Wikisource
nlwikisource
https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina
MediaWiki 1.47.0-wmf.21
first-letter
Media
Speciaal
Overleg
Gebruiker
Overleg gebruiker
Wikisource
Overleg Wikisource
Bestand
Overleg bestand
MediaWiki
Overleg MediaWiki
Sjabloon
Overleg sjabloon
Help
Overleg help
Categorie
Overleg categorie
Hoofdportaal
Overleg hoofdportaal
Auteur
Overleg auteur
Pagina
Overleg pagina
Index
Overleg index
TimedText
TimedText talk
Module
Overleg module
Event
Event talk
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/335
104
89411
227292
2026-09-23T14:15:10Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
227292
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh|300|HET NIEUWE WERKTUIG VOOR DE TIJDSBEPALING IN HET|}}</noinclude>Om den graad van naauwkeurigheid te kunnen beoordeelen, die zich met de werktuigen van den heer {{sc|van der kraan}} laat bereiken, heb ik eenige waarnemingen volbragt met twee der mij toegezondene exemplaren. Aan de sterrewacht te Leiden zijn de fouten der uurwerken bestendig op een deel eener seconde na bekend, en aldaar was het ligt te bepalen, hoeveel de tijd, door het werktuig aangewezen, voor of achter was met den tijd, dien het had moeten aanwijzen. Met het een der twee onderzochte exemplaren verkreeg ik de navolgende uitkomsten:
{{image missing}}
Het tweede der onderzochte exemplaren gaf mij de volgende uitkomsten:
{{image missing}}
Iedere dezer uitkomsten rust op vijf bepalingen, die onmiddellijk na elkander werden volbragt en waaruit een middental werd genomen. De onderdeelen der tusschenruimten van vijf minuten, op het aequatoriale vlak, werden bij schatting bepaald.
Als men de bovenstaande getallen bij die vergelijkt, welke ik in het Album der Natuur voor 1855 (3de aflevering) gegeven heb,<noinclude></noinclude>
ictc5gmcsvrplyz4qycdxt9e49ur4fx
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/336
104
89412
227293
2026-09-23T14:18:24Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
227293
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||MAATS. LEVEN, VAN H. V. D. KRAAN TE YSSELMONDE.|301}}</noinclude>ontwaart men, dat met het werktuig van den heer {{sc|van der kraan}}
omtrent dezelfde naauwkeurigheid als met dat van {{sc|seiler}} wordt bereikt. De onzekerheid der tijdsbepaling, met het werktuig verkregen, kan op eene minuut gesteld worden, als de waarnemingen niet te digt bij den middag worden volbragt. Men zal altijd wel doen met de waarnemingen van des morgens te tien ure tot des namiddags te twee ure te vermijden.
De voorname bron van onjuistheid der tijdsbepaling met het werktuig verkregen komt mij voor in het standaardje G te liggen. Bij de wijze, waarop dat standaardje aan het werktuig bevestigd is, schijnt het mij uiterst moeijelijk toe het naauwkeurig loodregt te stellen op de lijn van zes ure in het, aequatoriale vlak, en is het standaardje in zich zelf goed gesteld, dan kan men nog bezwaarlijk daarnaar het werktuig, in de rigting van het oosten en westen, de juiste helling geven. Ziet men van onderen eene tusschenruimte tusschen den draad en het standaardje, zoo helt het laatstgenoemde zekerlijk te veel voorover, maar als de draad langs het standaardje strijkt, is het naauwelijks mogelijk met juistheid te beoordeelen, of het standaardje ook te veel achterover helt. De omstandigheid dat het tweede der onderzochte werktuigen, in den voormiddag, den tijd bestendig omtrent eene minuut te laat gaf, kan ook daaruit worden verklaard, dat het zich niet naauwkeurig genoeg stellen liet. Bij de vroegere exemplaren van zijn werktuig had de heer {{sc|van der kraan}} het paslood vrij gelaten en in een punt doen uitloopen, die met het snijpunt van twee lijnen in overeenstemming moest worden gebragt. Die inrigting was boven de latere ver te verkiezen.
De heer {{sc|van der kraan}} heeft mij geschreven, dat het werktuig, geheel volledig, met het daarbij behoorend boekje en met inbegrip van emballage, door hem voor f 12.90 wordt afgeleverd. Het is veel moeijelijker het vrij zamengestelde werktuig van den heer {{sc|van der kraan}} dan dat van {{sc|seiler}} naauwkeurig te vervaardigen en de prijs van het werktuig is zekerlijk zeer laag, in vergelijking van den arbeid, dien zijne vervaardiging vordert. Elke gemeente zoude zich ligtelijk zulk een werktuig kunnen aanschaffen en er zoude ook in elke gemeente ligtelijk iemand te vinden zijn, geschikt en bereid om het<noinclude></noinclude>
krwkvw6xv9hm8j7wfv7ija59u1862qe
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/337
104
89413
227294
2026-09-23T14:19:57Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
227294
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|302|HET NIEUWE WERKTUIG VOOR DE TIJDSBEPALING IN HET|}}</noinclude>op eene doelmatige wijze te gebruiken. Het ware zeer te wenschen, dat het werd ingevoerd, waar men zich nog geene andere hulpmiddelen voor de tijdsbepaling in het maatschappelijk leven heeft aangeschaft. Men zoude aldus, met weinig moeite en kosten, kunnen zorgen, dat de openbare uurwerken overal, binnen een paar minuten, den tijd aanwijzen, dien zij aanwijzen moeten, en menig bezwaar, dat nu nog bestaat, zoude daardoor worden uit den weg geruimd.
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude>
nafh248gb5yjv45hvb1prp20facgfov
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/338
104
89414
227295
2026-09-23T14:25:10Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
227295
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr|2}}
{{c|{{xx-larger|SMITHSON'S STICHTING, TE WASHINGTON;}}
GESCHETST
{{smaller|DOOR}}
{{larger|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885)|{{sc|P. HARTING.}}]]}}}}
{{dhr|2}}
{{rule|5em}}
{{dhr}}
In de maand Augustus 1846 werd in het Congres der Vereenigde Staten van Noord-Amerika eene zaak behandeld, welker gelijke zeer zelden het onderwerp der beraadslaging van wetgevende vergaderingen is, en die ook nog in andere opzigten van eenen zeer eigenen aard was.
{{sc|James smithson}}, een geboren Engelschman, die nimmer in Noord-Amerika geweest was en daar ook niemand kende, had zijn groot vermogen aan de Vereenigde Staten vermaakt om daarmede eene stichting tot stand te brengen, bestemd: ''voor de vermeerdering en verspreiding van kennis onder de menschen'', en waaraan zijn naam moest verbonden blijven.
Teregt wekte het verbazing, dat {{sc|smithson}} die stichting niet aan zijn eigen vaderland had geschonken. Later werd dit raadsel opgelost.
{{sc|Smithson}} was hetgeen men gewoon is een "zonderling"te noemen, d.i. hij had zijne eigene denkbeelden over menschen en zaken en ging zijnen eigen weg, zonder zich veel te bekreunen om de meening van anderen. Overdreven vaderlandsliefde of blinde ingenomenheid met zijn geboorteland lagen niet in zijnen aard. Hij toonde dit reeds door Napels tot zijn gewoon verblijf te kiezen. Reeds lang nu had hij besloten, dat zijn aanzienlijk vermogen na zijnen dood zoude worden aangewend tot bovengenoemd doel, en in een testament de ''Royal Society'' te Londen tot uitvoerster van zijnen laatsten wil benoemd. Toen echter een zijner vrienden eene verhandeling bij die Maatschappij had ingediend en deze weigerde dat stuk in de door haar uitgegeven<noinclude></noinclude>
pqe7n2ju6i9d1v900hy8yq28gd6r5a1
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/339
104
89415
227296
2026-09-23T15:34:40Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
227296
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|304|SMITHSON'S STICHTING, TE WASHINGTON.|}}</noinclude>''Philosophical Transactions'' op te nemen, werd haar dit door {{sc|smithson}}
zoo euvel geduid, dat hij zijn testament veranderde en aan het Bestuur der Vereenigde Staten van Noord-Amerika, aan het volk dat het ''to go ahead'' tot leus heeft, de taak opdroeg om zijne nalatenschap tot het beoogde doel te doen strekken.
Doch al moge {{sc|smithson}} een eenigzins zonderling en eigenzinnig man zijn geweest, in één opzigt heeft hij getoond den naam van een zeer verstandig man te verdienen. Hij heeft namelijk de uitvoerders van zijnen laatsten wil aan geene banden hoegenaamd gelegd en hen volkomen vrij gelaten in de keuze der middelen om het plan te verwezenlijken, waarvan hij niet anders dan het doel had aangewezen.
Het zal wel ter naauwernood behoeven gezegd te worden, dat het Congres der Vereenigde Staten de daaraan toevertrouwde taak om tot zulk een doel te beschikken over een vermogen, waarvan de jaarlijksche renten niet minder dan 30,950 dollars of 77,375 guldens beliepen, gretig aanvaardde. Bij een besluit van den 10 Augustus 1846 werd een Bestuur benoemd en een plan vastgesteld om dit aanzienlijk inkomen op de beste wijze, overeenkomstig de bedoeling des erflaters, aan te wenden.
Dit Bestuur bestaat uit vijftien leden, waaronder regtens, d.i. uit kracht van hun ambt, behooren: de vice-president der Vereenigde Staten, de opperregter in het hooge geregtshof en de major van Washington. Voorts hebben daarin zitting: drie leden van den senaat, drie uit het huis der gemeenten en zes burgers van verschillende staten. De twaalf laatstgenoemde bestuurders worden benoemd door de vereenigde beide huizen.
Aan het aldus zamengestelde Bestuur was de taak opgedragen eenen secretaris te kiezen. Daar het Bestuur zelf niet uit eigenlijke geleerden of wetenschappelijke mannen bestond, maar veeleer uit zoodanigen, die door hun ambt, karakter of persoonlijke verdiensten vertrouwen wekten en invloed hadden, was de keuze van eenen secretaris, die de ware ziel der gansche inrigting moest zijn, van het allerhoogste gewigt. Gelukkig viel die keuze op eenen man, die bij veel omvattende kennis een juist begrip van de aan hem opgedragen taak voegde. Die man was en is nog {{sc|joseph henry}}. Later, toen<noinclude></noinclude>
c726jcaeh0u04qfqxzse8wkqo2a1q0u
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/340
104
89416
227297
2026-09-23T15:38:49Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
227297
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />
{{rh||SMITHSON'S STICHTING, TE WASHINGTON.|805}}</noinclude>de werkzaamheden, aan zijne betrekking verbonden, zich uitbreidden, werd hem in den persoon van Prof. {{sc|spencer f. baird}} een hulpsecretaris toegevoegd, en ook aan dezen heeft de stichting een groot deel van haren bloei te danken.
Ten aanzien der wijze van besteding van het jaarlijksch inkomen, nam men in de eerste plaats als beginsel aan, dat dit in twee gelijke helften zoude verdeeld worden. De eene helft werd bestemd voor het tot stand brengen eener bibliotheek, voor het aanleggen van verschillende museën en verzamelingen van natuurkundige werktuigen. De andere helft ontving de bestemming om, door bepaalde daarvoor geschikte personen, gebruikt te worden tot het doen van onderzoekingen op elk gebied der menschelijke kennis, en om de uitkomsten van zelfstandig onderzoek, waardoor die kennis werd uitgebreid, in Verhandelingen uit te geven. Voorts werd ook besloten populaire voorlezingen te doen houden om aldus kennis in de naaste omgeving te verbreiden.
Met die ruime opvatting van het doel des stichters is ook het verdere plan in alle zijne bijzonderheden in overeenstemming. Daarin worden wel is waar eenige punten genoemd, waarop de aandacht gevestigd wordt, als: meteorologische waarnemingen tot oplossing van het vraagstuk der stormen, — natuurhistorische, geologische, magnetische en hydrographische onderzoekingen om eenen physisch-geographischen atlas van de Vereenigde Staten te vormen, — proeven over het gewigt der aarde, de snelheid van de elektriciteit en van het licht, scheikundige onderzoekingen van bodems en planten, — statistische onderzoekingen over physische, zede- en staatkundige onderwerpen, — geschiedkundige nasporingen, — ethnologische onderzoekingen enz. Doch deze onderwerpen zijn slechts te beschouwen als voorbeelden van hetgeen, volgens de meening des Bestuurs, tot den werkkring der stichting behoort. Geen enkel ander onderwerp, van welken aard ook, mits het een onderdeel der menschelijke kennis uitmaakt, ligt daarbuiten. Voor rekening der stichting worden echter alleen zulke stukken gedrukt, waarin oorspronkelijke onderzoekingen voorkomen en welke daardoor strekken om de menschelijke kennis te vermeerderen.
Opmerking verdient het, dat in dit plan, ontworpen in een land,<noinclude>{{rh|{{gap}}{{smaller|1864.}}||{{smaller|20}}{{gap}}}}</noinclude>
7fjxxs5d3vlxygns8f40sbj28bxajvr
Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/171
104
89417
227298
2026-09-23T16:00:48Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
227298
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|101}}</noinclude><poem>
{{sup|555}}Dat die sonne nu mach bescinen,
Soene latie niet, ie en sal Florentijnen
Bescouwen, dat edel wijf.
Waer es mijn ors<ref>''Ors'' d. i. ''paard'', ons ''ros''.</ref> Vaelentijf?
Ic wil gaen varen metter spoet.
{{sup|560}}Maer, edel oem, ghetrouwe ende goet,
Ic set mijn lant in uwer gheweelt,
Dat ghijt trouwen bewaren seelt,
Tote dat ie come van Abelant.
{{gap|5em}}{{sp|Gheraert}}.
O edel neve Gloriant,
{{sup|565}}God ons here moet u bewaren
Ende altoes in doghden sparen<ref>De wensch in dit vers uitgedrukt verschilt niet veel van de voorwaarde in ''Carel'' vs. 1028:<br>{{gap|4em}}So langhe alse u God ''gespaert''.<br>''In doghden:'' {{asc|MAERLANT}} spreekt ''St. Franc. L.'' vs. 1911 in éénen adem van<br>{{gap|4em}}Die ''doget'' entie weldaet,<br>de dichter van ''Carel'' vs. 1303 van de ''doghet'' Gods; van Theophilus lezen we dat hij was<br>{{gap|4em}}. . . . in ''doeghden'' al volmaect;<br>''Ferg.'' vs. 896 beteekent ''doghet voordeel:''<br>{{gap|4em}}Ghi hebt recht, het sal u vromen (''frommen''),<br>{{gap|4em}}Daer sal u alle ''doghet'' af comen;<br>even als in de uitdrukking ''(daer an) sins selfs doeght doen'' d. i. ''(daarmede) in zijn eigen belang handelen,'' verg. ''L. Sp. Gloss.:'' al welke beteekenissen geleidelijk voortvloeien uit deze eene: ''wat goed is, wat deugt,'' met welken
ruimeren zin het woord in het Mnl. voorkomt, nu met deze dan met die verscheidene tint. ''God beware u bij al wat goed is'' zal dus het vers te kennen geven.</ref>,
Waerwaert dat ghi u bekeert<ref>''Bekeert'' van ''bekeren'' d. i. ''zich wenden, begeven.''</ref>.
{{gap|6em}}~~~~~~~~~~
{{gap|5em}}{{sp|Die hertoghe}}.
Ay god, hoe sere mi die minne leert
Hovescheit<ref>''Hovescheit'' d. i. ''galanterie: Flor.'' vs. 72 vlgg. wordt het woord door {{asc|ASSENEDE}} zelven verklaard:<br>{{gap|4em}}. . . . ''hoveschen'' clerken<br>{{gap|4em}}Ende ''hoveschen'' ridderen ende vrouwen,<br>{{gap|4em}}Dat sijn ''die minnen met rechter trouwen''<br>{{gap|4em}}''Ende emmer der minnen sijn onderdaen.''</ref>, dat vindic nu wel.
</poem><noinclude></noinclude>
px3vlbbsqi5hc8rfiztaa9lmse4eax7
227308
227298
2026-09-24T08:11:45Z
Havang(nl)
4330
227308
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|101}}</noinclude><poem>
{{sup|555}}Dat die sonne nu mach bescinen,
Soene latie niet, ie en sal Florentijnen
Bescouwen, dat edel wijf.
Waer es mijn ors<ref>''Ors'' d. i. ''paard'', ons ''ros''.</ref> Vaelentijf?
Ic wil gaen varen metter spoet.
{{sup|560}}Maer, edel oem, ghetrouwe ende goet,
Ic set mijn lant in uwer gheweelt,
Dat ghijt trouwen bewaren seelt,
Tote dat ie come van Abelant.
{{gap|5em}}{{sp|Gheraert}}.
O edel neve Gloriant,
{{sup|565}}God ons here moet u bewaren
Ende altoes in doghden sparen<ref>De wensch in dit vers uitgedrukt verschilt niet veel van de voorwaarde in ''Carel'' vs. 1028:<br>{{gap|4em}}So langhe alse u God ''gespaert''.<br>''In doghden:'' {{asc|MAERLANT}} spreekt ''St. Franc. L.'' vs. 1911 in éénen adem van<br>{{gap|4em}}Die ''doget'' entie weldaet,<br>de dichter van ''Carel'' vs. 1303 van de ''doghet'' Gods; van Theophilus lezen we dat hij was<br>{{gap|4em}}. . . . in ''doeghden'' al volmaect;<br>''Ferg.'' vs. 896 beteekent ''doghet voordeel:''<br>{{gap|4em}}Ghi hebt recht, het sal u vromen (''frommen''),<br>{{gap|4em}}Daer sal u alle ''doghet'' af comen;<br>even als in de uitdrukking ''(daer an) sins selfs doeght doen'' d. i. ''(daarmede) in zijn eigen belang handelen,'' verg. ''L. Sp. Gloss.:'' al welke beteekenissen geleidelijk voortvloeien uit deze eene: ''wat goed is, wat deugt,'' met welken
ruimeren zin het woord in het Mnl. voorkomt, nu met deze dan met die verscheidene tint. ''God beware u bij al wat goed is'' zal dus het vers te kennen geven.</ref>,
Waerwaert dat ghi u bekeert<ref>''Bekeert'' van ''bekeren'' d. i. ''zich wenden, begeven.''</ref>.
{{gap|6em}}~~~~~~~~~~
{{gap|5em}}{{sp|Die hertoghe}}.
Ay god, hoe sere mi die minne leert
Hovescheit<ref name=hove>''Hovescheit'' d. i. ''galanterie: Flor.'' vs. 72 vlgg. wordt het woord door {{asc|ASSENEDE}} zelven verklaard:<br>{{gap|4em}}. . . . ''hoveschen'' clerken<br>{{gap|4em}}Ende ''hoveschen'' ridderen ende vrouwen,<br>{{gap|4em}}Dat sijn ''die minnen met rechter trouwen''<br>{{gap|4em}}''Ende emmer der minnen sijn onderdaen.''</ref>, dat vindic nu wel.
</poem><noinclude></noinclude>
ksmdvhl4spyi15dfnl0avjcii5opxs1
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/341
104
89418
227299
2026-09-23T18:34:05Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
227299
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|306|SMITHSON'S STICHTING, TE WASHINGTON.|}}</noinclude>
welks bewoners men beschuldigt, — en voorzeker niet ten onregte, — van eene aanbidding van den god Dollar, nergens sprake is van hetgeen de Engelschen gewoon zijn emphatisch ''useful knowledge'' te noemen. Als of er eene kennis kon zijn, die niet ''useful'', niet nuttig ware! Hoe dit zij, de Amerikaansche bestuurders van {{sc|smithson}}'s stichting hebben dit onderscheid niet gemaakt, en uit het geheele plan volgt duidelijk, dat zij volstrekt niet eene beantwoording bij uitsluiting of zelfs bij voorkeur bedoeld hebben van zulke vraagstukken als die, welke inzonderheid met het stoffelijk welvaren der maatschappij in verband staan. Zij hebben getoond te begrijpen, dat de mensch, juist omdat hij mensch is, nog andere en hoogere behoeften dan de louter stoffelijke heeft.
Dit blijkt ook uit den inhoud der jaarlijksche Verslagen en uit dien der dertien lijvige quarto-deelen, welke sedert de oprigting, onder den titel van ''Smithsonian Contributions to knowledge'' verschenen. Zelden heeft een boek een welsprekender en tevens juister titel gedragen. Inderdaad is elke der daarin opgenomen Verhandelingen eene Bijdrage tot kennis. Die kennis is echter uit den aard der zaak zeer veelsoortig en de Bijdragen vormen dan ook een tamelijk bont geheel. Zoo volgt op eene mathematisch-astronomische Verhandeling over de planeet Neptunus door {{sc|Walker}} eene van {{sc|Lieber}} over de bekende blind- en doofstomgeborene Laura Bridgeman, terwijl in het zelfde deel, — het 2{{smaller|<sup>de</sup>}} der reeks, — behalve andere stukken, ook die van {{sc|Gibbes}} over den ''Mosasaurus'' en verwante geslachten van voorwereldlijke Reptiliën, en die van {{sc|squier}} over de oude gedenkteekenen van Nieuw-York zijn opgenomen. Wij voeren dit slechts als een voorbeeld van den rijken inhoud aan. Welligt zal men er later toe komen, de Verhandelingen in twee of meer groote rubrieken te splitsen. Ons komt dit doelmatig voor. Twee der deelen bevatten elk slechts ééne verhandeling van grooten omvang, namelijk het 1{{smaller|<sup>st</sup>}}, waarin die van {{sc|squier}} en {{sc|davis}} over de oude gedenkteekenen van het Mississippidal, en het 4{{smaller|<sup>de</sup>}}, waarin de door {{sc|riggs}} bewerkte Spraakkunst en Woordenboek van de Dakota-taal zijn opgenomen. Nog verscheidene andere bijdragen op het gebied van taal-kennis, geschiedenis en oudheidkunde zijn geleverd door {{sc|whittlesey, haven, lapham, braniz,}}<noinclude></noinclude>
9jhklx83yn3hgji69x4m6vf02yywj5f
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/342
104
89419
227300
2026-09-23T18:39:37Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
227300
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||SMITHSON'S STICHTING, TE WASHINGTON.|307}}</noinclude>{{sc|mayer}} en {{sc|bowen}}. De inhoud dezer deelen levert echter een nieuw bewijs, dat in onzen tijd de oogst van kennis op het gebied der natuurwetenschappen het rijkst is. Geen enkele dier wetenschappen mist daar hare bijdragen, Wiskunde, sterrekunde, meteorologie, proefondervindelijke natuurkunde, scheikunde, geologie, dierkunde, plantkunde, palaeontologie, anatomie en physiologie, — alle zijn hier waardiglijk vertegenwoordigd. Hier ontmoeten wij de namen van {{sc|walker, bailey, ellet, gibbes, hare, locke, girard, harvey, asa gray, leydy, jeffries wijman, forrey, stimpson, coffin, chappelsmith, olinstead, alvord, meech, hitchkock, wolcott gibs, genth, kane, brewer, gilliss, bache, le conte, sonntag, loomis, carwell, smith, mitchell}}, waaronder verscheidene, die ook buiten hun vaderland beroemd zijn.
Zeer vele en daaronder de gewigtigste dezer verhandelingen hadden voorzeker nimmer het licht gezien, indien {{sc|smithson}}'s stichting niet bestaan had, hetzij omdat zij de uitkomsten bevatten van onderzoekingen, die door haar zijn uitgelokt en ondersteund, of omdat zij, uithoofde der groote aan de uitgave verbonden kosten, niet ligt eenen uitgever zouden gevonden hebben, die, met het oog op het steeds beperkte publiek, dat zulke werken leest en koopt, gewaagd zoude hebben deze op zijne kosten uit te geven, en, indien hij dit al gedaan had, dan waarschijnlijk niet op eene zoo fraaije wijze, met zulke voortreffelijk uitgevoerde afbeeldingen als thans geschiedt. Inderdaad kunnen in dit opzigt de ''Smithsonian Contributions'' wedijveren met de beste voortbrengselen van de Europésche druk- en graveerkunst. Dan ook voorzeker zouden die werken, welke thans voor elk beoefenaar van wetenschap onmisbaar zijn geworden, niet met zoo milde hand zijn uitgedeeld geworden als thans het geval is. Ook in dit opzigt heeft het Bestuur getoond zijne roeping en een der hoofdbedoelingen van den stichter: ''verspreiding van kennis onder de menschen'', te begrijpen. In Noord-Amerika zelf kan elke openbare bibliotheek op aanvrage een exemplaar der ''Contributions'' bekomen, en ook naar Europa worden verscheidene honderde exemplaren gezonden, bestemd voor de bibliotheken van hoogescholen of andere daaarmede gelijkstaande inrigtingen, alsmede van genootschappen of maatschappijen, die slechts iets, zij het<noinclude></noinclude>
8s6hksf9tn9pngjrghpuyaj7b1efhfl
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/343
104
89420
227301
2026-09-23T18:44:09Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
227301
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|308|SMITHSON'S STICHTING, TE WASHINGTON.|}}</noinclude>dan ook nog zoo weinig, daarvoor in ruil geven of beloven te geven.
Uit de achtereenvolgens verschenen verslagen blijkt, dat ook het eerste gedeelte van het plan, de daarstelling namelijk van museën en verzamelingen, op niet minder onbekrompen wijze wordt ten uitvoer gelegd. Reeds overtreft de bibliotheek der stichting vele beroemde bibliotheken van oud-Europa in rijkdom van boekwerken. Vele verzamelaars, deels opzettelijk als zoodanig uitgezonden naar verschillende streken, deels gedreven door de zucht om het hunne tot verrijking der museën bij te dragen, hebben deze binnen weinige jaren op eene hoogte gebragt, welke de museën van menige Europésche hoofdstad nog niet bereikt hebben. Ja, in sommige opzigten wedijveren zij reeds met of overtreffen zelfs de rijke museën van Parijs en van Londen. Maar die schat wordt daar niet alleen bewaard, zij wordt ook verwerkt. Bepaaldelijk daarmede belaste deskundigen nemen de verzamelde voorwerpen in ontvangst, zorgen voor hunne behoorlijke bewaring en plaatsing en dienen daarover van tijd tot tijd verslagen in. Zulke verslagen zijn b.v. van {{sc|xantus}} over de Vogels, van {{sc|cope}} over de Reptiliën, van {{sc|gill}} over de Visschen, van {{sc|le conte}} over de Insekten, van {{sc|stimpson}} over de Schaaldieren en Zeesterren, van {{sc|lyman}} over de Slangzeesterren, van {{sc|asa gray}} over de Planten, enz.
Zoo voldoen het Bestuur van S{{sc|smithson}}'s Stichting en de mannen, aan welke de taak der uitvoering van het plan is opgedragen, aan den wensch des stichters: zijn vermogen dienstbaar te maken aan de vermeerdering en uitbreiding van kennis onder de menschen. Hij zelf heeft daardoor zijnen naam vereeuwigd. Zoolang kennis wordt op prijs gesteld, met andere woorden: zoolang het menschdom voortgaat op de baan der ontwikkeling en niet terugzinkt in den nacht van barbaarschheid, zal {{sc|smithson}}'s naam met eere genoemd worden als een van de weldoeners der menschheid.
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{Dhr}}<noinclude></noinclude>
naf1ypugpbaromapn8wg2mfi3alvfs2
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/344
104
89421
227302
2026-09-23T18:48:20Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
227302
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr}}
{{c|{{larger|WATERGELUIDEN OP BORNEO;}}
DOOR
{{larger|L. F. P R A E G E R.}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
Er zijn tijden geweest, dat het voor een reiziger, die eenige wetenschappelijke opleiding en opmerkingsgeest had, voldoende was eene reis in een naburig landschap of land te doen om zeer interessante verhalen en opmerkingen mede te deelen, die den stil voor zich heen levenden burger en poorter te regter tijd konden herinneren, dat er buiten zijne muren en provincie nog iets belangrijks en schoons te vinden was. Hoe zijn die tijden veranderd! Wel kan een talentvolle schrijver nog belangwekkende reisverhalen schrijven en stond er ooit weer een {{sc|yorick}} op, zoo zal hij even goed als vroeger gewaardeerd worden, doch, om wat nieuws meê te deelen van hetgeen de natuur in den vreemde oplevert is voor hem, die zeer ver gereisd heeft, nog geene gemakkelijke taak.
Ver van het schoone Java, waar de eerste reizigers boomen vonden (en voor het geloovige Europa afteekenden), wier vruchten kinderhoofden waren, en in nog onbekender streken heb ik rondgedoold op plaatsen, waar zeker nooit te voren een blanke voet den grond drukte, en waar zijn de wonderen der zoo wondervolle natuur, die ik te verhalen heb? Borneo b.v. ligt zeer ver van Java; als men ten minste de oude reisgelegenheid raadpleegt. Onze voorouders gebruikten eenige maanden voor die reis, en de Arabische koopvaarder heeft nog thans 1 à 1½ maand noodig om van Batavia Bandjermasin te bereiken. En toch zijn zoo vele ambtenaren met dat eenige beschikbare transportmiddel (de onreine, op goed geluk dobberende,<noinclude></noinclude>
32c75a41upkv2toe4g74gxbbge7v73s
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/345
104
89422
227303
2026-09-23T18:54:14Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
227303
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|310|WATERGELUIDEN OP BORNEO.|}}</noinclude>afgekeurde Oost-Indievaarder) naar het oord hunner bestemming gegaan! Want het is nog slechts sedert 4 jaren, dat een der stoombooten van de firma {{sc|cores de vries}}, die nagenoeg de eenige versnelde gemeenschap tusschen de zoo uitgespreide stations van den archipel daarstellen, de brieven en koopwaren in eenige dagen maandelijks daar aanvoert. Welke ontwikkeling geschiedt er zonder schokken? Sedert den opstand van Bandjermasin in 1859 is die plaats in ontwikkeling vertiendubbeld! Was er juist de moord van een 40tal nijvere burgers toe noodig om het leven van de ambtenaren op die plaats meer dragelijk, hunne verbanning minder pijnlijk te maken, de beschaving van eene veelbelovende natie sneller te doen toenemen, onze houding waardiger, ons bestuur krachtiger en voorzigtiger te maken? Toch niet; wij mogen ook hierin niets zien dan de wet der noodzakelijkheid, die ons ten tweeden, ja ten honderdsten male op nieuw bedreigt met dezelfde straf, als we de lessen van voorheen vergeten en niet handelen na rijpe waarneming en beraad.
Om tot ons onderwerp terug te komen, wil ik zeggen, dat, ofschoon ik een tamelijk groot deel van Zuid-Borneo te water of te voet heb doorreisd, ik zou vreezen niets merkwaardigs tot de beschrijving van Borneo toe te voegen te hebben, behalve eene kleine omstandigheid; — en zelfs daarvan ben ik niet zeker dat ze niet reeds vroeger is toegelicht. Professor {{sc|veth}}'s uitstekend werk over Borneo op de plaatsen zelve nalezende, vond ik daarin verhaald van geluiden, die men in de grootste rivier der Westkust van Borneo, de rivier van Pontianak, hoort. Wat daarvan was, werd niet toegelicht. Laat ik kortelijk meêdeelen, wat ik daarvan vond. ''Pontianak'' beteekent geest, en misschien heeft de rivier haren naam aan dit Koor van Brumstimmen te danken. Want de Dajak doet voor den Hindoe niet onder. Even als deze namelijk, gevoelt hij zich steeds te midden van eene rijke omgeving van geesten ender verschillende gedaanten.
Zooals alle weinig ontwikkelde menschen en volken, acht hij zich de hoofdpersoon in de wereld en gelooft vast, dat die geheele wereld slechts bezig is om (o nacht der onkunde, bij ons gelukkig onmogelijk!) hem alleen te leiden, te voeden en te beschermen. De maan, de wolken, de regen, de wind, een of ander geluid in het bosch, de<noinclude></noinclude>
7vp6sgg5cu9ntgkli9tt2ipz9pkbu8g
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/346
104
89423
227304
2026-09-23T18:57:00Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
227304
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||WATERGELUIDEN OP BORNEO.|311}}</noinclude>vlugt van een' vogel enz. is voor hem het bewijs van de openbaring eener godheid, die zijn bestaan geheel aan het zijne toewijdt, oplettend hem nagaat en overal waar ze gevaar voor hem bespeurt, hem waarschuwt en de toekomst voorspelt. Onbeschaafde volken zijn egoïstisch als kinderen. Wezenlijk, de eigenlijke beschaving begint eerst, als men een deel van dat egoïsme weet af te staan.
Het zou dus ook geen wonder heeten, als de Dajaks geesten erkend hadden in de watergeluiden; ik heb hen er wel naar gevraagd, doch ze hadden te veel achterdocht om zich veel uit te laten. Ze wilden hun land niet verlaten, beschouwden het als het beste van allen en gaven ons in alles gelijk. De Maleijer te Pontianak zegt: Het zeewater vecht met het zoete water. Bij den opkomenden vloed bekampt de opstijgende zoute stroom inderdaad den neêrdalenden rivierstroom. Het woord ''bakalaï'' = vechten moet hier eenigzins in ruimen zin opgenomen worden.
Voor verschillende beteekenissen heeft zulk eene arme taal als de Maleische slechts één woord. En zoo begreep het ook een uitlegger, die meende, dat de schuring en vermenging van zoet en zout water bij den vloed geluiden zou voortbrengen,
Behalve dat dit geene verklaring mag heeten, spreekt het feit reeds genoeg, dat op vele plaatsen onder dergelijke omstandigheden zoo iets niet wordt waargenomen, en dat, zooals men later zal zien, het geluid voorkomt daar, waar geen zout water zich bij het zoete mengt. Ik neem liefst woordelijk over, wat ik in 1860 en 61 op de plaats der waarneming zelve (d.i. op verschillende rivieren van Borneo en Soematra) opteekende.
In April 1860 lag het ijzeren oorlogsstoomschip ''Madoera'' op de rivier Kapoeas voor de hoofdplaats der Westerafdeeling van Borneo, Pontianak (dezen naam draagt de rivier hier en daar ook). Ik merkte toen het volgende op: het meest hoort men de geluiden in de rivier tijdens den vloed en hoog water. Bij vollen vloed ontbreken ze nimmer. Men hoort ze nu eens oppervlakkiger, dan weêr dieper; ze schijnen met bewegingen van verschillende snelheid van het eene punt naar 't andere te gaan en soms rustig op eene plaats te blijven. Men kan ze 't best vergelijken met het geluid van metalen snaren,<noinclude></noinclude>
3yf25s00fjg3odoxoitstrr5mhu6p67
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/347
104
89424
227305
2026-09-23T19:00:48Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
227305
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|312|WATERGELUIDEN OP BORNEO.|}}</noinclude>die men aanstrijkt, en dat onduidelijk is gemaakt (gedempt) door den afstand of door indompeling in water.
Zoo doen ze zich voor aan den wal en evenzoo, doch duidelijker, als men het halve hoofd in de rivier onderdompelt. Legt men het oor nu tegen den wand van het ijzeren schip, dan versterken ze zich; men hoort dan een duidelijk afgebroken, metaalachtig snorren als van bassnaren, die men aanstrijkt en met het opzetten der vingers verhoogde toonen doet geven, ofschoon 't altijd doffer is. Maar nu merkt men ook, dat de toonen uit talrijke verschillende en op verschillende plaatsen aanwezige en dooreenschietende monden komen (in 't begin van den vloed hoort men één, dan twee, vier en eindelijk ontelbare afzonderlijke geluiden); de toon er van is vrij laag en er is naauwelijks ½ toon verschil tusschen hen, zoodat ze in een vrij vervelend orkest verward dooreen brommen; de toonen komen kort en stootsgewijs te voorschijn. Het schip, zijne wanden en luchtruimten moeten hier door meêtrillen veel invloed hebben, en daarom hoort men het dus ook alleen zoo helder, vol en duidelijk afgebroken. In Julij waren wij met het schip in de monding der Tawan-rivier, een' tak der Kapoeas, 77 geogr. mijlen boven Sintang, welke plaats zeker meer dan 7 malen zoover van zee ligt. Men kan wel denken, dat hier van geen zout of zelfs brak water meer sprake was (zie ''Atlas van N.O.I.'' van {{sc|pynappel}}). Welnu, terwijl we in een inlandsch vaartuigje in die rivier de heerlijkste visschen vingen, werden we door hetzelfde concert verrast. Het scheen nu uit minder monden te komen.
De Dajaks stemden ons toe, dat het wel visschen konden zijn; trouwens, dit zegt niet veel; want die zachtaardige lieden zijn volstrekt tegen geene Europesche argumenten opgewassen. Het is evenwel de waarschijnlijkste oorzaak voor deze geluiden. Misschien kan de bijmenging van zout water hun aanleiding geven tot het uitstooten van sterke geluiden. Men vindt in de natuurlijke geschiedenis vele vischsoorten beschreven, die brommen en snorren. De Gymnodonten, waaronder ook riviervisschen, kunnen zich opblazen, waardoor ze de stekels, die op hun vel geplaatst zijn, ter verdediging oprigten; vat men hen aan, zoo knorren ze. Den 25 Julij begonnen de geluiden weêr te 3 uur, ofschoon er nog geen vloed was; als het zeewater bij<noinclude></noinclude>
bc7z2s2j170ojvpacxx04vmfd1glchl
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/348
104
89425
227306
2026-09-23T19:03:15Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
227306
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||WATERGELUIDEN OP BORNEO.|313}}</noinclude>den vloed de rivier instroomt, worden eerst de onderste lagen daarin met het zoute water gevuld, omdat dit, door zijn gehalte aan zouten, zwaarder is en eerst later bij den sterksten vloed is alle water in de rivier brak of zout. Voor men dus in den stroom aan de oppervlakte des waters terugvloed bemerkt, bestaat die toch reeds dieper.
Den volgenden dag hoorde men het geluid te 1 uur. De tijden van ebbe en vloed zijn hier zeer weinig bekend. Zooveel is zeker, dat men het altijd eenigen tijd vóór den vloed bemerkt, als de oppervlakte nog eb vertoont. Den 10 Aug. begon het weêr te l uur. Men ving toen een' gelen visch, die wel iets van den blaasvisch (een giftige visch uit de familie der Gymnodonten) had, dien men aan de Kaap de Goede Hoop vindt. Den 13 Aug. was te 1 uur de vloed geëindigd; het was stil water; één' enkele brommende stoot werd er toen gehoord. 't Was alsof de laatste zeevisch de rivier, waarin het zoete water nu weêr de overhand kreeg, zijn' afscheidsgroet toewierp en vertrok. Hetzelfde kan men zich misschien juister denken van de riviervisschen, die het zeewater voor 't laatst voelden of jagt maakten op een achtergebleven zeevisch.
Den 15den: geluiden te 2 uur, meer dan één uur nadat het schip voor den vloed zwaaide; men hoort weêr niet één plotseling algemeen geluid, maar een gebrom digt bij, dan lange stilte, nu weêr gebrom digt bij, gevolgd door een dergelijk ver verwijderd, op eene derde plaats, totdat deze zich tot een koor vermenigvuldigen. Met de sloep tijdens het einde van den vloed rivieropwaarts roeijende, (het was op de Kapoeas bij Pontianak), voer ik ter hoogte van den Landakmond over brommende individu's heen, die hier en daar verspreid waren. Na den vloed eindigt het geluid gewoonlijk; het zinkt naar de laagte weg. (Zijn de riviervisschen naar de oppervlakte gekomen om het zout water te ontvlugten, dat het onderdeel der rivier vult?) Evenzoo hoort men het in 't begin van den vloed van diepere lagen des waters oppervlakkiger worden, waardoor het duidelijker en luider wordt.
Den 6 September was het schip in geene drie etmalen voor den vloed gezwaaid, zoo zwak was deze; het geluid was dan ook onduidelijk (laag in de onderstroomen) en scheen van slechts weinige individu's afkomstig. In het laatst dezer maand bleef het weg, terwijl<noinclude></noinclude>
gigxhkddqgcufvtybgl2x9sfy3neti1
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/349
104
89426
227307
2026-09-23T19:08:30Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
227307
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|314|WATERGELUIDEN OP BORNEO.|}}</noinclude><section begin="watergeluiden"/>de vloed zoo zwak was, dat het rivierwater te Pontianak niet weer brak werd. Den 1 October was de vloed, hoewel nog zwak, daar ter plaatse weêr met het geluid waar te nemen.
Den 10 Februarij 1861 lag het zelfde schip in de Kwala Nioer (een deel der rivier Djambi, ter oostkust van Sumatra), en tijdens den vloed hoorde ik het mij welbekende geluid onder het schip.
Meer er bij te gissen dan ik reeds deed, vind ik onnoodig; misschien heeft trouwens de wetenschap daarvan reeds zekerheid gegeven. Ik hecht echter veel aan het verdwijnen van onjuiste denkbeelden. Ze ontsieren de beschrijvingen van landen en volken, waarover we reeds zoo lang den schepter zwaaijen.
Indien het hier gemelde daar iets toe kan doen, hoe weinig ook, zou ieder het met regt kunnen wraken, indien het onvermeld gebleven ware.
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
<section end="watergeluiden"/>
<section begin="naschrift"/>{{dhr}}
{{c|{{larger|NASCHRIFT OP HET VORIGE;}}
DOOR
{{larger|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885)|{{sc|P. HARTING.}}]]}}}}
{{dhr|2}}
{{rule|5em}}
{{dhr}}
In de studiën over Borneo, door den heer {{sc|a. w. m. van hasselt}}, geplaatst in den jaargang van 1860, is op bl. 74 reeds gewag gemaakt van deze zoogenaamde "Watermuziek", op Borneo door {{sc|schwaner}} waargenomen. Wij hebben echter gemeend, dat het feit belangrijk genoeg is om hier ook de waarnemingen van den heer {{sc|praeger}}
op te nemen,
Het vermoeden des schrijvers, dat de door hem gehoorde geluiden<section end="naschrift"/><noinclude></noinclude>
681zwgvp9b5z9vb2mw8igplbrsxm0li
Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/172
104
89427
227309
2026-09-24T08:27:43Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
227309
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|102}}</noinclude><poem><ref follow=hove><br>In den regel beteekent ''horesch (van hof)'' in tegenstelling van ''dorper'' (van ''dorp''), dat wordt gezegd van al wat verachtelijk en laag en gemeen is, zooveel als ''wat goed, schoon en edel is,'' v. d. wordt het gebruikt voor ''welgemanierd, wellevend, beleefd, heusch'' enz. enz., in één woord: voor al wat ''loffelijk'' is, als verstand, moed, sterkte, vlugheid, deugd, welvaren": C{{asc|LAR}}. ''Hem. d. Hem.'' bl. 203. "Men moet ''hovesch'' evenwel — zegt {{asc|JONCKBLOET}} — naar den geest der tijden uitleggen, want in de middeneeuwen bleef men ''hovesch'' al pleegde men daden, die naar onze zeden tot de ergste ''dorpernie'' zouden gerekend worden." Verg. ''Beatr.'' (1{{sup|e}} uitgave) bl. 38 en ''L. Sp. Gloss.''</ref>{{sup|570}}Mijn herte stont tot allen vrouwen fel<ref>''Fel'' d. i. ''boos, afkeerig,'' zie op ''Esm.'' vs. 320.</ref>,
Eer ie minnende wert die scone.
Maer nu spannen alle vrouwen crone
In mijn herte dat doet allene
Florentijn die vrouwe rene,
{{sup|575}}Die mi leert gaen der minnen ganc.
O overste god, die minne u dwanc
Dat ghi van boven nederquaemt
Ende menschelije nature anenaemt:
Ane ene maghet een suver wijf
{{sup|580}}Onfingdi menschelijc lijf,
Dat ghi liet hanghen ane een hout
Sonder verdiente ende buten scout
Ende u edel herte opbreken<ref>''Opbreken'' d. i. ''open breken, Rijmb.'' vs. 20288:<br>{{gap|4em}}Dat hi thelighe graf up brac,<br>alwaar de ''Hist. Schol.'' heeft ''de apertione sepulcri.''</ref>,
Met eenre ghelavie<ref>''Ghelavie'' d. i. ''speer, lans, Limb. Gloss.:'' zie ''Slag v. Woer.'' vs. 1897, waarop {{asc|WILLEMS}} aanteekent ''gelavien, glavien'' d. i. ''speren, lansen;'' en ''Rijmb.'' vs. 11797 en 11801, waar ''glavien'' en ''scachte'' met elkaar verwisseld en door ''lanceae'' en ''hastae'' worden vertaald. Verg. {{asc|DIEZ}} ''Etym. Wich. d. Roman. Sprachen'' II bl. 312.</ref>, al doersteken:
{{sup|585}}Dat dede al der minnen cracht.
Ay god, wat wonder hebdi ghewracht
Ende al uut rechter minnen vloet!
Daer omme die haers sins sijn vroet
Die en doerven mi begripen<ref>''Begripen'' d. i. eig. ''aangrijpen'', v. d. ''berispen, Rein.'' vs. 32:<br>{{gap|4em}}Al ''begripie'' die grongaerde (''knorrepotten'')<br>{{gap|4em}}Ende die dorpren entie doren (''dwazen'')<br>{{gap|4em}}Ic wille dat die ghene horen,<br>{{gap|4em}}Die gherne pleghen der ere;<br>een ''begriper'' is een ''vitter'', een ''berisper'', zie ''L. Sp. Gloss.''</ref>, niet,
</poem><noinclude></noinclude>
roeeughrebrco6opwww82cehglluz5e
Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/173
104
89428
227310
2026-09-24T08:35:15Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
227310
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|108}}</noinclude><poem>
{{sup|590}}Dat mi die minne doet verdriet;
Want die minne es soe crechtich
Dat si den starken god almechtich
Vanden hemel neder dede dalen,
Om die scout vore ons te betalen:
{{sup|595}}Dat dede al der minnen sert,
Dat hi vercoes den edelen bogaert,
Marien, dat edel vat,
Daer in verborghen was die scat,
Die ons allen heeft gecocht
{{sup|600}}Ende uter ewegher pinen brocht.
O minne, du best een edel cruut<ref>''Cruut'' d. i. ''gewas''.</ref>,
Doe best dat alder soetste fruut,
Dat god op eerde nie wassen dede.
Nu sie ic Abelant die scone stede
{{sup|605}}Daer in dat woent die vrouwe mijn.
Maer si dunct mi besloten sijn:
Hets recht, hets twe uren in der nacht:
Ic soude gheloven dat mense wacht<ref>''Wacht'' van ''wachten'' d. i. ''bewaken'', zie op Esm. vs. 172.</ref>.
Daer goede hoede es daer es goeden vrede.
{{sup|610}}Abelant, Abelant, wel soete stede,
Na dien dat ic niet inne en mach,
Soe willio beiden tote merghen dach
Ende minen nacht raste<ref>''Nacht raste'' d. i. ''nachtrust.''</ref> hier gaen doen,
Ende Vaelentijf sal gaen weiden int groen,
{{sup|615}}Tote opgact dat sonne schijn.
{{gap|6em}}~~~~~~~~~~
{{gap|2em}}{{sp|Florentijn die maghet}}.
Danc hebbe Mamet ende Apolijn,
Ie sie den valke van hogher aert
Neder dalen in minen bogaert
Daer ic soe langhe na hebbe ghewacht;
{{sup|615}}Hi heeft een teken vore<ref>''Vore'' d. i. ''voor-uit''. Het vers wil zeggen, dat de hertog eenig zichtbaar teeken op de borst of aan het hoofd draagt (verg. ''Rijmb. Gloss.'', alwaar ''te voren brenghen'' door ''te gemoet dragen, offerre'' wordt vertaald), waaraan de jonkvrouw hem al te hant verkennen kan": vs 634 vlg.</ref> hem bracht
</poem><noinclude></noinclude>
7ph7t2xq16odm2dhpmolq4usco5vkw6
Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/174
104
89429
227311
2026-09-24T08:51:00Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
227311
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|104}}</noinclude><poem>
Daer ane dat ickene kinne;
Hi es dien ic met trouwen minne:
Dat sie ic wel ane sine ghedaen<ref>''Ghedaen'' d. i. ''gedaante'' of liever ''uiterlijk voorkomen.'' V{{asc|ELTHEM}} ''Spiegel Historiael'' (ed. {{asc|LE LONG}}) III 41 vs. 60:<br>{{gap|4em}}. . . . daer al warm<br>{{gap|4em}}Dbloet ute quam geronnen,<br>{{gap|4em}}Ende tehant sine ''gedane'' begonnen<br>{{gap|4em}}Te verwandelne opter stat (''tevens''):<br>S{{asc|TOKE}} IV vs. 1198:<br>{{gap|4em}}Das eist dat ghi seker zijt<br>{{gap|4em}}Dat een verradre kennet wale<br>{{gap|4em}}Sinen ghelike telken male<br>{{gap|4em}}An sinen worden, an sine ''ghedane'':<br>"hiervan — zegt {{asc|HUYD.}} t. a. pl. ''daanig'' in ''hoedaanig, sodaanig'', enz.,
van ouds ook ''hoegedaen, dusgedaen''."</ref>.
Nu willickene vriendelijc gaen ontfaen,
{{sup|625}}Want hi es comen te mire hant<ref>''Hant'': uit zegswijzen als ''onder hande gheven'' d. i. ''in de handen leveren:
in hant hebben'' of ''houden'' d. i. ''in de macht hebben'' of ''houden; uter hant werpen'' d. i. ''doen verliezen; in hant gaen'' d. i. ''zich onderwerpen'', zie ''Rijmb''. en ''L. Sp. Gloss.'', is de zin klaar.</ref>,
Een edel valke uut kerstenlant,
Van Bruyswijc die hoghe baroen:
Ic sachen nederbeten<ref>''Nederbeten'' d. i. ''afstijgen. Beeten'' beteekende eig. ''laten bijten'', zoowel met het doel om te eten als om te vangen en te dooden. V. d. de twee hoofdbeteekenissen van ''beeten'': 1{{sup||e}}. ''van zijn paard of ezel stijgen om die dieren te laten bijten''; en 2{{sup|e}}. ''met valken jagen, valken en sperwers laten bijten''. De eerete hoofdbeteekenis ging over in die van ''afstijgen'' in het algemeen, ''neerdalen, neerlaten, zich neerzetten, zich ter rust begeven, ondergaan'' (van sterren)." T{{asc|E WINKEL}} ''Tgids'' I bl. 160.</ref> int groen
Van sinen paerde, die coene wigant.
{{sup|630}}Sijt willecome, Gloriant!
Ghi hebt beseten<ref>''Beseten'' van ''besitten'' d. i. ''vermeesteren'': {{asc|KIL}}. ''possidere, occupare, tenere''.</ref> die herte mijn.
Ic sach u onder dat maenschijn
Ende oec verhoerdic<ref>''Verhoerdic'': het voorvoegsel ''ver'' heeft daarin evenmin als in het volgende ''verkendic'' de beteekenis, welke het heeft in ons ''verhooren'' en ''verkennen'': beide zijn zij in het Mnl. zoo veel als ''hooren'' en ''kennen''.</ref> uwe tale;
Al te hant verkindic u wale
{{sup|635}}Bi den teken, dat ghi daer dracht.
{{gap|5em}}{{sp|Die hertoghe}}.
O Florentijn, wel scone maght,
</poem><noinclude></noinclude>
4uluujg0vfkkt50yh43ym6h3a9ly55b
Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/175
104
89430
227312
2026-09-24T09:00:13Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
227312
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />105</noinclude><poem>Sidi dit, wel edel vrouwe rene,
Soe biddie gode van Nasarene,
Dat hi beware u reine lijf.
{{sup|640}}O Florentijn, wel scone wijf,
Wat hebbic al door u besuert
Ende mi gheaventuert<ref>''Mi gheaventuert: aventuren,'' reflexief gebruikt, ''gevaer loopen, het wagen''" zegt {{asc|DAVID}} ''Rijmb. Gloss.'' Verg. vs. 31756 aldaar:<br>{{gap|4em}}Entie Joden begonden striden<br>{{gap|4em}}Ende namen scilde voor hare borste,<br>{{gap|4em}}Wie ''hem'' meest ''aventuren'' dorste;<br>''iets aventuren'' d. i. ''iets wagen: M. Lp.'' I vs. 271:<br>{{gap|4em}}Ende mit maleander avonturen<br>{{gap|4em}}Lijff, goet, zoete mitten zueren;<br>
ook werd ''aventuren'' met ''te'' gebruikt.</ref>,
Eer ie hier comen ben in dlant!
{{gap|2em}}{{sp|Florentijn die maghet}}.
O edel hertoghe Gloriant,
{{sup|645}}Ghi sijt mi groet willecome!
Ghi moghes<ref>''Moghes d. i. ''moghet des.''</ref> wel draghen uwen roeme,
Dat ic op eerde nie man en sach
Die mijn herte verhoghen<ref>''Verhoghen d. i. ''verheugen.''</ref> mach
Meer dan ghi, hoghe baroen.
{{sup|650}}Maer wijst mijn vader, die roede lioen,
Dat wi hier beide vergadert sijn,
Bi minen god Apolijn,
Onser beider lijf dat ware verloren!
{{gap|5em}}{{sp|Die hertoghe}}.
God, die van der maghet was gheboren,
{{sup|655}}Moet onser beider hoeder sijn,
O uutvercoren Florentijn,
Spieghel boven alle wiven,
Saelt verloren moeten bliven
Dat ic hebbe doer<ref>''Doer:'' zie op ''Esm.'' vs. 573.</ref> u ghedaen?
{{sup|660}}Ic hebbe mijn lantscap laten staen
Om u te sprekene, vrouwe rene,
Ende come al dus gbedoelt allene
</poem><noinclude></noinclude>
5pkdpvf32fqcp27nugg5nl0d5274v8p
Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/56
104
89431
227313
2026-09-24T09:19:20Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
227313
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|XLVIII}}</noinclude>bloet<ref>''Geschied, der Mnl. Dichtkunst,'' III, bl. 506 vlgg.; verg. {{asc|H0FFMANN.}} ''Hor. Belg.'' VI, bl. 216, 219, 220.</ref> reeds heeft gewezen; en gewis zal elk bij de lezing onzer drama's zich allicht een of ander tooneeltje uit den ''Ferguet'', den ''Walewein''; de ''Borchgravinne van Vergi''<ref>Waarvan de Hr. {{asc|S. MULLER Hz.}}, in 73 eene nieuwe uitgave naar het HS. gaf.</ref> en andere riddersproken te binnen brengen. Maar toch ook weer aan geen dier vertellingen den titel toekennen, die aan enkele verhaaltjes uit de ''Gesta Romanorum'' en de ''Decamerone'' ten opzichte van ''King Lear'' en ''Merchant of Venice''<ref>D{{asc|UNLOP}}, bl. 199; {{asc|STRAUSZ.}} ''Lessing's Nathan,'' bl. 13 vlgg.</ref> en ''Nathan der Weise'' enz, enz, toekomt, nam. dien van bron.
Liever nog dan op de bedoelde verzamelingen en stukken, wijs ik op de Fransche ''Chansons de Geste,'' behoorende tot den cyclus van den ''Chevalier au Cygne,'' onzen Zwaanridder<ref>Waarover ons ''Volksboek,'' geapprobeerd, 2 Febr. 1543, breedvoerig handelt.</ref>, zeer in trek sinds de 13e eeuw (van ongeveer 1268), een cyclus, die wordt genoemd "une grande collection de vers monorimes inspirés par les événements de la première croisade. On la désigne sous le nom général de roman du Chevalier au Cygne, et elle termine la'série chronologique des chansons de geste antérieures au XIVe siècle" <ref>''Histoire littéraire de la France.'' Dl. XXII, bl. 350-402; vooral bl. 352.</ref>. De collectie, natuurlijk wel bekend in Vlaanderen, al ware het alleen wegens de rol die de Vlaamsche Graaf Robert in die romans speelt, bevat 1°. ''Antioche''; 2°. ''Jérusalem;'' 3°. ''Les chétifs;'' 4°. ''Hélias;'' 5°. ''Les enfances de Godefroi de Bouillon,'' alle behoorende tot de 13e eeuw; voorts uit de 14e eeuw, nieuwe redacties van die zeer gewilde en gezochte romans, verbeterd en bovendien vermeerderd<ref>T. a. pl., Dl. XXV, bl. 510, 517, 519, 526.</ref>, benevens den ''Baudouin de Sebourg'' in Vlaanderen waarschijnlijk vervaardigd <ref>Bl. 537-593; het vervolg erop heet ''Le bâtard de Bouillon.''</ref>.
Zoo doet het begin der analyse van ''Hélias:'' "Dans un pays voisin de la Hongrie, le roi Lothaire s'étant un jour égaré à la chasse, avait fait rencontre d'une dame ravissante de beauté, qui se nommait Elioxe, et qui consentit à devenir sa femme"<ref>T. a. pl., Dl. XXII, bl. 389.</ref> , onmiddellijk denken aan de bekende jachtscene van Lanseloet. En niet eveneens "la fiction des amours de Godefroi de Bouillon avec la belle Florie, fille de la vieille<noinclude></noinclude>
obokdmd23x3ese7gi2uu3lulbueelyy
227314
227313
2026-09-24T09:38:24Z
Havang(nl)
4330
Havang(nl) heeft pagina [[Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/55]] hernoemd naar [[Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/56]]
227313
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|XLVIII}}</noinclude>bloet<ref>''Geschied, der Mnl. Dichtkunst,'' III, bl. 506 vlgg.; verg. {{asc|H0FFMANN.}} ''Hor. Belg.'' VI, bl. 216, 219, 220.</ref> reeds heeft gewezen; en gewis zal elk bij de lezing onzer drama's zich allicht een of ander tooneeltje uit den ''Ferguet'', den ''Walewein''; de ''Borchgravinne van Vergi''<ref>Waarvan de Hr. {{asc|S. MULLER Hz.}}, in 73 eene nieuwe uitgave naar het HS. gaf.</ref> en andere riddersproken te binnen brengen. Maar toch ook weer aan geen dier vertellingen den titel toekennen, die aan enkele verhaaltjes uit de ''Gesta Romanorum'' en de ''Decamerone'' ten opzichte van ''King Lear'' en ''Merchant of Venice''<ref>D{{asc|UNLOP}}, bl. 199; {{asc|STRAUSZ.}} ''Lessing's Nathan,'' bl. 13 vlgg.</ref> en ''Nathan der Weise'' enz, enz, toekomt, nam. dien van bron.
Liever nog dan op de bedoelde verzamelingen en stukken, wijs ik op de Fransche ''Chansons de Geste,'' behoorende tot den cyclus van den ''Chevalier au Cygne,'' onzen Zwaanridder<ref>Waarover ons ''Volksboek,'' geapprobeerd, 2 Febr. 1543, breedvoerig handelt.</ref>, zeer in trek sinds de 13e eeuw (van ongeveer 1268), een cyclus, die wordt genoemd "une grande collection de vers monorimes inspirés par les événements de la première croisade. On la désigne sous le nom général de roman du Chevalier au Cygne, et elle termine la'série chronologique des chansons de geste antérieures au XIVe siècle" <ref>''Histoire littéraire de la France.'' Dl. XXII, bl. 350-402; vooral bl. 352.</ref>. De collectie, natuurlijk wel bekend in Vlaanderen, al ware het alleen wegens de rol die de Vlaamsche Graaf Robert in die romans speelt, bevat 1°. ''Antioche''; 2°. ''Jérusalem;'' 3°. ''Les chétifs;'' 4°. ''Hélias;'' 5°. ''Les enfances de Godefroi de Bouillon,'' alle behoorende tot de 13e eeuw; voorts uit de 14e eeuw, nieuwe redacties van die zeer gewilde en gezochte romans, verbeterd en bovendien vermeerderd<ref>T. a. pl., Dl. XXV, bl. 510, 517, 519, 526.</ref>, benevens den ''Baudouin de Sebourg'' in Vlaanderen waarschijnlijk vervaardigd <ref>Bl. 537-593; het vervolg erop heet ''Le bâtard de Bouillon.''</ref>.
Zoo doet het begin der analyse van ''Hélias:'' "Dans un pays voisin de la Hongrie, le roi Lothaire s'étant un jour égaré à la chasse, avait fait rencontre d'une dame ravissante de beauté, qui se nommait Elioxe, et qui consentit à devenir sa femme"<ref>T. a. pl., Dl. XXII, bl. 389.</ref> , onmiddellijk denken aan de bekende jachtscene van Lanseloet. En niet eveneens "la fiction des amours de Godefroi de Bouillon avec la belle Florie, fille de la vieille<noinclude></noinclude>
obokdmd23x3ese7gi2uu3lulbueelyy
Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/55
104
89432
227315
2026-09-24T09:38:24Z
Havang(nl)
4330
Havang(nl) heeft pagina [[Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/55]] hernoemd naar [[Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/56]]
227315
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="" /></noinclude>#DOORVERWIJZING [[Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/56]]<noinclude></noinclude>
ojp69s83r6h8rb0xgfok7n7gmtik58c
227316
227315
2026-09-24T09:52:21Z
Havang(nl)
4330
/* Niet proefgelezen */
227316
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="Havang(nl)" /></noinclude>Narbonne, de stelling, dat aan ons de eer toekomt van in den nieuwen tijd het eerst een wereldlijk tooneel te hebben geschapen, zeer bedenkelijk wordt. Want het is de vraag, of Gaston Paris gelijk zal blijken te hebben als hij schrijft: "le seul essai dramatique qui se rattache à la légende de Charlemagne est le mystère de ''Berte aus grands pieds;'' mais le fils de Pépin et de Berte n'y paraît pas personnellement. Quelques aventures du cycle carolingien ont été dramatisées, mais on a précisément supprimé Charlemagne: tel est le miracle d'''Amis et Amile''. La seule chanson de geste qui semble avoir passé réellement au théâtre est ''Huon de Bordeaus''; le ''Jeu de Huon de Bordeaux'', tiré sans doute du roman en prose, se donnait en France au seizième siècle; il n'est pas parvenu jusqu'à nous. En général, on peut dire que le théâtre au moyen âge n'a rien emprunté à la matière de France."<ref>Histoire poétique de Charlemagne, bl. 111.</ref>.
Uit het aangevoerde vloeit voort, dat wij van onze vier abele spelen geen origineelen weten aan te wijzen: alleen blijft dus nog de vraag over of de in ''Esmoreit, Gloriant'' en ''Lanseloet'' (over ''Winter ende Somer'' later) behandelde stof eene schepping moet heeten van 's dichters eigene verbeelding, dan wel is geput uit ' den roman der ''Zeven wyse Meesters''<ref>Zie {{asc|KELLER}}'S ''Li romans des sept Sages'', bl. CXLVII. CLV. CCXVIII, enz.</ref>, het boek ''De clericali disciplina'', de ''Gesta Romanorum''<ref>Over dergelijke sproken- en novellen-verzamelingen zie {{asc|DUNLOP}}, ''The history of fiction, being a critical account of the most celebrated Prose Works of fiction from the earliest Greek romances to the novels of the present age,'' vertaald en met keurige aanteekeningen verrijkt door Prof. {{asc|LIEBRECHT}}, Cap. VII. </ref>, een of ander Mnl, ridderroman of eenige riddersproke. En dan moet het antwoord luiden, dat er in de genoemde verzamelingen (evenals trouwens in Boccaccio's ''Decamerone'', grootendeels almede daaraan ontleend) menig verhaal voorkomt, waarvan het beloop en de verwikkeling en enkele sprekend gelijkende trekken aan onze spelen doen denken, maar niet een, indien ik me niet bedrieg, dat als de bron mag worden aangemerkt, waaruit ze zijn gesproten. Desgelijks wat onze ridderromans aangaat, waarop de Hr. Jonck-
<ref follow=...> comme la prise de Jérusalem par Godefroi, à la cour de France, en 1378; allégoriques, comme le Jeu des sept vertus, à Tours, en 1390"; zie ''Discours sur l'état des lettres'', par {{asc|VICTOR LE CLERC}}, in ''Hist, litt. de la France au quatorzième siècle'', I, bl. 495 (verg. II, bl. 292 van 't ''Discours sur l'état des beaux arts'' van {{asc|RENAN}}).</ref><noinclude></noinclude>
6smkw3cdhxvenbyha5bcs4xgrqwi0bw
227318
227316
2026-09-24T10:00:58Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
227318
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>Narbonne, de stelling, dat aan ons de eer toekomt van in den nieuwen tijd het eerst een wereldlijk tooneel te hebben geschapen, zeer bedenkelijk wordt. Want het is de vraag, of Gaston Paris gelijk zal blijken te hebben als hij schrijft: "le seul essai dramatique qui se rattache à la légende de Charlemagne est le mystère de ''Berte aus grands pieds;'' mais le fils de Pépin et de Berte n'y paraît pas personnellement. Quelques aventures du cycle carolingien ont été dramatisées, mais on a précisément supprimé Charlemagne: tel est le miracle d'''Amis et Amile''. La seule chanson de geste qui semble avoir passé réellement au théâtre est ''Huon de Bordeaus''; le ''Jeu de Huon de Bordeaux'', tiré sans doute du roman en prose, se donnait en France au seizième siècle; il n'est pas parvenu jusqu'à nous. En général, on peut dire que le théâtre au moyen âge n'a rien emprunté à la matière de France."<ref>Histoire poétique de Charlemagne, bl. 111.</ref>.
Uit het aangevoerde vloeit voort, dat wij van onze vier abele spelen geen origineelen weten aan te wijzen: alleen blijft dus nog de vraag over of de in ''Esmoreit, Gloriant'' en ''Lanseloet'' (over ''Winter ende Somer'' later) behandelde stof eene schepping moet heeten van 's dichters eigene verbeelding, dan wel is geput uit ' den roman der ''Zeven wyse Meesters''<ref>Zie {{asc|KELLER}}'S ''Li romans des sept Sages'', bl. CXLVII. CLV. CCXVIII, enz.</ref>, het boek ''De clericali disciplina'', de ''Gesta Romanorum''<ref>Over dergelijke sproken- en novellen-verzamelingen zie {{asc|DUNLOP}}, ''The history of fiction, being a critical account of the most celebrated Prose Works of fiction from the earliest Greek romances to the novels of the present age,'' vertaald en met keurige aanteekeningen verrijkt door Prof. {{asc|LIEBRECHT}}, Cap. VII. </ref>, een of ander Mnl, ridderroman of eenige riddersproke. En dan moet het antwoord luiden, dat er in de genoemde verzamelingen (evenals trouwens in Boccaccio's ''Decamerone'', grootendeels almede daaraan ontleend) menig verhaal voorkomt, waarvan het beloop en de verwikkeling en enkele sprekend gelijkende trekken aan onze spelen doen denken, maar niet een, indien ik me niet bedrieg, dat als de bron mag worden aangemerkt, waaruit ze zijn gesproten. Desgelijks wat onze ridderromans aangaat, waarop de Hr. Jonck-
<ref follow=Clerc> comme la prise de Jérusalem par Godefroi, à la cour de France, en 1378; allégoriques, comme le Jeu des sept vertus, à Tours, en 1390"; zie ''Discours sur l'état des lettres'', par {{asc|VICTOR LE CLERC}}, in ''Hist, litt. de la France au quatorzième siècle'', I, bl. 495 (verg. II, bl. 292 van 't ''Discours sur l'état des beaux arts'' van {{asc|RENAN}}).</ref><noinclude></noinclude>
ras058klanopylp5mf10yfwhu9pn04y
227319
227318
2026-09-24T10:01:24Z
Havang(nl)
4330
227319
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|XVII}}</noinclude>Narbonne, de stelling, dat aan ons de eer toekomt van in den nieuwen tijd het eerst een wereldlijk tooneel te hebben geschapen, zeer bedenkelijk wordt. Want het is de vraag, of Gaston Paris gelijk zal blijken te hebben als hij schrijft: "le seul essai dramatique qui se rattache à la légende de Charlemagne est le mystère de ''Berte aus grands pieds;'' mais le fils de Pépin et de Berte n'y paraît pas personnellement. Quelques aventures du cycle carolingien ont été dramatisées, mais on a précisément supprimé Charlemagne: tel est le miracle d'''Amis et Amile''. La seule chanson de geste qui semble avoir passé réellement au théâtre est ''Huon de Bordeaus''; le ''Jeu de Huon de Bordeaux'', tiré sans doute du roman en prose, se donnait en France au seizième siècle; il n'est pas parvenu jusqu'à nous. En général, on peut dire que le théâtre au moyen âge n'a rien emprunté à la matière de France."<ref>Histoire poétique de Charlemagne, bl. 111.</ref>.
Uit het aangevoerde vloeit voort, dat wij van onze vier abele spelen geen origineelen weten aan te wijzen: alleen blijft dus nog de vraag over of de in ''Esmoreit, Gloriant'' en ''Lanseloet'' (over ''Winter ende Somer'' later) behandelde stof eene schepping moet heeten van 's dichters eigene verbeelding, dan wel is geput uit ' den roman der ''Zeven wyse Meesters''<ref>Zie {{asc|KELLER}}'S ''Li romans des sept Sages'', bl. CXLVII. CLV. CCXVIII, enz.</ref>, het boek ''De clericali disciplina'', de ''Gesta Romanorum''<ref>Over dergelijke sproken- en novellen-verzamelingen zie {{asc|DUNLOP}}, ''The history of fiction, being a critical account of the most celebrated Prose Works of fiction from the earliest Greek romances to the novels of the present age,'' vertaald en met keurige aanteekeningen verrijkt door Prof. {{asc|LIEBRECHT}}, Cap. VII. </ref>, een of ander Mnl, ridderroman of eenige riddersproke. En dan moet het antwoord luiden, dat er in de genoemde verzamelingen (evenals trouwens in Boccaccio's ''Decamerone'', grootendeels almede daaraan ontleend) menig verhaal voorkomt, waarvan het beloop en de verwikkeling en enkele sprekend gelijkende trekken aan onze spelen doen denken, maar niet een, indien ik me niet bedrieg, dat als de bron mag worden aangemerkt, waaruit ze zijn gesproten. Desgelijks wat onze ridderromans aangaat, waarop de Hr. Jonck-
<ref follow=Clerc> comme la prise de Jérusalem par Godefroi, à la cour de France, en 1378; allégoriques, comme le Jeu des sept vertus, à Tours, en 1390"; zie ''Discours sur l'état des lettres'', par {{asc|VICTOR LE CLERC}}, in ''Hist, litt. de la France au quatorzième siècle'', I, bl. 495 (verg. II, bl. 292 van 't ''Discours sur l'état des beaux arts'' van {{asc|RENAN}}).</ref><noinclude></noinclude>
oht6pdkvdeyqp0b0hmqwxim1u2tn3ki
Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/54
104
89433
227317
2026-09-24T10:00:34Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
227317
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|XLVI}}</noinclude>1262 of 1263. Van dat spel nu zegt Monmerqué (bl. 26): "''Le Jeu d'Adam'' est notre plus ancienne comedie", het is zeker waar; doch een paar bladzijden vroeger van hetzelfde stuk (bl. 23):"Adam composa le ''Jeu du Mariage'' pour divertir ses amis d'Arras": en ik moet bekennen, dat het laatste mij zeer waarschijnlijk voorkomt. Ook al geeft men Fuerison<ref>Histoire de la lit. franç. au moyen âge, bl. 135.</ref> volkomen gelijk, dat "le Jeu d'Adam n'a plus rien de réligieux", dan blijft er nog altijd eenige moeilijkheid over van wege hetgeen door Emile Morice wordt opgemerkt (bl. 9), als hij zegt: "Il n'est resté point de documents historiques attestant que ces pièces<ref>Robin, Pelerin, Mariage, Theophile, St. Nicolas, enz. bedoelt hij.</ref> fussent representées, mais leur forme ne permet pas d'en douter" (hij bedoelt den proloog)......, "tout semble indiquer que dirigée et exécutée par des trouvères et des jongleurs devant une société choisie et probablement dans l'enceinte d'un château, cette représentation n'admettait point un auditoire populaire": dat onze stukken daarentegen voor een groot publiek werden gespeeld, daaraan kan op grond van plaatsen in de aan de abele spelen gehechte sotterniën geen twijfel mogelijk wezen. Ook gaat, meen ik, de vergelijking van De la Halle's stuk met onze drama's te minder op, dewijl het eene een comedie is, de andere daarentegen ernstige stukken zijn. Snellaert<ref>''Schets'' enz. (4e uitg.), bl. 61.</ref> schrijft: Wanneer men de aandacht van het monnikenleven naar de groote samenleving wendt, ziet men midden in de veertiende eeuw een verschijnsel in de nederlandsche letterkunde, dat tot nog toe bij geen ander hedendaagsch volk zoo uitgebreid is waargenomen: ik bedoel het bestaan van een eigenlijk gezegd tooneel, het opvoeren van treurspelen en kluchten, welke in dezelfde verhouding staan met de werken der classieke letterkunde als de historische en de heldengedichten": ik vind ''nog'' geen vrijheid, om, op grond van het betoog des heeren Wybrands (die overigens mijne voorzichtigheid zal weten te waardeeren als gevolg van zijn essay) door die woorden de pen te halen. Gaarne erken ik evenwel, dat, zoo er meer stukken uit de Fransche archieven worden opgedolven als dat waarvan Le Clerc<ref name=Clerc>"C'est même sous ce titre de Mystères que se produisent des drames chevaleresques, comme les Enfants d'Aimeri de Narbonne, à Lille, en 1851; historiques,</ref> spreekt, getiteld: Les enfants d' Aimeri de<noinclude></noinclude>
bfbj0zij65lsiqd9mon7kqqun6y2ch6
Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/57
104
89434
227320
2026-09-24T10:14:18Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
227320
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|XLIX}}</noinclude>Calabre et soeur du brave Corbaran d'Holiferne"<ref>Dl. XXV, bl. 527.</ref> aan de amours van Gloriant en Florentijn? Immers ook zij was smoorlijk van hem, voordat ze hem ooit had gezien, evenals Florie van Godefroi, ofschoon ze toch was "jusqu'alors retenue dans le lointain pays d'Holiferne"?<ref>Bl. 529. Over deze en dergelijke furies amoureuses" zie voorts bl. 571, 609; Dl. XXVI, bl 25; Dl. XX, bl. 707, waar almede eene "belle Malatric, éprise" van Gérart de Comarchis, "avant de l'avoir vu."</ref> De verrader Robbrecht, die Esmoreit aan zijne moeder ontrukt, omdat hij ziet, dat zijne kansen op de troonsopvolging door de geboorte van dat knaapje zoo goed als verkeken zijn, is het evenbeeld van den verrader Gaufroi, van wien de koningin Rose al spoedig kon voorspellen "qu'il songeait à perdre le petit Baudouin"<ref>Dl. XXV, bl. 545. De roman zelf is uitgegeven onder den titel: "Li romans de Baudouin de Seboure, Ille roy de Jhérusalem, poème du XIVe siècle," Valenciennes, 1841, 2 Deelen.</ref>. Vervolgens staat le jeune prince Sarrasin (Rouge-lion de Perse) brûlant de venger sur les chrétiens la mort de son père", die is gedood door Godfried van Bouillon, nevens den Roedelioen van ons abel spel ''Gloriant,'' wiens vader door Gloriant's oom Gheraert en wiens oom Eysenbaert door Gloriant's vader is gedood. En gelijk Ernout de Beauvais, verraden door Gaufroi, wordt gevoerd maar Abilant (waarheen later ook Esmeré, bl. 556), en „confié à la garde de la belle Elienor, soeur du Rouge-lion"<ref>Bl. 541.</ref>, desgelijks wordt de door Robbrecht verraden Esmoreit overgeleverd aan den machtigen koning van Damast, en ter opvoeding en verzorging toevertrouwd aan zijne dochter, de jonghe vrouwe"
Damiet, die er evenmin bezwaar in zal zien Esmoreit, die na zijne ouders te hebben gevonden zich kerstenen laat, te huwen als Elienor (uit den Franschen roman) gemoedsbezwaren heeft, of Florentijn (uit ''Gloriant'') ongenegen is van geloof te wisselen om Gloriant.
Wordt Esmoreit (uit 't stuk van dien naam) onmiddellijk herkend door zijne moeder aan den band, dien hij om het hoofd draagt, alzoo ook zal de Esmeré van den roman gemakkelijk door Elienor worden gekend: vous reconnaîtrez facilement mon fils à l'affiche" d'or que je lui passai autour du cou en lui recommandant de la garder à jamais" <ref>T. a. pl.</ref>. Van den anderen kant is Florentijn (uit den ''Gloriant'') weer zeer goed te<noinclude></noinclude>
809v3acjwzx0hxsdaik063m6gtclf34
Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/42
104
89435
227321
2026-09-24T11:42:26Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
227321
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|XXXIV}}</noinclude><section begin="s1"/><nowiki />
Het ''Sacramentsspel'' ben ik weer zoo gelukkig geweest te kunnen vergelijken met het Hs., door Hermans bl. 94 zijner uitgave beschreven, maar heb overigens tot grondslag genomen den door den Hr. Verwijs uitnemend bezorgden tekst met nauwkeurige opgave van varia lectio<ref>Ik wensch een paar tekstveranderingen hier in te lasschen. Bladz. 419 ''Prologie'' moet zijn ''Prologhe;'' bl. 437, vs. 239 vlg, lees:<br>{{gap|4em}} Ick hoopt minklije noch wesen <br>{{gap|4em}}Blynden, cropelen, siecken, ende genesen <br>{{gap|4em}}Diet aenroepen met caritaten (d. i. ''liefdegiften''),<br>en verg. bij ''minklije: mincken'', {{asc|OUD,}} in voce sub 6; bl. 438, vs. 284 lees voor ''ghelven: ghedelven'' met {{asc|VAN DALE}} (''Taalgids,'' IX, bl. 98-115); bl. 458, vs. 622 ''bret'' en vs. 1029 ''vuyl slepere:'' zie vooral {{asc|VAN DALE,}} bl. 109 en 103. Eindelijk moet tusschen vs. 708 en 709 worden ingevoegd: ''Derde Heyden;'' en tusschen vs. 913 en 914 ''Sondich. C. c. b. I.</ref>.
Aan den Hr. Dr. M. F. A. G. Campbell, bibliothecaris, der Koninklijke Bibliotheek te 's Hage, betuig ik mijn besten dank voor het Hs. van 't Paaschspel, en aan den Hr. J. A, van der Burgh te Breda voor de beleefdheid, waarmede hij mij het, door der Hoogeerw. Hr. P. J. Werden, R. C. Kanunnik en Pastoor der St. Barbara-Kerk, welwillend ten gebruike afgestaan, Hs. van 't Sacramentspel heeft doen toekomen.
{{lijn|5em}}
<section end="s1"/>
<section begin="s2"/><br>
{{c|{{larger|'''§ II.<br>WERELDLIJK DRAMA.'''}}<br>''Abele spelen, Sotternien, Cluyten.}}
Is het tot recht verstand der geestelijke drama's zoowel mysteriën als mirakelspelen, volstrekt noodzakelijk den oorsprong en de ontwikkeling van het kerkelijk tooneel te kennen, hetzelfde is geenszins van toepassing op de abele spelen en sotterniën en cluyten. Ik zoude dan ook veilig hebben kunnen volstaan met aangaande dat punt te verwijzen naar hetgeen ik in mijn ''Academisch Proefschrift'' (1862) schreef, ware het niet dat tegen het daarin ontwikkeld gevoelen onlangs bedenkingen van verschillende aard en zwaarte waren in het midden gebracht zoowel door den Hr. Gallée<ref>Zie boven, bl. v.</ref> als door den Hr. Wybrands<ref>Zie boven, bl, v., van welk opstel ik tot hiertoe het afdrukje uit de ''Studiën en Bijdragen'' (beginnende met bl. 1) heb aangehaald en zal blijven citeeren.</ref>. Het zij me daarom<section end="s2"/><noinclude></noinclude>
f39918izw169fge7g5wrfmr7xxuklgn
Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/43
104
89436
227322
2026-09-24T11:47:58Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
227322
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|XXXV}}</noinclude>vergund die kwestie met een enkel woord te bespreken. Ik had gewezen ten eerste op de omstandigheid, dat de homines vagi, zangers en sprekers, in de 13e en 14e eeuw, het heen en weer reizen en trekken als 'tware moede, hun woelig en avontuurlijk leven vaarwel zeiden, zich gingen vestigen in de steden en aan hare bewoners het burgerrecht kwamen vragen; dat de "zwervende kunst", weleer het "schaduwbeeld van den ridder", door adel en geestelijkheid aan haar lot overgelaten, door de poorters welwillend ontvangen, eene rustplaats vond bij hare zusters, de kunsten des vredes, die haar wisten te eeren en te waardeeren<ref>Ten bewijze zie den dialoog ''Belg. Mus.'', VII, bl. 318 vlgg.</ref>. Ten tweede op den invloed, dien het stadsleven op die zangers en sprekers, allengs organen der volkslitteratuur geworden, moest oefenen; een invloed, die o. a. hierin bestond, dat ze, evenals de opifices tot collegia (Kaufmanns- und Handwerksgilden), zich desgelijks zullen hebben vereenigd tot gezelschappen met volmaakt hetzelfde doel als alle andere, te weten: gemeenschappelijke beoefening en uitoefening hunner kunst bij zoo menige gelegenheid van feestelijke bijeenkomst of optocht als de middeleeuwen boden. Ten derde op de pièces dialogueés, welke, om de woorden van Roquefort te spreken, "les associations des ménéstriers qui, après d'être rassemblés, parcouroient les villes et les châteaux durent nécessairement introduire"<ref>Hij voegt er bij: "Je n'hésite pas à regarder le fabliau des ''Deux bordeors ribauds'', les Jeux-Partis et quelques autres morceaux de poésie, où plusieurs personnages prenoient part à l'action, comme les premiers monuments de l'art theatral": t. a. pl., bl. 258.</ref>: van welke tweespraken het wederom zeer aannemelijk was, dat ze door twee dichters werden voorgedragen, die met hun beiden de twee in de pièce voorkomende personen voorstelden door gebaar en woord. Het bleef wel is waar de vraag, of die tweespraken, die dialogen (waarvan we uit de 13e en 14e eeuw ettelijke exemplaren over hebben, zoodat we mogen stellen, dat ze eene dichtsoort waren die algemeen gangbaar en populair moet zijn geweest;) inderdaad zijn voorgedragen, en hoe dat te bewijzen was. Ik was van oordeel, dat enkele stadsrekeningen, waarin van twee zeggers en twee zangers en twee knechten, "die voir mijns heren tafel spraken", melding werd gemaakt, en het analoge voorbeeld der Fransche dialogen de zaak in kwestie wel niet wiskunstig gestaafd maar<noinclude></noinclude>
6vaym1sdsbj6j1bcu0temkle54mdh5t
Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/44
104
89437
227323
2026-09-24T11:53:19Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
227323
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|XXXVI}}</noinclude>toch zeer waarschijnlijk maakten. Ten vierde had ik gewezen op de behoeften van de stadsbevolking, van het in tegenstelling van de "hörlustige Gesellschaft" van den adel en de geestelijkheid "schaulustiges Volk", aan plastische voorstellingen, die zij hoorende zien en ziende hooren konden; eene omstandigheid, die verklaarbaar maakt waarom levendige verhaaltjes, goede boerden, satirieke liedjes en meer bijzonder tweespraken zoo zeer in den smaak moesten vallen: juist dat levendige, dat factische, dat gemeenzame, dat ongedwongene, evenzooveel kenmerken van den dialoog, trok de levenslustige en practische menigte aan en boeide haar." Eindelijk op de bijzonderheid, dat, gelijk verscheidene vastenavondspelen niets meer dan dialogen zijn, desgelijks vele dialogen inderdaad voor tooneelstukjes kunnen doorgaan, en alzoo de door twee personen voorgedragen dialoog reeds in zekeren zin dramatische voorstelling mag heeten; dat, indien, wat meer zegt, de overgang van twee tot driespraak, die wel verre van colossaal zeer geleidelijk heeten mag, ook, alweder blijkens enkele rekeningen, schijnt te hebben plaats gegrepen, men zeer zeker al eenig recht krijgt van drama te spreken. Ten slotte herinnerde ik nog aan het ''conincspel'', ten bewijze, dat de zin en smaak voor dramatische voorstellingen hier te lande in de 15e eeuw levendig was; aan de kerkelijke mysteriën als die ongetwijfeld een krachtigen stoot aan de ontwikkeling van ons wereldlijk tooneel hebben gegeven; en aan de ons overgebleven stukken zelven, die, nog in alle opzichten primitief, overal hun afkomst, den dialoog, kennelijk verraden.
Uit een en ander, met elkaar in verband beschouwd, meende ik den oorsprong van ons wereldlijk drama voldoende te hebben verklaard, en mitsdien het goed recht mijner hypothese voor bewezen te mogen houden. Van mijne voorstelling verschilt die van den Hr. Gallée in zoover, dat hij voor de sotterniën en cluyten het zwaartepunt in de vastenavondgrappen en Meifeesten<ref name=Mei>Zie bl. 36 vlg. "Door analogie kan men echter nagaan op welke wijze deze spelen zich waarschijnlijk ontwikkeld hebben, en hiervoor moeten wij ons tot Duitschland wenden. Bij het bespreken van de blauwe acute (het narrenschip) hebben wij reeds gezien, hoe in Duitschland bij den ouden godsdienst ongeveer dezelfde plechtigheden plaats grepen als hier te lande. Een zelfde volksstam heeft dezelfde goden en eeredienst, welke, wanneer de stam zich splitst in verscheidene deelen, of onver- </ref>, voor de abele spelen<noinclude></noinclude>
rgjhw9lrb32cg7skldm8x0xgwn0jd04