders dan verzekeren, dat zij een sprookje bevatten, en dat proeven, met dit nieuwe quasi-middel in de gasthuizen te Londen op groote schaal genomen, tot een geheel negatief resultaat hebben geleid. {{r|{{smaller|''('t Slot volgt.)''}}{{gap|6em}}}} {{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude> 56omomxp000hhjsyvwfji680iun37lk Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/56 104 86817 226436 223227 2026-09-06T14:49:14Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226436 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr}} {{c|{{larger|MIEREN IN BRAZILIE.}}}} {{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}} Een werk van {{sc|h.w. bates}}, the Naturalist on the River Amazons, in 1863 te Londen uitgekomen en waarvan uittreksels worden medegedeeld in de ''Revue des deux mondes'' van 1 Augustus 1863, behelst o. a. eenige merkwaardige berigten over verschillende soorten van roofmieren. Wij deelen daaromtrent het volgende mede. Behalve de ''Saüba''-mier (''Oecodoma cephalotes'' <ref>Dat is de ''Formica cephalotes'' van {{sc|linnaeus}} en {{sc|fabricius}}.</ref>), die, door de kostbaarste boomen van hunne bladeren te berooven, eene der grootste plagen van Brazilië mag genoemd worden, gewaagt {{sc|bates}} van verschillende soorten van ''Eciton'', waarvan hij in de opene ''campos'' (savannen) van Santarem en in de bosschen rondom Ega geheele benden zag en gelegenheid had naauwkeurig na te gaan. Wat de ''Saüba''-mier voor de boomen is, worden de ''Eciton's'' in sommige gevallen voor den mensch, die hare ontelbare legerscharen niet ongestraft aanvalt. Zij maken in geregelde benden, elke soort op hare wijze, jagt op hare prooi. Zoo doortrekt de reusachtigste van allen, de ''Eciton rapax'', de bosschen op de wijze der Indianen, d.i. in ééne enkele regte lijn; de benden van deze soort zijn nooit zeer talrijk, hare togten zijn voornamelijk gerigt tegen de nesten van eene andere mierensoort, die ondanks hare grootte geheel en al weerloos is. De ''Eciton legionis'' is veel kleiner, zij is gemakkelijker na te gaan dan de voorgaande soort, daar zij bij helder daglicht de naaktste vlakten, in breede kolonnes van eenige duizende individu's, doortrekt. {{sc|Bates}} zag deze dieren een nest van de zoo even vermelde weerlooze mieren geregeld belegeren; zij groeven daarbij in den ligten grond ware mijnen of loopgraven, ter diepte van acht of tien duimen en leidende naar de nesten der weerlooze mieren, wier larven en poppen vervolgens door de aanvallers in stukken gescheurd werden, terwijl de volwassene mieren natuurlijk niet gespaard, maar<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude> 9gi3kj1wclsb3fxtbf7dsvxhnf9i7e8 Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/51 104 86818 226431 223228 2026-09-06T14:36:58Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226431 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr}} {{c|{{larger|STUARTS TWEEDE ONTDEKKINGSREIS IN HET BINNENLAND VAN AUSTRALIË.}}}} {{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}} Wij hebben aan de lezers van dit tijdschrift in de eerste aflevering van den vorigen jaargang een beknopt verslag gegeven van den eersten togt van {{sc|j. mac douall stuart}}, ondernomen met het doel om van het zuiden dwars door het binnenland tot de noordwestkust van Australië door te dringen. Wij hebben toen tevens medegedeeld, dat hij, van deze eerste reis teruggekeerd, zonder uitstel zich gereed maakte om eene tweede in dezelfde rigting te ondernemen. Het is van dezen laatsten togt, dat wij den lezers van het Album thans nader verslag wenschen te geven. Reeds den 1 Januari 1861 verliet {{sc|stuart}} met een geleide van 11 man en 49 paarden de Chambers-creek, die ook het uitgangspunt zijner eerste reize was geweest. Men had zich tot regel gesteld de rigting van het vorige jaar getrouw te volgen. Den 24 April had {{sc|stuart}} de Attack-creek bereikt, het punt, waar hij het vorige jaar door de inboorlingen aangetast en tot den terugkeer gedwongen was. Van nu aan bereisde hij eenen nieuwen, hem nog geheel onbekenden bodem. Zijne hoop om water te vinden werd geheel teleurgesteld. Reeds dacht hij er aan om terug te keeren, toen hij een breede, ruim van water voorziene creek (Tomkinson-creek) ontdekte, waar hij eene menigte nieuwe plantensoorten vond. Na zich zelven en de paarden aan deze wateren verkwikt te hebben, ging het weder voorwaarts door onafzienbare drooge vlakten, meestal zoo digt met struikgewas begroeid, dat het geheel onmogelijk was verder door te dringen, zonder zich aan de grootste gevaren bloot te stellen; overal niets dan zandheuvels met struikgewas en arme gomboomen. De uitzigten om op dezen togt tot de Carpentaria-golf of de Victoria-rivier door te dringen werden van dag tot dag donkerder. Hoe gelukkig moest {{sc|stuart}} zich dus niet gevoelen, toen hij den 23 Mei een waterbekken ontdekte, dat bij eene breedte van 450 voet zich<noinclude></noinclude> btls9skx0ojbjwrut92qvkb4hchyhq8 Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/52 104 86819 226432 223229 2026-09-06T14:39:22Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226432 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||STUART'S TWEEDE ONTDEKKINGSREIS, ENZ.|25}}</noinclude>in eene onafzienbare lengte uitstrekte. Eene groote menigte pelikanen, eenden en ibissen verlevendigden dit water, en aan de oevers lagen tallooze mosselschelpen verstrooid, wier inhoud door de inboorlingen genuttigd was. Dit prachtige waterbekken, dat eene nieuwe hoop voor het welslagen der expeditie wekte, kreeg den naam van Newcastle-water. Hier werd nu de legerplaats opgeslagen en het waterbekken van alle zijden naauwkeurig onderzocht. Het had 30 voet van de oevers eene diepte van 10 en in het midden van 17 voet. Reeds vleide {{sc|stuart}} zich met de hoop van in dit water een tak van de Victoria-rivier ontdekt te hebben, waardoor welligt vroeg of laat de zee zou kunnen bereikt worden. Maar nader onderzoek deed hem al spoedig inzien, dat hij zich in dit opzigt vergiste, want het waterbekken verloor zich op 16 mijlen afstand geheel in eene met digt bosch begroeide vlakte. Tot hiertoe hadden onze reizigers slechts zeldzame sporen van inboorlingen aangetroffen, eene enkele nog voor kort verlatene hut en op een boom een kinderlijkkistje van ongemeen sierlijken arbeid. Het was uit een enkel stuk hout naauwkeurig in den vorm van eene boot uitgesneden, met spits uitloopende einden. Op de zijden waren tot sieraad smalle lijnen ingesneden; het deksel was uit stukken boomschors zamengesteld en het geheel met van gras gemaakt touw vast omsnoerd. Het kleine kistje bevatte nog de beenen en den schedel van een kind. Bij Newcastle-water hadden zij de eerste ontmoeting met de inlanders. "Dezen morgen", schrijft {{sc|stuart}} in zijn reisboek, "bezochten ons zeven inboorlingen, groote, krachtige knapen. Eerst scheen het, dat zij eenig boos opzet in hun schild voerden, zij maakten allerlei soort van gebaren, dreigden met hunne boemerangs, speren, enz; maar langzamerhand lieten zij zich door vriendschappelijke teekenen bewegen om nader te komen, en spoedig scheen het, alsof zij zeer vriendschappelijk gezind waren. Ik vreesde voor de veiligheid van {{sc|j. woodforde}}, die aan het water op de eendenjagt gegaan was juist in dezelfde rigting, vanwaar de inboorlingen kwamen. Ik deed daarom mijn best om hen door geschenken van doeken enz. tot vrienden te maken. Terwijl wij ons met hen onderhielden, hoorde ik in de verte den knal<noinclude></noinclude> hpq5ef1alplt38gkv5c7g0vn8ck0vmf Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/53 104 86820 226433 223230 2026-09-06T14:42:04Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226433 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|26|STUART'S TWEEDE ONTDEKKINGSREIS IN HET|}}</noinclude>van {{sc|woodforde}}'s geweer en zocht nu de inboorlingen zoo lang mogelijk, te houden, om voor {{sc|woodforde}} tijd tot terugkeeren te winnen, eer zij ons verlieten. Spoedig daarop verwijderden zij zich, naar het scheen, zeer vriendschappelijk; maar weldra keerden zij weder, liepen tot digt bij het leger en staken het gras in brand. Het was nu duidelijk, dat zij wat kwaads in den zin hadden. Ik had grooten lust op hen te schieten, maar liet het na, opdat zij zich niet bij hun terugtogt op {{sc|woodforde}} wreken mogten. Wij doofden het gras spoedig uit, en ik beval hen door teekenen zich te verwijderen, wat zij ook na veel geschreeuw deden, nadat zij nogmaals het gras in brand gestoken hadden. {{sc|Woodforde}} kwam na omstreeks 20 minuten behouden in het leger aan. De wilden hadden hem, nadat zij ons verlaten hadden, met boemerang's en speren aangevallen, terwijl zij hem omringden en van alle zijden langzaam naderden, {{sc|woodforde}} had slechts één loop van zijn geweer met schroot geladen, en toen een der knapen hem tot op 15 voet naderde en juist zijn boemerang naar hem slingeren wilde, schoot hij hem het schroot in 't aangezigt en snelde naar de legerplaats terug. De twee hem te gemoet gezonden mannen kwamen op dat schot toeloopen, haalden de zwarten in en dwongen ze zelfs den kruidhoorn en de eenden van {{sc|woodforde}}, die zij opgeraapt hadden, te laten vallen" Den 27 Mei werd de togt naar het noorden voortgezet, maar spoedig bevond men zich weder op de onafzienbare, waterlooze vlakte. Een verder doordringen in die rigting scheen volstrekt onmogelijk. Men keerde daarom naar het waterbekken terug om nog eenmaal een uitweg paar het westen te zoeken. Maar ook hier troffen zij niets dan grasvlakten, bosch en struikgewas, zonder eenig spoor van water. Eindelijk werd het woud zoo ondoordringbaar, dat men ook van dezen verkenningstogt onverrigter zake naar de legerplaats terug moest keeren. Nog eene poging werd in westelijke rigting ondernomen, doch met hetzelfde ongelukkige gevolg. "Dit is reeds de derde proef," schreef {{sc|stuart}}, "die ik aangewend heb om de Victoria-rivier te bereiken. Telkenmaal ben ik door dezelfde gesteldheid van het land en het gebrek aan water teruggedreven. Niet het geringste spoor van eenige<noinclude></noinclude> ognqv0qa25vvzdr3xhuudaojcpdkwvu Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/54 104 86821 226434 223231 2026-09-06T14:44:12Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226434 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||BINNENLAND VAN AUSTRALIË.|27}}</noinclude>bodemverheffing of afwisseling van landschap laat zich opmerken; overal slechts datzelfde schrikkelijke, treurige bosch, dat zich naar alle waarschijnlijkheid tot aan de uiterste legerplaats van Gregorie aan de Camfield-rivier uitstrekt. Mijn verste punt was slechts 100 Engelsche mijlen daarvan verwijderd. Ik zoude verder voortgedrongen zijn, maar mijne paarden zijn er niet toe in staat; zij zien er uit, alsof zij een maand lang den zwaarsten arbeid verrigt hadden, zoo heeft het drooge voeder, het digte bosch en het gebrek aan water hen uitgeput. Zoo verdwijnt dan mijne hoop op deze breedte de Victoria-rivier te bereiken, en dit is eene zeer bittere teleurstelling." Om niets onbeproefd te laten, besloot {{sc|stuart}} nog eenmaal in noord-oostelijke rigting naar de Carpentaria-baai te trekken. Maar ook deze togt leidde tot geene gunstiger gevolgen. De vlakte was volkomen droog, nergens was eenig spoor van water te vinden. Zoude hij niet zijne paarden en zijn eigen leven op het spel zetten, dan was hij volstrekt in de noodzakelijkheid zijn koers naar het zuiden te rigten, om van eene eenigzins zuidelijker breedte nog eens te beproeven, of er geen kans bestond naar het westen door te dringen en zoo de Victoriarivier te bereiken. Dit was de laatste hoop: mislukte ook deze, dan moest hij terug keeren. Den 17 Junij werd de legerplaats aan Newcastle-water opgebroken en de weg naar het zuiden ingeslagen; op den 22sten bereikte men de Tomkinson-creek, die tot uitgangspunt der verdere verkenningstogten werd uitgekozen. Maar ook de van dit punt uit ondernomene togten hadden geen beter gevolg. Overal vond men dezelfde eentoonige met gras of struikgewas begroeide vlakte, alleen afgewisseld met een naakten, dorren, met steenen bezaaiden zandbodem, zonder een enkelen grashalm; — en nergens, nergens water; zelfs op vijf voet diepte vond men geen spoor van vochtigheid. Na deze mislukte proeven werd de terugtogt ondernomen. Het werd dan ook hoog tijd; de vermindering der levensmiddelen gedoogde geen langer uitstel. Men was met proviand voor 30 weken op reis gegaan; 26 weken waren reeds verstreken en op zijn minst werden er nog 10 weken toe vereischt, eer men de uiterste grenzen van het bewoonde land kon bereiken. De grootste spaarzaamheid moest derhalve<noinclude></noinclude> 35t0g5i6zhvlh30w7f673m4frfm0xyi Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/55 104 86822 226435 223232 2026-09-06T14:46:32Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226435 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|28|STUART'S TWEEDE ONTDEKKINGSREIS, ENZ.|}}</noinclude>in acht genomen worden. Men begon reeds de verzwakkende werking van eene te karige voeding bij de togtgenooten op te merken. De paarden waren bovendien voor een goed deel niet meer te gebruiken; hoefijzers ontbraken, zadels en pakzakken waren gescheurd, laarzen en kleedingstukken waren versleten. Men kon zich ter naauwernood met zamengeflikte lappen armoedig bedekken. In zulk eenen toestand aanvaardde men den 12 Julij den terugtogt. Men hield denzelfden weg, dien men op de heenreis gehouden had, en bereikte den 31 Augustus de noordelijkste bewoonde plaats van Zuid-Australië. Den 16 September kwam {{sc|stuart}} behouden in Adelaïde aan. Hoewel hij op dezen togt bijna 2 graden breedte verder doordrong, dan op zijnen eersten, zoo werd toch het doel om van het zuiden dwars door het binnenland tot de noordkust door te dringen, niet bereikt. Het was echter zeer wel vooruit te zien, dat de regering der kolonie zich door deze mislukking niet geheel zou laten afschrikken. Onverwijld werd tot een derden togt besloten. Het parlement bewilligde met algemeene stemmen 2000 pond sterling tot eene nieuwe uitrusting. Reeds den 25 October vertrok het grootste gedeelte der manschappen van Adelaïde. {{sc|Stuart}} volgde in het begin van November na, om zich weder aan het hoofd der nieuwe expeditie te stellen. Het plan is zich langs den vorigen weg zoo spoedig mogelijk naar Newcastle-water te begeven en van daar nogmaals eene poging aan te wenden om westwaarts door de waterlooze vlakte tot aan de Victoria-rivier door te dringen. Men heeft maatregelen genomen om een watervoorraad van 140 gallons mede te nemen en in dat waterlooze land om de 30 Eng. mijlen water-depôts aan te leggen. Het is nu eenmaal voor de kolonie een punt van eer geworden, het eenmaal voorgestelde doel te bereiken. Met belangstelling zien wij de uitkomst van deze derde onderneming te gemoet. (Uit {{sc|petermann's}} ''Mittheilungen über wichtige neue Erforschungen auf dem Gesammtgebiete der Geographie'', 1862, 2es Hft., bl, 58 en v.). {{r|[[Auteur:Anne Tjittes Reitsma|{{sc|R.}}]]{{gap|5em}}}} {{dhr}} {{lijn|5em}} {{dhr}}<noinclude></noinclude> b789n6xfytq9b9ui9u1kud7tu132sqy Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/59 104 86823 226437 223233 2026-09-06T14:51:53Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226437 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|30|MIEREN IN BRAZILIE.|}}</noinclude>door de moorddadige roovers zelfs tot in de hand van den waarnemer gegrepen, hare leden vaneen gerukt en onder elkander verdeeld werden. Het meest opmerkelijke bij deze krijgsoperatiën was de geheel naar de regelen der kunst georganiseerde verdeeling van den arbeid. Elk korreltje aarde, dat weggenomen werd, moest zoo ver verwijderd worden, dat het niet kon terugvallen in de aangevangen holte, en wanneer men hiermede tot eenige diepte gekomen was, moesten de mijnwerkers telkens tegen de wanden opklimmen om elk klein stukje los gemaakten grond naar buiten te brengen; maar dan zag men, hoe de gravers in hun werk door hunne makkers werden bijgestaan, die, aan de opening van de mijn geplaatst, den last overnamen en zoo verre van de monding wegvoerden, dat alle vrees voor wederinstorting was weggenomen. Dit is te meer opmerkelijk, omdat men bij deze roofmieren de afdeelingen van geheel onderscheidene werklieden en de bepaalde beziging van elke klasse van individu's tot deze of gene werkzaamheid, zooals die bij andere soorten van mieren worden aangetroffen, mist, daar gravers, dragers, verwoesters enz. allen één zijn en beurtelings van bezigheid verwisselen. De vreeselijkste onder de Zuid-Amerikaansche roofmieren zijn ''Eciton hamata'' (''Formica hamata'' {{sc|fabr.}}) en ''drepanophora'', Deze beide soorten gelijken veel op elkander en er is een oplettend onderzoek noodig om haar te onderkennen. Doch, hoewel zij dezelfde bosschen bewonen, komen hare benden nooit met elkander in aanraking. Men ziet baar bijna overal op de oevers van de Amazonen-rivier, waar hare digte kolonnes de oorspronkelijke wouden doorkruisen; op haar hebben waarschijnlijk de verhalen betrekking van mieren, die, zooals men in geschriften over Zuid-Amerika leest, de luizen van ongedierte zouden zuiveren. {{sc|Bates}} echter zegt nooit gehoord te hebben, dat zij de woningen binnentraden, maar dat hare verwoestingen zich altijd bepalen tot de digtste gedeelten der wouden. De voetganger, die een dezer mieren-legers ontmoet, wordt er van verwittigd door de onrustige bewegingen en kreten van zekere grijsachtige vogels (''ant-thrushes''); geeft hij daarop geen acht en gaat hij eenige passen vooruit, dan wordt hij plotseling door eene menigte van deze wreede, kleine schepsels aangevallen. Zij kruipen met ongeloofelijke snelheid tegen zijne beenen<noinclude></noinclude> 5i4a7hz0s9nu5op43skzuv8qdb7pwch Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/60 104 86824 226438 223234 2026-09-06T14:54:06Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226438 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||MIEREN IN BRAZILIE.|31}}</noinclude>op en vatten, even als met eene nijptang, het vel met hare kaken, en, eens daaraan vastgeklemd, buigen zij haar achterlijf binnenwaarts om met alle kracht te steken. Den ongelukkigen aangevallene blijft niets over, dan zoo snel mogelijk op de vlugt te gaan; als hij door inboorlingen vergezeld wordt, kan hij er zeker van zijn, dat zij zich onder den alarmkreet ''"Tauóca! tauóca|"'' uit de voeten maken. Is de vlugteling eenmaal in veiligheid, dan zal hij, om zich te bevrijden van zijne aanvallers, hen stuk voor stuk moeten doorsnijden, daar zij het vel, waaraan zij zich eens hebben vastgeklemd, niet loslaten; het hoofd met de kaken blijft daarbij in de kleine huidwonden zitten. Als de Eciton's in beweging zijn, is al het gedierte in de weer, elk schepsel tracht hunnen weg te vermijden; het meest moeten dan op hunne hoede zijn de spinnen met hunne zware ligchamen, de vleugellooze insekten, zooals andere miersoorten, rupsen, larven van allerlei aard, en in één woord alles wat onder afgevallen blad, dood hout enz. leeft; daar zij niet hoog tegen de boomen opklimmen, zijn de Eciton's voor de nesten der vogeltjes minder te vreezen. Wat het operatieplan bij deze legers aangaat, daaromtrent hebben naauwkeurige waarnemingen het volgende geleerd: de hoofdkolonne, ter breedte van van vier of zes rijën, gaat in eene aangegevene rigting voorwaarts, den grond op haren weg van alle mogelijke dierlijke zelfstandigheid, hetzij dood of levend, schoon vegende; van tijd tot tijd zendt zij ter zijde een detachement van fourrageurs af, dat, na korte uitstapjes, zijne taak volbragt hebbende, in de gelederen terugkeert. Indien het op zijn weg de eene of andere plaats aantreft, waar rijkelijk prooi voorhanden is, b.v. een hoop verrot hout, wemelende van insekten-larven, dan houdt het geheele leger halt, en eene aanzienlijke magt stort zich op het aangewezen punt; iedere spleet en scheur wordt dan naauwkeurig onderzocht; de woedende roofdieren slepen de groote wormen uit hunne schuilhoeken voor den dag en scheuren hen in stukken. Vooral der moeite waardig is het, een' aanval op wespennesten te zien, waar deze op struiken digt bij den grond gebouwd zijn; de Eciton's bijten de papierachtige hulsels, waardoor de larven, poppen en jongen beschut worden, stuk en maken alles kort en klein, zonder<noinclude></noinclude> kl73e8nhazf650h7axc61ur3fv4itg1 226439 226438 2026-09-06T14:54:43Z WeeJeeVee 2844 typo 226439 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||MIEREN IN BRAZILIE.|31}}</noinclude>op en vatten, even als met eene nijptang, het vel met hare kaken, en, eens daaraan vastgeklemd, buigen zij haar achterlijf binnenwaarts om met alle kracht te steken. Den ongelukkigen aangevallene blijft niets over, dan zoo snel mogelijk op de vlugt te gaan; als hij door inboorlingen vergezeld wordt, kan hij er zeker van zijn, dat zij zich onder den alarmkreet ''"Tauóca! tauóca!"'' uit de voeten maken. Is de vlugteling eenmaal in veiligheid, dan zal hij, om zich te bevrijden van zijne aanvallers, hen stuk voor stuk moeten doorsnijden, daar zij het vel, waaraan zij zich eens hebben vastgeklemd, niet loslaten; het hoofd met de kaken blijft daarbij in de kleine huidwonden zitten. Als de Eciton's in beweging zijn, is al het gedierte in de weer, elk schepsel tracht hunnen weg te vermijden; het meest moeten dan op hunne hoede zijn de spinnen met hunne zware ligchamen, de vleugellooze insekten, zooals andere miersoorten, rupsen, larven van allerlei aard, en in één woord alles wat onder afgevallen blad, dood hout enz. leeft; daar zij niet hoog tegen de boomen opklimmen, zijn de Eciton's voor de nesten der vogeltjes minder te vreezen. Wat het operatieplan bij deze legers aangaat, daaromtrent hebben naauwkeurige waarnemingen het volgende geleerd: de hoofdkolonne, ter breedte van van vier of zes rijën, gaat in eene aangegevene rigting voorwaarts, den grond op haren weg van alle mogelijke dierlijke zelfstandigheid, hetzij dood of levend, schoon vegende; van tijd tot tijd zendt zij ter zijde een detachement van fourrageurs af, dat, na korte uitstapjes, zijne taak volbragt hebbende, in de gelederen terugkeert. Indien het op zijn weg de eene of andere plaats aantreft, waar rijkelijk prooi voorhanden is, b.v. een hoop verrot hout, wemelende van insekten-larven, dan houdt het geheele leger halt, en eene aanzienlijke magt stort zich op het aangewezen punt; iedere spleet en scheur wordt dan naauwkeurig onderzocht; de woedende roofdieren slepen de groote wormen uit hunne schuilhoeken voor den dag en scheuren hen in stukken. Vooral der moeite waardig is het, een' aanval op wespennesten te zien, waar deze op struiken digt bij den grond gebouwd zijn; de Eciton's bijten de papierachtige hulsels, waardoor de larven, poppen en jongen beschut worden, stuk en maken alles kort en klein, zonder<noinclude></noinclude> pos91k3kiwp7pal776i3qpg4k2fxvex Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/61 104 86827 226440 223238 2026-09-06T14:56:42Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226440 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|32|MIEREN IN BRAZILIE.|}}</noinclude>zich in het minste te storen aan de woede der verjaagde dieren, die van alle kanten rondom de roovers vliegen; deze laatsten verdeelen den buit voorloopig, waarbij eene soort van billijkheid in acht genomen en ieder naar zijne krachten met een gedeelte belast wordt, de kleinen dragen namelijk de kleinste stukken, terwijl de sterksten met de grootste belast worden en twee roovers soms gezamenlijk hunne krachten beproeven aan hetzelfde, voor één al te zwaar voorwerp. Zelden trekt het leger lang over een' gebaanden weg, het schijnt het digte kreupelhout, waar men het moeijelijk volgen kan, te verkiezen. {{sc|Bates}} spoorde meer dan eens, gedurende eene halve mijl en langer, eene van die ontzaggelijke, 60 tot 70 Ned. el lange kolonnes na, maar heeft nooit kunnen nagaan, dat er eene na de strooptogten van den dag huiswaarts keerde; zelfs gelukte het hem nooit eene woonplaats of een nest van Eciton's te vinden; hij zag haar nooit anders dan op marsch of ook wel in eene van die aanvallen van luiheid en werkeloosheid, waarin zij van tijd tot tijd verkeeren, wanneer zij op hare lauweren schijnen te rusten. Dit geschiedde altijd op eene opene, door de zon beschenen plek; de hoofdkolonne en de corpsen aan de vleugels bewaren daarbij de respective positiën, maar, in de plaats van voorwaarts te gaan en regts en links te plunderen, geven‚ de krijgsknechten zich dan aan eene behagelijke rust over; eenigen wandelen op hun gemak, anderen borstelen hunne sprieten met hunne voorpooten. Allergekst is het, de een den anderen te zien schoonmaken: eerst strekken hier en daar eenige mieren een poot uit, hetzelfde geschiedt achtereenvolgens door anderen, dan komt eene mier (somtijds door eenige helpsters vergezeld) den poot borstelen of wasschen door dezen tusschen hare kaken en tong te nemen; met een tikje, vriendschappelijk tegen de sprieten gegeven, is het toilet afgeloopen. Wij wenschen onze mededeeling hierbij te laten, zonder andere soorten, waaromtrent {{sc|bates}} nog belangrijke bijzonderheden mededeelt, zooals ''Eciton crassicornis, erratica'' enz., nader te bespreken. {{r|[[Auteur:Herman Christiaan van Hall|{{sc|H. v. H.}}]]{{gap|3em}}}} {{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude> 3jzv8mzid08lwdj3jjeumu5t9cfquzw Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/62 104 86828 226441 223241 2026-09-06T17:41:50Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226441 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr}} {{c|{{larger|OVER DE BEPERKTHEID DES MENSCHEN IN </br> VERBAND TOT DE VORMING ZIJNER </br> GEDACHTEN.}}}} {{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}} Als er ooit eenig tijdvak geweest is, waarin zich de mensch met eenig regt den Heer der Schepping kon noemen, dan voorzeker is het het tijdvak, waarin wij leven. Aarde en lucht, vuur en water gehoorzamen immers aan onze wenken. We hebben het vuur en het water zamen doen huwen, en ze hebben den stoom voortgebragt: het reuzenkind, dat ons op gebaande sporen van volk tot volk doet snellen, op ongebaande wegen een spoor door de zeeën snijdt en onze fabrieken in beweging brengt. We hebben der aarde hare schatten ontroofd, ginds de steenkool, die de sinds eeuwen opgegaarde zonnewarmte weder als licht en warmte aan ons moet afstaan, hier de edele en onedele metalen, wier ongelijksoortige werking op elkander door ons wordt aangewend, om langs het spinneweb van metalen draden, dat wij over de aarde hebben uitgesponnen, onze gedachten in een oogwenk aan elkander mede te deelen. De ijle lucht is door ons in boeijen geslagen en zamengeperst, en zij moet ons dienen ginds om bergen te doorboren en mijnen te doen springen, hier om in de diepte der zeeën neder te dalen en naar verborgene schatten te zoeken. Het heerlijke licht, eene beweging zóó fijn, dat hare stoffelijkheid lang betwijfeld werd, hebben wij gedwongen, nu eens om op de toebereide plaat te blijven kleven en beeld op beeld voor ons te ontwerpen, dan weder om ons onbekende geheimen te ontsluijeren, nieuwe stoffen aan te wijzen en de zamenstelling der hemelligchamen te doen kennen. De wetten, die de ons omringende natuur, die vuur en water, aarde en lucht en het licht beheerschen,<noinclude>{{rh|{{gap|2em}}1864.||3{{gap|2em}}}}</noinclude> 18ncmq55hp1it63l2ic8w8zddr1nuj2 Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/63 104 86829 226442 223242 2026-09-06T17:45:53Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226442 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|34|OVER DE BEPERKTHEID DES MENSCHEN, IN VERBAND|}}</noinclude>worden ons van dag tot dag meer onthuld, en met elken nieuwen sluijer, die opgeligt wordt, schijnt onze magt over de ons omringende natuur aan te groeijen, schijnt de aanspraak toe te nemen, die wij hebben, om ons de Heeren der Schepping te noemen. Inderdaad, zoo we ooit het regt hadden om op onze meerderheid te snoeven en als een andere Prometheus trotsch den hemel in het aangezigt te schouwen, het zou thans zijn, nu ons elke dag nieuwe overwinningen, nieuwe zegepralen onzer wetenschap komt melden. En toch! wie er zou meenen, dat de natuurwetenschappen onzer dagen, waaraan wij alle die overwinningen verschuldigd zijn, trots en overmoed prediken, hij zou zich deerliijk vergissen. Neen! geen hoovaardij op behaalde zegepralen, geen eigenwaan prediken zij, maar demoed en nederigheid, en nimmer welligt minder dan thans zouden zij geneigd zijn om met den dichter des "Lucifers" den mensch {{c|"Een Godt, om wien het al moet slaven,"{{gap}}}} te noemen, of van hem uit te roepen: {{Block center|::Dat de eigenaar der dingen</br> Slechts om den mensch den hemel schiep,</br> En ligchaamlooze hemellingen</br> Alleen tot 's menschdoms dienst beriep!"}} Van waar dat verschijnsel? Van waar die demoed na de overwinning, die nederigheid na de uitbreiding zijner magt? Het is omdat elke stap, dien wij op het gebied der wetenschap voorwaarts doen, nieuw voedsel geeft aan de overtuiging, dat we nog onmetelijk ver van het verlangde doel verwijderd zijn; het is, omdat elke ontdekking ons leert, dat waar we nieuwe stoffen en nieuwe krachten meenen te scheppen, we niets anders doen dan den vorm der stoffen veranderen, en de eene kracht in de andere omzetten; het is ten slotte, en wel voornamelijk, omdat we ook den blik in ons zelve slaan en het "ken u zelven" der oude Grieken niet slechts tot een lijfspreuk, maar tot een wetenschap verheffen. Die wetenschap van het "ken u zelven" — in de taal der geleerden heet zij ''physiologie'' — maakt dagelijks nieuwe vorderingen, en elke nieuwe vordering is een stap nader tot de overtuiging, dat de naam van "Heeren der Schepping" ons niet past en al onze magt beperkt en schijnbaar is. Die<noinclude></noinclude> gq17trbzfxslt49nen7rdjrw24gvmrc Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/64 104 86830 226443 223248 2026-09-06T17:48:09Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226443 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||TOT DE VORMING ZIJNER GEDACHTEN.|35}}</noinclude>wetenschap leert ons den mensch beschouwen, niet als een wezen, dat op zich zelf staat, maar als een natuurproduct, dat, even als alle andere, aan dezelfde wetten gehoorzaamt, die het hem omgevend heelal beheerschen; zij leert ons, dat de mensch, met al zijne wijsheid, aan de aarde gebonden, van zijne omgeving afhankelijk en bekrompen in zijne ontwikkeling is; zij leert ons, dat zijn arbeid, even als de arbeid der machines, die hij schept, af hangt van den aard en de hoeveelheid der stoffen, die hij tot zich neemt; zij leert ons ten slotte, dat die menschelijke machine in al hare uitingen, in al hare verrigtingen beperkt is, en dat die perken niet ongestraft kunnen worden overschreden. Maar de wetenschap, die den mensch zich zelven leert kennen, blijft daarbij niet stilstaan. Het is haar niet genoeg te weten, dat er perken bestaan, zij wil die perken ook afmeten en bepalen, en, echte zuster der zuivere natuurwetenschappen als zij is, neemt zij geen rust, voordat zij de krachtsuitingen, waartoe de menschelijke machine in staat is, in cijfers en getallen heeft uitgedrukt, voordat zij de grenzen, waartoe de menschelijke verrigtingen beperkt zijn, met mathematische naauwkeurigheid heeft afgemeten!<ref>Zie {{Sc|moleschott}}, ''Die Grenzen des Menschen''.</ref> Dat haar dit nog niet in alle opzigten gelukt is, dat hare pogingen nog te vaak slechts wankelende schreden zijn, wien zal het verwonderen? Toch heeft zij in dit opzigt reeds resultaten verkregen, die der aandacht overwaardig zijn. In kilogrammeters<ref>Bij het bepalen van den arbeid in kilogrammeters heeft men de kracht op het oog, die noodig is om een bepaald aantal kilogrammen (ponden) één meter (el) hoog op te heffen.</ref> heeft zij den arbeid bepaald, waartoe een volwassen mensch bij behoorlijke voeding in staat is; in graden heeft zij de temperatuur aangegeven, die het bloed bezitten moet om het levend organismus in stand te houden; in strepen heeft zij de drukking der lucht doen kennen, die de levende machine tot haar voortbestaan niet ontberen kan. En ook tot het gebied der zintuigs-verrigtingen heeft zij haar onderzoek uitgestrekt, zij heeft geleerd, dat er lichtstralen zijn, die aan de waarneming van het oog ontsnappen, en de golflengte dier lichtstralen bepaald; zij<noinclude>{{smallrefs}}</noinclude> 4xta6sz46nn71152vu4nd3wsj3bqmv5 Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/65 104 86831 226444 223252 2026-09-06T17:50:04Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226444 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|36|OVER DE BEPERKTHEID DES MENSCHEN, IN VERBAND|}}</noinclude>heeft geleerd, dat er luchttrillingen zijn, die het menschelijk oor niet meer als toon waarneemt, en het aantal dier trillingen in de seconde doen kennen; zij heeft in ellemaat den afstand aangegeven, waarop twee voorwerpen van elkander moeten geplaatst zijn, om nog als afzonderlijk door de huid te worden gevoeld; zij heeft ten slotte zelfs de grenzen der zoogenaamde hoogere verrigtingen trachten te omschrijven, en in onderdeelen van seconden den tijd aangegeven, die er op zijn minst voor de vorming eener duidelijke voorstelling of gedachte vereischt wordt. En met elken nieuwen stap op dit gebied is een steun ontnomen aan het voetstuk, waarop zich de mensch als Heer der Schepping zoo gaarne wilde plaatsen, maar is tevens een steen toegevoegd aan het schoonste gebouw, dat de mensch zich oprigten kan: aan het gebouw der zelfkennis. Maar dringt de wetenschap der zelfkennis den mensch zoodoende tot nederigheid, aan den anderen kant is zij zelve het beste bewijs voor de voortreffelijkheid van den onvolkomen menschelijken geest. De mensch moge geen heer der Schepping, hij moge geen heer van zijn eigen ligchaam, ja zelfs geen heer zijner gedachten zijn, in alle gevallen bezit hij eigenschappen en vermogens, waardoor hij de hem omringende natuur en zich zelf, als een deel dier natuur, kan leeren kennen. En al mogen nu die eigenschappen niet zoo voortreffelijk, die vermogens niet zoo almagtig zijn, als hij zich wel eens voorstelt, zij bestaan er niet te minder om, en ze zijn de aanleiding geweest, dat hij het heerlijk gebouw der zelfkennis heeft kunnen oprigten. Wie zich van de juistheid der voorgedragene meening nog nader overtuigen en aan een voorbeeld de beperktheid van den mensch ter eene, de voortreffelijkheid van de wetenschap der zelfkennis ter andere zijde erkennen wil, volge mij eenige oogenblikken, nu ik hem wil trachten bekend te maken met een onderzoek der jongste dagen, dat den tijd, die er voor de vorming eener bepaalde voorstelling of gedachte noodig is, heeft zoeken te bepalen. Men is gewoon zich den tijd, die er voor de vorming van voorstellingen, gedachten, in het kort voor verrigtingen der hersenen vereischt wordt, als oneindig en onmetelijk klein voor te stellen. Als eene nieuwe gedachte in ons brein oprijst, dan schijnt het, of zij plotseling<noinclude></noinclude> hq3wgn31u8xtrqfv1366nyi7jbynz3y Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/66 104 86832 226445 223254 2026-09-06T17:52:01Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226445 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||TOT DE VORMING ZIJNER GEDACHTEN.|37}}</noinclude>in ons is opgedoken, als de bliksemstraal, die op eens een vroeger stikdonkere lucht verlicht; en dat er tijd noodig was om die gedachte te doen ontstaan, vermoeden wij niet in de verte. Toch vergissen wij ons daarin ten eenenmale. En even als er tot het ontstaan van den bliksemstraal tijd en voorbereiding noodig is — want eerst moet de van de aarde opgestegene waterdamp zich tot een wolk gevormd, die wolk zich met elektriciteit beladen en de spanning dier elektriciteit hare grootste hoogte bereikt hebben, voordat de bliksemstraal aan het donkere zwerk verschijnt — zoo is er ook tijd en voorbereiding, ja veel tijd en veel voorbereiding tot de vorming van soortgelijke gedachten noodig. "Ieder, die dan ook zich zelven met eenige naauwkeurigheid waarneemt, zal, zij het dan ook niet dadelijk, maar toch na eenig overleg ten slotte moeten erkennen, dat de tijd, dien hij aan zijne verstandelijke verrigtingen besteedt, volstrekt zoo gering niet is." En wie zich zelven niet waarnemen kan, "vrage den mathematicus, den historicus, den wijsgeer, hoe vele ongetelde uren zij er dikwijls aan ten koste gelegd hebben om tot ééne enkele nieuwe gedachte te geraken, en hoe vele krachtige inspanningen er werden vereischt om een overwinnend ένρηκα (ik heb het gevonden) tot loon te kunnen verkrijgen" Hoe veel tijd er nu juist noodig is om soortgelijke gedachten voort te brengen, is bij geene mogelijkheid te bepalen. De stille voorbereiding, die ons, vaak onbewust, uren, weken en maanden heeft bezig gehouden, ontsnapt geheel aan onze waarneming,en we kunnen ten slotte alleen het tijdstip aangeven, waarop de vorming der gedachte geëindigd, niet dát, waarop zij begonnen is. Wanneer we dus den tijd, die er tot de vorming van voorstellingen, gedachten, enz. vereischt wordt, bepalen willen, dan kunnen we soortgelijke zamengestelde werkingen onzer hersenen, als bij het ontstaan van nieuwe gedachten in het spel zijn, niet gebruiken. We moeten onze toevlugt nemen tot meer eenvoudige, ja, zoo het kan, tot de eenvoudigste verrigtingen onzer hersenen en beproeven, of we hier het vraagstuk tot oplossing brengen kunnen. Hier is inderdaad het vraagstuk voor oplossing vatbaar. Hoe? Dat zal u duidelijk worden, wanneer ge met mij het werktuig wilt in oogenschouw nemen,<noinclude></noinclude> 3314bs4jm9uettplxkqh9vppaviv87b Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/67 104 86843 226446 223271 2026-09-06T17:53:41Z WeeJeeVee 2844 typo 226446 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh|38|OVER DE BEPERKTHEID DES MENSCHEN, IN VERBAND|}}</noinclude>te dien einde door den Heidelberger geleerde {{sc|w. wundt}} uitgedacht (zie onderstaande afbeelding). Werktuig? herhaalt ge bij u zelven en vindt {{image missing}} de uitdrukking vreemd, nu ge in plaats van eene zamengestelde machinerie met in elkander grijpende radertjes en kunstige inrigting een eenvoudig toestelletje voor u ziet, zóó eenvoudig, dat een kind het begrijpen en vervaardigen kan. Ge stoort u echter niet aan dien naam, en het moge toestel, werktuig of iets anders heeten, ge wilt weten, wat het is en hoe het ons tot ons doel leidt. Wat het is? Het is niets anders dan een slinger (''a b'') (liefst de slinger van een klok), die zich langs een verdeelde schaal (''m m'') in een bepaalden tijd op en neer beweegt, en die zich van elken anderen slinger slechts daardoor onderscheidt, dat in zijn midden een staafje (''s s'') zóó is aangebragt, dat het bij de bewegingen des slingers tegen de aan weerszijden opgehangen klokjes (''k k'') kan aanslaan. Het spreekt van zelf, dat slechts bij een bepaalden stand van den slinger (''a c'' of ''a d'') het staafje de klokjes aanraken, en zoodoende een geluid verwekken kan. {{nop}}<noinclude></noinclude> meyzezbn619j795t0zurgwue38m9mvd Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/68 104 86844 226447 223272 2026-09-06T17:57:22Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226447 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||TOT DE VORMING ZIJNER GEDACHTEN.|39}}</noinclude>Nu ge weet, wat het werktuig is, wilt ge ook zeker weten, hoe het tot ons doel leidt. Niets is gemakkelijker dan die vraag te beantwoorden. We brengen den slinger in beweging en trachten nu zooveel mogelijk tegelijk op den stand des slingers en het geluid der klokjes te letten. En wat nemen wij nu waar? Het opmerkenswaardig verschijnsel, dat wij op het oogenblik, waarop wij het geluid hooren, nimmer den slinger in dien stand zien, waarin hij zich werkelijk moet bevonden hebben om het geluid voort te brengen, en nu eens schijnt het ons, alsof het geluid reeds ontstaat, voordat de slinger de klokjes bereikt heeft (bij een stand ''a c'''), dan weder of het geluid eerst verwekt wordt, wanneer de slinger er reeds ver van verwijderd is (bij een stand ''a d''). Hoe we ons ook wenden of keeren, nimmer gelukt het ons om op het oogenblik, dat het geluid gehoord wordt, den slinger in den stand te zien, waarin hij werkelijk verkeerde, toen hij het geluid voortbragt. Een opmerkenswaardig verschijnsel, niet waar? Hoe het te verklaren? "Wacht", hoor ik één uwer, een scherpzinnig lezer, uitroepen, "wacht! ik begrijp het, dat hangt af van de verschillende snelheid van het geluid en het licht, het geluid beweegt zich langzamer dan het licht en daarom......" Och, ga niet verder, scherpzinnige lezer! ge zoudt u in uwe eigene verklaring verwarren; want ten eerste komt bij zulk een kleinen afstand, als waarop zich hier de waarnemer van het toestelletje bevindt, het verschil in snelheid tusschen geluid en licht volstrekt niet in aanmerking, en in de tweede plaats zouden wij, wanneer uwe verklaring juist ware, altijd het geluid eerst moeten hooren, nadat wij den stand van den slinger gezien hadden; terwijl wij in werkelijkheid, naar onze eigene willekeur, door onze aandacht vooral op het klokje òf vooral op den slinger te vestigen, òf eerst hooren en dan zien, òf ook het omgekeerde verrigten kunnen. Uw vlieger gaat dus niet op, mijn waarde lezer! en we moeten naar eene andere verklaring omzien. "Ja, maar dan blijft er niets anders over," zult ge zeggen, vals om aan te nemen, dat we niet gelijktijdig zien en hooren kunnen. Konden we toch gelijktijdig zien en hooren, dan zouden wij den slinger steeds in den stand moeten zien, waarin hij zich werkelijk bevond, toen hij het geluid voortbragt; nu wij hem echter nooit in dien stand kunnen<noinclude></noinclude> 38621lgeucxdxswuc0dnu6loq7vee1l Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/69 104 86845 226448 223273 2026-09-06T18:13:18Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226448 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh|40|OVER DE BEPERKTHEID DES MENSCHEN, IN VERBAND|}}</noinclude>waarnemen, volgt daaruit, dat er tusschen zien en hooren een tijd moet verloopen." Ge hebt het uitstekend begrepen, en wanneer gij er nu nog bijvoegt, dat dit tijdsverloop met juistheid kan gemeten worden door te bepalen, in hoeveel tijd de afstand (''C c' '' of ''D d' '') tusschen den waren stand van den slinger, waarop hij het geluid voorts bragt, en dien, waarop wij hem waarnamen, wordt afgelegd, dan hebt gij den werkkring en het nut van ons toestelletje volkomen juist uiteengezet. "Maar," zoo herneemt ge welligt, "dat is nu alles wel en mooi; die proefneming, die ons leert, dat we niet gelijktijdig zien en hooren kunnen, die bepaling van den kortsten tijd, die er tusschen zien en hooren verloopen moet, maar wat heeft dat alles te maken met den tijd, die er voor de vorming eener duidelijke voorstelling noodig is? Zien en hooren zijn toch eenvoudige verrigtingen van het oog en het oor; het vormen van voorstellingen is nog heel iets anders, en heeft daar niets mede uitstaande," Halt! scherpzinnige lezer, pas op, dat ge in geene ketterijen vervalt. Zien en hooren, eenvoudige verrigtingen uwer zintuigen? Geenszins. Tot de verrigtingen, die we zien en hooren noemen, zijn oog en oor onmisbaar, ja! maar op zich zelve volstrekt niet voldoende. Of zoudt ge denken, dat, wanneer ge b.v. een telegrafisch berigt van hier aan een goeden vriend in Parijs wildet zenden, het genoeg was hier op het bureau te gaan, den telegraafdraad naar Parijs in beweging te brengen en de zaak maar verder aan zich zelve over te laten? Neen, niet waar? Het sein, dat langs den telegraafdraad tot Parijs gebragt werd, moet in het hoofdbureau aldaar ontvangen, door kundige telegrafisten opgenomen en het berigt in de gewone taal aan den betrokken persoon overgeleverd worden. Welnu! wat het hoofdbureau met zijne ervarene telegrafisten voor de telegrafische berigten is, dat zijn onze hersenen voor de zintuigsverrigtingen. Als een lichtindruk van buiten op uw oog inwerkt dan wordt daardoor eene lichtgewaarwording opgewekt, maar om die lichtgewaarwording tot werkelijk zien te doen worden, moet ze eerst verwerkt en uitgelegd worden. En gelijk nu in het hoofdbureau het telegrafische sein verwerkt en uitgelegd wordt, zoo wordt in uwe hersenen de lichtgewaarwording verwerkt; er wordt eene<noinclude></noinclude> gozd4fdwuzv2c4jnch2mq74zm9lseno Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/70 104 86846 226449 223274 2026-09-06T18:15:23Z WeeJeeVee 2844 /* Proefgelezen */ 226449 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="WeeJeeVee" />{{rh||TOT DE VORMING ZIJNER GEDACHTEN.|41}}</noinclude>bepaalde voorstelling aan gehecht, eene voorstelling, die overeenkomt met het voorwerp, dat den lichtindruk ontstaan deed. Bij alle zintuigelijke verrigtingen worden dus in onze hersenen voorstellingen en begrippen gevormd, en zonder het vormen dier voorstellingen is zien, hooren, enz. ondenkbaar. Bij het zien van den stand des slingers ontstond dus eene voorstelling, bij het hooren van het geluid eene tweede, en we hebben dus, toen we besloten, dat er tusschen zien en hooren een zekere tijd moet verloopen, te gelijkertijd uitgemaakt, dat er tusschen het vormen van twee verschillende duidelijke voorstellingen een meetbaar tijdsverloop moet voorbijgaan. Kennen we nu het kortste tijdsverloop tusschen twee verschillende voorstellingen, dan weten we tevens ook den tijd, die er voor de vorming van ééne duidelijke voorstelling of gedachte op zijn minst noodig is, en zoo zijn wij langs een omweg wel is waar, maar toch langs een goed gebaanden weg tot het doel genaderd, dat wij ons hebben voorgesteld, en hebben wij, naar wij hopen, den scherpzinnigen opmerker van zoo straks overtuigd, dat ons toestelletje geheel aan zijne bestemming beantwoordt. Hoe groot is nu echter wel dat tijdsverloop? vraagt ge nieuwsgierig, en het is billijk, dat ik het antwoord, waarin het loon voor uwe aandacht gelegen is, u niet schuldig blijf. Dat tijdsverloop is voor {{sc|wundt}} {{smaller|{{frac|1|8}}}} seconde. Voor u, voor mij is het misschien meer of minder, omdat we niet allen even vlug zijn in het vormen van voorstellingen, maar gemiddeld schijnt die duur van {{smaller|{{frac|1|8}}}} seconde wel als geldig te kunnen worden aangenomen. Zijt gij echter voor u zelven daarmede niet tevreden, welnu, gij kunt dien tijdsduur bij u zelf bepalen, gij kunt zelf de proef nemen en beslissen, of gij behoort tot diegenen, "die deftig en bedaard over de brug, die de voorstellingen aan elkander verbindt, heenstappen, dan wel tot hen, die met een stouten sprong in eens er over heenwippen." Heeft het aangehaalde voorbeeld u tot bewijs gestrekt van de groote vorderingen, die de menschelijke geest op het gebied der zelf kennis gemaakt heeft, aan den anderen kant levert het een nieuw bewijs voor onze beperktheid. Aan onze illusie, dat wij over allerlei dingen tegelijk denken kunnen, dat wij ons op hetzelfde oogenblik met allerlei<noinclude></noinclude> rgnhoks4ae0yzazlzvoc7a77wsxqjiu Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/46 104 87596 226450 224727 2026-09-06T19:36:53Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 226450 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> Dont li Rougez-Lions fu lonc tamps enserrez. ·j· ammirau l’assist, as logez et as trez ; Mais Ernous de Biauvais s’i fu si bien provez Qu’il ochist l’amiraut, et fu par lui mattez. Tamps est que je m’en taise : si soie retournez A Gaufroit le traitre, dont vous oï avés, Qu’à Nimaye arriva et o lui ses barnez ; Il ont les noires cotez, noirs mantiaux afublez, Et menoient grant doel, parmi les héritez. A Nimaye le grant en est li cris levés, Et dient l’un à l’autre : « par foy, vous ne savez, « Li roys Ernous est mors et ochis et tuez. « Il fu en mi le mer, des païens encontrez ; « De ·iiij·c calans n’escapa c’une nés : « En cellui est, en vie, li dux Gaufrois remez. » La Royne le sot ; moult fu ses cuers irez : Que s’on péust morir de doel et de grieftez, La Royne fust morte et li siens tamps passez. Mais on ne poet morir de doel, bien le savez, Car quant le mère Dieu vit que ses fiex cloez Fu en le digne crois, d’espines couronnez, De la lanche férus et au cuer entamez ; Morte fust tost de doel. Mais Diex, li rois loez, En ordena adont : que doelz serois passez ; Droit au chief de ·iij· jours, le plus fors trespassez. Ains ne fu ne sera si grans desloiautés Que, au quief de ·iij· jours, ne soit cuers asensés. Pour la mère Dieu fu chius estas ordenez. Quant Roze la royne ot la dure nouvelle Que ses sires fu mors, ses grans doels renovelle. « Ahi ! bons roys Ernous, » ce dist Roze, la belle ; « J’ai pour vous si grant doel, par le Vierge pucelle, « Qu’à poy que ne m’en lanche au cuer d’une alemèle. » Confortée ont la dame mainte noble danselle. Elle prist Bauduin et doucement l’apelle : </poem> |valign=top| <poem> Waardoor de Rode Leeuw lange tijd werd ingesloten. Een emir belegerde hem, met hutten en met tenten; Maar Arnoud van Beauvais toonde zich daar zo goed Dat hij de emir doodde, en hij door hem werd verslagen. &nbsp;&nbsp;Het is tijd dat ik erover zwijg: en laat mij terugkeren {{vnr|800}} Naar Govert de verrader, van wie u gehoord heeft, Die in Nijmegen aankwam en met hem zijn vazallen; Zij droegen zwarte tunieken, zwarte mantels omgehangen, En zij toonden grote rouw binnen de bezittingen. In het grote Nijmegen is de kreet opgekomen, En men zegt tegen elkaar: « Bij mijn geloof, u weet het niet, Koning Arnoud is dood en gesneuveld en gedood. Hij werd midden op zee door de heidenen aangetroffen; Van de vierhonderd schepen ontsnapte er slechts één: In dat schip is hertog Godfried levend weggekomen."{{vnr|810}} &nbsp;&nbsp;De Koningin vernam het; haar hart was zeer bedroefd: Als men zou kunnen sterven van rouw en van verdriet, Zou de Koningin dood zijn en haar tijd voorbij. Maar men kan niet sterven van rouw, dat weet u goed, Want toen de Moeder Gods zag dat haar Zoon genageld Was aan het waardige kruis, met doornen gekroond, Door de lans gestoken en in het hart gewond; Zou zij snel gestorven zijn van rouw. Maar God, de geprezen koning, Verordende het toen zo: dat rouw voorbijgaat; Precies na drie dagen is het ergste voorbij.{{vnr|820}} ''Nooit was er noch zal er zo'n grote ontrouw zijn'' ''Die na verloop van drie dagen het hart niet tot bedaren brengt.'' Vanwege de Moeder Gods werd deze toestand verordend. &nbsp;&nbsp;Toen koningin Roze het harde nieuws hoorde Dat haar heer dood was, vernieuwt haar grote rouw. "Ach! Goede koning Arnoud," zei Roze, de schone; "Ik heb om u zo'n grote rouw, bij de Maagd Maria, Dat het weinig scheelt of ik zou mijn hart met een mes doorboren." Vele nobele jonkvrouwen hebben de dame getroost. Zij nam Boudewijn en roept hem teder:{{vnr|830}} </poem> |}<noinclude></noinclude> 8c8sg78hsrv4kzb7nsltuel5zj7q3wu Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/47 104 87597 226451 224728 2026-09-06T20:05:37Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 226451 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « A! orfenins, » dist-elle, « pour toi li cuers m'engelle; « J'ai ton père perdut dont li cuerz me sautelle. » Adonques le baisa ·c· fois, en le masselle; Bauduins n'i aconte valissant une astelle: Il n'avoit que ·ij· ans, si qu'il kuert et sautèle. Au chief de ·iiij· jours. Gaufrois, par voie belle. Entra en le chité; s'avoit noire gonèle: Le monde aveulissoit, car point ne se révèle. Il ne gettast ·j· ris, pour tout l'or de Tudèle; Ains chevauche fauvain, assis droit en le'sèle. Gaufrois entre en Nimaye, qui chevauchoit fauvain: Si homme sont bien digne de tenir par le frain. Car on déust avoir pendut le plus certain. Li baron de Nimaye, chevalier, chastelain. Vont encontre Gaufroit, qui gettoit maint grief plain. Là oissiés plourer maint chevalier hautain: Là pleignoient lor frère, ou lor cousin germain; Et le bon roy Ernoul regrétoient à plain. La Royne's'escrie à Goufroit, le villain: « Sire Gaufrois, » dist-elle, « pour Dieu le souverain, « Où est li Roys, mes sirez, qui le corpz avoit sain? » « Dame, » dist li traitres, « pour le corpz saint Germain, « Priiés pour le bon Roy, et au soir et au main; « Car je le vi en mer tuer en ·j· quoquain. « Diex me gari de mort. Quant je vi le méhain, « En ·j· batel le mis, o le fil de Mantain. « Si en sui escapez; s'ai le corpz sauf et sain. « Or ne vous démentez, foy que doy Mariain; « Car je vous garderai et m'arés si prochain, « Qu'il n'a en tout le mont roy, conte, chastelain, « Que's'il vous mesfaisoit une livre d'estain; « Que tantost ne l'amende, s'à moi en faitez clain. » « Sire Diex le vous mire, qui fist d'Adam Evain. » Ensi remest li doels dès-si jusqu'au demain. Il n'est doelz c'on n'oublie, à terme bien prochain. </poem> |valign=top| <poem> "Ach! Weeskind," zei ze, "voor jou bevriest mijn hart; Ik heb je vader verloren, waarvan mijn hart opspringt." Toen kuste zij hem honderd keer op de wang; Boudewijn trop er zich geen barst van aan: Hij was pas twee jaar oud, zodat hij rent en springt. &nbsp;&nbsp;Na verloop van vier dagen ging Govert, via een mooie weg. De stad binnen; en hij had een zwart gewaad aan: De wereld treurde, want hij toonde zich helemaal niet vrolijk. Hij zou geen enkele lach hebben geuit, voor al het goud van Tudela; Integendeel, hij rijdt op een vaal paard, zittend recht in het zadel.{{vnr|840}} &nbsp;&nbsp;Govert komt Nijmegen binnen, rijdend op een vaal paard: Zijn mannen zijn wel waardig om bij de teugel te worden gehouden. Want men had de allerzekerste moeten ophangen. De baronnen van Nijmegen, ridders, kasteelheren. Gaan Govert tegemoet, die menige diepe zucht slaakte. Daar hoorde men menig verheven ridder huilen: Daar beweenden zij hun broer, of hun volle neef; En zij betreurden de goede koning Arnoud voluit. De Koningin schreeuwt tegen Govert, de schurk: "Heer Govert," zei ze, "bij God de soeverein, {{vnr|850}} "Waar is de Koning, mijn heer, die gezond van lichaam was?" "Dame," zei de verrader, "bij het lichaam van sint Germanus, "Bid voor de goede Koning, 's avonds en 's ochtend ; "Want ik zag hem op zee gedood worden in een gevecht. "God behoedde mij voor de dood. Toen ik het onheil zag, "Zette ik hem in een boot met de zoon van Mantain. "Zo ben ik ontsnapt; en ik heb het leven gezond en wel behouden. "Nu moet u niet wanhopen, bij het geloof in Maria; "Want ik zal u beschermen en u zult mij zo dichtbij hebben, "Dat er in de hele wereld geen koning, graaf, kasteelheer is,{{vnr|860}} "Die, als hij u voor een pond tin onrecht zou aandoen, "Ik dat niet onmiddellijk zou wreken, als u er bij mij over klaagt." "Moge de Heere God, die uit Adam Eva maakte, het u vergelden." Zo werd de rouw van vandaag naar morgen verzet. &nbsp;&nbsp;Er is geen rouw die men niet vergeet, op zeer korte termijn.</poem> |}<noinclude></noinclude> 0fkik63q4m7zqdorf8bjg16qfoqfo52 226452 226451 2026-09-06T20:07:16Z Havang(nl) 4330 226452 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « A! orfenins, » dist-elle, « pour toi li cuers m'engelle; « J'ai ton père perdut dont li cuerz me sautelle. » Adonques le baisa ·c· fois, en le masselle; Bauduins n'i aconte valissant une astelle: Il n'avoit que ·ij· ans, si qu'il kuert et sautèle. Au chief de ·iiij· jours. Gaufrois, par voie belle. Entra en le chité; s'avoit noire gonèle: Le monde aveulissoit, car point ne se révèle. Il ne gettast ·j· ris, pour tout l'or de Tudèle; Ains chevauche fauvain, assis droit en le'sèle. Gaufrois entre en Nimaye, qui chevauchoit fauvain: Si homme sont bien digne de tenir par le frain. Car on déust avoir pendut le plus certain. Li baron de Nimaye, chevalier, chastelain. Vont encontre Gaufroit, qui gettoit maint grief plain. Là oissiés plourer maint chevalier hautain: Là pleignoient lor frère, ou lor cousin germain; Et le bon roy Ernoul regrétoient à plain. La Royne's'escrie à Goufroit, le villain: « Sire Gaufrois, » dist-elle, « pour Dieu le souverain, « Où est li Roys, mes sirez, qui le corpz avoit sain? » « Dame, » dist li traitres, « pour le corpz saint Germain, « Priiés pour le bon Roy, et au soir et au main; « Car je le vi en mer tuer en ·j· quoquain. « Diex me gari de mort. Quant je vi le méhain, « En ·j· batel le mis, o le fil de Mantain. « Si en sui escapez; s'ai le corpz sauf et sain. « Or ne vous démentez, foy que doy Mariain; « Car je vous garderai et m'arés si prochain, « Qu'il n'a en tout le mont roy, conte, chastelain, « Que's'il vous mesfaisoit une livre d'estain; « Que tantost ne l'amende, s'à moi en faitez clain. » « Sire Diex le vous mire, qui fist d'Adam Evain. » Ensi remest li doels dès-si jusqu'au demain. Il n'est doelz c'on n'oublie, à terme bien prochain. </poem> |valign=top| <poem> "Ach! Weeskind," zei ze, "voor jou bevriest mijn hart; Ik heb je vader verloren, waarvan mijn hart opspringt." Toen kuste zij hem honderd keer op de wang; Boudewijn trop er zich geen barst van aan: Hij was pas twee jaar oud, zodat hij rent en springt. &nbsp;&nbsp;Na verloop van vier dagen ging Govert, via een mooie weg. De stad binnen; en hij had een zwart gewaad aan: De wereld treurde, want hij toonde zich helemaal niet vrolijk. Hij zou geen enkele lach hebben geuit, voor al het goud van Tudela; Integendeel, hij rijdt op een vaal paard, zittend recht in het zadel.{{vnr|840}} &nbsp;&nbsp;Govert komt Nijmegen binnen, rijdend op een vaal paard: Zijn mannen zijn wel waardig om bij de teugel te worden gehouden. Want men had de allerzekerste moeten ophangen. De baronnen van Nijmegen, ridders, kasteelheren. Gaan Govert tegemoet, die menige diepe zucht slaakte. Daar hoorde men menig verheven ridder huilen: Daar beweenden zij hun broer, of hun volle neef; En zij betreurden de goede koning Arnoud voluit. De Koningin schreeuwt tegen Govert, de schurk: "Heer Govert," zei ze, "bij God de soeverein, {{vnr|850}} "Waar is de Koning, mijn heer, die gezond van lichaam was?" "Dame," zei de verrader, "bij het lichaam van sint Germanus, "Bid voor de goede Koning, 's avonds en 's ochtend ; "Want ik zag hem op zee gedood worden in een gevecht. "God behoedde mij voor de dood. Toen ik het onheil zag, "Zette ik hem in een boot met de zoon van Mantain. "Zo ben ik ontsnapt; en ik heb het leven gezond en wel behouden. "Nu moet u niet wanhopen, bij het geloof in Maria; "Want ik zal u beschermen en u zult mij zo dichtbij hebben, "Dat er in de hele wereld geen koning, graaf, kasteelheer is,{{vnr|860}} "Die, als hij u voor een pond tin onrecht zou aandoen, "Ik dat niet onmiddellijk zou wreken, als u er bij mij over klaagt." "Moge de Heere God, die uit Adam Eva maakte, het u vergelden." Zo werd de rouw van vandaag naar morgen verzet. &nbsp;&nbsp;Er is geen rouw die men niet voor zeer korte tijd vergeet.</poem> |}<noinclude></noinclude> pfqmktzsd4kwumk5gn0pqbmlr04h5c8 226453 226452 2026-09-06T20:08:14Z Havang(nl) 4330 226453 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{| |valign=top| <poem> « A! orfenins, » dist-elle, « pour toi li cuers m'engelle; « J'ai ton père perdut dont li cuerz me sautelle. » Adonques le baisa ·c· fois, en le masselle; Bauduins n'i aconte valissant une astelle: Il n'avoit que ·ij· ans, si qu'il kuert et sautèle. Au chief de ·iiij· jours. Gaufrois, par voie belle. Entra en le chité; s'avoit noire gonèle: Le monde aveulissoit, car point ne se révèle. Il ne gettast ·j· ris, pour tout l'or de Tudèle; Ains chevauche fauvain, assis droit en le'sèle. Gaufrois entre en Nimaye, qui chevauchoit fauvain: Si homme sont bien digne de tenir par le frain. Car on déust avoir pendut le plus certain. Li baron de Nimaye, chevalier, chastelain. Vont encontre Gaufroit, qui gettoit maint grief plain. Là oissiés plourer maint chevalier hautain: Là pleignoient lor frère, ou lor cousin germain; Et le bon roy Ernoul regrétoient à plain. La Royne's'escrie à Goufroit, le villain: « Sire Gaufrois, » dist-elle, « pour Dieu le souverain, « Où est li Roys, mes sirez, qui le corpz avoit sain? » « Dame, » dist li traitres, « pour le corpz saint Germain, « Priiés pour le bon Roy, et au soir et au main; « Car je le vi en mer tuer en ·j· quoquain. « Diex me gari de mort. Quant je vi le méhain, « En ·j· batel le mis, o le fil de Mantain. « Si en sui escapez; s'ai le corpz sauf et sain. « Or ne vous démentez, foy que doy Mariain; « Car je vous garderai et m'arés si prochain, « Qu'il n'a en tout le mont roy, conte, chastelain, « Que's'il vous mesfaisoit une livre d'estain; « Que tantost ne l'amende, s'à moi en faitez clain. » « Sire Diex le vous mire, qui fist d'Adam Evain. » Ensi remest li doels dès-si jusqu'au demain. Il n'est doelz c'on n'oublie, à terme bien prochain. </poem> |valign=top| <poem> "Ach! Weeskind," zei ze, "voor jou bevriest mijn hart; Ik heb je vader verloren, waarvan mijn hart opspringt." Toen kuste zij hem honderd keer op de wang; Boudewijn trop er zich geen barst van aan: Hij was pas twee jaar oud, zodat hij rent en springt. &nbsp;&nbsp;Na verloop van vier dagen ging Govert, via een mooie weg. De stad binnen; en hij had een zwart gewaad aan: De wereld treurde, want hij toonde zich helemaal niet vrolijk. Hij zou geen enkele lach hebben geuit, voor al het goud van Tudela; Integendeel, hij rijdt op een vaal paard, zittend recht in het zadel.{{vnr|840}} &nbsp;&nbsp;Govert komt Nijmegen binnen, rijdend op een vaal paard: Zijn mannen zijn wel waardig om bij de teugel te worden gehouden. Want men had de allerzekerste moeten ophangen. De baronnen van Nijmegen, ridders, kasteelheren. Gaan Govert tegemoet, die menige diepe zucht slaakte. Daar hoorde men menig verheven ridder huilen: Daar beweenden zij hun broer, of hun volle neef; En zij betreurden de goede koning Arnoud voluit. De Koningin schreeuwt tegen Govert, de schurk: "Heer Govert," zei ze, "bij God de soeverein, {{vnr|850}} "Waar is de Koning, mijn heer, die gezond van lichaam was?" "Dame," zei de verrader, "bij het lichaam van sint Germanus, "Bid voor de goede Koning, 's avonds en 's ochtend ; "Want ik zag hem op zee gedood worden in een gevecht. "God behoedde mij voor de dood. Toen ik het onheil zag, "Zette ik hem in een boot met de zoon van Mantain. "Zo ben ik ontsnapt; en ik heb het leven gezond en wel behouden. "Nu moet u niet wanhopen, bij het geloof in Maria; "Want ik zal u beschermen en u zult mij zo dichtbij hebben, "Dat er in de hele wereld geen koning, graaf, kasteelheer is,{{vnr|860}} "Die, als hij u voor een pond tin onrecht zou aandoen, "Ik dat niet onmiddellijk zou wreken, als u er bij mij over klaagt." "Moge de Heere God, die uit Adam Eva maakte, het u vergelden." Zo werd de rouw van vandaag naar morgen verzet. &nbsp;&nbsp;Er is geen rouw die men niet op zeer korte termijn vergeet.</poem> |}<noinclude></noinclude> tpu2ugp1by8bbcnwzm2gto84evz2ljy Index:Nederlandsch blasoen oft emblema van desen teghenwoordighen tiit.pdf 106 88901 226424 2026-09-06T13:11:36Z Vincent Steenberg 280 nieuw 226424 proofread-index text/x-wiki {{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template |Type=boek |Taal=nl |wikidata= |Titel=Nederlandsch blasoen oft emblema van desen teghenwoordighen tiit |Ondertitel= |Deel= |Auteur=een anonieme schrijver |Vertaler= |Redacteur= |Illustrator= |Stroming= |Jaar=1621 |Uitgever= |Plaats= |Druk= |OorspronkelijkeUitgave= |Key= |doe_wikidata= |ISBN= |OCLC= |LCCN= |BNF_ARK= |DBNL= |Bron=pdf |Afbeelding=1 |Voortgang=V |Delen= |Pagina's=<pagelist 1=1 /> |Opmerkingen=[[Nederlandsch blasoen oft emblema van desen teghenwoordighen tiit]] |NestedInhoud= |Breedte= |Css= |Header= |Footer= }} p98xg2ozl5b88wiskhav0k7d03iugmq Pagina:Nederlandsch blasoen oft emblema van desen teghenwoordighen tiit.pdf/1 104 88902 226425 2026-09-06T13:13:53Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 226425 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" /></noinclude>{{dhr}} {{c|{{xxx-larger|NEDERLANDSCH BLASOEN}}<br>{{larger|{{sp|OFT}}}}<br>{{xxx-larger|{{sp|EMBLEMA}}}}<br>{{larger|{{sp|VAN DESEN TEGHENWOORDIGHEN TII}}T,}}<br>''Met een corte declaratie daer van''.}} [[Bestand:Nederlandsch blasoen oft emblema van desen teghenwoordighen tiit image.jpg|500px|center]] {{dhr}} {{gedicht|{{initiaal|G}}Odt is een {{tt|(A)}} Godt barmhertigh en rechtveerdigh, {{gap}}Wiens goetheyt alte boven gaet: Hy straft {{tt|(B)}} seer hart al dat wilt zijn hoogh-veerdigh, {{gap}}En volghen nae verkeerden raet. Daer-teghen toont hy {{tt|(C)}} sijn barnhertigheden {{gap}}Aen die hem bouen al bemint, Als vader oock met Christelijcke seden {{gap}}Hem vreest, als een ootmoedigh kint. Hy heeft dickmaels bewesen overcrachtigh {{gap}}Sijn goetheyt sonder eynde soet: Maer boven alle suldy zijn indachtigh, {{gap}}Wat hy aen desen {{tt|(D)}} Arent goet Betoont heeft bouen maten overvloedigh. {{gap}}Want hy dien heeft ghemaeckt het hooft Van alle Princen, spijt oock ketters woedigh, {{gap}}Die daer door worden seer verdooft. Hy defendeert met macht den Stoel van Roomen {{gap}}En d’heylighe Catholijcke Kerck, Het {{tt|(E)}} Christen-gh’loof beschermt hy sonder schroomen {{gap}}Met sweert en wapenen seer sterck: Peys ende {{tt|(F)}} vrede wilt hy wederbrenghen, {{gap}}Den oorlogh wil hy roeden uyt, Ghemeyne ruste soeckt hy te verlenghen, {{gap}}Onvrede iaeght hy inde muyt. Dus sal sijn name blijuen hoogh verheuen, {{gap}}Sijn Croon en sal verslentsen niet, Godt sal sijn vijanden met schand doen beuen, {{gap}}Hy salse brenghen tot verdriet. Rechtveerdigheyt sal hy noch eens doen blijcken: {{gap}}Hy sal noch al met grammen moet Des vijandts boose macht met groot beswijcken {{gap}}Eens brenghen onder ’s Keysers voet. Rebellen sal hy straffen: ô wilt hooren {{gap}}Ghy die niet vraeght naer wet en recht, Wilt niet in uwe boosheyt soo versmooren, {{gap}}En zijt voort aen niet meer soo slecht. Een Leeuw was opgheresen heel rebelle {{gap}}Teghen den Arent onverflouwt, Hy toond’hem teghen {{tt|Ferdinand}} seer felle; {{gap}}Maer siet, het hem nu wel berouwt. Met schanden moest hy {{tt|(G)}} vluchten wt den lande, {{gap}}De croom en scepter liet hy daer: Hy viel, och lacen! leelijck door de mande, {{gap}}Sijn mutse quam daer in ghevaer. Den Arent quam ghevloghen metter spoede {{gap}}Wt {{sc|Oosten}} met een groot ghedruys, Den {{tt|(H)}} Beyr quam loopen ras tot sijn behoede, {{gap}}Het was voor ’t Oostenrijcksche Huys. Den Ruyten-trans van Sachsen {{tt|(I)}} heeft vernomen {{gap}}Des Leeuwens onrechtveerdigheyt, Met krijghs-volck is hy den Arent comen, {{gap}}Den Leeuw veriaeght met haestigheyt. Bucquoy {{tt|(K)}} een helt, wiens vrome dapperheden {{gap}}De werelt door zijn wel bekent, Heeft desen boosen Leeuw met cloecke seden {{gap}}Met wapen dapper aengherent. Den Arent greep seer haeste met sijn clauwen {{gap}}De {{tt|(L)}} Croon en {{tt|(M)}} Scepter hoogh vermaert, Dus quam den Leeuwe tot een groot verflauwen, {{gap}}Hy toonde daer den hasen aert. Hy ginck sijn beste loopen tot het water, {{gap}}Alwaer hy sagh een {{tt|(N)}} Hecken staen, De Otters maecken daer een groot ghesnater, {{gap}}Als sy hem saghen comen aen. Den Leeuw die binnen ’t Hecken doen lagh loncken {{gap}}Was eerst van herten seer verblijt, Dus quam hy met sijn seven pijlen proncken, {{gap}}En maeckte vreught en groot jolijt: Maer als den ander Leeuwe soo quam druypen, {{gap}}Word’ hy van herten seer verbaest, Hy creegh van dees benauwtheyt wonder stuypen, {{gap}}Dat, soo my dunckt, hy nu vast raest. Hy liet sijn pijlen vallen met verstooren, {{gap}}Die zij nu heel en al verwert, In sijnen darmen creegh hy, wilt wel hooren, {{gap}}’t Colijck, en overgrooten smert. Hy dede niet dan kermen ende suchten, {{gap}}Van pijne riep hy overluyt: Want hy sagh eenen man, nae mijn beduchten, {{gap}}Van bouen (hoort nae dit beduyt) Ghlijc eenen {{tt|(O)}} jagher met veel hondert bracken {{gap}}Aencomen nae sijn open perck: Hy hoord’ se bassen, iae hy saghse snacken, {{gap}}En op de Otters nemen merck. En soo de valsche Otters dit vernamen, {{gap}}Ter Zee-waerts {{tt|(P)}} naemen hunnen keer, Daer stonden dese bracken al te samen, {{gap}}En vonden gheenen vijant meer. Een deel van dese Otters {{tt|(Q)}} ginghen swemmen {{gap}}Met haestigheyt naer Enghelant, Daer meynden sy heel fraey aen lant te clemmen, {{gap}}Om soo te crijghen onderstant. Maer desen struyc {{tt|(R)}} heeft hun seer hert gesteken, {{gap}}En {{tt|NIET}} ghegheven op’t request, Ter Zee-waerts zyn sy weder in gheweken, {{gap}}Om daer te maken hunnen nest. Sy quaemen oock eens aende {{tt|(S)}} Lelie gaepen, {{gap}}Maer sy gaf soo een stercker geur, Dat dese Otters stonden daer als apen, {{gap}}En metter spoede liepen deur. {{tt|IN DIEN}} sy in een {{tt|(T)}} vremde {{tt|ge {{sc|West}}}} te maeyen {{gap}}Noch voorders dencken sonder gront, (Want ’t is het ghene daer sy nu op craeyen, {{gap}}Hier op nu watert hunnen mont:) Daer sullen niet ontbreken {{tt|(V)}} waterhonden, {{gap}}Die dese Otters al te stout Veriaeghen sullen: sy zijn al ont-bonden, {{gap}}Sy sullen d’Otters maken cout. De Heer der Heeren wil ons van daer boven {{gap}}Het ghene dat ons saligh zij Ghenaedigh gheven, dat wy moghen loven, {{gap}}Van Allen ons vijanden vrij, Sijn name boven alle hoogh verheven, {{gap}}En nae den quaden oorloghs staet In peys en vrede allegaeder leven, {{gap}}En vlieden al rebellie quaet.{{gap}}Amen.}} {{alinea|2em|-2em|{{tt|A Godt den hemelschen Vader van wien ’t al comt.}}}} {{alinea|2em|-2em|{{tt|B Sijn straffe ouer de rebellen.}}}} {{alinea|2em|-2em|{{tt|C Sijn barmherticheyt ouer de goede.}}}} {{alinea|2em|-2em|{{tt|D Den dubbelen ghecroonden Arent, representerende den Keyser Ferdinandus.}}}} {{alinea|2em|-2em|{{tt|E Het Gheloof, beschermt door den Keyser.}}}} {{alinea|2em|-2em|{{tt|F Peys en vrede die hem altijt by zijn.}}}} {{alinea|2em|-2em|{{tt|G Den Palsgraef vluchtende naer den Hollandschen tuyn.}}}} {{alinea|2em|-2em|{{tt|H Den Hertogh van Beyeren.}}}} {{alinea|2em|-2em|{{tt|I Den Keurvorst van Sachsen.}}}} {{alinea|2em|-2em|{{tt|K Den Graue van Bucquoy.}}}} {{alinea|2em|-2em|{{tt|L De Croon van Bohemen.}}}} {{alinea|2em|-2em|{{tt|M Den Scepter van Bohemen.}}}} {{alinea|2em|-2em|{{tt|N Den Hollandschen tuyn.}}}} {{alinea|2em|-2em|{{tt|O Den Marquis Spinola met sijnen legher.}}}} {{alinea|2em|-2em|{{tt|P De inwoonders van Hollant, Zeelant, &c. hun toe-vlucht nemende naer de zee.}}}} {{alinea|2em|-2em|{{tt|Q Sommighe Otters secours versoeckende by Enghelandt ende Vranckrijck.}}}} {{alinea|2em|-2em|{{tt|R Den Coninck van Enghelant}}}} {{alinea|2em|-2em|{{tt|S Den Coninck van Vranckrijck.}}}} {{alinea|2em|-2em|{{tt|T De Otters roouende op West-Indien.}}}} {{alinea|2em|-2em|{{tt|V De macht vanden Coninck van Spaignien de Hollandsche Otters van daer veriagende.}}}} {{rechts|{{tt|''Vidit Z.V.H.L.C.'' Anno 1621.}}|2em}}<noinclude></noinclude> bm2chufoi83zivk0gq4aai72qtfq0bf Nederlandsch blasoen oft emblema van desen teghenwoordighen tiit 0 88903 226426 2026-09-06T13:17:43Z Vincent Steenberg 280 nieuw 226426 wikitext text/x-wiki {{Koptekst | Titel = Nederlandsch blasoen oft emblema van desen teghenwoordighen tiit, met een corte declaratie daer van | Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver | Vertaler = |Override_vertaler = | Sectie = | Vorige = | Volgende = | Jaar = 1621 | Opmerkingen = Spotprent uit de Zuidelijke Nederlanden naar aanleiding van de geopolitieke situatie in Europa begin 1621. Plaats van uitgave en naam uitgever onbekend. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]]. }} <pages index="Nederlandsch blasoen oft emblema van desen teghenwoordighen tiit.pdf" from="1" to="1"/> [[Categorie:Spotprent]] s5gwi099ncjgpwvgwr0814ujuxd0zef Pagina:Ridder metter swane (1931).pdf/111 104 88904 226454 2026-09-06T20:15:01Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 226454 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />I0I</noinclude>{{gedicht|start=follow|end=follow| :Op dat zijn Coninklijke woord, En trouwbelofte van weer seyden, :Bracht by haer binnen Lijlefoort, Om hem in eeren to verbleyden. :Den tijd verliep den dag die quam, Dat men de Bruylofs-feest zou viere :Des Coninks moeder boos en gram, Begost aldus op hem to tieren, :Ach Soon was doed gy my al spijt, En weynig vreugt mijn oude dage, :Mijn dunks dat gy betovert zijt, Dat gy u aldus gaet verlagen. :Dat gy een maegd van slechten staet, Kiest voor een vrouw van hoogen bloede, :En volgt u eyge zin en raed, Denkt hoe mijn hert nu is te moede. :Ach Matabrune moeder mijn, Steld u gemoed doch nu te vreden, :Zij sal mijn Coninginne zijn, Ten baed gekreten noch gebeden. :De moeder met een vals gelaet, Die heeft aldus weerom gesproken, :Wel Soon nu gy 't zo verstaet, Zo kan dien band niet zijn gebroken. :De hooge feest van 's Coninks egt, Die werd met grote vreugt gehouwe :En wel geviert van Heer en knegt, Maer na die blijschap volgde rouwe.}}<noinclude></noinclude> 9pp0vedf33gxa8h5kjmm5vao7u4ciy6 Pagina:Ridder metter swane (1931).pdf/112 104 88905 226455 2026-09-06T20:18:01Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 226455 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />102</noinclude>{{gedicht|start=follow|end=follow| :De Conink in zijn meeste vreugt, Met zijn Beminde docht te leven, :Doen quam de meeste ongeneugt, Want hy moest hem te veld begeven. :De tyding quam seer snel ten Hoof, Dat eenen groote hoop vyanden, :Stelde te zwaerde en ten roof, Des Coninks lieve Vaderlanden. :Daerom de Conink flukx beschreef, Zijn Ridderschappe en Soldate, :De Coningin veel rouw bedreef, Want hy heeft haer bevrugt gelaten. :Als hy zijn volk nu had bereyd, En alles wat by noodig achten, :Nam van Beatris zijn afscheyd, Die in den rouw by na versmachten. :Hy nam zijn moeder by der hand, En sprak ik bid u nu in 't leste, :Doed doch mijn Huysvrou onderstand, Helpt haer in barens noot ten beste. :Wel Soone sprak die valse Vrou, En maekt daer in doch geen bezware :Ik zal die jonge Coninks Vrouw, Voor alle ongeluk bewaren. :Dus reed den Conink wel gemoed, Om zijn vyanden te bestrijden, :En heel to brengen onder de voed, Te helpe Land en volk uyt lijden.}}<noinclude></noinclude> s26u5wn5e894rw98kzysi3rh32mlqmu Pagina:Ridder metter swane (1931).pdf/113 104 88906 226456 2026-09-06T20:20:42Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 226456 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />103</noinclude>{{gedicht|start=follow|end=follow| :Wy laten nu zijn Majesteyt, Zijn leed op zijn Vyanden wreeken, :En zulle zeggen het quade feyt, Dat Matabrune heeft besteken. :Sy wist de Coningin bevrucht, Haer barens tijd was haest voor handen, :Dies zy vercierd een boose klucht, En bereyt zo haer eyge schande. :Sy heeft de Vroedmoer omgekocht, Wanneer Beatris zoude baren, :Een Soon of Dochter dat zy mocht, Met eenen valsche eed verklaren. :Als dat Beatris in den nood, Selfs had haer eyge kind verlegen, :Of wel al willens had gedood, Maer Matabrune was daer tegen. :Vrinden ik weet ons beter raed, Het scheynt zy draegt 'er meer als eene :Na dat zy dik en zwanger gaet, Daerom is dit mijn beste meenen. :Dat als het zo quam te geschien, Dat gy de kinderen sult ontfangen, :Zal ik in de plaetse van dien, Zo veele jonge Honden langen. :De raed die dunkt mijn alderbest, Gy zult die honden by haer leggen, :Die ik sal voeden in een nest, Dit zijn u kind'ren sult gy seggen.}}<noinclude></noinclude> hckr1ikl5ium4fqauppzkjcpgqe0g0u Pagina:Ridder metter swane (1931).pdf/114 104 88907 226457 2026-09-06T20:23:54Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 226457 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />104</noinclude>{{gedicht|start=follow|end=follow| :Dus stemde zy tot dit verraet, De Coningin begon te steenen, :Die niet en docht op eenig quaet, Dat haer gebrout was als voor henen. :Doen zy nu sat in haren nood, Zo baerde zy wie zou 't geloven, :Ses schoone jonge Soonen blood, En noch een dochter daer en boven. :Elk kindeken in zijn geboort, Bragt om de hals een Silv're keten, :Daer aen werd d'edelheyd bespoort, Gelijk men aen 't vervolg sal weten. :De valsche vrouw onwijs bedocht, Heeft al de kind'ren weg genomen, :En honde in de plaets gebrocht, Eer dat de moeder was bekomen. :De Vroedmoer voor haer boose list, Riep ysselijk met geveynsde trane :Och Coningin wat droefheyd ist, lk derf u nau dit leed vermanen. :Doen gy sat in a meeste leed, Heb ik u dus gesteld gevonden, :En hebt voor kinderen dat gy't weed, Ontfange zeven jonge Honden. :O foey riep Matabrune vals, Doed weg al dese vuyle preijen, :Versmoort en brengtse om den hals, Al sulken quaed staet niet te lijden.}}<noinclude></noinclude> 7a3aip195kbbl5ph8rjxvpztrkt66nj Pagina:Ridder metter swane (1931).pdf/115 104 88908 226458 2026-09-06T20:27:46Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 226458 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />105</noinclude>{{gedicht|start=follow|end=follow| :Sy heeft geroepen haren knegt, En heeft de kinderen hem gegeven, :Gaet seyd' zy en die dad'lijk legt, In 't woeste Bosch beneemtse 't leven. :De knegt niet beter als zijn vrouw, Die deed alto hem was bevolen, :En nam de jonge Schaepkens rou, En is daer mee in 't bosch gaen dolen. :Doen hy nu tot de plaetse quam, Daer hy hem tot de moord zou voege, :Sag by de soete kind'ren aen, Die alle soet'lijk op hem loegen. :Hy werd in zijn beweeglijk hert, Beroert met innerlijk ontfarmen, :Ach seyde hy, dees baed<ref>Lees: daed</ref> mijn smert, En neemtse minlijk in zijn armen. :Ach kind'ren sou ik u misdoen, Gy zijt te jonk te schoon te teder, :O neen, ik sal u hier in 't groen, Gaen leggen op mijn mantel neder. :O lieve bloem ik laet u hier, (Mijn hand en kan u doen geen schade,) :Ten roof van eenig gulzig dier, Beveel ik u in Gods genaden. :Een Heremijd quam daer gegaen, Die vond de seven kleen van leden, :Hy namse op van stonden aen, En heeft den Heer voor haer gebeden.}}<noinclude></noinclude> qai0tj3v75y4s043vomhhet0uqi47ps Pagina:Ridder metter swane (1931).pdf/116 104 88909 226459 2026-09-06T20:31:36Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 226459 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />IO6</noinclude>{{gedicht|start=follow|end=follow| :Als hy nu in de kluyse quam, En haer met spijse voeden poogde, :Een witte Geyt hy daer vernam, Die de kind'ren daeg'lijks soogde. :Dit duurde zo een langen tijd, Tot dat zy t'samen liepe speelen, :En sogten voedsel breed en wijd, Om zo malkandere mee te deelen. :Daer na den Conink Oriant, Na veel gevegt en dapper strijde, :Victorieus quam in zijn Land, Om met zijn Lief hem te verblijden. :Sijn moeder die had haest verstaen, Dat haren zoon was thuys gekome :Zy sprak hem dus geveynsdig aen, Och zoone hebt gy niet vernomen. :Hoe dat u lieve Coningin, O! wee ik schaeme my der zonden, :Nu onlangs is gelegen in, Het kinderbed van seven honden. :De Conink was hier door zo gram, Dat hy haer levent wou doen brande, :Ten waer dat daer een Ridder quam, Haer saek verwere met zijn hande. :Maer zijnen raed heeft hy vergaert, Van Heere ende Landgenooten, :Die hebben al gelijk verklaert, Dat zy zou blijven opgeslooten.}}<noinclude></noinclude> 67gwe0husufbvmcwrstipp7m5c97p6b Pagina:Ridder metter swane (1931).pdf/117 104 88910 226460 2026-09-06T20:34:46Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 226460 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />107</noinclude>{{gedicht|start=follow|end=follow| :Daer sat zy meenig droevig Jaer, In eenigheyd en bitter treuren, :Haer onschuld quam in 't opendaer<ref>Lees : openbaer</ref>, Het welk men sag aldus gebeuren. :Een Jager gink in 't bosch ter jagt, Van Matabrune uytgesonden, :Dat hy al jagend' onverwagt, Dees seeve kind'ren heeft gevonden. :Hy sagse met verwondering aen, Ja was verschrikt en seer verslagen, :En is terstond naer huys gegaen, Matabrune die boodschap dragen. :Sy was vol spijt en groote rou, En heeft hem op zijn hals geboden, :Dat hy die kinders dooden zou, Of dat zy selfs hem sou doen dooden. :Den Jager volgde haer gebied, En gink terstond met zijn gesellen, :Al hadden zy in 't hert verdried, Om dese moord in 't werk te stellen. :Maer zy besloten eenen raed, De kinders zoo niet te doen sterven, :Noch haer te toonen eenig quaed, Al zou haer Matabrune bederven. :Doen zy nu quamen voor de kluys, En dat de kinders haer vernamen, :Zo liepen zy vervaert in huys, Niet wetend' waerom dat zy quamen.}}<noinclude></noinclude> 9lhx0uie7ge2qox5wmd332s4ej5scsu Pagina:Ridder metter swane (1931).pdf/118 104 88911 226461 2026-09-06T20:37:46Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 226461 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />I08</noinclude>{{gedicht|start=follow|end=follow| :Vervaert u niet o jonge bloem, U sal van ons geen quaed geschieden, :Sprak Savary, maer dat wy doen, Dat is door Matabrune gebiede, :Sy namen haer de ketens af, Aenhoord dit wonderlijk vermanen, :Die kinders zijn of 't God zo gaf, Verandert in ses witte Swanen, :De Jagers waren heel verschrikt, En zijn seer haest van daer getoge, :En hebben 't Matabrune beschikt, En dat zy 't zou bekenne mogen. :Dat al de kinders waren dood, So zijn de ketens haer gegeven, :Hier zijnder ses zey zy, o nood, Waer is de sevende gebleven, :Eerwaerde Vrouw sprak Savary, De beste van de seven ketens, :Is onderweeg ontvallen my, Sijn wijse quyt flat is onwetens. :Doen was dat oude Wijf gerust, En liet terstont een Goutsmit halen, :Een kop te maken na haer lust, Van 't Silver zy zou hem betalen. :Laet hem nu werken dat hy zweet, Wy moeten nu wat anders zingen, :Hoe Beatris raekten uyt 't leet, Na veelderley veranderingen.}}<noinclude></noinclude> 1ypp852cfotyz5et3hqenionndaovmq Pagina:Ridder metter swane (1931).pdf/119 104 88912 226462 2026-09-06T20:43:18Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 226462 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />109</noinclude>{{gedicht|start=follow|end=follow| :Ey vrienden leest dit eerste deel, Het twede sal ik haest beschikken, :Daer in vind gy den handel heel, Van wonderlijke vreemde stikken.}} {{dhr|2}} {{lijn|6em}} {{lijn|6em}} {{c|Het tweede Deel<br> Daer in Verhandeld word<br> Hoe dat d'Engel den Heremeyd<br> verkondigden dat het Koninks Kinderen wa-<br> ren, ende hoe dat Helias zijn Moeder in een<br> Kamp bevrijd, en alle bedrog in 't ligt<br> brengt, seer wonderlijk om te zin-<br> gen of te lesen, etc.}} {{c|{{fine|'t Gaet op de voorgaende Wyse.}}}} {{gedicht|start=stanza|end=follow| {{initiaal|B}}{{sc|E}}minders die ons eerste stuk, Van dees History heeft gelesen, :Hoord nu hoe naer veel ongeluk, Beatris onschuld is bewesen. :Den Heremeyd (hier voor verhaeld,) Had uyt geweest om brood to gare, :Hem heeft een Engel dit vertaelt, Dat het des Coninks kind're waren. :En dat de Swanen die gy spijst, waren vijf Broeders en een Suster, :Die Helias zo veel deugt bewijst, Doen was den goeden man geruster.}}<noinclude></noinclude> rxx500ilcgebg7bhgjz8o2fa78i5085 Index:Ordinarise Middel-weeckse Courante 1646 no 043.pdf 106 88913 226463 2026-09-07T09:19:48Z Vincent Steenberg 280 nieuw 226463 proofread-index text/x-wiki {{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template |Type=tijdschrift |Taal=nl |wikidata= |Titel=Ordinarise Middel-weeckse Courante |Ondertitel= |Deel= |Auteur= |Vertaler= |Redacteur= |Illustrator= |Stroming= |Jaar=1646 |Uitgever= |Plaats= |Druk= |OorspronkelijkeUitgave= |Key= |doe_wikidata= |ISBN= |OCLC= |LCCN= |BNF_ARK= |DBNL= |Bron=pdf |Afbeelding=1 |Voortgang=V |Delen= |Pagina's=<pagelist 1=1 /> |Opmerkingen=[[Ordinarise Middel-weeckse Courante/1646/Nummer 43]] |NestedInhoud= |Breedte= |Css= |Header= |Footer= }} 307i3bhfkb3wp7zfnzi2whl9kz1fxvn Pagina:Ordinarise Middel-weeckse Courante 1646 no 043.pdf/1 104 88914 226464 2026-09-07T09:20:54Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 226464 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" /></noinclude><section begin="s1"/>{{c|{{x-larger|Ordinariſe Middel-weeckſe Courante, Anno 1646. N{{sup|o}}. 43}}}} <section end="s1"/> <section begin="s2"/>{{c|Wt Vlm den 10 Octobris 1646.}} {{initiaal|D}}At de gheconfedereerde voor de Stadt Augsburgh souden op-ghebroken wesen, omme de Keysersche ende Beyersche teghen te trecken ende slagh te leveren ghelijckmen voor desen heeft willen segghen, en vervolcht niet, maer ter contrarie word by de gheconfedereerde het belegh vande selve Stad met alle heftigheyd ghe-continueert ende hebben door ghestadigh schieten ende nedervellen van veele poorten, defensien ende strijck-weren, de goede Stad alrede tot die extremiteydt ghebracht dat sy soo daer geen haestigh secours en komt nootsakelijcken het sal moeten opgheven. Soo datelicken komt tijdingh, dat sy al om accoord gesproken ende drie tonnen Gouts voor de plonderingh ghepresenteert hebben, doch dat de beleggers daer mede niet te vreden zijn, om dat het de belegerde, soo verre hebben laten komen, door het opiniatreren van het inghekomen Beyers volck, dat d’arme Borgers sullen moeten ontghelden. Jan de Weerdt, meende een Spijon inde Stad te senden, deselve is ghevanghen geworden ende hebben hem de beleggers neus ende ooren laten afsnijden ende uyt hem verstaen, dat Jan de Weert op wech was, omme een quartier vande beleggers aen te vallen ende een secours van 1500 dragonders inde Stad te brengen, waer over de Generaliteyt goed ghevonden heeft, dat den Generael Coninghsmerck, met de meeste Cavallerye, Jan de Weert soude tegen trecken, het welcke oock datelijcken gheschiet is ende men heeft tijdingh, dat sy al aenden anderen sijn, sonder noch te weten, hoe het mach af ghelopen wesen. Generael Major Duglas, is met een stercke partije uyt gheweest nae Munchen omme te recognosceren, heeft onder weghen 1000 Beyersche ruyters aenghetroffen ende gheslaghen. Soo datelijcken by het sluyten deses, komt een Trompetter uyt het Sweedsche leger alhier met tijdingh, dat Auhsburgh stormender-handt inghenomen is ende alle de soldaten die in de wapenen ghevonden wierden, dood-gheslaghen ende de Stad vier uyren langh gheplondert, doch hopen dat de tijding niet waer wesen sal. Gansch Beyeren gaet verloren Over-beyeren word van sijn eyghen volck in de grond bedorven. Sulcx dat den Beyer-vorst, die tot noch toe den brand in Duytsland heeft helpen stoocken, nu oock eens wederomme voor de twede reyse proeven sal, hoe het smaeckt den oorlogh in sijn eyghen land. <section end="s2"/> <section begin="s3"/>{{c|Wt Londen den 12 dito.}} {{gap}}Daer sullen 44000 guldens, tot assistentie van Yerland ghesonden worden ende tegens de winter klederen voor de Soldaten. Daer is ge-ordonneert, dat de Gecommitteerde van beyde rijcken, tot November 1646 toe sitten sullen mits-gaders dat de goederen, soo roerende, als onroerende, vanden Marquys van Winchester, den Graef van Worchester, den Heere Baron Capel, den Heere Baron Cottington ende Carel Smidt ridder sullen verkoft worden ende het geld ghesonden, tot assistentie van die van Yerland. Daer word volck ghesonden van sijn Excell. Fairefax, om Wallingh-ford-casteel te seconderen. Monsr. Montreil, die van den Coningh tot Nieucasteel verwacht word, is door dese Stad derwaerts getrocken. Met brieven uyt Yerland, dat Corc ontset is door Capiteyn Bray, tegens de rebellen, met 200 tonnen kruyt, 20 tonnen lont 10 tonnen kaes, een goede quantiteyt korens ende andere behoeften, waer door den Heere Inchquyn so gecourageert is gheworden, dat hy met 2500 te voet ende 800 te paerd, tegens de rebellen ge-marcheert is. De Geestelijckheyd in Yerland, heeft den hogen Raed aldaer verklaert voor meyn-eedighe personen, om dat sy den vrede ghesloten hebben. Engelland ende Schotland zijn ge-accordeert, dat de Schotten t’huys sullen gaen, soo ras de 240000 guldens sullen betaelt wesen. Sijne Majest. vertoont sigh daghelicx, in een blijd ende vrolijck humeur. Daer is ge-ordonneert, dat de tijtulen vande Bisschoppen, sullen vernietight worden ende de geestelijcke goederen verkoft. Van dese stormwinden is daer groote schade op Zee geschiet ende onder anderen sijn seven Kool-schepen, komende uyt Nieu-casteel, te grond ghegaen ende gebleven. Sijn Excell. den Grave van Essex, sal een dinghsdagh toekomende over acht daghen begraven worden, die vant hoge ende het lage Huys, sijn daer over inden rouwe, sal een soo prachtigen begraeffenisse wesen, als by menschen bedencken mogelijcken niet geweest is. <section end="s3"/> <section begin="s4"/>{{c|Wt over-Hefsen den 14 dito.}} {{gap}}Den Hessischen Generael Major Giese heeft eergisteren Aelsveld begonnen te beschieten ende heeft daer, op verscheyden plaetsen, brand in gheschoten. Gisteren wasser al een bresse van twee pijcken wijd, oft het nu tot een storm komen sal, dan oft die van binnen nae een goed accoord sullen luysteren staet te verwachten. <section end="s4"/> <section begin="s5"/>{{c|Wt Brussel den 18 Octobris.}} {{gap}}Alle onse generalen zijn hier bij een, omme te resolveeren, watmen by der hand nemen sal. Het achter blijven van den vrede ende het nemen van Duynkercken, daer door ons den handel ter zee benomen is, maeckt hier een slechten staet. Men seyd dat den Marquis van Lede nae Venloo gaen sal, in dien het aen gheen geld ontbreeckt, daer de soldaten seer om-roepen. <section end="s5"/> <section begin="s6"/>{{c|Van den Rhijnstroom den 19 ditto.}} {{gap}}In dese landen, continueert den Generael Melander noch met ernst, het belegh van Euskirchen heeft het stedeken sedert een dinghsdach, ghestadigh beschoten, die van binnen antwoorden lustigh, gisteren heeftmen eenen grooten brand in het stedeken ghesien ende souden van Keulen dien dagh, noch eenighe 1000 ponden kruyts nae het Leger van Melander, gesonden worden, Generael Major Rabenhooft, heeft sich met 3000 Sweden, komende vande Weser, by Lipstad geconjungeert, sal soecken eene diversie in Westphalen te maken. <section end="s6"/> <section begin="s7"/>{{c|Wt Antwerpen den 19 dito.}} {{gap}}De Franssen leggen noch stil. Den 11 quam het guarnisoen van Duynkercken ten deele tot Nieu-poort ende ten deele tot Oostende, alwaer het blijven sal. Soo ras de Franssen de beset-<section end="s7"/><noinclude></noinclude> h2n28es3qd3v5hnb7w8f3ecodjo78yx Pagina:Ordinarise Middel-weeckse Courante 1646 no 043.pdf/2 104 88915 226465 2026-09-07T09:22:07Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 226465 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" /></noinclude><section begin="s1"/>tingh van de Stad hadden, deden sy de gevangen-huysen open ende lieten de gevangens vry. Het spaensche volck was in alles sterck 1500 man ende een derde-part wel officieren. De Franssen hebben hare circumvallatie geslecht, zijn nu doende omme hare andere wercken te repareren. Of sy het fort Lion slechten, oft weder repareren sullen, also het gheweldich ontramponeert is, weetmen noch niet, hebben het niet seer van doen, nu sy meester zijn van Mardijck: Sy hebben in Duynkercken ghekreghen 30 halve cartouwen, behalven d’andere stucken, met veel kruyds, maer weynigh koegels. De boeren daer ontrent, komen al marckten tot Duynkercken om dat de Franssen haer gheen pacht af nemen, dat tot Nieu-poort alles seer duyr maeckt. Met brieven van Londen, dat den Koningh noch tot Nieu-kasteel was ende dat hy d’Articulen, door de Schotten gemaeckt, ondertekent had, het welcke groote hope gaf van een goed eynde. <section end="s1"/> <section begin="s2"/>{{c|Wt het quartier van sijn Hoocheyd int Legher voor Venloo den 20 Octobris.}} {{gap}}Wy legghen noch voor Venloo beneden de Stadt wel begraven. Den Gouverneur heeft pas voor sijne drie dochters versocht, die hem vergunt is ende zijn daer op uyt-gekomen ende nae Gelder vertrocken. Den Heer van Brederode, leyt boven de Stad, oock begraven ende word geseyt mede een brugge te hebben, over de Mase is geen volck, dan alleene ruyterwacht. Verleden dingsdagh, deden die van binnen eenen uytval ende kregen dien dagh 400 mannen, tot secours binnen. Den Colonel Wijnberghen trock dien avond inde approchen. Een woensdagh passeerde daer weynich, als met schieten uyt Canon ende musketten ende dat daer een corps de guarde in de Loop-graven gemaeckt wierd, daer uyt haer de soldaten kunnen defenderen. Den Franschen Colonel du Holoyse trock dien avond inde approchen, men meende datmen dien nacht soude vertrocken hebben, om dat de ruyters over quamen, doch daer is niet van ghevolcht, alsoo daer sedert verscheyden nieuwe wercken begonnen zijn en de ruyters dicht by ons legghen, int dorp Pilye ende soo voorts de Maes af. Den 18 op donderdagh wierdt daer noch een trenchee ghemaeckt, vande Maes-cant af, tot aen de baterye, omme een retraict te hebben. De belegerde maeckten dien dagh weder een allarm, maer siende dat d’onse daer op gekoockt hadden, quamen niet uyt. Den Colonel van d’Engelschen, trock dien avond in d’approchen. Daer zijn twee linien, die op het Hoorn-werck aen-lopen en de derde loopt nae de graft van de stadt, die nu al drooch is, so dat den aenval op drie plaetsen sal kunnen gheschieden. <br>{{gap}}Die vande Stad kunnen noch volck in krijgen, alsomen haer het selve voor als noch, qualijck kan beletten. Den 19 quam een convoy van Nimwegen met amunitie int leger. Colonel Aylva, is nae beneden, omme sich van sijne quetsuyre inden arm, te laten genesen. Capiteyn Grison is van sijne wonden gestorven ende het lijck op gisteren nae beneden ghebracht. Voor 3 dagen waeren den Lieutenant Spaen, van Graef Lindenes ende Herpert Lieutenant van Monnick ende Monsr. Jans Ruland, Cornet vanden Ritmeester Swartenburch, met een party van 70 mannen uyt recognosceren tot voor Roermond, quamen gisteren weder int quartier, rapporteren dat den vyand van Swamen was vertrocken ende tusschen, de roer ende Maes lagh. Den 19 des avonds trock den Colonel Askens Schotsman, met 21 compagnien inde approchen, alwaer geen regimenten meer en gaen, maer gecommandeerde compagnien. De belegerde kunnen nu geen uytvallen meer doen, of lopen perijckel van alle in de kaers te vliegen. Wy sijn soo dicht aenden anderen, dat wy elcanderen kunnen horen spreken ende roepen den anderen toe die van binnen wijsen ons nae de Caes-camer ende wy haer weder, om Duynkercken t’ontsetten. De grote stucken sijn noch niet aengekomen, wy schieten noch met vijff ende een halve Fransse Cartouwen. Desen avondt treckt de guarde in d’approchen. Gisteren wierd een convoy gedaen voor de ruyters, om voeragie te haelen. Drie compagnien ruyters hebben alle nachten de wacht inde approchen, omme die van binnen het uytvallen te beletten. Voor eenighe daghen was den Grave van Pompei, op de jacht, deed een patrijs op, die hem weder ontvlooch, die gevangen wierd, door een vogel, die den Quartiermeester vanden Colonel de Verneuil, op sijn hand hadde ende alsoo den Graef het patrijs hebben wilde ende den anderen sulx weygerde, wierd den Quartiermeester vanden Graef met 2 schoten deur-schoten ende oock van des Graven pagie gequest, sulcx dat hy gestorven is. De Graef is gevlucht nae Maseijcke. Daer is informatie vande sake ghenomen ende sal sententie by den Krijghs-raedt uyt gesproken worden. <section end="s2"/> <section begin="s3"/>{{c|Wt Reurmond den 20 dito.}} {{gap}}Ons volck is terug gekeert, leggen tusschen Roer en Maes, tot Aselt. Van 150 man, die hier uytghegaen waren, zijn 70 binnen Venloo ghekomen, de rest is gheslaghen oft gevangen. Als de beleggers hare groote stucken krijghen, sal het Venlo eerst recht gelden. <section end="s3"/> <section begin="s4"/>{{gap}}Verleden donderdagh sijn int Vlie 4 Straetvaerders, de schepen Neptunus, Beverwijck, den Koningh David en Genua, alle kostelijck gheladen, aenghekomen. <section end="s4"/> <section begin="s5"/>{{gap}}t’Amsterdam by Marten Jansz Brandt, Boeckverkoper in de Gereformeerde Catechismus, wert uytgegeven de Verlooren ende Wedergevonden Soon: Dat is, Stichtelijcke Verklaringe over de woorden Christi, Luce 15.2. tot het eynde Handelende van een Vader, hebbende twee Soonen, ende wat hem van yver een der selver ontmoetet is: Alles to Leeringhe, verklaert ende voor-ghestelt, door Jacobus Hollebekium, Dienaer J. C. in sijn Gemeynte tot Amsterdam. <section end="s5"/> <section begin="s6"/>{{c|{{tt|Ghedruckt tot Amsterdam.}}<br>{{x-larger|Voor {{tt|Francoys Lieshoudt,}} Boeck-verkooper op den Dam, int Groot-Boek den 23 Octobris Anno 1646.}}}} <section end="s6"/><noinclude></noinclude> a5ban7c6g1wyrh9xdixevww4zlhjndc Ordinarise Middel-weeckse Courante/1646/Nummer 43/Wt Vlm den 10 Octobris 1646 0 88916 226466 2026-09-07T09:25:51Z Vincent Steenberg 280 nieuw 226466 wikitext text/x-wiki {{Koptekst | Titel = ‘Wt Vlm den 10 Octobris 1646’ | Schrijver = |Override_schrijver = een anonieme schrijver | Vertaler = |Override_vertaler = | Sectie = | Vorige = | Volgende = | Jaar = | Opmerkingen = Afkomstig uit de ''Ordinarise Middel-weeckse Courante'', [dinsdag] 23 oktober 1646, [p.&nbsp;1]. [[Wikisource:Publiek domein|Publiek domein]]. }} <pages index="Ordinarise Middel-weeckse Courante 1646 no 043.pdf" from=1 to=1 fromsection=s2 tosection=s2/> [[Categorie:Ordinarise Middel-weeckse Courante, 1645, Nummer 43]] iynxcw47oreyu59f6v39hi94z7wiv38 Categorie:Ordinarise Middel-weeckse Courante, 1645, Nummer 43 14 88917 226467 2026-09-07T09:26:10Z Vincent Steenberg 280 nieuw 226467 wikitext text/x-wiki [[Categorie:Ordinarise Middel-weeckse Courante, 1645]] bt69vxeolnhmyrju0bzryt8nl10xjrq Categorie:Ordinarise Middel-weeckse Courante, 1645 14 88918 226468 2026-09-07T09:26:28Z Vincent Steenberg 280 nieuw 226468 wikitext text/x-wiki [[Categorie:Ordinarise Middel-weeckse Courante]] 2vwy8f3bj1en7uojpldgfuhuzr74hit Troonrede 2026 0 88919 226472 2026-09-07T11:39:04Z Madjo80 1237 Skelet van de pagina alvast aangemaakt 226472 wikitext text/x-wiki {{Infobox document | naam = Troonrede van 2026 | auteur = Minister-president Rob Jetten en ministers | genre = Troonrede | taal = Nederlands | datum = 15 september 2026 | vertaler = | bron = [https://www.rijksoverheid.nl/documenten/toespraken/2026/09/15/troonrede-2026 rijksoverheid.nl] | auteursrecht = [[Publiek domein]] | artikelwikipedia = Troonrede }} Op dinsdag 15 september, [[w:Prinsjesdag|Prinsjesdag]], 2026, sprak [[w:Willem-Alexander der Nederlanden|Zijne Majesteit]] de Koning onderstaande troonrede uit. De troonrede werd niet voorgedragen in de [[w:Ridderzaal|Ridderzaal]], maar in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. ==Troonrede== Leden van de Staten-Generaal, [[Categorie:Nederland]] [[Categorie:Troonrede]] {{Troonredes}} q4c5bhzv8nflfz93oi0b5h9cj9nomar