Wikisource
nlwikisource
https://nl.wikisource.org/wiki/Hoofdpagina
MediaWiki 1.47.0-wmf.24
first-letter
Media
Speciaal
Overleg
Gebruiker
Overleg gebruiker
Wikisource
Overleg Wikisource
Bestand
Overleg bestand
MediaWiki
Overleg MediaWiki
Sjabloon
Overleg sjabloon
Help
Overleg help
Categorie
Overleg categorie
Hoofdportaal
Overleg hoofdportaal
Auteur
Overleg auteur
Pagina
Overleg pagina
Index
Overleg index
TimedText
TimedText talk
Module
Overleg module
Event
Event talk
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/99
104
87748
228408
224799
2026-10-17T15:46:45Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
228408
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Au jour que li tournois fu devisés et mis,
Fu li contes de Flandre de chevaliers garnis.
De Hainnau et de Flandre en i ot ·c· et dis ;
Mais li tournois adont fu tellement partis,
Que chil de Hainnau èrent, à che tournoy, empris
Contre otant de Flamens. Ensi fu li fais pris :
Qui se courechera, ·ij· ans pert son païs ;
Toute sa revenue n’en tenra ·ij· espis.
Diex ! que sus le marchiet a-on ches hours bastis,
En haut sus les fenestres, de grans mariens mastis,
Où les puchellez sont blanchez que flour de lis,
Vestiez noblement à capiaus d’or polis,
A riches escarbouclez et pendant par avis ;
Leur cheveus galonnez, gannez et esclarchis,
Pendans sus ches espaulez, delez ces nés traitis,
A pièrez et à perles gentement agentis.
Tantes bellez pucellez, bien fourréez de gris,
Couronnéez d’or fin, les bons capiaus d’or mis,
Véissiez as fenestres atendans. Les marchis
Qui viènent au tournoy, dessus les Arrabis,
Si noblement armet, à tourniclez vestis,
Que che sambloient angèle venant de paradis,
Regardent ches pucellez, qui ont lez corpz polis.
Il n’est si dolans coers qui n’en fuist resjoïs ;
Mais telz en convoita, à faire ses délis,
Qui pour ·m· mars d’or n’en finast d’un seul ris :
Car chose qui est quière est amée tout dis.
Moult fu noble le feste, et très bien ordenée.
Li tournois fu partis droit à la matinée ;
Par dessus le marquié fu faite l’assamblée.
Li quens Robers de Flandre a sa seur regardée,
Qui estoit aussi blanche que serainne né fée.
« Hé ! soer, » che dist li contez, « moult estez belle née !
« Par ma foy, sé je vis, bien serez mariée. »
Et li chevalier viènent, sans nulle demourée,
</poem>
|valign=top|
<poem>
Op de dag dat het toernooi was gepland en vastgesteld,
Was de graaf van Vlaanderen omgeven met van ridders.
Uit Henegouwen en Vlaanderen waren er honderdtien;
Maar het toernooi was destijds zo ingedeeld,
Dat degenen uit Henegouwen bij dit toernooi partij kozen
Tegen evenzoveel Vlamingen. Zo werd de afspraak gemaakt:
Wie in woede ontsteekt, verliest voor twee jaar zijn land;
Van al zijn inkomsten zal hij nog geen twee korenaren behouden.
{{gap|1em}}God! Wat heeft men boven de markt die tribunes gebouwd,
Hoog boven de vensters, van grote houten balken,{{vnr|490}}
Waar de maagden zitten, blanker dan de leliebloem,
Edel gekleed met hoeden van gepolijst goud,
Met rijke {{SIC|karbonkels|Almandien, soort edelsteen}} die er sierlijk aan hangen;
Hun haar gevlochten, blond en glanzend,
Hangend langs hun fijne neuzen tot over de schouders,
Met stenen en parels keurig versierd.
Zoveel mooie maagden, goed in bont gekleed,
Gekroond met zuiver goud, de goede gouden hoeden opgezet,
Zou u aan de vensters zien wachten. De markiezen
Die naar het toernooi komen, gezeten op hun Arabische paarden,{{vnr|500}}
Zo edel gewapend, gekleed in hun tunieken,
Dat zij leken op engelen die uit het paradijs kwamen,
Kijken naar deze maagden, die slanke lichamen hebben.
Er is geen hart zo bedroefd dat er niet door verblijd zou worden;
Maar menigeen begeerde hen, om zijn plezier te hebben,
Die voor duizend mark goud nog geen enkele glimlach zou verkrijgen:
Want iets wat kostbaar is, is altijd geliefd.
{{gap|1em}}Het feest was zeer edel en zeer goed geordend.
Het toernooi was precies in de ochtend gestart;
Boven de markt werd de strijd aangevangen.{{vnr|510}}
Graaf Robrecht van Vlaanderen keek naar zijn zuster,
Die even blank was als een zeemeermin of een fee.
"Ach! zuster," zei de graaf, "wat bent u mooi geboren!
"Bij mijn trouw, als ik leef, zult u goed uitgehuwlijkt worden."
En de ridders komen eraan, zonder enig uitstel,
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
275gbr3xnan33288uxdpfcooc6c2qyc
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/100
104
87749
228409
224800
2026-10-17T15:59:33Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
228409
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Sus le camp s’a cascuns son enseigne ordenée ;
Li sires de Sebourc i vint, à teste armée,
Bauduins le sievoit, qui le brach ot quarrée :
N’avoit plus biaus de lui, jusqu’à le mer Béthée ;
Deseure tous les autrez fu se hauture passée
·j· piet tout mesuret, c’est véritez provée.
Quant ou marchiet entra, droitement à s’entrée,
Sus ·j· hourt regarda : si a Blanche avisée,
Soer au conte Robert de Hainnau le contrée,
Qui estoit si très belle, vermeille et coulourée,
Qu’onques mais si très belle n’ot li bers regardée ;
Et s’estoit gentement vestie et aournée.
« Pucelle, » dist li enfès, « à bien fuissiez-vous née !
« Je croi que de nous ·ij· porroit faire assamblée,
« N’aroit si belle paire jusques en Galilée ;
« Mais n’aferroit à vous que me fuissiez donnée,
« Car fiex sui d’un villain, qui n’ot vaillant riens née :
« Si m’a nourri mes sires, pour Diu, plus d’une année ;
« Ensi le me dist-on. J’ai le chière irée !
« Car pas ne sui villains de cuer né de pensée,
« Et j’ai bien oï dire, il a mainte journée,
« Que nulz homs n’est villains, de maise renommée,
« Sé de cuer ne li vient ; c’est véritez prouvée.
« Ahi ! noble pucelle, très bien enluminée,
« Pour vostre amour ferrai anuit tel cop d’espée,
« Dont telz le comperra c’ore n’en sot riens née. »
Dont broche le cheval ; si a le coife ostée :
A le pucelle fist une douche enclinée.
Leus que celle le vit, fu toute enamourée ;
De l’amour Bauduin esprise et enflambée.
Dist à une pucelle qui estoit à l’entrée :
« Qui est chius escuierz ? ne me faitez célée. »
« Dame, » dist la pucelle, qui bien fu avisée,
« Au signour de Sebourc a servi mainte année,
« On dist car il li a sa fille présentée ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
Op het veld heeft ieder zijn banier opgesteld;
De heer van Sebourg kwam eraan, met de helm op het hoofd,
Boudewijn volgde hem, die een forse arm had:
Er was geen mooiere dan hij, tot aan de zee van Bethée;
Zijn lengte stak boven alle anderen {{vnr|520}}
Een volle gemeten voet uit, dat is bewezen waar.
Toen hij de markt betrad, precies bij zijn entree,
Keek hij omhoog naar een tribune: daar merkte hij Blanche op,
De zuster van graaf Robrecht van het land Henegouwen,
Die zo buitengewoon mooi was, blozend en kleurrijk,
Dat de held nog nooit zo'n buitengewoon schone had aanschouwd;
En zij was keurig gekleed en versierd.
"Maagd," zei het kind, "onder een goed gesternte bent u geboren!
"Ik geloof dat men van ons tweeën een paar zou kunnen maken,
"Er zou geen paar zo mooi zijn tot in Galilea; {{gap|1em|530}}
"Maar het zou u niet passen dat u aan mij werd gegeven,
"Want ik ben de zoon van een lomperd, die niets van waarde bezit:
"Mijn heer heeft mij uit liefdadigheid meer dan een jaar opgevoed;
"Zo heeft men het mij verteld. Ik heb een toornig gezicht!
"Want ik ben geen lomperd van hart of van gedachte,
"En ik heb wel horen zeggen, al sinds menige dag,
"Dat geen mens een lompernd is van slechte reputatie,
"Als het niet uit zijn hart voortkomt; dat is een bewezen waarheid.
"O! Edele maagd, zo prachtig verlicht,
"Omwille van uw liefde zal ik vanavond zo'n zwaardslag uitdelen,{{vnr|540}}
"Waarvan menigeen de gevolgen zal ondervinden die er nu nog niets van weet."
Toen spoorde hij het paard aan; en hij heeft zijn helmkap afgezet:
Voor de maagd maakte hij een zachte buiging.
Zodra zij hem zag, was zij geheel verliefd;
Door de liefde voor Boudewijn gegrepen en in vlam gezet.
Zij zei tegen een meisje dat bij de ingang stond:
"Wie is deze schildknaap? Verzwijg het niet voor mij."
"Dame," zei het meisje, dat goed op de hoogte was,
"De heer van Sebourg heeft hij menig jaar gediend,
"Men zegt dat hij hem zijn dochter heeft aangeboden;{{vnr|550}}
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
srvr2gf1pq3a9c5cw21tqrstqfqi2c9
228415
228409
2026-10-18T08:13:55Z
Havang(nl)
4330
228415
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
Sus le camp s’a cascuns son enseigne ordenée ;
Li sires de Sebourc i vint, à teste armée,
Bauduins le sievoit, qui le brach ot quarrée :
N’avoit plus biaus de lui, jusqu’à le mer Béthée ;
Deseure tous les autrez fu se hauture passée
·j· piet tout mesuret, c’est véritez provée.
Quant ou marchiet entra, droitement à s’entrée,
Sus ·j· hourt regarda : si a Blanche avisée,
Soer au conte Robert de Hainnau le contrée,
Qui estoit si très belle, vermeille et coulourée,
Qu’onques mais si très belle n’ot li bers regardée ;
Et s’estoit gentement vestie et aournée.
« Pucelle, » dist li enfès, « à bien fuissiez-vous née !
« Je croi que de nous ·ij· porroit faire assamblée,
« N’aroit si belle paire jusques en Galilée ;
« Mais n’aferroit à vous que me fuissiez donnée,
« Car fiex sui d’un villain, qui n’ot vaillant riens née :
« Si m’a nourri mes sires, pour Diu, plus d’une année ;
« Ensi le me dist-on. J’ai le chière irée !
« Car pas ne sui villains de cuer né de pensée,
« Et j’ai bien oï dire, il a mainte journée,
« Que nulz homs n’est villains, de maise renommée,
« Sé de cuer ne li vient ; c’est véritez prouvée.
« Ahi ! noble pucelle, très bien enluminée,
« Pour vostre amour ferrai anuit tel cop d’espée,
« Dont telz le comperra c’ore n’en sot riens née. »
Dont broche le cheval ; si a le coife ostée :
A le pucelle fist une douche enclinée.
Leus que celle le vit, fu toute enamourée ;
De l’amour Bauduin esprise et enflambée.
Dist à une pucelle qui estoit à l’entrée :
« Qui est chius escuierz ? ne me faitez célée. »
« Dame, » dist la pucelle, qui bien fu avisée,
« Au signour de Sebourc a servi mainte année,
« On dist car il li a sa fille présentée ;
</poem>
|valign=top|
<poem>
Op het veld heeft ieder zijn banier opgesteld;
De heer van Sebourg kwam eraan, met de helm op het hoofd,
Boudewijn, die een forse arm had, volgde hem:
Er was geen mooiere dan hij, tot aan de zee van Bethée;
Zijn lengte stak een volle gemeten voet {{vnr|520}}
Boven alle anderen uit, dat is bewezen waar.
Toen hij de markt betrad, precies bij zijn binnenkomst,
Keek hij omhoog naar een tribune: daar merkte hij Blanche op,
De zuster van graaf Robrecht van het land Henegouwen,
Die zo buitengewoon mooi was, blozend en kleurrijk,
Dat de held nog nooit zo'n buitengewoon schone had aanschouwd;
En zij was keurig gekleed en versierd.
"Maagd," zei het kind, "onder een goed gesternte bent u geboren!
"Ik geloof dat men van ons tweeën een paar zou kunnen maken,
"Er zou geen paar zo mooi zijn tot in Galilea; {{gap|1em|530}}
"Maar het zou u niet passen dat u aan mij werd gegeven,
"Want ik ben de zoon van een lomperd, die niets van waarde bezit:
"Mijn heer heeft mij uit liefdadigheid meer dan een jaar opgevoed;
"Zo heeft men het mij verteld. Ik heb een toornig gezicht!
"Want ik ben geen lomperd van hart of van gedachte,
"En ik heb wel horen zeggen, al sinds menige dag,
"Dat geen mens een lomperd is van slechte reputatie,
"Als het niet uit zijn hart voortkomt; dat is een bewezen waarheid.
"O! Edele maagd, zo prachtig verlicht,
"Omwille van uw liefde zal ik vanavond zo'n zwaardslag uitdelen,{{vnr|540}}
"Waarvan menigeen de gevolgen zal ondervinden die er nu nog niets van weet."
Toen spoorde hij het paard aan; en hij heeft zijn helmkap afgezet:
Voor de maagd maakte hij een zachte buiging.
Zodra zij hem zag, was zij geheel verliefd;
Door de liefde voor Boudewijn gegrepen en in vlam gezet.
Zij zei tegen een meisje dat bij de ingang stond:
"Wie is deze schildknaap? Verzwijg het niet voor mij."
"Dame," zei het meisje, dat goed op de hoogte was,
"De heer van Sebourg heeft hij menig jaar gediend,
"Men zegt dat hij hem zijn dochter heeft aangeboden;{{vnr|550}}
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
2slji5xponc6cr2t8thnys4dt9av0a9
Pagina:Li romans de Bauduin de Sebourc.pdf/101
104
87750
228417
224801
2026-10-18T08:26:32Z
Havang(nl)
4330
/* Proefgelezen */
228417
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Havang(nl)" /></noinclude>{|
|valign=top|
<poem>
« Je n’en sai plus avant, par le Vierge loée. »
« Par ma foy, » che dist Blanche, « che fu douche portée.
« Sainte Marie, dame royne courronnée,
« Comment pooit en ·j· jour tel jouvente estre née ! »
Moult fu bien, Bauduins, de la belle prisiés :
« Enfès, » dist la pucelle, « bien estez adréchiez !
« Pléust à Jhésu-Crist, qui fu crucéfiés,
« Que ce fuist li acors de mes amis prisiés
« Que chius dansiaus me fuist donnés et ottroïés.
« Moult seroit belle paire ! Or est-ce grans mesquiés
« Que je n’oze coisir, où mes cuerz soit loïés,
« Ni amer par amours ; c’est pour mi ·j· grans griés !
« Damoisiaus débonairez, sé le mien coer saviez,
« Je croi qu’ens ou tournoy moult hardi vous seriez ;
« Car vous estes tant biaus et tant bien adréchiez,
« Que vo bouche vermeille et vo sourchis déliez
« Valent ·j· autre prinche, à mille mars de fiez. »
Ensi fu Bauduins de la belle prisiés.
Ensement ·j· biaus homs, bien menbrez, bien tailliez,
Trouve, par sa biauté, souvent des boins marquiés,
Où ·j· autrez n’est jà apellez né huquiés.
Bauduins de Sebourc fu biaus et avenans ;
O son signour chavauche li damoisiaus sachans :
Ou marquiet s’arresta, qui est et biaus et grans,
Et bien enclos autour, de grans mariens poissans.
A l’un des lès estoit li estandars luisans ;
·ij· enseignez i ot, ce nous dist li romans,
Là où on doit mener les destriés auferrant,
Ains c’on les ait conquis, car ensi fu li bans.
A gaingnir cheval fu li tournoys vallians.
Là sont li chevalier, les prinches atendans ;
Et cascuns chevaliers ot ·ij· escuierz frans,
Pour aidier qu’au tournoi ne leur soit nul nuisans.
Li sirez de Sebourc fu ès baillez entrans ;
Et Bauduins le sieut, qui gentis fu et frans.
</poem>
|valign=top|
<poem>"Ik weet er niet meer van, bij de geprezen Maagd."
"Bij mijn geloof," zei Blanche, "dat was een zachte dracht.
"Heilige Maria, gekroonde vrouwe koningin,
"Hoe kon op één dag zo'n jeugd geboren worden!"
{{gap|1em}}Boudewijn werd zeer gewaardeerd door de schone:
"Kind,"zei het meisje,"u bent welgemanierd!
"Moge het Jezus Christus behagen, die gekruisigd werd,
"Dat dit de instemming van mijn gewaardeerde vrienden was
"Dat deze jongeman aan mij werd gegeven en geschonken.
"Het zou een heel mooi paar zijn! Nu is het een groot verdriet{{vnr|560}}
"Dat ik niet durf te kiezen waar mijn hart aan verbonden is,
"Noch liefhebben uit liefde; dat is voor mij een grote last!
"Wellevende jonker, als u mijn hart zou kennen,
"Ik geloof dat u in het toernooi zeer dapper zou zijn;
"Want u bent zo mooi en zo welgemanierd,
"Dat uw vuurrode mond en uw fijne wenkbrauwen
"Een andere prins waard zijn, met duizend marken aan leen."
Zo werd Boudewijn door de schone gewaardeerd.
{{gap|1em}}Zo vindt een mooie man, goed gebouwd, goed gevormd,
Door zijn schoonheid vaak goede kansen,{{vnr|570}}
Waar een ander nooit geroepen of ontboden wordt.
{{gap|1em}}Boudewijn van Sebourc was mooi en beminnelijk;
Met zijn heer rijdt de verstandige jonker te paard:
Hij stopte op de markt, die mooi en groot is,
Welomheind met grote, machtige balken.
Aan een van de zijden stond de glanzende standaard;
Twee vaandels waren er, zo vertelt ons de roman,
Waar men de strijdrossen naartoe moet leiden,
Voordat men ze heeft veroverd, want zo luidde het verbod.
Om een paard te winnen was het toernooi waardevol.{{vnr|580}}
Daar zijn de ridders, de wachtende prinsen;
En elke ridder had twee edele schildknapen,
Om te helpen zodat er in het toernooi geen hinder zou zijn.
De heer van Sebourg stapte de omheining binnen;
En Boudewijn, die edel en vrij was, volgde hem.
</poem>
|}<noinclude></noinclude>
ebne38g2ty10ucuyhy4leriejyv5mfz
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/406
104
89995
228406
228303
2026-10-17T15:01:58Z
Vincent Steenberg
280
228406
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" /></noinclude>{{dhr}}
{{c|{{x-larger|{{sp|NAAMROL|0.8em}}}}}}
{{c|{{fine|Van de Beeltenissen der}}}}
{{c|{{x-larger|Konstschilders en Schilderessen.}}}}
{{c|{{larger|In het II. Deel.}}}}
{{dhr|2}}
{{c|[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerrit Dou#plaatA|Plaat A Pag. 1.]]}}
{{alinea|2em|-2em|1 {{sc|Gerard Dou}}. 2 {{sc|Bartolom. vander Helst.}}}}
{{c|[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Govert Flink#plaatB|Plaat B Pag. 19.]]}}
{{alinea|2em|-2em|1 {{sc|Govert Flink}}. 2 {{sc|Pieter Lely}}. 3 {{sc|Philip Koning}}.}}
{{c|[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Baptista Weeninx#plaatC|Plaat C Pag. 79.]]}}
{{alinea|2em|-2em|1 {{sc|Jan Bapt. Weenix}}. 2 {{sc|David Beck}}. 3 {{sc|Sim. Pet. Tilmans}}. 4 {{sc|Hendr. Zorg.}}}}
{{c|[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Aldert van Everdingen#plaatD|Plaat D Pag. 96.]]}}
{{alinea|2em|-2em|1 {{sc|Aldert van Everdingen}}. 2 {{sc|Adam Pynaker}}.}}
{{c|[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerbrant vanden Eekhout#plaatE|Plaat E Pag. 101.]]}}
{{alinea|2em|-2em|1 {{sc|Gerbr. vanden Eekhout}}. 2 {{sc|Walrant en Jaques}}. 3 {{sc|Valliant}}.}}
{{c|[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Paulus Potter#plaatF|Plaat F Pag. 127.]]}}
{{alinea|2em|-2em|1 {{sc|Paulus Potter}}. 2 {{sc|Jakob vander Does}}.}}
{{c|[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johannes Lingelbag|Plaat G Pag. 170.]]}}
{{alinea|2em|-2em|1 {{sc|Johann. Lingelbag}}. 2 {{sc|Samuel en Jan van Hoogstraten}}.}}
{{c|[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hendrik Verschuuring#plaatH|Plaat H Pag. {{SIC|179|197}}.]]}}
{{alinea|2em|-2em|1 {{sc|Hendr. Verschuuring}}. 2 {{sc|Willem Kalf}}.}}
{{c|[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ludolf Bakhuizen#plaatI|Plaat I Pag. 245.]]}}
{{alinea|2em|-2em|1 {{sc|Ludolf Bakhuizen}}. 2 {{sc|Vincent vander Vinne}}.}}
{{c|[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Henrik Roos#plaatK|Plaat K Pag. 277.]]}}
{{alinea|2em|-2em|1 {{sc|Jan Henrik Roos}}. 2 {{sc|Jurjaan van Streek}}.}}
{{gap}}De Plaat met Hebreeuse, Griekse, Roomse enz. Legervanen. Pag. 65.<br>{{gap}}De Plaat van Jupiter en Semele. Pag. 176.<br>{{gap}}De Plaat met Medaljen. Pag. 182.<noinclude>{{rechts|Na-}}</noinclude>
n1kx31qncl6vscvwucd92gjq5miu5wl
228407
228406
2026-10-17T15:03:15Z
Vincent Steenberg
280
228407
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="3" user="Vincent Steenberg" /></noinclude>{{dhr}}
{{c|{{x-larger|{{sp|NAAMROL|0.8em}}}}}}
{{c|{{fine|Van de Beeltenissen der}}}}
{{c|{{x-larger|Konstschilders en Schilderessen.}}}}
{{c|{{larger|In het II. Deel.}}}}
{{dhr|2}}
{{c|[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerrit Dou#plaatA|Plaat A Pag. 1.]]}}
{{alinea|2em|-2em|1 {{sc|Gerard Dou}}. 2 {{sc|Bartolom. vander Helst.}}}}
{{c|[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Govert Flink#plaatB|Plaat B Pag. 19.]]}}
{{alinea|2em|-2em|1 {{sc|Govert Flink}}. 2 {{sc|Pieter Lely}}. 3 {{sc|Philip Koning}}.}}
{{c|[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Baptista Weeninx#plaatC|Plaat C Pag. 79.]]}}
{{alinea|2em|-2em|1 {{sc|Jan Bapt. Weenix}}. 2 {{sc|David Beck}}. 3 {{sc|Sim. Pet. Tilmans}}. 4 {{sc|Hendr. Zorg.}}}}
{{c|[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Aldert van Everdingen#plaatD|Plaat D Pag. 96.]]}}
{{alinea|2em|-2em|1 {{sc|Aldert van Everdingen}}. 2 {{sc|Adam Pynaker}}.}}
{{c|[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerbrant vanden Eekhout#plaatE|Plaat E Pag. 101.]]}}
{{alinea|2em|-2em|1 {{sc|Gerbr. vanden Eekhout}}. 2 {{sc|Walrant en Jaques}}. 3 {{sc|Valliant}}.}}
{{c|[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Paulus Potter#plaatF|Plaat F Pag. 127.]]}}
{{alinea|2em|-2em|1 {{sc|Paulus Potter}}. 2 {{sc|Jakob vander Does}}.}}
{{c|[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johannes Lingelbag#plaatG|Plaat G Pag. 170.]]}}
{{alinea|2em|-2em|1 {{sc|Johann. Lingelbag}}. 2 {{sc|Samuel en Jan van Hoogstraten}}.}}
{{c|[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hendrik Verschuuring#plaatH|Plaat H Pag. {{SIC|179|197}}.]]}}
{{alinea|2em|-2em|1 {{sc|Hendr. Verschuuring}}. 2 {{sc|Willem Kalf}}.}}
{{c|[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ludolf Bakhuizen#plaatI|Plaat I Pag. 245.]]}}
{{alinea|2em|-2em|1 {{sc|Ludolf Bakhuizen}}. 2 {{sc|Vincent vander Vinne}}.}}
{{c|[[De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Henrik Roos#plaatK|Plaat K Pag. 277.]]}}
{{alinea|2em|-2em|1 {{sc|Jan Henrik Roos}}. 2 {{sc|Jurjaan van Streek}}.}}
{{gap}}De Plaat met Hebreeuse, Griekse, Roomse enz. Legervanen. Pag. 65.<br>{{gap}}De Plaat van Jupiter en Semele. Pag. 176.<br>{{gap}}De Plaat met Medaljen. Pag. 182.<noinclude>{{rechts|Na-}}</noinclude>
dcb4d1ri0to542lizejj67sfp4811ho
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/447
104
90037
228410
2026-10-17T18:54:58Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
228410
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|26|ALBUM DER NATUUR.|}}</noinclude>5°. die coëfficient verandert bij dezelfde planten, wanneer de wijze van ademhaling verandert.
Zoo, wanneer men Q de hoeveelheid uitgeademd of opgenomen koolzuur noemt (uitgeademd in het duister of bij diffuus licht, opgenomen en ontleed bij opvallend zonlicht), ''t'' de temperatuur, terwijl A en B twee getalscoëfficienten zijn, dan heeft men:
{| style="margin: 1em auto 1em auto;"
|-
|Q = ||A + B||t².
|-
|}
Voor de temperaturen beneden nul wordt deze formule:
{| style="margin: 1em auto 1em auto;"
|-
|Q = ||A — B||t².
|-
|}
À verandert met den aard der plant en de wijze van ademhaling, dat is den aard der verlichting; B hangt alleen van het licht af.
Voor een laurier b.v. vond hij
{| style="margin: 1em auto 1em auto;"
|-
|in het duister:||Q = 0,733gr. + 0,0003 ''t'' {{smaller|<sup>2</sup>}}.
|-
| {{ditto|in}} diffuus licht:||Q = 0,213{{ditto|gr.}} + 0,00021 ''t'' {{smaller|<sup>2</sup>}}.
|-
| {{ditto|in}} zonlicht:||Q = 0,627{{ditto|gr.}} + 0,0014 ''t'' {{smaller|<sup>2</sup>}}.
|-
|}
De coëfficienten in de laatste rij blijven dezelfde voor verschillende planten. Q is hier het aantal grammen koolzuur opgenomen of uitgeademd in den tijd van een uur.
Tusschen de waargenomen getallen en die welke door berekening uit de formulen gevonden zijn, bestaan slechts verschillen van 4 tot 5 milligrammen. ''l'Institut''., 1864, p. 49).
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Cholesterine.''' — Dr. {{sc|lindenmeyer}}, die zijne inaugurele dissertatie over deze stof geschreven en daarvan een uittreksel geplaatst heeft in het ''Journal für praktische Chemie'', Bd. XG, p. 321, deelt daarin onder anderen mede, dat hij in de reeds door HOPPE ontdekte linksdraaijende polarisatie van de cholesterine in toestand van oplossing, een zeker middel gevonden heeft om de tegenwoordigheid dezer stof, die meer en meer blijkt zeer verbreid te zijn, zoowel in het planten- als dierenrijk, met zekerheid te ontdekken. Hij vond de volgende specifieke draaijingen voor de verschillende Frauenhofersche strepen:
{| style="margin: 1em auto 1em auto;"
|-
|B|| C|| D|| E|| b|| F|| G
|-
|20,63° ||25,54° ||31,59° ||39,91° ||41.92° ||48,65° ||62,37°
|-
|}
Langs dien weg is het mogelijk hare tegenwoordigheid ook in stoffen aan te wijzen, waarin het op andere wijzen moeijelijk kan worden gevonden, zooals in levertraan, amandelolie, enz., en dit kan tevens dienen ter onderkenning van andere olieën, zoo als papaverolie, boomolie, raapolie, enz., die geene linksdraaijing vertoonen.
Voorts heeft hij ook de ontdekking van {{sc|beneke}} bevestigd gevonden, dat de zaden van Leguminosen cholesterine bevatten, en heeft tevens bij erwten<noinclude></noinclude>
sis3rszk3sfy6e1hfeaxgwayhvl26ny
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/448
104
90038
228411
2026-10-17T18:58:04Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
228411
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh||WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.|27}}</noinclude>onderzocht, in welke periode der ontwikkeling van het zaad de vorming dezer stof geschiedt. Uit dit onderzoek volgt, dat die vorming inzonderheid plaats grijpt tegen het tijdperk der rijpwording van het zaad. Hij meent, dat de cholesterine daarin een der omzettingsprodukten van de eiwitstoffen is.
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Kinakultuur op Java.''' — Uit het jaarlijksch berigt over 1862 aangaande den toestand der kinakultuur op Java, door Dr. {{sc|junghuhn}} opgemaakt, nemen wij het volgende algemeen overzigt der voorhandene kinaboomen en zaden over.
{{image missing}}<noinclude></noinclude>
qee8l0frucbs1jwu16fkmoyo4ncr5t0
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/449
104
90039
228412
2026-10-17T19:02:04Z
WeeJeeVee
2844
/* Problematisch */
228412
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="2" user="WeeJeeVee" />{{rh|28|ALBUM DER NATUUR.|}}</noinclude>{{image missing}}
Het getal der nog niet te kiemen gelegde Pahudiana-zaden bedroeg, op ultimo 1861, nagenoeg twee millioen.
Uit het "jaarlijksch berigt" nemen wij verder het volgende, betrekking hebbende tot den bekenden twist over de waarde van ''C. Pahudiana'', over.
"Dat de in vroegere berigten door mij medegedeelde feiten en bewijzen omtrent de waarde der ''C. Pahudiana'' meer en meer worden bevestigd, blijkt o.a. uit de omstandigheid, dat de bast van jonge kinaboomen geene alkaloiden bevat, maar dat deze eerst in den bast van meer volwassene boomen en in eene steeds toenemende hoeveelheid daarin worden aangetroffen, ''naarmate de stam en de bast van deze boomen dikker wordt'' . . . . en wanneer ik met deze daadzaak vergelijk de uitkomsten, welke het scheikundig onderzoek van<noinclude></noinclude>
p1r1bwqhl3zatcwl8nxjvx8rv5zzsb5
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/450
104
90040
228413
2026-10-18T08:03:33Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
228413
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.|29}}</noinclude>twee nog zeer jonge, Pahudiana-boomen eerst kort geleden heeft opgeleverd en die vermeld zijn in mijn rapport over het 4e kwartaal van 1862, dan is het mij volstrekt onmogelijk de C. Pahudiana tot de slechte kinasoorten te rekenen. Deze boomen, toevallig door een woedenden rhinoceros omver geloopen en gedeeltelijk ontworteld, waren pas 5 jaren geleden door mij uit stekken opgekweekt, dus nog zeer jong. Deze woorden »zeer jong" zijn van gewigt om de C. Pahudiana in vergelijking met andere kinaboomen juist te kunnen beoordeelen. Natuurlijk een Pahudiana boom, die na 8 jaren de hoogte van 15 voet heeft bereikt en die nog steeds voortgaat in de hoogte te groeijen, zonder dat zijn stam en bast zich verdikt, is jonger dan een Calisaya (var. Josephiana), die daarnaast staat en met hem te gelijker tijd werd geplant, maar die, 7 of 8 voet hoog zijnde, nu niet meer in de hoogte wil grocijen; deze Calisaya moet geacht worden haren volwassenen leeftijd reeds te hebben bereikt, terwijl haar buurman, de Pahudianaboom, zijn volwassen leeftijd waarschijnlijk eerst over 25 of 50 jaren zal bereiken.
De slankste der beide boomen A, die ook den dunsten bast had, bevatte:
0,385 kinine en 0,084 cinchonine of 0,469 alkaloiden te zamen in zijn stambast, </br>
en 2,844 kinine en 1,400 cinchonine of 4,244 alkaloiden te zamen in zijn wortelb.
De kortere en minder slanke van deze boomen B, waarvan ook de bast dikker was, bevatte:
0,684 kinine en 0,000 cinchonine of 0,684 alkaloiden te zamen in zijn stambast, </br>
en 1,495 kinine en 0,490 cinchonine of 1,985 alkaloiden te zamen in zijn wortelb.
Deze aanmerkelijke hoeveelheden kinine werden dus reeds in den bast van een nog zoo jeugdigen Pahudianaboom gevonden, en, wat opmerkelijk is, naarmate de stambast, zoo als bij B, dikker was, bevatte hij ook meer kinine, dan de dunnere van A, maar zijne wortelen minder. Deze hoeveelheid van 2,8 procent kinine in den wortelbast van A staat gelijk aan het kinine-gehalte der beste basten van oude Calisaya-boomen." (''Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië'', Deel XXVI, bladz. 125 enz.)
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Het eilandje Ferdinanda.'''—Het is bekend, dat in 1851 nabij Sicilië een eilandje in de Middellandsche zee verscheen, om weinige maanden later weder te verdwijnen. Het schijnt, dat dit eilandje, dat toen, onder verschillende benamingen, ook dien van Ferdinanda ontving, thans op het punt is van weder te verschijnen. Althans de bodem wordt aldaar reeds kort onder de wateroppervlakte waargenomen en zijne verheffing schijnt zelfs tamelijk snel te gaan. ''l''Institut'', 1864, p. 56).
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Oudheid van het menschelijk geslacht.''' — Hetgeen men in de beenderenholen<noinclude></noinclude>
j46fa914gf6s4byhrjyddukzcau20t4
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/451
104
90041
228414
2026-10-18T08:12:00Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
228414
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|30|ALBUM DER NATUUR.|}}</noinclude>van Neder-Languedoc gevonden heeft, is mede aangevoerd als bewijs, dat de mensch tijdgenoot is geweest der thans uitgestorven dieren van het diluvium. De heer {{sc|paul gervais}} heeft over die beenderengrotten, beschouwd met het oog op de vraag aangaande de oudheid des menschdoms, eene mémoire ingeleverd bij de ''Académie des Sciences'', waarin hij aantoont, dat het althans zeer voorbarig is uit den inhoud der beenderenholen van Languedoc (van Bize, Pondres, Pontil, la Roque) het genoemde besluit op te maken. De ruimte laat ons niet toe van dat opstel een zakelijk uittreksel te geven; wij nemen alleen het volgende over. "Uit de medegedeelde gegevens,' zegt {{sc|Gervais}}, "blijkt, dat, al moet men ook de verschijning van den mensch in de streek, waartoe de genoemde grotten behooren, plaatsen in een voorhistorisch tijdperk, men nog niet mag aannemen, dat hij, — althans in deze streek, — de tijdgenoot is geweest der uitgestorvene dieren, op welke {{sc|cuvier}} zinspeelde, toen hij (in zijn ''Discours sur les révolutions du globe'') de bewering verwierp, die reeds 35 jaren geleden, door {{sc|tournal}}, de {{sc|christol}} en {{sc|marcel de serres}} gewaagd werd ten aanzien van de gelijktijdige begraving van den mensch en van die groote zoogdieren in de grotten, die zij beschreven hebben. Immers, men moet wèl onderscheid maken tusschen de soorten, die reeds sedert de eerste tijden der quaternaire periode verdwenen zijn, en diegene, welke eerst later zijn uitgestorven of die in eenige streken van Europa in het leven zijn gebleven na bij ons vernietigd te zijn. De tijdrekening van deze achtereenvolgende uitstervingen of verwijderingen is moeijelijk vast te stellen, maar zij is van veel gewigt, zoowel voor de eigenlijke geschiedenis, als voor de natuurlijke historie, en de natuurkenners hebben reeds een aantal documenten verzameld, die betrekking hebben tot de vragen, waartoe zij aanleiding geeft" (''Compt. rendus'', Tom. LVIII, pag. 250).
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Komplete werken van {{sc|lavoisier}}.''' — {{sc|Dumas}} heeft aan de Académie des Sciences, in hare zitting van 8 Februarij l.l., het eerste deel aangeboden van dit werk, dat op kosten der Fransche regering onder zijn toezigt in 't licht komt. Het tweede deel was reeds vroeger verschenen. Bij dit eerste heeft {{sc|dumas}} eene inleiding gevoegd. Ter aankondiging van deze uitgave nemen wij hier eenige regelen daaruit over.
"De inhoud van dit werk zal ten bewijze strekken, dat de regering, de akademie der wetenschappen en de nakomelingen van {{sc|lavoisier}} gewedijverd hebben voor deze hulde aan de nagedachtenis des grooten mans, de eenigst mogelijke herstelling van eer, die men aan het doorluchtig slagtoffer schenken kon. Zijn roem zal daardoor nog rijzen; want de wereld, die het<noinclude></noinclude>
b5wry4lupm0307facjcnw8fdu4bp3jn
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/452
104
90042
228416
2026-10-18T08:20:34Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
228416
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.| 31}}</noinclude>
grootste deel van zijnen arbeid slechts kende door de vruchten, die de wetenschap daarvan geplukt heeft, zal nu kunnen doordringen tot de gedachten, die hem daarbij hebben bezield"
......... "In het eerste gedeelte van zijne loopbaan verhief zich {{sc|lavoisier}}, door eene magtige analyse, van de meest gewone verschijnselen tot de kennis van hare oorzaken en wierp zoo een helder licht op den aard, op de werkingen en terugwerkingen van de den mensch meest bekende zelfstandigheden. In zijne laatste uren leidde hij, door eene misschien nog magtiger synthesis, uit de eeuwige beginselen, die hij had vastgesteld, als gevolgen af het meerendeel der handelwijzen, die zijne opvolgers hehben gevonden, en der wetten, die zij hebben ontdekt. Zij wisten niet, dat de vraagstukken, die zij trachtten te doorgronden, eene halve eeuw geleden door {{sc|lavoisier}} waren opgelost. De tijd alleen had hem ontbroken om aan de wereld die verhevene vruchten van zijn genie te openbaren.
"De pligt om de bouwstoffen te schiften en te vereenigen, die voortdurend nog den bewerker toevloeijen, veroorlooft hem niet om reeds nu de levensschets van den grooten man, die hij heeft opgesteld, in 't licht te zenden. Zij zal niet noodig zijn om den lezer zijner werken te overtuigen, dat {{sc|lavoisier}}
leefde als een wijze en stierf als een martelaar, na met zijnen roem de wereld te hebben vervuld en dat het gevoel van den eerbied en de dankbaarheid, die men hem verschuldigd is, slechts kan toenemen met den tijd."
{{r|[[Auteur:Wilhelmus Martinus Logeman|{{sc|Ln.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Dampkringselektriciteit.''' — De heer {{sc|joseph silbermann}} heeft aan de ''Académie des Sciences'', in hare zitting van 15 Februarij l.l. een overzigt medegedeeld van de waarnemingen over het onweder, die hij twintig jaren achtereen heeft voortgezet. Zijne meest opmerkelijke uitkomst is, dat hij in al dien tijd slechts twee malen een bliksemstraal tusschen twee van elkander afgescheidene wolken heeft zien overgaan, die zich op twee verschillende plaatsen van den dampkring onafhankelijk van elkaar hadden gevormd, maar in alle andere gevallen die steeds zag ontstaan tusschen twee deelen van eene en dezelfde wolk. Het bestaan van twee wolken daarbij noemt hij eene onderstelling, uitgedacht naar de behoeften van de algemeen gevolgde theorie, maar die volstrekt geen grond heeft! Om het verschijnsel in zijn geheel waar te nemen, moet men niet, gelijk meestal (? Reft.) geschiedt, de wolken eerst beschouwen als zij op eene vrij groote hoogte zich bevinden, maar reeds aan den horizon de vorming daarvan nagaan.
Wij onthouden ons hier van alle oordeel of bespreking van deze zaak, het aan den tijd en aan latere waarnemingen overlatende om uitspraak te doen<noinclude></noinclude>
ap2aj372d67uat9sqjmtej4ljax0aji
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/453
104
90043
228418
2026-10-18T08:26:59Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
228418
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|32|ALBUM DER NATUUR.— WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.|}}</noinclude>aangaande een gevoelen, dat, als het zich bevestigde, in de denkbeelden over dampkringselektriciteit eene opmerkelijke omwenteling zou moeten te weeg brengen.
{{r|[[Auteur:Wilhelmus Martinus Logeman|{{sc|Ln.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Poreusheid van het ijzer en osmose van een gas.''' — {{sc|H. st. claire deville}}
heeft in dezelfde zitting aan de ''Académie'' eene opmerkelijke waarneming medegedeeld, door {{sc|cailletet}} in de smederijen van Commentry gedaan. Een ijzeren geweerloop werd gloeijend tusschen twee pletrollen doorgedreven, waardoor eene metaalreep ontstond van geringe dikte. Twee stukken ijzer van geschikten vorm en grootte werden aan de uiteinden daarvan gesoldeerd (geweld? Reft.), waardoor de loop de gedaante verkreeg van eene rondom gesloten ruimte met buitengewoon kleinen inhoud. Toen hij nu op nieuw sterk gloeijend gemaakt werd, zag men hem opzwellen, en uit eene opening ergens in den wand geboord een zeer ligt en brandbaar gas, waarschijnlijk waterstof, ontsnappen.
{{r|[[Auteur:Wilhelmus Martinus Logeman|{{sc|Ln.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Versteend woud.''' — De abt {{sc|moigno}} neemt in zijn tijdschrift ''Les Mondes'' (aflevering van 14 Februarij l.l., p. 300) uit het ''Rocky Montain Journal'' het volgende berigt over.
"Toen wij in een dal afstegen om onze paarden te voederen, zagen wij ons door een aantal der vreemdsoortigste versteeningen omringd. {{sc|richardson}}, de eigenaar van die streek, toonde ons stammen van dennen en katoenboomen, die op de plaats zelve, door opzuiging van kiezelaarde uit den grond, in jaspis en agaat waren overgegaan en die tot de minste bijzonderheden van hunnen houtvorm nog duidelijk vertoonden. Op minder dan een mijl afstands van het huis is een bank of terras, waarop en waarin de stammen van een geheel bosch op deze wijze versteend worden gevonden."
Onze lezers zullen hierbij zeker in toog houden, dat de aangehaalde bron een ''Amerikaansch'' dagblad is. {{r|[[Auteur:Wilhelmus Martinus Logeman|{{sc|Ln.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Diamagnetisme van waterdamp.''' — De heer {{Sc|maas}} te Namen heeft waargenomen (''Cosmos'', 11 Fevrier, pag. 180), dat een staafje van vlierpit, hetwelk zich tusschen de polen eens elektromagneets magnetisch vertoont als het door drooge lucht was omringd, zich integendeel als een diamagnetisch ligchaam gedraagt, wanneer het gedompeld is in lucht met waterdamp verzadigd. Hetzelfde kan men waarnemen met ivoor en stijfsel.
{{r|[[Auteur:Wilhelmus Martinus Logeman|{{sc|Ln.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}<noinclude></noinclude>
ior21lhdshi7zcer3tm15d5j30m3rj9
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/454
104
90044
228419
2026-10-18T08:35:13Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
228419
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" /></noinclude>
{{dhr}}
{{c|{{larger|WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD. |}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
'''Bestaan van den mensch gelijktijdig met dat van eenige uitgestorven dieren.''' — In de vergadering der ''Geological Society'' van 16 December 1843, gaf de heer {{sc|g. s. poole}} eene beschrijving van de streek, gelegen tusschen Clevedon en Taunton in Sommerset, van de aldaar vermoedelijk reeds door de Romeinen aangelegde dijken, van de veenen enz., en bewees, dat deze streek in een betrekkelijk nog nieuw tijdperk verscheidene veranderingen in hoogte had ondergaan, terwijl hij tevens ook het feit, dat de beenderen van ''Elephas primigenius'', van ''Rhinoceros tichorhinus'' enz., gevonden waren in eene bedding boven die, waarin de beenderen van menschen en stukken van potten bevat zijn, het besluit afleidde, dat de mensch daar ter plaatse reeds voor of gelijktijdig met genoemde uitgestorven diersoorten bestond. (''Philos. Magaz''. 1864, p. 156).
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Gelijktijdigheid van den mensch en het rendier in zuidelijk Frankrijk.''' — In de vergaderingen van 8 en van 25 Februarij der ''Fransche akademie'' zijn door de heeren {{sc|milne edwards}} en {{sc|lartet}} rendieren-beenderen getoond, gevonden in grotten van zuidelijk Frankrijk, welke op eene onwederlegbare wijze getuigen, dat dit dier die streken nog bewoonde, toen daar reeds menschen leefden. Het eene is op eene ruwe wijze met figuren besneden, in het andere, — een wervel, — is een wond, gemaakt door een steenen pijlspits, waarvan een stuk nog daarin steekt. Talrijke andere bewijzen, te veel om hier te vermelden, zijn nog door hen en desgelijks door den heer {{sc|de vibraye}} aangevoerd, ten bewijze dezer gelijktijdigheid eener menschelijke bevolking aldaar met rendieren en andere zoogdieren, die thans daar niet meer voorkomen en waarvan sommige uitgestorven zijn. Laatstgenoemde maakt onder anderen gewag van eenen menschelijken atlas, gevonden in de onderste laag eener grot, vergezeld van talrijke beenderen van holen-beeren en van hyaena's. (''l'Institut''., no. 1574, 1575).
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Fossile tanden en beenderen van reptilien in Centraal-Indië.''' — In de vergadering der ''Geological Society'' van 16 Dec. 1865 werden door Prof. {{sc|t. rupert jones}}<noinclude>{{rh|{{gap}}{{smaller|1864.}}||{{smaller|5}}{{gap}}}}</noinclude>
3nxfui4q6c9zhyh7h62by794igemhii
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/455
104
90045
228420
2026-10-18T08:45:00Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
228420
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|34|ALBUM DER NATUUR.|}}</noinclude>brieven medegedeeld van den overledenen Rev. {{sc|s. hislop}}, waarin gewag wordt gemaakt van de ontdekking van overblijfselen van Labyrinthodonten en van andere Reptiliën, vermoedelijk Dicynodonten, in eene waarschijnlijk tot het trias-stelsel behoorende laag bij Maledi, alsmede van het vinden van zeer groote beenderen van een reptiel (waaronder een dijbeen, dat aan de condyli een voet breed is, en een wervelligchaam van 7 E. duimen in middellijn) in eene tertiaire bedding te Phisdura. (''Philos. Magaz''., 1864, p. 155).
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Fossile insekten in de steenkolenformatie.''' — Het getal der bekende soorten van insekten, die reeds tijdens de steenkolenvorming geleefd hebben, is nog zeer gering. {{sc|Dana}} voegt daaraan de twee volgende toe, beide ontdekt door {{sc|j. g. bronson}} in de steenkolenbeddingen te Morris, Illinois. Zij komen voor in platte stukken bruin-ijzersteen, die in deze beddingen bevat zijn.
Het eerste dezer fossile insekten komt het meest nabij aan ''Mantispa'', doch heeft ook eenige kenteekenen gemeen met ''Phyllium''. D. noemt het ''Miamia Bronsoni''.
Het tweede nadert tot ''Hemerobius'' en heeft den naam ontvangen van ''Hemeristia occidentalis''. (''Amer. Journ. of Sc. a. Arts'', 1864, p. 34).
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Hoogteveranderingen aan de kust van Zweden.''' — In een opstel van den heer {{sc|h. tasche}}, getiteld ''"Ueber die geologischen Aufnahmen Schwedens'' (''Neues Jahrb. Ff. Miner. Geol.'' etc., 1864, p. 15) leest men onder anderen het volgende:
"Van eenen berg op Stenungsö en eenen anderen van gelijke hoogte op het nabij gelegene grootere eilandje Ackerö, werd door volkomen geloofwaardige personen opgemerkt, dat men voor 30—40 jaren van de daartegenover op het vaste land gelegen kerk Norum, die zich op eenen lagen, overal kalen bergrug bevindt en zelve geheel vrij staat, slechts de hoogste spits des kerktorens kon waarnemen, terwijl men thans van dezelfde plaatsen een groot gedeelte van den toren tot aan het dak des kerks ziet. Dit is een bewijs, dat binnen eenen betrekkelijk zeer korten tijd eene gedeeltelijke rijzing of daling der aardoppervlakte tot een bedrag van verscheidene vademen plaats greep. Of de bergen, van waar de waarnemingen geschiedden, of de grond, waarop de kerk staat, of beide te gelijk verhoogd werden, of wel dat het tusschenliggend land gedaald is, of het verschijnsel zich verder uitbreidde dan de onmiddellijke omgeving der kerk enz., dit alles kan onmogelijk nader bepaald worden. Evenmin kan men zeggen, of de beweging allengs dan wel stootswijze geschiedde, in welk laatste geval echter eene aardschudding in den omtrek<noinclude></noinclude>
ei3ypk2wieoi00fdhamhaee22uwfk23
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/456
104
90046
228421
2026-10-18T08:51:45Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
228421
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.|35}}</noinclude>zoude moeten zijn waargenomen. Deze gedeeltelijke rijzingen en dalingen van het land zijn vroeger reeds bij de kerken Tegueby en Skala op Oroust, alsmede op verscheidene kleine eilanden en scheeren langs de kust waargenomen."
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''De ware naam van den hoogsten berg der aarde.''' — Het is bekend, dat de Engels ingenieurs dezen Mount Everest of eenvoudig no. XV hebben genoemd. Volgens {{sc|h. v. schlagintweit}} draagt hij bij de Hindoes den naam van ''Gaurisankar'' en in Tibet dien van ''Tschingo pa-ma-ri''. Eerstgenoemde benaming is eene vereeniging van "Gauri", dat "wit" of "helder" beteekent, en een der bijnamen van Parváti, de gemalin van Siva, met "Sankar", hetwelk een der namen van Siva zelven is.
Van den Tibetaanschen naam is de afleiding onbekend. ({{sc|Peterm}}. ''Geogr. Mitth.'', 1864, p. 33.
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Een zonderling gevormde hagelkorrel.''' — De heer {{sc|j. b. schneitzler}} berigt in de ''Bibl. univ., Arch''. gen. no. 75, p. 70, dat hij den 28 Julij 1857, des nam. ten 1 ure, te Morgins eene hagelbui waarnam, gedurende welke hagelsteenen vielen van eene meestal afgeplatte ronde gedaante, waaronder echter een zijne bijzondere aandacht trok. Deze steen had de gedaante van een schijf, die in het midden iets gewelfd was; zij had eene middellijn van 25 millim., terwijl de dikte slechts 2 millim. bedroeg. Hij was gevormd door een band van ijs in een aantal windingen gewikkeld rondom een ondoorschijnende kern, en had aldus het voorkomen van de schelp van een nummuliet, waarvan de laatste windingen al breeder en breeder werden. Deze hagelsteen had blijkbaar gedurende zijne vorming eene draaijende beweging ondergaan. Morgins ligt op 1411 meters boven het zeevlak, ter plaatse waar zich drie valleijen openen.
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Gewigt der droppels, gevormd onder verschillende omstandigheden.''' — De meening, dat de droppel van een vocht een vrij standvastige maat is, is tamelijk algemeen, inzonderheid bij geneeskundigen. Dat deze meening zeer onjuist is, vloeit echter voort uit eenige door den heer {{sc|t. tate}} in het ''Philos. Magaz''. 1864, March., p. 176, medegedeelde proeven, waarvan de hoofduitkomsten de volgende zijn:
1) alle overige omstandigheden dezelfde zijnde, is het gewigt van een droppel van een in eene buis bevat vocht evenredig aan den doormeter van deze buis.
Zoo b.v. weegt een waterdroppel, gevormd bij eene standvastige temperatuur<noinclude></noinclude>
ed9qb7ycfbecp1y1k9zxp3zysps53oe
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/457
104
90047
228422
2026-10-18T09:01:08Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
228422
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|36|ALBUM DER NATUUR.|}}</noinclude>van 50° Fahr., vallende uit eene buis van 0,15 duim in doorsnede, 0,78, en uit eene van 0,62 duim middellijns, 5,56 grein.
Deze wet staat in regtstreeksch verband tot de capillariteit, en men zoude haar ook aldus kunnen uitdrukken: »het gewigt van den droppel is evenredig aan dat van het vocht, dat door capillariteit in de huis zoude opstijgen."
9) wanneer een droppel valt van een platte cirkelvormige oppervlakte, dan neemt het gewigt toe in verhouding tot de toeneming van de middellijn dezer oppervlakte.
3) het overige gelijk staande, neemt het gewigt van een droppel af door verhooging der temperatuur,
4) onafhankelijk van de digtheid, wordt het gewigt van een droppel gewijzigd door de scheikundige zamenstelling van het vocht. De meeste zuren en loogzouten verminderen dit gewigt. Oplossingen van verschillende zouten, maar hetzelfde soortgelijk gewigt hebbende, geven onder gelijke omstandigheden droppels van ongelijk gewigt.
5) bij oplossingen van hetzelfde zout is de toeneming van het gewigt des droppels evenredig aan de hoeveelheid van het drooge zout, dat in de oplossing voorhanden is.
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Medusen van gelijken vorm, voortgebragt door twee verschillende voedstervormen.''' — Dit zonderlinge feit zag de heer {{sc|hincks}} (''Ann. a. Mag. of nat. Hist'', 1862, Dec., p. 459) bij ''Stauridia producta'' en ''Coryne eximia''.
Wat zoude een botanicus wel zeggen, indien hij twee planten, die hij niet alleen als twee soorten, maar zelfs als soorten van een verschillend geslacht beschouwde, dezelfde bloemen zag dragen?
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Een geinerusteerde looden kogel in de maag van een eland.''' — In de ''Schrift. d. k. physik. oekon. Gesellsch. zu Königsberg'', III, p. 146, wordt verslag gegeven van eenen kogel, die, zonder twijfel door een schot in de maag van het dier geraakt, gevonden is bij een eland, in het bosch van Ramuk, nabij Aderstein. De geinerusteerde massa, die elliptisch en ongeveer 4 centim. lang en 5 centim. breed was, werd door midden geslagen en daarbij bleek, dat de daarin besloten kogel omgeven was door concentrische lagen, nagenoeg alleen bestaande uit phosphorzuren kalk, met sporen van organische stof, magnesia, chloor en sodium, doch zonder spoor van een loodzout.
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Generatio spontanea.''' — "De heeren {{sc|pouchet}}, {{sc|musset}} en {{sc|joly}} verzoeken aan de ''Académie des Sciences'' hun toe te staan om het warme saizoen af te wachten, ten einde hunne proeven over de heterogenie voor de den 4 January benoemde<noinclude></noinclude>
mkjgsth7mzwfd8xc9a8xml25ktnqdcf
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/458
104
90048
228423
2026-10-18T09:10:05Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
228423
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.|37}}</noinclude>commissie te herhalen. De heer PASTEUR merkt aan, dat hij verwonderd is over dit verzoek, en dat het gemakkelijk zou geweest zijn om langs den kunstmatigen weg de temperatuur te verkrijgen, die de genoemde heeren voor hunne proeven noodig meenen te hebben; wat hem zelven aangaat, kij is hereid in elk jaargetijde zijne proeven te herhalen." (''Compt. rendus'', Tom. LVIII, pag. 470). Wij zullen dus op het resultaat der bekende uitdaging nog wat dienen te wachten.
Terwijl ik de proef van dit ''Bijblad'' voor mij heb liggen, lees ik in de ''Comptes rendus'', pag. 619, eene latere mededeeling van de heeren P., M. en J., inhoudende, dat zij zich van den 15 Junij aanst. voor de benoemde commissie beschikbaar stellen, ten einde in de tegenwoordigheid van deze hunne proeven te herhalen.
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Bastaard van een bok en een schaap.''' — Aan de ''Academie des Sciences'' is voorgelegd eene photographische afbeelding van een bastaard van een bok en een schaap met een berigt van den heer {{sc|balsamo}}, secretaris van de Landbouw-maatschappij van Terra d' Otranto (Zuidelijk Italie), aangaande den ligchaamsbouw en de gewoonten van het dier. B. noemt ''Tragosoïs (''ΤράΥος'', bok en ''οίς'', schaap) deze soort van bastaard, die reeds bij de oude schrijvers vermeld wordt, maar die overigens zeer zeldzaam is (''Compt. rendus'', Tom. LVII, pag. 669).
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Geval van langlevendheid.''' — {{sc|Flourens}} berigtte in de zitting van de ''Academie des Sciences'' van 21 Maart jl. het volgende. »De heer {{sc|volpicelli}} deelt mij uit Rome mede een zeer opmerkelijk voorbeeld van langlevendheid. Het is dat van eene vrouw, gestorven op den leeftijd van 122 jaren. Voorbeelden van menschen, die den ouderdom van 100 en zelfs 110 jaren bereikt hebben, zijn niet zeldzaam; maar lieden van 122 jarigen ouderdom beginnen zeldzaam te zijn. Zij zijn tevens voor de physiologie van veel belang. Waarom? Omdat, voor zoover men niet ouder wordt dan 100 of 110 jaren, men binnen de grenzen blijft van hetgeen ik den normalen levensduur (''vie normale'') noem, en dat men, wanneer men den ouderdom van 122 jaren bereikt, geraakt binnen de grenzen van hetgeen ik den uitersten levensduur (''vie extrême'') noem, De grens nu van dezen uitersten levensduur is zeer moeijelijk te bepalen, daar wij arm zijn aan feiten, waarop zulk eene bepaling zou moeten herusten." (''Compt. rendus'', Tom. LVIII, pag. 521).
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Een nieuw zeedier.''' — De heer {{sc|de thoron}}, die vroeger aan de Académie des<noinclude></noinclude>
ltzb3zt1xar9hr98siyk7gxux6f5bct
228424
228423
2026-10-18T09:40:33Z
WeeJeeVee
2844
smallcaps
228424
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.|37}}</noinclude>commissie te herhalen. De heer {{sc|pasteur}} merkt aan, dat hij verwonderd is over dit verzoek, en dat het gemakkelijk zou geweest zijn om langs den kunstmatigen weg de temperatuur te verkrijgen, die de genoemde heeren voor hunne proeven noodig meenen te hebben; wat hem zelven aangaat, kij is hereid in elk jaargetijde zijne proeven te herhalen." (''Compt. rendus'', Tom. LVIII, pag. 470). Wij zullen dus op het resultaat der bekende uitdaging nog wat dienen te wachten.
Terwijl ik de proef van dit ''Bijblad'' voor mij heb liggen, lees ik in de ''Comptes rendus'', pag. 619, eene latere mededeeling van de heeren P., M. en J., inhoudende, dat zij zich van den 15 Junij aanst. voor de benoemde commissie beschikbaar stellen, ten einde in de tegenwoordigheid van deze hunne proeven te herhalen.
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Bastaard van een bok en een schaap.''' — Aan de ''Academie des Sciences'' is voorgelegd eene photographische afbeelding van een bastaard van een bok en een schaap met een berigt van den heer {{sc|balsamo}}, secretaris van de Landbouw-maatschappij van Terra d' Otranto (Zuidelijk Italie), aangaande den ligchaamsbouw en de gewoonten van het dier. B. noemt ''Tragosoïs (''ΤράΥος'', bok en ''οίς'', schaap) deze soort van bastaard, die reeds bij de oude schrijvers vermeld wordt, maar die overigens zeer zeldzaam is (''Compt. rendus'', Tom. LVII, pag. 669).
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Geval van langlevendheid.''' — {{sc|Flourens}} berigtte in de zitting van de ''Academie des Sciences'' van 21 Maart jl. het volgende. »De heer {{sc|volpicelli}} deelt mij uit Rome mede een zeer opmerkelijk voorbeeld van langlevendheid. Het is dat van eene vrouw, gestorven op den leeftijd van 122 jaren. Voorbeelden van menschen, die den ouderdom van 100 en zelfs 110 jaren bereikt hebben, zijn niet zeldzaam; maar lieden van 122 jarigen ouderdom beginnen zeldzaam te zijn. Zij zijn tevens voor de physiologie van veel belang. Waarom? Omdat, voor zoover men niet ouder wordt dan 100 of 110 jaren, men binnen de grenzen blijft van hetgeen ik den normalen levensduur (''vie normale'') noem, en dat men, wanneer men den ouderdom van 122 jaren bereikt, geraakt binnen de grenzen van hetgeen ik den uitersten levensduur (''vie extrême'') noem, De grens nu van dezen uitersten levensduur is zeer moeijelijk te bepalen, daar wij arm zijn aan feiten, waarop zulk eene bepaling zou moeten herusten." (''Compt. rendus'', Tom. LVIII, pag. 521).
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Een nieuw zeedier.''' — De heer {{sc|de thoron}}, die vroeger aan de Académie des<noinclude></noinclude>
dok75h0r7bpxmqy99sowpd1jvm5nnub
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/459
104
90049
228425
2026-10-18T09:44:42Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
228425
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|38|ALBUM DER NATUUR.|}}</noinclude>'''Sciences''' eene mededeeling had gedaan over muzikale toonen, voortgebragt door visschen onder het water, verhaalt nu het een en ander over een dier, dat hij waargenomen heeft in de golf van Ancon de Sardinas. Dit dier, dat slechts een gedeelte van zijn ligchaam boven het water vertoonde, werd hem aangeduid onder den naam van ''Manta''. Het gedeelte, dat zigtbaar was, was naakt en zonder schubben, de rug was ten minste vier voet breed en scheen nog veel langer te zijn; de dikte van het ligchaam bedroeg slechts eenige duimen; de kop, van hoven naar onderen zamengedrukt, was driehoekig, zich verbreedende naar het ligchaam toe. Eene noot onder deze mededeeling zegt, dat de naam van Manta bekend is, niet alleen op de kusten van Peru, maar overal, waar men Spaansch sprekende visschers vindt. Zij passen dien toe op verschillende Cephalopteri, en zelfs op groote roggen zonder aanhangsels voor aan het hoofd, en vreezen die dieren zeer, daar zij meenen, dat zij de duikers als met een mantel omgeven en verstikken. (''Compt. rendus'', Tom. LVIII, pag. 384).
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Nieuwe demonstratie-stroommeter.''' — De gewone tangenten- en sinusboussoles, hoe uitmuntend ook als meetwerktuigen, hebben, wanneer zij tot demonstratie bij onderwijs moeten dienen, het nadeel dat hare aanwijzingen slechts door hoogstens een zestal leerlingen te gelijk kunnen worden afgelezen, die in de onmiddellijke nabijheid van het werktuig zijn geplaatst. Ik heb daarom, toen ik voor eenigen lijd voor mijn onderwijs aan het stedelijk gymnasium te Haarlem zulk een werktuig moest doen vervaardigen, dit ingerigt op eene wijze, die ik, voor zoover dit zonder afbeelding mogelijk is, hier wil trachten te beschrijven.
Op een houten voetstuk, dat door stelschroeven steeds horizontaal kan gesteld worden, is een op één plaats doorbroken ring van dik koperdraad, van ongeveer drie palmen middellijn, eveneens horizontaal geplaatst en door schroeven bevestigd. Op het midden van dit voetstuk bevindt zich een koperen standaardje, dat van boven twee zeer harde en goed gepolijste staalvlakken draagt. Een magneetstaafje van ongeveer 6 duim lengte heeft in het midden twee mesjes, om wier kanten het zich wanneer deze op de staalvlakken rusten als eene balans kan bewegen, daaronder een koperen stangje met vaarschroef, waarover twee moerschroefjes bewogen kunnen worden, om het zwaarte punt van het magnetisch balansje hooger of lager te stellen, en daarboven een ruim 2 palm langen wijzer van dun balein. Achter dit standaardje is een plank op het voetstuk bevestigd en daarop een cirkelboog met de verdeeling, waarop door den wijzer de kracht moet worden aangewezen van den stroom, die, door<noinclude></noinclude>
qlxjw8vzxw9hfq8z1buey0kbjdyzl22
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/460
104
90050
228426
2026-10-18T09:49:44Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
228426
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD. |39}}</noinclude>den koperen ring geleid, de magneetstaaf een zekeren hoek met de horizontale doet maken. Om deze aanwijzing regtstreeks te doen zijn is deze boog niet in graden of veelvouden daarvan, maar naar de tangenten verdeeld, zoodat een hoek van 40 daarop niet beduidt een waarvan het gradental, maar een waarvan de tangens tienmaal grooter is dan van dien, die tot eenheid is aangenomen. Daar nu het bewijs, waardoor men aantoont dat hij eene tangentenboussole de stroomsterkte evenredig is aan de tangens van den afwijkingshoek, ook hier letterlijk van toepassing is, als men daarbij slechts het woord: aardmagnetisme, door: zwaartekracht vervangt, en daar bovendien door het plaatsen van de magneetstaaf boven het vlak van den ring het beginsel van {{sc|gaugain}} is toegepast, zoo mag men gerust aannemen dat binnen de grenzen van juistheid, die dit werktuig vereischt en waarvoor het vatbaar is, de stroomsterkten door de afwijkingen regtstreeks worden gemeten.
Om die aanwijzingen op een afstand voor velen te gelijk zigtbaar te doen zijn, is voor eenheid van de tangens op eene lijn boven den cirkelboog een centimeter genomen. Men zou die veel kleiner kunnen nemen en dan aan naauwkeurigheid winnen, vooral bij geringe stroomsterkten, maar aan gemakkelijkheid van aflezing verliezen, terwijl bovendien door verplaatsing van het tegenwigtje de gevoeligheid van het instrument binnen genoegzaam wijde grenzen kan worden veranderd om bij geringere stroomsterkten zeer meetbare afwijkingen te verkrijgen.
Als het bewegingsvlak der magneetstaaf niet regthoekig op den magnetischen meridiaan is geplaatst, dan werkt de staaf als een inclinatienaald en de wijzer staat dus niet vertikaal. Maar het is gemakkelijk om in de nabijheid van het werktuig eene andere magneetstaaf zoo op de tafel te leggen, dat zij deze storing opheft.
Betrekkelijk de werking van dezen toestel wil ik alleen dit zeggen. Wanneer alles zoo geregeld is, dat de stroom van eenig galvanisch element, als het zonder anderen uitwendigen wederstand alleen door den geleidring van het werktuig en een paar dikke roodkoperdraden gesloten wordt, den wijzer 4 afdeelingen doet afwijken—een {{sc|bunsen}}-element van weinig meer dan een palm hoogte kan dit zeer gemakkelijk doen—dan vergrooten 2, 3 of 4 dergelijke elementen nevens elkaar, dus kool aan kool en zink aan zink verbonden, die afwijking bijna in reden van hun aantal, terwijl bij eene verbinding van hetzelfde of een nog grooter aantal elementen achter elkaar, zink aan kool, zink aan kool, enz., de afwijking naauwelijks merkbaar wordt vergroot. Heeft men echter een genoegzamen wederstand in den stroomkring van een element gebragt om de stroomsterkte tot op b.v. ¼ te doen dalen, dan vertoont de wijzer bij de eerstgenoemde verbinding van 4 of meer elementen een<noinclude></noinclude>
jwj9ylzjj2073lw995zh6s0fqmvrs69
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/461
104
90051
228427
2026-10-18T09:55:16Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
228427
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|24|ALBUM DER NATUUR.— WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.|}}</noinclude>naauwelijks merkbare vermeerdering daarvan en bij eene verbinding achter elkaar van 3 of 4 elementen eene bijna 3 of 4 malen vergroote afwijking, alles juist zoo als de Ohmsche formule dit aangeeft. Dat men ook het verschillend geleidingsvermogen van verschillende stoffen bij dezelfde afmetingen en dat van denzelfden geleider bij verschillende afmetingen zeer duidelijk met dit werktuig zigtbaar kan maken, zal na het bovenstaande wel naauwelijks vermelding behoeven. Ik geloof dus, dat het voor alles wat men bij het onderwijs of bij voorlezingen vooral noodig heeft, volkomen geschikt is.
Bij de beschrijving heb ik mij er op toegelegd om door het opgeven der voornaamste afmetingen ieder zaakkundige in staat te stellen bet werktuig door zijnen instrumentmaker te doen vervaardigen. Voor wie het liefst op de gemakkelijkste wijze verkrijgt merk ik hier nog aan, dat de instrumentmaker
{{sc|schoonbeek}} te Haarlem zulke werktuigen vervaardigt en aflevert tegen den prijs van f 25.
{{r|[[Auteur:Wilhelmus Martinus Logeman|{{sc|Ln.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Elektrisch papier en schietkatoen.''' — Prof. {{sc|johnston}} te Middletown heeft gevonden (''Sillimans American Journal en daaruit in philosophica magazine'', Maart 1864, bl. 240) dat {{sc|schönbeins}} elektrisch papier, hetwelk, zooals men weet, evenals schietkatoen, bereid wordt door indompeling in sterk salpeterzuur of in een mengsel van dit met zwavelzuur, het sterkst negatief elektrisch ligchaam is, dat wij kennen. Zelfs zwavel, die bekend was als negatief elektrisch wordend door wrijving met alle andere stoffen, wordt positief, als zij gewreven wordt met elektrisch papier en evenzoo zegellak, barnsteen enz. Prof. {{sc|silliman}} heeft later voor het gewone schietkatoen hetzelfde gevonden.
Ter vervanging van buskruid in vuurwapenen schijnt tegenwoordig in Oostenrijk, vooral door de pogingen van den baron {{sc|von lenk}}, het schietkatoen meer dan vroeger in gebruik te komen. Naar luid van een berigt in Les mondes van 31 Maart l.l., bl. 583, wordt dit bereid door katoen in draden eerst te koken in eene zwakke potaschoplossing, het vervolgens gedurende 48 uren gedompeld te houden in een mengsel van een aequivalent salpeterzuur en drie zwavelzuur, beide zeer geconcentreerd, en het vervolgens gedurende minstens 4 weken in stroomend water te laten uittrekken. Op deze wijze wordt naar men beweert een produkt verkregen dat zich door een aantal belangrijke eigenschappen, vooral door de standvastigheid daarvan, gunstig onderscheidt van het op vroegere wijze verkregene.
{{r|[[Auteur:Wilhelmus Martinus Logeman|{{sc|Ln.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}<noinclude></noinclude>
58bxm6ezt1z7hmpn4r9t1slpyfpaz9n
228428
228427
2026-10-18T09:55:35Z
WeeJeeVee
2844
header
228428
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|40|ALBUM DER NATUUR.— WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.|}}</noinclude>naauwelijks merkbare vermeerdering daarvan en bij eene verbinding achter elkaar van 3 of 4 elementen eene bijna 3 of 4 malen vergroote afwijking, alles juist zoo als de Ohmsche formule dit aangeeft. Dat men ook het verschillend geleidingsvermogen van verschillende stoffen bij dezelfde afmetingen en dat van denzelfden geleider bij verschillende afmetingen zeer duidelijk met dit werktuig zigtbaar kan maken, zal na het bovenstaande wel naauwelijks vermelding behoeven. Ik geloof dus, dat het voor alles wat men bij het onderwijs of bij voorlezingen vooral noodig heeft, volkomen geschikt is.
Bij de beschrijving heb ik mij er op toegelegd om door het opgeven der voornaamste afmetingen ieder zaakkundige in staat te stellen bet werktuig door zijnen instrumentmaker te doen vervaardigen. Voor wie het liefst op de gemakkelijkste wijze verkrijgt merk ik hier nog aan, dat de instrumentmaker
{{sc|schoonbeek}} te Haarlem zulke werktuigen vervaardigt en aflevert tegen den prijs van f 25.
{{r|[[Auteur:Wilhelmus Martinus Logeman|{{sc|Ln.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Elektrisch papier en schietkatoen.''' — Prof. {{sc|johnston}} te Middletown heeft gevonden (''Sillimans American Journal en daaruit in philosophica magazine'', Maart 1864, bl. 240) dat {{sc|schönbeins}} elektrisch papier, hetwelk, zooals men weet, evenals schietkatoen, bereid wordt door indompeling in sterk salpeterzuur of in een mengsel van dit met zwavelzuur, het sterkst negatief elektrisch ligchaam is, dat wij kennen. Zelfs zwavel, die bekend was als negatief elektrisch wordend door wrijving met alle andere stoffen, wordt positief, als zij gewreven wordt met elektrisch papier en evenzoo zegellak, barnsteen enz. Prof. {{sc|silliman}} heeft later voor het gewone schietkatoen hetzelfde gevonden.
Ter vervanging van buskruid in vuurwapenen schijnt tegenwoordig in Oostenrijk, vooral door de pogingen van den baron {{sc|von lenk}}, het schietkatoen meer dan vroeger in gebruik te komen. Naar luid van een berigt in Les mondes van 31 Maart l.l., bl. 583, wordt dit bereid door katoen in draden eerst te koken in eene zwakke potaschoplossing, het vervolgens gedurende 48 uren gedompeld te houden in een mengsel van een aequivalent salpeterzuur en drie zwavelzuur, beide zeer geconcentreerd, en het vervolgens gedurende minstens 4 weken in stroomend water te laten uittrekken. Op deze wijze wordt naar men beweert een produkt verkregen dat zich door een aantal belangrijke eigenschappen, vooral door de standvastigheid daarvan, gunstig onderscheidt van het op vroegere wijze verkregene.
{{r|[[Auteur:Wilhelmus Martinus Logeman|{{sc|Ln.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}<noinclude></noinclude>
gbnh0d8vux0suyfxaiuslsqb1j36idk
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/462
104
90052
228429
2026-10-18T10:22:35Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
228429
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" /></noinclude>{{dhr}}
{{c|{{larger|WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.}}}}
{{dhr}}{{lijn|5em}}{{dhr}}
'''Het gehoororgaan der tienpootige schaaldieren.''' — Tot de merk waardigste onderzoekingen gedurende den jongsten lijd op het gebied van vergelijkende anatomie en physiologie behooren die van dr. {{sc|victor hensen}} over het gehoororgaan der Decapoden (''Zeits. f. Wiss. Zool''., 1863, p. 319). Wij kunnen hier slechts een zeer beknopt verslag van eenige der hoofduitkomsten geven.
Gelijk men weet, bevindt zich het gehoororgaan der hoogere schaaldieren in het wortellid van de binnenste spriet. Bij eenigen (het meerendeel der langstaartigen) is het open; bij anderen is het gesloten. In beide gevallen ' kunnen er otolithen in bevat zijn. Deze ontbreken echter bij de krabben. Waar het orgaan gesloten is, bestaan de otolithen uit een kalkzout (vermoedelijk fluorcalcium) en worden daarin bij elke vervelling nieuw gevormd. Waar de gehoorzak open is, brengt het dier zelf daarin vreemde ligchaampjes, b.v. zandkorreltjes, die dan de dienst van otolithen doen. {{sc|Hensen}} bewees dat inbrengen, door kristallen van urinzuur op den bodem van een vat te werpen, waarin zich een Palaemon bevond, die zich pas werveld had. Na eenige uren werden die kristallen in de gehoorzakjes gevonden.
Zeer opmerkelijk is de eindigingswijze der gehoorzenuwen. Elk primitiefbuisje"'eindigt met eene gangliencel en van deze uit dringt een zeer dun verlengsel in de holte van een der haren, die de binnenvlakte van het gehoororgaan bekleeden. Deze haren hebben een eigendommelijk rmaaksel, dat uitvoerig door H. beschreven wordt. Daardoor zijn zij te herkennen van andere haren, waarin het zoo even genoemde verlengsel, door H. ''chorda'' geheeten, geheel ontbreekt. Waar otolithen zijn, liggen de spitsen der haren gewoonlijk tusschen deze. Bij ''Mysis'' (waar de gehoororganen zich aan den staart bevinden) dringen zij in het binnenste der otolithen. Daar de otolithen echter bij velen ontbreken, zijn zij voor het gehoor niet volstrekt noodig, en daar bovendien de gehoorzakjes bij velen open zijn, zoo bragt dit {{sc|hensel}} op het vermoeden, dat ook wel andere haren, die aan de ligchaamsoppervlakte staan en in maaksel geheel met echte gehoorharen overeenstemmen, voor de geluidswaarneming zouden kunnen dienen. Hij heeft deze uitwendige gehoorharen vooral bij de ''Caridae'' (garnaalachtigen) bestudeerd, en wel inzonderheid<noinclude>{{rh|{{gap}}{{smaller|1864.}}||{{smaller|6}}{{gap}}}}</noinclude>
a2gxbngv9axenb0mi8p0dmbc2ofn8h9
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/463
104
90053
228430
2026-10-18T10:29:21Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
228430
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|34|ALBUM DER NATUUR.|}}</noinclude>bij de larven, waar zij zeer talrijk zijn. Daar bevinden zij zich aan het wortellid van de binnenste spriet, aan het tweede lid van de buitenste spriet en ook aan den staart.
Ten einde het vermogen om geluiden waar te nemen bij de schaaldieren aan te toonen, bediende zich H. van strychnine, waardoor gelijk men weet alle reflexbewegingen zeer versterkt worden. Onder den invloed van dat vergift is het dier gevoelig voor het allergeringste geluid, zoo als blijkt uit de krampachtige bewegingen, die daarvan het onmiddellijk gevolg zijn.
Het vermoeden dat de geroemde gehoorharen vergelijkbaar zijn bij de fijne slijve vezelen, waarin de zenuwen in het gehoororgaan der gewervelde dieren eindigen, inzonderheid bij die der visschen, waar zij ook in aanraking met de otolithen schijnen te komen, lag voor de hand. Uitgaande van de onderzoekingen van {{sc|helmholtz}} over de geluidswaarnemingen, vermoedde HENSEN, dat elk gehoorhaar vatbaar is om door een bepaalden toon, bij uitsluiting van andere, in trilling te worden gebragt. De proef bevestigde zulks. Bij het spelen van zekere noten trilden eenige haren, terwijl andere begonnen te trillen, wanneer andere noten gespeeld werden.
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Invloed van den bodem op de ziekte der aardappelen.''' — In de ''Ann. d. Chemie u. Pharm.'', Bd. CXXIX, p. 333, worden eenige proeven medegedeeld, genomen door {{sc|nägeli, zöller}} en {{sc|liebig}}, waarbij aardappelen geplant werden in drie verschillende bodems, bestaande uit turf, al of niet vermengd met onderscheidene anorganische meststoffen. Voor de overige uitkomsten dezer onderzoekingen naar het oorspronkelijke verwijzende, deelen wij daaruit alleen het voorzeker merkwaardige resultaat mede, dat, terwijl van de in twee dezer bodems (die bestaande uit enkel turf en die, waarin daarbij phosphorzure ammoniak, zwavelzure ammoniak en koolzure ammoniak gevoegd waren) geoogste aardappelen reeds 6 weken na den oogst {{smaller|{{frac|2|3}}}} rot waren geworden, daarentegen van de planten, die gekweekt waren in een bodem, bestaande uit turf, gemengd met phosphorzure soda, phosphorzure potasch, koolzure potasch en gips, geen enkele der geoogste knollen ziek werden.
Deze uitkomst is blijkbaar in strijd met de meening dergenen, die de ziekte der aardappelen aan schimmels toeschrijven, eene meening, die, inzonderheid in den laatsten tijd, weder meer veld gewonnen had.
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Een beenderenhol op Borneo.''' — In eenen brief, opgenomen in de ''Natural History review'', 1864, p. 308, maakt de heer {{sc|wallace}}, wel bekend door<noinclude></noinclude>
4ybu043qvj6tpbx39qnmjhf9qcfth90
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/464
104
90054
228431
2026-10-18T10:34:55Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
228431
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.|43}}</noinclude>zijne natuurhistorische reizen in den Oost-indischen archipel, opmerkzaam op het voorkomen van vele holen in de gebergten van Borneo en op de waarschijnlijkheid, dat daarin, evenals in Europa, Amerika en Nieuw-Holland geschied is, de overblijfselen eener vroegere dierenwereld zullen worden terug gevonden. Met name wijst hij op een zoodanig hol, gelegen tusschen Sarawak en Bruni, waarin een mijn-ingénieur, de heer {{sc|r. coulson}}, eenen overvloed van beenderen ontdekt had, daaronder ook die van menschen, liggende te midden eener zeer harde massa van guano, ofschoon, gelijk
{{sc|wallace}} doet opmerken, er tegenwoordig op Borneo geen dier voorkomt, waarvan men kan aannemen, dat die guano afkomstig zoude zijn. Reeds dit zoude derhalve op eenen vroegeren toestand van zaken wijzen.
{{sc|Wallace}} roept ten slotte zijne lanngenooten op om eene som van 150 pd. st. bijeen te brengen, ten einde den heer {{sc|coulson}}, die weder naar die streken terug keert, in staat te stellen den ontdekten schat te delven en naar Europa te zenden.
Zal Nederland zich ook hierin door Engeland laten beschamen?
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Giftorganen bij een visch.''' — Ofschoon verscheidene visschen als vergiftig te hoek staan, en de wonden door de vinstekels van eenigen (b.v. ''Trygon, Trachinus'') te weeg gebragt soms bedenkelijke gevolgen kunnen hebben, zoo heeft echter het onderzoek in zulke gevallen nimmer het bestaan van een eigenlijk giftorgaan leeren kennen. Merkwaardig is daarom de ontdekking van dr.
{{sc|günther}} van eenen toestel, die hoogst waarschijnlijk als zoodanig moet beschouwd worden, bij eenen visch uit de familie der ''Batrachidae'', waaraan hij den naam van ''Thalassophrys reticulata'' heeft gegeven. Bij dezen visch komen namelijk vier holle stekels voor, twee aan den rug, de andere aan het achtereinde van het kieuwdeksel. Het kanaal binnen in elke stekel eindigt in eenen zak, waarin vocht bevat is en welke door een dunne buis met het slijmstelsel der huid in verband staat.
In het voorwerp door {{sc|günther}} onderzocht, dat negen maanden in spiritus was bewaard, was de geringste drukking op den zak, gelegen onder het kieuwdeksel, voldoende om het vocht naar de holte in den stekel te drijven. Dit maakt de duiding als giftorgaan zeker zeer waarschijnlijk; echter kan dit eerst uitgemaakt worden door proefnemingen met den levenden visch. (''Natural History Review ''1864, April, pag. 309).
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Een nieuwe vorm van geslachtlooze voortplanting bij een insekt.''' — De onderzoekingen der laatste jaren hebben ons vele feiten leeren kennen, die in strijd<noinclude></noinclude>
gddm6wtiq5g73z73g23mrbxh1h1lkfn
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/465
104
90055
228432
2026-10-18T10:42:28Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
228432
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|44|ALBUM DER NATUUR.|}}</noinclude>waren met vroeger gekoesterde voorstellingen nopens de voortplantingswijze der dieren. Echter is de ontwikkelingsgeschiedenis van een insekt, behoorende tot de orde der Tweevleugeligen, die onlangs medegedeeld is door prof. {{sc|n. wagner}} (''Zeits. für. wiss. zool''., 1863, p. 514) zoo afwijkend van al hetgeen men tot dusverre wist, dat men aarzelen zoude haar als waar te erkennen, indien niet de mededeeling zelve den stempel van een zorgvuldig onderzoek droeg.
{{sc|Wagner}} zag namelijk dat en beschrijft uitvoerig hoe de jongen niet alleen zich ontwikkelen in de maskers, lang voor dat er eenig spoor van eijerstokken is, maar ook ten koste van het zoogenaamde vetweefsel.
De meening, dat de zich ontwikkelende jonge dieren parasiten zouden zijn, wordt door hem, en naar het schijnt op afdoende gronden, wederlegd. Deze gronden zijn de volgende:
1) Het schijnt onmogelijk aan te nemen, dat eene parasitische larve volkomen in maaksel zoude overeenstemmen met die, waarmede zij zich voedt.
2) De parasiten, die hunne eijeren in eenig insekt leggen, leggen deze alle te gelijk, en die eijeren ontwikkelen zich ook gelijktijdig. Hier daarentegen boden de zich ontwikkelde larven binnen in het dier allerlei trappen van ontwikkeling aan.
3) Het parasitisme komt slechts bij eenige individu's voor, bij andere niet. In dit geval daarentegen waren in al de larven jonge larven bevat.
4) De grootte der eijeren van eene en dezelfde soort is standvastig, terwijl de uit het vetweefsel gevormde kiemen allerlei grootten hadden.
5) In het binnenste der larven van de tweede generatie vormde zich eene derde generatie, gelijk aan de beide eersten.
De bekende Turijnsche hoogleeraar {{sc|filippi}}, die {{sc|wagner}} bezocht, verklaarde zich overtuigd, na zijne praeparaten gezien te hebben. Deze is er niet in geslaagd het volkomen insekt te bekomen; {{sc|v. siebold}} vermoedt echter, dat het eene soort van ''Cecidomyia'' is. De larven waren gevonden onder de schors van een ijpenboom.
{{r|[[Auteur:Pieter Harting (1812-1885) |{{sc|Hg.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Vergiftige werkingen van alsem-essentie.''' — Men heeft opgemerkt, dat de intoxicatie door liqueur d'absinthe bepaald verschilt van de eenvoudige alcoholische intoxicatie. De heer {{sc|marcé}} heeft nu proeven genomen op honden en konijnen, welke hij eene zekere hoeveelheid (2 à 3 gramm.) zuivere alsemessentie deed inslikken. De gevolgen waren: beving, verdooving, ongevoeligheid en alle blijken van hevige ontzetting. In grootere giften (3 tot 8 gramm.) ontstonden epileptische convulsien met onwillekeurige ontlastingen, schuim op den bek en snorkende ademhaling. Deze toevallen waren voorbijgaande en bragten den dood niet te weeg. Zij bewijzen, dat de bij intoxicatie door het<noinclude></noinclude>
b1zhaw95pyznwhh87fieq7sjgo2nphu
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/466
104
90056
228433
2026-10-18T10:46:38Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
228433
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.|45}}</noinclude>bekende likeur, absinthe genaamd, waargenomen verschijnselen (verdooving, stompheid van den geest, schrikwekkende hallucinatien en, op den duur, eene uiterst snel voortgaande verzwakking der verstandelijke vermogens) aan den alsem moeten worden toegeschreven. (''Compt. rend''., Tom. LVIII, pag. 628).
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Een spectraal-analytische humbug.''' — In de ''Pharmaceutische Centralhalle'' (1864 no. 6), vinden wij uit de ''Vossische Zeitung'' eene ''Spectral-analytische Ente'' vermeld, die alleraardigst gevonden en regt geschikt is om het groote publiek te mystificeren, beter althans dan de reeds bijna in vergetelheid verzonkene humbug van het photographeren van de geesten der afgestorvenen, dat eene wat al te grove mystificatie was. In een Amerikaansch tijdschrift (welk? dit meldt de ''Vossische Zeitung'' niet) leest men, dat de heer {{sc|lion stone}} door de volgende omstandigheid geleid werd tot eene gewigtige ontdekking. "Wanneer men een galvanischen stroom rondom eene staaf ijzer leidt, wordt deze magnetisch; omgekeerd ontstaat er een galvanische stroom, wanneer eene magneet in eene spiraal van koperdraad bewogen wordt." Hier heeft men het voorbeeld, dat, wanneer eene oorzaak eene bepaalde uitkomst heeft, men omgekeerd die oorzaak tot uitkomst verkrijgt, wanneer men de vroegere uitkomst als oorzaak laat werken. Wel nu, dus redeneerde {{sc|stone}}, bij de spectraal-analyse is eene in de vlam gloeijende stof oorzaak, en het uitwerksel is eene gekleurde streep op eene bepaalde plaats van het spectrum. Wat zal er gebeuren, als wij het proces omkeeren? Deze vraag is, naar luid van het berigt, door S. proefondervindelijk beantwoord. Hij heeft namelijk de van de gele spectraalstreep (op andere strepen heeft hij nog niet geëxperimenteerd) afkomstige lichtstralen opgevangen in een hollen spiegel, de stralen, thans evenwijdig loopende, door een nog geheim gehouden toestel laten gaan, en ze dan door middel van eene groote lens geconcentreerd in eene kleine, maar zeer intensive vlam. Uit die vlam vielen nu vlokjes neder, die bij onderzoek bleken uit koolzuur natron te bestaan! S. hoopt het tusschen de keerkringen, waar het zonnelicht zoo veel meer intensief is, zoo ver te brengen, dat hij dagelijks uit licht eenige ponden van het genoemde zout fabriceren kan. Derhalve eene soda-fabriek met zonnestralen tot grondstof! Maar niet alleen dat zijne ontdekking een dadelijk, stoffelijk voordeel opleveren zal, haar gewigt is nog veel grooter. Immers met haar is, meent S., een begin gemaakt van eene volledige opheldering van het scheppingsproces. De wereld is niet uit niets geschapen, maar ''uit de ligchamelijk vastgelegde lichtstralen!''
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}<noinclude></noinclude>
cowbenplejiihzptj4ag05j1x6srm3q
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/467
104
90057
228434
2026-10-18T10:52:56Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
228434
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh|46|ALBUM DER NATUUR.|}}</noinclude>'''Anabas scandens.''' — Men heeft het klimmen op hoomen van de zoogenaamde klimbaars (''Anabas scandens'') betwijfeld. Nu lezen wij in de ''Intellectual Observer, March'', 1864, pag. 148, dat kapitein {{sc|jesse mitchell}}, van het ''Madras Government Central Museum'' in de ''Annals Nat. Hist''. verzekert, dat zijn adsistent, de heer {{sc|rungasaway modeliar}} dien visch palmboomen heeft zien beklimmen, die op den oever van een tank of vijver groeiden. Hij doet dit door middel van zijne kieuwdeksels, die zich op eene andere wijze bewegen, dan die van andere visschen. Na vijf of zeven voet hoog geklommen te zijn, liet hij zich naar beneden vallen.
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Voorwaarden voor het ontstaan van het geslachtsverschil.''' — In de zitting der ''Académie des Sciences'' van 25 April jl., kondigde de heer {{sc|Coste}} aan, dat hij in vereeniging met zijnen praeparator aan het ''Collége de France'', den heer
{{sc|gerbe}}, voornemens is de theorie van {{sc|thury}} te Genève aangaande de voortbrenging bij dieren van mannetjes en wijfjes aan eene reeks van beslissende proefnemingen te onderwerpen. Volgens deze theorie moet het product een mannetje zijn, zoo het ei bevrucht wordt, wanneer het nabij den staat van rijpheid is; is het ei daarentegen nog van dien toestand verwijderd, dan zal er een wijfje geboren worden. Men weet, zegt C., dat bij de vogels in het algemeen en bij de hoenderachtigen in het bijzonder de eijeren steeds gelijktijdig in het ovarium bevrucht worden en nooit in den eileider of in de trompet. Zoo men dus eene jonge nog niet getredene kip afsluit, en men haar, nadat zij haar eerste ei gelegd heeft, bij den haan laat om haar dadelijk daarna op nieuw op te sluiten, dan zullen, zoo de theorie van THURY gegrond is, uit het eerste, tweede, derde, misschien nog het vierde ei hanen, uit de volgende hennen moeten voortkomen. Het feit is gemakkelijk te verifieren en ieder kan de proefnemingen doen,
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Pneumonoskoop.''' — In dezelfde zitting bood {{sc|velpeau}}, namens dr. {{sc|collongues}}
een mannequin voor de auscultatie of een pneumonoscope aan. De heer {{sc|collongues}} heeft daardoor willen te gemoet komen aan de groote bezwaren, die eene grondige studie der abnormale ademhalingsgeluiden voor den student in heeft. Immers om in staat te zijn ieder geluid overal en altijd te kunnen onderkennen, is het noodig het een zeer groot aantal malen gehoord niet alleen, maar met andere geluiden vergeleken te hebben. Dit is zelfs in groote hospitalen zeer moeijelijk en vaak onmogelijk, en, omdat het herhaalde ausculteren vele zieken zeer vermoeit, te moeijelijker en onmogelijker, naarmate het aantal<noinclude></noinclude>
94h02a59etzka9ufew0htaoi27hra0m
Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/468
104
90058
228435
2026-10-18T11:03:06Z
WeeJeeVee
2844
/* Niet proefgelezen */
228435
proofread-page
text/x-wiki
<noinclude><pagequality level="1" user="WeeJeeVee" />{{rh||WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.|47}}</noinclude>leerlingen grooter is. Het werktuig nu van den heer C. is een holle buste van ''carton pierre''; op de voorvlakte zijn tien en op de achtervlakte twee openingen, bij elke waarvan het geluid staat aangeteekend, dat er door gehoord moet worden. Uit de basis der buste, die door een geheel eigenaardig voetstuk ondersteund wordt, ziet men de einden uitsteken van gom-elastieke buizen, die ook met de namen der geluiden geteekend zijn. Door de openingen dezer uiteinden voert men de pijp van een kleinen blaasbalg in. Door bij afwisseling dezen blaasbalg te drukken en het oor te brengen voor de opening, die aan elke buis beantwoordt, verkrijgt men, al naar mate van de buis, waarin men blaast, de verschillende normale en anormale ademhalingsgeluiden. Tot het voortbrengen der rhonchi moet men aan den blaasbalg zekere mondstukken of anches aanbrengen, die met wat speeksel of eiwitoplossing bevochtigd worden. De toestel is, behalve door {{sc|velpeau}}, beproefd door {{sc|bouilland, barth, trousseau, blache, béclard}} en een aantal geneesheeren, en door dezen goed bevonden.
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Een nieuwe zijdeworm.'''—Met een woord vermelden wij, dat {{sc|guerin-mene-ville}}, die reeds ''Bombyx myletha'' uit Bengalen, ''B. Pernii'' uit noordelijk China, en ''B. Yama Maï'' uit Japan heeft ingevoerd, aan de ''Académie des Sciences'' op den 23 April jl. de eerste naar Europa overgebragte exemplaren van eene vierde soort: ''B. Roylei'', heeft aangeboden. Deze soort komt van de hooge bergvlakten van den Himalaya, op de grenzen van Kashmir, en leeft op een dikbladerigen eik, ''Quercus incana''.
{{r|[[Auteur:Douwe Lubach|{{sc|D.L.}}]]{{gap|4em}}}}
{{dhr}}
'''Afmetingen en vorm der aarde.'''—{{sc|Babinet}} berigt in (''Cosmos'', XXIV, pag. 485, over het onlangs uitgekomen deel der werken van de ''Ordnance Survey'' in Engeland en haalt daaruit de volgende uitkomsten aan:
Het oppervlak van Groot-Brittannie en Ierland maakt een deel uit van een ellipsoïde, die tot afmetingen heeft:
{| style="margin: 1em auto 1em auto;"
|-
|Halve aequatoriaal-middellijn||20 927 005 Eng. voeten
|-
|{{ditto|Halve}} pool-as|| 20 825 372 {{ditto|Eng}} {{ditto|voeten}}
|-
|||{{gap}}1
|-
|||__________
|-
|Afplatting||280,4 ± 8,3
|-
|}
Voor de gemiddelde digtheid der aarde is daarbij gevonden 5,316.
Wanneer men de meridiaanbogen, die in Engeland, Frankrijk, Rusland, Pruissen, Hannover, Denemarken, Indie, Peru en aan de Kaap de Goede Hoop zijn opgemeten, met elkander verbindt en daarbij de laatste uitkomsten van STRUVE voor de graadmetingen in Rusland in aanmerking neemt, dan verkrijgt men voor de afmetingen der aarde:<noinclude></noinclude>
dmjdowim9vx3fu4o31e1az4eomq1ltg