Wikisource nlwikisource https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina MediaWiki 1.47.0-wmf.22 first-letter Media Speciaal Overleg Gebruiker Overleg gebruiker Wikisource Overleg Wikisource Bestand Overleg bestand MediaWiki Overleg MediaWiki Sjabloon Overleg sjabloon Help Overleg help Categorie Overleg categorie Hoofdportaal Overleg hoofdportaal Auteur Overleg auteur Pagina Overleg pagina Index Overleg index TimedText TimedText talk Module Overleg module Event Event talk Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/Palts 100 45677 227559 223944 2026-09-30T18:48:31Z Vincent Steenberg 280 +bron 227559 wikitext text/x-wiki {{Infobox thema | naam = Geschiedenis van de Palts | afbeelding = Ludwig III. von der Pfalz wird belehnt.jpg | alt = Koning Sigismund (links) bevestigt Lodewijk III (rechts, knielend) als leenman van de Plats, 1430 | beschrijving = Bronnen bij de geschiedenis van de [[w:nl:Palts (streek)|Palts]], het Keurvorstendom Palts en het [[w:nl:Paltsgraafschap aan de Rijn|paltsgraafschap aan de Rijn]]. }} == Geschiedenis van tijdperken; afzonderlijk == === Ca. 1500-ca. 1648 === *Anoniem (21 augustus 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/21 augustus/VVt Ceulen, den 15. Augusti|‘VVt Ceulen, den 15. Augusti’, alinea 7]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p.&nbsp;2]. *Anoniem (23 februari 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/23 februari/Wt Weenen den 2. Februarij|‘Wt Weenen den 2. Februarij’, alinea 2]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;1]. *Anoniem (23 februari 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/23 februari/In de Pfalts|‘In de Pfalts staet alles in vorige terminis, […]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;2]. *Anoniem (25 februari 1651) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1651/Nummer 8/Een ander van den 21 dito|‘Een ander van den 21 dito. [= brief uit Keulen, 21 februari 1651]’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p.&nbsp;2]. === Ca. 1648-ca. 1815 === ;Protestantenkwestie *Anoniem (6 maart 1700) [[Opregte Haarlemsche Courant/1700/Zaterdageditie, nummer 10/Regensburg den 25 February|‘Regensburg den 25 February’]], ''Oprechte Haerlemse Saturdaegse Courant'', [p.&nbsp;1-2]. *Anoniem (25 januari 1720) [[Opregte Haarlemsche Courant/1720/Donderdageditie, nummer 4/Weenen den 10 January|‘Weenen den 10 January’]], ''Oprechte Haerlemse Donderdaegse Courant'', [p.&nbsp;1]. *Anoniem (25 januari 1720) [[Opregte Haarlemsche Courant/1720/Donderdageditie, nummer 4/Heydelberg den 17 January|‘Heydelberg den 17 January’]], ''Oprechte Haerlemse Donderdaegse Courant'', [p.&nbsp;1]. == Vorsten en leden van vorstenhuizen == === Ca. 1500-ca. 1648 === ;Elisabeth van de Palts (1618-1680) *Anoniem (15 januari 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 5#art4|‘VVt Londen den 9. Ianuarij’, alinea 3]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;6-7 (vermeld als ‘een dochter’). ;Elizabeth Stuart (1596-1662) *Anoniem (17 oktober 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/17 oktober/VVt Prage,den 2 October|‘VVt Prage,den 2 October’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p.&nbsp;1-2]. *Anoniem (23 oktober 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/23 oktober (1)#art2al2|‘VVt VVeenen 7. October’, alinea 2]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;4-5. *Anoniem (1 december 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/1 december#art2|‘Den 10. Ditto [= 10 november 1620] wt Praghe’, alinea 4]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;3-10. *Anoniem (12 december 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/12 december/Van Ceulen den 5 December|‘Van Ceulen den 5 December’, alinea 3]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p.&nbsp;1-2]. *Anoniem (29 januari 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 15#art2|‘VVt Slesien in December 1620’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;4. *Anoniem (23 februari 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/23 februari/Wt Marcken Brandenburch, den 2. dito|‘Wt Marcken Brandenburch, den 2. dito. [= 2 februari 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;1]. ;Frederik V van de Palts *Anoniem ([15 november 1618]) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1618/15 november/VVt Ceulen den 10. November|‘VVt Ceulen den 10. November’, alinea 2]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c''. *Anoniem (15 februari 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/15 februari#art6al2|‘Wt Praghe’, alinea 2]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;6-7. *Anoniem (15 februari 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/15 februari#art7al2|‘Wt Praghe den xix. Januarij 1620’, alinea 2]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;7. *Anoniem (15 februari 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/15 februari#art8|‘Wt Praghe den xxvi. ditto. [= 26 januari 1620]’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;7-8. *Anoniem ([ca. 20 februari] 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/ca. 20 februari#art1al4|‘Wt Praghe’, alinea 4]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;3-5. *Anoniem (10 april 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/10 april#art3al6|‘Wt Praghe den xv. Meert 1620’, alinea 6]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;6-7. *Anoniem (19 mei 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/19 mei (1)#art1al2|‘Wt Weenen den xxij. April 1620’, alinea 2]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;3-6. *Anoniem ([ca. 29 mei] 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/ca. 29 mei#art4al4|‘Wt Weenen 4. Mey 1620’, alinea 4]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;6-7. *Anoniem (21 augustus 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/21 augustus (2)#art2al4|‘Wt Praghe den 7. Augusti’, alinea 4]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;4-7. *Anoniem (18 september 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/18 september/VVt Prage, den 4 dito|‘VVt Prage, den 4 dito. [= 4 september 1620]’, alinea 2-3]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p.&nbsp;1] (als ‘den Koninc in Bohemen’). *Anoniem (18 september 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/18 september/VVt Praghe, den 7 dito|‘VVt Praghe, den 7 dito. [= 7 september 1620]’, alinea 3]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p.&nbsp;1] (als ‘hare Con. May.’). *Anoniem (25 september 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/25 september (2)#art4|‘Den 7. September wt Praghe’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;7-8. *Anoniem (2 oktober 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/2 oktober (1)#art1al4|‘Wt Weenen den 9. September’, alinea 4]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;3-4. *Anoniem (7 oktober 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/7 oktober (2)#art3|‘Wt Praghe vanden 13. ditto. [= 13 september 1620]’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;5-6. *Anoniem (14 oktober 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/14 oktober (1)#art3|‘Wt Praghe’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;5-7. *Anoniem (16 oktober 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/16 oktober (1)#art1al3|‘Wt VVeenen. den 1. October’, alinea 3]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;3-5. *Anoniem (23 oktober 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/23 oktober (1)#art2al2|‘VVt VVeenen 7. October’, alinea 2]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;4-5. *Anoniem (13 november 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/13 november (2)#art4|‘VVt Schlackenwalt in Bohemen’, alinea 2]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;5. *Anoniem (20 november 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/20 november (2)#art5|‘Noch wt Praghe van 28. October’, alinea 5]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;7-8. *Anoniem (20 november 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/20 november (1)#art6|‘VVt Eger van 13. Nouember, 1620’, alinea 4]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;7-8. *Anoniem (28 november 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/28 november#art3|‘VVt den Haghe den 20. Nouember’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;6-7. *Anoniem (1 december 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/1 december#art1al12|‘Geschreuen vvt den Beyerschen Velt-legher den 8. Nouember, ende vvt de Stadt Praghe den 9. Nouember 1620. ende den 10’, alinea 12]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;3-10. *Anoniem (1 december 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/1 december#art2|‘Den 10. Ditto [= 10 november 1620] wt Praghe’, alinea 4]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;3-10. *Anoniem (5 december 1620) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1620/5 december/Wt Ambergh den 20. November, 1620|‘Wt Ambergh den 20. November, 1620’, alinea 2]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;1]. *Anoniem (5 december 1620) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1620/5 december/Wt Ausburgh den 21. dito|‘Wt Ausburgh den 21. dito. [= 21 november 1620]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;1]. *Anoniem (5 december 1620) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1620/5 december/Wt Eger den 23. dito|‘Wt Eger den 23. dito. [= 23 november 1620]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;2]. *Anoniem (5 december 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/5 december (2)#art2|‘Naemen vande Protestante ende Ghevnieerde Princen van Duytslandt’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;6-7. *Anoniem (9 december 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/9 december (1)#art2al26|‘Cort verhael vanden grooten Velt-slach gheschiet by de Conincklijcke Hooft-Stadt Praghe, ende vande veroueringhe der selver Stadt ende Casteele’, alinea 26]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;4-14 (vermeld als '''‘den Winter-Coninc’'''). *Anoniem (9 december 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/9 december (1)#art1|‘Tijdinghe wt Buddissin vanden 20. Nouembris Anno 1620’, alinea 2]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;3-4. *Anoniem (11 december 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/11 december (1)#art6|‘VVt Amberg den 20. Nouember’, alinea 4]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;8. *Anoniem (12 december 1620) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1620/12 december/Van Ceulen den 5 December|‘Van Ceulen den 5 December’, alinea 3]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p.&nbsp;1-2]. *Anoniem ([ca. 14] december 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/ca. 14 december#art4|‘Tijdinghe wt Amsterdam van 13. December’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;6-8 (vermeld als '''‘Winter Conincxken’'''). *Anoniem (20 januari 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 9#art2|‘Tijdinghe vvt der Slesien in December, 1620’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;6-8. *Anoniem (januari 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 13#art2al4|‘VVT VVeenen vanden 6. Ianuarij, 1621’, alinea 4]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;5-6. *Anoniem (29 januari 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 15#art2|‘VVt Slesien in December 1620’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;4. *Anoniem (29 januari 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 15#art1|‘Met Tydinghe vvt VVeenen, den 6. Ianuary, 1621’, alinea 2]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;3-4. *Anoniem (29 januari 1621) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1621/29 januari/VVt Prage, den 10. dito|‘VVt Prage, den 10. dito. [= 10 januari 1621]’, alinea 3 en 6]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p.&nbsp;1]. *Anoniem (1 februari 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/1 februari/Wt Breslauw den 30. December|‘Wt Breslauw den 30. December’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;1-2]. *Anoniem (februari 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 17#art2al6|‘Tijdinghe vvt Praghe vanden 12. Ianuarij, anno 1621’, alinea 6]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;5-7. *Anoniem (23 februari 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/23 februari/Wt Weenen den 2. Februarij|‘Wt Weenen den 2. Februarij’, alinea 2]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;1]. *Anoniem (23 februari 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/23 februari/Wt Marcken Brandenburch, den 2. dito|‘Wt Marcken Brandenburch, den 2. dito. [= 2 februari 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;1]. *Anoniem (26 februari 1621) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1621/26 februari/Wt Ceulen, den 20. dito|‘Wt Ceulen, den 20. dito. [= 20 februari 1621]’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p.&nbsp;2]. *Anoniem (1 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/1 maart/Wt Heylbrun den 16. Februarij|‘Wt Heylbrun den 16. Februarij’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;2]. *Anoniem (1 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/1 maart/Sijne Conincklijcke Majesteyt van Bohemen verhoortmen|‘Sijne Conincklijcke Majesteyt van Bohemen verhoortmen dat tot Cel int Lant van Lunenburch soude geweest zijn, […]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;2]. *Anoniem (8 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/8 maart/Wt Dresden den 20. dito|‘Wt Dresden den 20. dito. [= 20 februari 1621]’, alinea 5]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;1] (als ‘de Coninck van Bohemen’). *Anoniem (8 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/8 maart/Wt Hamburgh den 24, Februarij|‘Wt Hamburgh den 24, Februarij’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;2] (als ‘de Coninck van Bohemen’). *Anoniem (8 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/8 maart/Wt Heylbrun den 25. Februarij|‘Wt Heylbrun den 25. Februarij’, alinea 2]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;2] (als ‘den Coninck van Bohemen’). *Anoniem (12 maart 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 36#art5|‘Tydinghe van Hamborch’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;7. *Anoniem (15 maart 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/15 maart/Wt Aughsburgh den 3. Martij|‘Wt Aughsburgh den 3. Martij’, alinea 3]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;2] (als ‘de Boheemsche Coninck’). *Anoniem (5 april 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/5 april/Vele vande Suite van syne Majesteyt van Bohemen|‘Vele vande Suite van syne Majesteyt van Bohemen zijn door Amsterdam […] ghepasseert, […]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], p.&nbsp;2]. *Anoniem (10 april 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/10 april/Syne Majesteyt van Bohemen|‘Syne Majesteyt van Bohemen, met de Coninginne […]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;2]. *Ferdinandus II (1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/De Rom. Keys. Majesteyt Ferdinandi II. Monotorial Mandaten|''De Rom. Keys. Majesteyt Ferdinandi II. Monotorial Mandaten, Aen de Cheur Pfaltz, Nopende de quitteringhe ende Ruyminghe vant’ Coninck-rijck Bohemen, mette Gheincorporeerde Landen''. […]]], Hantwerpen: Abraham Verhoeven. ;Frederik V van de Palts; Mühlhausense vorstendag, 16-23 maart 1620 :[[Afbeelding:1rightarrow.png|15px]] Zie [[Hoofdportaal:Geschiedenis/Duitsland/17e eeuw/Mühlhausense Vorstendag, 1620]] ;Frederik V van de Palts; brief van Johan George I van Saksen, 9 augustus 1620 *Anoniem (25 september 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/25 september (2)#art3al3|‘Wt Franckfort’, alinea 3]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;6-7. *Iohan George Hertoghe van Saxen ende Keurvorst (25 september 1620) ''[[Nieuwe Tijdinghen/1620/25 september (3)|Copye vande Antwoorde geschreuen by den Keurvorst van Saxen, aenden Pfaltz-Graeff Jan, Stadt-houder tot Heydelberch]]'', T’Hantwerpen: By Abraham Verhoeven. ;Frederik V van de Palts; rijksban, januari 1621 *Anoniem (5 maart 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 29#art1al5|‘Relaes vande groote victorie tot Westerhouen by Worms, ende van de nieuvve oprustinghe des Crijs-volck in Brabandt, Vlaenderen, Lorreynen, &c.’, alinea 5]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;3-7. *Anoniem (5 maart 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 31#art1al4|‘VVt VVeenen vanden lesten Ianuarij. 1621’, alinea 4-7]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;2-5. *Anoniem (5 maart 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 31#art2al10|‘Tijdinghe vvt Weenen vanden 27. ditto. [= 27 januari 1621]’, alinea 10]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;5-7. *Ferdinandus den tweeden (16 maart 1621) ''[[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 40|Copia vande Achts Verclaringhe, ofte Keyserlijcken Ban, gedaen teghen Fredericus Pfaltz-Graue Ceur-Vorst, als hooft vande Boheemsche Rebellen, ghepubliceert binnen Weenen in Oostenrijck, ende andere Steden in Duytslandt]]'', t’Hantwerpen: By Abraham Verhoeuen. ;Frederik V van de Palts; hekeldichten *Anoniem (18 januari 1621) ''[[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 7|Postillioen vvtghesonden om te soecken den veriaegden Coninck van Praghe]]'', T’Hantwerpen: By Abraham Verhoeven. *Anoniem (januari 1621) ''[[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 8|Coninck feest vanden Palatin, Anno 1621]]'', T’Hantwerpen: by Abraham Verhoeven. *Anoniem (januari 1621) ''[[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 11|Den spieghel voor den Pfalts-Graeff, gheschreven wt Bohemen in de Stadt Prage]]'', T’Hantwerpen: by Abraham Verhoeven. ;Frederik Hendrik van de Palts (1614-1629) *Anoniem (15 januari 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 5#art4|‘VVt Londen den 9. Ianuarij’, alinea 2]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;6-7 (vermeld als ‘den oudtsten sone’). *Anoniem (10 maart 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 35#art3|‘Wt Amsterdam’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;3-4 (vermeld als ‘den jongen Paltzgrave’). ;Karel I Lodewijk van de Palts (1617-1680) *Anoniem (15 januari 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 5#art4|‘VVt Londen den 9. Ianuarij’, alinea 3]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;6-7 (vermeld als ‘den tweeden sone’). ;Louise Juliana van Nassau (1576-1644) *Anoniem (2 oktober 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/2 oktober (2)#art1al9|‘Met tydinghe vvt Oppenheym vanden 18. September’, alinea 9]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;3-6 (vermeld als ‘de Oude Pals-Gravinne’). *Anoniem (2 oktober 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/2 oktober (1)#art3|‘Wt Heydelbergh den xx. September’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;3-6 (vermeld als ‘die oude Palss-Gravinne’). *Anoniem ([ca. 3] november 1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/ca. 3 november#art2|‘Tijdinghe vant Legher van sijn Ex. Marquis Spinola den eersten Nouember, 1620’]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;6-7 (vermeld als ‘de oude Pfalts Gravinne’). *Anoniem (15 januari 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 5#art4|‘VVt Londen den 9. Ianuarij’, alinea 3]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;6-7 (vermeld als ‘sijn Grootmoeder’). ;Maurits van de Palts (1621-1652) *Anoniem (23 februari 1621) [[Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren/1621/23 februari/Wt Marcken Brandenburch, den 2. dito|‘Wt Marcken Brandenburch, den 2. dito. [= 2 februari 1621]’]], [''Tijdinghe uyt verscheyde Quartieren''], [p.&nbsp;1]. *Anoniem (3 maart 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 28#art4al6|‘Wt Praghe vanden 26. ditto. [= 26 januari 1621]’, alinea 6]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;6-7. ;Ruprecht van de Palts (1619-1682) *Anoniem (15 januari 1621) [[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 5#art4|‘VVt Londen den 9. Ianuarij’, alinea 4]], [''Nieuwe Tijdinghen''], p.&nbsp;6-7 (vermeld als ‘den ioncxsten sone’). *Anoniem (19 september 1645) [[Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1645/Nummer 38/Uyt Londen den 9 dito|‘Uyt Londen den 9 dito [= 9 september 1645]’, alinea 2]], ''Ordinaris Dingsdaegsche Courante'', [p.&nbsp;2] (vermeld als ‘Prins Robert’). === Ca. 1648-ca. 1815 === ;Elisabeth Charlotte van de Palts (1652-1722) *Anoniem (6 maart 1700) [[Opregte Haarlemsche Courant/1700/Zaterdageditie, nummer 10/Franckfort den 28 February|‘Franckfort den 28 February’]], ''Oprechte Haerlemse Saturdaegse Courant'', [p.&nbsp;2]. *Anoniem (6 maart 1700) [[Opregte Haarlemsche Courant/1700/Zaterdageditie, nummer 10/Parijs den eersten Maert|‘Parijs den eersten Maert’]], ''Oprechte Haerlemse Saturdaegse Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Johan Willem van de Palts (1658-1716) *Anoniem (23 september 1690) [[Amsterdamsche Courant/1690/23 september/Weenen den 10 September|‘Weenen den 10 September’]], ''Amsterdamse Saturdaegse Courant'', [p.&nbsp;1]. *Anoniem (29 juli 1698) [[Amsterdamsche Courant/1698/Nummer 90/Ceulen den 25 July|‘Ceulen den 25 July’]], ''Amsterdamse Dingsdaegse Courant'', [p.&nbsp;2]. *Anoniem (18 februari 1700) [[Amsterdamsche Courant/1700/Nummer 21/Luyk den 12 February|‘Luyk den 12 February’]], ''Amsterdamse Donderdaegse Courant'', [p.&nbsp;2]. ;Karel I Lodewijk van de Palts (1617-1680) *Anoniem (25 februari 1651) [[Courante uyt Italien, Duytslandt, &c./1651/Nummer 8/Een ander van den 21 dito|‘Een ander van den 21 dito. [= brief uit Keulen, 21 februari 1651]’]], ''Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.'', [p.&nbsp;2]. ;Karel III Filips van de Palts (1661-1742) *Anoniem (25 januari 1720) [[Opregte Haarlemsche Courant/1720/Donderdageditie, nummer 4/Weenen den 10 January|‘Weenen den 10 January’]], ''Oprechte Haerlemse Donderdaegse Courant'', [p.&nbsp;1]. [[Categorie:Wikisource:Hoofdportaal geschiedenis]] 4u4biqap40vi60j1gnvx5h2e63fjptp Auteur:Keizer Ferdinand II 102 58312 227557 226640 2026-09-30T18:40:52Z Vincent Steenberg 280 +werk 227557 wikitext text/x-wiki {{Infobox auteur |nationaliteit=Duits |taal=Duits |werken=Zie lijst }} == Werken == *Ferdinandus II (1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/De Rom. Keys. Majesteyt Ferdinandi II. Monotorial Mandaten|''De Rom. Keys. Majesteyt Ferdinandi II. Monotorial Mandaten, Aen de Cheur Pfaltz, Nopende de quitteringhe ende Ruyminghe vant’ Coninck-rijck Bohemen, mette Gheincorporeerde Landen''. […]]], Hantwerpen: Abraham Verhoeven. *Ferdinandus den tweeden (1620) [[Nieuwe Tijdinghen/1620/Nieuwe Placcaten vande Keyserlijcke Majesteyt, Ferdinandus den tweeden|''Nieuwe Placcaten vande Keyserlijcke Majesteyt, Ferdinandus den tweeden, Aen alle Rijckxsteden, die hun met de Boheemsche Rebellen deelachtig ghemaeckt hebben, etc.'']], Hantwerpen: Abraham Verhoeuen. *Ferdinand (1620) ''[[Nieuwe Tijdinghen/1620/9 oktober (2)|Copya van diversche schriftelijcke Commissien ende Placcaten by de Roomsche Keyserlijcke Majesteyt aen zijne Vorstelijcke Doorlu. den Hertoge van Beyeren, etc. ouer gesonden, raeckende de gerebelleerde Bohemen, als ooc die vant Lant op der Ens]]'', T’hantwerpen: By Abraham Verhoeven. *Ferdinand (1620) ''[[Nieuwe Tijdinghen/1620/ca. 30 oktober (1)|Waerachtighe coppyen van sommighe Placcaten ende Brieven by de Roomsche Keyserlijcke Majesteyt als oock by zijn Exc. den Marqvuis Soinola gepubliceert ende geschreven aen die Staten van den Rijnstroom ende Wetteravischen Cierkels, reackende de verseeckeringhe vande Sauuegarde, etc. Ghedurende desen Neder-Bourgontschen Krijchs-leger]]'', T’Hantwerpen: By Abraham Verhoeven. *Ferdinand (1620) ''[[Nieuwe Tijdinghen/1620/ca. 30 oktober (2)|Keyserlijck schrijven aen zijn Excellentie Marqvis Spinola pro Bescherminghe ende Sauvegarde, voor de Ridderschap aenden Rijnstroom]]'', T’Hantwerpen: By Abraham Verhoeven. *Ferdinand (1620) ''[[Nieuwe Tijdinghen/1620/ca. 30 oktober (3)|Onse ende des Rijckx Lieve, Ghetrouwe N. hooft-lieden, raden, commissarissen, der Ghevreyde Ridderschap aenden Rijnstroom, wetterou, ende d’ander toebehoorende plaetsen derselver, samentlijck ende besonderlijck]]'', T’Hantwerpen: By Abraham Verhoeuen. *Ferdinandus den tweeden (1621) ''[[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 38|Der H. Keyserlycker, ende van Germanien, Hungharijen, Bohemen, &c. Konincklijcker Majesteyt Edictale Cassatie vande Onwettelijcke, Pretensie, ende in Recht Nulle verkiesinghe Gabriel Bethlens in’t Coninck-Rijck van Hungharijen: ende Annullatie van alle Acten, Tractaten, ende Conclusien inde Landt-daghen van Presborgh ende Nieuwen-zol]]'', T’hantwerpen: By Abraham Verhoeuen. *Ferdinandus den tweeden (1621) ''[[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 39|Copia vanden Keyserlycken, Ban, Acht, oft Bannissement, ghedeclareert teghens Hans Georgen den Ouden, Marck-Grave van Brandenborch, met Cristaen Vorst van Anhalt, ende George Frederick Graue van Hohenlohe, &c.]]'', T’Hantwerpen: by Abraham Verhoeven. *Ferdinandus den tweeden (1621) ''[[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 40|Copia vande Achts Verclaringhe, ofte Keyserlijcken Ban, gedaen teghen Fredericus Pfaltz-Graue Ceur-Vorst, als hooft vande Boheemsche Rebellen, ghepubliceert binnen Weenen in Oostenrijck, ende andere Steden in Duytslandt]]'', t’Hantwerpen: By Abraham Verhoeuen. *Ferdinandt (1629) ''[[s:de:Restitutionsedikt|Abtruck, einer Käyserlichen Declaration. So Ihre Käyserl: May: wegen deß Geistlichen vorbehalts, beym Religions Frieden, vnnd daher rührenden restitution, der Geistlichen Gueter herauß kommen lassen, auch nachzutrucken anbefohlen]]'', Zu Rostock: Bey Johan Hallervord. {{DEFAULTSORT:Ferdinand 2}} [[Categorie:Duits auteur]] da09l8wv38guki5j34yojaozpagz95k Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/373 104 89534 227522 227516 2026-09-30T16:24:54Z Havang(nl) 4330 /* Gevalideerd */ 227522 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" /></noinclude><nowiki /> {{x-larger|{{c|XXXVII.}} {{c|WERMELAND.}}}} {{lijn|5em}} Den volgenden dag nam de jongen de gelegenheid waar in een rustuur, toen Akka op een kleinen afstand van de andere wilde ganzen liep te grazen om haar te vragen, of het waar was, wat Bataki hem had verteld. En Akka had het niet kunnen ontkennen. Toen liet de jongen de leidstergans beloven, dat zij het geheim niet aan Maarten zou vertellen. Want de groote was zoo dapper en edelmoedig, dat de jongen bang was, dat hij een of ander ongeluk zou begaan, als hij de voorwaarden van den kabouter hoorde. En sinds dien dag zat de jongen stil en verdrietig op den ganzenrug, liet het hoofd hangen, en had geen lust om rond te kijken. HIj hoorde de ganzen de namen van allerlei plaatsen uitroepen, maar hij had geen lust dat alles te zien. "Ik zal mijn heele leven wel met de wilde ganzen moeten rondvliegen, en dan kan ik nog meer van dit land zien dan mij lief is," dacht hij. Hij werd niet minder moedeloos, toen hij de ganzen hoorde roepen, dat ze nu in Wermeland waren gekomen, en dat de rivier die ze nu naar 't Zuiden volgden, de Klarelf was. "Ik heb al zooveel rivieren gezien in mijn leven," dacht hij. "Ik behoef niet eens de moeite te nemen om naar deze te kijken." De wilde ganzen volgden de Klarelf tot de groote fabriek bij Munkfors. Toen sloegen ze af naar 't westen naar Fryksdalen. Eer ze nog aan het meer Fryken gekomen waren, begon het donker te worden, en ze streken neer in een ondiep moeras in een hoogliggend bosch. 't Moeras was wel een goed nachtkwartier voor wilde ganzen, maar de jongen vond, dat het er guur en akelig was, en hij wilde graag een betere slapplaats hebben. Terwijl hij nog boven in de lucht was, had hij gezien, dat er eenige hoeven beneden<noinclude></noinclude> 1zbuopjdrizzz6house92q5bo2k550p Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/374 104 89535 227523 227517 2026-09-30T16:26:25Z Havang(nl) 4330 /* Gevalideerd */ 227523 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" /></noinclude>bij de hoogte lagen, en hij ging gauw op weg om die te zoeken. 't Was verder dan hij dacht, en hij kwam meer dan eens in de verzoeking weer terug te keeren. Maar eindelijk werd het bosch dunner om hem heen, en hij kwam aan een weg, die op den zoom van het bosch aanliep. Van den weg af liep een mooie berkenlaan naar een hoeve, en hij ging daar dadelijk op af. De jongen kwam eerst op een achterplaats, groot als een stadsmarkt, en met lange roode gebouwen omringd. Toen hij die overgeloopen was, zag hij een andere plaats, waar het woonhuis lag met een zandpad en een groot plein ervoor, een vleugel aan beide zijden uitgebouwd, en een lommerrijken tuin er achter. 't Hoofdgebouw was klein en onaanzienlijk, maar 't plein was omgeven met een rij hemelhooge sorbeboomen, die zóó dicht opeen stonden, dat ze een heelen muur vormden, en de jongen vond, dat het was, alsof hij in een prachtige hoog gewelfde kamer kwam. De hemel rustte mooi, bleekblauw op de boomtoppen, de sorbeboomen waren geel met groote roode trossen, de grasvelden waren nog wel groen, maar 't was dien avond lichte stralende maneschijn, en die viel met zooveel glans over 't gras, dat het wit scheen als zilver. Geen mensch was er te zien, zoodat de jongen vrij kon rondloopen, waar hij wou, en toen hij in den tuin kwam, merkte hij iets op, dat hem bijna in zijn humeur bracht. Hij was in een kleinen sorbeboom geklommen om van de bessen te eten, maar eer hij nog een tros had bereikt, zag hij een vogelkers, die ook vol bessen zat. Hij gleed vlug uit den stam van den sorbeboom, en klauterde in de vogelkers, maar pas was hij daar, toen hij een aalbessestruik ontdekte, waaraan nog lange roode trossen hingen. En nu zag hij, dat de heele tuin vol kruisbessen, en frambozen, en rozebottels zat. Er waren kool, wortels en rapen op de groentebedden, bessen aan alle struiken, zaden aan de planten en 't gras zat vol kleine aren met korrels gevuld. En daar op het pad — hij had het zeker mis, — maar jawel! daar lag een mooie groote appel, en glom in den maneschijn. De jongen ging op het gras zitten met dien grooten appel voor zich en begon er kleine stukjes uit te snijden met zijn mes. "'t Zou toch niet zoo erg zijn je heele leven een dwergje te zijn, als er dikwijls zoo gemakkelijk eten te vinden was als hier," dacht hij. Hij zat te peinzen onder 't eten, en eindelijk dacht hij, of 't niet goed zou zijn, als hij bleef, waar hij nu was, en de wilde ganzen naar 't zuiden liet trekken zonder hem. "Ik weet niet, hoe ik Maarten de ganzerik aan 't verstand zal brengen, dat ik niet naar huis kan gaan," dacht hij. "'t Is beter, dat ik me heelemaal van hem losmaak. Ik zou me een<noinclude></noinclude> d0kaca718splt0m9uuaznt5mev03vck Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/375 104 89536 227524 227518 2026-09-30T16:27:52Z Havang(nl) 4330 /* Gevalideerd */ 227524 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" /></noinclude>wintervoorraad kunnen verzamelen, zooals de eekhoorns doen, en als ik in een donker hoekje in den stal of in de schuur woonde, zou ik niet dood hoeven vriezen." Juist toen hij daaraan dacht, hoorde hij een licht suizen boven zijn hoofd, en een oogenblik later stond er iets, dat op een klein kort berkestompje leek, naast hem op den grond. 't Stompje wrong en draaide zich heen en weer, en twee lichte punten bovenin gloeiden als vuurkolen. 't Leek echte hekserij, maar de jongen merkte dadelijk, dat het stompje een krommen bek en groote veeren kransen om de gloeiende oogen had, en toen werd hij kalm. "Dat is heel prettig om een levend wezen te ontmoeten," zei hij. "Misschien wilt u me wel zeggen, hoe deze hoeve heet. Mevrouw Katuil, en wat hier voor menschen wonen." De katuil had dien heelen avond, zooals gewoonlijk in den herfst op een treê van de groote ladder gezeten, die tegen het dak stond, en naar beneden gekeken op de paden en de grasvelden, om op ratten te loeren. Maar tot zijn verwondering vertoonde zich geen enkel grauwvelletje. In plaats daarvan zag hij iets, dat op een mensch leek, maar veel kleiner was, zich in den tuin bewegen. "Hier heb ik hem dan, die de ratten wegjaagt," dacht de katuil. "Wat ter wereld kan dat toch zijn." "'t Is geen eekhoorn, en geen jonge kat, en geen wezel," dacht zij verder. "Ik meende, dat een vogel als ik, die zoolang op een oude hoeve heeft gewoond, wel zoowat wist, wat er alzoo in de wereld was. Maar dit gaat mijn verstand te boven." Hij had zitten staren naar dat onbegrijpelijke, dat zich op 't pad bewoog, tot zijn oogen gloeiden. Eindelijk kreeg de nieuwsgierigheid de overhand, zoodat hij naar den grond gevlogen was om den vreemde van dichtebij te bekijken. Toen de jongen begon te spreken, boog de uil zich voorover om hem te bekijken. "Hij heeft geen klauwen en geen horens," dacht hij, "maar wie weet of hij een gifttand, of nog gevaarlijker wapen heeft? Ik moet probeeren er wat beter achter te komen, wat hij eigenlijk is, eer ik me aan hem waag." "Deze hoeve heet Mårbacka,"<ref>Zoo heet het ouderlijk huis van Selma Lagerlöf.</ref> zei de uil, "en hier hebben vroeger deftige menschen gewoond. Maar wat ben jijzelf voor een schepsel?" "Ik denk er over om hierheen te verhuizen," zei de jongen, zonder op de vraag van den uil te antwoorden. "Zou je denken, dat het lukken zou?" "Och ja, nu is er niet zooveel meer aan deze hoeve als vroeger.<noinclude></noinclude> jk7yq56fgctcp6bz8oc80p0n1h6eqp3 Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/376 104 89537 227525 227519 2026-09-30T16:29:40Z Havang(nl) 4330 /* Gevalideerd */ 227525 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" /></noinclude>Maar je kunt het hier toch best uithouden. 't Komt er maar op aan, waarvan je denkt te kunnen leven. Ben je van plan op rattenjacht te gaan?" "Goeie hemel, neen!" zei de jongen. "Er is meer kans, dat de ratten mij opeten, dan dat ik ze kwaad zal doen." "Het is toch niet mogelijk, dat hij zoo onschuldig is, als hij zegt," dacht de katuil. "Maar ik geloof toch, dat ik 't eens probeeren zal." Hij vloog op, en 't volgend oogenblik had hij zijn klauwen in Niels Holgerssons schouders geslagen, en pikte naar zijn oogen. De jongen hield zijn eene hand voor de oogen, en probeerde met de andere zich vrij te maken. Tegelijkertijd schreeuwde hij om hulp, zoo hard hij kon. Hij voelde, dat hij in ernstig levensgevaar verkeerde, en zei in zichzelf, dat het nu zeker met hem was gedaan. {{lijn|5em}} Maar nu moet ik vertellen hoe wonderlijk het trof, dat er juist in dat jaar, toen Niels Holgersson rondvloog met de wilde ganzen, een mensch was, die er over liep te denken een boek over Zweden te schrijven, dat geschikt zou wezen voor kinderen om op school te lezen. Ze had er al over gedacht van Kerstmis tot den herfst toe. Maar ze had nog geen regel geschreven, en eindelijk was ze van al dat denken zóó moe geworden, dat ze tegen zichzelf zei: "Dat kun je niet! Ga zitten, en schrijf sagen en verhalen, zooals je altijd doet, en laat een ander dat boek schrijven, dat zoo leerzaam en ernstig moet zijn, dat er geen onwaar woord in mag voorkomen." 't Was zoo goed als uitgemaakt, dat ze 't plan zou opgeven, maar ze vond toch, dat het prettig zou zijn iets moois over Zweden te schrijven, en ze had moeite met dat werk aan anderen over te laten. Eindelijk kwam ze op de gedachte, dat het misschien kwam, doordat ze in een stad was en niets dan straten en huismuren om zich heen had, dat ze niet aan 't schrijven kon komen. Als ze naar buiten ging, waar ze bosschen en akkers kon zien, zou 't misschien beter gaan. Ze was uit Wermeland, en het was duidelijk, dat ze 't boek beginnen moest met die landstreek. En allereerst zou ze vertellen van de plaats, waar ze was opgegroeid. 't Was een klein landgoed, dat ver van de bewoonde wereld lag, en waar veel ouderwetsche zeden en gewoonten bewaard gebleven waren. Ze had gedacht, dat het aardig zou wezen voor de kinderen om te hooren van de verschillende bezigheden, die 't heele jaar door elkaar opvolgden. Ze wilde vertellen hoe ze Kerstfeest en Nieuwjaar, en Paschen,<noinclude></noinclude> 5qnqebpg1fv58z192n6e4t8qgj3hxra Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/377 104 89538 227526 227521 2026-09-30T16:31:47Z Havang(nl) 4330 /* Gevalideerd */ 227526 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" /></noinclude>en 't zomerfeest bij haar thuis hadden gevierd, wat ze voor meubels en huisraad hadden, hoe 't er in keuken en provisiekamer, in schuren en stallen, in waschhuis en badkamer had uitgezien. Maar als ze daarover wou schrijven, kon ze haar pen niet voortkrijgen. Ze kon heelemaal niet begrijpen, hoe dat kwam, maar 't was zoo. Toch was 't wezenlijk waar, dat ze zich dat alles nog even duidelijk herinnerde, alsof ze er nog midden in leefde. Maar ze zei tegen zichzelf, dat nu ze toch naar buiten moest gaan, ze misschien naar dat oude landgoed kon reizen, en alles nog eens zien, eer ze erover schreef. Ze was er in jaren niet geweest, en ze vond het wel prettig een reden te hebben er nog eens te komen. Eigenlijk verlangde ze er altijd naar terug, waar ze ook was. Ze zag wel, dat andere plaatsen mooier en beter waren, maar ze vond nergens die veiligheid en gezelligheid, die ze in haar ouderlijk huis had genoten. Intusschen was het niet zoo gemakkelijk voor haar om thuis te komen, als je wel denken zou, want het landgoed was verkocht aan menschen, die ze niet kende. Ze dacht wel, dat ze haar vriendelijk zouden ontvangen, maar ze wilde niet in dat oude huis terugkomen om met vreemde menschen te praten, maar om zich goed te kunnen herinneren, hoe 't er vroeger was geweest. Daarom legde ze 't zoo aan, dat ze er 's avonds laat zou aankomen, als 't werk was afgeloopen, en de menschen in huis zouden zijn. Ze had nooit gedacht, dat het zoo wonderlijk zou zijn om thuis te komen. Terwijl ze in den wagen zat, en naar haar oude huis reed, was 't alsof ze bij de minuut jonger werd, en al gauw was ze niet meer een oud mensch met haar, dat al begon grijs te worden, maar een klein meisje met korte rokken en een lange, vlasblonde vlecht. Terwijl ze daar zat, en alle hoeven langs den weg herkende, kon ze zich niet begrijpen, dat alles thuis niet meer was als vroeger. Vader en Moeder en de broers en zusters zouden op de stoep staan om haar te ontvangen, de oude huishoudster zou gauw naar 't keukenvenster loopen om te zien, wie daar aan kwam rijden, en Nera, en Freja, met nog een paar honden, zouden komen aandraven en tegen haar opspringen. Hoe meer ze de hoeve naderde, hoe vroolijker ze werd. Nu was 't herfst, en er kwam een drukke tijd met allerlei werk, maar 't was juist al dat verschillende werk, dat maakte, dat het thuis nooit vervelend was of eentonig. Ze had onderweg gezien, dat de menschen aan 't aardappels rooien waren, en dat deden ze ook nu bij haar thuis, zoodat er nu allereerst aardappelen geraapt moesten worden om aardappelmeel te maken. 't Was een zachte herfst geweest. Ze dacht er juist over, of alles al was afgeloopen in den tuin. De kool zou nog wel buiten staan. En zou de hop al geplukt zijn en de appels geschud?<noinclude></noinclude> renkila75e5wqvmvhslqz5qsjk2n55t Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/378 104 89539 227527 2026-09-30T18:00:34Z Ben the Bear09 16243 /* Proefgelezen */ 227527 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Ben the Bear09" /></noinclude> Dat kon wel, als ze het thuis niet te druk hadden. Want het liep tegen de herfstmarkt. En tegen den markttijd moest het overal schoon en netjes zijn. Dat was een feest, vooral in de oogen van de dienstboden. 't Was ook op den avond voor den marktdag een lust om in de keuken te komen, en den blank geschuurden, met groene takjes bestrooiden vloer te zien, de frisch gewitte muren, en den glimmenden koperen ketel aan den zolder. En als de markt voorbij was, zou er niet lang rust zijn. Dan begonnen ze met vlasbraken. 't Vlas had lang op een wei gelegen om te rotten. Dan werd het in het oude badhuis gebracht, en de groote badkachel werd aangelegd, opdat het zou drogen. En als het droog genoeg was, werden op een dag alle vrouwen uit de buurt bij elkaar geroepen. Ze gingen voor het badhuis zitten, en begonnen het vlas te braken. Later sleogen ze het met dorschvlegels om de fijne, witte vezels uit de dorre stelen te halen. Onder het werk werden de vrouwen grijs van 't stof. Haar kleeren en haren waren bedekt met afval van 't vlas, maar ze waren toch even vroolijk. Den heelen dag klapperden de dorschvlegels en het praten ging zóó best, dat als men bij 't oude badhuis kwam, men geen geluid hoorde, alsof een bruisende storm daar huishield. Na 't werk met het vlas kwam het bakken van de knakbroodvoorraad, het scheren van de schapen en de aankomst van nieuwe dienstmeisjes. In November kwamen de drukke slachtdagen met het inzouten van vleesch en 't worst maken, het bakken van bloedbrood en 't maken van kaarsen. De naaister moest ook zoowat tegen dien tijd komen, en 't waren een paar gezellige weken, als alle menschen bij elkaar zaten om te naaien. De schoenmaker, die schoenen voor de heele familie maakte, zat dan ook in de knechtskamer te werken, en 't was altijd even interessant om te zien, hoe hij 't leer sneed, en nieuwe zolen en achterlappen op de schoenen zette, en ringetjes in de vetergaten sloeg. Maar de grootste drukte kwam toch tegen de Kerstmis op den Luciadag, als de kamenier rondliep in het wit gekleed, met kaarsen in 't haar en alle menschen op de koffie noodigde, tegen den volgenden morgen vijf uur. Die kwam juist als een teeken, dat ze de eerste twee weken niet op veel slaap moesten rekenen. Nu moesten ze kerstbier brouwen, en visch in 't zuur zetten, en bezig zijn met het schoonmaken en bakken voor Kerstmis. Ze was druk aan 't bakken, met veel kerstkoeken en kleine broodjes om zich heen, toen de koeitsier de paarden inhield aan 't begin van de laan, zooals ze hem had verzocht. Ze schrikte wakker als uit een droom. 't Was akelig, op den laten avond alleen te zitten voor haar, die zich zoo pas nog temidden van<noinclude></noinclude> lkom7wpympjx6kllf984lrxjq9bx333 227560 227527 2026-10-01T09:11:25Z Havang(nl) 4330 /* Gevalideerd */ 227560 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" /></noinclude><nowiki /> Dat kon wel, als ze het thuis niet te druk hadden. Want het liep tegen de herfstmarkt. En tegen den markttijd moest het overal schoon en netjes zijn. Dat was een feest, vooral in de oogen van de dienstboden. 't Was ook op den avond voor den marktdag een lust om in de keuken te komen, en den blank geschuurden, met groene takjes bestrooiden vloer te zien, de frisch gewitte muren, en den glimmenden koperen ketel aan den zolder. En als de markt voorbij was, zou er niet lang rust zijn. Dan begonnen ze met vlasbraken. 't Vlas had lang op een wei gelegen om te rotten. Dan werd het in het oude badhuis gebracht, en de groote badkachel werd aangelegd, opdat het zou drogen. En als het droog genoeg was, werden op een dag alle vrouwen uit de buurt bij elkaar geroepen. Ze gingen voor het badhuis zitten, en begonnen het vlas te braken. Later sloegen ze het met dorschvlegels om de fijne, witte vezels uit de dorre stelen te halen. Onder het werk werden de vrouwen grijs van 't stof. Haar kleeren en haren waren bedekt met afval van 't vlas, maar ze waren toch even vroolijk. Den heelen dag klapperden de dorschvlegels en het praten ging zóó best, dat als men bij 't oude badhuis kwam, men geen geluid hoorde, alsof een bruisende storm daar huishield. Na 't werk met het vlas kwam het bakken van de knakbroodvoorraad, het scheren van de schapen en de aankomst van nieuwe dienstmeisjes. In November kwamen de drukke slachtdagen met het inzouten van vleesch en 't worst maken, het bakken van bloedbrood en 't maken van kaarsen. De naaister moest ook zoowat tegen dien tijd komen, en 't waren een paar gezellige weken, als alle menschen bij elkaar zaten om te naaien. De schoenmaker, die schoenen voor de heele familie maakte, zat dan ook in de knechtskamer te werken, en 't was altijd even interessant om te zien, hoe hij 't leer sneed, en nieuwe zolen en achterlappen op de schoenen zette, en ringetjes in de vetergaten sloeg. Maar de grootste drukte kwam toch tegen de Kerstmis op den Luciadag, als de kamenier rondliep in het wit gekleed, met kaarsen in 't haar en alle menschen op de koffie noodigde, tegen den volgenden morgen vijf uur. Die kwam juist als een teeken, dat ze de eerste twee weken niet op veel slaap moesten rekenen. Nu moesten ze kerstbier brouwen, en visch in 't zuur zetten, en bezig zijn met het schoonmaken en bakken voor Kerstmis. Ze was druk aan 't bakken, met veel kerstkoeken en kleine broodjes om zich heen, toen de koetsier de paarden inhield aan 't begin van de laan, zooals ze hem had verzocht. Ze schrikte wakker als uit een droom. 't Was akelig, op den laten avond alleen te zitten voor haar, die zich zoo pas nog temidden van<noinclude></noinclude> i54ihr3wo1f54dkl5kq6te60mj8tu1f Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/379 104 89540 227528 2026-09-30T18:06:37Z Ben the Bear09 16243 /* Proefgelezen */ 227528 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Ben the Bear09" /></noinclude>al de haren had gedroomd. Toen ze uit den wagen stapte, en de laan door ging loopen, om ongemerkt bij haar oude huis te komen, voelde zij 't verschil tusschen 't verleden en het tegenwoordige zóó sterk, dat ze 't liefst had willen omkeeren. "Wat geeft het, dat ik hier kom? Hier kan 't immers toch niet zijn als in den ouden tijd," dacht ze. Maar ze vond, dat nu ze zoover was gekomen, ze toch ook de plaats moest zien, en ze bleef voortloopen, hoewel ze bij iederen stap bedroefder werd. Ze had hooren zeggen, dat de hoeve heel vervallen en veranderd was, en dat was ze ook. Maar dat kon ze nu in den avond niet merken. Ze vond eerder, dat alles er nog wel 't zelfde uitzag. Daar was de vijver, die in haar jeugd vol vischen was, en waar niemand durfde hengelen, omdat Vader wilde, dat men de visschen met rust zou laten. Daar was de knechtenkamer en de schuur, en de stal met de etensbel boven den eenen gevel, en den weerhaan boven den anderen. En het plein voor het woonhuis was nog steeds als een ingesloten kamer zonder uitzicht, zooals het in den tijd van haar vader was geweest, want hij had het hart niet gehad ook maar een enkelen struik om te houwen. Ze was in de schaduw gebleven onder den grooten esch bij de inrijlaan naar 't huis, en ze stond rond te kijken. En terwijl ze daar nu stond, gebeurde het, dat een vlucht duiven aankwam en naast haar neerstreek. Ze kon nauwlijks gelooven, da thet werkelijk vogels waren, want duiven zijn immers nooit in beweging na zonsondergang. Het moest de mooie maneschijn zijn, die ze had gewekt. Ze hadden gedacht, dat het dag was, en waren uit de duiventil gevlogen, maar later waren ze in de war gekomen, en hadden den weg niet kunnen vinden. Toen ze een mensch zagen, waren ze naar haar toegevlogen, alsof zij hun den weg moesten wijzen. Er waren een massa duiven op de hoeve geweest in den tijd van haar ouders, want de duiven behoorden ook tot de dieren, die haar vader in zijn bizondere bescherming had genomen. Als hij maar hoorde praten van 't slachten van een duif, raakte hij uit zijn humeur. Ze vond het heel prettig, dat de mooie vogels haar in haar oud tehuis te gemoet kwamen. Wie kon weten, of de duiven niet in den nacht waren uitgevlogen, om haar te toonen, dat ze niet hadden vergeten, dat ze hier eens een goed tehuis hadden gehad? Of misschien was het Vader, die haar zijn vogels met een groet had gezonden, opdat ze zich niet angstig en alleen zou voelen, als ze in haar vroeger tehuis kwam. Toen ze dat dacht, kwam er zoo'n sterk verlangen naar den ouden<noinclude></noinclude> mr27iaeyfsuhcu9yea1sigocm0i7udh 227561 227528 2026-10-01T09:13:10Z Havang(nl) 4330 /* Gevalideerd */ 227561 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" /></noinclude>al de haren had gedroomd. Toen ze uit den wagen stapte, en de laan door ging loopen, om ongemerkt bij haar oude huis te komen, voelde zij 't verschil tusschen 't verleden en het tegenwoordige zóó sterk, dat ze 't liefst had willen omkeeren. "Wat geeft het, dat ik hier kom? Hier kan 't immers toch niet zijn als in den ouden tijd," dacht ze. Maar ze vond, dat nu ze zoover was gekomen, ze toch ook de plaats moest zien, en ze bleef voortloopen, hoewel ze bij iederen stap bedroefder werd. Ze had hooren zeggen, dat de hoeve heel vervallen en veranderd was, en dat was ze ook. Maar dat kon ze nu in den avond niet merken. Ze vond eerder, dat alles er nog wel 't zelfde uitzag. Daar was de vijver, die in haar jeugd vol vischen was, en waar niemand durfde hengelen, omdat Vader wilde, dat men de visschen met rust zou laten. Daar was de knechtenkamer en de schuur, en de stal met de etensbel boven den eenen gevel, en den weerhaan boven den anderen. En het plein voor het woonhuis was nog steeds als een ingesloten kamer zonder uitzicht, zooals het in den tijd van haar vader was geweest, want hij had het hart niet gehad ook maar een enkelen struik om te houwen. Ze was in de schaduw gebleven onder den grooten esch bij de inrijlaan naar 't huis, en ze stond rond te kijken. En terwijl ze daar nu stond, gebeurde het, dat een vlucht duiven aankwam en naast haar neerstreek. Ze kon nauwlijks gelooven, dat het werkelijk vogels waren, want duiven zijn immers nooit in beweging na zonsondergang. Het moest de mooie maneschijn zijn, die ze had gewekt. Ze hadden gedacht, dat het dag was, en waren uit de duiventil gevlogen, maar later waren ze in de war gekomen, en hadden den weg niet kunnen vinden. Toen ze een mensch zagen, waren ze naar haar toegevlogen, alsof zij hun den weg moesten wijzen. Er waren een massa duiven op de hoeve geweest in den tijd van haar ouders, want de duiven behoorden ook tot de dieren, die haar vader in zijn bizondere bescherming had genomen. Als hij maar hoorde praten van 't slachten van een duif, raakte hij uit zijn humeur. Ze vond het heel prettig, dat de mooie vogels haar in haar oud tehuis te gemoet kwamen. Wie kon weten, of de duiven niet in den nacht waren uitgevlogen, om haar te toonen, dat ze niet hadden vergeten, dat ze hier eens een goed tehuis hadden gehad? Of misschien was het Vader, die haar zijn vogels met een groet had gezonden, opdat ze zich niet angstig en alleen zou voelen, als ze in haar vroeger tehuis kwam. Toen ze dat dacht, kwam er zoo'n sterk verlangen naar den ouden<noinclude></noinclude> rozxrae6y4gsu6azm8wiy18z0654qjt Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/380 104 89541 227529 2026-09-30T18:13:07Z Ben the Bear09 16243 /* Proefgelezen */ 227529 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Ben the Bear09" /></noinclude>tijd over haar, dat ze de tranen in de oogen kreeg. 't Was een goed leven, dat ze hier hadden geleid op dit landgoed. Ze hadden werkweken gehad, maar ook hun feesten; ze hadden overdag gezwoegd, maar tegen den avond hadden ze om de lamp gezeten en de boeken van Tegner, Runeberg, Mevrouw Lenngren en Bremer gelezen. Ze hadden koren verbouwd, maar ook rozen en jasmijn; ze hadden vlas gesponnen, en volksliederen gezongen onder 't spinnen. Ze hadden op geschiedenis en spraakkunst gebloket, maar ze hadden ook tooneelgespeeld en verzen geschreven, ze hadden voor 't fornuis gestaan en eten gekookt, maar ze hadden ook geleerd piano en fluit, guitaar en viool te bespelen. Ze hadden in den tuin kool en rapen en erwten en boonen geplant, maar er was ook een andere tuin vol appels en peren en allerlei bessen. Ze hadden afgezonderd geleefd, maar juist daarom herinnerde zij zich zooveel sagen en verhalen. Ze hadden eigengemaakte kleeren gedragen, maar ze hadden onbekommerd en zorgeloos geleefd. "Nergens in de wereld weten de menschen zoo'n goed leven te leiden, als op zoo'n klein landgoed in mijn jeugd," dacht ze. "Daar was werk en pleizier in overvloed, en er was vreugde alle dagen. Ik zou heel graag hier terugkomen. Nu ik de plaats heb weergezien, valt het me zwaar van hier weg te gaan." En toen wendde ze zich tot de duivenvlucht, en zei — terwijl ze om zichzelf lachte: "Wil jelui niet naar Vader gaan, en hem zeggen, dat ik zoo naar huis verlang? Ik heb lang genoeg in den vreemde rondgezworven. Vraag hem of hij 't niet zoo kan schikken, dat ik gauw weer in mijn ouderlijk huis terugkomen kan." Nauwelijks had ze dat gezegd, of de heele duivenvlucht vloog op en weg. Ze probeerde hen met de oogen te volgen, maar ze verdwenen dadelijk. 't Was alsof de heele lichte schare zich in de tintelende lucht oploste. De duiven waren nauwelijks weg, of ze hoorde een paar luide kreten uit den tuin, en toen ze daar haastig heen ging, zag ze iets heel vreemds. Daar stond een klein, klein dwergje, niet veel grooter dan een handbreed, en vocht met een katuil. Eerst was ze zóó verbaasd, dat ze zich niet kon bewegen. Maar toen de dwerg steeds jammerlijker schreeuwde, greep ze snel in, en scheidde de vechtenden van elkaar. De uil vloog in een boom, maar de dwerg bleef staan op het zandpad, zonder zich te verbergen of weg te loopen. "Ik dank u wel voor uw hulp," zei hij. "Maar 't was heel dom, dat u de uil liet vliegen. Nu kan ik niet van hier wegkomen, want nu zit zij boven in den boom op me te loeren." "Ja, dat was onattent van me, dat ik ze losliet; maar kan ik je nu niet thuisbrengen?" vroeg ze.<noinclude></noinclude> o5zz1dc5apgj3u25j3zoleinnt6cqte 227562 227529 2026-10-01T09:18:11Z Havang(nl) 4330 /* Gevalideerd */ 227562 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" /></noinclude>tijd over haar, dat ze de tranen in de oogen kreeg. 't Was een goed leven, dat ze hier hadden geleid op dit landgoed. Ze hadden werkweken gehad, maar ook hun feesten; ze hadden overdag gezwoegd, maar tegen den avond hadden ze om de lamp gezeten en de boeken van Tegner, Runeberg, Mevrouw Lenngren en Bremer gelezen. Ze hadden koren verbouwd, maar ook rozen en jasmijn; ze hadden vlas gesponnen, en volksliederen gezongen onder 't spinnen. Ze hadden op geschiedenis en spraakkunst gebloket, maar ze hadden ook tooneelgespeeld en verzen geschreven, ze hadden voor 't fornuis gestaan en eten gekookt, maar ze hadden ook geleerd piano en fluit, guitaar en viool te bespelen. Ze hadden in den tuin kool en rapen en erwten en boonen geplant, maar er was ook een andere tuin vol appels en peren en allerlei bessen. Ze hadden afgezonderd geleefd, maar juist daarom herinnerde zij zich zooveel sagen en verhalen. Ze hadden eigengemaakte kleeren gedragen, maar ze hadden onbekommerd en zorgeloos geleefd. "Nergens in de wereld weten de menschen zoo'n goed leven te leiden, als op zoo'n klein landgoed in mijn jeugd," dacht ze. "Daar was werk en pleizier in overvloed, en er was vreugde alle dagen. Ik zou heel graag hier terugkomen. Nu ik de plaats heb weergezien, valt het me zwaar van hier weg te gaan." En toen wendde ze zich tot de duivenvlucht, en zei — terwijl ze om zichzelf lachte: "Wil jelui niet naar Vader gaan, en hem zeggen, dat ik zoo naar huis verlang? Ik heb lang genoeg in den vreemde rondgezworven. Vraag hem of hij 't niet zoo kan schikken, dat ik gauw weer in mijn ouderlijk huis terugkomen kan." Nauwelijks had ze dat gezegd, of de heele duivenvlucht vloog op en weg. Ze probeerde hen met de oogen te volgen, maar ze verdwenen dadelijk. 't Was alsof de heele lichte schare zich in de tintelende lucht oploste. De duiven waren nauwelijks weg, of ze hoorde een paar luide kreten uit den tuin, en toen ze daar haastig heen ging, zag ze iets heel vreemds. Daar stond een klein, klein dwergje, niet veel grooter dan een handbreed, en vocht met een katuil. Eerst was ze zóó verbaasd, dat ze zich niet kon bewegen. Maar toen de dwerg steeds jammerlijker schreeuwde, greep ze snel in, en scheidde de vechtenden van elkaar. De uil vloog in een boom, maar de dwerg bleef staan op het zandpad, zonder zich te verbergen of weg te loopen. "Ik dank u wel voor uw hulp," zei hij. "Maar 't was heel dom, dat u de uil liet vliegen. Nu kan ik niet van hier wegkomen, want nu zit zij boven in den boom op me te loeren." "Ja, dat was onattent van me, dat ik ze losliet; maar kan ik je nu niet thuisbrengen?" vroeg ze.<noinclude></noinclude> 1brsvodx96422ow3x94y5a6wf8clpvn Index:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu 106 89542 227530 2026-09-30T18:15:02Z Vincent Steenberg 280 nieuw 227530 proofread-index text/x-wiki {{:MediaWiki:Proofreadpage_index_template |Type=boek |Taal=nl |wikidata= |Titel=Copia vande Achts Verclaringhe, ofte Keyserlijcken Ban, gedaen teghen Fredericus Pfaltz-Graue Ceur-Vorst, als hooft vande Boheemsche Rebellen, ghepubliceert binnen Weenen in Oostenrijck, ende andere Steden in Duytslandt |Ondertitel= |Deel= |Auteur=[[Auteur:Keizer Ferdinand II|Ferdinandus den tweeden]] |Vertaler= |Redacteur= |Illustrator= |Stroming= |Jaar= |Uitgever= |Plaats= |Druk= |OorspronkelijkeUitgave= |Key= |doe_wikidata= |ISBN= |OCLC= |LCCN= |BNF_ARK= |DBNL= |Bron=djvu |Afbeelding=1 |Voortgang=V |Delen= |Pagina's=<pagelist 1=1 /> |Opmerkingen=[[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 40]] |NestedInhoud= |Breedte= |Css= |Header= |Footer= }} n9ji3n8i1a3l5majkwnk02mn4l33spz Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/1 104 89543 227531 2026-09-30T18:15:57Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227531 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" /></noinclude>{{dhr}} {{c|{{tt|Martius 1621.{{gap|6em}}40.}}}} {{lijn}} {{c|{{Xx-larger|{{tt|{{sp|COPIA}}}}}}<br>{{xx-larger|{{tt|Vande Achts Verclaringhe, ofte}}}}<br>{{xxx-larger|Keyserlijcken Ban, gedaen}}<br>Teghen {{tt|Fredericus Pfaltz-Graue Ceur-Vorst,}} Als hooft vande {{tt|Boheemsche Rebellen,}} Ghepubliceert binnen Weenen in Oostenrijck, ende andere Steden in Duytslandt.<br>{{tt|Nv eerst Ghedruct den 16. Meert, 1621.}}}} {{lijn}} [[Bestand:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040 p 01 illustration.jpg|300px|center]] {{lijn}} {{c|t’Hantwerpen, By Abraham Verhoeuen, op de Lombarde veste, inde gulde Sonne. {{tt|Met Gratie ende Priuilegie.}}}} {{dhr}}<noinclude></noinclude> 8l4d5fp7srdx0h7wgk05c1rdsex0l88 Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/2 104 89544 227532 2026-09-30T18:16:09Z Vincent Steenberg 280 /* Zonder tekst */ 227532 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="0" user="Vincent Steenberg" /></noinclude><noinclude></noinclude> k07t5xu51c1kp9mtbmu9ycj6wzmkyfu Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/381 104 89545 227533 2026-09-30T18:18:27Z Ben the Bear09 16243 /* Proefgelezen */ 227533 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Ben the Bear09" /></noinclude> Ze had veel sagen gedicht, en was niet weinig verwonderd, dat ze nu onverwachts in gesprek met een van 't kleine volkje was geraakt. Maar in den grond was ze toch niet zoo heel verrast. 't Was, alsof ze aldoor had verwacht, dat ze iets bizonders zou beleven, terwijl ze daar in den maneschijn buiten haar oude huis liep. "Eigenlijk was ik van plan hier den heelen nacht op 't landgoed te blijven," zei de dwerg. "Als u me maar een veilige slaapplaats wilt wijzen, zou ik liever niet vóór 't aanbreken van den dag naar 't bosch terug willen." "Moet ik je een slaapplaats wijzen? Ben je dan hier niet thuis?" "Ik begrijp wel, dat u denkt, dat ik een van 't kleine volkje ben," zei nu de dwerg, "maar ik ben een mensch, zoo goed als u, al ben ik in een kabouter veranderd." "Dat is het wonderlijkste, wat ik ooit heb gehoord. Zou je me niet willen vertellen, hoe 't je zoo slecht is gegaan?" De jongen had er {{SIC|niet|niets}} tegen zijn avonturen te vertellen, en terwijl ze naar hem luisterde, werd ze steeds meer verbaasd, — verbaasd en blij — al naar 't verhaal was. "Neen, wat is dat een geluk, dat ik iemand ontmoette, die op den rug van een gans over heel Zweden reisde," dacht ze. "Juist wat hij me vertelt, zal ik in mijn boek schrijven. Nu hoef ik daarover niet meer bezorgd te zijn. 't Was maar goed, dat ik naar huis ging. Wat vreemd toch, dat ik daar hulp voor kreeg, zoodra ik in mijn ouden tuin kwam." Maar teelijk kwam een gedachte in haar op, die ze haast niet uit durfde denken. Ze had bericht gezonden aan haar Vader met de duiven, dat ze naar huis verlangde, en dadelijk daarna had ze hulp gekregen voor dat, waar ze al zoo lang over had gepeinsd... Zou dat haar vaders antwoord zijn op wat ze gevraagd had? {{lijn|5em}}<noinclude></noinclude> dljuigrxt8tjl8si50uuuu10xadmq5o 227563 227533 2026-10-01T09:19:42Z Havang(nl) 4330 /* Gevalideerd */ 227563 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="4" user="Havang(nl)" /></noinclude><nowiki /> Ze had veel sagen gedicht, en was niet weinig verwonderd, dat ze nu onverwachts in gesprek met een van 't kleine volkje was geraakt. Maar in den grond was ze toch niet zoo heel verrast. 't Was, alsof ze aldoor had verwacht, dat ze iets bizonders zou beleven, terwijl ze daar in den maneschijn buiten haar oude huis liep. "Eigenlijk was ik van plan hier den heelen nacht op 't landgoed te blijven," zei de dwerg. "Als u me maar een veilige slaapplaats wilt wijzen, zou ik liever niet vóór 't aanbreken van den dag naar 't bosch terug willen." "Moet ik je een slaapplaats wijzen? Ben je dan hier niet thuis?" "Ik begrijp wel, dat u denkt, dat ik een van 't kleine volkje ben," zei nu de dwerg, "maar ik ben een mensch, zoo goed als u, al ben ik in een kabouter veranderd." "Dat is het wonderlijkste, wat ik ooit heb gehoord. Zou je me niet willen vertellen, hoe 't je zoo slecht is gegaan?" De jongen had er {{SIC|niet|niets}} tegen zijn avonturen te vertellen, en terwijl ze naar hem luisterde, werd ze steeds meer verbaasd, — verbaasd en blij — al naar 't verhaal was. "Neen, wat is dat een geluk, dat ik iemand ontmoette, die op den rug van een gans over heel Zweden reisde," dacht ze. "Juist wat hij me vertelt, zal ik in mijn boek schrijven. Nu hoef ik daarover niet meer bezorgd te zijn. 't Was maar goed, dat ik naar huis ging. Wat vreemd toch, dat ik daar hulp voor kreeg, zoodra ik in mijn ouden tuin kwam." Maar tegelijk kwam een gedachte in haar op, die ze haast niet uit durfde denken. Ze had bericht gezonden aan haar Vader met de duiven, dat ze naar huis verlangde, en dadelijk daarna had ze hulp gekregen voor dat, waar ze al zoo lang over had gepeinsd... Zou dat haar vaders antwoord zijn op wat ze gevraagd had? {{lijn|5em}}<noinclude></noinclude> 2t8w3in2331z0w6y1tkdcmztvv00dlc Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/3 104 89546 227534 2026-09-30T18:19:11Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227534 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{c|3}}</noinclude>{{dhr}} [[Bestand:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040 p 03 ornament.jpg|500px|center]] {{dhr}} {{c|{{xx-larger|{{tt|Copia vande Achts Verclaringe oft}}}}<br>Generalen {{tt|Ban,}} oft {{tt|Bannissement,}} by sijne Keyserlijcke Majesteyt ghedaen teghens den {{tt|Pfaltz-Graeff Frederick Ceurvorst, &c.}} Op den 29. Januarij 1621.}} {{tt|{{initiaal|W|grootte=5em}}{{xx-larger|Y Ferdinandus den tvveeden by der Ghenaeden Godts,}}}}<br>Ghekosen Roomsche Keyser, t’allen tijden vermeerder des Rijckx, Coninck van Germanien, van Hungharijen, van Bohemen, van Dalmatien, van Crouatien ende Slavonien, {{tt|&c. Eerts-Hertoghe}} van {{tt|Oostenrijck,}} Hertoch van Bourgoignien, van Steyr, van Carinthien, van Crayn, ende Wurtenberch. Grave van Tyrol, {{tt|&c.}} Ontbieden, {{tt|N.}} Alle ende yeghelijcke Ceur-Vorsten, Vorsten {{tt|Gheestelijcke}}, ende Wereltlijcke {{tt|Prelaten,}} Graven, Vry-Heeren, Ridderen, Knechten, Landt-Voochden, Officieren, Amptlieden, Landt-Rechteren, Schulteysschen, Borghermeesteren, Raeden, Borghers, Ghemeynten, ende voorts alle andere, onse ende des Rijckx Leenmannen, Ondersaeten, ende Ghetrouwe, van wat Qualiteyt, ofte Staedt die moghen wesen, ende insonderheyt aen {{tt|Frederick Pfaltz-Grave,}} op den Rhijn Cheurvorst, Vorstendom ende Landts Standen, Ondersaten, Leenmannen, ende Verwante, de<noinclude>{{rechts|A ij{{gap|6em}}ghene}}</noinclude> 5gtabdlvx5m9bcatznvvt1uzaocoy5e Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/4 104 89547 227535 2026-09-30T18:20:06Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227535 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|4|{{tt|Copia vande verclaringhe vanden Ban}}|}}</noinclude>ghene die desen onsen Keyserlijcken Brieff, oft geloofweerdighe {{tt|Copije}} gheinsinueert oft vermaent sullen worden.<br>Onse Vrindtschap, {{tt|Keyserlijcke}} genaede ende alles goets.<br>{{gap}}Hooghe ende Eerweerdighe oock Doorluchtige Hoochgheborene, Lieue Vrienden, Neuen, Ooms, Swaghers, Broeders, Ceur-Vorsten, Oock Welgheborene, Edele, Eersaeme, Lieue, Aendachtighe, ende Ghetrouwe. Het is nv binnen ende buyten het {{tt|Heylich Roomsche Rijcke,}} by alle Coninghen, Cheur-Vorsten, Staten, Natien, ende Luyden int openbaer, vande Onruste ende Rebellie die in ons Coninck-rijck van Bohemen, ende des {{tt|Heylighen Rijckx}} Ceur-Vorsten ende Leenmannen, inden Jaere 1618. lestleden, by het Leuen ende Regeringhe van wijlen den Alder-Doorluchtichsten Vorst ende Heere {{tt|Matthias Roomsche Keyser,}} ende Coninck van Hungharijen ende Bohemen, Eertz-Hertoghe van Oosten-rijck, {{tt|&c.}} Onsen seer Lieuen, Heere, Neue, ende Vadere, Hooch-loffelijcker gedachtenisse, is op ghestaen, ende daer naer voorts in andere Gheincorporeerde Landen, oock is verbreyt worden, Ende om sulckx alles te slissen ende in Ruste ende Vrede te brenghen, ende te verhoeden, alle Oorloghen waer doore, de Landen souden verdoruen worden, met verghietinghe van soo veele Onnoosel Christelijcken Bloet, ende Ruynie van soo veele Arme Lieden. Soo hebben zijne Keyserlijcke Majesteydt, als Regerenden Coninck ende Ceur-Vorst van Bohemen. Doen ter tijt wt Aengheborne Vaderlijcke liefde gheimployeert sommighe Ceur-Vorsten, ende Vorsten des Rijckx. (Waer onder den voorghenoemden Frederick Pfaltz-Graeff door zijne Eyghene Presen-<noinclude>{{rechts|tatie}}</noinclude> jzvwqmibi9opz56lsgk6b88486jfh9h Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/5 104 89548 227536 2026-09-30T18:20:45Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227536 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||{{tt|ghedaen teghens Frederick Pfaltz-Graue}}.|5}}</noinclude>tatie oock was begrepen.) Om alsoo allen de gheschillen, tusschen de voorghenoemde Rebellen te slissen ende ter neder te legghen, ende dat sylieden wederomme tot behoorlijcke ghehoorsaemheyt souden moghen ghebrocht worden.<br>{{gap}}Dan alsoo de voorghenoemde Keyserlijcke Majesteydt corts daer naer, (ende eer dat de seluighe ruste heeft kunnen ghestilt worden,) door de tijdelijcke doot, is comen te steruen ende daer naer de Successie ende Regeringhe, vande voorschreuen Croone van Bohemen, ende de Gheincorporeerde Landen, aen ons is ghecomen (gelijck sylieden ons oock, by Tijde ende Leuen van wijlen den voorghenoemden {{tt|Keyser Matthias}} Ordentlijcken hebben ghekosen, ghesworen, ghecroont, ende Ghesalfft, als hunnen Regierenden Coninck ende Ceur-Vorst van Bohemen. Waer wt dan is ghevolcht, dat wy wt kracht ende macht vande voorgheruerde Successie, ende Crooninghe, des Coninckrijcx ende Ceur-Vorstendom van Bohemen, ons hebben in persoone ghetransporteert, in onse ende des Rijckx-Stadt Franckfort, om aldaer beneffens de andere Ceur-Vorsten (achtervolghende de {{tt|Gulde Bulle,}} ende des Rijckx Constitutien ende Oudt hercomen) te kiesen, eenen Roomschen Coninck om den seluen daer naer tot eenen Keyser te verheffen. Alwaer de voorschreuen Frederick Pfaltz-Graeue ende Ceur-Vorst zijnen Ambassadeur oock heeft gesonden, alwaer sylieden ghelijckerhandt (ons niet alleene, voor eenen Gherechten, Waerachtighen, Ghecroonden, Gesalfden Coninck, ende Ceur-Vorst bekent.) Maer oock gelijckerhandt ende eendrachtelijcken, naer dien sylieden den ghewoonlijcken Eedt, (den welcken des voorschreuen<noinclude>{{rechts|A iij{{gap|6em}}Pfaltz-}}</noinclude> gphxp2zq3xrsymcoo89771572lpxfj2 Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/6 104 89549 227537 2026-09-30T18:24:18Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227537 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|6|{{tt|Copie vande Verclaringhe vanden Ban,}}|}}</noinclude>Pfaltz-Graven Ambassadeur als volle macht hebbende oock heeft ghesworen,) achtervolghende de {{tt|Gulde Bulle,}} ende Oudt herkomen tot eenen Roomschen Coninck ende Keysere ghekosen hebben, op den achtentwintichsten Augusti inden Jaere sestienhondert ende Neghenthien, ende op den neghensten Septembris den voorschreuen 1619. Jaers, met alle ghewoonlijcke Solemniteydt ende Eere ghecroont hebben.<br>{{gap}}Daer naer soo hebben wy ons, wt Vaderlijcke ende Vredelijcke liefde bemoeyt ende sorghe ghedraghen, op dat wy sonder meerder perijckel, ende bederffenisse van ons voorschreuen Coninckrijck, het selue wederomme te brengen in Ruste, welvaert ende Vrede soo haest ende corts als t’selue soude moghelijcken kunnen wesen ghelijc wy dan tot dien eynde hebben ghesonden ende gheschreuen aende Generael Regeerders ende Staten van ons voorschreuen Coninckrijck van Bohemen, ende hunlieden vermaent tot alle ghehoorsaemheyt, met belooften, van alle hunne {{tt|Priuilegien,}} te mainteneren, ende te confirmeren ende allen t’ghene te onderhouden dat eenen goeden ende Ordentlijcken Coninc behoort te doen.<br>{{gap}}Daerenbouen hebben wy oock tot Franckfort wesende aen de vergaderde Ceurvorsten ende Ambassadeurs (waer by den Ambassadeur vanden Pfaltz-graue als volle macht ende procuratie hebbende, oock is present geweest) in handen ghestelt, de saecke ofte differentie van ons voorschreuen Coninckrijck van Bohemen, ouermits zylieden t’seluige ghelijcker handt op ons versocht hadden (waer van den voorsz. Paltz-graue de meeste occasie is gheweest.) op dat<noinclude>{{rechts|zylieden}}</noinclude> hsmuxr56fxya24hxvo3xga1txvwbn0p Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/7 104 89550 227538 2026-09-30T18:25:02Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227538 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||{{tt|ghedaen teghens Frederick Pfaltz-Graue.}}|7}}</noinclude>zylieden souden sien de saecken te modereren, ende de Wapenen doen ter neder legghen. (In sulcker voegen als voor desen, by wijlen onsen Neue ende Vadere den Keyser Matthias aen sommighe vande Ceurvorsten oock is geschiet) waer oppe wy ons Crijsch-volck oock belast hebben ghehadt surceance van wapenen te houden, ende met de voorghenoemde Rebellen ondertusschen vriendelijcken te handelen, ende al ist saecken dat wy allen ons betrouwen op de voorghenoemde Heeren Ceurvorsten ghesteldt hebben, principaelijcken op den voorsz. Frederick Paltz-Graeue (die t’selvighe op ons soo grootelijcken was versoeckende dat de saken souden ghemodereert worden, op den aenghestelden dach, in onse ende des Rijcx stadt Regensborch, te weten op den twintichsten Nouembris vanden Jaere sesthien hondert ende neghentiene, waeromme wy niet vermeynt en hadden dat yemant hem soude vervoordert hebben alsulcken groote onruste van Orloghen, verderuinghe van soo veele Landen ende Lieden, ende stortinge van sulcken mennichte onnoosel bloets voorts te stellen; nochtans soo is eenen yeghelijcken ghenoechsaem bekent, naer dien onse voorschreuen Rebellen van Bohemen, met hunnen lang-duerighen heymelijcken Raedt, ende practijcken (effen ten selven tijde, als wy tot Franckfort ghekosen ende ghecroont werden tot de weerdighe Hoocheyt des Roomschen Keysers) hun hebben vervoort, ons als hunnen Ghecosen Ghecroonden, Ghesalfden ende Ghesworen Coninc te verworpen ende te verlaten, teghens hunnen Eedt, Plicht Trouwe, Conincklijcke Keuse, Crooninghe ende Hundinghe, ende voorts teghens alle des Rijcx ende Conincrijcx<noinclude>{{rechts|van}}</noinclude> h1rvu1seaghpxegm1l9wiw9fw6fd8sx Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/8 104 89551 227539 2026-09-30T18:25:41Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227539 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|8|{{tt|Copije vande Verclaringhe vanden Ban,}}|}}</noinclude>van Bohemen, Constitutien, Rechten, Gulde Bulle, Keyserlijcke ende Conincklijcke Priuilegien, ende alsoo tegens Godt, zijn Ghebot, de Natuer ende alle Eere, eene nieuwe onweerdighe Keuse van eenen anderen Coninck aen te stelles, te kiesen, ende te Croonen, ghelijck zylieden ghedaen hebben met den man-eedighen Frederick Pfaltz-Graue, den welcken zy ghecroont hebben voor hunnen Coninck, tot vercleyninghe van onse Eere, Hoocheyt, ende Reputatie, met veele valsche wtgevinghen, iniurieuse schriften, ende woorden, ghelijck sulcx allen de wereldt ghenoechsaem is bekent, de welcke Croone ende Coninckrijck den voorsz. Frederick Paltz-grave (verghetende zijnen eedt, eere, ende Reputatie) niet alleenelijcken en heeft aenveert, ende aenghenomen, maer hem daer mede (in plaetse van beneffens de andere Ceurvorsten eenen middeler te wesen, als hier voren verhaelt is) besmet heeft als eenen Vrede-breker, hem deelachtich maeckende mette Rebellen ender der seluer aenhanck, nietteghenstaende het verbot oft Placcaet gepubliceert by tijde ende leuen van wijlen den Keyser Matthias, Hooch-loffelijcker Memorien teghens allen de ghene, 300 de voorghenoemde Rebellen, eenighe hulp oft bystant zijn doende, ende heeft hem op gheworpen voor een Hoofdt der voorschreuen Rebellen, ende is inde ons voorschreuen Coninckrijck van Bohemen, ende de gheincorporeerde Landen ghetrocken, ende hem aldaer meester ghemaeckt tegens alle Rechten, Redenen ende des Rijckx {{tt|Gulde Bulle}} ende Constituen, het welcke ons met alle toebehooren, door op rechte Christelijcke verkiesinghe, Crooninghe, Salvinge ende Huldinghe is toebehoorende, ende heeft alsoo gedaen<noinclude>{{rechts|teghens}}</noinclude> 5s0j0dotd0yq0j11a5oipmgotzxromd Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/9 104 89552 227540 2026-09-30T18:26:27Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227540 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||{{tt|ghedaen teghens Frederick Pfaltz-Graue.}}|9}}</noinclude>teghens alle oude Keyserlijcke (als oock des voorschreven Pfaltz-graven Voor-vaders wijlen, Ceurvorst Ruberto, beneffens andere Ceur-vorstelijcke gheinstityeerde Privilegien) ende is gheworden eenen Vrede-breker des Rijcx en heeft onse Croone sonder eenich recht, oft gewesen vonnisse, ontrocken, ende {{tt|ad facto}} afghenomen, ende alsoo hy teghens ons als zijnen {{tt|Keyser}} ende Heere is vyantlijcken procederende ende rebellerende, ende hem tot een hooft vande andere Rebellen is opworpende, hunlieden als Hulpe, ende Voorderinghe doende, en hem vervoordert heefdt de Boheemsche Rebellen met krijchs-machdt te defenderen, ende in dese onse Oostenrijcksche Erf-landen, met Krijchs-macht ghevallen, ende ons als eenen openbaeren vyandt heeft bevochten, daer neffens noch sommighe andere Princen des Rijcx op gheruyt, die hunlieden als man-eedighe oock met dese Rebellen ghevoecht hebben, ende met hun Krijchs-volck de Rebellen assistentie ghedaen hebben ende voorts allen het ghene dat tot verachtinghe ende schaede vande Auctoriteyt onser {{tt|Keyserlijcke Hoocheyt}} soude moghen wesen metter daet bethoont hebben, waer door wy zijn ghedwonghen gheweest (hoe wel wy t’selve liever souden hebben willen deruen) ons tottet defentien te moeten rusten. Bouen allen het welcke heeft den voorghenoemden Paltz-graef, beneffens zijnen rebellischen aenhanck tegens ons als regerende Roomschen Keyser, Coninck, Heere, ende Landt-vorst (tot der voorghenoemden Rebellen van Bohemen, ende hunne Adherenten groote schade ende achterdeel) noch andere verre-gheleghene Bonts-ghenooten ende Alliantien ghemaeckt ende geaccordeert, ende voorts<noinclude>{{rechts|B{{gap|6em}}veele}}</noinclude> bhkl37k7jdxl5yvn3ko04cbe1373x32 Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/10 104 89553 227541 2026-09-30T18:27:09Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227541 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|10|{{tt|Copia vande verclaringhe vanden Ban,}}|}}</noinclude>veele ander perijckeleuse pracktijcken voorts gestelt, waer door der alghemeyne Christenheyt, Erf-vyant den Turc, seer lichtelijcken in dese Landen (de welcke altijts als eenen voormuer vant Roomsche Rijck zijn ghehouden geweest) was ghelockt, ende door dese Rebellie lichtelijc soude cunnen comen. Naerdemael dan hy {{tt|Paltz-graef}} (tot onse) als zijns Keysers ende Heere hoochste vercleyneringhe, hem met dese voorghenoemde Boheemsche Rebellen schandaleuselijck deelachtigh ghemaeckt, ende onse {{tt|Conincklijcke Hoocheyt}}, Coninckrijck, Landen ende Luyden soo veele hem moghelijck gheweest is met ghewelt ende rebellische wapenen ende valsche pracktijcken te ontrecken vervoordert heeft, maer als ons den Recht-ueerdighen Godt de victorie heeft verleent, ende den voorsz. {{tt|Paltz-graeue}} met groote schanda heeft moeten de vlucht nemen, om hem te salueren, soo heeft hy nochtans hem deruen onderwinden eenighe steden in ons voorschreuen Konincrijck met Soldaten te besetten, nieuwe pracktijcken aen te stellen in onse Hertochdommen van Slesien, vergaderinghen der seluer Princen ende Standen te houden, de selue onse Ondersaten inde {{tt|Rebellie}} te verstercken, van hunlieden hulpe ende {{tt|Contributie}} teghens ons te heysschen, ons by hunlieden te verachten, onsen Conincklijcken Tijttel ende Naeme, continueerlijcken te voeren ende ghebruycken, ende alle middelen te soecken, om den teghens ons begonsten Oorloghe noch voorder te mainteneren.<br>{{gap}}Ende naerdemael, alle dese voorghenoemde Feyten ende Beroerten by den voorghenoemden Pfaltz-Grave ghecommitteert, gheheel claer ende Notoir zijn, ende voor al-<noinclude>{{recht|len}}</noinclude> jvqo99to0hogpjsohw0rzwjdta7dgmz Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/11 104 89554 227542 2026-09-30T18:28:06Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227542 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||{{tt|ghedaen teghens Frederick Pfaltz-Graue.}}|}}</noinclude>len die Werelt ghenoechsaem bekendt is, ende daer inne blijft verherden heeft hy daer doore {{tt|Crimen laese Majestatis,}} In veele Puncten verbeurt, ende is daer door inde Alderhoochste straffe van des {{tt|Heylighen Rijckx Constitutie}} ende der Keyserlijcker Majesteyt {{tt|ipso facto}} ghevallen. In sonderheyt naerdemael dat hy ten Tijde als wanneer hy beneffens de andere Ceur-Vorsten des {{tt|H. Rijckx,}} Eendrachtighe {{tt|Keuse;}} tot het Keyserdom, ons voor zijnen Keyser ende Heere mede bekent heeft. Teghens de welcke Hoocheyt Eere, Reputatie, goeden Naeme, Welvaert, Erff. ende andere Gherechticheden, als oock allen t’ghene dat de Fideliteyt mede is brenghende opentlijcken heeft ghesondicht, ende hem voordert tegens ons te doene, het welc voor desen noyt aen eenighe {{tt|Roomsche Keysers}} ghebeurt en is, want heeft wel ghethoont zijnen Bloedt-dorstighen Aert ende valscheyt. Waer mede hy als voor vermelt vermeynt heeft de Boheemsche Rebellen van ons gheheelijcken te onttrecken, ende in hun quaet voornemen te helpen mainteneren waer mede hy den Landt-Vrede ghenoechsaem heeft ghebroken, gelijck oock blijckt by zijne Rebellighe {{tt|Tractaten}} ende aenslaghen, vermeynde ons daer dore van allen Eeren, ende tijdelijcke welvaerdt te beroouen waere het hem eenichsints moghelijcken geweest. Niet teghenstaende de Placcaten wtghegaen ende Ghepubliceert by wijlen Hoochloffelijcker gedachtenisse den {{tt|Keyser Matthias,}} Onsen seer Lieuen Heere Neve, ende Vadere, heeft ons beneffens de voorschreuen Rebellen met krijschmacht alsoo onse Landen ende Ondersaten te Incorporeren, ende afhendich te maecken, onsen Coninc-lijcken Tijttel, Wa-<noinclude>{{rechts|C ij{{gap|6em}}pen}}</noinclude> kw5jq2702vmeb2lpa9ar2fg04kzu9vt Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/12 104 89555 227543 2026-09-30T18:28:50Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227543 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|12|{{tt|Copia vande Verclaringhe vanden Ban,}}|}}</noinclude>pen, ende Juweelen geu-surpeert tegens {{tt|t’Heylich Roomsche Rijck,}} ende der seluer Ceur-Vorstendommen, begrijpinghen, (wt kracht van de welcke,) besonders by de {{tt|Keyser Rudolpho primo,}} soo veele verlanght de Ceur aenden Coninck van Bohemen ghegeuen is van {{tt|Keyser Carel}} den vierden gheconfirmeert gelijck oock van zijn des Pfaltz-Grauen voor Vader, wijlen Ceur-Vorst {{tt|Ruperto}} ende andere Ceur-Vorsten, gheconfirmeert, ende bekrachticht, met {{tt|Priuilegien}}, ende daer inne vermelt de ouer oude {{tt|Observantien}}, gelijck ooc blijckt by de {{tt|Gulde Bulle,}} tot Noremborch op gerecht, ende die van te vorens, (nopende het Coninck-rijck van Bohemen, met wete ende wille der Ceurvorsten) ghemaeckte {{tt|Bulle,}} de welcke onder andere {{tt|Priuilegien,}} de Successie vant voorgenoemde Conincrijck van Bohemen, de naervolghende Noremborchsche {{tt|Bulle,}} ghelijck is vanden inhoudt. Van gelijcken, de {{tt|Declaratie}} by wijlen Coninck {{tt|LadisLais,}} ende dan het {{tt|Ruers}} van den Keyser Ferdinandus, Anno vijfthienhondert ende veertich aende Standen van Bohemen (raeckende de Ceur ende dat de selue raeckt,) ouerghegheven, dat den Coninck van Bohemen ende hunne Erffghenaemen, Erffelijcken toebehoort, oock soo langhe datter yemant vanden Conincklijcken Stamme voorhanden is, den Inwoonderen ergeene keuse en moghen hebben, oft gebruycken, soo t’sylieden door aenveerdinge van eenen Lichtveerdige Maneedige oft Onweerdige {{tt|Keuse}} nv ghedaen hebben, ghelijck wy dan slckx wt Keyserlijcke macht, Aucthoriteyt, ende Geweldt tot onderhoudinge vande ghefondeerde {{tt|Institutien}} des {{tt|H. Rijckx,}} voor {{tt|Nul,}} ende van gheender Weerden en houden.<noinclude>{{rechts|Ver-}}</noinclude> 0dnudgii8m5x1kh2gtwfh5tfetuo9j8 Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/13 104 89556 227544 2026-09-30T18:29:34Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227544 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||{{tt|ghedaen teghens Frederick Pfaltz-Graue.}}|13}}</noinclude>Verclerende midts desen de selue om verre te stooten, ende de wel ghefondeerde {{tt|Rijckx Institutien}} voor de handt te nemen, ende het voorgenoemde ons Conincrijck van Bohemen met de Gheincorporeerde Landen. (Int welcke wy op den openbaeren {{tt|Landtdach,}} van alles de Staeten, ghekosen, Ghecroont, Gesalft, ende daer naer van alle de selue Staten ende Ondersaten vant voorschreuen Conincrijck ende Landen, ons den gewoonlijcken ende schuldigen Eedt gedaen is,) Ende daer en bouen van allen de Ceur-Vorsten, ende van hem {{tt|Pfaltz-Graue}} seluer voor eenen Oprechten Gecroonden Coninck van Bohemen bekent, ende Ghetituleert, waeromme wy vanden Eertz-Cancellier des Rijcx den Ceur-Vorst van Mentz, totte {{tt|Keuse}} van eenen Roomschen Coninck zijn beschreuen gheweest, als oock van het Ceur-Vorstelijcke Collegie, Inder qualiteyt, de stemmen van de {{tt|Keuse}} ons is toeghelaten.<br>{{gap}}Dien niet teghenstaende soo heeft hy {{tt|Pfaltz-Graue,}} met gheweldadigerhandt krijschmacht ende verbintenissen oft {{tt|Vnien,}} ende oock met onse Ondersaten van onsen Erff landen van Oostenrijck, alderhande {{tt|Conspiratien}} opgerecht. Alles teghens de klaere Ordonnantien, ende ghemeyne Rechten, besonders teghens de {{tt|Gulde Bulle, titulo,}} van t’samen verbintenissen oock teghens den Alghemeynen {{tt|Landt-Vrede,}} ende onderscheydelijcke {{tt|Rijckx Contracten.}} waer inne klaerlijcken verboden is, dat geenen Ceurvorst, Vorst, ofte Staet vant Rijck, eenighen-anderen, (van wat Staet oft Conditie hy soude moghen wesen,) zijne Ondersaeten en mach onder zijne beschermenisse oft {{tt|Sauvegarde}} nemen, t’sy om wat Redenen ofte Conditien t’selue soude moghen wesen.<noinclude></noinclude> joy4pr12guuxb6tmnb9n7is5xfp1jvs Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/14 104 89557 227545 2026-09-30T18:30:15Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227545 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|14|{{tt|Copia vande Verclaringhe vanden Ban,}}|}}</noinclude><br>{{gap}}Nochtans zijn hem vande goet-hertighe Ceurvorsten, ende Vorsten, soo veele ghetrouwe waerschouwingen ende vermaninghen gheschiet, ende bouen dien van ons, uyt Keyserlijcke goetheyt ende overvloedicheyt als den Vrede beminnende, gheschrevene Brieven {{tt|Sub dato}} den lesten Apprillis met aenstellinghe van eenen seeckeren termijn om hem wel te bedencken ende te veraeden. Dit alles ongheacht soo is hy {{tt|Paltz-graue}} in zijn quaet voornemen verhart, ende heeft alle middelen ghebruyckt om zijn quaedt ongoddelijck voornemen int werck te brenghen, met zijn wterste Krijchs-macht te rugghe stellende zijnen Eet, eere, ende Reputatie als hier vooren breeder verhaelt is, waer inne hy ons, als Roomschen Keysere ende opperste Hooft, ghelijck andere Ceur-vorsten ende Vorsten des Rijcx, ghelijck ook niet minder, wt kracht vanden dieren Eet ende Plicht, die zijne voorvader, ende hy, aen onsen voorvaderen ende t’Rijck ghedaen hebben (het welck hy, als wesende een Ceurvorst ende voornemen staet des Rijcx, euen soo schuldigh ende ghehouden is, al hadde hy voor ons den selven eede daetelijcken ghesworen) naementlijcken van ons ghetrou, ghehoorsaem ende gunstich te wesen, ende nimmermeer in eenighen raedt te compareren, daer yet teghens onsen persoone, eere, weerdigheyt ende staet ghetrackteert oft ghehandelt wordde, noch yet daer in te consenteren, maer ter contrarien onse ende des H. Roomschen Rijcx profijten, te vervoorderen, van alle schade te waerschouwen ende te rugghe keeren, ende soo hy vername datter yet teghens onse {{tt|Keyserlijcke Majesteyt}} oft persoone worde voorghenomen oft ghehandelt werde het seluighe<noinclude>{{rechts|ghe-}}</noinclude> 2sbohxck6hlksi15f8wwne3yhiupej3 Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/15 104 89558 227546 2026-09-30T18:30:57Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227546 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||{{tt|ghedaen teghen Frederick Pfaltz-Graue.}}|15}}</noinclude>ghetrouwelijcken te beletten ende ons haestelijcken daer van te waerschouwen, Van ghelijcken heeft meer genoemden Paltz-graue soo weynigh gheobserueert, de Rijckx Constitutien ende Instellingen vande Religie {{tt|Prophan:}} ende den alghemeynen Lants-vrede (het welck nu meer veel Jaeren herwaerts, met desen teghenspoedighen tijdt in het Duytsche Rijck, ende desselfs leden in Conservatie gestaen) hinderlijcken gheweest, insonderheyt inden voorghaenden Lant-vrede vanden Jaere vijfenvijftich claerlijcken versien, Dat niemants van wat staet ofte conditie hy zy, by den Eedt ende gheloofte waer mede eenen yeghelijcken aenden Roomschen Keyser ende t’Heyligh Rijck verobligeert is, oock op de pene van der Keyserlijcke Majesteyt, ende des Rijckx onghenade ende straffinghen {{tt|Priuir:}} ende bespottinge van alle Regalien, Leenen, Vryicheden, Priuilegien, Ghenade ende Bescherminghen, alsoo veele als eenen yeghelijcken vande Keyserlijcke Majesteyt ende het Roomsche Rijcke is hebbende, oft ghenietende, tot eenighe Orloghe ende onvriendelijcke datelijcke handelinghen ofte voornemen, teghens ons, ofte eenighe ghehoorsaeme Staten, des Heylighen Rijckx, sonder onsen, ofte soo veele de middelbaere staten belanght, hunne Ouerheyt, consente ende wetenschappe het zy heymelijcken ofte opentlijcken teghens de Keyserlijcke Majesteyt oft de Staten des Rijcx te trecken, noch eenighe hulpe oft bystant bevoorderinghe ende faveur noch eenighe vergaederinghen van Crijchs-volck te peerde oft te voete te maecken, ende eenen yeghelijcken hem daer van gantschelijcken onthouden sal. Welcke dispositie ende Instellinge eensdeels wt de voorgaende ghetrocken, ende den inhout indien van {{tt|anno}}<noinclude>{{rechts|ne-}}</noinclude> dsgz4upl1k7lmwtoimk9hrtgyqmo9gc Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/16 104 89559 227547 2026-09-30T18:31:41Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227547 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|16|{{tt|Copia vande Verclaringhe vanden Ban,}}|}}</noinclude>neghenenvijftich ghemaeckten ende ghepubliceerden Rijckx afscheet als een eeuwigh {{tt|Edict,}} ende Rijcx Ordonnantie is gheconfirmeert ende verhaelt, om daer door in het H. Rijck der Duytscher Natie, de ruste Vrede ende eenigheyt te beter te onderhouden, ende is de pene (daer inne begrepen) in sulcker voeghen vermeerdert, dat de Verbrekers ende Ouertreders vant seluighe verbot ende Rijcx Statuten, beneffens ende boven de voorgenoemde pene, in onse ende des Heylighen Rijcx, Acht oft Ban {{tt|ipso facto,}} ghevallen is, ende den seluen sonder eenighe voordere verclaeringhe (wt krachte vande voorgheruerde ordonnantie) voor eenen Achter oft Bandit, nv als dan, ende dan als nv vercleert ende bekendt sal zijn, Inder voeghen dan by den opgherechten Lant-vrede {{tt|Anno}} veerthien hondert vijf-en-neghentigh, int eynde noch stercker versien is, als dat in sulcken gheloof baeren ende opentlijcke, brekinghe ende ouertredinghe des Landts-vredens, den Quaet-doender {{tt|ipso facto,}} inde pene, door de ghemeyne Rijckx Conclusie, ghecondemneert blijft, inder voegen datter voorder gheene sententie ofte verklaringhe meer van noode en is, het welcke inde naervolghende Rijcx Constitutien ende afscheyden niet en is verandert, maer wel, t’elcker reysen geconfirmeert worden, ende en is noyt anders verstaen geweest Ghelijck wt cracht van dese ende andere Rijcx Constitutien, ende Ordonnantien (teghens veele mindere Verbrekers als valsche Munters, ofte daer eenen onmiddelbaer, ofte middelbaeren staet hem verloopen hadde met aenneminge ende vergaderinghe van eenigh Crijchs-volck, oft eenige Rebellen bystant ghedaen heeft) is gheprocedeert tot onderhoudinghe vanden ghemeynen Landt-vrede, wy laeten staen de ghene<noinclude>{{rechts|die}}</noinclude> 09njd4fdz7ghkymv86ngnb7c34nr9l2 Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/17 104 89560 227548 2026-09-30T18:32:30Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227548 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||{{tt|ghedaen teghens Frederick Pfaltz-Graue}}.|17}}</noinclude>die hunlieden opworpen als Hoofden, {{tt|Protectoren,}} ende Voorstaenders van sulcken vyantlijcke Rebellen, ende met gantscher macht van Orloghe vermeynen te defenderen, in’t Roomsche Rijck veele Crijsch-volck op te nemen, ende vergaderen, sonder het vremde ende buyten Lantsche volck die sy int Rijck brenghende zijn, ende teghens ons, hier ende daer vremde Heeren ende Potentaten op te ruyen, Inder voeghen dat de voorghenoemde Boheemsche Rebellen, beneffens hun opgheworpen en vermeynt Hooft, den Paltz-graue tot onsen, ende des Heylighen Roomschen Rijcx grooter perijckelen, ende des Erf-vyants der Turcken, groodt voordeel teghens der Christenheyt ende Croone van Hungarijen, tot ghelijcken afval ende Rebelleringhe te brengen, ende met den Erf-vyant vanden Christelijcken Naeme ende den Transiluaen, nieuwe verbintenissen teghens ons ghemaeckt heeft, ende de selue ende andere vremde Natien ghesocht in onse Erf-landen van Oostenrijck &c. te brenghen. Waeromme wy oock tot ons Keyserlijck ghemoet ghevoert hebben wt krachte van onse Keyserlijcke macht, Aucthoriteyt ende Offitie, ende van weghen onse ende des Heylighen Rijckx Ceurvorsten, Jonghst gheslotene ende beuastichte {{tt|Cappittulatien,}} beneffens alle gemeyne, ende int Rijck euffende Rechten, ende Rijckx Statuten, insonderheydt die tot Augsborch Anno vijffthien-hondert vijffen-vijftich opgherechten, ende aenghenomen afscheet ende Constitutie, ooc in die daer naer volghende Rijcx Constitutie, ende verhaelde {{tt|Confirmatien,}} met Raedt vande voorghenoemde Ceurvorsten, ende andere Standen verbeterden {{tt|Landt-Vrede,}} stantvastelijcken te onderhouden, Niettemin oock wt cracht van-<noinclude>{{rechts|C{{gap|6em}}de}}</noinclude> gpsi7bl00nk7bhpkhdrnq64zaz40bmw Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/18 104 89561 227549 2026-09-30T18:33:21Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227549 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|18|{{tt|Copia vande Verclaringe vanden Ban,}}|}}</noinclude>de eerste aenghediende {{tt|Capittulatien,}} ende de {{tt|Gulde Bulle,}} beuinden ons verplicht. Alle de onbehoorlijcke nijdighe, verbintenissen ende verghaderinghen der Ondersaten, oock die oproerighe Muytmakers, ende alle onbehoorlijck ghewelt, teghens de Vorsten ende andere Staten, te niet te doen, ende in Somma voor alle dinghen te maecken dat het Heylich Roomsche Rijcke mach in ruste ende Vrede ghestelt ende ghehouden worden, het welck het voorneemste ende principaelste punct is, dat int {{tt|H. Rijck}} Rechte ende Vrede ghehouden worde, het welck niet en can belet worden, ten sy door oproer ende Rebellicheyt teghens het Opperste hooft (waer doore oock lichtelijcken de mede Leden des {{tt|Heyligen Rijcx}} worden gheinfecteert, ende op gheruyt, ende alsoo eyndelijcken het seluighe Rijck totte wterste Ruynie ende onderganck soude comen te gheraecken) welcke onrecht-veerdighe verbintenissen, ende oproerighe Muytinatien van de Ondersaten teghen hunne Hoochste Overheyt, ende van Godt verordineerden Heere voor goet ghehouden wesende, sonder hun met ghewelt ende krijsch-macht teghens den eenen ofte den anderen Staedt ende Heere, onder alsulckenen blooten ende ghesochten schijn hun seluen vermeynen te bevrijen ende beschermen, ende alsoo onse ende des {{tt|Heylighen Roomschen Rijckx, Iurisdictien, Regalien,}} Recht, Landt, ende Ondersaeten, t’hunwaerts te trecken ende te ontweldighen, oock der Ceur-Vorstendommen, ende Ceur-Vorstelijcke Huysen, recht ende Gherechticheyt te veranderen, ende te Violeren, gelijck voortijden oock ghebeurde, by {{tt|Wylandt}} des Pfaltz-Graven {{tt|Neue, Hertoch Albrecht van Beyeren,}} Als wanneer die van Bohemen oock besich waeren mette {{tt|Keuse,}} tot {{tt|Preju}}-<noinclude>{{rechts|{{tt|ditie}}}}</noinclude> m7ly12vg71g2ac6hbt6habwliyifn5d Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/19 104 89562 227550 2026-09-30T18:34:11Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227550 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||{{tt|ghedaen teghens Frederick Pfaltz-Graue}}.|19}}</noinclude>{{tt|ditie}} van Coninck {{tt|Ladis-lai,}} doen antwoorde, de voorschreuen {{tt|Hertoch Albrecht,}} dat hy alleenelijck begheerte hadde om te Regieren, ende daeromme eenen anderen sijne gherechticheyt mochte met ghewelt ontnemen.<br>{{gap}}Waeromme (als vooren verhaelt de voorghenoemde {{tt|Frederick Pfaltz-Graue}} ouermidts, den by hem ghebrokenen {{tt|Landt-Vrede,}} ende dier ghelijcke quade Feyten, inde Pene des {{tt|Bans,}} (als hier voren breeder ghededuceert) ghevallen is, sonder eenighe voorder {{tt|Cittatie,}} Vonnisse ende vercleringe, voor te nemen, ende alsoo vercleerdt moet wesen, voor eenen {{tt|Achter}} ende {{tt|Bandit,}} Waer teghens anders niet en resteerdt, van de Datelijcke {{tt|Executie,}} int werck te stellen.<br>{{gap}}Soo hebben wy nochtans, tot een ouercoren ende {{tt|Confirmatie,}} naer nochmaels gehouden rijpen, ende wel bedachten Raede wt schuldighe Pflicht ende onse van Godt ghegeuene ende beuolene Keyserlijcke macht ende Offitie. Den voorghenoemden {{tt|Frederick Pfaltz-Graue,}} als eenen die welcke die hem heeft op gheworpen voor het Overhooft van onse Onghetrouwe {{tt|Rebellen,}} ende verkiesen laeten verachtende, versmadende, ende verlettende onse {{tt|Keyserlijcke}} Hoocheyt ende Majesteyt, wesende eenen breker vanden Al-ghemeynen {{tt|Landt-Vrede,}} ende andere Loffelijcke {{tt|Institutien,}} des Rijckx,) in onsen ende des {{tt|H. Rijckx Acht}} ende {{tt|Ban,}} ooc in alle de Penen ende straffen, welcke der gelijcke, {{tt|Achts, Denuntiatie}} van rechts weghen is mede brenghende, metter daedt seluer ghevallen te wesen,) ghedeclareert wort, stellen hem wt den {{tt|Vrede,}} inden {{tt|Onvrede,}} Erkennen, vercondighen, ende verclaeren hem alsoo, in onsen ende des Rijckx {{tt|Acht,}} oft {{tt|Ban,}} als oock inde voorghenoemde Penen, ende<noinclude>{{rechts|C ij{{gap|6em}}straffen,}}</noinclude> ejuw1yih02hgm4s6i5k6erf0po0xpag Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/20 104 89563 227551 2026-09-30T18:35:03Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227551 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|20|{{tt|Copie vande Verclaringhe vanden Ban,}}|}}</noinclude>straffen, setten hem oock wt onsen ende des {{tt|Heyligen Rijcx-Vrede,}} in onsen {{tt|Onvrede,}} Alles van weghen onse Roomsche Keyserlijcke Majesteyt, Macht, ende kracht, van desen Brieff.<br>{{gap}}Sijn hier op tot volbrenginghe vande behoorlijcke executie van dese verklaringhe teghens den voorschreuen Acht oft Ban, Pene, Straffe, ende Boete, gantschelijcken besloten teghens den seluen Frederick, die hemseluen noempt Paltz-graue by den Rhijn, als eenen openbaren Achter ende Bandit oock onsen ende des Rijcx wedersaker ende vyant mette gratie ende ghenade van Godt Almachtigh hulpe ende bystant, naer wtwijsinghe vande bouen verhaeld Rijcx Constitutien, ende Ordonnantien mette behoorlijcke straffe sonder langher te vertoeuen voorts te varen, op dat wy daer na sonder eenighe verhinderinghe van hem de oprechtinge van eenen gheduerighen ende bestandighen Vrede, int H. Rijck te beter moghen vervoorderen, waer toe wy ons dan in alder manieren als eenen Christelijcken {{tt|Keyser}} van Name ende Offitie weghen gantsch ghenaedigh ende Vaderlijck sullen bemoeyen, ende verthoonen, oock de Liberteyt, Eere, proffijt ende weluaert vande Duytsche Natie gantsch genadigh ter herten nemen ende te vermeerderen, ende eenen yegelijck by de Hooch bedierden Religie ende {{tt|Prophan:}} Vrede te beschermen, ghewilligh ende schuldigh te zijne, het welcke wy uwer {{tt|L.L.A.A.}} ende V. lieden hebben willen adviseren, op dat zy ende ghylieden de oorsaecke van dese onse billige nootsaeckelijcke ende onuermydelyck voornemen, waerachtighe wetenschappe soude moghen ontfanghen, ende waeromme wy hier toe beweecht ende ghedwonghen zijn geweest, ende<noinclude>{{rechts|t’selue}}</noinclude> r9i1fjexlcbm343ez1wseicfcj93i53 Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/21 104 89564 227552 2026-09-30T18:35:45Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227552 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||{{tt|ghedaen teghens Frederick Pfaltz-Graue}}.|21}}</noinclude>t’selue niet langher en hebben kunnen ophouden, Gebieden daeromme uwer {{tt|L.L.A.A.}} ende V. Lieden, alle ende eenen yeghelijcken t’samen ende besonder, byden Eede ende Plichten waer mede zy ons ende des Heylighen Roomschen Rijcx verbonden ende verwant zijn, op de verbeurte vande bouen ghenoemde pene ende straffe, die inde alghemeyne Rechten, ende Rijcx Ordonnantien, Leen-rechten ende Gewoonten, begrepen zijn teghens de ghene die hun met eenighe Achter oft Bandieten bemoeyen, insonderheyt teghens onse, ende des Heyligh Rijcx, Acht ende Oueracht ende op verliesinge van alle {{tt|Regalien,}} Leen Vryheden, Ghenade, Pandtschappen, Tollen, Recht ende Gherechtigheden, wat Namen die souden moghen hebben, die hunne Voorvaders, ende zylieden van wijlen onse Loffelijcke Voor-vaderen de Roomsche Keysers ende Coninghen, oock van ons ende des Heylighen Rijckx verkreghen hebben, oock by verbeurte van lijf ende goet, begheren ende ghebieden hieromme seer ernstelijcken, dat ghylieden den voorghenoemden Frederick, die hem noempt Paltz-graue by den Rijn, teghens ons niet en assisteert, hem int minste oock niet te dienen, hulp noch bystant te doen, t’zy met gelt, victualie, oft Ammonitie, noch in eenigher hande manieren int heymelijcken noch int openbaer onder wat pretext, oft schijn t’selue soude moghen gheschieden, ende soo verre daer oock yemant van v lieden, t’zy 2. 3. ofte meer in zijnen dienst besoldinghe oft bestellinghe soude wesen, de selue sullen ten aensiene van desen Brief stracx ende terstonts souden langher te vertoeven oft eenige weygeringe wedecomme aftrecken, ende te rugge keeren, ende hun voorder wtten dienste vanden seluen {{tt|Achter}} oft {{tt|Bandiet,}} oft zijne<noinclude>{{rechts|C iij{{gap|6em}}mede}}</noinclude> gwhrtw67vadnw5d5811opl9jr8oysxf Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/22 104 89565 227553 2026-09-30T18:36:28Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227553 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH|22|{{tt|Copia vande Verclaringhe vanden Ban.}}|}}</noinclude>medehelpetrs retireren, noch by yemanden van desselfs {{tt|Achter}} Vrienden oft Fauoriteyten blijuen dienen oft gebruycken laeten, noch hem Frederick die hem noempt {{tt|Paltz-Graeff}} by den Rijn, voorder gheenen dienst ghehoorsaemheyt, noch hulpe ende bystant te doene, noch V. zijnder {{tt|Rebellie}} ende onghehoorsaemheyt in gheenderley manieren meer deelachtigh en maeckt, dan v van hem gheheelijcken te ontslaen, ende onthouden, Oock {{tt|V.L.L.A.A.}} ende ghylieden alle samentlijck ende besonder beuelende, by den Eede ende Plichte, daer mede ghylieden ons ende het Heyligh Rijc zijt verobligeert, ons alle ghetrouwe hulpe ende bystant te bewijsen, op dat den voorschreuen {{tt|Achter}} ende {{tt|Bandit,}} als eenen Breecker des Vredens, met alle zijne Adherenten ende hulpers (tot voldoeninghe van onsen voorschreuen {{tt|Banne}} moghen ghestraft ende ghedwonghen worden, ende tot behoorlijcke gehoorsaemheyt moghen ghebracht worden, ende en laet V. niet verachteren, van weghen eenighe verbintenissen oft alliantien, die daer souden moghen wesen ghemaeckt, naerdemael wy de selve achtervolghende dese onse Verclaeringhe ende Resolutie gheheelijcken zijn casserende, het welck ghylieden als van uwen hoochsten Ouerheere gheboden schuldigh zijn te achtervolghen, want sulcke verbintenissen {{tt|conforma}} alle Rechten ende Rijcx Constitutien in dit cas niet en binden, dan wordden voor {{tt|nul}} ende van onweerde ghehouden, alsoo met wel bedachten rijpen raede {{tt|Keyserlijcke Macht ende Auctoriteyt}} ghecasseert ende gantschelijck niete ghedaen, oock {{tt|V.L.L.A.A.}} ende V. Lieden voor soo veele zylieden hier inne gheinteresseert souden moghen wesen wt kracht van onse {{tt|Keyserlijcke Majesteyt,}} volko-<noinclude>{{rechts|mentlijck}}</noinclude> 1xhntgjykrg8lj1zwe66utsfi1kyl7y Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/23 104 89566 227554 2026-09-30T18:37:09Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227554 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{RH||{{tt|ghedaen teghens Frederick Pfaltz-Graue.}}|23}}</noinclude>mentlijck gheabsolueert, ende los ghelaten. Ende ghy alle de Ondersaten, Leenmannen, Pandts-ghenooten, Verwante Lijf-eyghene, Wilt-vanghers, ende Onderdanen des voorschreuen {{tt|Achters}} oft {{tt|Bandit,}} worden mits desen alle te samen oock ontslaegen, bevrijt, ende ontlast van uwen Eet, Plicht, Schuldt, ende Ghehoorsaemheyt, ende allen de ghene die hunlieden hier inne teghens ons ghehoorsaemlijcken verthoonen, zy ghegunt ende ghegheuen onse Keyserlijcke vrye gheleye, Beschermenisse, Verseeckeringhe ende Ghenaden, Segghen ende vermeynen oock wt kracht vande voorsz. onse {{tt|Keyserlijcke Macht}} dat den seluen {{tt|Achter}} ofte {{tt|Bandit}} sijne helpers, ende mede helperen hier teghens niet met allen en sal beschermen oft bevrijen, noch eenighe Ghenade, Vryheydt, Vertroostinge, Gheleye, zekerheyt, Lant, oft Borcht-Vrede, oft eenighe andere verbintenissen, Borgerlijcken oft Standts-Rechten, die welck van ons, onse Voor-vaderen vant Rijck, Roomsche Keysers ende Coninghen, oft andere Heerschappijen, oft Overicheyt, V. Lieden oft heur, zijn gegheuen, ghegunt ende bevesticht, oft noch mochten gegeuen worden, noch oock eenige ghewoonten, Oudt herkomen oft in eenigherley manieren dat soude moghen wesen, hem oft hunlieden yeuerincx sal moghen behulpigh wesen, want wy hem den voorsz. {{tt|Achter}} oft {{tt|Bandiet,}} als oock zijne Hulpers ende Mede-hulpers, ouersulcx gantschelijcken ende gheheelijcken van alle gratien ende ghenaden, wtsluytende zijn en nieuwers inne en begheren begrepen te hebben.<br>{{gap}}Ende soo wanneer dat daer yemanden van V.L. (t’sy van wat staet oft qualiteyt die soude moghen wesen) hem hier inne onghehoorsaemlijcken verthoonde, ende den bouen ghe-<noinclude>{{rechts|noemden}}</noinclude> 4oyiykuhr8hy1khi4rlcddkqpev51fy Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu/24 104 89567 227555 2026-09-30T18:37:42Z Vincent Steenberg 280 /* Proefgelezen */ 227555 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{c|8}}</noinclude>noemden {{tt|Frederick,}} die hem noempt {{tt|Pfaltz-Graue,}} byden Rhijn, ende Hertoch van Beyeren, teghens ons, onder wat ghesochten schijn oft middel dat soude moghen wesen, Int minste eenighe Vriendt-schappe, oft Assistentie waere bethoonende, t’sy heymelijcken ofte openbaerlijcken. Die worden midts desen, in alder manieren, als hier voren verhaelt oock verclaert, als onse ende des {{tt|Heylighen Rijckx Achters}} ende {{tt|Banditen,}} op alle ende yegelijcke de selue Penen ende straffen te vorens vermeldt, voor nv als dan, ende voor dan als nv, in sulcker maeten ende vueghen al oft sylieden, de selvighe quade Feyten oock ghedaen hadden, ende by Vonnisse daer inne ghecondempneert waeren. Verclaerende oock de selue wt den {{tt|Vrede,}} in den {{tt|Onvrede,}} ghestelt te zijne. Verklaeren oock de selue voor nv als dan, ende dan als nv, In onse ende des Heylighen Rijckx, Acht ende Overacht, als oock in ghelijcke Penen ende straffen, ende stellen hun oock wt den Vrede inden Onvrede, Alles door onse Roomsche Keyserlijcke Majesteyt kracht ende Macht, waer naer hem eenen yeghelijcken sal weten te Reguleren, ende voor achterdeel ende schaede te vermijden. Dit vermeynen wy seer ernstelijcken. Ghegheuen in onse Stadt Weenen den twee-en-twintichsten dacht der Maent Januarij 1621. Onsers Rijckx, vant Roomsche int tweede Jaer, van’t Hungersche int derde Jaer, ende vant Boheemsche int vierde Jaer. {{alinea|8em|-2em|{{x-larger|{{tt|Ad Mandatum Sacrae Caesareae Majestatis proprium.}}}}}} {{rechts|V.C.D.W.A.|4em}}<noinclude></noinclude> a9nehkdf6zl89lz7j8ec3t7cnn8ngj2 Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 40 0 89568 227556 2026-09-30T18:39:06Z Vincent Steenberg 280 nieuw 227556 wikitext text/x-wiki <pages index="Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu" from=1 to=24 header=1 current="[''Nieuwe Tijdinghen''], nummer 40, [dinsdag] 16 maart 1621" prev="[[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 39|Nummer 39]]" next="[[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 41|Nummer 41]]"/> [[Categorie:Nieuwe Tijdinghen, 1621]] st9tdne7i9h3or13bca0tb60ix1od8m 227558 227556 2026-09-30T18:46:57Z Vincent Steenberg 280 +interwiki link 227558 wikitext text/x-wiki <pages index="Nieuwe Tijdinghen 1621 no 040.djvu" from=1 to=24 header=1 current="[''Nieuwe Tijdinghen''], nummer 40, [dinsdag] 16 maart 1621" prev="[[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 39|Nummer 39]]" next="[[Nieuwe Tijdinghen/1621/nummer 41|Nummer 41]]"/> [[Categorie:Nieuwe Tijdinghen, 1621]] [[de:Achterklärung über Friedrich von der Pfalz]] fb2pwycjsftu2clmgmicicnw28nboox Niels Holgersson/XXXVII 0 89569 227564 2026-10-01T09:20:49Z Havang(nl) 4330 Nieuwe pagina aangemaakt met '<pages Index="Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf" from=373 to=381 header=1 />' 227564 wikitext text/x-wiki <pages Index="Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf" from=373 to=381 header=1 /> ej0a7qjv81jdg638h0a3nj64espop1h