Wikisource nlwikisource https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina MediaWiki 1.47.0-wmf.22 first-letter Media Speciaal Overleg Gebruiker Overleg gebruiker Wikisource Overleg Wikisource Bestand Overleg bestand MediaWiki Overleg MediaWiki Sjabloon Overleg sjabloon Help Overleg help Categorie Overleg categorie Hoofdportaal Overleg hoofdportaal Auteur Overleg auteur Pagina Overleg pagina Index Overleg index TimedText TimedText talk Module Overleg module Event Event talk Gloriant 0 3831 227601 227582 2026-10-02T23:46:16Z Cantons-de-l'Est 3407 Typo 227601 wikitext text/x-wiki <pages index="Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf" from=145 to=196 tosection=s2 header=1 current="Gloriant (Den hertoghe van Bruyswijc)"/> [[Categorie:Middeleeuwse teksten]] lp6dheee87ldwypzepd3yodwgx8h66a Wikisource:GUS2Wiki 4 40181 227602 227333 2026-10-03T04:49:40Z Alexis Jazz 11203 Updating gadget usage statistics from [[Special:GadgetUsage]] ([[phab:T121049]]) 227602 wikitext text/x-wiki {{#ifexist:Project:GUS2Wiki/top|{{/top}}|This page provides a historical record of [[Special:GadgetUsage]] through its page history. To get the data in CSV format, see wikitext. To customize this message or add categories, create [[/top]].}} Deze gegevens komen uit een cache die voor het laatst is bijgewerkt op 2026-10-01 om 07:58:38Z. Er {{PLURAL:5000|is maximaal één resultaat|zijn maximaal 5000 resultaten}} beschikbaar in de cache. {| class="sortable wikitable" ! Gadget !! data-sort-type="number" | Aantal gebruikers !! data-sort-type="number" | Actieve gebruikers |- |HideFundraiser || 9 || 0 |- |HotCat || 24 || 2 |- |LocalLiveClock || 4 || 1 |- |PageCleanUp || 7 || 3 |- |RTRC || 5 || 1 |- |UTCLiveClock || 2 || 0 |} * [[Speciaal:Gadgetgebruik]] * [[m:Meta:GUS2Wiki/Script|GUS2Wiki]] <!-- data in CSV format: HideFundraiser,9,0 HotCat,24,2 LocalLiveClock,4,1 PageCleanUp,7,3 RTRC,5,1 UTCLiveClock,2,0 --> equ0ofcdf4ihan843tnjpro47057xun Pagina:Nieuwe Tijdinghen 1621 no 039.djvu/16 104 89023 227600 226638 2026-10-02T19:04:58Z Vincent Steenberg 280 +anker 227600 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" />{{c|16}}</noinclude>{{anker|p16}}{{gap}}{{larger|{{tt|De Verclaringe van de BAN, is geschiet op vrydaechs den 29. Ianuario 1621. mette ghewoonelijcke Ceremonien, ende in presentie vande Keyserlijcke Majesteyt gelesen, daer naer vande selue mette voeten ghetreden, ende in stucken ghescheurdt ende ter Vensteren wt gheworpen, in by wesen ende presentie van de Secrete Rijckx Raeden ende Hoff Raeden, Officieren, Beampte, ''vtriusque Religionis'', daer naer den seluen door de Keyserlijcke Heraulten, in haer ghewoonlijck Habijt, met tweelf Trompetten, op verscheyde plaetsen Ghepubliceert, ende is ouer al aengheslaghen geworden.}}}} {{rechts|{{larger|{{tt|V.C.D.W.A.}}}}|2em}} {{c|Overghesedt wt de Hooch-Duytsche sprake in onse Nederlantsche Tale.}} {{c|T’Hantwerpen, By Abraham Verhoeuen op de Lombaerde veste inde gulde Sonne. 1621.}} {{c|{{xx-larger|{{tt|Met Gratie ende Priuilegie.}}}}}}<noinclude></noinclude> 6fbqxpqb5vaey9zc9ban6ij1lqkyima Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/196 104 89581 227603 227580 2026-10-03T06:57:29Z Havang(nl) 4330 227603 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|126}}</noinclude><section begin="s1"/><poem> En dochte<ref>''Dochte'' van ''doghen'' d. i. ''deugen'', meer bepaald in den zin van ''waarde hebben, iets beduiden.''</ref> oec gheen dine begonnen, Dat men niet volherden en wille. </poem> <section end="s1"/> <section begin="s2"/><poem> {{sup|1140}}Nu swicht ende maect een ghestille! Dit voerspel es ghedaen, Men sal u ene sotternie spelen gaen. </poem> <section end="s2"/> <section begin="s3"/><br> {{c|{{larger|'''HIER BEGHINT DIE SOTTERNIE.''' }}}} <poem> Siet doch, en benic niet hier? Ic ben een wijtmolder<ref>''Wijtmolder d. i. tarwemolenaar:'' verg. vs. 9.</ref> ende drinke gerne bier. Tesschen<ref>''Tesschen'' van ''tessche'' of ''tassche'' d. i. ''tasch:'' {{asc|KIL.}}</ref>, hantscoen canic nayen, Hoy ende coren canic oec mayen; {{sup|5}}Ja, woudic oec daer omme lopen, Ic can oec copen ende vercopen. Oec so benic een temmerman Daer ic noit niet en wan, Ic ben oec een molder ende can malen, {{sup|10}}Ic can oec wel borghen ende qualije betalen, Ic can roden<ref>''Roden'' d. i. ''rooien,'' van aardappels b. v. gezegd. </ref> ende hacken, Ic can dijeken ende dammen, Ic can derschen ende wannen. {{sup|15}}Noch canic vele dincs meere: Esser enich vrouwe of here Die mi wilt hueren tenen knape? Al eest, dat ie gherne langhe slape, Ic ben herde traech to minen werke. {{sup|20}}Woude hier iement ane mi leggen merke<ref name=Leggen>''Leggen merke'' d. i. ''de aandacht vestigen op, reflecteeren'' of ''regardeeren,'' zooals {{asc|HOFFMANN}} vertaalt. Zoo zegt de dichter van ''D. Doctr.'' aangaande het stuk der drieëenheid III vs. 1942:</ref> </poem><section end="s3"/><noinclude></noinclude> s5fnww3tdwxohf9hpix6i254kujhy11 Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/350 104 89582 227590 2026-10-02T17:41:35Z WeeJeeVee 2844 /* Niet proefgelezen */ 227590 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||NASCHRIFT OP HET VORIGE.|315}}</noinclude>aan visschen moeten worden toegeschreven, mag als zeer waarschijnlijk worden beschouwd, eensdeels omdat elke andere hypothese hier, naar het schijnt, ontoereikend is, anderdeels omdat de voorbeelden van visschen, die geluid voortbrengen, vrij talrijk zijn. {{sc|Johannes müller}} heeft daarvan in een opstel, in 1857 verschenen in het ''Archiv für Anatomie und Physiologie'', p. 263, een overzigt gegeven. Hij telt uit de volgende familiën geluidgevende visschen op. :''{{sp|Cataphraet}}i: Dactylopterus, Trigla, Cottus scorpius''. :''{{sp|Setaenoide}}i: Sciaena aquila, Corvina ronchus, C. ocellata, C. denter, Otolithus regalis, Pristipoma Jubelini, Pr. crocro, Pr. coro, Pr. guoraca, Pogonias chromis, P. fasciatus.'' :''{{sp|Scomberoide}}i: Zeus faber.'' :''{{sp|Pediculat}}i: Batrachus grunnicus''. :''{{sp|Cyprinoide}}i: Cyprinus tinca, Cyp. barbus, Cobitis fossilis, C. taenia''. :''{{sp|Siluroide}}i: Synodontis"". :''{{sp|Sceleroderm}}i: Balistes''. :''{{sp|Gymnodonte}}s: Diodon, Tetraodon, Orthragoriscus''. Het geluid, dat in de onderscheidene gevallen zeer verschillend is, wordt ook zonder eenigen twijfel bij deze onderscheidene visschen op eene verschillende wijze voortgebragt. Slechts van eenigen is dit met zekerheid bekend. Het geluid kan in de eerste plaats ontstaan door wrijving van harde ligchaamsdeelen tegen elkander. Zoo bij ''Synodontis'' waarschijnlijk door de beweging der sterke stekels van de borstvinnen. ''Dactylopterus volitans'', een der vliegende visschen in de Middellandsche zee, maakt, volgens de waarneming van {{sc|joh. müller}}, zoowel onder water als daarbuiten een knarsend geluid door het openen der kieuwdeksels en de beweging daarbij in het slaapgewricht. Bij de verwante Poonen of Knorhanen (''Trigla''), waarvan een paar soorten ook op onze kust leven, ontstaat het knorrend geluid echter op eene andere wijze, waarschijnlijk door trillende bewegingen van de spieren der zwemblaas. Ook bij den Zonnevisch (''Zeus faber''), die almede, hoewel zeldzaam, in de zee nabij onze kusten voorkomt, schijnt de toon op die wijze te worden voortgebragt. Vermoedelijk neemt de zwemblaas ook nog op eene andere wijze deel aan het doen onstaan van toonen, namelijk door ongelijkmatige drukking of zamentrekking van dit orgaan, waarbij de<noinclude></noinclude> mej1y3v1iepwdbo27vg0hc5pfge91rt Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/351 104 89583 227591 2026-10-02T17:47:09Z WeeJeeVee 2844 /* Niet proefgelezen */ 227591 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|316|NASCHRIFT OP HET VORIGE.|}}</noinclude>lucht van het eene gedeelte naar het andere gedreven wordt, inzonderheid wanneer de zwemblaas, gelijk bij vele Sciaenoiden, van aanhangsels voorzien is en de lucht bij de verplaatsing een naauwen doorgang ontmoet. Hiermede in overeenstemming is het feit, dat juist in deze familie vele soorten voorkomen, die lange aanhoudende toonen voortbrengen, welke bij die van een fluit of van een orgel vergeleken worden en soms uit groote diepte schijnen te komen. De tegenwoordigheid van ''Sciaena aquila'', de Umbrina der Italiaansche visschers, wordt ontwaard aan eene soort van gebrom, hetwelk deze visschen maken en dat nog waarneembaar is, wanneer zij zich tot op 20 vademen diepte bevinden. De soorten van het geslacht ''Pogonias'' verzellen in den Atlantischen oceaan de schepen soms uren lang en brengen een sterk geluid voort, dat door sommigen bij klokkengelui, door anderen bij het gekwaak van groote kikvorschen, door nog anderen bij het geluid van trommels wordt vergeleken. Het laatste is de aanleiding geweest tot de benaming van drums (trommels), welke door de Noord-Amerikanen aan eene der soorten, ''Pogonias chromis'', is gegeven. {{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude> gq81w7ybq3jdj9vffjeywuwq7z028ny Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/352 104 89584 227592 2026-10-02T17:51:08Z WeeJeeVee 2844 /* Niet proefgelezen */ 227592 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr}} {{c|{{larger|MOS-VEGETATIE EN MOS-BRANDEN IN </br> LABRADOR.}}}} {{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}} {{sc|Hind}} zegt in zijne beschrijving van het schiereiland Labrador (''Explorations in the interior of the Labrador-Peninsula'', 2 vols, Lond. 1863) van het welige moskleed, dat de wildernissen van dat land in verschillende streken bedekt, het volgende. Onze taal is te flaauw om de schoonheid, de kleurenpracht en de phantastische vormen van de mossen en korstmossen, van deze voorloopers der vegetatie, te schilderen; zij schitteren in allerlei kleurschakeringen, nu eens in die van geoxydeerd zilver tot vermiljoenrood, dan in die van het gloeijendste oranje tot fuweelzwart. Iedere streek, ieder klimaat heeft zijne eigenaardige schoonheden, die zij zich als karakteristieke vormen uitsluitend hebben toegeëigend. Labradors wildernissen hebben eene mossen- en korstmossen-vegetatie, die ons op iedere schrede een kreet van verbazing en bewondering op de lippen brengen en het ons slechts doet bejammeren, dat wij niet in staat zijn eenige dezer verrukkelijke miniatuurtuintjes mede te nemen, die zich aan het harde gneis vasthechten en het met een bonten mantel bekleeden. In cirkelronde boschjes van twee tot drie voet middellijn bedekt namelijk het mos de oppervlakte der steenmassa's en maakt ze onmerkbaar tot verweering door de dampkringslucht geschikt. Boschjes van rendiermos bleken bij meting 15 duim dikte te hebben; andere soorten tieren nog weliger en aan enkele vochtige plaatsen heeft dit lieflijke donzen tapijt zelfs eene dikte van 2 voet. De korstmossen vertoonen zich vooral op gneis, veel minder op labradoriet, en inderdaad ziet men reeds aan de gelijkmatige purperen kleur van dit gesteente, inzonderheid waar het zich in groote massa's vertoont, dat mossen noch korstmossen daarop groeijen. Naast het rendiermos, waarvan het belang als voedingsmiddel van het in deze streken zoo onontbeerlijke rendier algemeen bekend is, is de ''Sticla pulmonaria'', die in groote menigte aan boomstammen en op gneisrotsen groeit en dikwijls misschien meer dan een menschenleeftijd oud wordt, van groote beteekenis<noinclude></noinclude> mdqftsjjdbzhz4jmch0kjzwhfah376u Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/353 104 89585 227593 2026-10-02T17:55:02Z WeeJeeVee 2844 /* Niet proefgelezen */ 227593 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|318|MOSVEGETATIE EN MOSBRANDEN IN LABRADOR.|}}</noinclude>voor deze gewesten. Evenals het ijslandsche mos bevat dit korstmos voedende bestanddeelen en het wordt door de Indianen ook als middel ter reiniging en genezing van wonden gebruikt. In tijden van gebrek wordt het door verschillende Indianen-stammen en zelfs door Canadasche jagers als groente gekookt en gegeten. De randen van de boschjes van rendiermos zijn gewoonlijk in een krans van de vermiljoen-rood gekleurde ''Cladonia gracilis'' gevat.—In heete zomers verdort het moskleed, wanneer een vochtige bodem het niet belet, en niet zelden gebeurt het dan, dat een enkele vonk uit een niet goed gedoofd vuur in eenig Indiaansch legerkamp de uitgestrektste verwoestingen aanrigt. Met razenden spoed verbreidt zich dan, door den wind aangewakkerd, de vlam en vernielt niet slechts het lagere plantsoen, maar veroorzaakt ook in de bosschen de verschrikkelijkste verwoestingen. Door deze mos-branden zijn de boomen van Labrador meestal òf half uitgebrand òf geheel vernield en eene treurige woestenij, waarin slechts hier en daar een enkel nog overgebleven boschje, als eene oase, het eenige leven vertoont, duidt met hare verkoolde boomstronken de plek aan, waar eenmaal een welig bosch zich verhief. Hoe spoedig zulk eene vuurzee zich over de drooge mosvelden uitbreidt, daarvan spreekt {{sc|hind}} als ooggetuige. Eens vatte het mos vuur, terwijl hij zijn middagmaal bereidde, en naauwelijks konden de reizigers spoedig genoeg loopen om met de schuitjes van boomschors, die zij met zich voerden, aan de door den wind aangeblazen vlammen te ontkomen. Verscheidene dagen duurde de brand en op een afstand van 14 eng. mijlen waren de vlammen nog zigtbaar. Het natte mos van een meer stelde daaraan eindelijk paal en perk.—Waarschijnlijk zijn aan zulke mos- en boschbranden de in (Canada zoogenoemde "dark days" te danken. Op zulke dagen (men had ze bijv. in 1785 en 1814 en zij zijn door geloofwaardige mannen beschreven) trok op verschillende tijden van den dag eene dikke duisternis uit het Noordoosten over het land; aschregens bedekten de watervlakte en het verdek der schepen; de- asch geleek op plantenasch, maar was zwaarder dan tabaksasch. Men schreef die verschijning aan een brandenden vulkaan toe, die zich in de binnenlanden van Labrador bevinden zou, waarvan men meende dat de asch, door den wind naar de St. Laurensrivier gedreven,<noinclude></noinclude> 9l3joiuynaf9xs01a6t66ldw3nf9w03 Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/354 104 89586 227594 2026-10-02T18:01:25Z WeeJeeVee 2844 /* Niet proefgelezen */ 227594 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||MOSVEGETATIE EN MOSBRANDEN IN LABRADOR.|319}}</noinclude><section begin="mos"/>de lucht verduisterde. Maar ofschoon aardbevingen in Labrador niet tot de zeldzaamheden behooren, men weet toch tot heden van geene werkzame vulkanen in het binnenland van het schiereiland. Veeleer waren die aschregens en de daardoor ontstane duisternis een gevolg van massa's asch, die bij hevige mosbranden door den wind zuidwaarts gevoerd werden. Van hevige aardbevingen zijn er van 1663 tot 1863 29 in Labrador en Canada opgeteekend. (''Zeitschrift für allgemeine Erdkunde'', afl. Maart 1864.) {{r|{{sc|P.}}{{gap|4em}}}} {{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}} <section end="mos"/> <section begin="keerkring"/>{{c|{{larger|KEERKRINGSNACHTEN.}}}} {{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}} Wie nooit den glans der nachten tusschen de keerkringen gezien heeft, kan zich niet voorstellen, hoe zacht de uren voorbijvliegen onder den gloed van den donkeren keerkringshemel. Hij weet niet, hoe uitstekend het genot is des ligchaams, gestreeld door den vloeibaren dampkring, waarin het zich baadt; alle zintuigen zijn te gelijk genoegelijk aangedaan en elke beweging wordt zoo gemakkelijk volbragt, dat men zou kunnen gelooven vrij te zijn van de ketenen der zwaartekracht. De hemel, waarin de sterren fonkelen met eene helderheid, volgens {{sc|von humboldt}} viermaal grooter dan in de gematigde luchtstreken, is bijna altoos vrij van wolken, zoodat men den vlammenden boog van den melkweg steeds in zijn geheel zien kan. Het zodiakaal licht, dat de meeste der Amerikaansche sterrekundigen gelooven te zijn een ring, gelijk die van Saturnus, vormt een onmetelijken kring in het Westen; in het Zuiden verschijnen als sneeuwvlokken de magellanische wolken, groepen van sterrebeelden, zoo groot als onze hemel en toch verloren als een damp in het oneindige der ruimte. ({{sc|Elisée reclus}}, in de ''Revue des deux mondes'', 1 Febr. 1860, p. 617). {{r|[[Auteur:Alexander Willem Michiel van Hasselt|{{sc|v. H.}}]]{{gap|6em}}}} {{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}<section end="keerkring"/><noinclude></noinclude> dkqwjfcqgqum5gr71upadxneqfv35nn Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/355 104 89587 227595 2026-10-02T18:09:26Z WeeJeeVee 2844 /* Niet proefgelezen */ 227595 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr}} {{c|{{larger|BUITENGEWONE KOUDE IN EGYPTE.}}}} {{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}} Het is bekend, dat in den afgeloopen winter de koude in zuidelijk Europa buitengewoon streng is geweest. Hetzelfde was het geval in Egypte, blijkens eenen brief van den reiziger Dr. {{sc|.g schweinfurth}} aan {{sc|petermann}} en opgenomen in de ''Geograph. Mittheil'', van dit jaar, V, p. 149. Hij schrijft daarin: "Gedurende mijne reis over de landengte had ik het den 23 Januarij in de boot op het zoetwaterkanaal erbarmelijk koud, in weerwil van een wollen deken en een pels. In denzelfden nacht heeft het in geheel Egypte hard gevroren. Op de meeste plaatsen zijn de boonen bevroren, voor alles echter, zoo als te verwachten was, de bananen. De tuinlieden te Schubra zagen den thermometer op — 3° R. Te Assuan bragt men aan den reizenden majoor v. {{sc|prinz}} en Graaf {{sc|haen}} ijs, dat zich in de schuit in een waterkruik gevormd had. Bij Benisuef vond de reiziger Dr. {{sc|löbbeke}} den Nijl op een morgen met een dunne ijskorst bedekt; ook bij Bulak en Kaïro is ijs geweest. Te Cautara, een Fransch kampement op de landengte, wil men — 4° R. hebben waargenomen en te Ismailia vond men op een morgen eenen Malteser in zijne schuit bevroren. Sedert de 16de eeuw schijnt zulk een winter in Egypte niet te zijn voorgekomen. Toen is er, volgens het berigt van een Arabisch geschiedschrijver, ook ijs op den Nijl geweest." {{sc|Petermann}} voegt er in eene noot bij, dat, volgens de waarnemingen van {{sc|coutelle}} en {{sc|nouet}}, gedurende de drie jaren van 1799 — 1801 en de vijfjarige waarnemingen van {{sc|destouches}} in de jaren 1835 — 1839, de temperatuur te Kairo nimmer beneden 4°,4 C. of 3°,5 R. daalde. {{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885)|{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}} {{dhr}} {{lijn|5em}}{{dhr}}<noinclude></noinclude> gyrjbllt42wvoixp0eq4ggvbknlc4zk Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/356 104 89588 227596 2026-10-02T18:14:13Z WeeJeeVee 2844 /* Niet proefgelezen */ 227596 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr|2}} {{c|{{larger|OVER DE VOLMAAKBAARHEID DER </br> LAGERE MENSCHENRASSEN}}, </br> BIJZONDER DER NEGERS;.}} {{c|{{smaller|DOOR}} [[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|Dr. D. LUBACH}}]]}} {{dhr}} {{rule|5em}} {{dhr}} Het vraagstuk over de volmaakbaarheid (perfectibiliteit) der menschenrassen, bepaaldelijk der lagere, is zonder twijfel een der gewigtigste, waarmede zich de anthropologie in den laatsten tijd heeft bezig gehouden. Om dit evenwel goed in te zien behooren wij in de eerste plaats te weten, wat men hier onder perfectibiliteit verstaat. Wij kunnen dit het best verduidelijken door de vraag naar die volmaakbaarheid aldus voor te stellen: bezitten alle menschenrassen de vatbaarheid voor verstandelijke en zedelijke ontwikkeling?—zijn alle in staat vroeger of later den voet te zetten op den weg van maatschappelijken, staatkundigen, wetenschappelijken, godsdienstigen vooruitgang en op dien weg te blijven voortgaan? Wanneer wij de geschiedenis der beschaafde volken van Europa nagaan, dan vinden wij overal, dat zij oudtijds, het een vroeger, het ander later, zich uit een toestand van barbaarschheid, gelijk men het noemt, hebben weten te verheffen tot een toestand van steeds vooruitgaande materiële en intellectuele beschaving Nu is de vraag deze: kunnen ook de menschenrassen, die nog in onzen tijd in een staat van barbaarschheid verkeeren, zich uit dien toestand los maken om zich zelven steeds hooger en hooger te ontwikkelen? Bezitten zij tot eene zoodanige ontwikkeling den aanleg? Bezitten alle die? Voor de wetenschap is de wijze, waarop deze vraag beantwoord moet worden, van geen gering gewigt. Al moge men de vraag, of het psychologisch verschil tusschen mensch en dier slechts in den graad dan wel ook in het wezen hunner psychische eigenschappen gelegen is,<noinclude>{{rh|{{gap}}{{smaller|1864.}}||{{smaller|21}}{{gap}}}}</noinclude> 1m8jgtuz3hl0ia0ml4f1zdi121w4tzm Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/357 104 89589 227597 2026-10-02T18:18:41Z WeeJeeVee 2844 /* Niet proefgelezen */ 227597 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|322| OVER DE VOLMAAKBAARHEID DER LAGERE|}}</noinclude>geheel onbeslist laten, of zelfs het er voor houden, dat dit verschil alleen in de meerdere ontwikkeling van die eigenschappen bij den mensch gelegen en dus onwezenlijk is, — zoo is het toch zeker, en moet men waarlijk verblind zijn om het niet te erkennen, dat de uitingen, de openbaringen van het zieleleven, zoo als zij zich bij den mensch vertoonen in zijn geheele leven en streven, zoo als zij de bestanddeelen uitmaken van de geheele geschiedenis der menschheid, hemelsbreed en wel zonder twijfel niet slechts in graad, maar wel degelijk wezenlijk verschillen van de uitingen van het zieleleven der dieren. De laatste leert men kennen uit werken, zoo als, om twee der voortreffelijkste in dit deel der wetenschap te noemen, dat van {{sc|reimarus}} ''Ueber die Kunsttriebe der Thieren'', en dat van {{sc|harting}} over de Bouwkunst der dieren. De uitingen van het zieleleven des menschen leert men uit de geschiedenis, — de geschiedenis der staatkundige, maatschappelijke, intellectuele ontwikkeling der menschheid. De dieren hebben geene eigenlijke geschiedenis. De menschheid ontwikkelt zich en de toestand, waarin zij elk oogenblik verkeert, is een andere dan die, waarin zij zich op het volgend oogenblik bevinden zal. En de oorzaak dier verandering van toestanden, dier ontwikkeling ligt, al moge men ook aan uitwendige omstandigheden een aanmerkelijken invloed toekennen, in den aard van het zieleleven des menschen zelven. Bij het dier daarentegen is alles, voor zoo ver het van de spontane werking zijner psychische eigenschappen- afhangt, stationair, en alleen uitwendige van het dier zelf onafhankelijke invloeden vermogen er eene verandering in te weeg te brengen. Het is daarom niet ten onregte dat men de vatbaarheid voor steeds vooruitgaande ontwikkeling beschouwt als de meest wezenlijke eigenschap, waardoor zich de mensch van de dieren onderscheidt. Maar daaruit volgt dan ook, dat, wanneer men die vatbaarheid aan een menschenstam ontzeggen moet, deze niet meer in de volste beteekenis den naam van menschenstam dragen kan, — dat althans, wil men al dien stam tot het genus "mensch"' brengen van wege zijne ligchamelijke eigenschappen, men toch genoodzaakt is hem te beschouwen als eene van de overige menschen wezenlijk onderscheidene, lagere menschensoort. Wij, leden van het Kaukasische, bij uitstek perfectibele<noinclude></noinclude> g5upoc14qvjbja37cjjwktnn1unuv3u Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/358 104 89590 227598 2026-10-02T18:21:44Z WeeJeeVee 2844 /* Niet proefgelezen */ 227598 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||MENSCHENRASSEN, BIJZONDER DER NEGERS.|323}}</noinclude>menschenras, zouden dan het volste regt hebben om te beweren, dat er tusschen ons en een ras, dat even als het dier steeds gedoemd is te blijven wat het is, een zoo wezenlijk verschil bestaat, dat het voor ons volslagen onzin zijn zou om de leden van zulk een ras als onze gelijken, onze broeders, als wezens van dezelfde soort te erkennen. Het geslacht mensch zou minstens in twee soorten gesplitst moeten worden, den bij uitstek met rede begaafden mensch, den ''homo sapiens'' van {{sc|linnaeus}}, en den diermensch, tusschen wien en de overige dieren de menschgelijkende (anthropomorphe) apen den overgang uitmaken. Maar juist daarom bezit het vraagstuk aangaande de perfectibiliteit der lagere menschenrassen ook een maatschappelijk praktisch belang. Immers, indien het blijkt, dat inderdaad eenige menschenstammen den aanleg tot perfectibiliteit missen en als zoodanig voor eene wezenlijk van ons verschillende, lagere soort van wezens moeten worden gehouden, dan ligt de volgende redenering tamelijk voor de hand. "Noch godsdienst, noch zedekunde verbieden ons om tot ons voordeel en gemak gebruik te maken van de dieren, die het land en het water bewonen. De mensch mag ze, ook tegen hun wil, tot zijne dienaren maken; dit doen zelfs zij, die uit godsdienstig beginsel het dooden van dieren en het eten van hun vleesch afkeuren. De meest naauwgezette zedekundigen van alle tijden en volken hebben in dit opzigt alleen aangedrongen op menschelijkheid, dat is, op het vermijden van alle onnoodige wreedheid. Men mag een dier tot zijn onvoorwaardelijk gehoorzamen dienaar maken, — men mag het voor zich doen arbeiden, — men mag het naar het gevoelen van de overgroote meerderheid dooden, — maar het is verboden het te plagen of te martelen. Wel nu, wij hebben hier te doen niet, zoo men wil, met dieren, maar toch met lagere wezens dan wij zelve, die onze broeders en onze naasten niet zijn. Kan men nu volhouden, dat de verpligtingen, die den eenen mensch verbinden jegens den anderen, en die, wel beschouwd, berusten op de erkenning van het gelijk menschelijke in alle menschen, op het waarderen van den mensch in den mensch, in hare geheele uitgestrektheid ook voor ons verbindend zijn, waar er spraak is van onze verhouding tot die lagere wezens? Immers neen! Wij willen gaarne erkennen, dat wij verpligt zijn ons menschelijk<noinclude></noinclude> 2ogvsbdmun18rvnzs20q0ype9shkb67 Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/359 104 89591 227599 2026-10-02T18:27:32Z WeeJeeVee 2844 /* Niet proefgelezen */ 227599 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|324| OVER DE VOLMAAKBAARHEID DER LAGERE|}}</noinclude>jegens hen te gedragen, nog meer dan jegens de dieren. Wij willen op grond van het hoogere psychische standpunt, waarop die lagere menschensoorten dan toch in vergelijking met de dieren staan, toegeven, dat op ons de verpligting rust om, terwijl wij door hen ons eigen belang trachten te bevorderen, tevens zoo veel mogelijk het: hunne in het oog te houden. Maar alleen onkunde of dweepzucht kunnen het laken, wanneer wij hen aan ons onderdanig maken, wanneer wij hen, zonder dat zij zelve het willen of begrijpen, dienstbaar maken aan onze eigene ontwikkeling en beschaving, — vooral, wanneer het daarenboven nog vrij zeker is, dat die lagere rassen in onze heerschappij over hen de beste waarborgen vinden voor hun eigen geluk." Ik heb niet maar de mogelijkheid dezer redenering verondersteld voor het geval dat de anthropologie een ontkennend antwoord mogt geven op de vraag aangaande de perfectibiliteit van alle menschenrassen. Die vraag toch wordt door zeer vele anthropologen in ontkennenden zin beantwoord, en men heeft inderdaad op dat antwoord die redenering gegrond, — eene redenering, waartegen waarlijk niet veel is in te brengen. Ik heb alleen de, 't zij onbewimpelde, 't zij min of meer bewimpelde uitspraken van eenige anthropologen op eene eenvoudige en ondubbelzinnige wijze voorgesteld. In de laatste tijden toch is eene geheele omkeering van de denkbeelden aangaande de slavenkwestie aangevangen. Vele mijner lezers zullen zich met mij den tijd herinneren, toen alleen zoodanige personen, die bij de instandhouding der slavernij meer of min regtstreeksch belang hadden, of zij, die zich door hen hadden laten inspireren, de "instelling" der slavernij in ernst verdedigden, — toen geen fatsoenlijk, weldenkend mensch, vooral geen opregt christen een verdediger der slavernij wezen kon. Die tijden zijn voorbij. Om van Amerika niet te spreken, in het christelijke, abolitionistische Engeland begint men de slavernij der negers meer en meer te verdedigen, — niet, zoo als vroeger eenige niet zeer achtenswaardige exemplaren van de soort homo sapiens dit deden, uit het oogpunt van materieel belang, — maar op anthropologische en wijsgeerige gronden. Ik zou daarvoor vele bewijzen kunnen aanvoeren, doch het is genoeg de in het vorig jaar gehoudene voordragt van den heer {{sc|james hunt}}, voorzitter van de ''Anthropological''<noinclude></noinclude> g0x9ttrwcblwly7nphjd6t0tryukffb Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/197 104 89592 227604 2026-10-03T07:13:14Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 227604 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|127}}</noinclude><poem>Die mi tenen knape woude hueren? Want ic can wel ter tafelen dueren<ref>''Ter tafelen dueren'' d. i. ''lang tafelen.''</ref> Ende oec canic graven ende luken<ref>''Luken'' d. i. ''sluiten'', stellig in den zin van ''Zäune und Hecken machen'', zooals {{asc|HOFFMANN}} heeft.</ref>. {{gap|4em}}{{sp|Die ander man}}. Ende ic can binden<ref>''Binden:'' ironisch natuurlijk, daarom noemt die ierste man het vs. 32 ook ''een vri abuus'' d. i. ''eene vroolijke vergissing.''</ref> steinen kruuken {{sup|25}}Ende melcteilen<ref>''Melcteilen: melcteile'' is ''steenen melkkan.'' Verg. {{asc|KIL.}} in voce ''teyle'' en de noot.</ref> van erden ghedrayt. {{gap|4em}}{{sp|Die ierste man}}. En trouwen, die duvel brinet u hier gewait Met uwer foberdien<ref>''Foberdien'' van ''foberdie'' d. i. ''gekkernij, scherts'', kennelijk afkomstig van ''fobaert'', zie ''Rose'' vs. 8030 variant. {{asc|KIL.}} heeft het woord niet, en mij is geen tweede voorbeeld bekend. K{{asc|AUSLER}} ''Denkm.'' III bl. 262 teekent er bij aan: "Verwandt mit dem hochdeutschen ''foppen'', engl. ''fob.''"</ref> te maken. {{gap|4em}}{{sp|Die ander man}}. God gheve u ramp in uwe kaken! Duncket u wesen foberdie? {{sup|30}}Alsoe gerne woudic mijn broot als ghie, Want ic hebbe wijf ende kinder thuus. {{gap|4em}}{{sp|Die ierste man}}. Jaet, het dunct mi een vri abuus: Steinen cruuken binden ende melcteilen! </poem><ref follow=Leggen> {{gedicht|Hier op en sal gheen man Sere ''legghen'' sinen ''mere'', Want en was nie soe wisen clerc Van sinne in ghenen stonden, Die dese dine conste ghegronden;}} en de Winter zegt tot Mojaert, ''Winter ende Somer'' vs. 219: {{gedicht|Want die winter es u te steere. Als ic aen u ''legghe'' minen ''mere'', So sijn u lippen van couden blau;}} Lanteloet vs. 181: {{gedicht|Gherechte minne en ''ledt'' gheen ''mere'' Aen rycheit noch an groetheit van maghen.}}</ref><noinclude></noinclude> mvj0uyiqll4365hlimwkv015jemrfek 227606 227604 2026-10-03T07:23:44Z Havang(nl) 4330 227606 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|127}}</noinclude><poem>Die mi tenen knape woude hueren? Want ic can wel ter tafelen dueren<ref>''Ter tafelen dueren'' d. i. ''lang tafelen.''</ref> Ende oec canic graven ende luken<ref>''Luken'' d. i. ''sluiten'', stellig in den zin van ''Zäune und Hecken machen'', zooals {{asc|HOFFMANN}} heeft.</ref>. {{gap|4em}}{{sp|Die ander man}}. Ende ic can binden<ref>''Binden:'' ironisch natuurlijk, daarom noemt die ierste man het vs. 32 ook ''een vri abuus'' d. i. ''eene vroolijke vergissing.''</ref> steinen kruuken {{sup|25}}Ende melcteilen<ref>''Melcteilen: melcteile'' is ''steenen melkkan.'' Verg. {{asc|KIL.}} in voce ''teyle'' en de noot.</ref> van erden ghedrayt. {{gap|4em}}{{sp|Die ierste man}}. En trouwen, die duvel brinet u hier gewait Met uwer foberdien<ref>''Foberdien'' van ''foberdie'' d. i. ''gekkernij, scherts'', kennelijk afkomstig van ''fobaert'', zie ''Rose'' vs. 8030 variant. {{asc|KIL.}} heeft het woord niet, en mij is geen tweede voorbeeld bekend. K{{asc|AUSLER}} ''Denkm.'' III bl. 262 teekent er bij aan: "Verwandt mit dem hochdeutschen ''foppen'', engl. ''fob.''"</ref> te maken. {{gap|4em}}{{sp|Die ander man}}. God gheve u ramp in uwe kaken! Duncket u wesen foberdie? {{sup|30}}Alsoe gerne woudic mijn broot als ghie, Want ic hebbe wijf ende kinder thuus. {{gap|4em}}{{sp|Die ierste man}}. Jaet, het dunct mi een vri abuus: Steinen cruuken binden ende melcteilen! </poem><ref follow=Leggen> {{gedicht|Hier op en sal gheen man Sere ''legghen'' sinen ''mere'', Want en was nie soe wisen clerc Van sinne in ghenen stonden, Die dese dine conste ghegronden;}} en de Winter zegt tot Mojaert, ''Winter ende Somer'' vs. 219: {{gedicht|Want die winter es u te steere. Als ic aen u ''legghe'' minen ''mere'', So sijn u lippen van couden blau;}} Lanteloet vs. 181: {{gedicht|Gherechte minne en ''ledt'' gheen ''mere'' Aen rycheit noch an groetheit van maghen.}}</ref><noinclude></noinclude> qsjfwraijog0rdppfxbpsm45b04lhy5 Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/198 104 89593 227605 2026-10-03T07:22:11Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 227605 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|128}}</noinclude><poem> Condi die wel te gader heilen, {{asc|35}}Soe sidi wel een constich man. {{gap|4em}}{{sp|Die ander man}}. Waendi dat ic noch niet meer en can? Ja woudics mi onderwinden Ende minen sac van consten ontbinden<ref>''Minen sac van consten ontbinden'' d. i. ''met mijne kunsten voor den dag komen'', eig. ''den zak losmaken, waarin mijne toovermiddelen zijn verborgen'', b. v. het ''busken'' d. i. het ''busje'', waarover vs. 50. Of hebben we hier, gelijk ''Rein.'' II vs. 6787: {{gedicht|Tibert, neve, Een ''sac'' vol raets ic ons wel geve: Dat weet ie wel, hebben wijs te doen:}} eene spreekwijze als onze ''een schip vol?'' Het eene zoowel als het andere kan er door.</ref>, Ic soude van u maken een peert, {{sup|40}}Het soude schinen tien pont weert, Swert van hare ende daer toe ru<ref>''Ru'' d. i. ''harig''.</ref>. {{gap|4em}}{{sp|Die ierste man}}. God brachte mi ane u, Ic hore wel, ghi sijt een constenare. Soudi mi connen verdriven mijn grawe hare {{sup|45}}Ende tien jaer jongher maken van dagen, Dat ic minen wive mocht wel behagen, Ic soude u gheven goeden loon. {{gap|4em}}{{sp|Die ander man}}. Jaic, ic sal u maken alsoe scoen, U wijf sal duncken om u rasen<ref>''Rasen'' d. i. ''dol zijn'', hier van verliefdheid natuurlijk. Van ''duncken'' d. i. ''schijnen'', als hulpwerkwoord gebruikt met volgenden onbep. wijs zonder ''te'', heeft ''Rijmb. Gloss.'' tal van voorbeelden.</ref>. {{sup|50}}Lietic u in dit busken blasen, Ghi sout al ene ander varuwe<ref>''Varuwe'' of ''varice, verwe'' d. i. ''kleur''.</ref> ontfaen, Ghi sout werden alsoe ghedaen"<ref>''Ghedaen:'' zie op ''Glor.'' vs. 623.</ref>, U wijf en soude u niet connen gekinnen. {{gap|4em}}{{sp|Die ierste man}}. Bi mijnder trouwen, daer seldi ane winnen, </poem><noinclude></noinclude> c6jf2x54tghqgki59a91qnqc9scaerk Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/199 104 89594 227607 2026-10-03T07:32:46Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 227607 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|129}}</noinclude><poem> {{sup|55}}Op dat mi dat mach ghescien. {{gap|4em}}{{sp|Die ander man}}. Bi gode, uw wijf saelt wel sien, Als ghi weder tot hare comt. {{gap|4em}}{{sp|Die ierste man}}. Alsoe en moetic nemmeer sijn verdoemt, En saelt mi niet costen van minen miten<ref>''Miten'' van ''mijt'' d. i. ongeveer ''anderhalve penning'', dus klein geld, van daar dat de ''mijt'' inzonderheid gebruikt wordt ter aanduiding van eene kleine waarde of tot bloote ontkenning, b. v. ''niet ene mite'' gelijk beneden vs. 146, of wel ''niet 2 mijten'' voor niets hoegenaamd. Toen de uitdrukking verouderd was geworden, heeft men weleens aan den ''kaasworm'' in plaats van aan het ''muntstukje'' gedacht: verg. {{asc|DE JAGER}} ''Lat. Versch.'' bl. 69 vlgg.</ref>. {{sup|60}}Si pleeght mi alte dicke mijn lelicheit te verwiten, Dat ic selden met vreden leve. Hout, siet, ic sal u gheven Dese goede borse ende tghelt daer toe. Ic vercocht gisteren mine goede coe: {{sup|65}}Daer es tgheelt in al gheheel, Dat seldi hebben tuwen deel. Si gout<ref>''Gout'' d. i. ''gold'' van ''ghelden'',</ref> tien schillinc ende veertich pont. {{gap|4em}}{{sp|Die ander man}}. Hout, set dat busken ane uwen mont Ende blaest stijf met al uwer macht. {{sup|70}} Ic hebbe soe menich const volbracht, Ie sal emmer dese oec volbringen. {{gap|4em}}{{sp|Die ierste man}}. Salics iet te bat singhen? Want dat en constic noit geleren. {{gap|4em}}{{sp|Die ander man}}. Jaghi, ende u varwe sal u verkeren {{sup|75}}Ende u stemme sal werden claer. {{gap|4em}}{{sp|Die ierste man}}. Keren<ref>''Keren:'' "Ausruf der Verwunderung: — zegt {{asc|HOPPMANN}} — ha!</ref>, god gheve u een goet jaer, </poem><noinclude></noinclude> 209t8vdhu5816siqow29xe2biu0xiiq 227608 227607 2026-10-03T07:34:13Z Havang(nl) 4330 227608 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|129}}</noinclude><poem> {{sup|55}}Op dat mi dat mach ghescien. {{gap|4em}}{{sp|Die ander man}}. Bi gode, uw wijf saelt wel sien, Als ghi weder tot hare comt. {{gap|4em}}{{sp|Die ierste man}}. Alsoe en moetic nemmeer sijn verdoemt, En saelt mi niet costen van minen miten<ref>''Miten'' van ''mijt'' d. i. ongeveer ''anderhalve penning'', dus klein geld, van daar dat de ''mijt'' inzonderheid gebruikt wordt ter aanduiding van eene kleine waarde of tot bloote ontkenning, b. v. ''niet ene mite'' gelijk beneden vs. 146, of wel ''niet 2 mijten'' voor niets hoegenaamd. Toen de uitdrukking verouderd was geworden, heeft men weleens aan den ''kaasworm'' in plaats van aan het ''muntstukje'' gedacht: verg. {{asc|DE JAGER}} ''Lat. Versch.'' bl. 69 vlgg.</ref>. {{sup|60}}Si pleeght mi alte dicke mijn lelicheit te verwiten, Dat ic selden met vreden leve. Hout, siet, ic sal u gheven Dese goede borse ende tghelt daer toe. Ic vercocht gisteren mine goede coe: {{sup|65}}Daer es tgheelt in al gheheel, Dat seldi hebben tuwen deel. Si gout<ref>''Gout'' d. i. ''gold'' van ''ghelden'',</ref> tien schillinc ende veertich pont. {{gap|4em}}{{sp|Die ander man}}. Hout, set dat busken ane uwen mont Ende blaest stijf met al uwer macht. {{sup|70}} Ic hebbe soe menich const volbracht, Ie sal emmer dese oec volbringen. {{gap|4em}}{{sp|Die ierste man}}. Salics iet te bat singhen? Want dat en constic noit geleren. {{gap|4em}}{{sp|Die ander man}}. Jaghi, ende u varwe sal u verkeren {{sup|75}}Ende u stemme sal werden claer. {{gap|4em}}{{sp|Die ierste man}}. Keren<ref name=Keren>''Keren:'' "Ausruf der Verwunderung: — zegt {{asc|HOPPMANN}} — ha!</ref>, god gheve u een goet jaer, </poem><noinclude></noinclude> efxe16d49jjj85q3smpuqvztmvr1ias Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/200 104 89595 227609 2026-10-03T07:46:27Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 227609 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|130}}</noinclude><poem> Tot alden ghelde wetics u dane; Machic beteren ane minen sane, Soe eest tgheit te male behouden. {{gap|4em}}{{sp|Die ander man}}. {{sup|80}}Nu blaest in, dat god moets wouden<ref>''Wouden'' en vs. 86 ''wouts:'' zie op ''Glor.'' vs. 1069.</ref>, Jaboye<ref>''Jaboye'' d. i. ''zie, ziedaar:'' "Ausruf der Verwunderung", zooals {{asc|HOFFMANN}}; "Ausdruck frohes Erstaunene", zooals {{asc|BENECKE}} ''Mhgd. Wbuch'' heeft. Het is oorspronkelijk het Fransche ''à vous''.</ref>, nu sidi een man. Ic swere u bi sente Jan, Dat hi niet en leeft op desen dach, Die a met oghen noit en sach, {{sup|85}}Dat hi u niet kinnen en sal. {{gap|4em}}{{sp|Die ierste man}}. Nu wouts god ende goet gheval, Hoe ic sal varen<ref>''Faren'' d. i. hier zooveel als ''het hebben;'' het vers wil zeggen: ''hoe ik het zal hebben met mijn vrouw''.</ref> met minen wive. Des es leden vier daghe ende vive, Dat si mijn lelicheit verweet. {{sup|90}}Nu willic thuusweert gaen ghereet, Ende laten haer sien hoe ic haer behage. Si heeft ghedaen soe grote claghe, Dat ic lelic was ende out: Dies en hebbic nu nemmeer scout, {{sup|95}}Want mijn anschijn heeft nu een ander hunt. {{gap|4em}}{{sp|Die ander man}}. Dat doeghet<ref>''Doeghet'' d. i. ''doet het'', zooals door {{asc|HOFFMANN}} hier zelfs wordt gelezen, en met eene kleine wijziging behoort te worden gelezen. ''Dat doet'' voor ''dat doetet'' d. i. ''so it does'', zal er wel moeten staan.<br>''Muut'' d. i. ''hooi:'' {{asc|K1L}}. ''cavea''; ook ''nest, woning. Ferg.'' vs. 3776:</ref>, ende tghelt van der coe es in de muut. {{gap|5em}}~~~~~~~~~~ </poem> <ref follow=Keren>Ich habe mich vergebens umgesehen nach einem sonstigen Vorkommen dieser Wortes und nach seiner Etymologie." Ik zou meenen met {{asc|VAN VLOTEN}} ''Ned. Kluchtsp.'' bl. 18 dat het even als ''Key'' is verbasterd uit ''Kristus''.<br>Een goed jaer d. i. geluk, evenals een quaet jaer vs. 124 voor ongeluk wordt gebezigd.</ref><noinclude></noinclude> fjaw0klzjhb74h10izd505xh5o9rztu Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/201 104 89596 227610 2026-10-03T11:31:50Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 227610 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|181}}</noinclude><poem> {{gap|4em}}{{sp|Die ierste man}}. Entrouwen, ic ben ghebetert an mijn springen. Hulp god, hoe claer salic nu singen! Nu hebbe god lof ende danc: {{sup|100}}Ic ben ghebetert ane minen sanc Alsoe wel als ic ane mijn scoenheit bin. O wijf, mijn minnekijn, laet mi in, Ende comt, besiet mi nu! {{gap|5em}}{{sp|Sijn wijf}}. Keren, siet met desen seu<ref>''Seu'' d. i. ''vogelverschrikker, molik:'' {{asc|VAN VLOTEN}} t. a. pl.; {{asc|KIL.}} in voce ''schouw'' heeft ''terriculum, terriculamentum''. In de ''Verklar. Wlijst op de kantteekeningen van den Statenbijbel'', {{asc|DE JAGER}} ''Lat. Versch.'' bl. 346, staat: ''schouw, afkeer, afschrik,'' hoogd. ''Scheu''. Claeglied. 3, 94: "Sulcke menschen, daermen eenen afkeer ofte ''schouw'' van heeft". Wij zeggen nog wel ''afschuw'' in dezen zin, en Mr. {{asc|FRANQUINET}} in zijne ''Proeve over het Taaleigen der stad Maastricht'' teekent aan op ''schouw:'' "dit woord bezit, als afstammende van ''schouwen'', Nederd. ''schuwen'', ook nog die van het Nederd. ''schuw, bevreesd, schroomachtig, ligt verschrikt,'' en die van ''leelijk, afgrijse- lijk, vervaarlijk,'' staande dus in dien laatsten zin voor: ''die geschuwd moet worden. Dat is ene schouwe vent, dat is een leelijke, afgrijselijke kerel": Archief N. T.'' bl. 381.</ref>! 105 Wat duvel, wie heeft u soe begaet<ref name=Begaet>''Begaet'' van ''begaden'' d. i. ''toetakelen'', eig. ''uitrusten, toestellen, in orde brengen: L. Sp.'' II 58 vs. 1:{{GEDICHT|Doe die magheden tamelije ''Begaedt'' hadden dat salighe lijk, Alse thant te doene ter aerden, Nament die apostelen mit waerden, Ende leident thant optie bare,}} waarbij {{ASC|DE VRIES}} aanteekent, dat "''een lijk begaden'' de gewone uitdrukking is voor al de zorg, die men aan een doode vóór de begrafenis ten koste legt." Verder vinden wij ''begaden met goud'' d. i. ''vergulden''; ''begaden met elijk'' d. i. ''vuil maken;'' iemand als Een dief ''begaden'' d. i. ''behandelen''; vleysch</ref>? </poem><ref follow=Muut>{{gedicht| Jo wane hijt hadde in ene ''mute'' Doen crupen, hadt geweest sijn wille;}} Limb. II vs. 1:{{gedicht|Alse alle die crude beghinnen spruten, Entie liewerke hare muten Ghelatet . . . .;}} Winter ende Somer vs. 62:{{gedicht| Je doe den meneghen in vrouden leven, Die ghi hout ligghene in die ''muut''.}} Die ander man wil natuurlijk zeggen, dat ''het geld binnen is''. Verg. ook {{asc|WEIL.}} in voce ''muite'' en {{asc|DE JAGER}} ''Taalk. Mag.'' I bl. 319.</ref><noinclude></noinclude> 71s7vnr2qkwcgwnbw3a0t9yz2a0atlg Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/202 104 89597 227611 2026-10-03T11:42:24Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 227611 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|132}}</noinclude><poem> {{gap|2em}}{{sp|Die ierste man, hear man}}. Ic hebbe in enen joeghtborren<ref>''Joeghtborren'' d. i. ''jeugdbron, bron voor de verjongingskuur.''</ref> ghebaet. Hebdi mijns nu eneghen lost? Dese scoenheit heeft mi ghecost Tgheelt van onser coe algheel. {{gap|5em}}{{sp|Sijn wijf}}. {{sup|110}}Entrouwen, dies hebbe die duvel deel, Hebdi tgheelt hier omme ghegheven ? {{gap|2em}}{{sp|Die ierste man, hear man}}. Jaie, ende mi en es niet bleven, Die borse ic gafse oec met, Ende hi heeft mi een busken an minen mont geset, {{sup|115}}Daer bliesic in al mijn macht<ref>''Al mijn macht:'' verg. vs. 69, alwaar ''met al uwer macht.'' Beide waren gebruikelijk:''Winter ende Somer'' vs. 378:<br>{{gap|4em}}Ende oec soe dunckt mi, haddi geelt,<br>{{gap|4em}}Ghi soudet verdobbelen al u macht;<br>Rubben vs. 209:<br>{{gap|4em}}Soe doet ende haest u al u macht.</ref>, Ende daer quam uut soe groten cracht, Dat ic ben worden aldus scoene. {{gap|5em}}{{sp|Sijn wijf}}. Keren, hoert, dat god u loene, Een wijf vare wel met desen man! {{asc|120}}Entrouwen, die duvel brachter mi an. Ghi sijt recht swert al een moriaen. {{gap|2em}}{{sp|Die ierste man, hear man}}. Wat duvel! benic alsoe ghedaen? En benic niet scoene, wit ende claer? {{gap|5em}}{{sp|Sijn wijf}}. Jaghi, ghi sijt een quaet jaer: {{sup|125}}Ic en sach noit leliker creature. {{gap|6em}}~~~~~~~~~~ </poem> <ref follow=Begaet>''begaden'' d. i. toebereiden, uit welk een en ander de zin duidelijk is. Verg. ''Hor. Belg.'' V bl. 36.</ref><noinclude></noinclude> 3zxg7urza61scx6dby7fjenq8yvjgwc 227612 227611 2026-10-03T11:45:38Z Havang(nl) 4330 227612 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|132}}</noinclude><poem> {{gap|2em}}{{sp|Die ierste man, haer man}}. Ic hebbe in enen joeghtborren<ref>''Joeghtborren'' d. i. ''jeugdbron, bron voor de verjongingskuur.''</ref> ghebaet. Hebdi mijns nu eneghen lost? Dese scoenheit heeft mi ghecost Tgheelt van onser coe algheel. {{gap|5em}}{{sp|Sijn wijf}}. {{sup|110}}Entrouwen, dies hebbe die duvel deel, Hebdi tgheelt hier omme ghegheven ? {{gap|2em}}{{sp|Die ierste man, haer man}}. Jaie, ende mi en es niet bleven, Die borse ic gafse oec met, Ende hi heeft mi een busken an minen mont geset, {{sup|115}}Daer bliesic in al mijn macht<ref>''Al mijn macht:'' verg. vs. 69, alwaar ''met al uwer macht.'' Beide waren gebruikelijk:''Winter ende Somer'' vs. 378:<br>{{gap|4em}}Ende oec soe dunckt mi, haddi geelt,<br>{{gap|4em}}Ghi soudet verdobbelen al u macht;<br>Rubben vs. 209:<br>{{gap|4em}}Soe doet ende haest u al u macht.</ref>, Ende daer quam uut soe groten cracht, Dat ic ben worden aldus scoene. {{gap|5em}}{{sp|Sijn wijf}}. Keren, hoert, dat god u loene, Een wijf vare wel met desen man! {{asc|120}}Entrouwen, die duvel brachter mi an. Ghi sijt recht swert al een moriaen. {{gap|2em}}{{sp|Die ierste man, haar man}}. Wat duvel! benic alsoe ghedaen? En benic niet scoene, wit ende claer? {{gap|5em}}{{sp|Sijn wijf}}. Jaghi, ghi sijt een quaet jaer: {{sup|125}}Ic en sach noit leliker creature. {{gap|6em}}~~~~~~~~~~ </poem> <ref follow=Begaet>''begaden'' d. i. toebereiden, uit welk een en ander de zin duidelijk is. Verg. ''Hor. Belg.'' V bl. 36.</ref><noinclude></noinclude> tjccyf9apbbegumytzn3c35mvn9skso Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/203 104 89598 227613 2026-10-03T11:53:50Z Havang(nl) 4330 /* Proefgelezen */ 227613 proofread-page text/x-wiki <noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" />{{c|138}}</noinclude><poem> Wat, Gheert, lieve ghebure, Comt ende besiet minen man! {{gap|4em}}{{sp|Gheert, sijn ghebuer}}. Wat Goesen, bi sente Jan, Wie heeft u alsoe begaet? {{sup|180}}Ghi hebt emmer in ene weedteupe<ref>''Weedteupe'' d. i. ''weedekuip, verfkuip''.</ref> gebaet: U anscijn es al met swerten<ref>''Swerte'' d. i. ''zwart. Met swerten bestoren'' op dezelfde wijs als ''in 't zwart zijn,'' zooals wij nog wel zeggen.</ref> bestoven. {{gap|2em}}{{sp|Die ierste man, haer man}}. Ay mi, ende benic al verscoven<ref>''Verscoven'' d. i. ''ellendig, rampzalig,'' vandaar ''verschoveling''. De verklaring van {{asc|VAN VLOTEN}} als zoude het hier veranderd willen zeggen, durf ik niet over te nemen.</ref>? Es dit emmer seker waor? Latet mi doch sien in enen spiegel claer, {{sup|185}}Dat ic mi selven mach anesien. {{gap|5em}}{{sp|Sijn wijf}}. Entrouwen, dat sal u ghescien. {{gap|2em}}{{sp|Die ierste man, haer man}}. Hulpe, hulpe, goede liede! Des wonders ghelijk en sach ic nie, En was nie man aldus bedroghen. {{gap|5em}}{{sp|Sijn wijf}}. {{sup|140}}Ghi wanet, dat ic hadde gheloghen, Vul ondier sot! {{gap|2em}}{{sp|Die ierste man, haer man}}. Ghi segt waer, alsoe hulpe mi god, Ic mach nu wel een sotkijn sijn. Ay uutvercoren minnekijn, {{sup|145}}Hulpt mi, dat ics mach werden quite. {{gap|5em}}{{sp|Sijn wijf}}. Bi gode, ie en gaver niet omme ene mite, Al bleefdi ewelije alsoe ghedaen. </poem><noinclude></noinclude> iz5i3zwhy5upk5bhb2wuo7zeg5zxeja